Levensloop (inclusief de nieuwe regeling ouderschapsverlofkorting) Levensloop VOS/ABB 1 Inhoud Inleiding 3 1 Levensloopregeling en gevolgen werknemers 4 2 Ouderschapsverlofkorting 7 3 Belasting- en premieheffing 11 4 Levensloopregeling in de CAO PO 2006-2008 14 5 Uitvoeringsreglement en toelichting op de levensloopregeling in de CAO PO 2006-2008 15 6 Levensloopregeling in de CAO VO 2006-2007 22 7 Voorbeeldregeling levensloop, opgesteld door de VO-raad en toelichting 24 8 Overzicht belangrijkste verschillen tussen de uitvoeringsreglementen levensloopregeling CAO PO en CAO VO 29 Bijlage 1: Voorbeeldformulier levensloopregeling werknemer/werkgever Levensloop VOS/ABB 30 2 Inleiding Op 5 juli 2005 is het Hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regeling aan VPL-wetgeving gesloten. Dit akkoord wordt ook wel het VPL-akkoord genoemd. VPL staat voor VUT, Prepensioen en Levensloop. Vanaf 1 januari 2006 geldt een nieuwe pensioenregeling, de FPU verdwijnt en werknemers kunnen gebruik maken van de levensloopregeling. De regeling afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof is vervallen. Werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en vanaf 1 april 1997 doorlopend in dienst zijn geweest bij een werkgever die is aangesloten bij het ABP kunnen nog gebruik maken van de overgangsregeling VPL en behouden hun FPU-rechten. Langer doorwerken en extra geld (0,8%) voor levensloop De overheid wil dat alle mensen langer doorwerken in verband met de grote veranderingen in de bevolkingsopbouw van Nederland die de komende 30 tot 40 jaar op gaan treden. De verwachting is dat het aantal 65-plussers zal toenemen van thans 2 miljoen tot 4 miljoen in 2040. Het aantal 30- tot 40-jarigen zal behoorlijk dalen. In de nieuwe pensioenregeling blijft het mogelijk eerder te stoppen met werken. Er is ook geld voor vrijgemaakt. Alle werknemers die geboren zijn op of na 1 januari 1950, krijgen 0,8% van het brutomaandsalaris (inclusief eventuele uitlooptoeslag) extra met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Werknemers die dit niet willen gebruiken voor hun levensloopregeling, krijgen dit bruto bij hun loon en betalen hier de gewone heffingen over. In de Pensioenkamer is besloten dat deze 0,8% niet pensioengevend is. Per cao kan hier echter van afgeweken worden: in de CAO PO zal deze bepaling overgenomen worden en krijgen werknemers maandelijks 0,8% bijdrage (zie hiervoor artikel 8.24 van de CAO PO 2006-2008); voor de CAO VO geldt dat deze bijdrage wel pensioengevend is en wordt deze betaalbaar gesteld bij de eindejaarsuitkering, die hierdoor wordt verhoogd van 4,1% naar 4,9% (zie hiervoor artikel 6.11 van de CAO VO 2006-2007). Werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en vanaf 1 april 1997 niet doorlopend (een onderbreking van maximaal 2 maanden is toegestaan) in dienst zijn geweest bij een werkgever die onder het ABP valt, kunnen geen gebruik maken van het overgangsrecht VPL. Zij hebben wel recht op deze 0,8% van het bruto-maandsalaris . Werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en onder het overgangsrecht VPL vallen, hebben geen recht op deze 0,8%, omdat deze categorie nog gebruik kan maken van de FPU-regeling (61 jaar en 2 maanden, of 62 jaar en 3 maanden). Levensloop VOS/ABB 3 1 Levensloopregeling en gevolgen voor de werknemers Wat is de levensloopregeling? De levensloopregeling is met ingang van 1 januari 2006 ingevoerd. Het is een wettelijk verplichte regeling voor alle werkgevers en is opgenomen in de cao. Met de levensloopregeling kunnen werknemers sparen om in de toekomst een periode van onbetaald verlof te financieren. De levensloopregeling kan worden gebruikt voor elke vorm van verlof, zoals bijvoorbeeld: zorgverlof; sabbatical; educatief verlof; verlof voor stervensbegeleiding; (on)betaald ouderschapsverlof. Wat zijn de gevolgen voor werknemers die geboren zijn na 31 december 1949? de huidige FPU-regeling is vervallen; de opbouw van het ouderdoms-/nabestaandenpensioen wordt hoger. De franchise is per 1 januari 2006 verlaagd naar € 9400 en het opbouwpercentage is verhoogd tot 2,05%. Het wordt aantrekkelijker om langer door te werken; werknemers kunnen vanaf 60 jaar met ouderdomspensioen gaan. Ook is het mogelijk om met deeltijdpensioen te gaan; met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 komt 0,8% van het bruto-maandsalaris beschikbaar voor levensloopsparen voor het personeel in het primair onderwijs (niet pensioengevend). Voor het personeel in het voortgezet onderwijs wordt de eindejaarsuitkering met 0,8% opgehoogd tot 4,9% (wel pensioengevend); een ieder kan besluiten (een deel van) het levenslooptegoed op te nemen aan het eind van zijn loopbaan, waarmee hij materieel zijn pensioenleeftijd naar voren kan halen. Wat zijn de gevolgen voor werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950? de huidige FPU-regeling blijft gelden; de spilleeftijd voor deze werknemers is m.i.v. 1 januari 2006 verhoogd, t.w. werknemers geboren vóór of uiterlijk op 1 april 1947: 61 jaar en 2 maanden, werknemers geboren na 1 april 1947, maar vóór 1 januari 1950: 62 jaar en 3 maanden; geen recht op 0,8% van het bruto-maandsalaris voor het primair onderwijs of een ophoging van 0,8% bij de eindejaarsuitkering voor het voortgezet onderwijs; de mogelijkheid tot opbouwen van een verhoogde fpu-uitkering bij langer doorwerken (tot maximaal 100%); opbouwpercentage en franchise is niet gewijzigd m.i.v. 1 januari 2006. Werknemers die geen doorlopend dienstverband bij een ABP-werkgever hebben gehad, maar wel geboren zijn vóór 1 januari 1950 vallen niet onder het overgangsrecht VPL en voor deze werknemers geldt de regeling zoals opgenomen onder de kop: “Wat zijn de gevolgen voor werknemers die geboren zijn na 31 december 1949?” Werknemers kunnen het spaarsaldo ook gebruiken om met verlof te gaan voorafgaand aan hun pensioen. Van het bruto-loon wordt een bedrag ingehouden dat op een speciale spaarrekening van de werknemer wordt gestort of als premie voor een “levensloopverzekering” wordt overgemaakt. Dit kan een verzekeraar, bank, dochter van een pensioenfonds/pensioenuitvoeringsbedrijf of een beleggingsinstelling zijn. Levensloop VOS/ABB 4 De werknemer kan zelf beslissen welke spaar-, beleggings- of verzekeringsvorm hij kiest, hoeveel rendement hij wil en welk risico hij daarover wil nemen. Ook een combinatie van deze vormen is mogelijk. De werkgever mag een voordelig collectief contract voor al zijn werknemers afsluiten. Hij mag echter niemand verplichten hier aan deel te nemen. Hoeveel mag er maximaal per jaar gespaard worden Per kalenderjaar mag een werknemer maximaal 12% van het jaarinkomen sparen tot een maximum van 210%. Minder mag natuurlijk ook. Als de werknemer op 31 december 2005 51 jaar of ouder was, maar nog geen 56 jaar, dan geldt er een speciale regeling. Deze werknemers mogen meer dan 12% van het jaarinkomen sparen, zodat zij in minder tijd toch een behoorlijk levenslooptegoed kunnen opbouwen. Het maximum van 210% blijft wel gelden. Spaarloon of levensloop Ieder jaar mag een werknemer de keuze maken of hij met de spaarloonregeling mee doet (maximaal € 613 op jaarbasis) of met de levensloopregeling. Hij mag niet in één kalenderjaar gebruik maken van beide regelingen. Twee maanden voor het nieuwe kalenderjaar dient de werknemer aan de werkgever op te geven of hij mee wil doen met de spaarloonregeling of met de levensloopregeling. Werknemers kunnen dus het ene jaar sparen voor levensloop en het volgende jaar voor spaarloon en daarna bijvoorbeeld weer voor levensloop. Regeling spaarverlof Uren vanuit de spaarverlofregeling mogen niet omgezet worden in de levensloopregeling. De spaarverlofregeling blijft bestaan. Deze regeling gaat uit van tijd voor tijd en mag naast de spaarloon- of levensloopregeling doorlopen. Het tegoed (in tijd) van de spaarverlofregeling mag niet ingebracht worden in de levensloopregeling, omdat hier geen gelden tegenover staan voor de werknemer, maar voor zijn vervanger. De spaarverlofregeling valt onder de zogenoemde 250 dagen/ 50 weken-regeling. Dit betekent dat er, afhankelijk van beperkende bepalingen in een cao, maximaal 1 jaar spaarverlof genoten mag worden. Overzicht belangrijkste verschillen tussen spaarverlof, levensloop en spaarloon Spaarverlof Geen recht van de werknemer, zie bepalingen in de cao Bruto-loon blijft hetzelfde Levensloop Recht van de werknemer Spaarloon Geen recht van de werknemer Bruto-loon blijft hetzelfde Afhankelijk van de cao kan er een maximaal aantal uren gespaard worden per jaar Uitsluitend tijd voor tijd sparen Maximaal 1572 uur (po) of 720 uur (vo) sparen die opgebouwd wordt in maximaal 12 jaar Maximaal 12% van het brutoloon per jaar sparen Bruto-loon voor de vaststelling van een eventuele uitkering neemt af Maximaal € 613 per jaar sparen Levensloop VOS/ABB Spaarrekening en levensloopverzekering Maximum tegoed van 210% van het jaarinkomen Spaarrekening Geen grens aan maximum tegoed 5 Opnemen voor verlof Opnemen voor verlof en/of extra pensioenopbouw Deeltijdverlof en combinaties van ander verlof mogelijk voor 50% op weekbasis Verlof voor maximaal 50% op weekbasis voor ingangsdatum van het pensioen Geen