Fijne analyse voor Rekenen VSO

advertisement
Leerjaar 3: Doelen en lessuggesties voor leerroute A
Vak: Rekenen/wiskunde
Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde, Verbanden
GETALLEN: Onderdeel 1 Optellen en aftrekken (inclusief getalgevoeligheid, inzicht in getalstructuur)
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
Bronnen/opmerkingen
1.1. Maakt een schatting van
Opmerking: De eerste twee suggesties betreffen een herhaling van
Rekenweb, getallenfabriek,
de uitkomst van een
activiteiten uit leerjaar 2. Sommige activiteiten beslaan geen heel lesuur,
http://www.fi.uu.nl/toepassingen/00013/
bewerking tot 10.000 door
maar kunnen een mooie opstart zijn voor een ander deel van de les.
toepassing_rekenweb.html
te werken met afronden

Leerjaar 2:Getallenlijn met duizendtallen van 0 tot 10000 op het bord.
naar ronde getallen
Waar ligt ongeveer 4500? En 7500? Daarna inzoomen: 4350 (ligt tussen
1. 2. Benoemt negatieve
4000 en 5000, dichterbij 4000 dan bij 5000, iets voor de helft van 4000
getallen in een context, bv
en 5000). Waar ligt ongeveer 6300? En 7589? 2345? Hoe weet je dat?
temperatuur, waterspiegel,
Redeneringen als: een eindje voorbij de helft;
tekort/schuld

Leerjaar 2:Kijkcijfers tijdens een voetbalwedstrijd (bij voorkeur WK of
1.3. Schrijft een negatief
EK). Hebben er precies zoveel mensen naar de wedstrijd gekeken?
getal op

1.1 Doe eerst een paar inleidende oefeningen, waarbij de leerlingen
getallen moeten afronden. Neem bijvoorbeeld 795 (bijna 800), 2993
(bijna 3000), 5145 (ruim 5000), 9999 (bijna 10.000), 4665 (ligt iets
voorbij het midden van 4000 en 5000, ligt dichtbij 4500), etc. Laat dit
eventueel nog eens zien, met een getallenlijn met alleen de
Peilstok
Thermometer
duizendtallen. Waar liggen deze genoemde getallen ongeveer?
Stel vervolgens enkele situaties aan de orde, waarbij geen exact
antwoord nodig is, maar een schatting. Bijvoorbeeld: de volgende
getallen moeten opgeteld worden. Kom je boven of onder de 10.000 uit?
Waarom denk je dat?
1243 + 5665 + 1999 + 1850
Vestig de aandacht op de afronding naar ronde getallen.

1.1 Reken handig uit: 2001 – 1999 =
Dit kan handig door het verschil te bepalen. Leerlingen die gaan
cijferend aftrekken komen waarschijnlijk in de problemen, terwijl het
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
1






vergelijken van de getallen onmiddellijk tot het antwoord leidt.
1.2 De hunebedbouwers leefden ongeveer 5000 jaar geleden. Wanneer
was dat ongeveer? Beschrijf in zoveel jaar voor Christus. (~3000 jaar
voor Chr).
1.2 Stukje tekst over het eiland Elba:
‘Monte Cocchero: Hier is een 3000 jaar oude "heilige grond" te
bezichtigen, bestaande uit een halve cirkel opgebouwd uit blokken
steen, die teruggaat tot de eerste inwoners van dit eiland. In Saccheto
en Fetovaia zijn recentelijk opgravingen gedaan naar oude Romeinse
resten die bewijzen dat zij hier ijzer wonnen tussen 200 jaar voor
Christus, tot 200 jaar na Christus.’
Het gaat om ongeveer 1000 jaar voor Christus. De periode waarin het
ijzer werd gewonnen besloeg ongeveer 400 jaar.
1.2/1.3 Neem het weerbericht als uitgangspunt: in de zomer is het
warm, in de winter vriest het. Temperatuur kun je benoemen als aantal
graden onder of boven nul of als graden Celsius. Benoem de
temperatuur onder nul ook als een negatief getal.
Als op het weerkaartje staat dat het op Texel –4  C is, wat bedoelen we
dan? (het is min vier graden, 4 graden onder nul, dus het vriest).
1.2/1.3 Neem weer de temperatuur als uitgangspunt en teken een
verticale getallenlijn bij wijze van thermometer op het bord, met een
streepje bij nul (vriespunt). Waar staat de thermometer als het vriest?
(onder of boven de 0?). Leerlingen noteren verschillende temperaturen
op de thermometer, bijvoorbeeld 5 , 20 , - 5 , - 8 , etc.
1.2/1.3 Vervolg op voorgaande: het is overdag net boven het vriespunt
(3 ). ’s Het is een heldere nacht, dus de temperatuur daalt flink, met 6
.
Hoe ziet dat eruit op de thermometer? Hoe koud wordt het dan ’s
nachts? Laat de leerlingen dit aanwijzen en laat het benoemen als – 3 .
In plaats van een echte thermometer kunt u ook een schematische
weergave ervan maken, in de vorm van een verticale getallenlijn.
1.2/1.3 Kaartje met temperaturen in Europa (van bv febr, in elk geval
een maand waarop het ook vriest). Waar is het kouder, in Moskou of in
Berlijn? Waar is het het koudst? Waar het warmst? Zet temperaturen op
volgorde. Hoeveel warmer of kouder is het in Stockholm dan in
Amsterdam? En in Madrid?
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
2
Wat is de temperatuur?



