Radiotherapie bij oligometastasen

advertisement
2
OVERZICHTSARTIKELEN
Radiotherapie bij oligometastasen
Radiotherapy for oligometastases
drs. G. Griffioen1, dr. M. Dahele2, dr. C. Haasbeek2 en prof. dr. B. Slotman3
Samenvatting
Summary
De radicale behandeling van beperkt volume ‘oligogemetastaseerde’ kanker door middel van hoge dosis
radiotherapie kan leiden tot een grote kans op lokale
controle. Niet-gerandomiseerde studies suggereren dat
deze behandeling bij een deel van de patiënten ook is
geassocieerd met een langdurige overleving. In afwachting van de resultaten van de spaarzame gerandomiseerde studies op dit gebied, stellen wij een pragmatische aanpak bij deze patiëntengroep voor. Deze is
gebaseerd op multidisciplinaire evaluatie en discussie
met de patiënt over het beperkte bewijs en eventuele
alternatieve opties, de mogelijke winst, de onzekerheid
over het effect op de levensverwachting en de mogelijke
bijwerkingen van de behandeling.
(Ned Tijdschr Oncol 2014;11:51-8)
The radical treatment of limited volume ‘oligometastasized cancer’ with high doses of radiotherapy can achieve
a high probability of local control. Non-randomized studies
suggest that in some patients this treatment strategy is
associated with promising survival. In the absence of
randomized studies, we present a pragmatic approach
for this patient group. This is based on multidisciplinary
evaluation and discussion with the patient of the limited
evidence and alternative options, possible benefits, uncertainty about the effect on prognosis, and toxicity of
the treatment.
Inleiding en definitie van oligometastasen
De behandeling van patiënten met oligometastasen is
een opkomend, snel evoluerend en controversieel onderwerp in de dagelijks oncologische praktijk. Het begrip
‘oligometastasen’ werd voor het eerst als apart ziektestadium van kanker benoemd door Hellman en Weischelbaum in 1995.1 Met deze term wordt een stadium beschreven tussen gelokaliseerde kanker en uitgebreide
metastasering, waarbij zowel het aantal metastasen als
het aantal organen waarin deze metastasen zich bevinden
nog beperkt is. Het belang van het vaststellen van een
oligogemetastaseerde situatie is dat een effectieve lokale
behandeling van deze metastasen tot een betere prognose
kan leiden. Bij sommige van deze patiënten behoort genezing, of tenminste langdurige overleving, tot de mogelijkheden.2 Een radicale behandeling van oligometastasen,
in plaats van symptomatische behandeling met bijvoorbeeld alleen chemotherapie of conventioneel gedoseerde
radiotherapie, wordt steeds populairder. Voor sommige
metastasen is deze nieuwe benadering zelfs al in landelijke protocollen opgenomen. Voorbeelden zijn de resectie
van levermetastasen bij het colorectaal carcinoom en de
stereotactische bestraling van hersenmetastasen.3
Het begrip ‘oligometastasen’ is voor de meeste primaire
tumoren nog niet eenduidig gedefinieerd. In de meeste
gevallen wordt uitgegaan van maximaal 5 metastasen,
onafhankelijk van het type primaire tumor. Een probleem van deze simpele, alleen op aantal metastasen
gebaseerde aanpak is dat veel patiënten toch snel progressie blijken te hebben op andere locaties en daardoor
geen voordeel hebben gehad van de agressieve behandeling. Niet-optimale diagnostische criteria, inclusief nog
onbekende moleculaire kenmerken, en over-optimistische
artsen zijn enkele mogelijke redenen waarom relatief
weinig patiënten momenteel correct als echt ‘oligogemetastaseerd’ worden geïdentificeerd.4
1
arts-onderzoeker, 2radiotherapeut-oncoloog, 3radiotherapeut-oncoloog en afdelingshoofd, afdeling Radiotherapie, VU medisch centrum. Corres-
pondentie graag richten aan dhr. dr. M. Dahele, radiotherapeut-oncoloog, afdeling Radiotherapie, VU medisch centrum, De Boelelaan 1117, 1081
HV Amsterdam, tel.: 020 444 04 14, e-mailadres: [email protected]
Belangenconflict: de afdeling radiotherapie van VU medisch centrum heeft een ‘Master Research Agreement’ met Varian Medical Systems en
BrainLAB AG. Financiële ondersteuning: M. Dahele en B. Slotman hebben tegemoetkomingen ontvangen van Varian Medical Systems en BrainLAB
AG voor congreskosten/honoraria.