extra heffingskortingen (Deeltijd)verlof en combinaties met ander verlof mogelijk Tijd voor tijd Tijdens verlofperiode krijgt de werknemer gewoon salaris en vinden de normale inhoudingen plaats Levensloop VOS/ABB Opnemen voor bv. levensverzekering, eigen huis, kinderopvang. Na 4 jaar sparen valt dit bedrag vrij N.v.t. Verlof direct voorafgaand aan het pensioen is mogelijk N.v.t. Levensloopverlofkorting max. € 185 per gespaard jaar; Ouderschapsverlofkorting 50% van het minimumloon per opgenomen uur; onderschapsverlof tot een max. van 415 uur Geen loonbelasting over inleg, wel over opname tegoed Wel afdracht werknemerspremie over inleg Tijdens verlofperiode betaalt de werknemer het eerste jaar zowel het werknemers- als het werkgeversdeel pensioenpremie Belastingvrij voor werknemer (fiscaal voordeel max. € 318 per jaar). Werkgever dient een eindheffing van 25% te betalen N.v.t. N.v.t. 6 2 Ouderschapsverlofkorting Het doorbetalingspercentage bij betaald ouderschapsverlof wordt met ingang van 1 januari 2007 verlaagd van 75% naar 55%. De reden hiervoor is dat de fiscale regeling afdrachtvermindering ouderschapsverlof, die de werkgever ontving, met ingang van 1 januari 2007 zal vervallen (officieel is de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof voor de werkgever per 1 januari 2006 afgeschaft, maar doordat deze regeling in het onderwijs al bestond op 31 december 2005 , heeft de werkgever nog tot 31-12-2006 recht op deze afdrachtvermindering). Met ingang van 1 januari 2006 kan de werknemer bij deelname aan de levensloopregeling in aanmerking komen voor een aanvullende heffingskorting van de Belastingdienst. Deze korting bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2006: € 1284,60 per maand). Dit komt neer op € 3,71 per uur. De werknemer kan met een voorlopige beschikking via de Belastingdienst deze teruggave aanvragen. Om hiervoor in aanmerking te komen, is alleen het afsluiten van een levenslooprekening voldoende. De hoogte van de storting is daarbij niet van belang. Wel krijgt een werknemer een extra heffingskorting via de werkgever van een jaarlijks door de Belastingdienst vast te stellen bedrag. Dit bedrag bedraagt voor 2006 € 185,--. Deze krijgt de werknemer bij inleg van dit bedrag in de levensloopregeling als heffingskorting weer terug. Ook kan de werknemer het gespaarde bedrag opnemen tijdens de verlofperiode. De werknemer in het onderwijs met een normbetrekking heeft met ingang van 1 januari 2007 recht op: 415 uur (1/4 van de normjaartaak) betaald ouderschapsverlof en krijgt voor deze uren 55% loon doorbetaald van de werkgever en 415 uur ouderschapsverlofkorting van de Belastingdienst en krijgt voor deze uren een heffingskorting van € 3,71 per uur (totaal maximaal € 1539,65) bij deelname levensloopregeling en daarnaast nog 588 uur onbetaald ouderschapsverlof in het primair onderwijs en 415 uur onbetaald ouderschapsverlof in het voortgezet onderwijs. De ouderschapsverlofkorting bedraagt maximaal het verschil tussen het fiscale jaarloon in het huidige kalenderjaar en het fiscale jaarloon in het voorgaande kalenderjaar Deze regeling geldt voor alle werknemers met kinderen die de leeftijd van 8 jaar nog niet hebben bereikt. Werknemers die in het verleden al gebruik hebben gemaakt van de regeling (betaald en/of onbetaald) ouderschapsverlof kunnen hier niet opnieuw voor in aanmerking komen. De nieuwe regeling is zodanig opgesteld dat een werknemer er ten opzichte van de huidige regeling er in salaris weinig of niets op achteruit gaat als hij met ingang van 1 januari 2007 gebruik maakt (of blijft maken) van het betaald ouderschapsverlof en de ouderschapsverlofkorting van de Belastingdienst. Sommige personeelsleden zullen er zelfs op vooruit gaan. Nogmaals: de werknemer dient de aanvraag naar de Belastingdienst zelf te verzorgen. De ouderschapsverlofkorting bedraagt maximaal het verschil tussen het fiscale jaarloon in het huidige kalenderjaar en het fiscale jaarloon in het voorgaande kalenderjaar. Deze korting is ook overdraagbaar aan de partner. Werknemers die in het kalenderjaar 2006 gebruik maken van de ouderschapsverlofkorting en op grond van de huidige regeling tot 1 januari 2007 nog 75% doorbetaald krijgen van de werkgever, krijgen niet de volledige ouderschapsverlofkorting, omdat zij anders boven 100% salaris komen. Kort gezegd is de afdrachtvermindering ouderschapsverlof voor de werkgever overgegaan naar de werknemer. De CAO-partners konden daarom afspreken dat de salarisdoorbetaling vanaf 2007 van 75% naar 55% gaat. Werknemers die deelnemen aan de levensloopregeling en gebruik willen Levensloop VOS/ABB 7 maken van de regeling ouderschapsverlof gaan er dan toch niet in salaris op achteruit, omdat zij van de volledige ouderschapsverlofkorting gebruik kunnen maken. Voorbeeld: Werknemer neemt 3 maanden betaald ouderschapsverlof van 1 februari tot 1 mei 2007. Salaris van de werknemer bedraagt bij een fulltime dienstverband € 2715 per maand. Zijn salaris wordt in deze periode voor 55% doorbetaald door de werkgever, t.w. 3 maanden x € 2715,- x 55% = 3 x € 1493,25 = 4479,75. Van de Belastingdienst krijgt deze werknemer: 415 uur x € 3,71 = € 1539,65. In 2006 was het jaarsalaris: 12 maanden x € 2715,+ 8% vakantietoeslag + 4,1% eindejaarsuitkering + 0,8% levensloop Totaal: = € 32.580,00 = € 2.606,40 = € 1.335,78 =€ 260,64 = € 36.782,82 In 2007 wordt het jaarsalaris: 9 maanden x € 2715,00 3 maanden x € 1493,25 + 8% vakantietoeslag + 4,1% eindejaarsuitkering + 0,8% levensloop Totaal = € 24.435,00 = € 4.479,75 = € 2.313,18 = € 1.185,50 =€ 231,18 = € 32.644.61 Van de Belastingdienst : = € 1.539,65 (netto). Tevens is het mogelijk, indien de werknemer een bedrag van € 185.- gestort heeft in een kalenderjaar en dit geld weer opneemt, in aanmerking te komen voor de levensloopheffingskorting. De werkgever dient een loonheffingskorting van € 185,- toe te passen voor elk gespaard jaar. De levensloopheffingskorting is gelijk aan het opgenomen bedrag uit de levensloopregeling met een maximum van € 185.- per gespaard kalenderjaar. Dus bij 2 jaren levensloop sparen, geeft dit nog een extra korting van 2 x €185 = € 370,-. Betrokkene dient dit bedrag dan ook op te nemen uit de levensloopregeling. Voorbeeld: Als een werknemer geld opneemt uit de levensloopregeling en hij heeft 2 jaar gespaard, verrekent u maximaal 2 x € 185,- = € 370-. Als de werknemer in het eerste jaar € 100,- en in het tweede jaar € 200,- ingelegd heeft, verrekent u € 100,- en € 185,- (maximale vergoeding), dus € 285,- met de berekende loonbelasting/premie volksverzekeringen. Vanuit de oude situatie (tot 1 januari 2007 met 75% doorbetaling) zou de werknemer het volgende hebben ontvangen: 9 maanden x € 2715,00 = € 24.435,00 3 maanden x € 2036,25 = € 6.108,75 + 8% vakantietoeslag = € 2.443,50 + 4,1% eindejaarsuitkering = € 1.252,29 + 0,8% levensloop =€ 244,35 Totaal = € 34.756,89 Levensloop VOS/ABB 8 Bruto-netto berekeningen per maand bij de verschillende percentages kortingen: Bruto Korting ouderschapsverlof Netto 2715 2715 2715 Geen 25% 45% 1761 1397 1103 Bruto Korting ouder- Netto schapsverlof 1641 1641 1641 Geen 25% 45% Bruto Korting ouder- Netto schapsverlof 4143 4143 4143 Geen 25% 45% 1248 987 726 2471 1893 1447 Ouderschapsverlofkorting Totaal via Belastingdienst percentage nettoloon 100% 79%1 513,22 92%2 Ouderschapsverlofkorting Totaal via Belastingdienst percentage nettoloon 100% 79%1 513,22 99%2 Ouderschapsverlofkorting Totaal via Belastingdienst percentage nettoloon 100% 77%1 513,22 81%2 Administratieve afwikkeling van de werkgever: Voor de ouderschapsverlofkorting heeft uw werknemer na afloop van het kalenderjaar een verklaring van u nodig met de volgende gegevens: uw naam, adres en loonheffingsnummer; de naam en het sofi-nummer van uw werknemer; de periode in het kalenderjaar waarin uw werknemer ouderschapsverlof heeft gehad; het aantal uren in het kalenderjaar dat uw werknemer ouderschapsverlof heeft gehad. Regeling ouderschapsverlof in de CAO PO 2006-2008 De regeling betaald en onbetaald ouderschapsverlof staat vermeld in de artikelen 8.19 tot en met 8.21 van de CAO PO 2006-2008. Met ingang van 1 januari 2007 wordt het doorbetalingspercentage 55%. De formule genoemd in art. 8.21 lid 3 van deze CAO wordt vanaf dat moment: Over de uren waarin de werknemer betaald ouderschapsverlof geniet, behoudt hij 55% van zijn salaris. Dit wordt geëffectueerd door in elke maand waarin de werknemer betaald 1 2 Vakantiegeld en eindejaarsuitkering wordt met 6% verminderd t.o.v. 100% doorbetaling Vakantiegeld en eindejaarsuitkering wordt met 11% verminderd t.o.v. 100% doorbetaling. Levensloop VOS/ABB 9 ouderschapsverlof geniet een gelijk percentage op zijn salaris in mindering te brengen. Dit percentage wordt berekend met behulp van de formule (A/(415 x wtf) x (135%/B), waarin A gelijk is aan het aantal uren betaald ouderschapsverlof en B gelijk is aan het aantal maanden waarin betaald ouderschapsverlof wordt genoten. De omvang van het volledige ouderschapsverlof bedraag 415 uur (ofwel 233 lesgebonden uren) op basis van de normjaartaak van 1659 uur in 12 maanden. Dit betekent dus 3 maanden volledig ouderschapsverlof. De totale korting bedraagt dan