Samenvatting Parlementaire Democratie H5 – H8

advertisement
Maatschappijleer
Parlementaire democratie
H5 Regering en parlement
Kabinet: bestaat uit ministers en staatssecretarissen.
Regering: bestaat uit de koning(in) en de ministers.
Regering is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van ons land.
Beleidsvoornemens worden besproken in de ministerraad, de gezamenlijke
vergadering van de ministers. Iedere minister heeft een bepaald beleidsterrein onder
zijn beheer.
Premier = voorzitter van de ministerraad, ook wel minister-president.
Voor onderdelen van het takenpakket van een minister kunnen staatssecretarissen
worden aangesteld.
Minister zonder portefeuille = minister zonder eigen ministerie, hij werkt onder een
ministerie.
Taken van de koning(in):
 ceremoniële taken (lintjes doorknippen)
 ondertekenen van alle weten
 voorlezen van de troonrede op Prinsjesdag
 benoemen van ministers
 overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid
De koning(in) is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de wetten en van de
troonrede en is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.
Troonrede = kijkt terug op het afgelopen regeringsjaar en schetst de hoofdlijnen van
het beleid voor het komende jaar.
Parlement: bestaat uit de Eerste Kamer en de Tweede Kamer  Staten-Generaal
Tweede Kamer: 150 leden, meer bevoegdheden, rechtstreeks gekozen
 samen met de regering wetten maken en die goedkeuren
 de regering controleren
Parlement als (mede)wetgever
Stemrecht: stemmen over
wetsvoorstellen
Recht van amendement: wijzigen van
(delen van) een wetsvoorstel
Recht van initiatief: indienen van een
wetsvoorstel
Budgetrecht/ begrotingsrecht:
goedkeuren of verwerpen of wijzigen
aanbrengen in de jaarlijkse begroting
Parlement als controleur: controleert
ministers en staatssecretaris
Vragenrecht: vragen stellen aan
regering (schriftelijk/ mondeling)
Recht van interpellatie: spoeddebat
aanvragen met minister of
staatssecretaris
Recht van enquête: uitgebreid
zelfstandig onderzoek starten 
wanneer er onvoldoende informatie is
om het gevoerde beleid te beoordelen of
als de regering feiten en (verkeerde)
beslissingen heeft verzwegen
Recht van motie: een schriftelijke
uitspraak doen over een minister. Bij een
motie van wantrouwen moet de
minister aftreden
Eerste Kamer/ Senaat: 75 leden, deeltijdfunctie, vergadert één dag per week, niet
rechtstreeks gekozen, maar indirect door de leden van de Provinciale Staten.
De taak van de Eerste Kamer is veel beperkter. Het heeft geen recht van initiatief en
amendement en mag wetsvoorstellen dus alleen in zijn geheel aannemen of
verwerpen. De Senaat moet wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en
regels van behoorlijke wetgeving.  'laatste controle'
Wel recht om schriftelijke vragen te stellen, het recht van interpellatie en het recht
van enquête.
Hoe komt een wet tot stand?
Initiatief  ontwerp  advisering door de Raad van State  behandeling door de
Tweede Kamer  behandeling door de Eerste Kamer  ondertekening door
koning(in)  publicatie in het Staatsblad
Bij Koninklijke Besluiten en bij een zogenaamde Algemene Maatregel van
Bestuur (AMvB) (= een besluit van de regering over specifieke regels binnen een al
bestaande wet) neemt de regering vaak al besluiten, zonder dat de Eerste en
Tweede Kamer zich erover uitspreken.
Waarom is het logisch dat de Eerste Kamer geen recht van initiatief en recht van
amendement heeft?
Als zij een wet indienen, ben je al aan het einde van de totstandkoming van een wet,
dit geldt ook voor het wijzigen van de wet, de Tweede Kamer heeft de wet immers al
goedgekeurd.
Dualisme = een duidelijke taakverdeling tussen regering en parlement die voortvloeit
uit het principe van de trias politica, ook wel machtenscheiding genoemd.
Dualistisch stelsel: duidelijke scheiding regering en volksvertegenwoordiging
(vb. VS)
Monistisch stelsel: regering steunt op een meerderheid in de
volksvertegenwoordiging. (vb. GB)
Nederland: formeel dualistisch, maar in de praktijk monistisch. Leg uit aan de had
van de politieke cultuur.
