antenne sociaal-culturele

advertisement
ANTENNE SOCIAAL-CULTURELE
ONTWIKKELINGEN
Een toekomstverkenning ten behoeve van de Rijksplanologische Dienst
F.M.H.M. Driessen
Bureau Driessen
Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek
Utrecht, 2001
ISBN 90-73259-28-2
© Bureau Driessen, Utrecht, 2001.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
4.
CONCLUSIE: SOCIAAL-CULTURELE ONTWIKKELINGEN TOT 2030
In de voorgaande drie hoofdstukken zijn de basiselementen van deze onderneming
gegeven. In hoofdstuk 1 zijn theoretische keuzen gemaakt, in hoofdstuk 2 is het publieke
debat in kaart gebracht en in hoofdstuk 3 is een aantal lange termijn ontwikkelingen
cijfermatig geïllustreerd. In dit laatste hoofdstuk zal geprobeerd worden aan de hand van
het voorgaande een schets te geven van mogelijke sociaal-culturele ontwikkelingen en de
daarmee samenhangende ruimtelijke consequenties.
Economische groei
De afgelopen dertig jaar blijkt de economische groei gestaag te zijn en de destijds veel
indruk makende recessie begin jaren tachtig is in de grafiek zelfs nauwelijks terug te
vinden. Zoals gezegd, economische groei is gebaseerd op technologische en organisatorische vernieuwingen en er is geen reden om aan te nemen dat dit vernieuwingsproces tot
staan zal komen. Bovendien is de integratie in het productieproces van de laatste grote
technologische vernieuwing, de IT, nog lang niet voltooid. Voorlopig is er dus voldoende
basis voor verhoging van de productiviteit.
Serieuze bedreigingen van de economische groei van interne aard, zoals
teruglopende bestedingen, een beurskrach, inflatie of opbloei van extreem rechts, zijn —
tenminste als bedreiging van de groei op lange termijn — eigenlijk nauwelijks serieus te
nemen. Externe bedreigingen zijn natuurlijk altijd mogelijk, bijvoorbeeld oplopende
spanning Oost-West, niet te beheersen instroom uit de derde wereld, escalatie van het
conflict rond Israël en dergelijke. Een speciaal soort bedreiging zou van binnenuit kunnen
komen. Misschien wil men over tien of twintig jaar geen economische groei meer en
vooral niet de tredmolenachtige verschijnselen die daar bij horen, te kenschetsen met de
woorden meer, meer, meer. Op de opiniepagina's valt een enkele keer een dergelijke
oproep te beluisteren, meestal in verband met het milieu. Voorlopig lijkt het niet reëel met
een breed draagvlak voor dergelijke opvattingen rekening te houden.
Wat aan de economische groei vooral opvalt is de grote stabiliteit. Het tempo is
1
daarentegen zeer gematigd (2% gemiddeld per jaar sinds 1970). Daar rekening mee
houdend kan veilig aangenomen worden dat alle ontwikkelingen de komende 30 jaar vrij
gematigd zullen zijn en dat er van hemelschokkende veranderingen geen sprake kan zijn.
De jaren zestig of zeventig verschillen ook niet hemelsbreed van het huidige tijdsgewricht.
De economische groei mag — op lange termijn — gematigd zijn, de sociaalculturele gevolgen van deze groei zijn er niet minder om. Economische groei betekent niet
alleen meer inkomen, maar ook meer vrije tijd, en vooral een grotere economische onafhankelijkheid. De groei heeft een enorme toename van de keuzevrijheid van de burgers tot
gevolg gehad, niet alleen in de supermarkt of op de huizenmarkt, maar ook op de
banenmarkt en bij de keuze van een partner en van interactiepartners. Economische
motieven hoeven bij deze laatste keuzes geen rol meer te spelen. Vergroting van deze
vrijheid het leven naar eigen inzicht in te richten betekent een afname van de sociale
controle. Zoals hieronder nog betoogd zal worden is het met name deze sociale
verandering, de vergroting van de keuzevrijheid, die de kern uitmaakt van de sociaalculturele veranderingen de komende dertig jaar.
