0 - Slo

advertisement
Bron: www.slo.nl/voortgezet/vmbo/themas/00124/.../download
Introductie op het werkboek
Vakwerkplanontwikkeling
2
INHOUDSOPGAVE
1. Opzet werkboek vakwerkplanontwikkeling
2. Vakwerkplanontwikkeling
3. Aanwijzingen voor de gebruiker
4. Inhouden vakwerkplan
5. Vormgeving van het onderwijs
6. Uitwerken van leerlijnen naar thema´s en themaplannen
Herziene kerndoelen (1998-2003)
Eindtermen vmbo
Eindtermen LO1
4
4
6
8
13
16
30
33
37
3
Introductie op het werkboek vakwerkplanontwikkeling
1. Opzet werkboek vakwerkplanontwikkeling
Wat is de bedoeling van het werkboek?
Het werkboek is gemaakt om je te helpen bij het ontwikkelen van een vakwerkplan voor het
vak lichamelijke opvoeding. Het vertrekpunt hierbij is het invoeren van de
onderwijsvernieuwingen. Wanneer je de stappen in het werkboek volgt, word je geleid langs
de belangrijkste inhoudelijke beslissingen en afspraken die worden vastgelegd in een
vakwerkplan. Een vakwerkplan dat geheel past bij jouw situatie wat betreft visie op het vak,
leerlingenkenmerken, wensen van de sectie, karakter van de school, accommodatie en
materiaal, enz. Kortom, een vakwerkplan op maat.
Voor wie is dit werkboek bestemd?
Het werkboek is geschreven voor elke sectie lichamelijke opvoeding, die op een planmatige
manier de onderwijsvernieuwingen wil invoeren. In het sectieoverleg kan afgesproken
worden wie welk gedeelte van het werkboek gaat invullen. Niet iedereen hoeft alles te doen.
Wat staat er in dit werkboek?
Dit Werkboek vakwerkplanontwikkeling is opgebouwd uit zes delen:
deel I
Startsituatie en beleid
deel II
Visie op het vak
deel III Het programma
deel IV Evaluatie en rapportage
deel V
Vormgeving van het onderwijs
deel VI Bijlagen
2. Vakwerkplanontwikkeling
Waarom een vakwerkplan?
Er is met de invoering van de onderwijsvernieuwingen een toenemende belangstelling voor
het vakwerkplan te constateren. Dat heeft enerzijds te maken met de verplichting van de
school om een schoolwerkplan te maken; daartoe is informatie per vak noodzakelijk en dat
leidt al gauw tot een vakwerkplan. Anderzijds heeft het ook te maken met de toch sterk
levende vraag bij veel docenten: hoe kom ik nu van die (globale) kerndoelen en eindtermen
tot een goed programma? Het is vooral die laatste vraag die ten grondslag ligt aan dit
werkboek. We hebben als 'doevak' het nadeel dat weinig methoden op de markt zijn die 'als
vanzelf' het programma invullen. Elke vaksectie zal zelf aan het werk moeten gaan om een
kwaliteitsvol programma samen te stellen. Wanneer de afspraken, die daarover binnen de
sectie lichamelijke opvoeding worden gemaakt, vastgelegd worden, dan is er sprake van een
vakwerkplan.
4
Het vakwerkplan als draaiboek
We kiezen in dit werkboek dus voor een vakwerkplan als een bundeling van afspraken
binnen de sectie over het wat, hoe en waarom van het programma lichamelijke opvoeding. In
het vakwerkplan staan de inhoudelijke beslissingen van de sectie volgens welke het onderwijs
in de lichamelijke opvoeding gegeven wordt: het vakwerkplan als 'draaiboek'. Naast deze
draaiboekfunctie kan een vakwerkplan nog andere functies vervullen: om verantwoording af
te leggen aan de inspectie, voorlichting te geven aan ouders, informatie te geven aan de
schoolleiding (voor het schoolwerkplan), enz. Het vakwerkplan in de zin van een draaiboek is
niet altijd geschikt om ook al deze andere functies te vervullen. Wel is het zo dat veel
informatie uit het draaiboek gebruikt kan worden om geschikte andere documenten te maken.
Denk aan een voorlichtingsfolder voor ouders, een deelschoolwerkplan voor de
schoolleiding, enz.
Het vakwerkplan als middel, niet als doel
Wie kent niet de verhalen over de prachtige vakwerkplannen die na veel pijn en moeite tot
stand zijn gekomen en na korte tijd vooral mooi liggen te wezen in de kast? Zo'n
vakwerkplan is misschien aardig om te laten zien, maar vervult duidelijk niet zijn centrale
functie als draaiboek. Een goed draaiboek hoort regelmatig geraadpleegd te worden, ziet er
verfrommeld uit en staat vol met aantekeningen. Het is dus een groot misverstand om te
menen dat het hebben van een mooi vakwerkplan garant staat voor goed onderwijs. Er zijn
talloze scholen zonder vakwerkplan die prima onderwijs geven en er zijn scholen met een
fraai plan, terwijl het onderwijs niet goed in elkaar steekt. Het vakwerkplan is dus een middel
om goed onderwijs te realiseren en geen doel op zich.
Een vakwerkplan op maat
Er zijn wel eens docenten die vragen om een kant en klaar vakwerkplan dat ze zó kunnen
gebruiken op school. Voor de andere vakken zijn er toch ook allerlei methoden op de markt?
Dit is een begrijpelijke gedachte, maar het idee is erg moeilijk te realiseren. Immers, elke
schoolsituatie is anders. Denk maar aan de aanwezige accommodaties en materialen, de
beschikbare uren, de uiteenlopende opvattingen binnen de sectie, de kenmerken van de
leerlingen, de sportdagentraditie, enz. Een goed draaiboek is geheel toegesneden op de
specifieke situatie van de school. Dat 'op maat snijden' kan nooit van grote afstand gebeuren,
maar zal op de school door de gebruikers zelf gedaan moeten worden. Natuurlijk kan je van
elk vakwerkplan wel iets leren; er staan altijd goede ideeën in die stimulerend kunnen
werken. Maar je zult hoe dan ook nog veel eigen beslissingen moeten nemen.
Hoe ziet een vakwerkplan eruit?
Veel mensen denken bij een vakwerkplan aan een omvangrijk boekwerk met grote lappen
tekst, schema's, opsommingen, enz. Zo kàn een vakwerkplan eruit zien, maar dat hoeft niet.
Een vakwerkplan kan ook bestaan uit vijf of twintig pagina's. Het gaat niet om de omvang,
maar om de inhoud. Een vakwerkplan dient de afspraken van de sectie te omvatten. Een
sectie die al heel lang samenwerkt, zal niet veel papier nodig hebben; heel veel zaken lopen al
goed. Een sectie waarin de opvattingen sterk verschillen (bijvoorbeeld na een fusie) zal in
eerste instantie ook niet toekomen aan een uitgebreid boekwerk, maar geleidelijk aan op zoek
gaan naar de consensus. Het goede vakwerkplan bestaat dus niet; het gaat om jouw goede
vakwerkplan.
5
Het vakwerkplan als 'groeiboek'
Vaak ontstaat een vakwerkplan al doende. De sectie is bezig om een bepaald 'verbeterpunt' op
te pakken (bijvoorbeeld bewegen en muziek, evaluatie of leren leiding geven) en als dat
gelukt is en het resultaat netjes wordt opgeschreven, is er weer een stukje van het
vakwerkplan gereed. Het werkt goed om als sectie per jaar (per periode) duidelijke, maar
vooral ook realiseerbare, doelen te stellen. Het is zinvol om eerst die onderdelen van het
programma te nemen die waarin de vaksectie sterk is. Onderwerpen waarover men het eens
is. Later kan gekozen worden voor onderwerpen die voor de sectie relatief nieuw of moeilijk
zijn. Het in één keer alles oppakken van een vakwerkplan leidt bijna altijd tot teleurstellingen.
Doel is om het onderwijs te verbeteren en wanneer het resultaat van die verbetering wordt
opgeschreven, draagt dat bij aan het vakwerkplan.
3.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Taken
Het werkboek bestaat voor een belangrijk gedeelte uit taken. Taken vormen de mogelijke
onderdelen van een vakwerkplan. Het zijn bladen met vragen -elke vraag wordt kort
toegelicht- en meestal ruimte om de antwoorden in te vullen. Een aantal werkbladen zijn in
enkelvoud toegevoegd, terwijl er meerdere exemplaren ingevuld moeten worden; die pagina's
dien je te kopiëren. Ook andere pagina's kunnen desgewenst -bijvoorbeeld als meerdere
mensen aan dezelfde taak werken- gekopieerd worden.
Flexibel gebruiken
Het werkboek is in didactische zin logisch opgebouwd, maar dat wil niet zeggen dat het
werkboek ook altijd van a tot z doorgewerkt dient te worden. Elk deel is ook (relatief)
zelfstandig te gebruiken; het hangt er maar vanaf wat de behoeften van een bepaalde sectie
zijn. Ook binnen elk deel kan gericht gekozen worden voor een bepaalde taak. Elke gebruiker
kiest zijn/haar eigen invalshoek. We noemen enkele voorbeelden van gebruik.
 Een sectie die de basisvorming goed heeft ingevoerd en aan het begin staat van de
invoering van het vmbo of LO1 beschrijft bijvoorbeeld eerst Taak 1.3 ‘Het bestaande
programma’ Deel I Startsituatie en beleid en gaat dan over naar bepaalde taken uit Deel III
Het programma, bijvoorbeeld met taak 3.2 ‘Wat zijn de thema’s?’ of taak 3.3 ‘Hoe ziet de
jaar- en periodeplanning eruit?’.
 Een sectie die gericht aandacht wil schenken aan het verbeteren van de evaluatie kiest zijn
invalshoek in Deel III bij Taak Evaluatie en rapportage.
 Een sectie die niet goed weet hoe die een onderwijsvernieuwing moet aanpakken, kan het
beste beginnen met Deel I Startsituatie en beleid. Daarin wordt de balans opgemaakt en
worden actiepunten geformuleerd. Afhankelijk van die actiepunten kan aan taken in
andere delen gewerkt worden.
Voor vrijwel elke sectie is het aan te bevelen om eerst taken uit Deel I Startsituatie en beleid
op te pakken. Dat biedt de mogelijkheid om de eigen positie ten opzichte van de
onderwijsvernieuwingen goed in beeld te krijgen en gerichte en realistische plannen te
maken.
Het verdelen van taken binnen de sectie
6
De manier waarop met het werkboek binnen de sectie gewerkt gaat worden, kan sterk
verschillen. We zullen twee mogelijkheden noemen.
 Elke docent werkt dezelfde taken uit, er wordt over gesproken in een vergadering en er
worden besluiten genomen. Deze besluiten worden vastgelegd.
 Docenten krijgen verschillende taken toebedeeld (naar belangstelling of deskundigheid) en
de resultaten komen in de vergadering. De meningen van de anderen worden geventileerd
en het werk wordt bijgesteld tot er consensus is. Dit wordt vastgelegd.
De eerste mogelijkheid vraagt meer tijd maar leidt tot een 'rijkere oogst' dan de tweede
mogelijkheid. Het is in ieder geval belangrijk dat alle sectieleden op één of andere manier
actief aan het werk deelnemen. Het (zichzelf) buitensluiten van een docent levert later bijna
altijd problemen op. Ook is het goed mogelijk dat de sectieleider vooraf taken selecteert uit
het werkboek voor zijn/haar collega('s). Het totale werkboek kan soms afschrikken door zijn
omvang. Het geleidelijk aan voorleggen van bepaalde werkbladen kan soms goed werken.
De organisatie
Met betrekking tot de organisatie van het ontwikkelingsproces geven we een aantal concrete
tips.
 Spreek met elkaar af wie de coördinator vakwerkplan is. Dit kan de sectieleider zijn, maar
dat hoeft niet. Deze persoon zorgt voor de voortgang van het werk. Ook onderhoudt
(vooral) de coördinator de contacten binnen school (projectgroep vmbo en Tweede Fase,
schoolleiding, andere collega's) en eventueel buiten school (ondersteuning, andere
scholen).
 Pak niet alles tegelijk aan, maar stel duidelijke prioriteiten. Het werkt goed om concrete
verbeterpunten te formuleren en daarmee aan de slag te gaan. Wanneer dat gelukt is, kan
je andere punten aanpakken.
 Ga niet alleen schrijven, maar ga ook in de praktijk aan het werk. Probeer lessen uit, doe
ervaring op, experimenteer en schrijf de ervaringen op. Dan is de kans het grootst dat het
vakwerkplan ook gebruikt gaat worden en niet in de kast terecht komt.
 Zorg dat het werk past binnen de beschikbare tijd; te vaak wordt er te veel hooi op de vork
genomen en dat leidt tot frustraties. Zorg voor een realistische planning.
 Zorg ervoor dat er speciale vergaderingen zijn waarop het vakwerkplan centraal staat.
Gebeurt dat niet dan bestaat het gevaar dat het agendapunt 'vakwerkplan' ten onder gaat
aan allerlei andere (belangrijke) gesprekspunten.
 Richt een archief in waar de gemaakte produkten op een systematische manier worden
opgeborgen. Dan is duidelijk waar de documenten zijn en wat de laatste versie is. De
coördinator beheert het archief.
 Zoek naar iemand die goed overweg kan met een tekstverwerker en maak afspraken over
de manier waarop teksten worden aangeleverd. Dat bespaart een hoop werk.
 Zorg voor één eindredacteur; dit kan heel goed de coördinator zijn, maar dat hoeft niet.
Spreek goed af wat die eindredactie inhoudt (hoever mogen de ingrepen gaan?)!
 Een vakwerkplan is nooit 'af'. Stel het plan bij op grond van ervaringen. Laat je niet
eenzijdig sturen door het vakwerkplan maar sta open voor ontwikkelingen en ervaringen
die in de gymzaal of op het veld naar voren komen.
7
4. Inhouden vakwerkplan
Hieronder stellen we een inhoudsopgave van een vakwerkplan voor. Daarmee is dus niet
gezegd dat een vakwerkplan er zo uit moet zien, maar eruit kan zien. Uitgaande van dit
voorstel is het jouw taak om aan te geven welke hoofdstukken/paragrafen het accent gaan
krijgen.
De delen en taken van dit werkboek corresponderen met de hoofdstukken en paragrafen van
het vakwerkplan.
8
Van werkboek
Naar vakwerkplan
Deel I
1
Taak 1.1 ----->
1.1 De school
Taak 1.2 ----->
1.2 De sectie
Taak 1.3 ----->
1.3 Bestaande programma
Taak 1.4 ----->
1.4 Accommodatie en materiaal
Taak 1.5 ----->
1.5 Organisatorische (rand)voorwaarden
Taak 1.6 ----->
1.6 De leerlingen
Taak 1.7 ----->
1.7 Actiepunten en beleid
Deel II
2 Visie op het vak LO
Taak 2.1 ----->
2.1 Visie op fundamenteel niveau
Taak 2.1 ----->
2.2 Visie op onderwijs en algemene doelstellingen
Deel III
3
Taak 3.1----->
3.1 Beschikbare tijd
Taak 3.2 ----->
3.2 Thema's
Taak 3.3 ----->
3.3 Jaar- en periodeplannen
Taak 3.4 ----->
3.4 Sportoriëntatie en -keuzeprogramma
Taak 3.5 ----->
3.5 Buitenroosteractiviteiten
Deel IV
4
Evalueren
Taak 4 ------->
4
Evaluatie en rapportage
Deel V
5 Vormgeving
Taak 5 ------->
5 Vormgeving van het onderwijs
Deel VI
Bijlagen:
Taak 6.1 ----->
6.1 Themaplannen
Taak 6.2 ----->
6.2 Studiewijzers, PTA
Taak 6.3 ----->
6.3 Schriftelijke lesmaterialen
Startsituatie en beleid
Inhouden van het programma
9
Toelichting
Hier volgt een toelichting op de verschillende hoofdstukken en paragrafen van de
inhoudsopgave van het vakwerkplan. Met steekwoorden geven we aan wat de inhoud van een
hoofdstuk of paragraaf zou kunnen zijn.
Inleiding

