H1 - Scholieren.com

advertisement
H1 wat is maatschappijleer?
§1 Waarom maatschappijleer?
Overal waar mensen met elkaar te maken hebben zijn regels en afspraken. (bijv. in
een gezin)
In de Nederlandse samenleving hebben we vier terreinen:
1. Nederlandse rechtsstaat
Rechtsstaat stelt regels voor de overheid en voor de burgers. Deze regels zijn
voor iedereen gelijk en zorgen ervoor dat je rechtsbescherming hebt en dat je
je veilig kunt voelen.
2. De Nederlandse parlementaire democratie
Twee uitgangspunten:
 De meeste stemmen gelden. Als er dus over een voorstel of wet wordt
gestemd, kan die worden aangenomen als de meerderheid voor is. De
meerderheid heeft dus veel macht.
 De meerderheid ook rekening houdt met de belangen van de
minderheid. Daarom krijgen bijvoorbeeld de kleine partijen ook
spreektijd en wordt er naar hun opvattingen geluisterd.
3. De pluriforme samenleving
Een pluriforme(= veelvormige) samenleving is een samenleving waarin
mensen leven met verschillende culturen, tradities en leefstijlen. Een typisch
cultuurkenmerk is religie. Nederland kent veel religieuze stromingen.
4. De Nederlandse verzorgingsstaat
Nederland is een verzorgingsstaat, dat wil zeggen dat burgers sociale
grondrechten hebben. Ook wel sociale verzorgingsrechten genoemd. De
overheid heeft de plicht om voor de burgers te zorgen als zij daar zelf niet toe
in staat zijn. Verzorgingsrechten draaien vaak om geld in de vorm van bijstand
en uitkeringen.
Maatschappelijke problemen:
De maatschappelijke problemen verschillen van persoonlijke problemen.
Iets word pas een maatschappelijk probleem als blijkt dat een grote groep ergens last
van heeft door bijv. hoge werkdruk in Nederland  rugklachten
We spreken van een maatschappelijk probleem als het:




gevolgen hebben voor grote groepen in de samenleving
door maatschappelijke ontwikkelingen wordt veroorzaakt
te maken heeft met tegengestelde belangen
gemeenschappelijk opgelost moet worden
Om dit op te lossen zijn er vaak nieuwe regels en wetten nodig of een aanpassing
van bestaande regels.
Zo wordt het een politiek probleem omdat gekozen politici de taak hebben om
oplossingen te bedenken.
Bij zoeken van oplossingen moeten er tegengestelde belangen en normen en
waarden tegen elkaar worden afgewogen.
Duidelijke tegenstellingen bestaan tussen mensen met verschillende:
 politieke visies: bijv. om het fileprobleem op te lossen willen automobilisten
graag meer en bredere snelwegen, maar milieuactivisten willen juist
goedkoper openbaar vervoer.
 geloof- of levensovertuigingen: mensen die streng christelijk zijn willen bijv. dat
abortus verboden wordt. Iemand die niet-gelovig is, heeft daar meestal minder
moeite mee.
 sociaaleconomische posities: een werkgever wil liever zo min mogelijk
premies betalen, terwijl iemand zonder werk belang heeft bij een goede
uitkering.
Vaak wordt er een tussenoplossing gezocht, een compromis.
§2 Kernbegrippen
Waarden: het uitgangspunt of principe dat mensen belangrijk en nastrevenswaardig
vinden. Bijv. eerlijkheid, discipline, tolerantie.
Normen: opvattingen over hoe je je op grond van een bepaalde waarde behoort te
gedragen. Bijv. niet stelen, opruimen, , niet discrimineren, iedereen accepteren.
Belangen: het voor- of nadeel dat iemand ergens bij heeft (vaak financieel). Bijv.
studenten, overheid.
Macht(smiddelen): het vermogen ( de middelen) om het gedrag van anderen te
beïnvloeden.
 formele macht/gezag: vastgelegd. (leraar heeft de macht om je eruit te sturen)
 Informele macht/gezag: niet vastgelegd. (iemand die indruk op je maakt en je
daarom volgt)
Veranderingen
 Plaats: Zo is gastvrijheid in oosterse culturen als waarde belangrijker dan in
Nederland. En wat normen betreft zijn bijvoorbeeld in veel Arabische landen
alcoholgebruik en homo zijn nog strafbaar.