Politieke ontwikkelingen
De politieke ontwikkelingen die op de opiniepagina's vooral werden behandeld betroffen
Europa en politieke regelingen, meestal in verband met politieke participatie.
Uitbreiding van de EG met voormalige Oostblok landen staat op de rol en zal het
komende decennium zijn beslag krijgen. In economische zin is het een bescheiden
uitbreiding, qua bevolking gaat het om circa 80 miljoen inwoners1, dit is circa 20% van
het huidige inwonersaantal van de EG, dus ook dat is vrij bescheiden. De ervaringen met
deze nieuwe uitbreiding en met de aansluiting van Turkije over 10 à 15 jaar zullen in
belangrijke mate bepalen of de expansie van de EG daarna zal doorzetten. Naast Turkije
zou ook Marokko en eventueel Tunesië de deur kunnen openen naar de islamitische
wereld. Sociaal-cultureel zal de eerstvolgende uitbreiding vooral gevolgen hebben door de
instroom van arbeidskrachten uit de nieuwe lidstaten en dergelijke gevolgen komen
hieronder bij multiculturele ontwikkelingen aan de orde. Uitbreidingen daarna met
islamitische landen zullen in cultureel opzicht interessantere ontwikkelingen laten zien,
maar vallen buiten het gezichtsveld van deze verkenning.
Behalve uitbreiding staat ook een verdere eenwording van de EG op stapel. Snel zal
het niet gaan, deze eenwording, maar dat het proces tot staan komt is niet aannemelijk. Dat
betekent een versterking van de Europese bureaucratie, die nu al tot politieke
vervreemding leidt, zo kan men concluderen uit de opkomstcijfers voor het Europees
parlement. Democratisch schiet Europa te kort en aangezien Europese zaken bedisseld
worden door personen die hun politieke carrière al achter de rug hebben, valt niet te
verwachten dat dit snel zal veranderen.
De afnemende politieke betrokkenheid van de burgers, waar op de opiniepagina's
veel over te doen is, bleek vooral neer te komen op deze afnemende belangstelling voor
Europa. Verschuiving van de macht naar Europa zal waarschijnlijk ook de binnenlandse
politieke belangstelling verder eroderen. De teruglopende interesse voor een partijlidmaatschap is daar een voorbode van. Afnemende betrokkenheid van de burgers bij het politieke
proces is ook daaruit te verklaren dat de klassieke politieke opgave, de verdeling van de
1
Estland (1.4), Letland (2.4), Litouwen (3.6), Polen (38.6), Tsjechië (10.3), Slowakije (5.4), Hongarije
(10.1), Bulgarije (7.8), Malta (0.4) en Cyprus (0.8). Inclusief deze landen EG totaal: 455 miljoen. Door
daarop volgende aansluiting van Roemenië (22.4), de republieken in voormalig Joegoslavië (22.7) en
Albanië (3.5) zou dit naar circa 500 miljoen groeien. Turkije heeft 66 miljoen inwoners, Marokko 30,
Tunesië 10, Wit Rusland 10, Oekraïne 49 en Rusland 146. (www.cia.gov)
2
welvaart, inmiddels zijn scherpe kanten heeft verloren. Het is maar zeer de vraag of
vormen van meer directe democratie (gekozen burgemeester, referendum) dit proces
kunnen stoppen.
Tegenover de teruggang van politieke belangstelling staat een opbloei van one-issue
bewegingen op het gebied van natuur, milieu en mensenrechten. Niet alleen neemt het
aantal leden toe, ook hun politieke invloed groeit. Ook de invloed van allerlei organisaties
die één deelbelang vertegenwoordigen, neemt sterk toe (patiëntenverenigingen, OVreizigers, Effectenbezitters, ouders met een ... kind). De collectieve besluitvorming
verschuift zodoende van de democratische fora naar dergelijke bewegingen. Dit lijkt een
logische ontwikkeling, nu het politieke systeem zijn kernthema, de verdeling van de
welvaart, lijkt te verliezen2.
