Samenvatting H4

advertisement
WIJSBEGEERTE: H4: Het subject uit het centrum? De
hedendaagse tijd
1 Inleiding
 kijk van hedendaagse filosofie op verhoudingen van denken en zijn: erfenis van moderniteit
 Kind en kritiek van moderne weten
 Moderne weten wordt REFLEXIEF:
 Plooit zich op zichzelf terug
 Bewust worden van veronderstellingen, mogelijkheden en beperking
 Oorsprong moderne weten: aantal revoluties
 Menswetenschappen hoofdrol
· Evoluties bouwen modern weten verder uit
· + Evoluties ondergraven het op fundamentele wijze
1.1 De vraag naar de individuele existentie
 Filosofie van Hegel: culminatiepunt
 Subject = basis van bestaan van werkelijkheid in allesomvattend systeem
 Ligt zwaar onder vuur!
 Dialectische methode
 Ongebreideld idealisme
 Verantwoording afleggen voor politiek en moreel klimaat
 Met Hegel: tijdperk afgesloten
 Waarom Hegel viseren?
 Filosofie van Hegel = weergaloos systeem (keuze gemaakt die tot hun uiterste
consequentie zijn doordacht)
 Rijk van de Geest (alles ontleent hier werkelijkheid aan)
 Denkende subject triomfeert (eigenlijke waarheid van de dingen)
 Alles gedachten vanuit ontwikkeling van geheel, dus alles ondergeschikt
aan geheel
· Particuliere daden van particulieren mensen VERGETEN!
 Geen oog voor bestaan van de mens
 Reactie Kierkegaard: subject die niet meer te vinden is in doorgedreven subjectfilosofie
van Hegel
 Geen plaats voor individu  Waar sta ‘ik’ in het systeem?
 Doorbraak van concrete individuele bestaan: EXISTENTIE
 Aandacht op tijdelijke, singuliere
1.2 De menswetenschappen en waartoe ze leiden
1.2.1 Differentiatie van het weten
 aandacht op subject: ontwikkeling menswetenschappen (eco., soc., gesch.wet., psych.,...)
 Ligt voor de hand: mens beschouwt zich als oorsprong en fundament van verhoudingen
tot de wereld
 Verhoudingen wetenschappelijk ontsluiten: enkel als individu als drager van interactie
wordt onderzocht
 mens = OBJECT van wetenschappelijk onderzoek
 Van begin volgens model van moderne natuurwetenschappen opgebouwd, ontwikkelen zich ook
aanvankelijk binnen filosofie
 Adam Smith: grondleggende studie van politieke economie als prof in filosofie
 Locke & Rousseau: idem
 Al snel loskoppeling, zelfstandige aparte disciplines (gevolgen:)
 Differentiatie van het weten  filosofie herpositioneren
 Begin 20ste Eeuw: uitsplitsing voltooid  menswetenschappen krijgen hun klassieke
theoretische articulatie
1.2.2 Positivisme
 ontwikkeling menswetenschappen 19de Eeuw: groot succes  toepassing van methode op nieuwe
menswetenschappen = veelbelovend
 Ontstaan positivisme
 Groeit uit tot ‘normatief programma’ in loop van de eeuw
 Positieve wetenschappen als norm van weten zonder meer
 Enkel weten verworven door methode PW = geldig
 Methode: causale verbanden tussen ‘waarneembare feiten’ (posita)
 Wetmatigheden opstellen op basis van verbanden  opnieuw aan feiten
toetsen
 Alle weten is principieel om te zetten naar positief wetenschappelijk weten
 Verwetenschappelijking van het weten
 Comte:





Probeert als eerste natuurwetenschappelijke methode vruchtbaar te maken is ‘sociale
wetenschap’
 Uitbouw nieuwe samenleving: geen schijnweten door religie, filosofie en
moraal
Industriële samenleving: gewelddadige machtsverhoudingen verdwijnen, plaats voor
administratief beheer van dingen
Nood aan nieuwe vormen van weten (behoefte van management)
 = opdracht van ‘sociale wetenschap’ (theoretisch en praktisch)
 Wetenschappelijke reflectie om zelfbesturing van nieuw maatschappijtype
te besturen
 Maatschappelijke consensus mogelijk maken
Nieuwe maatschappij(1ste ind. Rev.) en emancipatiegedachte = constante in positivisme
Loi des trois états: 3 fasen in geestelijke ontwikkeling van mensheid (maakt individu ook
door)
 Theologische of fictieve stadium: mens verklaart werkelijkheid met behulp
van gepersonifieerde natuurlijke krachten
· Mythen zijn volgens Comte sprookjes
 Metafysische of abstracte stadium: mens verklaart dingen via abstracte
begrippen
· Abstracte essenties, centraal in metafysica
 Wetenschappelijk of positief stadium: denken richt zich op zintuiglijk
waarneembare verschijnselen (posita)
· Via waarneming: wetmatigheden van werkelijkheid kennen
· Ontwikkeling individuele mens: fase analoog aan het volwassen
worden
 Mens verklaart wereld in elk stadium op andere manier, pas in LAATSTE STADIUM komt adequaat
begrip van dingen tot stand
 Vooruitgangsgeloof: blind vertrouwen in ontwikkeling wetenschap, techniek en industrie
 Eind 19de Eeuw: positivisme radicaliseert zich tot sciëntisme
 Elk menselijk probleem oplossen met positieve wetenschappen
 natuurwetenschappen ontwikkelen zich tot zelfstandige disciplines:
 Filosofie moet zich heroriënteren
 NU met komst menswetenschappen: meer wetenschappen, kwalitatief andere
wetenschappen
 Vraagstelling preciseren

 Afbakenen van menswetenschappen
Verschillen menswetenschappen en natuurwetenschappen!