Trefwoorden: oligometastasen, radiotherapie, stereotactisch
Keywords: oligometastases, radiotherapy, stereotactic
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
51
OVERZICHTSARTIKELEN
A
B
Figuur 1. Stereotactische radiotherapie voor een solitaire FDG-PET-positieve para-aortale lymfekliermetastase na een
eerdere nefrectomie rechts (1A). In dit geval werden 8 fracties van 7,5 Gray voorgeschreven, met dekking van het grootste
deel van het doelgebied en verdere dosisescalatie binnen de lymfeklier. De individuele lijnen representeren specifieke (iso)
doses (buitenste lijnen lager dan de binnenste lijnen). Met intensiteitgemoduleerde radiotherapie buigt de dosis rond de
resterende linkernier en ureter voor het relatief sparen van deze kritieke organen. De radiotherapie vindt beeldgestuurd
plaats met een hoge precisie. Figuur 1B toont een ‘cone-beam’ CT (CBCT)-beeld gemaakt met het bestralingstoestel op
het tijdstip van behandeling, dat wordt gebruikt om de patiënt te positioneren. Verschillende structuren, zoals het doelgebied
(lymfeklier), nier en ureter (binnen de zwarte lijn) zijn zichtbaar op CBCT. Een FDG-PET-CT-scan 15 maanden na bestraling
toonde geen opname meer ter plaatse van de laesie of elders in het lichaam.
In het VU medisch centrum is met de introductie van
‘stereotactic body radiotherapy’ in 2003 ook een start
gemaakt met de behandeling van patiënten met oligometastasen in onder meer longen, lever, wervels en lymfeklieren, en vinden verwijzingen plaats vanuit een groot
aantal Nederlandse ziekenhuizen. Ondanks dat het totale
aantal patiënten relatief klein is in vergelijking met andere
standaardindicaties voor radiotherapie, neemt dit elk jaar
toe. In dit korte overzicht wordt een introductie gegeven
over de literatuur betreffende radicale radiotherapie van
oligometastasen, wordt ingegaan op een aantal nieuwe
ontwikkelingen op dit terrein en afgesloten met een aantal
praktische suggesties. Omdat de behandeling van oligometastasen een breed onderwerp is, was het noodzakelijk
ons te beperken tot een selectie van de literatuur.
Initiële ervaringen
Chirurgie heeft een lange geschiedenis in de radicale
behandeling van metastasen, waarbij de literatuur over
het verwijderen van metastasen meer dan 100 jaar terug
gaat. Een van de eerste pogingen om een longmetastase
chirurgisch te verwijderen, wordt toegeschreven aan
Sedillot in 1855, die bij resectie van een tumor in de
thoraxwand ook een longmetastase meenam. In de jaren
80 en 90 van de vorige eeuw werden grote chirurgische
registratiestudies gepubliceerd, die een duidelijk verband
aantoonden tussen de chirurgische resectie van long(>5.000 patiënten met verschillende primaire tumoren)
en levermetastasen (>800 patiënten met colorectaal tumoren) en een lange overleving.5,6 Ongeveer een derde
van de patiënten in deze niet-gerandomiseerde studies
52
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
was na 5 jaar nog in leven. Uit de registratiestudie voor
longmetastasen kwam ook een aantal gunstige prognostische factoren naar voren, waaronder complete resectie,
kiemceltumoren, een ziektevrije periode ≥36 maanden
na initiële diagnose en het hebben van een solitaire metastase.5 De studie naar chirurgie voor levermetastasen
toonde de volgende prognostische factoren voor een
betere overleving: ziektevrij interval >12 maanden, 1-2
metastasen, kleiner volume van de metastasen, lager
stadium van de primaire tumor, een ruimere resectiemarge, en de afwezigheid van pathologische lymfeklieren
en synchrone extra-hepatische metastasen.6
Deze en andere studies steunen de nu gangbare hypothese dat er een groep patiënten is, die ondanks de aanwezigheid van metastasen, toch een langere overleving
kunnen behalen met lokale behandeling. Deze goede
resultaten hebben er bovendien toe geleid dat er vrijwel
geen gerandomiseerde studies op dit gebied zijn verricht, onder meer omdat sommigen dit inmiddels als
onethisch beschouwden.
Radiotherapie voor oligometastasen
Als alternatief voor chirurgie zijn er ook andere modaliteiten voor de lokale, radicale behandeling van metastasen,
waaronder radiotherapie. In eerste instantie betrof het
met name de behandeling van hersenmetastasen met
stereotactische radiochirurgie, waarbij in 1 bestralingsfractie een hoge dosis straling met hoge precisie wordt
toegediend.7 Maar al snel werden ook extracraniële metastasen met stereotactische radiotherapie (‘stereotactic
body radiotherapy’ [SBRT] of ‘stereotactic ablative radioJaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
2
therapy’ [SABR]) behandeld, waarbij een hoge dosis in
een klein aantal (maximaal 5-8) bestralingsfracties wordt
gegeven (voorbeeld in Figuur 1).8 Dat dit effectief is voor
verschillende soorten intra- en extracraniële metastasen
werd in de jaren 90 al gerapporteerd, onder andere in 2
publicaties van het Karolinska Hospital. De studies
toonden een lokale controle van 80% voor extracraniële
metastasen en >90% voor intracraniële metastasen.7,8
Vele andere, met name retrospectieve of prospectieve fase
I/II, studies volgden voor metastasen in verschillende
organen. Een selectie van deze studies wordt getoond
in Tabel 1, pagina 54.9-19 Meer conventioneel gefractioneerde radiotherapie met een hogere totaaldosis, gegeven
in meerdere fracties (bijvoorbeeld 15-20 of meer), en
met hoge precisie, kan in sommige gevallen een goed
alternatief zijn, bijvoorbeeld in de nabijheid van kritieke
structuren of afhankelijk van de beschikbare radiotherapeutische technieken.16,20
De gegevens in Tabel 1 laten zien dat er goede resultaten
kunnen worden behaald met behulp van radicale radiotherapie van oligometastasen. In deze geselecteerde studies
is de lokale controle van de bestraalde laesies goed en de
toxiciteit van de behandeling is beperkt. Een recent overzichtsartikel toont, met behulp van de gewogen resultaten
van meerdere studies, dat rond 20% van de behandelde
patiënten ziektevrij is na een follow-up van 17-48 maanden.