1.2/1.3 Foto van een peilstok tbv waterpeil. Leerlingen lezen het
waterpeil af en benoemen het als ‘x meter onder de waterspiegel’, of ‘x m’.
Doe eventueel enkele ‘optel- en aftrekoefeningen, zoals: op de peilstok
is de zien dat het waterpeil -4 m is. Het peil stijgt met 6 m. Hoe hoog
staat het peil nu? Laat dit weer zien op een verticale getallenlijn, bij
wijze van peilstok.
1.2/1.3 Met de lift. Afbeelding van de knoppen in een lift, met in elk
geval een knop met -1 erop. Wat bedoelen we met die knop?
Verwoorden in termen van: kelder, onder de grond, 1 verdieping lager
dan de begane grond.
1.2/1.3 Je hebt 215 euro gespaard en wilt graag de nieuwste i-pod
kopen. Op de website staat dat de i-pod die je graag wilt hebben te
koop is vanaf 229 euro. Hoeveel euro kom je tekort? Hoeveel zou je dus
‘rood staan’, als je die i-pod toch zou kopen? Schrijf het getal op als
‘negatief getal: je staat voor 14 euro rood, komt 14 euro tekort, of staat
voor 14 euro ‘in de min’ (– 14 euro).
GETALLEN: Onderdeel 2 Vermenigvuldigen en delen
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
2.1. Vertaalt een
Opmerking: De eerste suggestie betreft een herhaling uit leerjaar 2.
contextsituatie als ‘Blikjes
Sommige activiteiten beslaan geen heel lesuur, maar kunnen een mooie
zijn per 6 verpakt; er zijn
opstart zijn voor een ander deel van de les.
350 blikjes nodig. Hoeveel

2.1 Delen als verdelen en als inverse van vermenigvuldigen: je hebt een
pakken?’ naar een deelsom;
hoeveelheid dezelfde voorwerpen en verdeelt die over x personen.
RM als uitrekenhulp
Hoeveel krijgt ieder? Eerst doen, daarna: had je dat nou ook kunnen
2.2. Legt de betekenis van de
weten zonder het te doen? Neem een voorbeeld dat uitkomt, bv 24
‘rest’ uit in een
koekjes uit een pak verdelen over 4 personen. Hoeveel krijgt ieder? 24
contextsituatie (bij delen
zit in de tafel van 4: 6x4=24, dus ieder krijgt 6 koeken.
met rest)

2.2 Zelfde als voorgaand, maar nu komt het niet uit: 27 koekjes
verdelen over 4 personen. Hoeveel koeken krijgt ieder? Denk specifiek
na over de 3 koeken die overblijven en laat een mogelijke oplossing
zoeken: ieder krijgt nog een halve koek extra, de drie koeken blijven
over, de drie koeken geven we aan iemand anders, etc.
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
3
Bronnen/opmerkingen


2.2 Leg de leerlingen een deelsom met rest voor en laat ze er
verschillende antwoorden bij bedenken, die kloppen in een context.
Bijvoorbeeld:
81:6=13 ½ 81 koeken verdelen over 6 mensen. Ieder krijgt 13 koeken
en nog een halve.
81:6=13,50 81 euro verdelen over 6 mensen. Ieder krijgt 13 euro en
nog 50 cent.
81:6=14 Er komen 81 mensen, 6 mensen aan een tafel: 14 tafels nodig
81:6=13 Zelfde als voorgaande, maar nu zijn er drie tafels met 7
mensen.
2.1/2.2 Er wordt een disco avond georganiseerd op school. Daarvoor
moeten diverse drankjes en versnaperingen worden ingekocht. Er zijn
bijvoorbeeld 350 blikjes cola nodig. Die zijn verpakt per 6 blikjes (six
packs). Hoeveel six packs moet je kopen? Sturen naar
opvermenigvuldigen: wat weet je zo al? 50 pakken zijn als 300 blikjes.
Nog 9 pakken levert 54 blikjes op: 354 blikjes. Dat is 4 teveel, maar
beter teveel dan te weinig. Zelfde met andere aantallen. Laat leerlingen
steeds starten bij wat ze al weten en laat ze van daaraf verder
redeneren. Laat ze ook steeds bedenken wat er met de rest moet
gebeuren.
GETALLEN: Onderdeel 3 Schattend rekenen
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
3.1. Rondt kommagetallen af

Leerjaar 2 Voorbeelden van berekeningen: kunnen die kloppen? Bv
vanuit context (geld,
iemand heeft een opgave met de rekenmachine uitgerekend, maar de
meten)
komma vergeten te zetten, of vergeten in te toetsen. Antwoord kan dan
3.2. Rondt het resultaat van
niet kloppen. Idee wat het wel moet zijn?
een berekening af in

Leerjaar 2 Winkelsituatie: in de lunchpauze gaan veel leerlingen naar de
overeenstemming met de
buurtsuper. Je hebt een tientje bij je en koopt iets voor €2,95, voor
situatie
€3,98 en €4,10. Heb je genoeg? Deze situatie regelmatig aan de orde
stellen.

3.1 Je zit op een terrasje en hebt drie kopjes thee besteld, voor 1,90 per
kopje. Heb je genoeg aan 5 euro? En aan 6 euro? (Wijs eventueel naar
onderdeel 1: afronden naar mooie getallen)

3.1 Boodschappenlijstje maken: maak eerst een schatting per
boodschap en zet dat op een rijtje. Hoeveel gaat het ongeveer kosten?
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
4
Bronnen/opmerkingen
Van Rekenweb: boodschappen
http://www.fi.uu.nl/toepassingen/03128/
toepassing_rekenweb.html
Voor actuele informatie over aantallen:
http://www.cbs.nl