 Nieuwe methoden
 Nieuwe vormen van weten (naast en buiten filosofie)
1.2.3 De rol van het subject ondergraven
 empirische menswetenschappen ondergraven positie van subject! (nu mens centraal)
 Essentiële pijler van moderne weten onder druk
 Centrale uitgangspunt van filosofie bekritiseerd
 Subject wel autonoom en klaar denkend?  DECENTRERING VAN SUBJECT
 Foucault: ‘les mots et los choses’ : logica van kritiek bloot
 In modern perspectief : subject oorsprong en fundament van weten (maakt elke kennis
mogelijk)
 In menswetenschappelijk perspectief: mens is empirisch gegeven, object van empirisch
onderzoek
 Mens dubbele positie binnen het weten: subject als drager van het weten,
object als empirisch voorwerp van het weten
 Veroorzaakt KORTSLUITINGEN binnen het weten
 Menswetenschappen ondergraaft mens als subject
 Subject zelf geconstitueerd door iets wat hem in aanzet ontsnapt
 Mens in denken en kunnen schatplichtig aan sociale groep, tijd, omgeving
en pol.-juridisch bestel
 Hoe kan subject oorsprong en fundament zijn van alle kennis als het zelf afhankelijk is
van iets wat zijn kennis bepaalt?
 Subject zelf heeft oorsprong en fundament  ondergraaft positie van
subject in moderne zin
1.2.4 De meesters van het wantrouwen
 kritiek op subject: begint bij Marx, gaat verder bij Nietzsche en Freud
 twijfelen aan moderne voorstelling van mens als rationeel denkend en autonoom handelend subject
 MEESTERS VAN WANTROUWEN door RICOEUR
 Subject zelf door iets anders gedragen
 Subject zelf niet centrum  decentrering van subject
 Marx: mens is niet abstract, universeel subject van moderne filosofie!
 Mens is concreet en maatschappelijk gesitueerd
 Maatschappij volgens Marx klassenmaatschappij
 Mens hoort dus tot proletariërs of kapitalisten
 Tegengestelde belangen!
 verschillende denkbeelden over samenleving, finaliteit en hoe leden leiding
krijgen
 Marx ontmaskert elk denken als ‘ideologisch denken’: gebonden aan klasse
 Subject gestuurd door iets waarop het weinig vat heeft en waar het nooit definitief van
los kan komen = sociaaleconomische realiteit
 Nietzsche: vragen bij subject van moderne filosofie
 Verschil tussen volheid en rijkom van leven en begrippelijkheid waarmee wij leven
proberen te vatten
 Begrippen: leggen dynamische, procesmatige van realiteit stil =
MUMMIFICATIE VAN ONZE REALITEIT
· Fixeren realiteit
· Ontneemt haar haar levendigheid
 Begrippen: manifestaties van onze ‘wil tot macht’
 Machtwil = motief achter ons denken en spreken
 Wil tot weten
SAMEN:
 Wil tot het goede
wil tot macht
 Freud: het onbewuste stuurt ons denken en handelen in grote mate
 Beslissende kritiek op moderne subject!
 Psychische apparaat van de mens:
 Bewust (Ich): vormt zich door interactie met de wereld
 Onbewust (Es): bevat onze driften
 Deels onbewust (Über-Ich): heersende normen en waarden, verinnerlijkt
tijdens onze opvoeding
 Ich bemiddelt tussen Es, Über-Ich en buitenwereld
 Orde die aan bewustzijn van subject voorafgaat waardoor het denken en handelen
gedicteerd wordt
1.3 De Linguistic turn
 2de helft 20ste Eeuw: decentrering van subject steeds bredere verankering in de taal
 Verband met ‘Linguistic turn’ van Rorty
 Verschuiving aantonen in filosofiegeschiedenis
 Tot nu toe: Denken als spiegel van werkelijkheid
 Eind 19de Eeuw: TAAL ALS SPIEGEL VAN WERKELIJKHEID
 Subject en wereld raken elkaar in taal ipv in denken
· Logisch atomisme van Russell en Wittgenstein
 Linguistic turn: naderhand bredere betekenis gekregen
 Vertolken van inzicht dat toegang tot werkelijkheid bemiddeld wordt door
taal
 Taal is dus constitutief voor de werkelijkheid waartoe wij ons verhouden
(analogie KANT! a priori structuren ban transcendentale subject doen zelfde
als taal)
 beide betekenissen aan basis van onderscheiden filosofische programma’s
 Taal is een spiegel
 Verwachting dat studie van taal het ideale steunpunt zal zijn voor positieve
uitbouw menswetenschappen
· Wittgenstein en de Saussure
 Verregaande decentrering van moderne subjectiviteit
· Taal behoort niet tot subject, taal hoort bij particuliere
taalgemeenschap
· Spreekt subject wel in eigen naam?  spreekt vanuit de
taalgemeenschap waartoe hij behoort
 decentrering van subject!
1.4 Filosofieën van de eindigheid en de differentie
 hedendaags denken bevestigt radicale eindigheid tussen mens en wereld
 Eindigheid = uitgangspunt EN horizon van hedendaagse filosofie
 Ontleent vragen
 Zoekt antwoorden
 Hedendaagse filosofie: stelt vraag naar verhouding van denken en zijn op eigen manier
 Verwerpt traditionele ‘tweewereldenmodel’
 Vooruitgangsidee onder vuur
 hedendaagse filosofieën zijn eindigheidfilosofieën
 Ontkennen elke vorm van transcendentie
 Beklemtonen eindigheid gepaard met inzicht dat ‘subject oorzaak buiten zichzelf heeft’
 Orde dat aan subject voorafgaat waarin subject geworteld is
 Vormt een niet te recupereren andersheid (alteriteit) die subject grondt en
overstijgt!
 Alteriteit alomtegenwoordig: in taal, cultuur, organisatie samenleving, soc. praktijken
2 Fenomenologie en deconstructie
2.1 Edmund Husserl en de fenomenologie
 fenomenologie en existentiële fenomenologie = buitenbeentjes in hedendaags denken
 Fenomenologen geven moderne verankering van verhouding tussen denken en zijn in
het subject niet op
 Verticale beweging: uitgangspunt van waarheidstheorie verplaatsen naar diepere,
oorspronkelijkere dimensie van het subject
 fundamentele dimensie = Lebenswelt
 Oorspronkelijkere ontmoeting met de wereld, bemiddeld door lichamelijkheid, taal en
anderen
 Wijziging in moderne subjectdenken!