Verwacht kan worden dat burgers met politieke belangstelling meer energie zullen
gaan besteden aan dergelijke bewegingen dan aan de traditionele politieke partijen. Dit
temeer daar een ander belangrijk thema in de klassieke politiek, de godsdienst, als politiek
thema nog verder op de achtergrond is geraakt dan het verdelingsvraagstuk. Daarnaast is
het mogelijk dat de politieke belangstelling zich meer gaat richten op de lokale politiek,
waar de afstand tussen kiezer en gekozene kleiner schijnt.
Over de rol van de overheid, een ander onderwerp op de opiniepagina's, kan
opgemerkt worden dat deze ten gevolge van de welvaartsstijging zal afnemen voor zover
het de welvaartsverdeling en de uitvoering van allerlei taken, vooral op het gebied van de
sociale zekerheid, betreft. Door schaalvergroting zal de rol van de overheid toenemen waar
het gaat om de regulering van collectieve belangen zoals het milieu, economische en
handelsbelangen en dergelijke. Dit betekent een regelende overheid op grote afstand, die
er steeds vaker van beticht zal worden blindelings de federale richtlijnen van de EG uit te
voeren.
Op sociaal-cultureel gebied kan dus verwacht worden dat de vervreemding van de
Europese politiek gecompenseerd zal worden door meer belangstelling voor one-issue
bewegingen en lokale politiek. Door de overvloedige vrije tijd van de burgers is er ook
voldoende potentieel aan inzet om dergelijke bewegingen een factor van gewicht te
maken.
Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt
Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zijn in deze studie vooraf als bijzonder belangrijk
bestempeld. De publieke discussie ondersteunt deze keus. Uit enkele trendcijfers bleek
vooral een enorme toename van deel- en flexbanen en een forse toename van de
arbeidsparticipatie door vrouwen. Ook de arbeidsparticipatie door mannen is overigens
opgelopen en de dominante ontwikkelingen op de arbeidsmarkt schijnen dan ook vooral
neer te komen op deze twee punten: Iedereen aan het werk, maar wel steeds meer flexibel
en in deeltijd.
De economische groei leidt tot een grote vraag naar personeel en het gevolg is dat
steeds nieuwe groepen bij het arbeidsproces worden betrokken. De belangrijkste (min of
meer) nieuwe groep op de arbeidsmarkt bestaat momenteel uit vrouwen, die hun opmars
ongetwijfeld zullen voortzetten tot een gelijke positie aan de mannen is bereikt. Dat er veel
discussie is over de deelname van vrouwen heeft vooral te maken met achterhaalde
2
Dit lijkt strijdig met de hierna te formuleren verwachting dat de tweedeling in de maatschappij iets
sterker zal worden. De onderste klasse zal echter te klein zijn om het politieke debat naar zich toe te
trekken. De verdeling van de welvaart op boven-nationaal niveau wordt momenteel niet door een
democratisch politiek systeem aangestuurd en de derde wereld zal het dus moeten hebben van one-issue
bewegingen, voor zover het gaat om herverdeling van de welvaart.
3
rolverwachtingen en het feit dat het in omvang een grote groep is. Maar ook andere
groepen gaan steeds meer aan het werk, zoals werklozen en migranten. Ook ouderen
zullen veel vaker worden ingezet en momenteel is het al veel gewoner dan twintig jaar
geleden dat scholieren en studenten baantjes hebben en via stages en ervaringsplaatsen
worden dergelijke ontwikkelingen ook gestimuleerd. De laatste groep die bij het
arbeidsproces zal worden betrokken wordt gevormd door de arbeidsongeschikten. Velen
van hen kunnen uitstekend bepaalde taken uitvoeren, maar de bestaande regelingen staan
de inzet van dit arbeidspotentieel in de weg. Bij een dergelijke toename van de
arbeidsparticipatie zal het gevaar van de kostbare vergrijzing sterk meevallen.
Deze veel ruimere inzet van de gehele bevolking bij het arbeidsproces wordt mede
mogelijk gemaakt door daarmee samenhangende ontwikkelingen zoals emancipatie,
afname kindertal, IT-ontwikkeling, verbetering kinderopvang en — bepaald niet
onbelangrijk — het aantrekkelijker worden van het werk. Eén van deze factoren achter de
toename van de arbeidsparticipatie trekt vooral de aandacht, namelijk de enorme groei van
arbeid in deeltijd of in flexibele banen. De economische noodzaak om voltijd te werken is
weggevallen en dat geldt des te sterker in huishoudens waar meerdere personen een
inkomen hebben. Zodoende kan men door een part-time baan te nemen zelf bepalen welk
deel van de persoonlijke welvaart als vrije tijd geconsumeerd zal worden.
