No Slide Title - Pearsoncmg.com

advertisement
Hoofdstuk 14
Gedrag
in
organisaties
© Pearson Education Benelux, 2003
14-1
Leerdoelen
Je moet het volgende kunnen:
– het aandachtsgebied en de doelen van organisatiegedrag
kennen;
– de drie componenten van een instelling beschrijven;
– de rol van consistentie in een bepaalde instelling
beschrijven;
– de relatie tussen voldoening en productiviteit
beschrijven;
– uitleggen hoe managers de Myers-Briggs Type Indicator
en het Big Five-model van persoonlijkheid kunnen
gebruiken;
© Pearson Education Benelux, 2003
14-2
Leerdoelen (verv.)
Je moet het volgende kunnen:
– emotionele intelligentie beschrijven;
– de attributietheorie beschrijven en uitleggen hoe deze
wordt gebruikt om individueel gedrag te verklaren;
– uitleggen hoe managers anderen versneld kunnen
beoordelen;
– uitleggen hoe managers gedrag van werknemers kunnen
vormen.
© Pearson Education Benelux, 2003
14-3
Waarom individueel gedrag bestuderen?
Organisatiegedrag
– Heeft specifiek te maken met de handelingen van
mensen tijdens hun werk
– Nadruk op zaken die niet direct in het oog
springen
© Pearson Education Benelux, 2003
14-4
Figuur 14.1: De organisatie als ijsberg
© Pearson Education Benelux, 2003
14-5
Waarom individueel gedrag bestuderen? (verv.)
De richtpunten van organisatiegedrag
– Individueel gedrag – Instellingen, persoonlijkheid,
zienswijzen, leerprocessen en motivatie
– Groepsgedrag – Normen, rollen, teambuilding,
leiderschap en conflict
• Mensen in een groep gedragen zich anders dan
individuen buiten groepsverband
Doelstellingen van organisatiegedrag
– Het verklaren, voorspellen en beïnvloeden van gedrag
• Het succes van de manager is afhankelijk van het via
anderen gedaan krijgen van bepaalde taken
© Pearson Education Benelux, 2003
14-6
Instellingen
Definitie
– Evaluerende statements (positieve of negatieve)
over zaken, mensen of gebeurtenissen
– Drie componenten:
• Cognitief – De overtuigingen, meningen,
kennis of informatie die iemand heeft
• Affectief – Emoties of gevoelens
–Het begrip ‘instelling’ verwijst doorgaans
naar dit begrip
• Gedragsmatig – De intentie om op een
bepaalde manier te reageren op iets of iemand
© Pearson Education Benelux, 2003
14-7
Instellingen (verv.)
Werkgerelateerde instellingen
– Voldoening in het werk – Iemands algemene instelling ten
opzichte van zijn of haar werk
– Betrokkenheid bij het werk – De mate waarin een werknemer zich
met zijn of haar werk identificeert, inzet toont en werkprestaties
belangrijk vindt voor zijn of haar gevoel van eigenwaarde
• De mate van actieve participatie in het werk
• Het gevoel dat werkprestaties belangrijk zijn voor het gevoel
van eigenwaarde
– Betrokkenheid bij de organisatie – De instelling van de
werknemer ten opzichte van de organisatie, wat betreft loyaliteit,
identificatie en inzet
– Voorbeeldig werkgedrag – Gedrag van werknemers dat niet deel
uitmaakt van de functievereisten, maar dat desalniettemin het
effectief functioneren van de organisatie ondersteunt
© Pearson Education Benelux, 2003
14-8
Instellingen (verv.)
Instellingen en consistentie
– Mensen zijn op zoek naar consistentie
• tussen hun instellingen onderling;
• tussen hun instellingen en hun gedrag.
– Bij inconsistentie moet men bepaalde stappen nemen om
tot consistentie te komen
• Instelling of gedrag aanpassen
• De inconsistentie verklaren
© Pearson Education Benelux, 2003
14-9
Instellingen (verv.)