ook vanaf 1 januari 2007 45% x 3 maanden = 135%. Er is geen overgangsregeling voor ‘lopende gevallen’. Iedere werknemer heeft vanaf 1 januari 2007 nog maar recht op 55% doorbetaling, ook als het ouderschapsverlof al voor 1 januari 2007 is ingegaan. Een werknemer die zijn ouderschapsverlof wil uitsmeren over een heel schooljaar, dus bijvoorbeeld van 1 augustus 2006 tot 1 augustus 2007, heeft vanaf 1 augustus 2006 tot 1 januari 2007 recht op 75% doorbetaling van het salaris over de ouderschapsverloffactor en vanaf 1 januari 2007 tot 1 augustus 2007 recht op een doorbetaling van 55% over de ouderschapsverloffactor. VOS/ABB adviseert om de periode van ouderschapsverlof van de verlofganger gelijk te laten lopen met de vervanger. De werknemer die het ouderschapsverlof over een heel jaar wil uitsmeren, zal geneigd zijn dit verlof te laten lopen van de eerste schooldag (bijvoorbeeld 15 augustus) tot en met de laatste schooldag (bijvoorbeeld 29 juni). Consequentie hiervan is dat de vervanger slechts betaald krijgt van 15 augustus tot en met 29 juni van het volgend jaar en dus de 6 weken zomervakantie ‘mist’. Formeel is dit niet geregeld in de CAO PO, maar vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap, vinden wij het gewenst om het ouderschapsverlof dan van 1 augustus tot 1 augustus te laten lopen, zodat de vervanger niet de dupe wordt en de salarisbetaling gedurende de 6 weken zomervakantie mist. In de CAO PO is niet geregeld wie de pensioenbijdrage over het ouderschapsverlof betaalt: werkgever en/of werknemer. Ons advies is om deze betaling te laten plaatsvinden alsof er geen verlof wordt genoten, d.w.z. de werknemer betaalt het werknemersdeel van de pensioenpremie en de werkgever blijft het werkgeversdeel van de pensioenpremie betalen. Regeling ouderschapsverlof in de CAO VO 2006-2007 De regeling betaald en onbetaald ouderschapsverlof staat vermeld in de artikelen 9.9 tot en met 9.11 van de CAO VO 2006-2007. In artikel 1 van bijlage 6 van deze CAO (regeling betaald ouderschapsverlof) staat aangegeven dat het doorbetalingpercentage 55% is (tot 1 januari 2007 75%). Aangaande de betaling van de pensioenbijdrage tijdens het betaald en onbetaald ouderschapsverlof is het volgende geregeld: voor het onbetaald ouderschapsverlof is in lid 7 van art. 9.9 van de CAO VO geregeld dat de betaling van de pensioenbijdrage door de werkgever en de werknemer plaats vindt alsof er geen verlof wordt genoten. Ieder betaalt dus zijn eigen deel; voor het betaald ouderschapsverlof is in de CAO VO niets geregeld. Ons advies is om dit op dezelfde wijze te laten verlopen als bij onbetaald ouderschapsverlof. Voor de vervangers die directieleden of leraren vervangen, geldt de vakantieverlofregeling zoals vermeld in art. 8.1 lid van deze CAO. Levensloop VOS/ABB 10 3 Belasting- en premieheffing Werknemers mogen per jaar maximaal 12% van hun bruto-loon belastingvrij sparen. De werkgever zorgt ervoor dat het gespaarde bedrag op de speciale levenslooprekening van de werknemer komt. Over het bedrag betaalt de werknemer wel premies werknemersverzekeringen, maar geen loonbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Ook hoeft de werknemer over dit bedrag geen vermogensrendementsheffing te betalen. De loonbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betaalt hij pas wanneer het levenslooptegoed uitgekeerd wordt. Dit wordt de omkeerregeling genoemd, hoewel dit niet helemaal juist is omdat er toch al premies afgedragen moeten worden. Hierdoor verandert er niets aan de premiegrondslag en heeft het sparen in de levensloopregeling geen effect op de hoogte van een eventuele toekomstige uitkering op grond van de werknemersverzekeringen als de WW en de WIA. Bij de berekening van de hoogte van de uitkering wordt namelijk gekeken naar het loon, inclusief de inleg in de levensloopregeling. Het rendement dat de werknemer over het gespaarde bedrag ontvangt, is niet wettelijk vastgelegd en zal verschillen per levenslooprekening. Hoe vaak mag de levensloopregeling worden gebruikt? Een werknemer mag de levensloopregeling zo vaak voor onbetaald verlof gebruiken als hij wil. Het tegoed kan immers steeds weer worden bijgevuld tot maximaal 210%. Er zit dus geen beperking aan het aantal keren dat de werknemer gebruik maakt van de levensloopregeling. Eerder met pensioen? Een werknemer mag het spaarsaldo gebruiken om eerder met pensioen te gaan. Hij kan tot maximaal 210% van het laatstverdiende loon sparen. Met het maximale tegoed en afhankelijk van de opgebouwde levensloopheffingskorting (voor elk jaar ca. € 185,--) kan een werknemer tussen de drie tot vier jaar eerder stoppen met werken dan op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en in deze jaren ongeveer 70% van het laatstverdiende loon uitgekeerd krijgen. Met pensioen en nog wel levenslooptegoed over? Als het levenslooptegoed nog niet geheel is opgenomen als de werknemer met pensioen gaat, wordt het nog niet opgenomen tegoed op de dag voordat het pensioen ingaat als bedrag ineens uitgekeerd aan de werknemer. Dan wordt ook de opgebouwde levensloopheffingskorting uitgekeerd. Het bedrag wordt bij opname belast als “loon uit vroegere dienstbetrekking”. Er wordt dan wel in één keer loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden over het hele levenslooptegoed. Een werknemer kan, als hij een pensioentekort heeft, het restant levenslooptegoed ook aan het pensioen toevoegen. Hij heeft dan echter geen recht op levensloopheffingskorting. Hoeveel geld mag de werknemer opnemen? De werknemer mag niet meer levenslooptegoed opnemen dan het loon dat hij direct voorafgaand aan de verlofperiode per maand ontving. Levensloopregeling gebruiken bij werkloosheid De werknemer kan het tegoed van de levenslooprekening niet opnemen als hij werkloos is. Wel bestaat de mogelijkheid om het complete tegoed in een keer uit te laten betalen. In dat geval moet er in één keer loonbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het totale bedrag worden betaald en bestaat er geen recht op de levensloopheffingskorting. Levenslooptegoed bij overlijden? Levensloop VOS/ABB 11 Elk levensloopproduct heeft een regeling wat er met het tegoed gebeurt indien de werknemer overlijdt. Als na overlijden het openstaande tegoed bijvoorbeeld aan nabestaanden toekomt, zijn hierover loonheffing en successierechten verschuldigd. Verandering van werkgever en levensloopregeling De opgebouwde aanspraak op het levenslooptegoed kan bij de nieuwe werkgever zonder fiscale gevolgen worden ingebracht in een levensloopregeling bij deze nieuwe werkgever. Bij verandering van werkgever zijn de volgende drie opties mogelijk: de werknemer kan de levensloopregeling voortzetten, omdat de werknemer bepaalt op welke rekening of verzekering de ingehouden bedragen worden gestort; de werknemer kan ervoor kiezen het opgespaarde levenslooptegoed bij de oude werkgever te laten staan en bij de nieuwe werkgever een nieuwe regeling te beginnen; de werknemer kan ervoor kiezen bij beëindiging van zijn dienstverband het opgespaarde levenslooptegoed ineens te laten uitbetalen. Het hele tegoed wordt in geval van afkoop dan belast als “loon uit vroegere arbeid”. Sparen bij meerdere dienstbetrekkingen? Een werknemer mag in iedere betrekking afzonderlijk maximaal 12% van het feitelijke brutoloon per jaar sparen. Per dienstbetrekking geldt dat de werknemer niet meer dan 210% van het brutoloon mag sparen dat in het voorafgaande kalenderjaar is verdiend. Hoe gaat het uitbetalen van het levenslooptegoed in zijn werk? Degene (bank, verzekeringsmaatschappij etc.) die het levenslooptegoed van de werknemer beheert, maakt het op te nemen bedrag over naar de werkgever. De werkgever houdt de loonheffing in. Vervolgens maakt de werkgever het overgebleven bedrag over aan de werknemer. De werknemer mag het bedrag dan gebruiken om een periode van (on)betaald verlof te financieren. Zit er een maximum aan het op te nemen levenslooptegoed? Als een werknemer verlof wil opnemen, mag het de opname uit het levenslooptegoed niet hoger zijn dan het loon dat hij voorafgaande aan de verlofperiode voor een periode gelijk aan de verlofperiode ontving. De (maandelijkse) inkomsten gedurende het verlof kunnen dus nooit hoger zijn dan de inkomsten die hij (maandelijks) ontving voordat het verlof inging. Een eventuele loondoorbetaling (bij ouderschapsverlof) tijdens de verlofperiode door de werkgever kan gevolgen hebben voor het nog op te nemen bedrag. Van dit bedrag moet de loondoorbetaling afgetrokken worden. Welke administratieve lasten brengt de levensloopregeling mee voor de werkgever? De werknemer moet bij de werkgever een formulier inleveren, waarin hij meedeelt akkoord te gaan met de voorwaarden. (Een voorbeeldformulier is als bijlage 1 opgenomen en kan ook gedownload worden via de website: www.vosabb.nl, onder ledenservice, modellen). De werkgever draagt zorg voor de doorstorting naar de levenslooprekening of levensloopverzekering. Daarnaast zorgt de werkgever voor de uitbetaling van de levenslooptegoeden aan de werknemer. De werkgever moet zorgen voor het afdragen van de loonheffing over het tegoed en daarna het resterende bedrag aan de werknemer uitbetalen. Elk jaar