Waarom een vakwerkplan?

Invoering van de onderwijsvernieuwingen?

Hoe tot stand gekomen?

Wat staat er in?

Functie van het vakwerkplan.
1. Startsituatie en beleid
1.1
De school
Beschikbare uren, rooster, klassenindeling, leertrajecten, afsluiting, geld,
schooldoelstellingen, schoolactiviteiten, ondersteuning school, positie van het vak LO,
conclusies.
1.2
De sectie
Samenstelling, deskundigheid, organisatie, visie, conclusies.
1.3
Het bestaande programma
1.3.1 Wat is het bavo-gehalte van het huidige onderbouwprogramma?
1.3.2 Wat is het vmbo-gehalte van het programma?
1.3.3 Wat is het LO1-gehalte van het huidige bovenbouwprogramma?
Goede elementen, knelpunten, vraagtekens, conclusies.
1.4
Accommodatie en materiaal
Beschikbaarheid, knelpunten, conclusies.
1.5
Organisatorische randvoorwaarden
LO-rooster, parallelle groepen, LO-budget, naburige sportverenigingen en –
instellingen, lokale sportstimuleringsprojecten
1.6
De leerlingen
1.6.1 Leerlingen in de onderbouw
1.6.2 Leerlingen in de bovenbouw
Bewegingsvaardigheid, regelvaardigheid, kennis en inzicht, andere kenmerken,
conclusies.
1.7
Actiepunten en beleid
Op welke zaken gaat de vaksectie actie ondernemen? Prioriteiten, planning,
taakverdeling, conclusies.
2.
2.1
2.1.1
2.1.2
2.1.3
Visie op het vak
Visie op fundamenteel niveau
Mensvisie (visie op lichamelijkheid en bewegen)
Maatschappijvisie (visie op lichaams- en bewegingscultuur)
Onderwijsvisie (visie op het vak LO)
2.2
Visie en algemene doelstellingen
2.2.1 Visie op de basisvorming in het algemeen
2.2.1.1 Visie op LO in de basisvorming
10
2.2.1.2 Algemene doelstellingen vak LO in de basisvorming
2.2.2 Visie op het vmbo in het algemeen
2.2.2.1 Visie op LO in het vmbo
2.2.2.2 Algemene doelstellingen vak LO in het vmbo
2.2.3 Visie op de tweede fase
2.2.3.1 Visie op de LO1
2.2.3.2 Algemene doelstellingen LO1
3. Inhoud van het programma
3.1
Lesurenverdeling
3.1.1 Tijdsverdeling binnen de basisvorming
3.1.2 Tijdsverdeling binnen het vmbo
3.1.1 Tijdsverdeling binnen de LO1
Aantal en lengte van lesuren, de verdeling over verplichte en vrije ruimte, de
verdeling van tijd over de domeinen, de verdeling van tijd over domeinen binnen
leerjaren.
3.2
De thema's
Verdeling van tijd binnen de domeinen:

bewegingsthema´s: (turnen, spelen, bewegen en muziek, atletiek, zelfverdediging,
keuze-activiteiten)

regelthema's
domeinoverschrijdende thema’s.3.3 Jaar- en periodeplannen
3.3.1 Jaar- en periodeplanning voor de basisvorming
3.3.2 Jaar- en periodeplanning voor het vmbo
3.3.3 Jaar- en periodeplanning voor de LO1
3.4
Sportoriëntatie en -keuzeprogramma
3.5
Buitenroosteractiviteiten
Toernooien, schoolsport, extra gymnastiek, motorische remedial teaching.
4.
4.1
4.2
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
4.8
5.
Evaluatie en rapportage
Waarom ga je evalueren (doel)?
Wat ga je evalueren (evaluatie-objecten)?
Wanneer ga je evalueren (evaluatiemomenten)
Wie gaat er evalueren (rol van docent en leerlingen)?
Hoe ga je evalueren (evaluatie-instrumenten)?
Welke maatstaf hanteer je (wel of geen norm, absolute normen, individuele
vooruitgang, onderscheid één of meerdere niveaus)?
Hoe verwerk je de gegevens procesevaluatie (bijstellen van programma, begeleiden
van leerlingen) en productevaluatie (rapportage, leerlingvolgsysteem)
Hoe ga je het aanpakken in de les (organisatie, tijdsbesteding)?
Vormgeving van het onderwijs