 Tijd: Mensen in Nederland hebben geen belang meer bij het krijgen van
kinderen. Vroeger was dat wel zo; toen kreeg je kinderen zodat ze later voor
jou konden zorgen, als je oud werd.
 Groep: Rechts-radicale jeugd zet zich af tegen de etnische samenleving,
komen op voor ‘het eigen volk’ meer internationaal georiënteerde jongeren
beschouwen culturele uitwisseling juist als een verrijking voor Nederland. Zij
zien voordelen in de aanwezigheid van meer cultuurgroepen in de
samenleving.
Sociale cohesie  het gevoel hebben bij elkaar te horen.
§3 Wat is waar en wat is niet waar?
Betrouwbaarheid:
 bronvermelding: wie heeft het geschreven? zijn er cijfers van bekend? wat is
de definitie?
 feiten of meningen: feit = objectief, zegt iets over de werkelijkheid. mening =
subjectief, zegt iets over een mening
 verschillende kanten: aan verschillende personen gevraagd?
Wat kan er misgaan tussen zender en ontvanger?:
 de ontvanger ontvangt de informatie verkeerd.
 de zender zendt de informatie verkeerd uit.
 door informatieoverdracht ontstaan vooroordelen.
H2 de rechtstaat
§1 Recht en rechtvaardigheid
Maatschappelijke normen: komen voort uit geloof, tradities en gewoonten. Regels die
niet opgeschreven staan in de grondrechten maar wel van belang zijn, zoals iemand
een hand geven.
Rechtsnormen: gedragsregels die door de overheid wettelijk zijn vastgelegd.
Rechtsgebieden:
Publiekrecht:
 Staatsrecht, regels voor de inrichting van de Nederlandse staat staan hier in
vastgesteld.
 Bestuursrecht: Verhouding tussen burger en overheid staat hier centraal.
 Strafrecht: bestaat uit alle wettelijke strafbepalingen.
Privaatrecht: (burgerlijkrecht)  Regelt de betrekkingen tussen burgers onderling.
 Het Personen- en Familierecht. (huwelijk, geboorte)
 Het ondernemingsrecht. (rechtspersonen). Oprichten van Stichting/vereniging
 Het vermogensrecht. (vermogen en in geld ). (koop- huur overeenkomst
sluiten).
Rechten & Plichten.
 Belastingplicht  geld voor iedereen met een inkomen:
 Leerplicht: iedereen tussen 15 & 17 jaar moet naar school.
 Identificatieplicht  vanaf 14 jaar kunnen aantonen wie je bent & waar je
woont.
 DNA plicht  voor mensen die veroordeeld zijn.
§2 Grondbeginselen van de rechtsstaat
Ontstaan van de rechtsstaat:
 Eerste grondwet in NL dateert uit 1798 toen NL bezet was door de Fransen.
 Pas door toedoen van de staatsman Thorbecke werd de grondwet in 1848
gewijzigd, zodat de macht van koning Willem II grondwettelijk aan banden
werd gelegd. Geleidelijk werd NL een democratie.
 In 1917 kregen alle mannen kiesrecht
 In 1919 kregen alle vrouwen kiesrecht.
 In 1983 werden sociale grondrechten in de grondwet opgenomen, zoals de
plicht van de overheid om te streven naar een goede gezondheidszorg en een
inkomen voor iedereen; vanaf dat moment was NL een sociale rechtsstaat.
De grondwet is in NL steeds belangrijker omdat we een samenleving hebben die uit
steeds meer culturen bestaat en de grondwet moet het fundament bieden waar
iedereen het bijna helemaal mee eens is en waar iedereen op kan vertrouwen.
Uitgangspunten van de rechtsstaat:
De grondwet moet het fundament bieden waar iedereen (bijna) helemaal mee eens
kan zijn en waar iedereen op kan vertrouwen:
 Bescherming tegen de macht van de overheid
 de wens van burgers om gelijk te worden behandeld
 in vrijheid te kunnen leven. Deze zijn uitgewerkt in de volgende
grondbeginselen:
Kenmerk 1: Er is sprake van een machtenscheiding.