dient de werknemer een nieuw formulier in te vullen. Wordt het brutoloon lager bij deelname aan de levensloopregeling? Het brutoloon is de grondslag voor de vaststelling van een eventuele uitkering. Deelname spaarloonregeling: Bij deelname aan de spaarloonregeling wordt het te sparen bedrag (maximaal € 51,08 per maand) meteen ingehouden op het brutoloon en op een speciale spaarrekening gestort. Over het resterende bedrag worden de premieafdrachten en loonheffing berekend. Het brutoloon voor de vaststelling van een eventuele uitkering is in dit geval dus lager dan wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de spaarloonregeling. Deelname levensloopregeling: Levensloop VOS/ABB 12 Bij deelname aan de levensloopregeling vindt de inleg (dus de inhouding op het salaris) pas plaats op het moment dat alle premies zijn afgedragen, maar wel voor het moment dat de loonbelasting wordt ingehouden. Het brutoloon voor de vaststelling van een eventuele uitkering is in dit geval dus niet lager geworden. Premie Zorgverzekeringswet tijdens levensloopverlof De werknemer is verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Over de opname uit het levenslooptegoed moet de werknemer de 6,5% bijdrage Zorgverzekeringswet betalen. Deze bijdrage wordt door de werkgever vergoed. De bijdrage van de werkgever wordt aan het op te nemen bedrag toegevoegd. Vervolgens wordt over dit totale bedrag de loonheffing ingehouden. Daarna wordt de 6,5% bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden op de uitkering die de werknemer ontvangt. De werknemer ontvangt tijdens verlof geen extra compensatie voor de Zorgverzekeringswet. Bijverdiensten nog mogelijk tot 100%? Voor de werknemers die sinds 1 januari 2006 met FPU zijn gegaan geldt de regeling dat als zij weer in deeltijd gaan werken, de inkomsten die uitstijgen boven de 90% van het laatstverdiende salaris gekort worden op de FPU-uitkering. Levensloop VOS/ABB 13 4 Levensloopregeling in de CAO PO 2006-2008 De volgende teksten zijn opgenomen in de CAO PO 2006-2008: 8.24 Levensloop 1. De werknemer kan gebruik maken van de levensloopregeling, zoals bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, hoofdstuk IIC en de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115). 2. Voor het primair onderwijs wordt de regeling uitgevoerd conform het Uitvoeringsreglement levensloopregeling Primair Onderwijs, zoals vermeld in bijlage X van deze CAO. 3. De uitkering van 0,8% van het salaris en de uitlooptoeslag ten behoeve van levensloop wordt maandelijks door de werkgever aan de werknemer uitgekeerd. De werknemer kiest vervolgens of hij deze uitkering daadwerkelijk voor levensloop wil aanwenden. 4. Het derde lid van dit artikel is niet van toepassing op de werknemer die onder het overgangsrecht valt van het Hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regeling aan VPLwetgeving van 5 juli 2005. Levensloop VOS/ABB 14 5 Uitvoeringsreglement en de toelichting op de levensloopregeling in de CAO PO 2006-2008 Bijlage X behorend bij artikel 8.24 van de CAO PO 2006-2008 Uitvoeringsreglement Levensloopregeling 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: CAO: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Primair Onderwijs (PO) Werkgever: [naam werkgever] Werknemer: persoon die een dienstverband heeft bij [naam werkgever]. Dienstverband: Bijzonder onderwijs: de arbeidsovereenkomst van de werknemer met de werkgever. Openbaar onderwijs: de aanstelling van de werknemer bij de werkgever. Levensloopregeling: een door [naam werkgever] gefaciliteerde regeling die ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van onbetaald verlof. Bron: de geldbronnen als bedoeld in artikel 4 van deze levensloopregeling die als inlegbron ingezet kunnen worden. Doel: geheel of gedeeltelijke loondoorbetaling gedurende een door de werknemer gekozen en door [naam werkgever] verleende periode van onbetaald verlof. Kalenderjaar: het tijdvak van 1 januari van enig jaar tot en met 31 december van enig jaar. Levensloopinstelling: een door de werknemer gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, derde lid van de Wet op de Loonbelasting 1964. Levenslooprekening: een geblokkeerde rekening op naam van de werknemer bij een levensloopinstelling waarmee een levenslooptegoed wordt opgebouwd. Levensloopverzekering: een verzekering op naam van de werknemer bij een levensloopinstelling waarmee een levenslooptegoed wordt opgebouwd. Inlegperiode: de periode waarin in het kader van deze levensloopregeling de voorziening in geld wordt opgebouwd. Opnameperiode: de periode waarin onbetaald verlof wordt genoten en levenslooploon wordt verkregen. Levenslooptegoed: de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening in geld, vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen, waarover mag worden beschikt ten behoeve van levenslooploon tijdens onbetaald verlof. Levenslooploon: Levensloop VOS/ABB 15 het salaris afkomstig uit het levenslooptegoed dat via de werkgever aan de werknemer op diens verzoek tijdens onbetaald verlof wordt uitgekeerd. Berekeningsgrondslag van het jaarinkomen dat als norm dient voor het levenslooptegoed: het totaal van alle arbeidsvoorwaardelijke aanspraken dat in een jaar wordt uitbetaald voordat er premies en belasting over wordt berekend, dit betreft: salaris, de vakantie-uitkering, de uitlooptoeslag, de bindingstoelage, de inkomenstoelage, de eindejaarsuitkering, de specifieke eindejaarsuitkering OOP/OBP en eventueel andere toelagen. Levensloopheffingskorting: de bij fiscaal correcte opname van levenslooptegoed toe te kennen heffingskorting, gelijk aan het bedrag dat wordt opgenomen, maar maximaal 185 euro (hoogte 2006, en zal jaarlijks worden aangepast) voor elk jaar waarin opbouw van het levenslooptegoed heeft plaatsgevonden. 2. Werkingssfeer De levensloopregeling staat per 1 januari 2006 open voor alle werknemers die een dienstverband met [naam werkgever] hebben. 3. Aanvraag opbouw levenslooptegoed 1. De werknemer kan eenmaal per jaar een aanvraag indienen om uit een of meer bronnen als genoemd in artikel 4 het levenslooptegoed op te bouwen. 2. De per kalenderjaar te sparen voorziening in geld bedraagt ten hoogste 12 procent van de berekeningsgrondslag voor het jaarinkomen dat jaar. 3. Het in het tweede lid bedoelde maximumpercentage geldt niet voor de werknemer die op 31 december 2005 51 jaar of ouder is maar nog geen 56 jaar is. Voor deze categorie geldt alleen het maximum van 210 procent. 4. Bronnen Ten behoeve van de opbouw van het levenslooptegoed kan de werknemer onder andere de volgende arbeidsvoorwaardelijke aanspraken inzetten: 1. Geldbronnen: a. salaris werknemer (salaris en/of variabele beloning); b. vakantietoeslag; c. uitkering in geld voor overwerk en/of meerwerk. d. eindejaarsuitkering; e. variabele beloning; f. de uitkering van 0,8% van het bruto maandsalaris (inclusief uitlooptoeslag) ten behoeve van levensloop genoemd in artikel 8.24 voor alle werknemers, die niet onder het overgangsrecht VPL vallen (dit zijn werknemers die geboren zijn op of na 1 januari 1950 en werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en een onderbroken dienstverband hebben (onderbreking van langer dan 2 maanden) met een bij een ABP-aangesloten werkgever); g. andere door de werkgever uit te keren toe(s)lagen en beloningen, voorzover deze niet onder a t/m f worden vermeld. 5. Procedurele afspraken omtrent opbouw levenslooptegoed 1. De in artikel 3 genoemde aanvraag moet elk jaar opnieuw worden ingediend en dient de volgende gegevens te bevatten: a. de levensloopinstelling; b. het nummer van de levenslooprekening of het (polis)nummer van de levensloopverzekering; c. tot welk bedrag uit de in artikel 4 genoemde bronnen wordt ingelegd; d. of bovengenoemd bedrag eenmalig, en zo ja, in welke maand dan wel maandelijks moet worden ingelegd; e. de begin en einddatum van de inlegperiode indien gekozen is voor de maandelijkse inleg; f. een verklaring van de werknemer waaruit blijkt: Levensloop VOS/ABB 16 * * 2. 3. 4. dat hij bekend is met de inhoud van deze levensloopregeling; of hij in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen een levenslooptegoed heeft opgebouwd en wat de omvang daarvan is op 1 januari van het kalenderjaar van de ondertekening van deze verklaring; * of hij een verlofspaarrekening als bedoeld in artikel 11 lid 3 van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft en wat het laatst bekende saldo van die rekening is; * dat hij geen voorziening op grond van deze regeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964; * dat hij ermee instemt dat zijn hele of gedeeltelijke levenslooptegoed aan de werkgever wordt uitgekeerd in situaties als bedoeld in de artikelen 6 lid 6, 7 lid 3 en 11 lid 6 van deze regeling; * dat hij ermee instemt dat de levensloopinstelling aan de werkgever informatie over de omvang van het levenslooptegoed verstrekt. Indien het een eerste aanvraag betreft dan gaat deze vergezeld van een verklaring van de levensloopinstelling waaruit blijkt dat deze instelling: a. ten aanzien van de levenslooprekening of de levensloopverzekering conform het gestelde in deze regeling en de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zal handelen; b. de werkgever direct na afloop van elk kalenderjaar een opgave zal verstrekken van het levenslooptegoed op 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar. Indien in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen een levenslooptegoed is opgebouwd: een verklaring van de levensloopinstelling waar dat tegoed is opgebouwd, waarin wordt aangegeven hoeveel kalenderjaren de werknemer heeft gespaard, het saldo aan nog op te nemen levensloopheffingskorting en het saldo aan opgebouwd levenslooptegoed op 1 januari van het lopende kalenderjaar. De aanvraag als bedoeld in artikel 3 wordt tenminste twee kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de eerste levensloopinleg moet plaatsvinden, ingediend. 