Hoeveel geld neem je mee, om zeker te weten dat je genoeg bij je
hebt?
3.1 Stappenteller: In het kader van de actie ‘bewegen is gezond’ zijn
tijdelijk stappenteller uitgedeeld. De stappenteller houdt het aantal
stappen bij, dat je op een dag maakt. Het aantal stappen wordt daarna
omgezet naar kilometers. Eerst instellen hoe groot een gewone stap
ongeveer is (iets meer dan een halve meter). Stel dat je op een dag
9568 stappen hebt gezet, hoeveel kilometer is dat dan ongeveer?
(~9600 : 2 m ~4800 m ~4,8 km of ~5 km).
3.2 Kassabonnen. In de supermarkt ga je de boodschappen doen, maar
je weet niet zeker of je wel genoeg geld hebt meegenomen. Kijk in het
karretje en maak een schatting. Moet je iets terugleggen? Wat is het
handigst om zeker te weten dat je genoeg geld bij je hebt? (naar boven
afronden). Dit soort situaties regelmatig herhalen. Neem echte
kassabonnen. Andere mogelijke vraag: heb je genoeg aan een briefje
van 20 euro?
3.2 Je bent je kamer aan verven, en hebt nog verf voor 12 m2. Je moet
nog een stuk muur van 2,5 m bij 4,6 m. Heb je genoeg verf?
3.2 Op de site van CBS staat dat het aantal inwoners van Nederland op
12 oktober 2010 16.636.985 bedraagt. Zullen het precies zoveel
mensen zijn? Maak duidelijk dat het om een schatting gaat, waarbij
meespeelt hoeveel kinderen gemiddels worden geboren per dag,
hoeveel mensen overlijden gemiddeld op een dag, aantal
immigranten/emigranten etc. Op jaarbasis groeit aantal inwoners van
Nld met gemiddeld 235 personen per dag.
Als je inwoneraantal zou moeten afronden, wat zou je dan zeggen?
~16,5 miljoen? ~17 miljoen? ~16.636.000? Laat argumenten
aanvoeren.
In 2009 zijn ongeveer 183.000 baby’s geboren.
In 2009 verhuisden 123.000 mensen naar het buitenland.
Zijn er precies zoveel baby’s geboren/mensen verhuisd? Wat zou het
kunnen zijn?
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
5
GETALLEN: Onderdeel 4 Rekenmachine1
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
4.1. Voert samengestelde

Zie ook onderdeel 2, vermenigvuldigen en delen). Voor de disco zijn 350
berekeningen met de
blokjes cola nodig, die per 6 zijn verpakt. Hoeveel sixpacks koop je?
rekenmachine uit,
Constateer dat het om de deling 350 : 6 gaat en laat de leerlingen dit
tussenuitkomsten kunnen
intypen. Wat verschijnt er in het scherm als antwoord?
op papier worden genoteerd 
Leerjaar 2 Fiets in de fietsenstalling: kaartje kost € 1,10 per dag.
4.2. Laat zien hoe de %-toets
Jaarkaart kost € 95,- Hoe vaak moet je je fiets ten minste stallen, om
werkt
een jaarkaart voordeliger te laten zijn?

Leerjaar 2 Vergelijken van abonnementen op een tijdschrift: betalen per
stuk, per maand, per jaar. Wat is het goedkoopste?

4.1 Dilemma: de ene rekenmachine geeft een ander antwoord dan de
andere. Hoe kan dat? Bijvoorbeeld: 2+5x7: 49 of 37?

4.1 Je bent jarig en gaat met een stel vrienden naar een terrasje. Je
bestelt voor iedereen een drankje (tussen de 1,90 en 2,25 per drankje)
en een stuk taart (2,25). Samen zijn jullie met zes personen.
Bedenk hoeveel je moet betalen. Houd rekening met een fooi.

4.2 Roep in herinnering dat het bij procenten gaat om ‘van de honderd’.
20% betekent dus 20 van de honderd, 70% 70 van de honderd, etc. In
rekentaal ziet dat er als volgt uit:
20% = 20 :100 (of 2/10 of 1/5)
25% = 25 : 100 (of ¼)
70% = 70 :100 (of 7/10)
Dat ‘van de’ vertaald kan worden naar ‘delen door’ zal voor veel
leerlingen niet vanzelfsprekend zijn. Doe daarom eerst nog een paar
voorbeelden die leerlingen waarschijnlijk wel weten en waarvan ze het
antwoord uit het hoofd zullen weten (bv 10 % is 10 van de 100, of
1/10: delen door 10; 50% is 50 van de honderd, ½ ofwel delen door 2,
etc. )
Stel vervolgens een voorbeeld aan de orde, waarbij een percentage van
1
Bronnen/opmerkingen
RM mag gebruikt worden als rekenhulp, bij ingewikkeld rekenwerk. Zorg dus voor koppeling van deze leerlijn aan de andere leerlijnen uit het onderdeel Getallen.
Voor de leerroute ‘hoog’ geldt, dat de leerling moeten kunnen analyseren hoe hij een opgave zou kunnen oplossen, maar het rekenwerk desgewenst aan de RM overlaat.
Omdat het hier om de hoge leerroute gaat, worden er toch behoorlijk eisen in de andere leerlijnen gesteld (bv wel 6x24 kunnen analyseren cq uitrekenen via splitsaanpak,
maar niet 64x23)
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
6
iets moet worden uitgerekend, bijvoorbeeld 20% van 90.
Hoe kun je dit intypen in de rekenmachine?
Antwrd: 20 : 100 x 90 =

De laatste stap (x 90) zal ook niet vanzelfsprekend zijn. Besteed ook
daar specifiek aandacht aan.
Doe meer van dergelijke situaties; leg ook de link met onderdeel 5,
procenten.
4.2
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
7
VERHOUDINGEN: Onderdeel
Doelen leerjaar 3
5.1. Lost mbv
verhoudingstabel
problemen op waarin de
relatie niet direct te leggen
is, bv 6 pakken voor 18
euro
5 pakken voor .. euro?
5.2. Kan verdunnen in de
juiste verhouding (bv 1 deel
verf op 3 delen water)
5.3. Benoemt eenvoudige
relaties, zoals 50% nemen
is hetzelfde als ‘de helft
nemen’ of ‘delen door 2’;
‘1 op de 4’ is 25% of ‘een
kwart van’
5.4. Rekent eenvoudige
percentages (50%, 10%,
1% 25%) van iets uit
5 (Eenvoudige) breuken, procenten, kommagetallen en verhoudingen
Lesideeën
Verhoudingen