Didactische werkvormen

Lesorganisatie

Differentiatie
11




Taken van leerlingen
Groeperingsvormen
Leer- en hulpmiddelen
Afstemming op en/of samenwerking met andere vakken.
Bijlagen
6.1 Themaplannen
6.2 Studiewijzers, PTA i.v.m. schoolexamen
6.3 Schriftelijke lesmaterialen
12
5. Vormgeving van het onderwijs
In taak 5 wordt iets gezegd over de vormgeving van het onderwijs. Ter toelichting
behandelen we hier enkele belangrijke werkwijzen voor gebruik in de les lichamelijke
opvoeding.
A. Ontdekken
Bij deze werkwijze krijgen de leerlingen een bepaalde ruimte en materiaal ter beschikking en
mogen ze zelf weten wat ze gaan doen of krijgen een relatief open opdracht. Dit is een
geschikte werkwijze omdat het de docent de mogelijkheid biedt om te observeren:
 wat leerlingen al kunnen;
 met wie ze gaan samenwerken;
 hoe ze met het materiaal omgaan;
 hoe de samenwerking binnen de groep en tussen de groepen verloopt.
Met deze informatie is het makkelijker voor een docent om een goed 'op maat gesneden'
programma te maken. Tevens biedt het de leerlingen de gelegenheid om 'zonder bemoeienis'
nieuw materiaal te leren kennen.
B. Probleemgeoriënteerd werken
Een geschikte werkwijze is het probleemgeoriënteerd werken. Dat houdt in dat leerlingen
bewegingsproblemen krijgen voorgeschoteld waarvoor ze een oplossing moeten bedenken.
Bij judo gaat het dan bijvoorbeeld niet direct om het aanleren van specifieke houdgrepen,
maar om een opdracht als 'probeer zo te gaan liggen dat de ander er niet onder vandaan kan
komen'. Terwijl de leerlingen oplossingen voor het probleem zoeken (en aan elkaar
uitwisselen) kan de docent met aanwijzingen komen die uiteindelijk kunnen leiden tot
bepaalde bekende technieken. Deze werkwijze biedt veel voordelen:
 de leerlingen leren principes, die als groeibeginsel kunnen fungeren (nu en later);
 het werken aan bewegingsdoelen en doelstellingen met betrekking tot de onderlinge
omgang kunnen heel goed gecombineerd worden;
 door te werken met principes is het bijbrengen van kennis en inzicht aan de leerlingen
prima mogelijk;
 het werken met problemen leidt tot uitdagend onderwijs (intrinsieke motivatie).
Deze voordelen gelden ook voor het sociaal leren wanneer de leerlingen geconfronteerd
worden met omgangsproblemen.
C. Zelfstandig werken in groepen
 Het laten werken van de leerlingen in zelfstandige kleine groepen is een werkwijze die ook
goed past in de basisvorming. Leerlingen krijgen een opdracht van de leerkracht (om te
oefenen of te spelen) en ze moeten gedurende een bepaalde tijd samen aan het vervullen
van die opdracht werken. De moelijkheidsgraad van dit werken in groepen kan sterk
verschillen. Dit hangt onder andere af van het soort opdracht (open of gesloten), de
complexiteit van de opdracht, de beschikbare tijd, de groepssamenstelling, enz. Dit werken
in kleine groepen biedt de volgende voordelen:
wanneer de leerlingen goed in groepen kunnen samenwerken, is het een zeer efficiënte
werkwijze;
 het leren bewegen kan goed samengaan met het nastreven van sociale doelen;
13
 de leerlingen voelen zich medeverantwoordelijk voor het welslagen van het onderwijs
(minder ordeproblemen);
 het vervullen van andere rollen kan prima aan de orde gesteld worden.
Om deze voordelen realiteit te laten worden, is het noodzakelijk dat de leerlingen leren om in
groepen te werken. Dat betekent dat zeker in het eerste leerjaar gericht aan deze vaardigheid
gewerkt moet gaan worden.
D. Differentiëren
Differentiëren omvat alle methodische maatregelen die ertoe bijdragen dat alle leerlingen
zoveel mogelijk aan hun trekken komen. We kunnen een onderscheid maken tussen niveau-,
tempo- en keuze-differentiatie. Deze differentiatie heeft zowel betrekking op de
bewegingsvaardigheden, regelvaardigheden als kennis en inzicht. Met name in 4-vmbo en
LO1 biedt de keuze-differentiatie mogelijkheden aan te sluiten bij interesses van leerlingen.
We noemen ter illustratie enkele punten waarop verschillen in moeilijkheidsgraad kunnen
worden aangebracht.
Leren bewegen
Turnen:
 de afwerking van beweging;
 de hoogte van het toestel;
 de mate van hulpverlening;
 de moeilijkheidsgraad van de opdracht;
 het toestel dat gebruikt wordt.
Spelen:
 keuze van het materiaal;
 grootte van het speelveld;
 aantal regels;
 complexiteit van de opdracht;
 al of niet werken met taakverdelingen.
Leren omgaan met elkaar
 mate van zelfstandigheid die de leerlingen krijgen;
 indeling van de groepen (homogeen of heterogeen);
 hoeveelheid tijd;
 invulling van andere rollen;
 hoeveelheid ruimte in de opdracht.
Kennis en inzicht opdoen
 aantal onderwerpen
 diepgang
 soort opdrachten
 karakter van de informatie
Wanneer het differentiëren binnen de les er niet toe leidt dat alle leerlingen de
kerndoelen/eindtermen halen, kan overwogen worden om een oplossing te zoeken in extra
gymnastiek, motorische remedial teaching of bij instanties buiten de school.
14
E. Uiteenleggen en opbouwen
Een bekende methode binnen de lichamelijke opvoeding (en sport) is de totaal-deel-methode.
Een bewegingsactiviteit wordt dan uiteengelegd in een aantal onderdelen (meestal
technieken) die apart worden getraind. Het is dan de bedoeling dat deze technieken later weer
in het grotere geheel worden ingepast. Deze werkwijze biedt vele mogelijkheden, maar dan
moet er wel stil gestaan worden bij enkele belangrijke punten:
 niet te snel een activiteit uiteenleggen; zoveel mogelijk de totaliteit (in vereenvoudigde
vorm) laten beoefenen;
 goed kijken op welke punten het apart beoefenen van een onderdeel kan bijdragen aan het
beter beoefenen van de activiteit;
 de activiteit moet uiteengelegd worden in zinvolle onderdelen;
 de oefening van het onderdeel moet op een effectieve en efficiënte manier plaatsvinden;
 het 'teruggaan' naar de complexe activiteit dient op een zorgvuldige manier te gebeuren.
Gebeurt dit niet, dan wordt het leren beheersen van het betreffende onderdeel (de techniek)
doel op zich, waardoor de uiteindelijk bedoeling (het beter kunnen bewegen op muziek
bijvoorbeeld) niet bereikt wordt.
15
6. Uitwerken van leerlijnen naar thema´s en themaplannen
In taak 3.2.1 wordt een inventarisatie gemaakt van mogelijke leerlijnen, bewegings- en
regelthema’s. In taken 3.2 en 3.3 worden de thema´s bepaald en gepland over de leerjaren en
periodes. Door middel van de thema's wordt een ordening aangebracht in de leerstof die aan
bod moet komen. In taak 6.1 (bijlage van het vakwerkplan) worden de thema´s uitgewerkt in
themaplannen. In deze paragraaf geven we een toelichting op deze taken.
Wat zijn leerlijnen en thema´s?
Leerlijnen bieden een overzicht van na te streven leerdoelen met betrekking tot de
domeinen/activiteitsgebieden/deelgebieden over de tijd. De leerlijnen worden geordend rond
thema’s waarbinnen overeenkomende bewegingsproblemen aan de orde komen. De meeste
leerlijnen omvatten verschillende bewegingsthema’s en regelthema´s.
Twee soorten thema's
Wat zijn nu eigenlijk thema's? Thema's zien we als de bouwstenen voor het programma. Een
thema is het etiket dat op een aantal samenhangende lessen wordt geplakt; het geeft aan waar
het in die lessenreeks om draait. Een thema heeft een gemeenschappelijk hoofdprobleem. Een
thema omvat doorgaans 2-8 lessen. Die lessen hoeven niet achter elkaar gegeven te worden;
dat kan natuurlijk wel, maar het is ook mogelijk de lessen in de tijd te spreiden (zelfs over de
leerjaren heen).
We onderscheiden twee soorten thema's: thema's waarbij het accent ligt op het leren bewegen
(= bewegingsthema’s) en thema's waarbij het accent ligt op het leren regelen door de
leerlingen (= regelthema’s).
Bewegingsthema’s
Deze thema's zijn het meest voorkomend. De meeste kerndoelen en eindtermen hebben
betrekking op het leren bewegen, dus het ligt voor de hand dat in de meeste thema's het
accent op het bewegen ligt. Die accentuering van het bewegen komt duidelijk tot uiting in de
benaming van die thema's. We geven enkele voorbeelden: Vrije sprongen en Acrobatiek bij
turnen, Individueel passeren en Opbouwen van een aanval bij spelen en Duurloop en
verspringen bij atletiek.
Regelthema’s
Er zijn ook kerndoelen en eindtermen waarbij het gaat om het vervullen van regelende taken.
Het gaat om het vervullen van andere rollen door de leerlingen (coach, scheidsrechter,
organisator, trainer/instructeur), elkaar hulpverlenen, bewegingssituaties inrichten of
veranderen, een trainingsschema opstellen, enzovoort. In de planning kan een school er voor
kiezen om een aantal regelthema´s expliciet aan bod te laten komen. Expliciet betekent dat
men deze regelthema´s nadrukkelijk wil bereiken, dat de lessen hierop worden ingericht en
dat het herkenbaar is voor de leerlingen. In taken 3.1.2.2 (bavo), 3.1.3.2 (vmbo) en 3.1.4.2
(LO1) worden uitspraken gedaan over welke regelvaardigheden expliciet aanwezig zijn
tijdens de lessen.
Uit de naam van de regelthema's blijkt om welk aspect van het regelen het gaat. Enkele
voorbeelden zijn: Elkaar leren dansen en Hoe ontwerp je een dans? bij bewegen en muziek,
De leerling als coach en Een toernooitje organiseren bij zelfverdediging.
16
In eerste instantie wordt er geen concrete lestijd aan de regelthema's verbonden. Neem
bijvoorbeeld het thema Situaties opbouwen bij turnen. Het ligt voor de hand dat een sectie er
voor kiest om geen aparte lessen of lesdelen aan dit thema besteden omdat het opbouwen van
situaties in (vrijwel) elke turnles aan bod komt. De onderwijstijd die aan dit thema besteed
wordt is dan moeilijk in te schatten. Het regelthema komt altijd geïntegreerd aan bod bij de
bewegingsthema’s. Bij de planning kan met een ster worden aangegeven wanneer een
regelthema aan bod komt. De regelthema’s gelden dan als sterthema’s.
In twee instantie is het wel mogelijk om onderwijstijd uit te trekken voor bepaalde
regelthema’s. Bijvoorbeeld een domeinoverschrijdend thema als de warming-up kost lestijd.
Naast het doen worden de leerlingen geïnformeerd over het waarom en het hoe van een
warming-up. En wellicht dat je de leerlingen bij dit thema wilt leren om voor elkaar een
warming-up te verzorgen. Dit kost allemaal lestijd die je moeilijk kan integreren met een
activiteitsgebied.
Op welke niveau formuleer je een thema?
Behalve dat het karakter van thema's kan verschillen (accent op het leren bewegen of het
leren regelen) kunnen thema’s op verschillende niveau´s worden geformuleerd. Een thema
kan meer of minder doorsnijdend zijn. We gaan in op vijf manieren en geven aan wat de
belangrijkste voor- en nadelen zijn.
Thema´s per ´bewegingsvorm´
Dit is een traditionele manier. Het is en gangbare manier binnen de op wedstrijd
georiënteerde sport. Wanneer een docent thematiseert vanuit ‘bewegingsvormen’ worden
bepaalde bewegingsoplossingen of –technieken gethematiseerd. Voorbeelden zijn de lay-up
bij basketbal, de push bij hockey, de clear bij badminton, de spreidsprong over de bok bij
turnen, de hangtechniek bij verspringen, de drie-puntshoudgreep bij judo en de chassee bij
jazzdans. De overeenkomst in al deze voorbeelden is dat het gaat het om ideaal-typische
oplossingen van bewegingsproblemen en niet om de bewegingsproblemen zelf. De ideaaltypische technieken komen veelal uit de wedstrijd georiënteerde sport. Steeds staat centraal
het leren beheersen van de ideaal-typische techniek. Daarmee wordt het bewegingsprobleem