 Moderne filosofie vertrekt vanuit onderscheid subject – wereld  brug
moeilijk!
 Fenomenologie: subject = betrokken op de wereld  intentionaliteit
Wereld = datgene waar subject tot betrokken is
 Subject-zijn en wereld horen SAMEN! (kunnen niet bestaan zonder elkaar)
 Breuk met moderne filosofie = uitgangspunt voor fenomenologen
2.1.1 De ‘crisis van de Europese wetenschappen’
 Husserl: vraagstelling behoort tot oude traditie (Descartes, Kant), antwoorden NIEUW!
 Toch geen overgangfiguur (Wel grote invloed op filosofie van 20ste Eeuw)
 1ste zekerheid zoeken (Descartes!) die onbetwijfelbaar is
 Transcendentaal (Kant!) standpunt: onderzoekt mogelijkheidsvoorwaarden die aan
basis liggen bij contact tussen mens en wereld
 IETS UNIVERSEELS ZEGGEN OVER MENS EN WERELD = ambitie
 Probleem Husserl: crisis van de Europese wetenschappen
 Verwijt naar Hegel, volgens Husserl veel ruimer probleem!
 Pretenties van de filosofie
 Wetenschap in het algemeen (is onze bestaanswijze gaan bepalen)
 Wetenschap in crisis: ons bestaan bedreigd
 Husserl beschrijft hoe wetenschap op zoek gaat naar objectief-ware
 Tegengesteld aan relativiteit van particuliere ervaring
 Overstijg particulier gezichtspunt
 Universele geldigheid verwerven
 TYPISCH IDEALISME!
 Symptomatisch voor hele westerse traditie waar rede centraal staat!
 Wetenschap slechts uitvloeisel van rationaliteit
 wetenschap op zoek naar objectiviteit  stelt ons in staat efficiënt te communiceren
 Objectivering = efficiënte methode om dingen die we in leefwereld ervaren voor
iedereen op dezelfde manier toegankelijk te maken
 Wat is dan crisis van Europese wetenschappen?
 Probleem ≠ dat wetenschappelijke rationaliteit objectief wil zijn
= dat ze objectivistisch is
 We vergeten dat wetenschap slechts methode is om wereld te objectiveren
 Wetenschap is slechts constructie
 We gaan ervan uit dat wetenschap ons de wereld toont zoals ze echt is
 Denken dat objectieve werkelijkheid mathematisch is
 KLOOF TUSSEN OBJECTIEVE WERKELIJKHEID EN DAGELIJKS LEVEN
 Wat we in leefwereld waarnemen wordt ‘subjectief’ genoemd door
objectivisme
 Vb.: ervaring van muziek (= subjectief), in werkelijkheid: trillingen (=
objectief)
 kritiek op het feit dat wetenschap plaats van leefwereld inneemt als ‘werkelijkheid’ = substructie
(constructie heeft wereld gesubstitueerd)
 Wetenschap = constructie om leefwereld te objectiveren
 GEVOLG: normen, waarden, zinsvragen en esthetische oordelen zijn subjectief,
onwetenschappelijk, onwaar
 RESULTAAT: sceptisisme en cynisme tegenover domeinen die niet tot
positiefwetenschappelijke rationaliteit behoren
2.1.2 De leefwereld
 leefwereld = enige werkelijkheid waaraan wetenschappelijke objectivering haar zin en
bestaansreden aan ontleent
 Pas over trillingen spreken als er geluid waar te nemen valt
 Leefwereld biedt aanleiding tot wetenschap
 Wetenschap krijgt overtuigingskracht van leefwereld (beroep op waarneembare feiten)
 Waarneming eerst ‘subjectief’, nu terug ERNSTIG nemen!
 wetenschap levert ideële constructie die niet waargenomen KAN worden
 Waarom trillingen werkelijker dan geluid?


Vb.: zien
 Prikkels op het netvlies via oogzenuw naar hersenen
 EIGENLIJK: ‘ik’ zie, ik in contact met mijn omgeving
Wereld die IK zie is niet wereld van positieve wetenschappen!!
 Wetenschappen hebben blikveld verengd
 Primaire basis (aanleiding) uit oog verloren
 Direct contact van mens met leefwereld genegeerd
 Werkelijkheid achterhalen: leefwereld bestuderen
 Probleem: wetenschappelijke methode voor nodig die geen beroep doet op positieve
wetenschap
2.1.3 Filosofie als “strenge Wissenschaft”
 methode zoeken die nog strenger is dan positieve wetenschap
 filosofie moet zich opstellen als strenge wetenschap  kritiekloze aannames afzweren
 Moeilijke opgave! Zelf als subject onderzoek voeren naar de mogelijkheidsvoorwaarden voor
subjectieve wereld
 Transcendentaal onderzoek (KANT)
 Belangrijk verschil met Kant: kant wil mogelijkheidsvoorwaarden van objectieve kennis
onderzoeken, Husserl wil mogelijkheidsvoorwaarden van leefwereld blootleggen
 HOE? Om analyse te starten: enkele vanzelfsprekendheden ontmaskeren (niet uitschakelen, wel
tussen haakjes plaatsen)
 Wetenschap  RESULTAAT: wereld met natuurlijke blik common sense
 Genoeg geanalyseerd? Nee! Alleen common sense herbevestigd zonder te
verantwoorden
· Natuurlijk gezindheid gaat ook uit van evidenties: Wereld die we
ervaren is wat ze is, onafhankelijk van de mens
 Alles wat ons contact met dingen mee inkleurt: interesses, overtuigingen, belangen ...
 REDUCTIE VAN DE WERELD: tot absolute basis (dingen kunnen ervaren)
 = fenomenologisch: wereld herleid tot het tonen van dingen
 Dingen die zich aan het bewustzijn tonen (zijn niet op zichzelf!)