6. Specifieke bepalingen omtrent opbouw levenslooptegoed 1. De werkgever kent op basis van de hem bekende gegevens binnen 30 kalenderdagen na datum van indiening de in artikel 3 bedoelde aanvraag toe, tenzij het levenslooptegoed, vermeerderd met: a. het levenslooptegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen; b. het saldo van de verlofspaarregeling als bedoeld in artikel 11 lid 3 van de Wet op de loonbelasting 1964, op 1 januari gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal (210 procent van) het jaarinkomen over het voorafgaande kalenderjaar. 2. Voor de toepassing van het eerste lid mag een salarisvermindering buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaand aan de pensioendatum mits de omvang van het dienstverband in geval van het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet met meer dan 50% vermindert. 3. a. De werknemer kan een schriftelijk verzoek doen, met redenen omkleed, tot wijziging van de aanvraag als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder a t/m e. De werkgever kent dit verzoek toe, tenzij de werkgever binnen twee weken vanaf de datum dat het verzoek tot wijziging door de werknemer kenbaar is gemaakt, schriftelijk met redenen omkleed aangeeft dat dit tot een ernstige verstoring van de bedrijfsvoering leidt. b. De werknemer kan te allen tijde verzoeken om de inhoudingen en stortingen te beëindigen op de eerstvolgende inlegdatum als bedoeld onder artikel 5 lid 1 onder d die volgt op de datum van zijn verzoek. 4. De inleg als bedoeld in artikel 5 wordt door de werkgever gestort op de levenslooprekening dan wel overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de maand die door de werknemer in artikel 5 lid 1 onder d is aangegeven en uiterlijk in de maand waarin de door de werknemer aangewezen bronnen zouden zijn uitbetaald. Levensloop VOS/ABB 17 5. 6. Het is de werknemer niet toegestaan gelden rechtstreeks op zijn levenslooprekening of levensloopverzekering te storten of te doen storten. Indien in een kalenderjaar het geld dat gedurende dat kalenderjaar is ingelegd meer bedraagt dan 12 procent van het jaarinkomen, wordt het bovenmatige gedeelte door de levensloopinstelling aan de werkgever uitgekeerd en vervolgens door de werkgever als salaris aan de werknemer uitgekeerd. 7. Het levenslooptegoed 1. Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: a. ten behoeve van de uitbetaling van levenslooploon; b. ten behoeve van het levenslooptegoed in een aanspraak als bedoeld in artikel 16.6 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, mits na de omzetting de aanspraak nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde grenzen. 2. Het levenslooptegoed mag op geen enkele wijze worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding worden aangeboden. 3. In afwijking van het tweede lid mag het levenslooptegoed wel worden afgekocht bij beëindiging van de dienstbetrekking. 8. Met levenslooploon te financieren periode van onbetaald verlof 1. De werknemer kan levenslooploon benutten voor onbetaalde verlofdoelen zoals: a. langdurig voltijdsverlof ten behoeve van loopbaanonderbreking (sabbatical leave); b. vervroegde uittreding; c. in combinatie met langdurig zorgverlof, ouderschapsverlof en/of andere verlofvormen die bij wet en/of CAO zijn geregeld; 2. In afwijking van het eerste lid onder a en c, kunnen werkgever en werknemer overeenkomen het levensloop tegoed aan te wenden voor langdurig deeltijdverlof. 9. Procedurele afspraken omtrent opname levensloopverlof 1. Het voornemen om verlof op te nemen als bedoeld: a. in artikel 8, lid 1 sub a en b dient tenminste twee maanden van tevoren schriftelijk bij de werkgever kenbaar te worden gemaakt; b. in artikel 8, lid 1 sub c, dient overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de Wet Arbeid en Zorg dan wel in de CAO PO is bepaald, aan de werkgever te worden gemeld. 2. De termijnen in het eerste lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van aanwending van het verlof voor zorgdoeleinden en als het moment van aanvang van het verlof niet in redelijkheid kon worden voorzien. 3. De werkgever stemt in met de verlof aanvraag, tenzij dit tot een ernstige verstoring van de bedrijfsvoering leidt. 4. Ingeval de werkgever niet instemt met de verlofaanvraag, deelt de werkgever dat schriftelijk en gemotiveerd binnen 2 weken na ontvangst van het verzoek mee. Er wordt dan in onderling overleg naar een alternatief gezocht dat zoveel mogelijk tegemoet komt aan de wens van de werknemer en ernstige verstoring van de bedrijfsvoering voorkomt. 5. De werkgever stelt geen eisen aan de invulling van het verlof mits de invulling niet in strijd is met bepalingen in de cao (melden nevenwerkzaamheden bij werkgever, maximale omvang van de betrekkingen e.d.). 6. De periode levensloopverlof dan wel een combinatie van levensloopverlof met andere verlofvormen dient een aaneengesloten verlofperiode van minimaal 3 maanden te bedragen. In overleg kunnen werkgever en werknemer hiervan afwijken. 7. Indien het levensloopverlof niet direct voorafgaande aan de ingangsdatum van pensionering wordt opgenomen is de periode van levensloopverlof niet langer dan 3 aaneengesloten jaren. 10. Gevolgen voor arbeidsvoorwaarden werknemer Levensloop VOS/ABB 18 1. Pensioenregeling: a. Tijdens de periode dat de werknemer spaart voor zijn levenslooptegoed wordt over zijn gehele jaarinkomen ABP op de gebruikelijke wijze door de werkgever en de werknemer bijgedragen aan de kosten van de pensioenopbouw. b. De werknemer blijft gedurende de verlofperiode deelnemer bij het ABP. c. Tijdens het eerste jaar levensloopverlof is er altijd sprake van pensioenopbouw. Indien de opname uit het levenslooptegoed tenminste 70% bedraagt van het pensioengevend inkomen voorafgaand aan het verlof wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het volledige inkomen voorafgaand aan het verlof. Indien de opname uit het levensloopverlof minder dan 70% van het inkomen voorafgaand aan het verlof bedraagt wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het feitelijk inkomen uit het levenslooptegoed. Uitgangspunt is dat de premiebetaling aan het ABP volledig voor rekening komt van de werknemer. d. Tijdens de volgende jaren levensloopverlof is het levenslooploon niet verplicht pensioengevend. De werknemer kan er voor kiezen om pensioenopbouw en premiebetaling voort te zetten op individuele basis. Uitgangspunt is dat de premiebetaling aan het ABP volledig voor rekening komt van de werknemer. 2. Gedurende de opname van het levensloopverlof vindt er geen betaling plaats van gerelateerde (on)kostenvergoedingen, zoals tegemoetkoming woning-werkverkeer, EHBO toelage, reiskostenvergoedingen, inkomenstoelage ter compensatie van de ziektekosten en incidentele toeslagen. In afwijking van de vorige volzin kunnen werkgever en werknemer andere afspraken maken, indien het een (langdurig) deeltijdverlof betreft, zoals bedoeld in artikel 8 lid 2, dan wel een levensloopverlof voor een kortere periode dan drie maanden, zoals bedoeld in artikel 9 lid 6. 3. De werknemer is gedurende de eerste 18 maanden van de verlofperiode verzekerd krachtens de werknemersverzekeringen (BZA, Wet Poortwachter, ZW, WIA, WW), krachtens de Wet onbetaald verlof en sociale verzekeringen. 4. Over de opgenomen uren levensloopverlof vindt geen opbouw van vakantie, vakantieuitkering en eindejaarsuitkering plaats. Dit betekent dat het levensloopverlof zich naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk uitstrekt over de schoolvakantie dan wel wordt het vakantieverlof naar evenredigheid verminderd. Gedurende de levensloopverlofperiode behoudt de werknemer aanspraak op de volledige werkgeversbijdrage voor de kinderopvang. 11. Ziekte tijdens de verlofperiode/ bijzondere omstandigheden 1. De werknemer heeft in geval sprake is van ziekte, het recht om de opname van het levenslooploon tussentijds op te schorten, dan wel in te trekken en op een ander tijdstip opnieuw aan te vragen. 2. Dit recht ontstaat zodra de ziekte, vanaf de eerste dag waarop de werknemer dit bij de werkgever heeft aangemeld, aansluitend een week heeft geduurd. De werknemer dient hiertoe een geldige medische verklaring, ondertekend door een arts, te overleggen. Vanaf het moment dat de verlofovereenkomst wordt opgeschort gelden de afspraken bij de werkgever in het kader van de salarisdoorbetaling bij ziekte en reïntegratie. 