Dit ondersteunt de gedachte dat radicale radiotherapie
voor een deel van de patiënten een gunstig effect heeft
op hun ziektebeloop.21 In alle genoemde studies is het
merendeel van de patiënten echter behandeld voor
slechts 1 of 2 metastasen en gegevens over de kwaliteit
van leven na deze behandeling zijn beperkt. Daarnaast
ontbreken gerandomiseerde studies of andere studies met
een goede controlegroep. Dit maakt het lastig om te bepalen of de behandeling, naast een goede lokale controle,
ook daadwerkelijk een verbetering in overleving geeft.
Prognostische factoren
Aangezien slechts een deel van de behandelde patiënten
langdurig baat lijkt te hebben bij de radicale behandeling
van de oligometastasen, speelt selectiebias waarschijnlijk
een belangrijke rol bij de goede uitkomsten. De volgende
prognostische factoren zijn mogelijk van belang bij het
selecteren van geschikte patiënten.
Primaire tumor en lokalisatie van de metastasen
Uit een aantal publicaties komt naar voren dat bepaalde
primaire tumoren een betere overleving laten zien. In
een studie hadden patiënten met oligometastasen van
borstkanker een betere prognose ten opzichte van patiënten met oligometastasen van long- of coloncarcinoom.18
Dit lijkt ook te gelden voor metastasen binnen hetzelfde
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
orgaan. Patiënten met levermetastasen van een colorectaal
of mammacarcinoom hebben bijvoorbeeld een betere
overleving dan patiënten met levermetastasen van long- en
ovariumcarcinoom.11 Daarnaast zijn er mogelijk patiëntengroepen die door bepaalde mutaties een andere prognose
hebben bij gemetastaseerde ziekte dan de patiënten met
dezelfde soort kanker zonder mutatie. Denk hierbij aan
patiënten met longkanker en een EGFR-mutatie of patiënten
met mammacarcinoom en een positieve HER2-receptor.22,23
Ziektevrij interval, grootte van en aantal metastasen
Zoals eerder gezien bij chirurgische studies hebben bestraalde patiënten met een langer ziektevrij interval tussen
de diagnose van de primaire tumor en de metastasen
een gunstigere overleving.5,6,24,25 Ook een kleiner volume
en een kleiner aantal metastasen lijkt geassocieerd met
een betere overleving.14,18,19,26
Radiatiedosis
Ten slotte lijken ook patiënten waarbij een hogere bestralingsdosis is gegeven een betere lokale controle te
hebben en daardoor een hogere kans op een verbeterde
prognose.21,27-29
De optimale dosis op verschillende locaties is nog niet
helemaal uitgewerkt en, zoals te zien is in Tabel 1, worden
er meerdere bestralingsschema’s gebruikt.21,28,29 Een belangrijke reden hiervoor is het verschil in de tolerantie
voor radiotherapie van de omliggende gezonde weefsels,
die afhankelijk is van de locatie van de metastase.30
Ontwikkelingen
Combinatie met systemische therapie
De optimale timing en combinatie van lokale en systemische therapie is nog niet goed onderzocht. Onderzoek
naar patiënten met gemetastaseerde ziekte die alleen
met systemische therapie zijn behandeld, laat zien dat
ook een deel van deze patiënten een lange overleving
kunnen hebben.31 Hierdoor rijst de vraag of de lange
overleving nu wordt bereikt door de lokale behandeling,
door de systemische behandeling of door een combinatie
van beide. In de dagelijkse praktijk, om meer toxiciteit
te voorkomen, wordt chemotherapie gestopt tijdens stereotactische radiotherapie.10,11,14,16,18 Bij sommige patiënten
kan systemische therapie helemaal worden gestopt als alle
laesies lokaal zijn behandeld.14 Daarnaast kan lokale
therapie mogelijk worden gebruikt om de systemische
therapie uit te stellen als er nog niet was gestart.32 Hormonale behandeling wordt niet altijd gestopt tijdens
radiotherapie.16,18 De praktijk met zogenoemde ‘targeted
therapy’ is een evoluerende situatie, waarbij de bijwerkingen van de combinatie met stereotactische radiotherapie
nog niet goed bekend zijn.33,34 Op dit moment wordt dit
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
53
OVERZICHTSARTIKELEN
Tabel 1. Geselecteerde studies van radiotherapie bij oligometastasen met een focus op stereotactische radiotherapie.