Is bedacht door: Montesquieu
In Nederland geld de volgende machtsverdeling:
1. Wetgevende macht  algemene wetten maken, wijzigen of intrekken
uitgevoerd door:
 Regering (koningin en ministers)
 Parlement (1e en 2e kamer)
2. Uitvoerende macht  wetten in praktijk brengen en uitvoeren
Uitgevoerd door:
 Regering
3. Rechtelijke macht  doet uitspraak als wet overtreden is of als er
conflicten zijn
Uitgevoerd door:
 onafhankelijke rechters
Kenmerk 2: De rechters zijn neutraal en onafhankelijk.
Door het feit dat de rechters neutraal en onafhankelijk zijn, bied ons dat een aantal
garanties:
 bied mogelijkheid je recht te halen
 bescherming tegen ongeoorloofd overheidsoptreden
 geen eigen rechter spelen.
Kenmerk 3: Grondrechten zijn wettelijk vastgelegd.
Je kunt grondrechten in verschillende categorieën indelen:
 klassieke grondrechten: moet de overheid garanderen, zo niet?  rechter
o vrijheidsrechten
o gelijkheidsrechten
o politieke rechten
 sociale grondrechten  zorgplicht van de overheid
o onderwijs
o volksgezondheid
o werkgelegenheid
Kenmerk 4: De wet bepaalt wanneer je strafbaar bent.
Over de strafbaarheid zijn een aantal belangrijken beginselen vastgelegd in het
Wetboek van Strafrecht:
 legaliteitsbeginsel: alleen strafbaar als het in de wet staat.
 strafbaar: maximale straf is bekend.
 ne bis in idem regel: na de uitspraak van een rechter kun je niet voor een
tweede keer worden vervolgd.
§3 Rechtsstaat in discussie
Het is normaal dat rechtsregels veranderen, maar grondrechten niet. Die vormen een
fundament van de rechtsstaat en kunnen alleen met 2/3e meerderheid in het
parlement worden gewijzigd.
De rechtsstaat staat de laatste jaren ter discussie vanwege een aantal redenen:
- er is regelmatig een roep om zwaardere straffen
- de georganiseerde misdaad vraagt om een betere aanpak
- we hebben te maken met een wereldwijde terreurdreiging
- grondrechten kunnen botsen en staan soms ter discussie
Misdaadorganisaties:
Wet BOB / Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden  Geeft de politie onder
voorwaarde de bevoegdheid tot inkijkoperaties, om te infiltreren in
misdaadorganisaties (iets doen wat normaal niet mag)
Wet terroristische misdrijven: (veranderingen)
Verdachte: een redelijk vermoeden van schuld aan bepaalde handelingen 
 Aanwijzigen is al genoeg om verdacht te zijn.
 Anonieme getuigenverklaringen hierdoor wordt de bewijsvoering minder
doorzichtig.
Grondrechten ter discussie:
Botsende Grondrechten:
 vrijheid van meningsuiting  je mag zeggen wat je vindt maar behoudens
ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
 vrijheid van godsdienstuitoefening  mag de SGP vrouwen weigeren?
 verbod op discriminatie  mag een imam homoseksualiteit als ziekte
aanduiden?
§4 Strafrecht: De opsporing
Overheid moet zorgen voor rechtshandhaving  dat iedereen zich aan de wet houdt.
De overheid bezit daarom geweldsmonopolie  enig geweld gebruiken om orde te
houden.
Rechtsbescherming: de grondwet beschermt burgers tegen andere burgers en de
overheid.
Wetboek van strafrecht  Hier staan de meeste misdrijven en overtredingen in.
Misdrijven:
 Meer ernstige strafbare feiten (diefstal, mishandeling en moord, rijden onder
invloed)
Overtredingen:
 Minder ernstige strafbare feiten (rood licht, te snel rijden)
Belangrijke verschillen tussen Misdrijf en overtreding:
 De mogelijke straffen zijn hoger bij misdrijven
 Overtredingen en misdrijven staan geregistreerd bij de justitie. Vooral bij
misdrijven kan dit nadelig werken bij sollicitaties
Criminaliteit: Alle misdrijven die in de wet staan omschreven.
Wetboek van strafrecht:
Hierin staan de meeste overtredingen en misdrijven.
Daarnaast zijn er aparte wetten zoals de Wegenverkeerswet en de Opiumweet.