wel opgelost. Het geeft echter geen ruimte voor individuele oplossingen van leerlingen.
Voordelen:
- het is een herkenbare manier van ordenen van de leerstof (voor docent en leerlingen)
omdat het een vrij gebruikelijke manier is.
Nadelen:
- er kan moeilijk gebruik gemaakt worden van de transfer (bijv. het vrijlopen binnen
verschillende doelspelen);
- de thema's met het accent op het regelen zijn moeilijk in te passen omdat ze vaak geen
betrekking hebben op een apart onderdeel.
Thema's per onderdeel
Dit is een gebruikelijke manier. Binnen turnen gaat het dan om thema's die vallen binnen de
onderdelen Steunspringen, Zwaaien in hang, Zwaaien in steun, enzovoort. Bij spel gaat het
om thema's die vallen binnen de verschillende spelen: voetbal, volleybal, badminton, en
dergelijke. Voorbeelden van thema's binnen voetbal zijn dan: Drijven en dribbelen, Stoppen
van de bal, Schieten op doel, en dergelijke.
Voordelen:
17
-
het is een herkenbare manier van ordenen van de leerstof (voor docent en leerlingen)
omdat het een vrij gebruikelijke manier is.
het gaat niet om de oplossing maar het bewegingsprobleem. Het geeft daarmee ruimte aan
verschillende oplossingen.
Nadelen:
- er kan moeilijk gebruik gemaakt worden van de transfer (bijv. het vrijlopen binnen
verschillende doelspelen);
- de thema's met het accent op het regelen zijn moeilijk in te passen omdat ze vaak geen
betrekking hebben op een apart onderdeel.
Thema's per deelgebied
Het is ook mogelijk om thema's te formuleren die betrekking hebben op een totaal deelgebied
binnen een domein. Dat is een invalshoek die vooral bij spel interessante mogelijkheden
biedt. Er ontstaan dan thema's die vallen binnen de deelgebieden slag- en loopspelen,
doelspelen en terugslagspelen. Enkele voorbeelden: bij doelspelen
Benutten van aan- en afspeellijnen en Man- en ruimtedekking en bij terugslagspelen Op gang
houden en Sparren.
Voordelen:
- per leerlijn kan de volgorde van de thema’s worden bepaald;
- het biedt goede mogelijkheden om gebruik te maken van de transfer (effectief onderwijs);
- het kan tijdsbesparend werken (bijv. omdat de principes van de man- en ruimtedekking
niet bij elk doelspel herhaald hoeven te worden).
Nadelen:
- het is een werkwijze die nog niet zo is ingeburgerd;
- de herkenbaarheid (van een spel) kan voor leerlingen moeilijker worden (het is bijv.
anders dan op tv).
Thema's per domein(en)
Het is ook mogelijk om thema's te formuleren die betrekking hebben op een heel domein,
meerdere domeinen of zelfs het hele vak. Hierbij zal het vaak gaan om thema's met het accent
op het regelen door de leerlingen. We geven enkele voorbeelden van thema's die betrekking
hebben op het totale domein spelen: Het leiden van een spel, Hoe organiseer ik een toernooi
en Spelregels op maat. Voorbeelden van thema's die betrekking hebben op meerdere
domeinen (of het hele vak) zijn onder andere Bewegingsanalyse, Scheidsrechteren, Warmingup, Zelfstandig werken in kleine groepen, Veilig met elkaar bewegen en Verantwoord
materiaalgebruik.
Voordelen:
- er wordt op een samenhangende en effectieve manier onderwijs gegeven.
Nadelen:
- het is vrij nieuw en daardoor moeilijk voor veel docenten om met dergelijke thema's te
werken;
- het formuleren van aparte thema's voor het (leren) regelen kan op weerstanden stuiten bij
de leerlingen (gevaar van te weinig bewegen).
Vakoverschrijdende thema's
18
Tenslotte is het nog mogelijk om thema's te formuleren die betrekking hebben op twee of
meer vakken of zelfs op alle vakken. Enkele voorbeelden van thema's voor twee vakken:
Warming-up, Blessurepreventie, Trainingsleer en Milieubewust sporten (met biologie), Sport
in de woonomgeving (met verzorging), Eigen spelmateriaal (met techniek),
Bewegingsanalyse (met natuurkunde) en Bewegen op eigen muziek (met muziek).
Voorbeelden van thema's die betrekking hebben op alle vakken zijn onder andere
Organiseren van een schoolevenement, De ander en ik, Andere culturen en Meisjes en
jongens.
Deze thema’s zijn vaak niet meer aan te duiden met bewegings- of regelthema’s. Het vak LO
kan een bijdrage leveren aan bijvoorbeeld onderzoeks-, informatieverwerkings-, sociale
thema’s.
Voordelen:
- de leerlingen zien verbanden tussen verschillende vakken;
- doen en nadenken kan zo beter geïntegreerd worden in vergelijking tot leren dat beperkt
blijft tot de les lichamelijke opvoeding.
Nadelen:
- het is moeilijk te realiseren omdat er veel mensen bij betrokken zijn;
- veel docenten zijn niet gewend om zo te werken.
Formuleren van leerdoelen in de themaplannen
Nadat de thema's zijn omschreven en zijn gepland over de leerjaren/periodes (taken 3.2 en
3.3) worden de thema´s uitgewerkt in themaplannen (taak 6.1). In de themaplannen maakt de
vaksectie afspraken over welke leerdoelen, bewegingsactiviteiten/opdrachten, arrangementen
en didactische aandachtspunten. Bij het formuleren van leerdoelen zijn er enkele belangrijke
punten om bij stil te staan.
Leerdoelen bij bewegings- en regelthema’s
Belangrijk om bij stil te staan is dat er leerdoelen zijn die zich richten op vaardigheden en
leerdoelen die betrekking hebben op kennis- en inzicht. Bij vaardigheden maken we het
onderscheid tussen bewegings- en regelvaardigheden.
Bij bewegingsthema’s ligt het accent op het kunnen oplossen van bewegingsproblemen: hoe
geef ik een goede voorzet, hoe krijg ik hoogte met behulp van een mini-trampoline, hoe leg ik
1500 m. zo snel mogelijk af, enzovoort? Enkele voorbeelden van leerdoelen binnen het thema
Duurloop zijn (het gaat zowel om bewegingsvaardigheden (BV) als kennis en inzicht (KI):
- kunnen diverse loopvormen uitvoeren (BV);
- kunnen een eigen looptemposchema uitvoeren (BV);
- kennen de betekenis van de duurlooptest (KI);
- kennen de trainingsmethoden voor de duurloop (duur en interval) (KI).
Bij regelthema’s ligt het accent op het kunnen oplossen van regelproblemen: hoe verdelen we
de taken in ons groepje, welke hulpverleningstechniek is geschikt, hoe behandelen we het
materiaal zorgvuldig, welke spelregels zijn geschikt, enzovoort? Enkele voorbeelden
leerdoelen bij het thema Zelfstandig oefenen (bij atletiek) zijn (het gaat zowel om
regelvaardigheden (RV) als kennis en inzicht (KI):
De leerlingen...
19
-
20
kunnen (op aanwijzingen van de docent) een atletieksituatie inrichten (RV);
kunnen (op aanwijzingen van de docent) een onderlinge taakverdeling afspreken en
uitvoeren (RV);
kunnen de (mindere of betere) prestaties van hun klasgenoten accepteren en waarderen
(RV);
kunnen op een positieve manier omgaan met de aanwijzingen van een medeleerling (RV).
kunnen elkaar in tweetallen coachen tijdens de coopertest (RV);
kennen de belangrijkste veiligheidsregels (KI);
weten hoe ze verantwoord met materiaal moeten omgaan (KI).
We vatten het voorgaande samen in een schema:
Thema’s
leerdoelen
Bewegingsthema’s kennis & inzicht
bewegingsvaardigheid
Regelthema’s
kennis & inzicht
regelvaardigheid
De stappen van leerlijnen naar themaplannen:
1.
inventariseren van leerlijnen en bijhorende bewegings- en regelthema’s (taak 3.2.1)
2.
formuleren van bewegings- en regelproblemen per thema
3.
3.1
3.2
3.3
plannen van de thema’s
hoeveelheid lestijd per thema (taak 3.2)
interne volgorde van de thema’s (taak 3.3)
plannen over de leerjaren en periodes (taak 3.3)
4.
4.1
4.2
4.3
uitwerken in themaplannen (taak 6.1)
leerdoelen
bewegingsactiviteiten / opdrachten + arrangementen
didactische aandachtspunten
21
Voorbeeld
ACTIVITEITSGEBIED: ZELFVERDEDIGING
LEERLIJN: STOEISPELEN
1. Mogelijke bewegings- en regelthema's bij de leerlijn
Bewegingsthema's
Staande stoeispelen
Kantelen
Houdgrepen
Leren vallen
Bevrijdingen
Regelthema’s
Stoeispelen zelf op gang brengen, houden en stoppen (‘stoei er zelf mee’)
Een stoeitoernooitje organiseren
Elkaar coachen bij het stoeien
2
Centraal bewegings- en regelprobleem
Staande stoeispelen
De leerling bewaart de eigen balans en probeert die van de ander te verstoren.
Kantelen
De leerling werkt de ander op de rug vanuit een stoeisituatie op de grond.
Houdgrepen en bevrijden
De leerling kan de partner die op zijn rug ligt op zijn rug te houden en kan zichzelf vanuit de
onderliggende positie zo bewegen dat hij niet meer op zijn rug ligt.
Leren vallen
De leerling kan de val van een ander begeleiden (achterover, voorover, zijwaarts) en de eigen
val zo opvangen of breken dat er geen blessures ontstaan.
Stoei er zelf mee
De leerling kan samen met anderen een stoeispel op gang brengen rekening houdend met
veiligheidsvoorschriften en etiquetteregels en toont respect voor de bewegingsmogelijkheden
en -wensen van anderen
Een stoeitoernooi organiseren
De leerling kan samen met anderen spelen volgens een zelf afgesproken toernooischema en
spelregels
Elkaar coachen bij het stoeien
De leerling kan enkele basisprincipes observeren en daarop aanwijzingen geven aan een
ander.
22
3
3.1
3.2
3.3
Plannen van de thema's
Bepalen van hoeveelheid lestijd per bewegingsthema (en regelthema)
Bepalen van interne volgorde van thema's binnen de leerlijnen
Plannen van de thema’s over de leerjaren/periodes
Oriëntatie
Leren vallen Staande stoeispelen
Kantelen
Houdgrepen Bevrijden
Stoei er zelf mee
-
Afsluiting
-
1 les:
mee starten
twee halve lessen na elkaar.
2 lessen:
opdelen in blokjes van 5 a 10 minuten;
steeds tussen de andere thema's door.
2 lessen:
eerste thema na de Oriëntatie;
2 halve lessen eerste behandeling;
2 halve lessen herhaling met verdieping.
2 lessen
na eerste behandeling van Staande stoeispelen;
2 halve lessen eerste behandeling;
2 halve lessen herhaling met verdieping.
2 lessen:
na eerste behandeling van Kantelen
2 halve lessen eerste behandeling;
2 halve lessen herhaling met verdieping.
2 lessen:
na eerste behandeling van Houdgrepen;
2 halve lessen eerste behandeling;
2 halve lessen herhaling met verdieping.
1 les:
eerste behandeling (na eerste behandeling thema 2
t/m 6);
1 les verdieping (na verdieping thema 2 t/m 6).
2 lessen:
1 les na afloop van de eerste behandeling van de thema's;
1 les na afloop van de verdieping.
23
Leerjaar 1
Oriëntatie
Leren vallen
Staande stoeispelen
Leren vallen
Kantelen
Leren vallen
Houdgrepen
Leren vallen
Bevrijden
Stoei er zelf mee
Toernooi
Periode B
2 halve lessen
5-10 minuten
2 halve lessen
5-10 minuten
2 halve lessen
-
Periode C
5-10 minuten
2 halve lessen
5-10 minuten
2 halve lessen
1 les
1 les
Leerjaar 2
Leren vallen
Staande stoeispelen
Leren vallen
Kantelen
Leren vallen
Houdgrepen
Leren vallen
Bevrijden
Stoei er zelf mee
Toernooi
Periode B
5-10 minuten
2 halve lessen
5-10 minuten
2 halve lessen
-
Periode C
5-10 minuten
2 halve lessen
5-10 minuten
2 halve lessen
1 les
1 les
4 Uitwerken in themaplannen:
4.1
Bepalen van leerdoelen op aanvangsniveau en vervolgniveau
4.2
Bepalen van kernactiviteiten op aanvangsniveau en vervolgniveau (suggesties van
lesinhouden)
4.3
Plaatsen van didactische aandachtspunten
24
25
Leerlijn: Stoeispelen
Thema: Staande stoeispelen
Bewegingsactiviteiten / opdrachten + arrangementen
1.
Elke tweetal staat met de rechtervoeten tegen elkaar, zodanig dat de vier voeten
op een lijn staan. Zij houden elkaars rechterhand vast. “Probeer via bewegingen
van de de rechterhand en –arm de partner te dwingen één of twee voeten te
verzetten; zelf moet je op de plaats blijven.”
klas(sen)
1
2
lessen:
2x½ 2x½
Leerdoelen
De leerlingen...