Studie/anatomische locatie
Studieopzet
Populatie
Histologie
Interventie
Interval vanaf
diagnose
primaire tumor
Totale dosis/fractie
Andrews et al.
2004 [9]
Hersenen
fase III, RTOG 9508
333 pt/536 metastasen
56% pt met solitaire metastase
ongeveer 3/4 pt met primaire
tumor gecontroleerd/‘afwezig’
ongeveer 2/3 pt met extracraniële metastasen
variabel
WBRT vs.
WBRT +
SRS
niet bekend
WBRT = 37,5 Gy/15 fracties
SRS = 15, 18 of 24 Gy/1 fractie
Lee et al.
2009 [10]
Lever
prospectief fase I, dosisescalatiestudie
68 pt/mediaan 1 metastase
(1-8)
53% pt met ziekte buiten lever
variabel
SBRT
mediaan 2,5 jaar
(0,4-10,9)
mediaan 41,4 Gy (27,7-60)/
6 fracties
Rusthoven et al.
2009 [11]
Lever
prospectief
fase I-II, dosisescalatie
47 pt/63 metastasen
45% pt met ziekte buiten lever
72% pt systemische therapie
na SBRT
variabel
SBRT
mediaan 22,7 m
(0-236)
ongeveer 3/4 pt 60 Gy/3 fracties
Siva et al.
2010 [12]
Long
systematische review
SBRT = 334 pt/564
metastasen (13 studies)
SRS = 148 pt/175
metastasen
(6 studies)
variabel
SBRT/SRS
niet bekend
SBRT = 33 Gy/6 fracties tot 60 Gy/
3 fracties
SRS = 15-30 Gy/1 fractie
Casamassima
et al. 2012 [13]
Bijnier
retrospectief
48 pt/58 metastasen
(10 pt = bilateraal)
variabel
50% primaire
long
SBRT (n=40
pt)/SRS
(n=8 pt)
mediaan 37,2 m
(0-132)
SBRT = gemiddelde 12,1 Gy/
1 fractie, met totaal 34,9 Gy
SRS = gemiddelde 23,5 Gy/1 fractie
Bignardi et al.
2011 [14]
Abdominale
lymfeklieren
institutionele analyse
19 pt/11 pt solitaire
metastase, 8 pt met ‘oligometastasen’ op diverse
locaties
variabel
SBRT
niet bekend
36-45 Gy/6 fracties
Gerstzen et al.
2007 [15]
Spinaal
prospectief institutionele
analyse
393 pt/500 metastasen
variabel
SRS
niet bekend
gemiddelde dosis
20 Gy (12,5-25 Gy)/1 fractie
Wang et al.
2012 [16]
Spinaal/paraspinaal
prospectief fase I-II
149 pt/66 metastasen (niet alle
laesies met uitbreiding in de
wervels)
variabel
(1/3 nier)
SBRT
niet bekend
totale dosis 27-30 Gy/typische
3 fracties
Guckenberger
et al. [17]
Spinaal/paraspinaal
retrospectief institutionele
analyse
KPS ≥70
6 pt postoperatieve radiotherapie
14 pt = 12 spinaal +
2 para-spinaal/
16 laesies
variabel
IG-IMRT
0-30,2 jaar voor
pt met spinale
metastasen
mediaan dosis/fracties = 58 Gy/
20 fracties
Salama et al.
2012 [18]
Meerdere locaties
prospectief, dosisescalatie
ECOG≤2
1-5 extracraniële metastasen niet eerder bestraald
61 pt/113 metastasen
variabel
SBRT
mediaan 11,6 m
(0-302)
24-48 Gy/3 fracties
Milano et al.
2012 [19]
Meerdere locaties
prospectief
KPS ≥70
1-5 extracraniële
metastasen
121 pt/293 metastasen
(7 hersenmetastasen;
286 extracraniële)
variabel
SBRT
niet bekend
50 Gy/10 fracties
ECOG=Eastern Cooperative Oncology Group, FU=controleperiode, IG-IMRT=beeldgeleide intensiteitgemoduleerde radiotherapie, KPS=Karnofsy performance score, m=maanden,
MRI=magnetische resonantiebeeldvorming, OS=overleving, pt=patiënten, SBRT=extracraniële stereotactische radiotherapie, SRS=stereotactische radiochirurgie (een fractie),
WBRT= radiotherapie van totale hersenen.
54
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
2
Algehele overleving
Lokale controle
Toxiciteit
Opmerkingen
mediaan OS WBRT vs.