 Resultaat: blik van subject tussen haakjes, geen rekening houden met inhoud van wat
verschijnt
 Naakte feit dat subject dingen fenomeen laat zijn
 Elementairste bouwsteen = openheid van subject op de wereld
 Geen fenomenen als er geen bewustzijn is waaraan ze zich tonen
 Geen bewustzijn dat niet voor fenomenen openstaat
 Openheid = INTENTIONALITEIT
2.1.4 Een ‘eerste’ zekerheid
 gelijkenissen met Descartes:
 overtollige wegsnijden, brengt ons tot eerste zekerheid
 wetenschappelijk karakter geven aan filosofie (zoeken absoluut en evident
uitgangspunt)
 verschil met Descartes:
 Descartes inspireert zich op wiskunde
 Husserl: eigen radicaal model ontwerpen om strenge wetenschap te worden
 Striktere voorwaarden voor evident uitgangspunt: wenst ‘apodictische
zekerheid’ = volstrekt noodzakelijke waarheid (omgekeerde is onwaar,
absurd, onmogelijk)
 1ste zekerheid Husserl: ‘intentionele gerichtheid van het bewustzijn op de wereld’
 Bewustzijn = altijd bewustzijn van iets (fout Descartes: bewustzijn bestaat niet eerst op
zichzelf en daarna contact met buitenwereld)  gerichtheid op buitenwereld = wezen
van bewustzijn
 Intentionaliteit:
 Bewustzijn is open (niet gericht op zichzelf, maar op wat niet het bewustzijn
is)
 ‘ik’ begrijpt zichzelf enkel als subject voor zover het zichzelf ervaart als ‘niethet-andere-van-het-bewustzijn’
 breuk met moderne idee: bewustzijn kent enkel zijn bewustzijnsinhoud
 kennen wereld niet via onze voorstellingen
 bewustzijn bevat ideële voorstellingswereld  ≠ primaire act van bewustzijn
· onmiddellijke betrokkenheid op leefwereld
· daarna: ideële wereld van voorstellingen geconstrueerd
 Draagwijdte van 1ste zekerheid:
 intentionaliteit: impliceert niet ‘bestaan van ego en de wereld’ (niet apodictisch zeker)
 objecten zeker voor zover ze intentioneel gegeven zijn ~ voor zover ze
verschijnen aan bewustzijn
 wereld gereduceerd tot fenomeen
 enige zekerheid: verschijnen van fenomenen en hun verschijnen aan een subject
 VERTREKPUNT = BEPERKT: kunnen bestaan van wereld en ego niet bevestigen
 ‘terugkeer naar zaken zelf’ = terugkeer naar verschijnen van fenomenen en beschrijven
van manier waarop ze dat doen
 Voor Husserl: filosofie = fenomenologische beschrijving van ervaren werkelijkheid
 verhouding van denken en zijn: radicale vraag
 Vroegere filosofen = naïef volgens Husserl: ontmoeting tussen denken en zijn
 Husserl: er is TOCH altijd relatie tussen mens en wereld!
 Pseudoprobleem, ontstaan door mentaliteit die doordrongen is van
objectivisme
 Husserl wijst realisme AF  is hij idealist? Neigt ernaar, maar toch groot verschil:
 Realist: werkelijkheid in bestaan op wijze van het object
 Idealist: werkelijkheid in bestaan op wijze van subject
 Husserl: Realisme en Idealisme nemen teveel evidenties aan!  tussen haakjes
plaatsen!!!
 conclusie uit fenomenologische analyse:
 Subject is geen substantie die de wereld maakt tot wat ze is






Fenomeen kan slechts fenomeen zijn door openheid van subject
Idealisme: kent inhoud toe aan subject
Fenomenologie: over structuur die subject tot subject maakt
Husserl overstijgt discussie tussen realisme en idealisme: 1ste zekerheid = relatie tussen
fenomeen en bewustzijn
 Aard van object en subject: tussen haakjes
Wederzijdse relatie tussen bewustzijn en fenomenen, los van bevestiging van
onafhankelijk bestaan van elk van beide
 Geen evidentie voor ego als onafhankelijk subject
 Enige evidentie = ego als subjectieve mogelijkheidsvoorwaarde tot het
verschijnen van fenomenen
· Ego = subjectieve pool van correlatie
· Ego = transcendentaal ego = mogelijkheidsvoorwaarde voor
verschijnen van fenomenen zonder meer
Voorkeur van ‘ego’ boven ‘ik’: niet empirisch ‘ik’!
 Empirisch ik = fenomeen (uiterlijke en innerlijke kenmerken)
 Ego = subjectiviteit als zodanig, ‘ik-heid’ van het ik
2.1.5 De leefwereld als reconstructie
 wetenschappelijke rationaliteit = slechts mogelijke invulling van intentionele relatie tussen
bewustzijn en leefwereld
 Wij construeren ideële wereld van wetenschap!
 Leefwereld zelf is ook constructie, reconstructie!
 Gevolg van analyse: leefwereld is noodzakelijk subjectgebonden
 ALLES KOMT OP HELLING TE STAAN!
· Dreiging tot vervallen in subjectivisme (niets objectief vast te
stellen)
 subjectgebondenheid van ervaring: ervaring afhankelijk van manier waarop ik naar dingen kijk 
Zeer veel werelden! (visser, politicus, postbode...)