kunnen hun eigen balans bewaren of herstellen;

kunnen via trekken, duwen of tillen de balans van hun
partner verstoren;

kennen principes van uit balans brengen

kunnen verschillende manieren van tillen toepassen;

kunnen gebruik maken van de tegenkracht van de
partner: blokkeren en ontwijken;

ervaren dat je kunt stoeien als je goed samenwerkt;

ervaren dat direct lichamelijk contact noodzakelijk is
om tot een stoeispel te komen;

kunnen verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van
hun partner;

kunnen een veilig spelverloop binnen een groepje
begeleiden.
Naam:
Datum: 9 juli 2000
Didactische aandachtspunten





2.
De partners staan beiden in spreidstand met het gezicht naar elkaar toe; ze hebben
elkaars armen vast met de hand-pols-verbinding. “Dwing de ander één of twee
voeten te verplaatsen, maar blijf zelf staan.”
3.
Leerling A staat op twee voeten en heeft met twee handen een arm van B vast. B
staat op een been. “Probeer zonder je voeten te verplaatsen, je partner te dwingen
de andere voet ook neer te zetten.”
4.
Beide partners staan tegenover elkaar op één been. “Probeer al hinkend de ander
door schouderduwen tegen de schouder te dwingen de andere voet neer te zetten.”
5.
De tweetallen staan in een spreidstand, met de handen op elkaars bovenarmen.
“Probeer de ander zo op te tillen, dat zijn/haar voeten loskomen van de grond. De
handen mogen verplaatst worden naar andere delen van het lichaam.”
a. gescheiden functies
b. met wisselend initiatief van aanvaller en verdediger

6.
als 5, “Alleen nu probeer je samen verschillende manieren te vinden om elkaar op
te tillen.”

7.
Britse bulldog. Drie wat sterkere leerlingen staan in het midden van de zaal met
een partijlint. De andere leerlingen staan op de achterlijn. “Probeer vier maal de
zaal over te steken, iedereen tegelijk (op teken) in dezelfde richting. De leerlingen
in het midden moeten de lopers proberen te vangen en op te tillen. Zij mogen
elkaar daarbij helpen. De lopers mogen zich verzetten. Wie opgetild wordt is af en
gaat een lint halen om vervolgens mee te doen als vanger.”