In het wetboek van strafvordering staat vastgesteld wat politie en de officier van
justitie mogen. Want ze hebben ook bevoegdheden, maar mogen niet alles.
Procedure in vogelvlucht:
Procedure loopt volgens een vast patroon:
1. Politie verzamelt informatie over het strafbaar feit. Ze verhoort de
verdachte en eventuele getuigen en kijkt wat er precies is gebeurd. Dit
wordt opgeschreven in een proces-verbaal.
2. De politie geeft het proces-verbaal aan de officier van justitie. Deze gaat de
zaak verder onderzoeken in het opsporingsonderzoek. Hij verhoort de
verdachte en eventueel getuigen.
3. Als de officier van justitie voldoende bewijzen heeft, stuurt hij het dossier
naar de rechter. Deze moet tijdens een rechtszaak vaststellen of de
verdachte inderdaad schuldig is. Als de rechter de schuld bewezen acht,
kan hij de verdacht een straf opleggen.
Verdachte  er bestaat een redelijk vermoeden van schuld.
Dwangmiddelen  bevoegdheden die de politie mag gebruiken.
Opsporingsbevoegdheden van de politie:
Zonder toestemming:
 Staande houden: Iemand laten stilstaan om hem te vragen naar zijn
personalia.
 Arresteren: Aanhouden
 Gefouilleerd: zijn kleding en zijn lichaam worden onderzocht.
 vasthouden: 6 uur vasthouden
 In beslag worden genomen: spullen innemen, bewijsmateriaal etc.
Met toestemming:
 machtiging tot intreding: woning binnen gaan (politie heeft hiervoor
toestemming nodig van een rechter-commissaris met een formulier)
 Huiszoekingsbevel: De woning mag worden doorzocht naar bewijzen.
Politie moet met de officier van justitie overleggen over het opvragen van
speciale persoonsgegevens, zoals bankrekeningnummers, gebruikte
telefoonnummers en internetgedrag.
 Preventief fouilleren: Fouilleren in bepaalde door de burgemeester
aangewezen gebieden. Dit wordt gedaan zonder dat er sprake is van
verdenking (of je auto of tas).
 Voorarrest: 110 dagen vastzitten
 Infiltratie: Het binnendringen van misdaadorganisaties voor het verkrijgen van
 gegevens. Hiervoor is toestemming nodig van de rechter-commissaris.
In feite is de officier van justitie de openbare aanklager, want hij zoekt namens de
samenleving bewijzen tegen de verdachte en een staf tegen hem kan eisen.
Officier van justitie:
Openbaar Ministerie(OM)  Alle officieren van justitie.
Als de officier en de politie klaar zijn met het opsporingsonderzoek hebben ze 3
mogelijkheden:
1. Seponeren: Afzien van de verdere rechtsvervolging. Meestal heeft diegene
zijn straf dan al gekregen met het ongeluk.
2. Transactie: Voortijdige afdoening of schikking. Heeft meestal de vorm van een
geldboete. Als een verdachte het afwijst komt de zaak alsnog voor de rechter.
3. Vervolgen: De officier van de justitie kan ten slotte besluiten het dossier naar
de rechtbank te sturen en een rechtszaak te beginnen.
§5 Strafrecht: De rechter
Strafvervolging: Officier van justitie brengt de strafzaak bij een rechtbank door middel
van een tenlastelegging, waarin precies de aanklacht tegen de verdachte staat
geformuleerd.
Politierechter: kleine misdrijven, en grotere komen bij hem
Meervoudige kamer: Ernstige misdrijven komen hier voor de rechtbank, bestaande
uit drie rechters.
Een rechtszaak bestaat uit 7 stappen:
1. Opening: rechter controleert persoonsgegevens, en verteld dat de verdachte
niet verplicht is antwoord te geven.
2. Tenlastelegging of aanklacht: De officier leest de aanklacht voor.
3. Onderzoek: begint met ondervraging van de verdachte door de rechter, officier
en zijn eigen advocaat. Verdachte hoeft niet aan zijn eigen veroordeling mee
te werken. Getuigen en deskundigen moeten wel de waarheid spreken, ze
staan onder ede. Als ze liegen kunnen ze een gevangenisstraf van maximaal
6 jaar krijgen.