WBRT + SRS
‘overall’ = 5,7 vs. 6,5 m
(p=0,14); een metastase
= 4,9 vs. 6,5 m (p=0,04);
alleen hersenmetastasen =
8,6 vs. 10,2 m (p=0,52)
1 jaar = 82% vs. 71%
(p=0,01)
acute en late toxiciteit vergelijkbaar in beide
groepen
patiënten in SRS-groep met een metastase, RPA-klasse 1 of
waarvan de grootste metastasen >2 cm was, hadden bovendien een betere overleving volgens univariabel analyse. RPA
1 en histologie (plaveiselcel/niet-kleincellig) waren significante
factoren bij MVA. 2-jaars-OS ongeveer 15% in WBRT = SRSgroep (vs. ongeveer 10% met WBRT)
mediaan OS = 17,6 m,
2-jaars-OS ongeveer 40%
mediaan FU = 10,8 m
1 jaar = 71%
geen bestraling-geïnduceerde leverziekte (RILD)
graad 2 ribfracturen = 2 pt
late graad 4 toxiciteit = 2 pt (1 x duodenumbloeding; 1 x dunnedarmobstructie door herniatie)
late graad 5 = 1 pt (dunnedarmobstructie door
tumoringroei)
patiënten waren inoperabel en kwamen niet in aanmerking
voor ‘standaardtherapie’
patiënten met een kleiner tumorvolume (<75,2 ml) en hogere
dosis hadden een significant betere lokale controle op
univariabele analyse
geen chemotherapie 2 weken voor tot 4 weken na SBRT
mediaan OS = 20,5 m
2-jaars-OS = 30%
mediaan FU = 16 m
1 jaar = 95%
2 jaar = 92% (94% laesies
bestraald met 60 Gy; 100%
vs. 77% voor maximale
diameter ≤3 vs. >3 cm)
geen graad 4-5 toxiciteit
late graad 3 = 1 pt met huiddefect waarvoor
chirurgisch ingrijpen en op proef hyperbare
zuurstoftherapie
mediaan OS met ‘ongunstige’ histologie (long-, ovarium-,
niet-colorectaal gastro-intestinale tumoren) was significante
slechtere vs. ‘gunstige’ histologie (inclusief borst, colorectaal,
nier, sarcoom) = 12 vs. 32 m (p<0,001)
geen chemotherapie 14 dagen voor en na SBRT
SBRT = ‘weighted’ 2-jaarsOS 53,7%
SRS = 50,3%
mediaan FU SBRT = 8,2-44 m
en SRS = 9-22 m
SBRT = ‘weighted’ 2-jaars
lokale controle 77,9%
SRS = 78,6%
SBRT = ‘weighted’ graad ≥3, 2,6%
1 pt met graad 5 oesofagusnecrose
SRS = geen graad 4-5 toxiciteit
voor de rest voornamelijk radiatiepneumonitis
diverse doseringen en fractioneringsschema’s = geen duidelijke
consensus over optimale behandeling
effect van volume op lokale controle onzeker
1-jaars-OS = 39,7%
2-jaars-OS = 14,5%
mediaan FU = 16,2 m
1 jaar = 90%
2 jaar = 90%
geen graad ≥3
1 pt met graad 2 bijnierinsufficiëntie
geen significant prognostische factoren, misschien secundair
aan weinig incidenten
1-jaars-OS = 93,3%
2-jaars-OS = 93,3%
mediaan FU = 12 m
1 jaar = 77,8%
2 jaar = 77,8%
geen graad 4-5 toxiciteit
1 pt met graad 3 darmklachten, misschien van
abdominale adhesies (ook eerder abdominale
chirurgie)
1/2 pt met tumordiameter >3 cm
geen chemotherapie voor ten minste 3 weken voor SBRT en
ingehouden tot progressieve ziekte
mediaan FU = 21 m
‘long-term imaging’ lokale
controle 88%
geen neurologische toxiciteit
mediaan tumorvolume 29 cm3
bij 344 pt was de metastase al eerder bestraald
mediaan OS = 23 m
2-jaars-OS = 46,4%
mediaan FU = 15,9 m
1 jaar lokale controle op
MRI = 80,5%
2 jaar = 72,4%
geen myelumtoxiciteit
geen graad 4-5 toxiciteit
graad 3 inclusief misselijkheid, braken, diarree,
vermoeidheid (alle n=1) en borstpijn (niet cardiaal,
n=3)
mediaan tumorvolume 38,2 cm3
ongeveer 2/3 pt eerder behandeld op zelfde locatie
(radiotherapie/chirurgie)
significante vermindering pijn en ook opioïde pijnstillers
geen chemotherapie voor ten minste 30 dagen voor SBRT
(hormonale therapie/bisfosfonaten toegestaan)
1-jaars-OS = 85%
2-jaars-OS = 63%
mediaan FU = 17 m
2 jaar = 88%
geen late toxiciteit met graad >2
hogere dosis door middel van gefractioneerde bestraling is
ook effectief
1-jaars-OS = 81,5%
2-jaars-OS = 56,7%
mediaan FU = 20,9 m
1 jaar = 67,2%
2 jaar = 52,7%
geen graad 4-5 toxiciteit
gemiddeld 2 laesies/pt (55% 1 laesie)
27% van pt geen nieuwe gemetastaseerde locaties tijdens FU
geen chemotherapie ‘tijdens’ SBRT (hormonale therapie
toegestaan)
mamma vs. non-mamma OS
2 jaar = 74% vs. 39%
4 jaar = 54% vs. 16%
6 jaar = 47% vs. 9%
mediaan FU mammagroep
4,5 jaar; non-mamma 1,7 jaar
mamma vs. non-mamma
2 jaar = 87% vs. 74%
4 jaar = 87% vs. 68%
6 jaar = 87% vs. 65%
geen graad 4-5 toxiciteit
1 pt met graad 3 non-maligne
pleurale en cardiale effusie
analyse mamma vs. non-mamma
in de non-mammagroep tumorvolume prognostisch voor de
lokale controle
in de mammagroep alle botlaesies gecontroleerd tijdens
controleperiode
38% mamma- en 62% non-mammapatiënten levend >4 jaren
SBRT voor lokale progressie/nieuwe laesies
progressieve ziekte op systemische therapie voor SBRT is een
negatief-prognostische factor
ECOG=Eastern Cooperative Oncology Group, FU=controleperiode, KPS=Karnofsy performance score, m=maanden, MRI=magnetische resonantiebeeldvorming, OS=overleving,
pt=patiënten, SBRT=extracraniële stereotactische radiotherapie, SRS=stereotactische radiochirurgie (een fractie), WBRT= radiotherapie van totale hersenen.