 Alles hangt af van standpunt dat ik inneem en lichamelijke condities die samenhangen
met standpunt
 Bewustzijn gericht op iets EN is gerichtheid op iets
 Waarnemen is NOOIT puur registreren: er speelt altijd een kader mee die wij zelf aan
het waargenomene opleggen
 = instelling = bril waardoor we kijken
 verklaring gaat niet diep genoeg: fenomenologische reductie betekent net ‘instellingen’ tussen
haakjes zetten! (ze laten zijn wat ze zijn want ze zijn belangrijk, maar ze even proberen ontwijken om
door te dringen tot fundamenteel niveau)
 Subjectgebondenheid van ervaring: wereld is werkelijkheid voor zover die zich aan het
menselijk bewustzijn voordoet
 Menselijk bewustzijn = transcendentaal subject
 Sommigen opperen voor bestaan van wereld onafhankelijk van mens
 Voor de mensheid bestond
 Helpt ons beter verstaan over wat het gaat: wereld die paleontoloog
ontdenkt = reconstructie van wat zich heeft voorgedaan
· Zonder paleontoloog: wereld geen betekenis
· Betekenis van wereld = betekenis die mens eraan toekent (geldt
voor gehele leefwereld)
· Verzamelen en bij elkaar brengen van ervaringen om dingen te
construeren
2.1.6 Een voorbeeld: de waarneming
 1ste plaats: directe ervaring
 Waarneming: object geeft zich op lichamelijke wijze (wijze waarop ze verschijnt)
 Verbeelding: beelden (beeld van een boom) ; waarneming: geen beeld
(boom zelf)


Alles wat we waarnemen is slechts aspect die ik vanuit bepaald standpunt ervaar
 We zien dingen niet als één omvattende waarneming
 ‘ding’ is synthese van aspecten = eenheid die we zelf construeren
Elke waarneming: horizon van waarneming (aspecten niet altijd direct gegeven)
 Horizonten meegegeven in waarneming
 3 horizonten:
 Innerlijke horizon: geheel van alle mogelijke gezichtspunten die ik zou kunnen innemen
tegenover object
 Gegeven samen met feitelijk aspect
 Wat ik niet kan niet is meegegeven als innerlijke horizon
 Uitwendige horizon: de omgeving
 Alle gegevens buiten object waarnaar het verwijst
 Onuitputtelijk en nooit onmiddellijk gegeven
 Potentieel gegeven als een nooit te voltooien ontdekking
 Horizon van al deze horizonten = WERELD
 Tijdshorizon: totaliteit van het heden, verleden en toekomst
 In staat zijn ervaringen op te slaan = retention
 Ervaringen uit verleden en heden vasthouden
 Automatisch verwachtingen koesteren met betrekking tot ervaringen die
zullen volgen
 1 van horizonten weglaten: waarneming is geen waarneming meer
 In waarneming nooit alles tegelijk gegeven
 Gegevens aanvullen op basis van vorige ervaringen, we verwachten dat
vroegere ervaringen die gegevens bevestigen
 GEEN BEVESTIGING: synthese overdoen
 conclusies na analyse van het waarnemen:
 Waarneming is geen passieve aanwezigheid bij een object
 WEL: synthetiserende intentionele activiteit van subject
 Het is de instelling van subject die combinatie bepaalt van aspect en
horizon
 Waarnemen is niet ontvangen van afzonderlijke zintuiglijke gegevens
 WEL: waarnemen van een geheel (primeert op de delen)
 Reductie van de werkelijkheid verhindert niet dat beelden (uit droom,verbeelding,
hallucinaties, waarneming) kunnen onderscheiden worden
 Fenomenologie toont wat voor elk beeld essentieel is!
 Beeld uit droom:
· Verschijnt zonder innerlijke horizon, uitwendige horizon en
tijdshorizon
· NOOIT TWIJFELEN TUSSEN WAARNEMING EN DROOM
 dingen construeren voor mezelf aan de hand van onmiddellijke waarneming en horizon
 Nog derde element! COMMUNICEREN
 Eigen ervaringen met ervaringen van anderen samenleggen om
gemeenschappelijk ding te construeren
 ONZE wereld construeren door intersubjectieve synthese
 gevolg van alles: er bestaan geen dingen ‘op zich’
 Synthese van ervaren aspecten mondt uit in objectief voorwerp waarover ik kan
communiceren met anderen
 Objectief voorwerp = ideëel (nooit precies gegeven in ervaring, we ervaren
slechts aspecten)
 Wat ik ervaar = geconstrueerd object door combineren van eigen
ervaringen
 ELK DING IS FENOMEEN WAAROP WIJ INTENTIONEEL BETROKKEN ZIJN
 NOOIT DING OP ZICH!!!!
3 Ludwig Wittgenstein en het logisch atomisme
 Tractatus Logico-Philosophicus: wil grenzen aan taal aangeven
 Filosofische problemen ontstaan ALS
 grenzen van taal niet worden gerespecteerd
 we het onzegbare proberen zeggen
 gelijkenis met KANT
steun op logisch atomisme van Russell om grenzen aan te geven (waarheidstheorie sluit aan bij
klassieke waarheidstheorie)
 herformulering traditionele correspondentietheorie van waarheid
 Cartesiaanse visie: van waarheid pas sprake als subjectieve voorstellingen
van werkelijkheid overeenstemmen met de werkelijkheid buiten subject
 Logisch atomisme: geen overeenstemming denken en werkelijkheid MAAR
tussen werkelijkheid en structuur van logische uitspraken waarin die
werkelijkheid uitdrukking krijgt
 taal neemt functie van subject OVER!
 logisch atomisme Russell: vraag beantwoorden hoe taal kan betekenen
 Uitgaan van taal die beantwoordt aan logica
 Taal weerspiegelt werkelijkheid
 Overeenkomst tussen structuur van taal, structuur van denken en structuur van
werkelijkheid
 Atomaire proposities corresponderen met atomische feiten
 Logisch atomisme
 Tractatus Logico-Philosophicus van Wittgenstein:
 Elementaire proposities corresponderen met ‘standen van zaken’ (samenhangen van
dingen)
 Dingen zelf worden benoemd door namen (betekenis = ding in werkelijkheid)
 Namen slaan brug met werkelijkheid
 Namen combineren tot proposities die verwijzen naar ‘stand van zaken’
 Wereld bestaat uit enkelvoudige dingen en onderlinge configuraties(=stand van zaken)
 Proposities hebben betekenis: ze beeldt ‘mogelijke stand van zaken’ van werkelijkheid
af = picture theory of meaning
 Niet letterlijk nemen: niet fysiek
 WEL: dezelfde logische vorm: bestaan allebei uit relatie (vb.: partituur is
afbeelding van muziekstuk  zelfde logische vorm)
 Tractatus = betekenistheorie over wat zegbaar(betekenisvol) en onzegbaar (niet betekenisvol) is
 Afbeeldingtheorie = verband tussen betekenisvol zijn van proposities en afbeelden van
mogelijkheid van stand van zaken
 Conclusie: empirische uitspraken zijn ZINVOL; ander taalgebruik = onzin, zegt ons niets
over werkelijkheid (kunst, ethiek, religie, filosofie)
 Uitzondering: Tautologie ALTIJD WAAR
 Uitzondering: contradicties: ALTIJD ONWAAR, niet zinvol maar ook geen
onzin
· Laten ons de structuur van de werkelijkheid zien
· Uitspraken zinloos, zinledig: geen betekenis omdat ze geen kennis
van de wereld bevatten
elk taalgebruik dat op empirische uitspraken lijkt maar geen betrekking heeft op waarneembare
stand van zaken = ONZIN volgens Wittgenstein
 In religie, filosofie, kunst, ethiek


Genuanceerder dan het lijkt: het belangrijkste kan tot de onzin behoren!!