Wat de arbeidsoriëntatie betreft zijn er twee mogelijkheden. Of de brede
arbeidsparticipatie gaat samen met een fanatiekere carrière-gerichtheid. Wie zich sociaal
wil positioneren via het beroep heeft immers veel meer concurrenten. Grotere
differentiatie van de beloning naar prestatie kan deze oriëntatie versterken. Of een meer
post-materialistisch waardenpatroon krijgt de overhand, waarin het werk meer gezien
wordt als een aangename afwisseling op de overvloedige vrije tijd. Voor brede lagen van
de bevolking lijkt de laatste keuze toch meer voor de hand te liggen. Het werk is immers
weliswaar aanzienlijk aantrekkelijker dan vroeger, maar voor de meesten geldt toch dat het
nu ook weer niet zo bijzonder interessant is. Deeltijdarbeid en een vrij ontspannen
werkmoraal lijken zo de beste keus voor velen. Voor een deel van de bevolking zal deze
keus afhankelijk zijn van de levensfase: Aanvankelijk een grote inzet om een positie te
bereiken, daarna een meer ontspannen fase.
Een ontspannen werkmoraal is niet goed te verenigen met een steeds verder
doorgevoerd hedonisme, dat wil zeggen een sterke oriëntatie op vooral luxe consumptie3.
De voornaamste kwaliteit van luxe consumptie bestaat uit een vergelijking met een
eerdere situatie: Men heeft iets wat men nog niet had. Bij gematigde groei en een deels
post-materialistisch waarden-patroon is er geen overmatig groeiend inkomen om iedere
keer een hoger aspiratieniveau te bevredigen. Ook heeft luxe consumptie een zekere glans
door het feit dat anderen zich deze luxe niet kunnen veroorloven. Dit effect gaat vanzelf
verloren bij verbreiding onder brede lagen van de bevolking. De hedonistische oriëntatie,
als algemeen maatschappelijk verschijnsel, schijnt zodoende gedoemd zichzelf uit te
doven.
Samenvattend wordt verwacht dat iedereen aan de slag zal gaan. De meesten in
deeltijdbanen. Waarschijnlijk zal ook de grens tussen werk en vrije tijd vervagen, wat
betreft de betekenis voor de burgers. Want op het werk zal het sociale contact een steeds
belangrijker aspect worden, evenals de intrinsieke waarde van het werk. Terwijl een
zinvolle invulling van de vrije tijd vaker plaats zal vinden door middel van activiteiten die
in bepaalde opzichten op werk lijken, zoals vrijwilligerswerk, studie, inspanning vergende
3
Toename van de middellange vakanties (4 - 7 nachten, 1988 - 1999, van 25 naar 32%) zou bijvoorbeeld
opgevat kunnen worden als een teken van een toename van een hedonistische oriëntatie. Men moet er
dan wel rekening mee houden dat de prijzen van dergelijke vakanties gedaald zijn. Hedonisme als
oriëntatie trekt steeds de aandacht na periodes van sterke economische groei als voor nieuwe groepen in
de samenleving bepaalde luxe goederen binnen handbereik komen.
4
activiteiten en cultuurbeoefening.
Multiculturele ontwikkelingen
In deze Antenne is vooraf gepostuleerd dat multiculturele ontwikkelingen van belang zijn
voor de sociaal-culturele ontwikkelingen en deze keus is bevestigd bij de inventarisatie
van de meest besproken onderwerpen in het publieke debat. Uit enkele cijfers bleek dat het
migratiesaldo sterk fluctueert, maar op langere termijn duidelijk oploopt en dat de
arbeidsparticipatie van allochtonen toeneemt, maar dat deze stijging achterblijft bij de
stijging voor autochtonen.