Leerjaar 2 Situaties: bv 4 grapefruits kosten €2, hoeveel kosten 10
grapefruits; Uitzoeken met een verhoudingstabel (overzichtelijk
noteren):
aantal grapefruits 4 2
1
10
prijs in euro’s
2 1
0,50 5

Andere situaties op soortgelijke wijze oplossen. Focus op wat handige
getallen zijn om in te vullen.
5.1 Verhoudingstabel staat centraal. Verschillende situaties,
bijvoorbeeld:
>> Recepten (zie onder bronnen): op het pak staat een recept voor 4
personen aangegeven. Je kookt voor 6 personen. Hoeveel heb je van
alles nodig?
>> Een plank kost 8 euro per 4 meter. Hoeveel kost een stuk van die
plank van 3 meter?
Lengte plank in m
4
1
3
Prijs in euro’s
8
2
6
>> 6 dozen voor 18 euro. Hoeveel betaal je voor 5 pakken?
Aantal dozen 6
1
5
Prijs in euro’s 18
3
15
>> Je koopt een stuk oude kaas van 450 gram. De prijs per kilo is 12
euro. Hoeveel kost het stuk kaas?
gewicht in gram 1000 500
50
450
prijs in euro
12
6
0,60 5,40
>> Twee potten jam (liefst met plaatje). De ene pot kost 1,75 per 350
gr, de andere 1,90 voor 400 gram. Welke neem je?
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
8
Bronnen/opmerkingen
Recept: filetrollade met pistachegehaktvulling
peper en zout
1 sjalot (fijngehakt)
1 varkensfiletrollade (ca. 750 g)
1/2 tl kaneel
150 g gehakt
25 g dadels (gedroogde, in stukjes)
25 g pistachenoten (zonder schil)
25 g vijgen (gedroogde, in stukjes)
50 g boter
Bron:
http://www.startpagina.nl/receptvandedag
/
Zie ook http://www.rekenlijn.nl
Verschil absoluut bedrag versus relatief bedrag.

5.1 Twee of meer verhoudingen met elkaar vergelijken
(Bron: concretisering 2F)
Cola van het merk Popsa bevat 200 gram suiker per fles van 1,5 liter. In
de 0,5 literflessen van het merk Flizz zit 80 gram suiker. Welk merk cola
bevat in verhouding de meeste suiker?
Popsa
inhoud fles (liter)
hoeveelheid suiker (gram)
1,5
200
1
133
0,5
80
1
160
Flizz
inhoud fles (liter)
hoeveelheid suiker (gram)
Conclusie: in Flizz zit naar verhouding meer suiker.


5.2 Uitspraak in de krant: 1 op de 3 stellen maakt ruzie in de auto. De
ruzie gaat meestal over de route. Als we het hebben over 120 stellen,
hoeveel daarvan hebben er dan ruzie?
Verhoudingstabel ter ondersteuning. Ook andere manieren van
verwoorden: 1 van de, 1 per ed.
Ruzie
1
40
Aantal stellen 3 120
5.2 Op school zitten 250 kinderen. 3 van de 5 kinderen gaat met de
fiets naar school. Hoeveel kinderen komen met de fiets?
aantal kinderen met de fiets 3
totaal aantal kinderen
5

150
250
5.2 Ranja verdunnen: 1 deel ranja op 7 delen water. Hoe ziet dat eruit
in een glas? Gieten maar, of tekenen op een glas.
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
9

Vertalen naar 20 ml ranja op 140 ml water. Moeilijkheid hier is, dat het
in totaal dus om 8 delen gaat ( 1 deel ranja en 7 delen water). Dit is het
verschil met voorgaande verhoudingssituaties.
5.2 Verf verdunnen met verdunner. 1 deel verdunner op 3 delen verf
(totaal dus 4 delen). Uitvoeren.
Procenten

Herhaling leerjaar 2: Blad met voorbeelden van procenten (bv 10%
extra pindakaas, 25% korting, 100% katoen, 50% korting, etc.).
Uitspreken van procentteken als 'procent'. Benoemen als 'van de
honderd'. Dus: 50% betekent 50 van de honderd. Hoe kun je dat anders
noemen? (de helft). 100% is 100 van de 100, dus alles. Verklaar zo nog
een paar veel voorkomende percentages.

5.3 Label van een trui of ander kledingstuk. Kleding bestaat voor 75%
uit katoen en voor 25 % uit polyether. Laat de leerlingen hier een
procentenstrook bij tekenen.
75%


25%
De hele strook is 100%, 50% ligt op de helft (laat eventueel een
hulplijntje trekken), 75% ligt daar weer tussenin (of is ¾ van de
strook).
Stroken tekenen voor andere percentages, en leg daarbij de link met
breuken.
5.3 Verband met breuken en verhoudingen:
5.3/5.4 Ga vervolgens verder met eenvoudige berekeningen: als 50%
de helft is, wat is dan 50% van 150? En van 70? Zorg ervoor, dat de
leerling begrijpt dat ‘de helft nemen’ hetzelfde is als ‘delen door 2’.
75
150
50 %
100%
Veel
leerlingen zullen dat intuïtief wel weten, maar het is belangrijk om dat
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
10
goed bewust te maken. Wijs zo nodig nog eens naar het onderdeel
breuken: wat doe je als je ergens de helft van neemt? Neem de strook
als uitrekenmodel.
Maak de getallen vervolgens geleidelijk ingewikkelder: in de uitverkoop
krijg je 50% korting op een jas van 189 euro. Hoeveel kost de jas nu?
Andere voorbeelden met korting kunnen uiteraard ook.
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
11
METEN en MEETKUNDE: Onderdeel 6 Ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijk redeneren
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
6.1. Past windrichtingen toe