‘de wereld is alles, wat het geval is’
 Zin van de wereld ligt buiten wereld
 In de wereld is er geen waarde
 Alle gebeuren is toevallig
 Ethische volzinnen bestaan niet
 ...
 Verduidelijkt Wittgensteins positie:
 Ethiek, esthetiek, religie: onuitsprekelijk  ONZIN
 Spreken over onuitsprekelijke, over zin van de wereld
· Ligt buiten de wereld!
 Wereld is wat het geval is en alles is toevallig
 Uitspraken over zin van de wereld: drukken behoren, moeten uit
 Ethiek, religie en kunst zijn dus ONZIN omdat ze waarden uitdrukken
· Hoe ze zinvolle manier samenhangen
· Uitspraken over wat die wereld overstijgt!
 Uitspraken over het mystieke
 Filosofie ook onzin, NUTTIGE onzin als filosofie grenzen aan de taal aangeeft
en onzin van zinvol onderscheid
 ECHTE ONZIN: geen onderscheid tussen feiten en waarden
 oppositie tussen feiten en waarden op de spits gedreven door Wittgenstein:
 Lijkt van totale andere orde:
 spreken over zin van wereld nog verwant met spreken over wereld?
 Verschillende wijze waarop ze gegeven zijn: spreken over zin van wereld ≠
spreken!  activiteit van een andere orde
 ‘Gij zult’: behoort tot onuitsprekelijke
 Over waarden geen zinvolle communicatie mogelijk, ook al zijn ze op andere
manier gegeven
 Wittgenstein staat op punt feiten en waarden zo te onderscheiden dat domein van
waarden elk rationeel gehalte dreigt te verliezen
 Wat ‘hoort’ laat zich niet meer ‘zeggen’, ‘bediscussiëren’
 Ethiek loopt risico handelingsdomein te worden waar op geen enkele manier
naar ‘redenen’ gevraagd kan worden
 Later: Wittgenstein denkt hier anders over
 Gewijzigde taalopvatting
4 Ludwig Wittgenstein II
 Gooit roer helemaal om in Philosophische Untersuchungen
 Afstand van correspondentietheorie van waarheid (afbeeldingtheorie)
 Geeft elk archimedisch standpunt op van waaruit definitieve kennis of objectieve
waarheid over werkelijkheid zou kunnen worden vastgelegd
 Theorie van ‘taalspelen’: werkelijkheid afhankelijk van taalspel dat we spelen
 Geldt ook voor kennis en waarheid: betekenis hangt af van hoe ze worden
gebruikt in bepaalde context
 Philosophische Untersuchungen: verwerping van basisopties Tractatus Logico-Philosophicus
 Enige functie van taal is beschrijven van de werkelijkheid
 Betekenis heeft te maken met afbeelden van realiteit

Voortaan: taal als instrument om in verschillende contexten diverse dingen te doen
 Meaning is use
 Specifiek gebruik van taal binnen welbepaalde context = TAALSPEL
 Taalspel:


Talloze soorten
Wijst erop dat
 Taal een activiteit is
 Activiteit verloopt steeds regelgebonden
 Activiteit is heterogeen en kan niet worden teruggevoerd tot een enkele
gemeenschappelijk gelijkblijvende van alle mogelijke soorten taalspelen
 altijd verweven met andere menselijke activiteiten
 Interacties tussen mensen in een particuliere gemeenschap
 Leden van gemeenschap delen talige en niet-talige praktijken 
LEESVORM = geheel van talige en niet-talige praktijken
4.1 Jacques Derrida en de deconstructie
 gegroeid uit confrontatie met :
 Structuralisme
 Filosofieën van Hegel, Husserl en Heidegger
 Publicaties bevatten vooral teksten van anderen  schrijven ~ lezen
 Zijn teksten geschreven in marge naast andere teksten
 Deconstructie = niet theoretisch (inzichten), wel leespraktijk, leesstrategie
 Teksten steunen vaak op hiërarchische opposities  Derrida zoekt ze op,
laat zien hoe zij zichzelf ondergraven
 Hiërarchische oppositie tussen gesproken woord en schrift
4.1.1 Plato’s toverdrank
 La voix et le phénomène, la grammatologie, la dissémination: hoe verschil tussen geschreven en
gesproken woord als hiërarchische positie duiden bij Husserl, Rousseau, Levi-Strauss, Saussure en
Plato
 Plato en Aristoteles: schrift = teken van een teken
 Volgens Derrida: westerse traditie ziet schrift als supplement van gesproken woord
 Waarom ondergewaardeerd?