Nederland heeft geen volkomen gescheiden bestuursorganen voor de uitvoerende
macht en de wetgevende macht. Ministers hebben namelijk zowel wetgevende als
uitvoerende macht. De wetgevende macht delen ze met het parlement.
De Nederlandse manier van politiek bedrijven: sinds 1982 'poldermodel'.
H6 Politiek in de praktijk
Het systeemmodel (zie schema boek)
Fase 1: invoer of input
De samenleving brengt in deze fase allerlei eisen en wensen naar voren.
Poortwachters = massamedia, pressiegroepen en politieke partijen hebben de
mogelijkheid wensen uit de samenleving te vertalen in concrete politieke eisen.
Fase 2: omzetting/ conversie
Als een onderwerp eenmaal op de politieke agenda staat, moeten de bestuurders de
vertaalslag maken naar beleid. Ambtenaren onderzoeken het onderwerp en schrijven
een advies: beleidsvoorbereiding. Samen met zijn ambtenaren kiest de minister
daarna hoe hij de kwestie gaat verwerken tot een concrete maatregel of wetsvoorstel:
beleidsbepaling. Er wordt in deze fase ook gekeken naar de gevolgen van deze
maatregel.
Subfasen: agenda- en controleren functie
Fase 3: uitvoer
Als het besluit is genomen, moet het worden uitgevoerd. Ambtenaren gaan
bijvoorbeeld regelen dat de werkgevers aan de slag kunnen, en zij regelen ook de
financiering. Tijdens deze beleidsuitvoering blijft de minister eindverantwoordelijk.
Fase 4: terugkoppeling
Wetten, plannen en andere maatregelen roepen reacties of nieuwe acties uit de
samenleving op. Uit deze terugkoppeling of feedback kunnen politici afleiden of het
beleid het gewenste effect heeft gehad.
Politieke en maatschappelijke actoren = alle individuele burgers, groepen,
bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke
besluitvormingsproces.
Wisselwerking tussen deze actoren is van cruciaal belang  het politieke debat
Ambtenaren (vierde macht): staan bestuurders bij, houden zich bezig met
beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling en beleidsuitvoering.
Beleid = de bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren.
Adviesorganen:
 Raad van State: wordt voorgezeten door de koning(in); de leden zijn juristen
of oud-politici met een indrukwekkende staat van dienst; worden benoemd
door de regering; beoordelen alle wetsvoorstellen; belangrijke functie in het
bestuursrecht.
 Sociaal Economische Raad (SER): 33 leden; adviseert de regering over de
hoofdlijnen van het sociaaleconomische beleid.
 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): leden zijn
wetenschappers uit verschillende takken van de wetenschap die door de
regering worden benoemd; hun taak is om toekomstige ontwikkelingen te
beschrijven die belangrijk zijn om in de gaten te houden voor beleid op lange
termijn.
 Centraal Plan Bureau (CPB): is een onderzoeksinstituut dat analyses maakt
van het economische beleid van de regering; onderdeel van het Ministerie van
Economische Zaken, maar functioneert ook afhankelijk als adviesorgaan.
Leg op basis van de samenstelling van de SER uit, waarom de regering naar hen
zou moeten luisteren?
Omdat de twee grootste groepen vertegenwoordigers, werkgever- en
werknemersorganisaties, al een compromis hebben gesloten.
Als burger toegang krijgen tot bestuurden en de volksvertegenwoordiging;
gemeenteraadsleden rechtstreeks benaderen, het woord voeren op
gemeenteraadsvergaderingen, deelnemen aan inspraakprocedures, een stukje
schrijven in de plaatselijke krant en gebruikmaken van wettelijke bezwaar- en
beroepsprocedures.
Burgerinitiatief = een (wets)voorstel van een individuele burger, dat onder bepaalde
voorwaarden in de Tweede Kamer moet worden besproken.
Pressiegroepen: groepen die druk uitoefenen op politici om ze voor hun standpunten
te winnen.
Lobbyen = via persoonlijk contact proberen steun te krijgen voor je standpunten en
belangen.