26
Afspraken en regels:
er wordt begonnen na een startteken (door
ll. of leerkracht)
als de partner ‘stop’ zegt, wordt
onmiddellijk iedere actie gestaakt
er mag nooit uitsluitend het hoofd gepakt
om de nek pakken mag alleen als er tevens
een arm ingesloten wordt
gewrichten mogen niet verdraaid worden
niet aan kleding vastpakken
“Voel je altijd voor je partner
verantwoordelijk”
laat in het begin de leerlingen zelf hun
partner kiezen (ll-en voelen zich veilig), na
enige tijd wisselen
werken in groepen van vier leerlingen
waarvan er steeds twee leerlingen stoeien
geef de wachters de functie van spelleider:
de spelleiders roepen “maté” als er iets
fout gaat
houd bij het samenstellen van groepen
rekening met te grote verschillen inkracht,
lengte en gewicht
bij voordoen liefst de groep aan één kant
laat eens wisselen van been en/of voet
de opdrachten zullen niet altijd een
winnaar opleveren: laat de leerlingen na
enige tijd zelf of op teken van leerkracht
wisselen
Volgorde van makkelijk naar moeilijk:
van weinig naar meer lichamelijk
van gescheiden functies naar wisselend
initiatief
van weinig weerstand naar veel weerstand
van enkelvoudige naar meervoudige
balansverstoringen
Leerlijn:
Thema:
Kernactiviteiten
klas(sen)
lessen:
Leerdoelen
Naam:
Datum:
Didactische aandachtspunten
27
28
29
Herziene kerndoelen (1998-2003)
Algemene doelstelling
Het onderwijs in lichamelijke opvoeding is erop gericht dat de leerlingen:
- vaardigheid, kennis en een positieve attitude verwerven om belangrijke bewegingsproblemen in
bewegingssituaties zelfstandig (samen) op te lossen;
- (samen) eenvoudige regelende taken in bewegingssituaties kunnen vervullen;
- plezier beleven aan het deelnemen aan verschillende bewegingssituaties (ervaren van succes en
gezamenlijkheid);
- een bevredigende persoonlijke keuze kunnen maken en realiseren met betrekking tot bewegen (en/of het
leiding geven daaraan) in de vrije tijd;
- kritisch kunnen omgaan met maatschappelijke (ethische) aspecten van bewegen in beroeps en
vrijetijdssituaties;
- vaardigheden en kennis op het terrein van de lichamelijke opvoeding verwerven met het oog op beslissingen
over vervolgopleidingen, de latere beroepsuitoefening en het maatschappelijk functioneren, met inbegrip van
vrijetijdsbesteding.
Bijdrage aan de algemene onderwijsdoelen
Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene
onderwijsdoelen:
- het overleggen en samenwerken in teamverband en daarbij rekening houden met elkaars normen en waarden
( 1.1 en 4.2);
- het leren voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie (2.5);
- het doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur (2.6) en daarbij rekening
houden met zichzelf, met anderen en met de omgeving (1.5);
- het leren op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen (3.4);
- het leren omgaan met regels en procedures (4.1);
- het leren reflecteren op eigen ervaringen en mogelijkheden (6.1);
- het reflecteren op mogelijkheden van vrijetijdsbesteding (6.5). Daarnaast draagt het vak bij aan de andere
(onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:
- het leren communiceren (4);
- het leren reflecteren op het leerproces (5);
- het leren reflecteren op de toekomst (6);
- het gebruiken van informatie- en communicatietechnologie het registreren en analyseren van
bewegingssituaties (2 en 3).
KERNDOELEN
Domein A: Spel
1 De leerlingen kunnen een slag- en loopspel (vormen van softbal) spelen.
Zij kunnen:
- een bal door slaan in het spel brengen;
- als (honk)loper 'in' blijven door op tijd te starten en de juiste keuzes te maken voor doorlopen of
teruglopen;
- als veldspeler een geslagen/geworpen bal verwerken en (samen met anderen) een (honk)loper uittikken of
branden.
2 De leerlingen kunnen drie doelspelen spelen, te kiezen uit vormen van voetbal, handbal, hockey, basketbal,
korfbal of rugby.
Zij kunnen:
- in balbezit (samen) een aanval opbouwen, een doelkans uitspelen en een doelpoging doen;
- (samen) verdedigen van een doelpoging en voorkomen dat een aanval wordt opgebouwd en een doelkans
wordt uitgespeeld.
3 De leerlingen kunnen twee terugslagspelen spelen, te weten (een vorm van) volleybal en één spel te kiezen
uit vormen van badminton, tafeltennis, of tennis.
Zij kunnen:
- de bal/shuttle met een opslag in het spel brengen;
- (na samenspel) de bal/shuttle op het speelveld van de tegenstander plaatsen;
- de ingeplaatste bal/shuttle van de grond houden en volgens afgesproken regels verwerken;
- zo samenspelen, dat de bal/shuttle op gang of hoog wordt gehouden.
30
4 De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen spelen mogelijk maken.
Zij kunnen:
- (onder leiding) veilige spelsituaties inrichten en op gang brengen;
- een spel enige tijd spelen zonder tussenkomst van de leerkracht;
- in kleine groepen afspraken maken en handhaven over teamindeling, wisselen en taakverdeling;
- waar noodzakelijk, gebruik maken van veiligheidsmaterialen;
- een wedstrijd spelen met respect voor de tegenstander, zowel winnend als verliezend;
- spelsituaties beoordelen, op grond van verschillende criteria;
- spelsituaties aanpassen aan het niveau en de wensen van de groep;
- verschillende taken als spelleider(coach, trainer, arbiter) uitvoeren;
- spelen volgens een (zelf) afgesproken toernooischema.
Domein B: Turnen
5 De leerlingen beheersen verschillende vormen van springen.
Zij kunnen:
- (al dan niet) met gebruikmaking van een afzetondersteunend toestel één of meer steun en vrije sprongen
uitvoeren;
- vormen van springen combineren met draaien.
6 De leerlingen beheersen verschillende vormen van zwaaien.
Zij kunnen:
- op meerdere manieren komen tot zwaaien, de zwaai onderhouden, de zwaai vermeerderen in hang of steun
en de zwaai beëindigen;
- vormen van zwaaien combineren met draaien om de breedte-as en om de lengte-as.
7 De leerlingen beheersen verschillende vormen van balanceren. Zij kunnen:
- individueel of samen balanceren op smalle vaste en beweegbare vlakken boven de grond;
- samen met medeleerlingen balanceren in vormen van parterre-acrobatiek.
8 De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen turnen mogelijk maken.
Zij kunnen:
- (onder leiding) veilige turnsituaties inrichten en op gang brengen;
- samen veilige turnsituaties enige tijd op gang houden zonder tussenkomst van de leerkracht;
- samen turnsituaties uitbouwen, rekening houdend met het niveau en de wensen van de groep;
- gevaarlijke situaties bij turnen herkennen en hanteren;
- (onder leiding) hulp verlenen, aanwijzingen geven en het bewegingsverloop ondersteunen;
- eigen bewegingen en die van anderen beoordelen aan de hand van eenvoudige criteria.
Domein C: Bewegen op muziek
9 De leerlingen kunnen binnen minimaal één van de volgende onderdelen van bewegen op muziek: ritme en
bewegen, volksdansen, jazzdansen, conditionele vormen op muziek, een aantal bewegingen uitvoeren.
Zij kunnen:
- eenvoudige bewegingsvormen uitvoeren in het juiste tempo en in het ritme van de muziek of begeleiding;
- bewegingsvormen toepassen in eenvoudige combinaties, dansfiguren en verschillende ruimtelijke
opstellingen;
- op het juiste moment starten en stoppen.
10 De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen bewegen op muziek mogelijk maken.
Zij kunnen:
- (samen) een eenvoudige variatie ontwerpen op een bestaande dans;
- inspelen op dansbewegingen van anderen;
- bewegen in overeenstemming met de sfeer en het karakter van de muziek;
- verschillende muziektempo's en bewegingsvormen op muziek onderscheiden;
- hun eigen dansen en dat van anderen beoordelen aan de hand van eenvoudige criteria.
Domein D: Atletiek
11 De leerlingen beheersen verschillende vormen van lopen.
Zij kunnen:
- verschillende afstanden lopend afleggen waarbij ze de afstand en het looptempo op elkaar afstemmen;
- een bij het looptempo passende wijze van starten kiezen en uitvoeren;
- een estafette lopen met vliegende wissel;
- lopend hindernissen nemen.
12 De leerlingen beheersen verschillende vormen van springen.
Zij kunnen:
31
- vanuit een aanloop op efficiënte wijze zo ver mogelijk springen;
- vanuit een aanloop op efficiënte wijze zo hoog mogelijk springen.
13 De leerlingen beheersen verschillende vormen van werpen.
Zij kunnen bij ten minste één van de volgende onderdelen (vanuit een aanloop) werpen of stoten om een zo
groot mogelijke afstand te halen. Het gaat daarbij om de onderdelen:
- speerwerpen;
- kogelstoten;
- discuswerpen.
14 De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen beoefenen van atletiek mogelijk maken.
Zij kunnen:
- verschillende jurytaken verrichten die een zelfstandige atletiekbeoefening mogelijk maken;
- veiligheidsmaatregelen benoemen en toepassen;
- elementaire fouten in bewegingsuitvoering bij elkaar aangeven en elkaar daarover aanwijzingen geven;
- de belangrijkste kenmerken van een goede warming-up en cooling-down aangeven en toepassen;
- aangeven hoe de belangrijkste trainingsprincipes kunnen worden toegepast;
- verschillende conditie-aspecten meten en de betekenis daarvan toelichten.
Domein E: Zelfverdediging
De leerlingen kunnen een vorm van zelfverdediging uitvoeren, te kiezen uit stoeispelen, trefspelen en
zelfverdediging (voor meisjes).
15 Stoeispelen (vormen van judo).
De leerlingen kunnen:
a de medespeler uit evenwicht brengen, kantelen en onder controle brengen en houden;
b reageren op evenwichtsverstoringen, ontwijken van het kantelen en zich bevrijden uit controle;
c een val van een medespeler begeleiden en de eigen val opvangen of breken.
16 Trefspelen (een keuze uit vormen van boksen, schermen of karate-do).