4. Requisitoir: Verhaal wat de officier houdt waarin hij probeert aan te duiden dat
de verdachte echt schuldig is. En vraagt hij aan de rechter om een bepaalde
straf (eis)
5. Pleidooi: Advocaat verdedigt de verdachte. Hij toont dingen aan en probeert
strafvermindering of vrijspraak.
6. Laatste woord: De verdachte heeft het laatste woord. Hij kan spijt betuigen,
zijn onschuld benadrukken of aangeven hoeveel schade hij zal ondervinden
van een eventuele straf.
7. Vonnis: Nadat de rechter het onderzoek heeft afgesloten doet hij tenslotte
uitspraak. De kantonrechter en de politierechter doen meteen na de
rechtszitting uitspraak. Bij meervoudige kamer of gerechtshof duurt dit 2
weken.
Straffen: Ons land kent 4 soorten straffen
 Vrijheidsstraf  gevangenis van max. 1 jaar bij overtredingen tot max.
levenslang bij de zwaarste misdrijven.
 Taakstraf: Kan ter vervanging zijn van maximaal 6 maanden
onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit kan een werkstraf of een leerstraf zijn.
 Geldboete: varieert van 220 tot 440.000 euro. Als je niet betaald moet je voor
elke 50 euro een dag vervangende hechtenis uitzitten.
 Bijkomende Straffen: Deze kunnen in combinatie met een van de
bovenstaande straffen worden opgelegd. Belangrijkste: ontzegging van
rijbevoegdheid, of van een bepaald beroep omdat de verdachte een ernstige
verwijtbare fout heeft gemaakt.
Soms word een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd. Dit betekent dat een
verdachte de straf niet krijgt, onder voorwaarde dat hij binnen een bepaalde proeftijd
niet weer een strafbaar feit begaat. Toch, dan moet hij de voorwaardelijke straf
uitzitten EN de nieuwe straf.
De rechter kan behalve een straf ook een zogenaamde strafrechtelijke maatregel
opleggen.
 Terbeschikkingstelling (Tbs): Dit wordt gedaan wanneer iemand ten tijde van
het misdrijf niet of verminderd toerekings vatbaar is. Psychisch in de war. Het
kan opgelegd worden voor 2 jaar maar kan daarna telkens met 2 jaar verlengd
worden door de rechter. Ze hoeven niet mee te werken, maar zullen in dat
geval zeker niet vrijkomen.
 Onttrekken aan het verkeer: van in beslag genomen goederen zoals wapens
en drugs.
 Ontneming wederrechtelijk (= in strijd met de wet) voordeel: Dit is bedoeld om
de veroordeelde zijn winst af te nemen die hij met misdrijven heeft gemaakt.
 Schadevergoeding aan het slachtoffer: Het vergoeden wat hij heeft vernield,
zoals een kapotte ruit, doktersrekening, smartengeld enz.
Na het vonnis van de rechter kan zowel de veroordeelde als de officier van justitie in
hoger beroep gaan. Gaat naar het rechtshof. Dit komt bij de meervoudige kamer van
de rechtbank. De Strafzaak wordt dan helemaal opnieuw gedaan.
Daarna is er nog mogelijkheid om in 'cassatie' te gaan bij de Hoge Raad, die
uitsluitend nagaat of het recht juist is toegepast.
Jeugdstrafrecht:
 Halt: Hier krijg je een taakstraf, met lichte misdrijven
 Jeugdgevangenis: Hier kom je als je zwaardere misdrijven hebt gedaan. Daar
wordt gewerkt aan achterliggende problemen  het leren omgaan met geld
en het leren bedwingen van agressie.
 Behandelcentrum: Bij ernstige persoonlijke stoornissen.
§6: crimineel gedrag
Veel mensen doen geen aangifte, omdat ze er van uitgaan dat de dader toch niet
wordt opgepakt. Daarnaast worden sommige delicten niet ontdekt zoals dronken
rijden, milieumisdrijven (hier is vaak geen slachtoffer die aangifte kan doen).
Belastingontduiking en zakkenrollerij (Misschien heb ik mijn portemonnee wel ergens
laten liggen?)
Hoe word crimineel gedrag veroorzaakt?
Maatschappelijke oorzaken zijn:
 Alcohol- en drugsgebruik: 1/3de van de misdrijven is onder invloed van
alcohol.