3. Indien de werknemer ziek wordt voordat het verlof ingaat wordt het verlof eveneens opgeschort zodra de ziekte vanaf de eerste dag waarop de werknemer dit bij de werkgever heeft aangemeld, aaneengesloten een week heeft geduurd. 4. Voor de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt het levensloopverlof opgeschort. 5. Bij beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer tijdens de verlofperiode treden werkgever en werknemer in overleg over het al dan niet voortzetten of aanpassen van de resterende verlofperiode. 6. a. In geval van overlijden van de werknemer wordt het volledige levenslooptegoed aan de werkgever uitgekeerd op een door de werkgever aan te geven wijze. Het levenslooptegoed wordt na inhouding van loonheffing door de werkgever uitgekeerd aan de erfgenamen van de werknemer. Levensloop VOS/ABB 19 b. Ingeval het ingehouden loon wordt overgemaakt t.b.v. een levensloopverzekering of levenslooprekening, waarbij in de polisvoorwaarden risico-elementen zijn opgenomen, kan het gestelde in lid 6 onder a van dit artikel geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn. 12. Meetellen als diensttijd De tijd gedurende welke de werknemer levensloopverlof geniet, telt volledig mee als diensttijd, doorgebracht in een betrekking bij de werkgever. 13. Terugkeer in de functie 1. De werknemer heeft na terugkeer van het verlof een functiegarantie, d.w.z. recht op de functie die de werknemer bekleedde bij aanvang van de verlofperiode. 2. De werknemer heeft recht op voortzetting van alle arbeidsvoorwaarden zoals die golden bij aanvang van de verlofperiode. De werkgever maakt over deze zaken met de werknemer voorafgaand aan het levensloopverlof afspraken en draagt zorg voor de uitvoering hiervan . Toelichting uitvoeringsreglement 0,8 % bijdrage. De 0,8 % bijdrage, genoemd in artikel 4 lid 1 onder f is niet pensioengevend. Deze bijdrage wordt in het primair onderwijs maandelijks door de werkgever verstrekt aan de werknemer. Pensioenopbouw conform uitkomst Raad van Overheidspersoneel a. In de pensioenregeling wordt opgenomen dat het levensloopverlof in de opnamefase gedurende een periode van maximaal een jaar pensioengevend is tegen de doorsneepremie. Dit betekent dat gedurende dit jaar de gebruikelijke pensioenpremie dient te worden betaald op basis van de afspraak, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 onder c. De vaststelling van de premie is op basis van de opname van het levensloop verlof, indien de opname tenminste 70% bedraagt van het pensioengevend inkomen voorafgaand aan het verlof wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het volledige inkomen voorafgaand aan verlof. Indien de opname uit het levensloopverlof minder dan 70% van het inkomen voorafgaand aan het verlof bedraagt wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het feitelijk inkomen uit het levenslooptegoed. b. Na dit eerste jaar is pensioenopbouw mogelijk. Betaling geschiedt dan op basis van individuele premies en de verdeling is conform artikel 10 lid 1 sub d. Verlofperiode levensloop en werknemersverzekeringen. Indien de verlofperiode levensloop langer dan 18 maanden duurt zal het meerdere van dit onbetaalde verlof van invloed kunnen zijn op de rechten in het kader van de werknemersverzekeringen. Dit kan bijvoorbeeld een verlaging van het dagloon tot gevolg hebben. Ook zou dit kunnen leiden tot het niet voldoen aan de wekeneis, zoals die in de WW wordt gehanteerd. Toelichting bij artikel 11, lid 6. In dit artikel wordt geregeld dat het levenslooptegoed bij overlijden van de werknemer ineens ter beschikking mag worden gesteld van de erfgenamen van de werknemer. Conform de bij postuum loon geldende regel, hebben de erfgenamen de keuze om dit loon nog in de aangifte van de overleden werknemer in aanmerking te nemen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of in hun eigen aangifte in aanmerking te nemen als loon uit een vroegere dienstbetrekking van een ander. Levensloop VOS/ABB 20 Toelichting op artikelen van het uitvoeringsreglement in de CAO PO 2006-2008 Artikel 2 Vanaf 1 januari 2006 is deze regeling mogelijk. Een werknemer mag op elk willekeurig tijdstip beginnen met de levensloop. Ook een werknemer, die op1 augustus in dienst komt, mag (in tegenstelling tot de spaarloonregeling) meedoen. Hij mag dat jaar niet meedoen aan de spaarloonregeling. Jaarlijks kan een werknemer kiezen: spaarloon of levensloop. Artikel 3 Een werknemer mag 1x per jaar een aanvraag indienen. Artikel 4 Een werknemer mag zelf bepalen uit welke bron hij geld in wil zetten. Dit mag een procentueel deel van zijn salaris zijn, maar ook een bepaald bedrag. Meestal eist een verzekeringsmaatschappij een minimaal spaarbedrag op jaarbasis. Het gunstigst is als een werknemer een bedrag gelijk aan de teruggave van de heffingskorting (voor 2006: € 185) inlegt. Artikel 5 Lid 1 f, 3de sterretje: deze regeling heeft nooit gegolden voor het onderwijs, maar kan wel bij een andere organisatie zijn opgebouwd. Gemeentes kennen deze regeling wel. Een werknemer moet elk jaar opnieuw een aanvraag indienen met daarin vermeld de gegevens die hier staan. Wel kan gebruik gemaakt worden van de voorbeeldregeling, zoals deze is opgenomen in bijlage 1. Artikel 6 Lid 1b: zie artikel 5. De werkgever dient binnen 30 kalenderdagen na datum van indiening de aanvraag toe te kennen. Een werknemer mag wel een verzoek tot wijziging van zijn aanvraag doen of stoppen met sparen. Artikel 7 Alleen bij ontslag van de werknemer mag het levenslooptegoed worden afgekocht. Artikel 8/9 Lid 1b: langdurig zorgverlof dient volgens de Wet Arbeid en Zorg minimaal 2 weken voor het tijdstip van ingang van het verlof aangevraagd te worden. De minimale verlofperiode duurt minstens 3 maanden en maximaal 3 jaar (of langer indien de werknemer dit opneemt voor vervroegde uittreding). Artikel 10 Tijdens het sparen voor verlof betaalt de werknemer en werkgever hun eigen deel van de pensioenpremie. Bij het opnemen van het verlof betaalt de werknemer zowel het werknemersdeel (ca. 6%) als het werkgeversdeel (ca. 14%) van de pensioenpremie in het eerste verlofjaar. De werknemer dient het eerste jaar deelnemer te blijven bij het ABP. Vanaf het moment van opname van het verlof stoppen alle vergoedingen, zoals aangegeven in lid 2. Een werknemer die een geheel schooljaar verlof wenst te hebben, dient dit te nemen van 1 augustus tot 1 augustus en mag dit niet doen vanaf de eerste schooldag tot de laatste schooldag. Artikel 11 Levensloop VOS/ABB 21 Bij ziekte tijdens de verlofperiode of voordat de verlofperiode ingaat, heeft de werknemer recht om het verlof op te schorten, dan wel in te trekken en op een later tijdstip weer op te nemen. Na 1 week wordt het verlof opgeschort. De werknemer dient wel een medische verklaring te hebben van een huisarts of arbo-arts. Artikel 12 Levensloopverlof telt mee als diensttijd voor ambtsjubileum en pensioenopbouw. Artikel 13 Na afloop van het verlof heeft de werknemer recht op zijn oude functie en krijgt hij weer alle vergoedingen. 6 Levensloopregeling in de CAO VO 2006-2007 De volgende teksten zijn opgenomen in de CAO VO 2006-2007: 9 2.b. Verlof in het kader van de levensloopregeling 1 Het verlof dient tenminste twee maanden van tevoren schriftelijk bij de werkgever kenbaar te worden gemaakt. 2 In afwijking van het gestelde in lid 1 geldt voor de verlofsoorten opgenomen in combinatie met (on)betaald ouderschapsverlof en/of zorgverlof wat hierover in de Wet Arbeid en Zorg en in de CAO VO is bepaald. 3 De werkgever stemt in met de verlofaanvraag, tenzij een zodanig zwaarwegend instellings- of onderwijsbelang zich tegen het verlof verzet, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. 4 Ingeval de werkgever niet instemt met de verlofaanvraag, deelt de werkgever dat schriftelijk en gemotiveerd binnen 2 weken na ontvangst van het verzoek mee. Er wordt dan in overleg met de werknemer naar een alternatief gezocht. 5 De periode van verlof duurt tenminste twee maanden en maximaal twaalf maanden. Uitgezonderd op dit lid is verlof als bedoeld onder lid 2 dan wel verlof direct voorafgaand aan de pensioendatum. 9.2.c Ziekte tijdens de verlofperiode / bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 9.2.b. 1 De werknemer heeft in geval sprake is van ziekte, het recht om de opname van het levenslooploon tussentijds op te schorten, dan wel in te trekken en op een ander tijdstip opnieuw aan te vragen. 2 Dit recht ontstaat zodra de ziekte, vanaf de eerste dag waarop de werknemer dit bij de werkgever heeft aangemeld, aansluitend twee weken heeft geduurd. De werknemer dient hiertoe een geldige medische verklaring, ondertekend door een arts, te overleggen. Vanaf het moment dat de verlofovereenkomst wordt opgeschort gelden de afspraken bij de werkgever in het kader van de loondoorbetaling bij ziekte en reïntegratie. 3 Indien de werknemer ziek wordt voordat het verlof ingaat wordt het verlof eveneens opgeschort zodra de ziekte vanaf de eerste dag waarop de werknemer dit bij de werkgever heeft aangemeld, aaneengesloten twee weken heeft geduurd. 