De leerlingen kunnen:
a de juiste afstand kiezen tot de medespeler;
b de medespeler raken (tikken) op het afgesproken trefvlak en aanvalsinitiatief (over)nemen;
c zorgen zelf niet geraakt te worden (ontwijken of afweren).
17 Zelfverdediging (voor meisjes).
De leerlingen kunnen maatregelen nemen om seksueel geweld te voorkomen.
Zij kunnen:
a de oorzaken van ongewenste intimiteiten en seksueel geweld aangeven;
b situaties beschrijven die kunnen escaleren tot fysiek en seksueel geweld;
c in mogelijk escalerende situaties de eigen houding en het eigen gedrag bepalen;
d preventieve maatregelen aangeven om fysiek en seksueel geweld te voorkomen;
e technieken uitvoeren om aanvallers te ontmoedigen;
f zich in noodgevallen verweren en bevrijden uit omklemmingen.
18 De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen oefenen met zelfverdediging mogelijk maken.
Zij kunnen:
- (als spelleider) spelregels afspreken en volgens een (zelf) afgesproken toernooischema spelen;
- de medespeler/partner respecteren en rekening houden met de bewegingswensen en-mogelijkheden van de
ander;
- afspraken maken over veiligheidsvoorschriften en (etiquette)regels en zich aan deze afspraken houden;
- eigen grenzen aangeven en deze in acht nemen.
32
Eindtermen vmbo
LO/K/3
Leervaardigheden in het vak lichamelijke opvoeding
De kandidaat beheerst een aantal strategische vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling
van het eigen leervermogen
De kandidaat kan
1. de verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid van zichzelf en anderen in
bewegingssituaties
blessurerisico’s vermijden
adequaat en veilig omgaan met toestellen en spelmaterialen
hygiënische voorschriften volgen
-
2. individueel of samen met anderen bewegingssituaties analyseren, aanpassen, ontwerpen,
inrichten en op gang brengen
3. eenvoudige regelende taken uitvoeren
-
hulpverlenen
leiden van een spel
het geven van aanwijzingen
het maken van organisatorische afspraken
4. in bewegingssituaties overleggen en samenwerken in teamverband
-
verdelen en wisselen van taken en rollen
leiding geven en ontvangen
maken van en houden aan afspraken
5. in bewegingssituaties omgaan met elementen als lukken en mislukken
6. verschillen in prestatieniveau, motieven, interesses, culturele achtergronden en geslacht
hanteren binnen bewegingssituaties
7. een beargumenteerde mening geven over eenvoudige actuele maatschappelijke en ethische
onderwerpen uit de wereld van sport en bewegen.
LO/K4
Spel
De kandidaat kan
1 een slag- en loopspel (vorm van softbal) spelen
-
als loper een bal door slaan of werpen in het spel brengen en 'in' blijven door op tijd te starten, (van een honk) weg te lopen en juiste
keuzen te maken voor doorlopen of teruglopen (met en zonder richtingveranderingen)
als veldspeler een geslagen of geworpen bal verwerken en de juiste keuzen maken voor bedreigen, uittikken of uitbranden van een
loper
2 vormen van tik- en afgooispelen spelen
-
als loper: weglopen, ontwijken en/of afweren
als tikker of jager: aftikken of -werpen en in teamverband insluiten
3 drie doelspelen spelen, te kiezen uit: vormen van voetbal, handbal, hockey, basketbal,
korfbal en rugby
-
als aanvaller: door vrijlopen, overspelen en zelf verplaatsen met de bal (volgens de afgesproken regels) een aanval op te bouwen en
op geschikte momenten een doelpoging te doen
- als verdediger: afspeellijnen afsluiten, door onderscheppen of afpakken van de bal de aanvalopbouw storen en zo een doelpoging
van de aanvallers voorkomen en kan bij vormen van voetbal, handbal of hockey het doel verdedigen
4 (een vorm) van volleybal spelen
-
als aanvaller de bal met een opslag in het spel brengen, op eigen helft samenspelen, de bal naar de speelhelft van de tegenstander
plaatsen
als verdediger de over het net geplaatste bal van de grond houden volgens de afgesproken regels
5 één terugslagspel spelen, te kiezen uit vormen van badminton, tafeltennis en tennis
-
als aanvaller de bal/shuttle in het spel brengen, tijdens het spel de bal/shuttle over het net spelen en op het geschikte moment een
scoringspoging doen
als verdediger/ontvanger de bal/shuttle retourneren en een scoringspoging verdedigen volgens de afgesproken regels
6 een spel spelen volgens afgesproken regels
-
kan met inachtneming van de afgesproken basisregels spelen
kan een spel zelfstandig (met anderen) spelen
kan een positieve houding demonstreren: houden zich aan de spelregels, handelen in de geest van de regels, en zijn bereid om naar
oplossingen te zoeken bij discussiepunten en conflicten
33
7 een veilige spelsituatie inrichten en op gang brengen
-
kan op aanwijzingen van de leerkracht een spelsituatie inrichten, materiaal klaarzetten, groepen indelen, taken verdelen
kan afspraken maken over de spelregels
kan, waar noodzakelijk, gebruik maken van veiligheidsmaterialen
8 omgaan met elementen als spanning, verlies en winst
-
kan een wedstrijd spelen met respect voor de tegenstander, zowel winnend als verliezend
kan het belang van de tegenstander/tegenstanders,die het spel mede mogelijk maakt/maken, aangeven
9 spelsituaties op kernpunten analyseren en aanpassen aan de groep
-
kan spelsituaties beoordelen op sportief gedrag, samenspel, gehanteerde techniek en de gevolgde tactiek
kan het eigen spel aanpassen aan dat van anderen, rekening houdend met de mogelijkheden en wensen van medespelers)
kan spelsituaties aanpassen aan het niveau van de groep met materiaal en regelaanpassingen
10 regelende taken uitvoeren
-
kan de puntentelling bijhouden
kan als (hulp)scheidsrechter overtredingen van afgesproken regels constateren en dit duidelijk maken
kan in kleinere groepen onderling taken verdelen over teamindeling en taakverdeling binnen het spel (aanvaller, verdediger)
kan afspraken maken over wisselsystemen en deze uitvoeren
kan volgens een (zelf) afgesproken toernooischema spelen
kan als observator enkele afspraken over de toepassing van tactiek, samenspel en techniek beoordelen
kan daarover aan medeleerlingen aanwijzingen geven.
LO/K5
Turnen
De kandidaat kan
1 steunsprongen en vrije sprongen uitvoeren
-
al dan niet met gebruikmaking van een afzetondersteunend toestel (zoals Reutherplank, minitrampoline)
2 vormen van springen combineren met draaien
-
rollen (verhoogd vlak), salto's, overslagen
3 op verschillende manieren komen tot zwaaien, de zwaai onderhouden en de zwaai
vermeerderen en de zwaai beëindigen met verschillende afsprongen
-
zwaaien in hang of steun
4 vormen van zwaaien combineren met draaien om de lengte- en de breedte-as
-
om de lengte-as: halve en hele draai
om de breedte-as: vouwhang, omgekeerde hang en duikelen (ook zonder zwaai)
5 individueel of samen balanceren
-
op smalle en beweegbare vlakken boven de grond
6 samen met medeleerlingen balanceren in combinatie met vormen van tillen
-
vormen van parterre-acrobatiek
7 turnsituaties inrichten en risico's inschatten
-
onder leiding veilige turnsituaties inrichten, op gang brengen en uitbouwen (rekening houdend met mogelijkheden en wensen van de
groep)
aangeven waar hun eigen grenzen liggen en kan ook die van anderen inschatten (bijvoorbeeld de hoogte van een hindernis bij
steunspringen)
zo deelnemen aan turnsituaties dat risico's beperkt worden (bijvoorbeeld vragen om hulpverlening en hulpverlenen aan anderen)
8 onder leiding hulpverlenen bij de uitvoering en het bewegingsverloop ondersteunen
-
een aantal steun-, draai- en opvanggrepen toepassen
hulpverleningstechnieken op het juiste moment toepassen
9 bewegingen analyseren aan de hand van enkele eenvoudige criteria
-
eigen bewegingen en die van anderen op kernpunten beoordelen (bijvoorbeeld de afzet of de landing bij het springen)
aangeven wat goed of fout ging in een oefening
een bij het eigen niveau passende vervolgopdracht kiezen.
LO/K6
Bewegen op muziek
De kandidaat kan
1 deelnemen aan minimaal één van de volgende onderdelen van bewegen op muziek
-
-
34
ritme en bewegen
. kan basisvormen van ritme en bewegen uitvoeren in eenvoudige combinaties van bewegingsvormen en ruimtelijke patronen
volksdans
. kan eenvoudige dansen uit het internationale volksdansrepertoire uitvoeren
. heeft enige kennis over de culturele achtergrond van de uitgevoerde dans
jazzdans
. kan basisvormen van jazzdans uitvoeren in eenvoudige combinaties van bewegingsvormen en ruimtelijke patronen
-
conditionele vormen op muziek
2 bewegingsvormen uitvoeren in het juiste tempo en het ritme van de muziek of (muzikale)
begeleiding.
-
kan op het juiste moment de bewegingen inzetten, uitvoeren en stoppen
kan inspelen op het bewegen van anderen
3 verschillende bewegingsvormen op muziek onderscheiden en bewegen in
overeenstemming met de sfeer en het karakter van de muziek
4 een eenvoudige variatie maken (ontwerpen) op een uitgevoerde (bestaande) dans
-
toevoegen van arm- of beenbewegingen
5 eigen bewegen op muziek en dat van anderen beoordelen aan de hand van eenvoudige
criteria ten aanzien van uitvoering en presentatie.
LO/K7
Atletiek
De kandidaat kan
1 verschillende afstanden lopend afleggen in verschillende tempo's al dan niet met
hindernissen
-
een duurloop, sprint, estafette met vliegende wissel
de loopafstand en het looptempo op elkaar afstemmen
2 verspringen en hoogspringen
-
vanuit een aanloop op efficiënte wijze zo ver of zo hoog mogelijk springen
3 bij één van de volgende werponderdelen
-
speerwerpen
kogelstoten
discuswerpen
een zo groot mogelijke afstand halen
4 basiskenmerken van training aangeven en toepassen
-