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
55
OVERZICHTSARTIKELEN
A
B
Figuur 2. Stereotactische radiotherapie voor een solitaire choline-PET-positieve wervelmetastase van prostaatkanker. In
dit geval is gekozen voor 3 fracties van 10 Gray (Gy) in plaats van bijvoorbeeld 1 fractie van 20 Gy, om de geschatte biologische equivalente dosis in het normale weefsel te verminderen bij een zelfde biologisch equivalente dosis op de tumor.45
De contouren in de axiale coupe (2A) tonen slokdarm/maag en ook de linkernier. Het schaduwrijke gebied is representatief
voor een totale dosis van ten minste 24 Gy in 3 fracties. Deze dosis ligt buiten het spinale kanaal (2A + B) dat relatief wordt
gespaard. Controle was gebaseerd op prostaatspecifiek antigeen (PSA) en helaas werd binnen een jaar na behandeling
een verhoogd PSA gezien. Op een nieuwe choline-PET-CT werden meerdere metastasen buiten het (lokale gecontroleerde) bestraalde gebied gevonden.
in ons centrum niet gelijkertijd gegeven en wordt gedurende een korte periode voor en na bestraling gestopt.
Varianten van oligogemetastaseerde ziekte
In plaats van slechts een onderscheid te maken op
grond van het aantal metastasen, worden tegenwoordig
ook specifieke patiëntengroepen met oligometastasen
geïdentificeerd.21,35
1. Patiënten die zich presenteren met een beperkt aantal
metastasen en waarbij de primaire tumor nog niet is
behandeld (synchrone oligometastasen).20,36,37
2. Patiënten waarbij de primaire tumor eerder is behandeld
en bij wie daarna oligometastasen worden gediagnos ticeerd (metachrone oligometastasen of oligorecidief).
Deze groep zou bovendien nog kunnen worden op gedeeld in de patiënten bij wie de primaire tumor onder
controle is en bij wie de primaire tumor progressief is.35
3. Patiënten die eerder (oligo)metastasen hadden, die zijn
behandeld, en bij wie in de follow-up nieuwe oligo metastasen worden gediagnosticeerd (oligoprogressie).34
Recente studies tonen dat ongeveer 80% van de voor
oligometastasen behandelde patiënten (elders) ziekte progressie vertoont en dat bij een deel van deze pa tiënten de progressie beperkt blijft qua aantal en locatie
van metastasering.18,19,21 In deze situatie is opnieuw
radicale behandeling bij geselecteerde patiënten ge associeerd met goede resultaten.19 Door herhaalde
behandeling van oligometastasen kan in sommige
gevallen wellicht kanker in een chronische ziekte
veranderen. Dit heeft consequenties voor de follow upstrategieën inclusief de periodieke beeldvorming.
56
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
4. Er is ook een groep patiënten met multipele meta stasen bij wie door een respons op systemische therapie
slechts enkele metastasen zichtbaar blijven (oligo persisterende ziekte). Behandeling met stereotactische
radiotherapie is voorgesteld als een strategie om de
behandelresultaten ook bij deze groep te verbeteren.38
Huidige klinische studies
Omdat de meeste gegevens afkomstig zijn van relatief
kleine en niet-gerandomiseerde studies, is voorzichtigheid
geboden ten aanzien van het trekken van conclusies.
Als gerandomiseerde studies niet haalbaar zijn voor bepaalde patiëntengroepen is er zeker ook een rol voor
registratiestudies en gepoolde gegevensanalyses om het
bewijs voor deze behandeling te versterken.39 Naast
overlevingseffecten zijn ook de effecten van behandeling
op kwaliteit van leven, en eventuele kostenvoor- of nadelen vaak niet, of niet helemaal, bekend.