Deze instroom zal zeker aanhouden. Het asielbeleid staat nauwelijks ter discussie en
de bestaande regelingen voor gezinshereniging evenmin. Alleen tijden met aanhoudende
recessie zouden daar verandering in kunnen brengen, maar er wordt hier van uitgegaan dat
dergelijke recessies tijdelijk van aard zullen zijn.
Het karakter van deze instroom is gewijzigd. Ging het aanvankelijk om grote en qua
cultuur homogene groepen (Surinamers, Turken, Marokkanen) inmiddels gaat het steeds
om vrij kleine groepen, die in verband met repressie (of een oorlogssituatie) hun land
gedurende een bepaalde periode ontvluchten (Irakezen, Iranezen, Joegoslaven, Somaliërs).
De totale omvang van dergelijke groepen in Nederland zal nooit de omvang van de
Marokkanen of Turken benaderen. Door de op mondiale schaal verdergaande
democratisering kan verder verwacht worden dat instroom van asielzoekers uit vrij ver
ontwikkelde landen met een westerse cultuur die door een dictatuur geteisterd worden
(bijvoorbeeld Argentinië, Chili) inmiddels tot het verleden behoort. Naast de instroom van
asielzoekers zal de komende tijd ook een stroom vanuit Oost-Europa op gang komen, ook
met een voornamelijk westerse cultuur.
De allochtone wereld zal de komende tijd zodoende bestaan uit twee grote groepen
met een niet-westerse oriëntatie (Marokkanen, Turken) een grote en een kleine groep met
een tamelijk westerse oriëntatie (Surinamers en Antillianen, Molukkers), een aantal kleine
groepen met een westerse oriëntatie (Chilenen, Joegoslaven, Oost-Europeanen, etc.) en
een groot aantal kleine groepen met een niet-westerse oriëntatie (Kaapverdianen,
Ghanezen, Iranezen, Irakezen etc.), die nog onderverdeeld kunnen worden in islamieten en
niet-islamieten.
De vraag doet zich nu voor wat de invloed van al deze verschillende culturele
bagages zal zijn op de sociaal-culturele veranderingen in Nederland. Volgens de hier
aangehangen opvatting dat sociaal-culturele veranderingen in belangrijke mate bepaald
worden door veranderingen op de arbeidsmarkt, kunnen op basis van deze externe
culturele invloeden geen grote veranderingen verwacht worden in de wijze waarop men in
Nederland zijn leven inricht. Dit temeer daar er van een zeer heterogene verzameling
culturen sprake is. Ook in Amerika, waar al veel langer een grote instroom van
verschillende culturen plaats vindt, kan men niet spreken van sterke invloeden van deze
externe culturen op de dominante gedragspatronen.
Dat wil niet zeggen dat deze externe culturen zullen verdwijnen in het niets. Een
deel van de allochtone bevolking zal inderdaad binnen twee of drie generaties opgaan in
de autochtone samenleving, maar een aantal groepen zal een eigen culturele identiteit
weten te handhaven, waarschijnlijk zelfs generaties lang. Welke groepen dat zullen zijn
valt niet te zeggen. Aangenomen kan worden dat er in ieder geval binnen de grotere
groepen met een niet-westerse cultuur (Marokkanen, Turken) dergelijke culturele eilanden
zullen blijven bestaan en dat deze ook vrij omvangrijk zullen zijn. Bij de kleinere groepen
zal dit afhankelijk zijn van toevallige factoren, zoals concentratie qua woonplaats,
homogeniteit in sociale positie en vooral de aard van de religie. Cultureel krachtige
religies met mondiaal prestige, zoals de islam, en orthodoxe en veeleisende vormen van
5
religie, zoals meer fundamentalistische vormen, zijn een steviger basis voor dergelijke min
of meer afgeschermde groepen dan een lokaal geloof, dat nog weinig culturele neerslag
heeft gevonden, zoals vormen van animisme.
