Taal Blok 1 - Jozefschool Hillegom

advertisement
Samenvatting blok 1 TAAL groep 6
Het handschrift: de manier waarop iemand schrijft
Bliksemsnel: heel erg snel
De gasaansteker: een aansteker om het gas of een kaars aan te steken
Het vergiet: een mand met gaatjes, waardoor water uit voedsel loopt
Horizontaal: een streep, gelijk aan de horizon
Piepjong: net geboren, heel jong
Verticaal: een streep, die van boven naar beneden loopt
Het toetsenbord: het letterbord, dat bij een computer hoort
Het aanrecht: het werkblad en kastjes in de keuken
De handtekening: je naam, speciaal opgeschreven
Persoonsvorm
De persoonsvorm verandert als het onderwerp verandert van een in meer of
andersom.
Bv: Ik loop naar huis – wij lopen naar huis
Als je de zin vragend maakt komt de persoonsvorm vooraan in de zin.
Bv: Hij rent de straat uit – Rent hij de straat uit?
Omgevingstekst: Die kun je overal om je heen tegenkomen; in huis, op school,
op reis, op een voorwerp of op een scherm.
Bijvoorbeeld straatnamen, informatie op internet, informatie op een
thermometer enz.
Constant: steeds
Heimelijk: in het geheim
Openbaar: iedereen mag het horen
Spraakzaam: iemand praat veel
Sprakeloos: je weet niet wat je moet zeggen
Steeds: vaak, constant
De verklikker: iemand die iets verraadt
Verraden: iemand vertelt iets over de ander, wat de ander niet wilde
Wijzigen: veranderen
Zelden: bijna nooit
Spreken/luisteren:
Als spreker kun je vertellen, voorlezen of voordragen.
Of informatie geven of je mening geven.
Bij het spreken let je op: hoe je praat, hoe je staat, hoe je beweegt en hoe je
kijkt.
In een gesprek zeg je wat je weet en wat je vindt en je vraagt wat je niet
begrijpt en wat je nog meer wil leren.
Verbindingswoorden zijn: maar, want, toch, ook en daarom
Daarmee kun je van 2 zinnen 1 zin maken.
Bv: Ik eet vaak snoep. Dat vind ik lekker.
Ik eet vaak snoep, want ik vind dat lekker.
Bekend: veel mensen kennen die persoon of plaats of informatie
Gloednieuw: helemaal nieuw
In een wip: heel snel
Bloedheet: heel erg heet
Eindeloos: er komt geen einde aan
Halsoverkop: opeens, heel snel
In een mum van tijd: heel snel, in korte tijd
Reageren: iets zeggen of doen, omdat iemand iets tegen jou zegt
Voortdurend: steeds
Wildvreemd: heel erg vreemd
Zelfstandige naamwoorden zijn:
Woorden van mensen, dieren, dingen of planten.
Je kunt voor het woord de, het of een zetten.
De jongen, het paard, de pen, een zonnebloem.
Punten, komma’s en andere leestekens
Achter een vraagzin komt een ? (vraagteken)
Achter een korte zin met een waarschuwing komt vaak een !(uitroepteken)
Alle zinnen beginnen met een Hoofdletter.
Namen schrijf je ook met een Hoofdletter.
Als je veel dingen opnoemt in een zin, zet je achter die woorden een , (komma)
Een tekst schrijven
Als je informatie verzamelt voor een tekst, let je op:
- voor wie je het schrijft; jong of oud. Weten ze al veel over het
onderwerp.
- Wat voor tekst je schrijft; een verhaal of een weettekst.
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

Create flashcards