De theorie van cognitieve dissonantie
– Cognitieve dissonantie – Een inconsistentie of ongerijmdheid
tussen verschillende instellingen onderling of tussen instellingen
en gedrag
– Inspanningen om de dissonantie te verminderen zijn gerelateerd
aan:
• Het belang van de factoren die voor de dissonantie zorgen
• De invloed die men over deze factoren denkt te hebben
• De beloning die uit de dissonantie kan voortkomen
Personeelsenquêtes
– De werknemer wordt gevraagd naar zijn of haar werk,
werkgroepen, leidinggevenden of de organisatie
– De behaalde score is de som van de aan de antwoorden toegekende
waarden
© Pearson Education Benelux, 2003
14-10
Figuur 14.2: Voorbeeldenquête
© Pearson Education Benelux, 2003
14-11
Instellingen (verv.)
De relatie tussen voldoening en productiviteit
– Vroeger dacht men dat tevreden arbeiders productieve
arbeiders waren
– Onderzoek toont aan dat de relatie tussen voldoening en
productiviteit bescheiden is
– Bepaalde omgevingsvariabelen hebben de relatie tussen
voldoening in het werk en productiviteit verhelderd
• Deze factoren bepalen voor een groot gedeelte het
gedrag van een werknemer
– Uit dit onderzoek kan echter niets worden geconcludeerd
over oorzaak en gevolg
© Pearson Education Benelux, 2003
14-12
Persoonlijkheden
Definitie
– De unieke combinatie van psychologische kenmerken
waarmee we een persoon beschrijven
Persoonlijkheidskenmerken
– Myers-Briggs Type Indicator (MBTI) – Vier dimensies
• Sociale interactie – Extravert of introvert
• Voorkeur bij het verzamelen van gegevens – Aftastend of
intuïtief
• Voorkeur bij beslissingen nemen – Gevoelig of rationeel
• Stijl van beslissingen nemen – Opmerkzaam of beoordelend
• Combinaties van deze dimensies resulteren in zestien
persoonlijkheidstypen
• Validiteit van de MBTI is niet aangetoond
© Pearson Education Benelux, 2003
14-13
Figuur 14.3: Voorbeelden van MBTI-persoonlijkheden
© Pearson Education Benelux, 2003
14-14
Persoonlijkheden (verv.)
Persoonlijkheidskenmerken (verv.)
– Het Big Five-model – De kenmerken in dit model zijn:
• Extraversie – De mate waarin iemand sociaal, praatgraag en
assertief is
• Inschikkelijkheid – De mate waarin iemand opgeruimd,
coöperatief en goed van vertrouwen is
• Plichtsgetrouwheid – De mate waarin iemand
verantwoordelijk, betrouwbaar, volhardend en resultaatgericht
is
• Emotionele stabiliteit – De mate waarin iemand kalm,
enthousiast en zelfverzekerd (positief) of gespannen, nerveus,
depressief en onzeker (negatief) is
• Openheid voor ervaringen – De mate waarin iemand
fantasierijk, artistiek en intellectueel is
– Voorspellers van trainingscapaciteiten
© Pearson Education Benelux, 2003
14-15
Persoonlijkheden (verv.)
Emotionele intelligentie (EQ)
– Een verzameling van non-cognitieve vaardigheden en capaciteiten die
invloed hebben op iemands mogelijkheden om om te gaan met wat de
omgeving vraagt
• Zelfbewustzijn – De mogelijkheid om je bewust te zijn van wat je
voelt
• Zelfbeheersing – De mogelijkheid om de eigen emoties en impulsen
te beheren
• Zelfmotivatie – De mogelijkheid om vol te kunnen houden bij
tegenslagen of mislukkingen
• Empathie – De mogelijkheid om je in het gevoelsleven van anderen
in te leven
• Sociale vaardigheden – De mogelijkheden om met de emoties van
anderen om te gaan
– EQ is op alle organisatieniveaus gerelateerd aan prestaties
• Met name relevant voor de prestaties in functies waarin sociale
interactie belangrijk is
© Pearson Education Benelux, 2003
14-16
Persoonlijkheden (verv.)