6.1 Verschillende oefeningen met windrichtingen, bv ahv kaartje bij het
bij het lezen van een kaart
weerbericht: staat een pijltje bij, bij wijze van windrichting: hoe zou je
6.2. Vertaalt formele
schaalaanduiding als 1:100
naar 1 cm is in
werkelijkheid 100 cm
6.3. Benoemt ruimtelijke
die noemen?
figuren: balk, cilinder,

6.2 Van schaallijn naar schaalaanduiding: neem een ander kaartje (kan
piramide en herkent deze in
ook fictief zijn, bijvoorbeeld ‘Maanviseiland’ van het Freudenthal
de omgeving (schoorsteen
instituut, zie bronnen). Het lijntje geeft aan dat (in dit geval) een stukje
~ vorm van cilinder)
van 5 cm in werkelijkheid 500 meter is. Laat de leerlingen verschillende
6.4. Tekent figuren mbv
opdrachten uitvoeren die op het werkblad staan. Bespreek in elk geval
passer, liniaal en
ook, hoe je deze schaalaanduiding kunt vertalen naar een officiële
geodriehoek
schaal; hoe doe je dat handig?
6.5. Benoemt de begrippen
Wees duidelijk dat je in elk geval dezelfde maat moet gebruiken, dus
loodrecht, halve draai,
centimeters. Een meter is 100 cm, dus hier gaat het om
(rechte) hoek
5 cm is in werkelijkheid 50.000 cm. Schaal: 1 : 10.000




6.2 Doe ook het omgekeerde: een kaart uit de atlas (of een ander
routeboekje met een schaalaanduiding), met
schaal 1 : 1.000. Wat betekent dat? Laat de leerling verwoorden naar 1
cm is in werkelijkheid 1000 cm ofwel 10 meter.
Waarom hebben we eigenlijk schaal nodig? Maak duidelijk dat het gaat
om het verkleinen van de werkelijkheid tot hanteerbare proporties.
6.2 Schaalmodellen: vliegtuigjes bouwen (of treinen). Schaal 1:50,
1:100, hoe groot is dat ongeveer? Vertalen naar de werkelijkheid.
6.2 Madurodam: alles is nagebouwd op schaal 1:25. Verschillende
voorbeelden, zoals de hoogte van een huis, een mens, een boom, etc:
hoe groot zijn ze in Madurodam? Kan ook andersom: geef de maten van
Madurodam en vraag hoe hoog, groot, lang, breed het in werkelijkheid
is.
6.3 Benoemen van tweedimensionale figuren in de werkelijkheid:
voorbeelden uit de kunst of architectuur, welke vormen betreft het? Hoe
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
12
Bronnen/opmerkingen
Afbeelding van Maanviseiland. Bron:
www.rekenweb.nlhttp://www.fi.uu.nl/toep
assingen/03276/toepassing_rekenweb.xml
noemen we dat in wiskundetaal? Voorbeeld laten markeren en
benoemen.
Tbv de vormen (6.3.3) , bevelen we aan
om gebruik te maken van de applet
‘bouwen met blokken’
http://www.fi.uu.nl/toepassingen/00339/t
oepassing_rekenweb.html
Kubistisch schilderij, met veel verschillende vormen.

Rietveld stoel en huis
Hierin zitten veel rechthoeken en vierkanten.
6.3 Idem als voorgaande, maar nu met driedimensionale figuren.
Voorbeeld: kubuswoningen in Rotterdam:
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
13
In dit plaatje zitten ook nog allerlei 2D vormen. Laat die ook nog eens
benoemen (vierkant, driehoek, kruis).
Ander voorbeeld:
Betreft balk, met vierkante uiteinden. Andere vormen?
Driehoeken.

6.3 Leerlingen zoeken naar voorbeelden van balken en cilinders in de
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
14
eigen omgeving.
Voorbeelden van balken: bakjes, dozen, kast.
Voorbeelden van cilinders: pedaalemmer, beschuitbus, suikerpot,
rolletje pepermunt, rol koekjes.
Leg hier ook het verband met de tweedimensionale figuren:

Een ‘stapel’ vierkanten2 op elkaar levert een kubus op.
Een ‘stapel’ rechthoeken levert een balk op.
Een ‘stapel’ cirkels levert een cilinder op.
Dit laatste kun je inzichtelijk maken aan de hand van ronde
koekjes/beschuiten die op elkaar gestapeld zijn.
De kubus is een bijzonder soort balk: alle zijden zijn even lang.
Leg hier de link met onderdeel 7: kubieke meters ed.
6.4 De meest gebruikte geodriehoeken bestaan uit een halve cirkel. Als
je de geodriehoek met de rechte kant naar boven neerlegt zoals op de
eerste foto hiernaast, is het een liniaal, waarmee je lijnen kunt trekken.
Op de geodriehoek staat ook een gradenboog, waarmee je hoeken vanaf
0 tot 180 kunt meten. Om dat te kunnen doen, leg je de geodriehoek
met de rechte kant op de lijn waarvandaan je een hoek wilt meten
(tweede foto hiernaast). Lees vervolgens af, waar
Deze hoek is dus ongeveer 60.