4 Voor de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt het levensloopverlof opgeschort. Levensloop VOS/ABB 22 9.2.d Pensioenpremie in het kader van levensloopverlofsparen In het kader van de levensloopregeling geldt dat tijdens de periode dat de werknemer spaart voor zijn levenslooptegoed over zijn gehele brutoloon op de gebruikelijke wijze door de werkgever en werknemer wordt bijgedragen aan de kosten van de pensioenopbouw. 9.6 Voorwaarden ten aanzien van het lang buitengewoon verlof 1. Voor het verlof als bedoeld in de artikelen 9.2b, 9.3, 9.4. 9.5 en 9.7 geldt dat: a het wordt verleend zonder behoud van bezoldiging, b de pensioenpremie tijdens het verlof geheel voor rekening komt van de werknemer, tenzij de werkgever anders beslist, c ten aanzien van aanwezigheid gerelateerde (on)kostenvergoedingen, zoals tegemoetkoming woon-werkverkeer, reiskostenvergoedingen, en incidentele toeslagen worden tijdens de (deeltijd)verlofperiode dezelfde regels toegepast als bij (langdurige) arbeidsongeschiktheid. De betaling zal worden gestopt/aangepast wanneer de (deeltijd) verlofperiode meer dan 30 werkdagen bedraagt, d over de opgenomen uren verlof geen opbouw van vakantie, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering plaats heeft, e over de opgenomen verlofuren geen aanwezigheidsgerelateerde toelagen worden betaald, zoals de toelage in verband met onregelmatige dienst en de waarnemingstoelage, f de werknemer gedurende de verlofperiode verzekerd is krachtens de werknemersverzekeringen (ZW, WIA, WW), krachtens de Wet onbetaald verlof en sociale verzekeringen, g de werknemer aanspraak behoudt op de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de zorgverzekeringspremie indien hij tijdens het verlof loon (met name levenslooploon) ontvangt via de werkgever, h afspraken die tussen de werknemer en de werkgever gemaakt worden inzake het verlof schriftelijk worden vastgelegd voordat het verlof in gaat. Levensloop VOS/ABB 23 7 Voorbeeldregeling, opgesteld door de VO-raad voor haar leden en toelichting Format voorbeeldregeling LEVENSLOOPREGLEMENT [naam werkgever] Artikel 1 Definities In deze regeling wordt verstaan onder: 1 CAO: de collectieve arbeidsovereenkomst van [naam CAO] 2. Werkgever: [naam werkgever] 3. Werknemer: Personen die een dienstverband hebben bij [naam werkgever]. 4. Deelnemer: de werknemer die aan de levensloopregeling deelneemt. 5. Levensloopregeling: Een door [naam werkgever] gefaciliteerde regeling met als doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend voor het opnemen van een periode van onbetaald verlof. 6. Levensloopinstelling: Een door de werknemer gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,derde lid van de Wet op de Loonbelasting 1964. 7. Levenslooprekening: Een geblokkeerde rekening op naam van de werknemer bij een levensloopinstelling waar een levenslooptegoed wordt opgebouwd. 8. Levensloopverzekering: Een verzekering op naam van de werknemer bij een levensloopinstelling waar een levenslooptegoed wordt opgebouwd. 9. Levenslooptegoed: De in een levensloopregeling opgebouwde voorziening in geld, vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen, waarover mag worden beschikt ten behoeve van levenslooploon tijdens onbetaald verlof. 10. Levenslooploon: Het loon afkomstig uit het levenslooptegoed dat via de werkgever aan de deelnemer op diens verzoek tijdens onbetaald verlof wordt uitgekeerd. 11. Jaarinkomen Het jaarinkomen dat als norm dient voor het levenslooptegoed, zijnde het maand-/schaalsalaris vermeerderd met de vakantie-uitkering, de structurele eindejaarsuitkering, eventueel de specifieke eindejaarsuitkering voor OOP/personeel en andere in de betreffende cao vastgelegde structurele inkomenscomponenten (uitlooptoeslag, bindingstoelage,etc.). Artikel 2 Werkingssfeer De levensloopregeling staat per 1 januari 2006 open voor alle werknemers die een dienstverband met [naam werkgever] hebben. Artikel 3 Aanvraag opbouw levenslooptegoed 1. De werknemer kan éénmaal per jaar een aanvraag indienen. 2. De per kalenderjaar te sparen voorziening in geld bedraagt ten hoogste 12 procent van het jaarinkomen van dat jaar. 3. Het in het tweede lid bedoelde maximumpercentage geldt niet voor de werknemer die is geboren tussen 1 januari 1950 en 1 januari 1955. Artikel 4 Procedurele afspraken omtrent levensloopinleg 1. De in artikel 3 genoemde aanvraag moet elk jaar opnieuw worden ingediend en dient de volgende gegevens te bevatten: Levensloop VOS/ABB 24 a. de levensloopinstelling; b. het nummer van de levenslooprekening of het (polis)nummer van de levensloopverzekering; c. welke bedrag wordt ingelegd; d. of vorengenoemd bedrag eenmalig, en in welke maand, dan wel maandelijks moet worden ingelegd; e. de begin en einddatum van de inlegperiode indien gekozen is voor de maandelijkse inleg, f. een verklaring van de deelnemer waaruit blijkt: i. dat hij bekend is met de inhoud van deze Levensloopregeling; ii. of hij in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen een levenslooptegoed heeft opgebouwd en wat de omvang daarvan is op 1 januari van het kalenderjaar van de ondertekening van deze verklaring; iii. dat hij geen voorziening ingevolge deze regeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964; iv. dat hij ermee instemt dat zijn hele of gedeeltelijke levenslooptegoed aan de werkgever wordt uitgekeerd in situaties als bedoeld in de artikelen 5 lid 7 en 6 lid 3 van deze regeling; v. dat hij ermee instemt dat de levensloopinstelling aan de werkgever informatie over de omvang van het levenslooptegoed verstrekt. 2. Indien het een eerste aanvraag betreft dan gaat deze vergezeld van een verklaring van de levensloopinstelling waaruit blijkt dat deze instelling: a. ten aanzien van de levenslooprekening of de levensloopverzekering conform het gestelde in deze regeling en de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zal handelen; b. de levensloopinstelling aan de werkgever aan het begin van elk kalenderjaar een opgave zal verstrekken van het levenslooptegoed op 1 januari van dat jaar. 3. Indien in één of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen een levenslooptegoed is opgebouwd: een verklaring van de levensloopinstelling waar dat tegoed is opgebouwd, waarin wordt aangegeven hoeveel kalenderjaren de deelnemer heeft gespaard, in welke kalenderjaren en tot welke bedragen in die jaren een voorziening in geld ten behoeve van levensloopverlof is uitgekeerd, het saldo aan nog op te nemen levensloopheffingskorting en het saldo aan opgebouwde levenslooptegoed op 1 januari van het lopende kalenderjaar. 4. De aanvraag als bedoeld in artikel 3 wordt tenminste twee kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de eerste levensloopinleg moet plaatsvinden, ingediend. Artikel 5 Specifieke bepalingen omtrent levensloopinleg 1. De werkgever kent op basis van de hem bekende gegevens binnen 30 kalenderdagen na datum van indiening de in artikel 3 bedoelde aanvraag toe, tenzij het levenslooptegoed, vermeerderd met het levenslooptegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen op 1 januari gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het jaarinkomen over het voorafgaande kalenderjaar. 2. Voor de toepassing van het eerste lid mag een salarisvermindering buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaand aan de in het pensioenreglement van de stichting pensioenfonds ABP vastgestelde ingangsdatum van het pensioen, mits de omvang van het dienstverband in geval van het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het oorspronkelijke dienstverband. 3. a. De deelnemer kan een schriftelijk verzoek doen, met redenen omkleed tot wijziging van de aanvraag als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder a t/m f . De werkgever kent dit verzoek toe. b. De deelnemer kan ten allen tijde verzoeken om de inhoudingen en stortingen te Levensloop VOS/ABB 25 beëindigen op de eerstvolgende inlegdatum als bedoeld onder artikel 4 lid 1 onder d die volgt op de datum van zijn verzoek. 4. De inleg als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder d wordt door de werkgever gestort op de levensloopregeling dan wel overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering 5. De inleg als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder d wordt door de werkgever gestort op de levenslooprekening dan wel overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de maand die door de deelnemer in artikel 4 lid 1 onder d. is aangegeven. 6. Het is de deelnemer niet toegestaan gelden rechtstreeks op zijn levenslooprekening of levensloopverzekering te storten of te doen storten. 7. Indien in een kalenderjaar het geld dat gedurende dat kalenderjaar is ingelegd meer bedraagt dan 12 procent van het jaarinkomen, wordt het bovenmatige gedeelte door de levensloopinstelling aan de werkgever uitgekeerd en vervolgens door de werkgever als salaris aan de deelnemer uitgekeerd. Artikel 6 Het levenslooptegoed 1. Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: a. ten behoeve van de uitbetaling van levenslooploon, b. ten behoeve van het levenslooptegoed in een aanspraak als bedoeld in artikel 16.6 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, mits na de omzetting de aanspraak nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde grenzen. 