Gedrag voorspellen op basis van persoonlijkheid
– Locus of control
• Intern – De mate waarin mensen denken dat ze hun eigen lot in
handen hebben
• Extern – De mate waarin mensen denken dat hun lot door
externe invloeden wordt beheerst
– Minder tevreden met en betrokken bij hun werk
– Grotere afstand tot hun werkomgeving
– Machiavellisme – Mensen die sterk machiavellistisch zijn,
• zijn pragmatisch, houden emotionele afstand en geloven dat het
doel de middelen heiligt;
• zijn productief in taken waarbij men moet onderhandelen en
waarbij de beloning hoog kan zijn.
© Pearson Education Benelux, 2003
14-17
Persoonlijkheden (verv.)
Gedrag voorspellen op basis van persoonlijkheid (verv.)
– Zelfachting – De mate waarin iemand waardering voor zichzelf
heeft
• Gerelateerd aan de verwachting van succes
• Mensen met veel zelfachting
– nemen risico’s met het kiezen van hun werk;
– scheppen meer voldoening in hun werk.
• Mensen met weinig zelfachting laten zich eerder beïnvloeden
door hun sociale omgeving
– Zelftoezicht – Iemands mogelijkheden om zijn of haar gedrag aan
te passen aan externe factoren en verschillende situaties
• Mensen met veel zelftoezicht kunnen op het werk en thuis
‘twee verschillende levens’ leiden
© Pearson Education Benelux, 2003
14-18
Persoonlijkheden (verv.)
Gedrag voorspellen op basis van persoonlijkheid (verv.)
– Risicobereidheid – Beïnvloedt de tijd die iemand nodig heeft om een
beslissing te nemen
• Hoeveel informatie heeft iemand nodig voordat hij of zij een keuze
kan maken?
Persoonlijkheden in verschillende culturen
– De cultuur van een land kan bepalen wat de dominante
persoonlijkheidskenmerken van de mensen uit dat land zijn
– Nationale culturen verschillen bijvoorbeeld wat betreft de locus of
control
De gevolgen voor managers
– Iemands persoonlijkheid moet aan de juiste functie worden gekoppeld
• Resulteert in meer voldoening in het werk en een lager
personeelsverloop
© Pearson Education Benelux, 2003
14-19
Figuur 14.4: Holland’s typologie van persoonlijkheden en voorbeeldfuncties
© Pearson Education Benelux, 2003
14-20
Waarneming
Definitie
– Het proces waarbij mensen betekenis geven aan hun omgeving
door hun zintuiglijke indrukken te organiseren en interpreteren
• Niemand van ons ziet de echte realiteit
• We interpreteren wat we zien en noemen dit ‘realiteit’
Factoren die de waarneming beïnvloeden
– De waarnemer – De persoonlijkheidskenmerken van de
waarnemer
• Instelling, persoonlijkheid, ervaring, verwachtingen
– Het doel van de waarneming – De relatie tussen het doel en de
achtergrond
– De situatie – Tijd, locatie, licht, kleur en andere
omgevingsfactoren
© Pearson Education Benelux, 2003
14-21
Figuur 14.5: Wat zie je?
© Pearson Education Benelux, 2003
14-22
Waarneming (verv.)
De attributietheorie
– Een theorie waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom we
mensen op een bepaalde manier beoordelen, afhankelijk van de
betekenis die we aan een bepaalde handelwijze geven
• Het ontwikkelen van verklaringen waarom mensen zich op een
bepaalde manier gedragen
– Interne factoren – Gedrag dat door de persoon kan worden
gestuurd
– Externe factoren – Gedrag dat het resultaat is van
beperkingen uit de omgeving
» Bijvoorbeeld toeval, regels, gebruiken
© Pearson Education Benelux, 2003
14-23
Waarneming (verv.)
De attributietheorie (verv.)
– Oorzaak van gedrag wordt bepaald door:
• Kenmerkendheid – Of iemand een bepaald gedrag in veel
situaties of alleen in een specifieke situatie laat zien
– Minder kenmerkendheid leidt tot interne attributie
• Conformiteit – Het gedrag van anderen in dezelfde situatie
– Meer conformiteit leidt tot externe attributie
• Consistentie – De regelmaat waarmee iemand bepaald gedrag
tentoonspreidt
– Meer consistentie leidt tot interne attributie
© Pearson Education Benelux, 2003
14-24
De attributietheorie
Interpretatie
Attributie
van oorzaak
Observatie
Meer
Extern
Minder
Intern
Meer
Extern
Minder
Intern
Meer
Intern
Minder
Extern
Kenmerkendheid
Individueel
gedrag
Conformiteit
Consistentie
© Pearson Education Benelux, 2003
14-25
Waarneming (verv.)