6.5 Met een halve draai bedoelen we dat je een draai van 180 maakt.
Laat de leerlingen dit doen: ze staan na een halve draai dus met de rug
Wiskundig gezien klopt het niet om te zeggen een cilinder een verzameling cirkels is (hetzelfde geldt voor de andere ‘stapels’). Het blijven immers nog steeds cirkels. Voor
de leerlingen uit onze doelgroepen maakt het stapelen van koekjes oid voor het ontstaan van een cilinder wel heel voorstelbaar. Andersom klopt het wel: een dwarsdoorsnede
van een cilinder laat een cirkel zien. Een schuine doorsnede van een cilinder laat een ellips zien en een schuine doorsnede van een balk levert een parallellogram op.
2
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
15
naar je toe.
Twee vlakken staan ‘loodrecht’ op elkaar als ze elkaar snijden in een
rechte hoek. Een rechte hoek is een hoek van 90 (zie afbeelding onder
bronnen).
Geodriehoek;
Een rechte hoek, is een hoek van 90. De
benen van de hoek staan loodrecht op
elkaar.
(Bron afbeelding: wikipedia)
METEN en MEETKUNDE: Onderdeel 7 Meten van lengte, inhoud, gewicht, omtrek en oppervlakte, temperatuur
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
Bronnen/opmerkingen
7.1. Berekent de oppervlakte

7.1 deuren verven, bv deur in klaslokaal. Op pot staat dat er genoeg
van rechthoekige figuren
verf in zit voor 8 m². Wat betekent dat? Hoeveel deuren kun je hier
7.2. Benoemt binnen context
(ongeveer) mee verven? Eventueel weer krant als intermediair
het begrip kubieke m, dm,
gebruiken.
cm (m³, dm³, cm³) als

7.1 Hoeveel potten verf moet je kopen voor een plafond van 4 m breed
maat voor inhoud
en 5 m lang? Maak hier een schematische tekening van, bv met
7.3. Legt uit dat 1 dm³ =
vierkantjes.
1liter = 1000 ml

7.1 Zaden voor een bloemperk van 2 m². Je hebt een stuk tuin van 1 ½
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
16
7.4. Legt de betekenis van
voorvoegsels als 'centi',
'deci' en 'milli', kubieke uit







meter breed en 3 meter lang. Hoeveel pakjes zaad moet je kopen?
7.1 Ga uit van een reële situatie, bijvoorbeeld de vloer van het
klaslokaal. Er moet nieuw tapijt besteld worden. Hoe kunnen we
uitzoeken hoe groot het klaslokaal is? Inzoomen op lengte en breedte
van lokaal en vermenigvuldigen.
7.1 Bovenaanzicht van een vloer, waarvan bekend is dat die 6 meter
lang is en 4 meter breed. Wat is de oppervlakte van die vloer? Eventueel
laten zien met een ruitjespapier.
7.1 Kamer inrichten: bovenaanzicht en plaatjes op schaal van
voorwerpen die in de kamer moeten. Bijvoorbeeld een bed, een kast,
een tafeltje, stoel. Hoe groot is de kamer? (4 bij 5 meter). Bed is 1 bij 2
meter. Waar zet je die neer?
7.2 Ga uit van de 2D vormen en maak ze 3D. Bijvoorbeeld: een vierkant
wordt zo een kubus, een rechthoek wordt een balk, een cirkel wordt een
cilinder. Als we willen zeggen hoeveel er in deze vormen gaat, spreken
we van kubieke (meters, centimeters, decimeters). Leg hier de link met
onderdeel 6: vormen.
7.2 Bij inhoud gaat het dus om drie dimensies: lengte, breedte en
hoogte (of diepte). Natuurlijk hebben ook ronde voorwerpen een inhoud.
Die zijn alleen niet in bovengenoemde dimensies te omschrijven.
Leerlingen zoeken verschillende voorwerpen met een inhoud uit hun
omgeving. Bijvoorbeeld: pannetje, kopje, aquarium, ligbad, afwasbak,
vingerhoed, etc.
7.2 Voorbeelden uit de werkelijkheid laten zoeken die in een kubieke
meter worden uitgedrukt (bv gas, water, zand, hout). Vervolgens
inzoomen op wat een kubieke meter is: een driedimensionale vorm van
1 meter hoog, 1 meter breed en 1 meter lang. (Leg ook de link met
onderdeel 6: vormen, de kubus). Maak de kubieke meter zo veel
mogelijk voorstelbaar, bijvoorbeeld door een pallet van 1 m x 1m te
nemen en dat vervolgens weer 1 meter naar boven te ‘trekken’ (zie ook
de foto, onder bronnen). Dit meteen nuanceren: de vorm kan ook
anders zijn, bijvoorbeeld ½ meter breed, 2 meter lang, 1 meter hoog.
Leerlingen bedenken nog andere mogelijkheden.
7.2 Je helpt in het weekend mee in de tuin van je opa. De tuin moet
klaar gemaakt worden voor het zaaien van planten en daar is nieuw
zand voor nodig. De tuin is 100 m². Met hoeveel kuub heb je een
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
17
Bron: wikipedia.
redelijke laag zand voor een moestuin van 100 m²?
Maak de situatie voorstelbaar en neem één kuub zand (1mx1mx1m) als
uitgangspunt:
Je hebt dan 1 m², bedekt met 1 m zand; (denk ook aan de pallets).
‘Snijd’ de meter doormidden en leg ze naast elkaar: je hebt dan 2 m²,
met een ½ m zand in de hoogte (het blijft 1 kuub). Doe dat nog een
keer: je hebt dan 4 m², met
25 cm zand, etc. Doe dit net zo vaak tot er een redelijke laag zand op
de bodem komt te liggen. Overzichtelijk in een tabel:
Hoogte in cm
Aantal m²
100
1
50
2
25
4
12 ½
8
6¼
16
~3
32