Een zoektocht op www.clinicaltrials.gov met zoektermen
‘oligometastases or oligometastasis or oligometastatic’
levert geen lopende fase III-studies op. Er zijn 13 fase
II-studies, waarvan 1 ook in Nederland patiënten includeert. Dit is de ‘Stereotactic Ablative Radiotherapy for the
Comprehensive Treatment of Oligometastatic disease’
(SABR-COMET)-studie (NCT01446744). In deze studie,
die vanuit het VU medisch centrum en het Cancer Center
in London Ontario, Canada is opgezet, worden patiënten met 1-5 oligometastasen gerandomiseerd tussen de
gebruikelijke palliatieve behandeling (bijvoorbeeld chemotherapie en/of lage dosis radiotherapie), en stereotactische
bestraling van alle metastasen.40
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
2
Twee recente gerandomiseerde studies voor patiënten
met oligometastasen van niet-kleincellig longkanker
(NCT00776100, NCT00887315) zijn gesloten, omdat
er te weinig patiënten werden geïncludeerd. Naar aanleiding van mislukte studies door tegenvallende inclusie
hebben sommige onderzoekers geconcludeerd dat dergelijke studies in de toekomst ook gedoemd zijn om te
mislukken.41 Veel artsen (hoofdbehandelaars, radiotherapeuten, multidisciplinaire teams) en ook patiënten
lijken moeite te hebben met de randomisatie. Een tweede factor die randomisatie in deze patiëntengroep lastig
maakt, is de toenemende beschikbaarheid van radicale
behandeling van metastasen buiten een studieprotocol.
De patiënt hoeft in de praktijk dus niet per se in een
studie om de behandeling te krijgen.
Aanwijzingen voor de praktijk
Voor het behandelen met radiotherapie van patiënten
met oligometastasen buiten een studieprotocol stellen
wij de volgende praktische aanpak voor:
1.Adequate stadiëring, inclusief FDG-PET-CT van het
hele lichaam bij PET-positieve primaire tumoren, ±
MRI-brein (overwegen bij metastasen van tumoren die
frequent naar het brein metastaseren (zoals longkanker)
en/of klinische klachten) en indien mogelijk patho logische bevestiging (inclusief geschikt moleculair
onderzoek).
2.Discussie van de casus in een tumorspecifiek multi disciplinair overleg (MDO), waarin alle behandelings mogelijkheden worden besproken en wordt besloten
wat de beste behandeling is voor deze individuele
patiënt, bijvoorbeeld radiotherapie, systemische the rapie, chirurgie, radio-frequente ablatie (RFA) of ex pectatief beleid. Factoren als eerdere behandelingen,
‘performance-score’, levensverwachting, tumorlocatie en
grootte, en de specifieke risico’s en bijwerkingen van de
interventie moeten worden meegenomen in dit besluit.42
Afhankelijk van de ervaring en waar nodig, overweeg een
second opinion of verwijzing naar een ander instituut.
3.Indien mogelijk, overweeg om een ‘oligometastasen team’ binnen de afdeling Radiotherapie te vormen. De
casus kan hierin nogmaals worden besproken met
betrekking tot de lokale haalbaarheid en richtlijnen.
De beslissing over stereotactische of meer conventio nele radiotherapie is bijvoorbeeld afhankelijk van de
locatie van de metastasen, de omliggende structuren
en eventuele eerdere bestraling in hetzelfde gebied.
4.Discussie met de patiënt over het doel van de bestraling,
de onzekerheid over de winst en het beperkte bewijs.
5.Follow-up in goede afstemming met alle behande laars. Omdat beeldvorming na hoge dosis radiotherapie
soms minder eenvoudig te interpreteren is, kan nieuw
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
overleg met de behandeld radiotherapeut/binnen
een MDO nuttig zijn.43,44
6. Regelmatige beoordeling van de gepubliceerde litera tuur en frequente evaluatie van de eigen resultaten.37
Conclusie
De radicale behandeling van beperkt volume ‘oligogemetastaseerde’ kanker met een hoge dosis radiotherapie
kan een grote kans op lokale controle bieden. Niet-gerandomiseerde studies tonen dat deze behandeling bij
een deel van de patiënten tot een langdurige overleving
kan leiden. De daadwerkelijke invloed van de lokale behandeling op de overleving van de patiënt is momenteel
echter nog onduidelijk en hierdoor bestaat er een duidelijke behoefte aan gerandomiseerde studies, registratiestudies en gepoolde gegevensanalyses. Op dit moment
dient de aanpak gebaseerd te zijn op een multidisciplinaire evaluatie en op een volledige discussie met de patiënt
over het beperkte bewijs, de te verwachten bijwerkingen
en risico’s van de behandeling, en de verwachtingen en
onzekerheden ten aanzien van de mogelijke winst in levensverwachting en kwaliteit van leven.
Referenties
1. Hellman S, Weichselbaum RR. J Clin Oncol 1995;13(1):8-10.
2. Weichselbaum RR, Hellman S. Nat Rev Clin Oncol 2011;8(6):378-82.
3. IKNL. Oncoline. Te raadplegen via www.oncoline.nl (bekeken op 16 september 2013).
4. Crockford A, Jamal-Hanjani M, Hicks J, et al. J Pathol 2014;232(2):264-73.
5. [No authors listed]. The International Registry of Lung Metastases. J Thorac
Cardiovasc Surg 1997;113(1):37-49.