kan de belangrijkste kenmerken en effecten van een goede warming-up en cooling-down aangeven en kunnen deze toepassen
kan de belangrijkste kenmerken en effecten van een duurloop en intervalloop aangeven en kunnen deze toepassen
kan de belangrijkste kenmerken van trainingsprincipes aangeven, te weten: frequentie, intensiteit, tijdsduur
5 conditie-aspecten meten en de betekenis daarvan toelichten
-
kan het individuele resultaat van een duurlooptest interpreteren
kan lichamelijke veranderingen bij inspanning (zweten, kleurverandering van de huid, spierpijn) interpreteren
kan de hartslagfrequentie in rust, na belasting en na herstel meten en interpreteren
6 oefen- en wedstrijdsituaties uitvoeren met in acht nemen van veiligheidsvoorschriften
-
kan veiligheidsmaatregelen bij werp-, spring- en looponderdelen aangeven en toepassen
kan de rol van starter, tijdwaarnemer en jurylid (meten van afstanden) uitvoeren
- kan elementaire fouten in de bewegingsuitvoering aangeven.
LO/K8
Zelfverdediging
De kandidaat kan deelnemen aan één vorm van zelfverdediging genoemd onder 1 t/m 3
1 stoeispelen (vormen van judo)
- kan de medespeler uit evenwicht brengen, kantelen en reageren op evenwichtsverstoringen van de tegenstander en kan de
medespeler onder controle brengen en houden (houdgrepen)
- kan reageren op aanvallende acties van de medespeler en zich bevrijden uit de controle van een tegenstander
- kan het vallen opvangen of breken en het vallen van een medespeler veilig begeleiden
2 trefspelen (keuze uit: vormen van boksen, vormen van schermen of vormen van karate-do)
- kan de medespeler raken (tikken) op het afgesproken trefvlak (bijvoorbeeld signaalboksen), het aanvalsinitiatief nemen (verrassen)
en overnemen (bijvoorbeeld riposte en contra-riposte bij sabelschermen)
- kan ervoor zorgen zelf niet geraakt te worden (ontwijken of afweren)
3 preventie van (sexueel) geweld (zelfverdediging voor meisjes of zelfverdediging voor
jongens)
-
kan technieken uitvoeren om aanvallers te ontmoedigen
kan bevrijdingstechnieken uitvoeren
kan situaties beschrijven die kunnen escaleren tot fysiek en sexueel geweld herkennen
kan in mogelijk escalerende situaties de eigen houding en het eigen gedrag bepalen
kan lichaamstaal interpreteren in mogelijk escalerende situaties en kan (duidelijke) eigen grenzen stellen
35
-
kan zich onttrekken aan omgevingsdruk en bondgenoten zoeken (met name voor jongens)
kan preventieve maatregelen aangeven om fysiek en sexueel geweld te voorkomen
4 de medespeler/tegenstander respecteren en rekening houden met diens
bewegingsmogelijkheden en wensen
-
kan samen oefenen en sparren
5 veiligheidsvoorschriften en (etiquette)regels aangeven en in acht nemen tijdens de
uitvoering
-
kan afspraken maken over raakvlakken en stoptekens
kan momenten herkennen die kunnen escaleren tot aanvallende agressie
toont vertrouwen in eigen en andermans handelen
durft eigen grenzen aan te geven
6 in spelvormen regelende taken vervullen
-
kan als spelleider start- en stoptekens geven en punten tellen
kan onderling afspraken maken over regels
kan volgens een (zelf) afgesproken toernooischema.
LO/K9
Sportoriëntatie en sportkeuze
De kandidaat kan
1 verschillende mogelijkheden voor deelname aan sport en beweging in de omgeving
noemen en de belangrijkste kenmerken van dit aanbod beschrijven
2 kenmerken van het aanbod van sport en bewegen in verband brengen met de persoonlijke
wensen, motieven en mogelijkheden om deel te nemen
3 op basis van inzicht in eigen wensen, motieven en mogelijkheden een gemotiveerde keuze
maken voor twee door de school aangeboden keuze-activiteiten op het terrein van sport en
bewegen
4 reflecteren op eigen ervaringen op het terrein van sport en bewegen en op basis daarvan de
eigen keuze verbreden en/of verdiepen.
36
Eindtermen LO1
Domein A
Algemene doelstellingen
De kandidaat kan:
1 zelfstandig, actief, reflectief en kritisch deelnemen aan de bewegingscultuur;
2 bewegend en regelend (in leidinggevende rollen) deelnemen aan uiteenlopende bewegingssituaties;
3 (bewegende of regelende) deelname aan bewegingssituaties afstemmen op de mogelijkheden, wensen en
kenmerken van anderen;
4 belangrijke aspecten van uiteenlopende bewegingssituaties onderkennen en hanteren;
5 waarden en normen in bewegingssituaties onderkennen en hanteren;
6 zelfstandig en actief leren, zowel individueel als in (kleine) groepen;
7 plezier beleven aan het deelnemen aan verschillende bewegingssituaties;
8 informatie inwinnen over vervolgopleidingen en beroepen c.q. vrijwilligerswerk waarin sport en bewegen
een rol spelen;
9 nagaan in hoeverre hij capaciteiten en interesses op het gebied van studiehouding en vaardigheden bezit die
wenselijk dan wel noodzakelijk worden geacht voor vervolgopleidingen en beroepen c.q. vrijwilligerswerk
waarin sport en bewegen een rol spelen.
Domein B
Bewegen
De school neemt alle eindtermen van domein B in het aanbod op. De school neemt minimaal de door de
kandidaat te volgen onderdelen bij de eindtermen 10 t/m 15 in het aanbod op. De school bepaalt welke en
hoeveel onderdelen worden aangeboden.
Voor de leerlingen zijn eindterm 10 en 15 verplicht. Van de eindtermen 11 t/m 14 moet de leerling er ten minste
twee kiezen.
De kandidaat kan:
10 deelnemen aan minimaal:
één slag- en loopspel;
twee doelspelen;
één terugslagspel;
waarbij het gaat om:
het verdiepen (bijvoorbeeld wat betreft aantal spelers, techniek, tactiek, regels en materiaal) van spelen uit
de basisvorming;
het leren van de beginselen van één of meer niet in de basisvorming behandelde spelen;
het vervullen van verschillende taken in spelsituaties (bijvoorbeeld werper, aanvaller, spelverdeler) en
het onderkennen en hanteren van een diversiteit aan materiële omstandigheden, (spel)regels,
groepsindelingen en dergelijke.
11 deelnemen aan minimaal één van de volgende turnonderdelen:
springen;
zwaaien;
balanceren;
waarbij het gaat om:
het verdiepen van in de basisvorming behandelde turnactiviteiten (bijvoorbeeld door vergroting van afstand
en hoogte bij springen en richtingveranderingen (waaronder draaien) bij het in en uit de zwaai komen) en
het leren van de beginselen van niet in de basisvorming behandelde turnactiviteiten.
12 deelnemen aan minimaal één van de volgende onderdelen van bewegen op muziek:
ritme en bewegen;
volksdansen;
jazzdans;
vorm van bewegen op muziek naar keuze;
waarbij het gaat om:
het verdiepen (bijvoorbeeld choreografisch, technisch en/of muzikaal) van in de basisvorming behandelde
vormen van bewegen op muziek en/of
het leren van de beginselen van niet in de basisvorming behandelde vormen van bewegen op muziek.
37
13
-
14
15
deelnemen aan minimaal één van de volgende atletiekonderdelen:
lopen;
springen;
werpen;
waarbij het gaat om:
het verdiepen (bijvoorbeeld technisch, tactisch, prestatief, qua omgeving) van in de basisvorming
behandelde atletiek-activiteiten (duurloop, sprint, trainingsloop, estafetteloop, ver- en hoogspringen,
speerwerpen, kogelstoten en werpen met de discus of een slingerbal) en/of
het leren van de beginselen van niet in de basisvorming behandelde atletiek-activiteiten.
deelnemen aan minimaal één van de volgende onderdelen van zelfverdediging:
stoeispelen;
trefspelen;
waarbij het gaat om:
het verdiepen (bijvoorbeeld wat betreft tactiek, techniek, regels en materiaal) van in de basisvorming
behandelde zelfverdedigings-activiteiten (judo, schermen en/of boksen) en/of
het leren van de beginselen van niet in de basisvorming behandelde zelfverdedigings-activiteiten.
deelnemen aan minimaal drie keuze-activiteiten die niet zijn opgenomen in de eindtermen 10 tot en met 14
(bijvoorbeeld zwemmen (o.a. zwemslagen, overlevingszwemmen, springen en spelen), watersporten,
wintersporten, regionale sporten, mikspelen, mountain-biking, sportklimmen, triatlon) waarbij het gaat om
het leren van de beginselen.
Domein C
Bewegen en regelen
De kandidaat kan:
16 de deelname van leerlingen aan bewegingssituaties op verschillende punten observeren en beoordelen.
17 bewegingssituaties ontwerpen, inrichten, op gang brengen, analyseren en (zo nodig) aanpassen gezien de
kwaliteiten en wensen van de deelnemers.
18 hulpverlenen aan (mede)leerlingen gebruikmakend van geschikte hulpverleningstechnieken.
19 (samen met anderen) leidinggevende rollen vervullen, waarbij het gaat om het vervullen van de rol van
instructeur, coach/begeleider, scheidsrechter en organisator.
Domein D
Bewegen en gezondheid
De kandidaat kan:
20 de betekenis van sport en bewegen voor de (beleving van) gezondheid in brede zin aangeven.
21 een relatie leggen tussen sport en bewegen en andere gezondheidbevorderende of -belemmerende factoren
in het dagelijks leven.
22 op basis van de inschatting van de (eigen) lichamelijke fitheid, een trainingsprogramma opstellen.
23 blessurerisico's voor zichzelf en anderen vermijden, blessures herkennen en (laten) behandelen.
24 in bewegingssituaties de belasting afstemmen op de eigen (fysieke) mogelijkheden.
25 deelnemen aan minimaal één activiteit die gericht is op verbetering van de lichamelijke fitheid en één
activiteit die gericht is op ontspanning.
Domein E
Bewegen en samenleving
De kandidaat kan:
26 de verschillende mogelijkheden voor deelname aan sport en bewegen en de belangrijkste kenmerken van het
aanbod aangeven.
27 de eigen wensen, motieven en mogelijkheden wat betreft sport en bewegen toelichten.
28 op grond van hun persoonlijke vraag een bewuste keuze maken uit het aanbod van sport en bewegen in de
samenleving.
29 een beargumenteerde mening geven over maatschappelijke en ethische aspecten van sport en bewegen.
38
Download