Twee soorten pressiegroepen:
 Belangenorganisaties komen op voor de belangen van een bepaalde groep
uit de samenleving. (vb. vakbonden en werkgeversorganisaties)
 Actieorganisaties zetten zich in voor één bepaald thema of onderwerp.
/ actiegroep wanneer mensen in actie komen voor een kortlopende en minder
omvattende kwestie.
De media vervullen in onze samenleving vijf politieke functies:
1. Informatieve functie
2. Agendafunctie (publieke agenda & politieke agenda)  artikelen plaatsen
zodat er over gesproken gaat worden.
3. Commentaarfunctie
4. Spreekbuisfunctie
5. Controlerende functie: media kijken niet alleen of ministers ook doen wat ze
beloven, maar ook of ze daarbij niet de wetten van de democratie en de
rechtsstaat overtreden.  hulp van Wet openbaarheid en bestuur
(= verplicht de overheid om alle informatie openbaar te maken).
De overheid stimuleert de pluriformiteit van de media, dit betekent dat er voldoende
keus blijft tussen verschillende media, zodat iedere politieke mening belicht wordt.
Omgevingsfactoren = factoren die niet direct onderdeel van het probleem vormen,
maar wel de besluitvorming beïnvloeden:
 Demografische
 Ecologische: wisselwerking tussen mens en milieu
 Culturele: gevormd door de geschiedenis van een land en de daaraan
gekoppelde waarden, normen en gewoonten.
 Economische
 Technologische
 Sociale
 Internationale
H7 Provincie en gemeente
Nederland heeft drie bestuurslagen: het Rijk, de provincie en de gemeente.
Subsidiariteitsbeginsel: delegeren van bevoegdheden op verschillende niveaus:
- Europa  nationaal
- landelijk  provinciaal/ gemeentelijk
- provinciaal  gemeentelijk
Redenen voor het delegeren van bevoegdheden:
 Elke provincie en/ of gemeente heeft haar eigen specifieke problemen die
soms lastig te vergelijken zijn en die daarom het beste lokaal kunnen worden
aangepakt.
 Op deze manier hebben de inwoners van de verschillende provincies en
gemeenten meer mogelijkheden om hun democratische rechten in praktijk te
brengen.
Het lost in veel gevallen het democratische dilemma op, van de vraag op welke
manier de effectiviteit van politieke besluitvorming enerzijds en het debat daarover
anderzijds het beste gewaarborgd zijn.
Provincie
 Belangrijkste taken: ruimtelijke ordening, water en milieu, verkeer en vervoer,
natuur en landschap
 Stelt streekplannen op  streekplan heet nu structuurvisie
 Gedeputeerde Staten  coalitie, zij vormen het dagelijks bestuur
 Voorzitter van het dagelijkse bestuur is de commissaris van de koning(in),
de CvdK wordt niet gekozen, maar benoemd.
 Provinciale Staten = Provinciale Parlement (volksvertegenwoordigers)
Gemeente
 Gemeenteraad  volksvertegenwoordiging op gemeentelijk niveau, direct
gekozen, aantal leden afhankelijk van omvang gemeente
 Belangrijkste taken: openbaar leven, welzijn, onderwijs, wegen,
bouwvergunningen, groenvoorziening, openbare orde, bijstand, inburgering
 Gemeente vult structuurvisie van de provincie gedetailleerd in
 College van Burgemeester en Wethouders (B&W)  wethouders uit
coalitie, college vormt dagelijks bestuur
 Voorzitter van het dagelijkse bestuur is de burgemeester
 Wethouders gekozen door gemeenteraad
 Burgemeester niet gekozen, maar benoemd door Kroon voor een periode van
6 jaar
 Gemeenteraad is het lokale parlement
Gemeentelijke herindeling
Doel: - daling gemeentelijke kosten
- vergroting bestuurskracht  schaalvergroting leidt tot meer efficiëntie
Keerzijde: - groeiende kloof tussen burger en bestuur
(vb. afstand tot het nieuwe stadhuis wordt groter, minder betrokkenheid)
Provincies en gemeenten zijn behalve een bestuurlijke autonomie ook gebonden
aan wat er in Den Haag wordt besloten.  leidt soms tot onenigheid en spanningen
 ontstaan machtskwestie
Volksvertegenwoordiging