 Pakkans: de pakkans is 16%, vrij laag dus.

Minder Sociale controle: In steden leven mensen langs elkaar heen, en letten
minder op elkaar
 Maatschappelijke achterstand: mensen zonder opleiding of baan vallen eerder
tot crimineel gedrag.

Betere beveiliging: de strengere beveiliging op banken, geldauto's en
tankstations leidt tot overvallen op straat en gewone winkels.
Een theorie is een verklaring voor bepaalde gebeurtenissen.
Persoonlijke factoren crimineel gedrag:
 biologische theorie door Lombroso. Criminelen kun je herkennen aan
bepaalde kenmerken.
 sociobiologie. Het sociale gedrag van mensen uit biologische factoren
verklaren.
 bindingstheorie door Hirschi. Iedereen is crimineel, maar door bindingen is er
sociale controle.
 aangeleerd - gedragtheorie door Sutherland. Crimineel gedrag wordt
aangeleerd.
 persoonlijkheidstheorie door Sigmund Freud. Er is een verband tussen
crimineel gedrag van een volwassenen en hun ervaringen tijdens de
kinderfase.
o Het id is het onderbewuste en bevat instinctieve driften.
o Het ego het bewuste deel dat de overhand krijgt als we volwassen
worden.
o Het superego is het geweten, waardoor we gevoelens als schuld en
schaamte hebben.
Als er een van die drie uit balans is, kan die lijden tot afwijkend of crimineel
gedrag.
 anomietheorie door Merton. Criminaliteit treedt op als mensen er niet in slagen
hun levensdoelen te bereiken.
Er zijn 2 soorten maatregelen om criminaliteit tegen te gaan  Tweesporenbeleid:
 Preventieve maatregelen zijn bedoeld om crimineel gedrag te voorkomen
 Repressieve maatregelen zijn straffen die na het criminele gedrag worden
opgelegd
Repressie en preventie sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar juist aan
Preventie (voorkomen)
Versterking van de sociale controle zorgt ervoor dat mensen minder snel strafbare
feiten plegen.
Ook het tegengaan van vroegtijdige schoolverlaters, folders over hoe je je huis beter
kunt beveiligen en zorgen voor meer banen zijn preventieve maatregelen.
Repressie (bestraffen)
Sinds 1990 zien we een stijging van het aantal lange vrijheidsstraffen. Bij zware
misdrijven kiest de overheid voor een hardere aanpak.
§7: burgerlijk recht
Geschil(conflict)  iedereen vanaf 18 jaar kan een conflict voorleggen aan een
onafhankelijke rechter.
Eiser  degene die de zaak aan de rechter voorlegt
Gedaagde  de persoon van wie iets wordt geëist en daarom voor de rechter wordt
gedaagd
Verloop burgerlijke zaak:
 dagvaarding. Een dagvaarding is een schriftelijke mededeling aan een
persoon dat hij voor de rechter moet verschijnen.
 verweer. Jij vertegenwoordigt door procureur. Gedaagde hoeven niet
persoonlijk aanwezig te zijn, kan ook schriftelijk.
 Vonnis  als je geen oplossing kunt bereiken, moet de rechter de uiteindelijke
beslissing nemen.
Twee soorten schade(vergoeding)
 Vermogensschade  dit betreft de vergoeding van gemaakte kosten, van
geleden verlies en van misgelopen winst
 immateriële schade:  De wet noemt dit ‘ander nadeel dan
vermogensschade’.
Bijvoorbeeld een jongen die door andermans schuld een arm breekt, dan kan
de rechter immateriële schadevergoeding toewijzen, dit kan worden
beschouwd als een soort compensatie voor de pijn.
Loonbeslag  bij een schadevergoeding, de mogelijkheid om een deel van
loon/uitkering van de verliezer direct betalen aan de winnaar.
Dwangsom  extra geld voor het overtreden van de uitspraak
Kort geding  een versnelde en vereenvoudigde procedure voor spoedeisende
zaken, die wordt behandeld door de voorzieningenrechter  doet zonder anderen
uitspraak
Bodemprocedure  de voorzieningenrechter geeft altijd een voorlopig oordeel in
afwachting van een definitieve uitspraak in het normale burgerlijke proces. Vaak
hoeft het niet tot een bodemprocedure te komen
Download