Met 1 kuub kun je dus een stukje tuin van 32 m² bedekken.
Voor een stuk van 100 m² heb je dus 100 : 32 is ruim 3 kuub zand
nodig. Leg hier ook link met onderdeel 2: vermenigvuldigen en delen.
Maak het voorgaande zo veel mogelijk concreet voorstelbaar,
bijvoorbeeld door een schematische tekening op het bord te maken.
7.3 Een liter is een inhoudsmaat die in het dagelijks verkeer veelvuldig
wordt gebruikt om het volume van een vloeistof of een gas aan te
geven. Hoewel het geen SI-eenheid is, wordt het gebruik ervan expliciet
gedoogd door het Bureau International des Poids et Mesures (BIPM).
Het door het BIPM aanbevolen alternatief is om volumes in dm³ of m³
uit te drukken. (Bron: wikipedia)
De afspraak is dat 1 kubieke decimeter (1 dm³) = 1 liter
De andere maten (m³ en cm³) zijn hiervan afgeleid:
1 liter = 1000 kubieke centimeter (1000 cc)
1 liter = 0,001 kubieke meter (1/1000 m³) of andersom:
1 m³ = 1000 liter.

In de les kan de leerkracht een keer laten zien dat een bak van
1dmx1dmx1dm (kan bijvoorbeeld een bak voor MAB blokjes zijn)
precies een liter is. Giet bijvoorbeeld een liter water af.
7.3 Uitgaande van de liter als gedoogmaat, zijn daar wel weer andere
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
18
Maatbeker. Bron: wikipedia.

maten vanaf te leiden. Veel voorkomende maten zijn bijvoorbeeld de
milliliter en de deciliter. Laat de leerlingen in hun omgeving voorbeelden
zoeken van de manier waarop de inhoud van flessen wordt
weergegeven. Dat is vaak in liters, maar ook in milliliters. Op blikjes,
staat vaak een kommagetal, bijvoorbeeld 0,25 l. We bedoelen dan 250
milliliter, of 25 cl.
7.4 Woorden als kilo, hecto, deca, deci, centi, en milli, zijn voorvoegsels
bij een eenheid (bv meter), om aan te geven dat het om een veelvoud
of een deel van die eenheid gaat. Kilo betekent 1000, kilometer
betekent dus 1000 meter. Andere voorvoegsels:
hecto: 100
deca: 10
deci: een tiende
centi: een honderdste
milli: een duizendste
Laat de leerlingen enkele voorbeelden zoeken met deze woorden als
voorvoegsel (kilogram, hectometerpaaltjes, milliliter).
Colaflessen met verschillende inhoud in
liters uitgedrukt.
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
19
METEN en MEETKUNDE: Onderdeel 8 Meten van tijd (klokkijken en kalender)
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
8.1. Legt uit wat

gebruik van een digitale agenda. Verkennen pijltjes, invoeren van een
"schrikkeljaar" inhoudt
afspraak. Kan ook op mobieltje. Hiervoor kan ook de applet ‘Kalender’
8.2. Legt uit wat er gebeurt
gebruikt worden (zie bronnen).
als de zomertijd in gaat en

8.1 Wat is een schrikkeljaar eigenlijk? We hebben een dag extra.
waarom
Wanneer?
8.3. Maakt een plan voor een
te maken reis met het OV


Zoom in op 29 februari: komt maar eens in de 4 jaar voor. Verzin
‘gekke’ voorbeelden bij 29 februari: stel dat je op 29 februari bent
geboren, wat dan?
We hebben eens in de 4 jaar een schrikkeljaar. Verder is maar één van
de 4 eeuwen op het eeuwjaar een schrikkeljaar (eeuwjaar is bv 1900).
Regels:
- Laatste 2 cijfers van het jaartal moeten deelbaar zijn door 4.
- Een eeuwgetal moet deelbaar zijn door 4 en een geheel getal
opleveren om ook een schrikkeljaar te zijn.
Zoek verschillende jaartallen: is het een schrikkeljaar?
8.2 Laat naar voren komen, dat de achterliggende reden van zomertijd
is, dat het 's avonds langer licht is. De zomertijd gaat altijd eind maart
in. Gaat de klok dan een uur voor- of achteruit?
Redeneer vanuit het argument dat het langer licht moet blijven: als het
om 8 uur donker wordt en je zet de tijd een uur vooruit, is het om 9 uur
donker. De klok wordt dus een uur vooruit gezet in maart. Doe hetzelfde
voor de wintertijd:
8.2 Klokjes uit de krant, waarin de klok een uur vooruit gaat. Slaat het
klokje op het ingaan van de zomer- of van de wintertijd?
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
20
Bronnen/opmerkingen
Kalender (applet)
http://www.fi.uu.nl/toepassingen/01028/t
oepassing_rekenweb.html
NS of ov site: www.9292OV.nl
8.3 Maak gebruik van www.9292OV.nl
Voorbeeld: je moet om 9 uur ’s ochtends in de Mackaystraat in Den
Haag zijn. Hoe laat moet je dan vanuit Utrecht CS vertrekken? Doe
hetzelfde met andere bestemmingen.
METEN en MEETKUNDE: Onderdeel 9 Geldrekenen
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
9.1. Begrijpt wat ‘korting’

9.1 Het begrip korting komt ook in het onderdeel ‘procenten’ aan bod.
betekent
Laat de leerlingen duidelijk uitleggen, dat ze bij korting minder hoeven
9.2. Weet hoeveel je terug
te betalen. Afhankelijk van het percentage, krijg je meer of minder
moet krijgen bij het betalen
korting. Leg ze zo nodig nog eens een situatie voor, waarin je
(€268,25 als je betaalt met
bijvoorbeeld 10% korting krijgt (bv een NS actie: NS deelt bonnen uit,
€270,- of €300,-);
met 10% korting op kopje koffie met gebak, 10% korting op toegang
doortellen als strategie
tot natuurgebied, etc.).
9.3. Kan contant betalen in