6. [No authors listed]. Registry of Hepatic Metastases Surgery 1988;103(3):
278-88.
7. Kihlström L, Karlsson B, Lindquist C. Stereotact Funct Neurosurg
1993;61(Suppl 1):45-50.
8. Blomgren H, Lax I, Näslund I, et al. Acta Oncol 1995;34(6):861-70.
9. Andrews DW, Scott CB, Sperduto PW, et al. Lancet 2004;363(9422):
1665-72.
10. Lee MT, Kim JJ, Dinniwell R, et al. J Clin Oncol 2009;27(10):1585-91.
11. Rusthoven KE, Kavanagh BD, Cardenes H, et al. J Clin Oncol 2009;
27(10):1572-8.
12. Siva S, MacManus M, Ball D. J Thorac Oncol 2010;5(7):1091-9.
13. Casamassima F, Livi L, Masciullo S, et al. Int J Radiat Oncol Biol Phys
2012;82(2):919-23.
14. Bignardi M, Navarria P, Mancosu P, et al. Int J Radiat Oncol Biol Phys
2011;81(3):831-8.
15. Gerszten PC, Burton SA, Ozhasoglu C, et al. Spine (Phila Pa 1976)
2007;32(2):193-9.
16. Wang XS, Rhines LD, Shiu AS, et al. Lancet Oncol 2012;13(4):395-402.
17. Guckenberger M, Goebel J, Wilbert J, et al. Int J Radiat Oncol Biol Phys
2009;75(3):828-35.
18. Salama JK, Hasselle MD, Chmura SJ, et al. Cancer 2012;118(11):2962-70.
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
57
OVERZICHTSARTIKELEN
19. Milano MT, Katz AW, Zhang H, Okunieff P, et al. Int J Radiat Oncol Biol
2013;11(1):27-32.
Phys 2012;83(3):878-86.
33. Barney BM, Markovic SN, Laack NN, et al. Int J Radiat Oncol Biol Phys
20. De Ruysscher D, Wanders R, Van Baardwijk A, et al. J Thorac Oncol
2013;87(1):73-80.
2012;7(10):1547-55.
34. Yu HA, Sima CS, Huang J, et al. J Thorac Oncol 2013;8(3):346-51.
21. Tree AC, Khoo VS, Eeles RA, et al. Lancet Oncol 2013;14(1):e28-37.
35. Niibe Y, Chang JY. Pulm Med 2012;2012:261096.
22. Mak RH, Doran E, Muzikansky A, et al. Oncologist 2011;16(6):886-95.
36. Lind JS, Lagerwaard FJ, Smit EF, et al. Cancer 2011;117(3):597-605.
23. Dawood S, Hu R, Homes MD, et al. Breast Cancer Res Treat 2011;
37. Griffioen GH, Toguri D, Dahele M, et al. Lung Cancer 2013;82(1):95-102.
126(1):185-92.
38. Rusthoven KE, Hammerman SF, Kavanagh BD, et al. Acta Oncol 2009;
24. Inoue T, Katoh N, Aoyama H, et al. Jpn J Clin Oncol 2010;40(8):788-94.
48(4):578-83.
25. Zhang Y, Xiao JP, Zhang HZ, et al. Chin Med J (Engl) 2011;124(24):
39. Booth CM, Tannock IF. J Clin Oncol 2013;31(26):3298-9.
4132-7.
40. Palma DA, Haasbeek CJ, Rodrigues GB, et al. BMC Cancer 2012;12:305.
26. McCammon R, Schefter TE, Gaspar LE, et al. Int J Radiat Oncol Biol
41. Ruers T, Punt C, Van Coevorden F, et al. Ann Oncol 2012;23(10):2619-26.
Phys 2009;73(1):112-8.
42. Van der Linden YM, Dijkstra SP, Vonk EJ, et al. Cancer 2005;103(2):
27. Hasselle MD, Haraf DJ, Rusthoven KE, et al. J Thorac Oncol 2012;
320-8.
7(2):376-81.
43. Lo SS, Teh BS, Wang JZ, et al. Expert Rev Anticancer Ther 2011;11(4):
28. Mizumoto M, Harada H, Asakura H, et al. Int J Radiat Oncol Biol Phys
613-20.
2011;79(1):208-13.
44. Al-Omair A, Smith R, Kiehl TR, et al. J Neurosurg Spine 2013;18(5):
29. Niibe Y, Kuranami M, Matsunaga K, et al. Anticancer Res 2008;28(6B):
430-5.
3929-31.
45. Guckenberger M, Sweeney RA, Flickinger JC, et al. Radiat Oncol 2011;
30. Milano MT, Constine LS, Okunieff P. Radiat Oncol 2008;3:36.
6:172.
31. Greenberg PA, Hortobagyi GN, Smith TL, et al. J Clin Oncol 1996;
Ontvangen 11 november 2013, geaccepteerd 21 januari 2014.
14(8):2197-205.
32. Berkovic P, De Meerleer G, Delrue L, et al. Clin Genitourin Cancer
58
Nederlands Tijdschrift voor Oncologie
Jaargang 11 - nr. 2 - maart 2014
Download