 La pharmacie de Platon: onderzoekt prototypische verwoording van Plato
 Phaedrus (van Plato):
 Begint met een mythe over uitvinding van het schrift (god Theuth bij Egyptische koning
Thamus)
 Theuth wil schrift aanleren  stelt het voor als ‘toverdrank voor geheugen
en verstand’
· Koning wilt het niet: mensen zullen vertrouwen op schrift en
hersenen niet meer gebruiken
 Theuth stelt het voor als ‘toverdrank, niet voor geheugen, maar om vaag te
herinneren’
· Koning wil het niet: leidt tot schijnweten

Plato onderschrijft argumenten van koning: maakt onderscheid tussen
 Mnèmè: actief herinneren, gepaard met echte kennis (èpistèmè)
 Hypomnèsis: passief herinneren door geheugensteuntje (schrift)

Nog andere bekommernis naast schijnweten: epistèmè bereikt door dialogische
onderricht van leraar (dialoog vervangen door schrift  meer op het spel dan hanteren
van ander didactisch materiaal)
Socrates: helderheid en volmaaktheid enkel in gesproken woord van meester

 Derrida vertrekt uit vaststelling dat Plato schrift tegenover gesproken woord plaatst en het afwijst
 Verschillende redenen:
 Schrift = uitwendige geheugensteun
 Niet geschikt voor ernstige zaken
 Als een schilderij: slechts afbeelding van geheugenspinsel
 Niet zomaar een detail: bedreigt de waarheid, moraal en politieke gemeenschap
 Socrates: gesproken woord = betoog (van kennis verzegeld) dat in ziel wordt
geschreven
 PLATO beschrijft schrift als wat het uitsluit
 Plato denkt gesproken woord naar het model van het schrif!
 GEVOLG: Plato’s betekenis van tekst = instabiel
· Wat oppositie uitsluit (=schrift) komt terug in wat ze insluit
(gesproken woord)
· Deconstructie tast hele betekenisstabiliteit van tekst aan!
 PARADOX: schrift bevat geen waarheid, waarom schrijft Plato Phaedrus dan?
4.1.2 Deconstructie van hiërarchische opposities
 deconstructie = ontmantelen van conceptuele tegenstellingen en hiërarchische opposities
 Derrida: speuren naar ‘blinde vlekken’ of innerlijke tegenspraken
 Uitgangspunt: ogenschijnlijk onbelangrijke details
 Destructie = leespraktijk die principiële onbeslisbaarheid van fundamentele,
conceptuele distincties en opposities wil aantonen
 Onbeschrevenheid:
 Problematisch gehalte
 Nooit een tekst als tekst bestaan
· Keuzes maken, strategieën hanteren
· Deconstructie ≠ systeem, theorie
· Systeem proberen te verheffen!
 Deconstructie is nooit verworven! Altijd opnieuw hernemen
 Waakzaamheid vereist
 Openheid op het ‘andere’
 Deconstructie is niet zomaar een analyse! Stoot nooit op laatste elementen
 Geen methode (in zin van herhaalbaar)
 Deconstructie is ‘demontage’ van het eenmalige
 Geen hermeneutiek (veronderstellen dat teksten betekenis hebben dus inherent is aan
de tekst)
 Geen structuralisme: legt geen gesloten structuren bloot! Laat wel broosheid en
instabiliteit van onderliggende structuren zien
4.1.3 Kritiek op de westerse metafysica
 Kritiek op harde kern van westerse metafysica
 Voorkeur voor gesproken woord ipv schrift
 Preferentie voor idealiteit (ten koste van materialiteit)
 Deconstructie fono- en logocentrisme = deconstructie westerse metafysica
 Westen kent fonetisch schrift: wekt suggestie dat geschreven woord is afgeleid van gesproken
woord en dus daar zijn betekenis haalt
 Derrida: wijst erop dat dit in sommige talen NIET zo is
 Verhouding tussen woord en schrift is er NIET! (valse suggestie)
 kenmerk fonocentrisme: schrift wordt opgevat als grafische weergave van verwoording van
gedachte
 Schrift = teken van een teken, afbeelding van afbeelding: schrift beeld woord af dat
weergave van gedachte is

Schrift = artificieel substituut, vorm van telecommunicatie
 Logocentrisme:
 Medium is zo efemeer dat het ons met gedachte zelf confronteert
 =ideaal van logocentrisme = aanwezigheid bij denken zonder tussenkomst
van taal als bemiddelend systeem
 Hiërarchische opposities, tegenstelling tussen werkelijkheid en verschijningswijze
 Een denken dat alle mediatie schuwt, want wat medieert contamineert!
 Denken in zijn zuiverheid: onmiddellijkheid vereist
 Derrida: westerse metafysische traditie voltrekt dubbele beweging:
 Onmiddellijke aanwezigheid, oorspronkelijkheid, zuiverheid, eenvoud, waarheid,
zekerheid
 Afwezigheid van die aanwezigheid: afgeleide moment van bemiddeling, contaminatie,
meervoudigheid, schijn en twijfel
 Het ware is datgene waarbij we onmiddellijk aanwezig zijn
 Westerse metafysica is volgens Derrida de ‘metafysica van aanwezigheid’
 metafysische traditie: altijd heden als model in overeenstemming met heersende
aanwezigheidsdenken
 Tijdsopvatting als voorbeeld
 Nu: altijd aan aanwezigheidsgedachte gelinkt
 Link tussen het ‘nu’ en het ideaal van aanwezigheid
 Het werkelijke = het heden
 Wat is het NU? Niet mogelijk om over het nu te spreken
 DUS: ook het verleden anders denken!
 Verleden ≠ wat we ons herinneren
= wat nooit aanwezig is geweest
· Altijd weg! Er blijven sporen, maar oneindig veel sporen worden
gewist!