9.2 Begin met een eenvoudige situatie waarin doortellen voor de hand
vreemde valuta
ligt, bijvoorbeeld: je koopt iets voor € 9,25 en betaalt met een tientje.
Hoeveel krijg je terug? Strategie: + 5, + 70: 75 cent. Sommige
leerlingen zullen dit in een keer zien. Eventueel getallenlijn als
ondersteuning.
Vervolgens ingewikkelder getallen, zoals hiernaast genoemd: je koopt
iets van € 268,25 en betaalt met € 270,- of met € 300,-. Hoeveel krijg
je terug? Van 268 naar 269 (+ 75 cent), van 269 naar 270: je krijgt dus
1,75 terug als je met 270 euro betaalt.
Betaal je met 300 euro, dan krijg je nog 30 euro meer terug, dus €
31,75. Doe diverse van dergelijke voorbeelden.

9.3 Oriëntatie op vreemde valuta: met welke muntsoort betalen de
diverse landen? Euro in een groot deel van Europa, maar niet overal.
Waar niet? Zoom bijvoorbeeld in op de Britse Pond. Hoeveel is die
waard? Opzoeken via google: wisselkoersen. Daar blijkt dat de Britse
pond op 13 oktober 2010 ongeveer 88 eurocent waard is. Je kunt ook
zeggen, dat je voor 100 euro, ongeveer 88 Britse ponden krijgt.

VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
21
Bronnen/opmerkingen

Doe hetzelfde met andere munten, bijvoorbeeld de Zweedse kroon, de
Amerikaanse dollar, de Turkse lire.
9.3 Stel je gaat naar een van bovenstaande landen op vakantie, en hebt
voor 100 euro aan contanten meegenomen. Bekijk bonnetjes die je hebt
gekregen. Soms lijkt het alsof je goedkoop uit bent, maar dat ben je
niet, omdat de muntsoort meer waard is dan de euro. Afronden om
enigszins te weten hoeveel je kwijt bent.
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
22
VERBANDEN Onderdeel 10 Informatieverwerking, grafieken en tabellen
Doelen leerjaar 3
Lesideeën
10.1. Maakt een staafdiagram 
Leerjaar 2: Temperatuurgrafiek: leg de leerlingen een grafiek voor met
op basis van gegevens
de temperaturen van dit jaar (ingedeeld in maanden). Laat ze
10.2. Benoemt het begrip
vervolgens beschrijven wat ze zien: boven 0, onder 0, wanneer
‘snijpunt’ (van twee rechte
hoogste/laagste temperatuur? Benoem de hoogste temperatuur als
lijnen, van assen)
‘maximum’ en laagste als ‘minimum’.
10.3. Gebruikt informatie uit

10.1 geef de leerlingen de basis van de grafiek (het assenstelsel, met op
tabellen en grafieken om
de y-as bv temperatuur in graden en op de x-as de maanden van het
conclusies te trekken. Bv in
jaar), zonder dat de waarden zijn ingevuld. Een ruitjespapier, met
welk jaar is het aantal
ruitjes van 1 cm² is daarvoor handig. Geef vervolgens een tabel met
auto’s verdubbeld tov jaar
informatie over de tempraturen per maand (zie bv cbs gegevens, of
daarvoor?
knmi site). De leerlingen maken hier een staafdiagram van.
10.4. Legt begrip gemiddelde

10.2 Leg de link met onderdeel 6, ruimtelijk redeneren. Daarin zijn de
uit en kan dit berekenen
begrippen ‘loodrecht’ en ‘rechte hoek’ geïntroduceerd en hebben de
leerlingen kennisgemaakt met de geodriehoek. Twee rechte lijnen in een
plat vlak snijden elkaar precies 1 keer, of helemaal niet. Leg de
leerlingen een figuur voor, waarvan twee rechte lijnen elkaar snijden.
Laat ze het punt aanwijzen en benoem het als ‘snijpunt’.

10.2 Leg de leerlingen verschillende lijnen voor die elkaar ergens
snijden. Laat ze het snijpunt aanwijzen en benoemen.

10.3 Een leerling maakt de volgende grafiek van haar humeur tijdens
een wedstrijd. Laat de leerlingen beschrijven welke pieken en dalen de
betreffende leerling heeft gekend. Wat kan er zijn gebeurd?
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
23
Bronnen/opmerkingen
Grafiekenmaker
http://www.fi.uu.nl/toepassingen/03313/t
esja.html
KNMI www.knmi.nl
CBS: www.cbs.nl


Bron: Rekenlijn, www.rekenlijn.nl
10.4 Veel leerlingen weten intuïtief wel wat we met gemiddelde
bedoelen. Het gaat bij het berekenen van het gemiddelde om de som
van een aantal getallen gedeeld door het aantal getallen. Begin met
eenvoudige getallen, bijvoorbeeld aan de hand van het aantal broers en
zussen dat de leerlingen in de klas hebben. Noteer de verschillende
getallen op het bord, tel ze op en deel ze door het aantal leerlingen.
Gemiddeld hebben we dus xxx broers en zussen. Dit getal zal
waarschijnlijk een kommagetal zijn. Hoe komt dat?
10.4 Neem ook andere voorbeelden, bijvoorbeeld bezoekersaantallen
aan attractie parken in een week, of per maand. In welke maand gaan
gemiddeld de meeste mensen naar een attractiepark?
Andere voorbeelden: vakantiebestemmingen, aantal keren per jaar met
vakantie, vervoermiddel naar school, etc.
VOx is ontwikkeld in opdracht van OCW door KPC Groep, SLO en CED-Groep
24
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

Create flashcards