2. Het levenslooptegoed mag op geen enkele wijze worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding worden aangeboden. 3. In afwijking van het tweede lid mag het levenslooptegoed wel worden afgekocht bij beëindiging van de dienstbetrekking, voor zover de levensloopregeling die de deelnemer heeftafgesloten bij de levensloopinstelling daar in voorziet. 4. In aanvulling op lid 3 geldt dat als de levensloopregeling van de levensloopinstelling voorziet in de mogelijkheid van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking, de deelnemer het afgekochte levenslooptegoed fiscaal neutraal mag overboeken naar een op grond van deze regeling geopende levenslooprekening of levensloopverzekering. Artikel 7 Procedurele afspraken omtrent levensloopopname 1. De werkgever stemt in met de verlof aanvraag, tenzij een zodanig zwaarwegend instellings- of onderwijsbelang zich tegen het verlof verzet, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. 2. a. Het voornemen om verlof op te nemen dient tenminste twee maanden van tevoren schriftelijk bij de werkgever kenbaar te worden gemaakt; b. in afwijking van het gestelde in lid a geldt voor de verlofsoorten opgenomen in combinatie met (on)betaald ouderschapsverlof en zorgverlof wat hierover van toepassing is in de Wet Arbeid en Zorg en in de CAO VO is bepaald. 3. Ingeval de werkgever niet instemt met de verlofaanvraag, deelt de werkgever dat schriftelijk en gemotiveerd binnen 2 weken na ontvangst van het verzoek mee. Er wordt dan in onderling overleg naar een alternatief gezocht. 4. De periode van verlof duurt tenminste twee maanden en maximaal twaalf maanden. Uitgezonderd op dit lid is verlof als bedoeld onder lid 2b dan wel verlof direct voorafgaand aan de pensioendatum. 5. In onderling overleg kunnen werkgever en deelnemer van dit artikel afwijkende afspraken maken. Artikel 8 Gevolgen volgen voor arbeidsvoorwaarden deelnemer 1. Pensioenregeling Levensloop VOS/ABB 26 a. Tijdens de periode dat de deelnemer spaart voor zijn levenslooptegoed wordt over zijn gehele brutoloon op de gebruikelijke wijze door de werkgever en de deelnemer bijgedragen aan de kosten van de pensioenopbouw. b. De deelnemer blijft het eerste jaar van de voltijd/deeltijd verlofperiode verplicht deelnemer bij het ABP waarbij de verlofperiode geldt als diensttijd voor de pensioenopbouw. c. Tijdens de voltijd/deeltijdperiode verlofperiode betaalt de deelnemer zowel het werkgevers-, als het werknemersdeel van de pensioenpremie. 2. Ten aanzien van aanwezigheid gerelateerde (on)kostenvergoedingen, zoals tegemoetkoming woon-werkverkeer, reiskostenvergoedingen, en incidentele toeslagen worden tijdens de (deeltijd)verlofperiode dezelfde regels toegepast als bij (langdurige) arbeidsongeschiktheid. Betaling zal worden gestopt/aangepast wanneer de (deeltijd) verlofperiode meer dan 30 werkdagen bedraagt. 3. Over de opgenomen uren levensloopverlof heeft geen opbouw van vakantie, vakantieuitkering en eindejaarsuitkering plaats. 4. Over de opgenomen verlofuren worden geen aanwezigheidsgerelateerde toelagen betaald, zoals de toelage in verband met onregelmatige dienst en de waarnemingstoelage. 5. De deelnemer is gedurende de verlofperiode verzekerd krachtens de werknemersverzekeringen (ZW, WIA, WW), krachtens de Wet onbetaald verlof en sociale verzekeringen. 6. Gedurende de levensloopverlofperiode behoudt de deelnemer zijn aanspraak op de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de zorgverzekeringspremie. Artikel 9. Ziekte tijdens de verlofperiode/ bijzondere omstandigheden. 1. De werknemer heeft in geval sprake is van ziekte, het recht om de opname van het levenslooploon tussentijds op te schorten, dan wel in te trekken en op een ander tijdstip opnieuw aan te vragen. De werknemer dient hiertoe een geldige medische verklaring, ondertekend door een arts, te overleggen. 2. Dit recht ontstaat zodra de ziekte, vanaf de eerste dag waarop de werknemer dit bij de werkgever heeft aangemeld, aansluitend twee weken heeft geduurd. Vanaf het moment dat de verlofovereenkomst wordt opgeschort gelden de afspraken bij de werkgever in het kader van de loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie. 3. Indien de werknemer ziek wordt voordat het verlof ingaat wordt het verlof eveneens opgeschort zodra de ziekte vanaf de eerste dag waarop de werknemer dit bij de werkgever heeft aangemeld, aaneengesloten twee weken heeft geduurd. 4. Voor de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt het levensloopverlof opgeschort. 5. De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing indien levensloopverlof direct voorafgaand aan het pensioen wordt opgenomen. Toelichting op de artikelen van de voorbeeldregeling van de VO-raad Artikel 2 Vanaf 1 januari 2006 is deze regeling mogelijk. Een werknemer mag op elk willekeurig tijdstip beginnen met de levensloopregeling. Artikel 3 Er mag door de werknemer 1x per jaar een aanvraag ingediend worden om te sparen. Artikel 4 Levensloop VOS/ABB 27 Een werknemer moet elk jaar opnieuw een aanvraag indienen met daarin vermeld de gegevens, die hierin staan vermeld. Wel kan gebruik gemaakt worden van de voorbeeldregeling, zoals deze is opgenomen in bijlage 1. Een aanvraag dient minimaal 2 maanden van tevoren ingediend te worden. Artikel 5 De werkgever dient binnen 30 kalenderdagen na datum van indiening de aanvraag toe te kennen. Een werknemer mag wel een verzoek tot wijziging van zijn aanvraag doen of te stoppen met het sparen. Artikel 6 Bij beëindiging van de benoeming/aanstelling mag het levenslooptegoed bij de werkgever worden afgekocht of worden overgeboekt naar een andere levensloopregeling/verzekering. Artikel 7 Alleen bij een zwaarwegend instellings- of onderwijsbelang mag de werkgever weigeren om verlof op te nemen. De werknemer dient minimaal 2 maanden van tevoren aan te geven bij de werkgever dat hij verlof op wil nemen. De werkgever moet, indien hij niet akkoord gaat, binnen 2 weken na ontvangst van het verzoek een gemotiveerde afwijzing geven. De minimale verlofperiode duurt minstens 2 maanden en maximaal 12 maanden. De periode mag alleen langer zijn bij verlof dat opgenomen wordt voordat de werknemer met pensioen gaat. Werkgevers en werknemers mogen in overleg afwijken van de verlofperiode. Artikel 8 Tijdens het sparen voor verlof, betaalt de werknemer en werkgever hun eigen deel van de pensioenpremie. Bij het opnemen van het verlof betaalt de werknemer zowel het werknemersdeel (ca. 6%) als het werkgeversdeel (ca. 14%) van de pensioenpremie in het eerste verlofjaar. De werknemer dient het eerste jaar deelnemer te blijven bij het ABP. Indien de opname uit het levenslooptegoed tenminste 70% bedraagt van het pensioengevend inkomen voorafgaand aan het verlof wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het volledige inkomen voorafgaand aan het verlof. Indien de opname uit het levenslooptegoed minder dan 70% van het inkomen voorafgaand aan het verlof bedraagt, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het feitelijk inkomen uit het levenslooptegoed. Werknemers die voor hun pensioen langer verlof opnemen, kunnen vanaf het tweede jaar kiezen of zij tegen individuele premie verzekerd willen worden (de verwachting is dat deze bij ouderen zeer hoog is) of hiermee willen stoppen. Hoe deze regeling precies in zijn werk gaat is nog onduidelijk. De pensioenregeling is hierop nog niet aangepast. Tegemoetkoming woon-werkverkeer, dienstreizen en andere toeslagen (bijvoorbeeld € 30,-compensatie zorgverzekeringswet) worden na 30 werkdagen verlof, stopgezet. Artikel 9 Bij ziekte tijdens de verlofperiode heeft de werknemer het recht om het verlof op te schorten dan wel in te trekken en op een later tijdstip weer op te nemen. De ziekte moet minimaal 2 weken geduurd hebben en er dient een medische verklaring van de huisarts of arbo-arts te zijn. Werknemers die het levensloopverlof direct voorafgaande aan hun pensionering willen opnemen, hebben geen mogelijkheid om het verlof op te schorten. Levensloop VOS/ABB 28 8 Overzicht belangrijkste verschillen tussen de voorbeeldreglement PO en VO Onderwerp Bijdrage levensloopverlof werkgever PO 0,8% per maand voor werknemers die niet onder het overgangsrecht VPL vallen Pensioengevendheid werkgeversbijdrage 0,8% Minimale duur levensloopverlof Nee Maximale duur levensloopverlof Opschorten verlof bij ziekte Minimale duur van ziekte bij opschorting Stopzetten vergoedingen bij opname verlof Evenredige verdeling van het verlof over de schoolvakanties Levensloop VOS/ABB 3 maanden (m.u.v. verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg) 3 jaar. Er is geen termijn voor werknemers die verlof opnemen voor pensionering Ja VO Verhoging eindejaarsuitkering met 0,8% voor werknemers die niet onder het overgangsrecht VPL vallen Ja 1 week 2 maanden (m.u.v. verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg) 1 jaar. Er is geen termijn voor werknemers die verlof opnemen voor pensionering Ja, behalve voor de werknemers die verlof opnemen voor pensionering 2 weken Direct bij aanvang Na 30 werkdagen verlof Ja Bouwt geen vakantieverlof op, waardoor de verlofganger geen recht heeft op doorbetaling van de vakantie 29 Levensloop VOS/ABB 30