De belangrijkste sociaal-culturele verandering die de multiculturele samenleving
teweeg zal brengen is, dat er manieren gevonden zullen worden met deze culturele
groepen zo om te gaan en ze als groep op een zodanige wijze in de maatschappij te
integreren, dat ze hun culturele identiteit kunnen behouden, zonder doorlopend met de rest
van de samenleving in conflict te komen. Wat dat betreft heeft Nederland een traditie, dus
erg somber hoeft men daarover niet te zijn. Het enige wat er moet gebeuren is dat men
zich realiseert dat wat dit betreft het verschil tussen een zwarte kousenkerk, waar we al
honderdvijftig jaar mee overweg kunnen, en een of andere fundamentalistische sekte niet
bijster groot is.
Veel zorgelijker dan de culturele is de sociaal economische positie van deze
groepen. Het gevaar dat zich een gekleurde onderklasse ontwikkelt — zoals die
momenteel bestaat in Amerika — is waarschijnlijk reëel. Weliswaar zullen in de WestEuropese verzorgingsstaten de verschillen tussen onder- en middenklasse minder
schrijnend zijn dan daar, maar dit wil niet zeggen dat de zaak op zijn beloop gelaten kan
worden. Aangenomen kan dus worden dat de overheid hiertoe maatregelen zal nemen,
want bij het huidige tempo van toetreding tot de arbeidsmarkt wordt het verschil tussen
allochtonen en autochtonen alleen maar groter.
Als de overheid maatregelen gaat nemen om de arbeidsparticipatie van de
allochtonen te vergroten, dan zou, met het oog op de efficiëntie, gekozen kunnen worden
voor openlijke positieve discriminatie. Waarschijnlijk vreest men negatieve rand-effecten
en zal worden gekozen voor algemene maatregelen gericht op alle onderste groepen. Dat
dergelijke maatregelen veel politieke strijd zullen opleveren is zodoende niet waarschijnlijk.
Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de belangrijkste te verwachten
sociaal-culturele verandering ten gevolge van de ontwikkeling van de multiculturele
samenleving vooral op macro-niveau gezocht moet worden. Er zullen maatschappelijke
instituties en besluitvormingsprocedures ontstaan om een vreedzame coëxistentie met een
flink aantal culturele eilanden te waarborgen. De institutionalisering van de tolerantie zal
zo verder worden doorgevoerd. Tegelijkertijd zullen een aantal grenzen aan deze tolerantie
veel duidelijker worden geprofileerd (verdraagzaamheid ten opzichte van
andersdenkenden). De totale omvang van dergelijke religieus gefundeerde culturele
groepen zal vrij beperkt zijn. Cultureel in meer beperkte zin — muziek, literatuur,
voeding, kleding enzovoorts — zal er natuurlijk wel van een behoorlijke uitwisseling
sprake zijn.
Daarnaast kan verwacht worden dat de overheid maatregelen zal nemen om het
ontstaan van een gekleurde onderklasse te verhinderen. Omdat het niet redelijk is te
verwachten dat de overheid op dit gebied ineens wel zeer succesvol zal zijn, zal de
tweedeling in de maatschappij toch geprononceerder worden dan zij momenteel is.
Ontwikkeling van de sociale netwerken
Ontwikkelingen in de vorm van de sociale netwerken van de burgers zijn a priori
belangrijk genoemd in deze Antenne. De inventarisatie van de maatschappelijke discussie
steunde deze keus niet. Enkele trendcijfers (scheidingen, kindertal, eenpersoonshuishoudens) doen vermoeden dat er toch van een belangrijke ontwikkeling sprake is.
Burgers vervangen momenteel sterke bindingen door zwakke bindingen, zo wil de
theorie. Waren vroeger gedurende het hele leven slechts enkele interactiepartners, meestal
familieleden, relevant voor het vinden van een baan, sociaal contact, advies bij de keuze
6
van een levenspartner of woning en ondersteuning bij tegenslag zoals ziekte en werkloosheid, momenteel zijn de sociale netwerken veel uitgebreider en zijn er veel meer personen
van belang. En deze verschillende personen in het netwerk wonen ook niet meer altijd
vlak in de buurt.
Aansluitend op deze tendens enkele sterke bindingen te vervangen door een groot
aantal zwakke, verandert ook de wijze waarop mensen zich oriënteren. De lokale betrokkenheid heeft plaats gemaakt voor een veel lossere, maar veel ruimere betrokkenheid. Men
oriënteert zich niet alleen op de directe omgeving, maar evenzeer op de andere kant van de
wereld. Deze ontwikkeling wordt in verband gebracht met de implosie van de afstand.