De attributietheorie (verv.)
– Fouten en vooroordelen kunnen de attributie verstoren
• De fundamentele attributiefout – De neiging om het
gedrag van anderen te verklaren door:
– De invloed van interne factoren de overschatten
– De invloed van externe factoren te onderschatten
• Zelfzuchtig vooroordeel – Persoonlijk succes wordt
aan interne factoren geweten
– Persoonlijk falen wordt aan externe factoren
geweten
© Pearson Education Benelux, 2003
14-26
Waarneming (verv.)
Anderen versneld beoordelen
– Maakt de taak van waarneming eenvoudiger
• Kan handig zijn, maar conclusies hoeven niet de juiste
te zijn
– Selectie – Het kiezen van kleine stukjes uit de grote
hoeveelheden indrukken die iemand opvangt, afhankelijk
van de eigen interesses, achtergrond en instelling
– Aangenomen gelijkheid – De overtuiging dat anderen op
onszelf lijken
– Stereotyperen – Het beoordelen van iemand op basis van
de groep waartoe die persoon behoort
– Halo-effect – Een algemene indruk van iemand die
gevormd is op basis van een enkele karaktertrek
© Pearson Education Benelux, 2003
14-27
Gedrag aanleren
Definitie
– Een permanente verandering van gedrag ten gevolge van ervaring
– Bijna al het complexe gedrag is aangeleerd
Operante conditionering
– Stelt dat gedrag een functie van de gevolgen van dat gedrag is
– Beschrijft natuurlijk of aangeleerd gedrag
– Bekrachtiging versterkt een bepaald gedrag en vergroot de kans dat
dat gedrag zal worden herhaald
• Prettige gevolgen van een bepaald gedrag zorgen ervoor dat de
frequentie van dat gedrag wordt verhoogd
© Pearson Education Benelux, 2003
14-28
Gedrag aanleren (verv.)
Het sociale leerproces
– Leren door anderen te observeren en dingen direct te ervaren
– De invloed van dit model wordt bepaald door:
• Aandachtsprocessen – Mensen leren alleen van een rolmodel
als ze aandachtig genoeg zijn om bepaalde kenmerken van die
persoon te zien
• Retentieprocessen – De invloed van een rolmodel is
afhankelijk van hoe goed iemand de handelswijze van het
rolmodel onthoudt
• Reproductieprocessen – Nadat iemand het gedrag van een
rolmodel heeft bekeken, moet dit in daden worden omgezet
• Bekrachtigingprocessen – Iemand zal het gedrag van het
rolmodel willen tentoonspreiden als die persoon ervoor wordt
beloond
© Pearson Education Benelux, 2003
14-29
Gedrag aanleren (verv.)
Gedragsvorming
– Het systematisch bekrachtigen van elke stap in iemands leerproces
om hem of haar in de richting van een gewenst gedragspatroon te
leiden
– Gedragsvorming wordt bewerkstelligd door:
• Positieve bekrachtiging – De gewenste reactie wordt gevolgd
door iets plezierigs
• Negatieve bekrachtiging – De gewenste reactie wordt gevolgd
door het weghalen van iets onplezierigs
• Bestraffing – De ongewenste reactie wordt gevolgd door iets
onplezierigs
• Verzwakking – De ongewenste reactie wordt door geen enkele
bekrachtiging gevolgd
© Pearson Education Benelux, 2003
14-30
Gedrag aanleren (verv.)
De gevolgen voor managers
– Beheers het leerproces van werknemers met behulp van
beloningen
• Positieve en negatieve bekrachtiging versterkt gewenst
gedrag
– Lijken de frequentie van dit gedrag te verhogen
• Bestraffing en verzwakking verzwakken ongewenst
gedrag
– Lijken de frequentie van dit gedrag te verlagen
– De manager moet het goede voorbeeld geven en gewenst
gedrag tonen
© Pearson Education Benelux, 2003
14-31
Download