 Toekomst: traditioneel gezien als anticipatie van het nu
 Wat altijd nog moet komen
 Eeuwig uitstel (elke keer als het dichterbij komt wordt het NU)
 À venir  destructie botst op ondeconstrueerbare
· Binnen systeem soms iets wat systeem wil maar niet kan vatten
 iets wat nooit aanwezig is
 vergelijking Derrida en late Heidegger: gelijkenissen
 Tegen westers metafysica als metafysica van aanwezigheid
 De(con)structie van westers metafysica
 Verwijzing naar differentie die vergeten is in metafysica
 Bij Derrida geen ontologische differentie, maar differentie die proces van
betekenen beheerst (différance)
4.1.4 De schriftuur en la différance
 De la grammatologie: beschrijving van verdringing in schrijven van Plato tot Levi-Strauss
 Systematische mislukking aantonen, nieuw concept ontdekt: SCHRIFTUUR
 Gaat aan elk spreken en schrijven vooraf
 tot die stelling gekomen door
 eerst traditionele concept van schrift te analyseren
 aan te tonen dat kenmerken ervan ook van toepassing zijn op gesproken woord
 veralgemeende notie van schrijven gerechtvaardigd
 metafysische traditie: schrift = teken van een teken
 geldt ook voor gesproken woord
 Teken volgens Saussure: eenheid van een vorm die betekent en inhoud die betekend
wordt
 Arbitraire verhouding: geen noodzakelijk verband tussen die twee
 Eenheid is resultaat van conventie
 Saussure beschouwt ze toch als onlosmakelijk (recto verso van blad)
· Taal = zelfstandig systeem van tekens
· Betekenden en betekenaars vormen elementen/waarden binnen
systeem
· Niet door vaste inhoud bepaald, wel door onderscheid met
andere elementen van systeem
· Taaltekens ontlenen betekenis niet aan verwijzing naar
buitentalige werkelijkheid maar aan interne relaties binnen
taalsysteem zelf
· TEKEN BEPAALD DOOR ONDERSCHEID VAN ANDERE
TEKENS
· Tekens verwijzen dus naar andere tekens
 Volgens Derrida: elk teken draagt de sporen van andere tekens in zich
 Daarom: teken is onvermijdelijk teken van een teken
 = eigen aan functioneren van taal
 Traditioneel concept van schrift kan VERALGEMEEND worden
 Taal en elk betekenen = schrijven
 Schrijven = eigenlijk model van taal
 Ook andere kenmerken van schrift gelden voor gesproken woord!
 cruciaal verband = la différance
 Ergens tussen verschil en uitstel
 Wat is différance???
 Gedifferentieerd-zijn van taal zelf
· Verschil van betekenaars, verantwoordelijk voor betekenis
 Uitstel dat ervoor zorgt dat er altijd vooruitgelopen wordt op betekenis, of
betekenis post factum wordt hersteld
 Fenomeen van uitstel of vertraging in betekenisproductie
· Verplicht te anticiperen naar toekomst
· Verplicht te corrigeren naar verleden
 ~ anticiperen betekenis van ontknoping van verhaal (als we boek lezen)
· Betekenissen die we gaven na afloop herinterpreteren
· Eeuwig blijven herzien
 verschil en uitstel gaan samen
 Eindeloosheid van verschillen is verantwoordelijk voor vertraging/uitstel
 Elke definitieve betekenis wordt uitgesteld
 Différance = mogelijkheidsvoorwaarde van betekenisproductie
= oorzaak van betekenisinstabiliteit
 différance beter begrijpen: SPOOR
 Elk element van differentieel systeem van taal ontleent identiteit aan verschillen met
andere elementen
 Elk element gemarkeerd door wat het NIET is (draagt spoor daarvan)
 Elk spoor is spoor van een ander spoor
 Geen element ergens aan- of afwezig: er zijn slechts sporen
 Spoor:
 Aanwezigheid van het andere in hetzelfde
 Aanwezigheid van het andere dat constitutief is voor hetzelfde
 Aanwezigheid die geacht wordt als een afwezigheid
 notie van ‘spoor’ integreert centrale gedachten van Derrida:
 Idee van la différance
 Idee van ‘het supplement’: hoe het uitgeslotene deel uitmaakt van het ingeslotene en
hoe ingeslotene ook waarneembaar is
 grondstructuur van taal (via la différance op het spoor gekomen) heeft fundamentele gevolgen:
 Tekens bestaan nooit op zich, altijd tekens van tekens (verwijzen naar elkaar) 
bestaan door en in netwerk van verwijzingen en differenties
 Teken steeds beladen met andere betekenissen (betekenis ligt niet vast)
 gedachte doordenken: niets is nog grijpbaar
 Netwerk van verwijzingen: oneindig ingewikkeld
 Nooit onmiddellijk toegang tot dingen achter de woorden
Vb.: Soja


Betekenisconglomeraat ligt nooit vast
 Voedingsstof
 Herinnering aan bepaalde maaltijd
 Chinese keuken
 verbanden klinken mee als we het woord gebruiken
Betekenisconglomeraat: individueel bepaald (bevordert communicatie niet!)
 GEEN VAST PUNT WAARNAAR EEN TEKEN VERWIJST!
 Geen rechtstreekse toegang tot werkelijkheid achter de woorden
 Derrida: tegen aanwezigheidsfilosofie (oude filosofen hadden gedaan alsof achter
woorden waarheid schuilde)
 ‘il n’y a pas de hors-texte’: alles wat mens denkt en doet is textueel (betekenissen die
verbonden zijn in een netwerk)
 Nooit vaste waarheid: kan veranderen en verschuiven (netwerken in
beweging)
 Vb.: internet
 Uitdijend netwerk  doorklikken
 Voorbeeld van textualiteit
 Uiting van tijdsgeest (gebaseerd op textualiteit)
Tijd van Derrida: einde van het boek en begin van het schrift
 Boek als statisch op zichzelf bestaand WEG
 In de plaats: model van de schriftuur: tekst als open geheel van betekenissen
 We gebruiken schrift zeer vaak om iets te zeggen!
 Verandering van boek naar schrift is symptomatisch voor veranderingen in het denken
 Verandering boek  schrift: andere implicaties
 Boek wil tekst inperken (ingebonden met begin- en eindpunt)
 Er is ALTIJD een hors-livre
 Tekst is nooit af (kan altijd bijkomen)
 Alles is textueel
 vb.: Glas (werk van Derrida)
 2 kolommen, commentaar op tekst Hegel  commentaar op tekst Genet
 Onderbroken door randopmerkingen, commentaar op die commentaar
 Destabiliserend
 Voortdurend uitdijen van de tekst
 Commentaar begint in midden van een zin en breekt af in midden van een
zin!
 Uitgerekend tegenover Hegel: wil gehele werkelijkheid omspannen
 = belichaming van metafoor van het boek
 Uitdrukkelijk in de marge (geen eerste en geen laatste woord)
 Glas is doodsklok over complete westerse metafysica
Download
Random flashcards
Create flashcards