Dagelijks bestuur
Voorzitter van Dagelijks
bestuur
Gemeentelijk niveau
Gemeenteraad
Provinciaal niveau
Provinciale Staten
Burgemeester en
Wethouders
Burgemeester
Gedeputeerde
Staten
Commissaris v/d
Koning
Ministers:
PvdA
Buitenlandse Zaken
Binnenlandse Zaken
Financiën
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Buitenlandse Handel + OS
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Timmermans
Plasterk
Dijsselbloem
Bussenmaker
Ploumen
Asscher
VVD
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Infrastructuur en Milieu
Wonen en Rijksdienst
Economische Zaken
Defensie
Veiligheid en Justitie
Algemene Zaken
Schippers
Schutz van Haegen
Blok
Kamp
Hennis-Plasschaert
Opstelten
Rutte
Landelijk niveau
Parlement
(1e + 2e Kamer)
Regering
Minister-president
H8 Nederland en de wereld
In 1992 werden met het Verdrag van Maastricht de Europese Unie (EU) en de
Economische en Monetaire Unie (EMU) opgericht. De EU telt 28 lidstaten. 17
lidstaten nemen deel aan de EMU, zij behoren tot de eurozone.
(= de groep van EU-landen die een gecoördineerde economische, financiële en
monetaire politiek voeren)
 euro als betaalmiddel, voeren geen nationale geldpolitiek meer, hun
bevoegdheden op dit gebied zijn overgedragen aan het Europese Stelsel van
Centrale Banken (ESCB) met de Europese Centrale Bank aan het hoofd.
In het Verdrag van Lissabon (2007) zijn het bestuur en de politieke besluitvorming
van de EU geregeld.
EU is wat betreft concurrentie, landbouw, milieu, het asielbeleid,
consumentenrechten en de bestrijding van grensoverstijgende criminaliteit en
terrorisme een supranationale organisatie = de aangesloten landen hebben hun
bevoegdheden grotendeels overgedragen aan de EU.
Op het gebied van toepassing op het defensiebeleid, het buitenlandbeleid en het
familierecht is de samenwerking intergouvernementeel = besluiten kunnen alleen
genomen worden met instemming van alle afzonderlijke landen.
Laatste jaren spraken van een zekere euroscepsis = zowel burgers als regeringen
van lidstaten twijfelen aan of protesteren tegen te veel supranationale regels.
Het bestuur van de Europese Unie
Wetgevende macht: Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement
Uitvoerende macht: Europese Commissie
Rechtsprekende macht: het Hof van Justitie van de Europese Unie
De Europese Commissie: dagelijks bestuur van de EU; iedere lidstaat levert één
commissaris; geeft leiding aan het ambtelijke apparaat en ontwerpt de
conceptbegroting; doet voorstellen voor Europese wet- en regelgeving.
De Raad van de Europese Unie: Raad van Ministers; zijn de regeringen van alle
lidstaten vertegenwoordigd; elke lidstaat heeft één vertegenwoordiger.
De Europese Raad: vergaderen de regeringsleiders van de EU-landen; geen
wetgevende taak, maar stelt de hoofdlijnen van het politieke beleid vast.
Het Europees Parlement: het aantal vertegenwoordigers per lidstaat is afhankelijk
van het aantal inwoners; beperkte bevoegdheden  democratisch tekort; de vraag
of dit gekozen orgaan ooit de wetgevende macht zal krijgen.
Hof van Justitie van de Europese Unie: zorgt ervoor dat de regels van de EU in
alle lidstaten op dezelfde wijze worden geïnterpreteerde en toegepast; 27 rechters.
Hoe wordt en lid van de EU?
Criteria van Kopenhagen:
 een stabiele democratie hebben die de rechtsstaat, de eerbiediging van
mensenrechten de bescherming van minderheden waarborgt;
 over een functionerende markteconomie beschikken die bestand is tegen de
concurrentie van de interne markt;
 het 'acquis communautaire', het geheel van EU-verdragen, richtlijnen,
verordeningen en de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie in zijn
nationale wetgeving opnemen;
 administratief in staat zijn om besluiten van de EU uit te voeren.
Download