Maar of dat de enige relevante factor is, is de vraag, want ook op niet-ruimtelijke gebieden
is een dergelijke vervanging van één sterke oriëntatie op één instantie door vele oriëntaties
op veel instanties aan te wijzen.
Cultureel oriënteert men zich niet langer op één levensbeschouwing, maar op een
scala van religieuze en filosofische gezichtspunten. Politiek voelt men zich niet exclusief
betrokken bij één stroming, maar men oriënteert zich op een aantal actiepunten, die door
verschillende instanties behartigd worden (one-issue bewegingen)4. Ook moderne
bewegingen met een ruimere pretentie dan 'one issue', zoals de feministische beweging of
initiatieven ter bevordering van de ontwikkeling van derde wereldlanden, zijn aanzienlijk
smaller van reikwijdte, dan de traditionele godsdiensten, met hun universele aanspraak op
een waardeoordeel over al het doen, laten en denken van gelovigen èn ongelovigen.
De achtergrond van deze ontwikkeling naar een veel ruimere sociale oriëntatie met
veel losse sociale contacten in plaats van enkele zeer goede contacten is zonder twijfel de
economische voorspoed. Deze maakte de implosie van de afstand mogelijk, maar
belangrijker is dat de bestaanszekerheid van de burgers enorm is toegenomen en dat deze
bestaanszekerheid niet langer afhankelijk is van enkele personen, van één sociale groep of
van één institutie. De noodzaak om zich te conformeren aan de sociale normen van
familie, woonbuurt, werkgever, godsdienst of partij is weggevallen. Hierdoor is het
mogelijk de sociale interactiepartners min of meer vrij te kiezen. Daar komt nog bij dat de
niet-arbeidstijd per werkende5 is toegenomen en dat zodoende de intrinsieke waarde van
sociaal contact sterk stijgt. Men moet toch wat doen met al die vrije tijd en sociaal contact
gaat samen met gevoelens van zinvolle tijdsbesteding.
Het hierboven beschreven proces wordt meestal als individualisering aangeduid en
sommige aspecten hebben dat karakter, zoals de toename van eenpersoonshuishoudens,
van scheidingen en van de arbeidsparticipatie, zodat iedereen zelf werk heeft en in het
eigen inkomen voorziet. Maar er is evenzeer sprake van een zekere socialisering in die zin
dat veel sociaal contact met veel verschillende personen belangrijker wordt. Omdat enkele
interactiepartners niet langer gebruikt worden voor een groot aantal functies (partner, baan,
woning, ondersteuning, emotionele binding) heeft men ook veel interactiepartners nodig.
Deze gerichtheid op veel vrij los sociaal contact zal op alle levensgebieden gevolgen
hebben. Zo wordt de klassieke huishoudensvorm, het gezin, meer en meer verlaten, zo
blijkt ook uit de cijfers. Dat is niet alleen te verklaren uit de hang naar veel verschillend
sociaal contact. Een rol speelt ook dat de periode van het leven, waarin men kinderen
krijgt en verzorgt, gedaald is van circa 50% van het hele leven naar 25% door het
afnemend kindertal enerzijds en de stijgende leeftijd anderzijds6. Dat de huishoudensvorm
4
Castells M (1996-1998) The information age: economy, society and culture. Vol. I. The rise of the
network society. Vol. II. The power of identity. Vol. III. End of the millennium. Malden USA/Oxford UK:
Blackwell Publishers.
5
Door de grotere arbeidsparticipatie daalt de vrije tijd per Nederlander overigens.
6
Van 20 jaar tot 50 jaar 4 kinderen verzorgen en een gemiddelde leeftijd van 60 jaar, geeft 50%. Van 30
tot 50 jaar 1 kind verzorgen en een gemiddelde leeftijd van 80 jaar geeft 25%.
7
die met name geëvolueerd schijnt te zijn voor het krijgen en verzorgen van kinderen dan
minder populair wordt, ligt voor de hand.
De grotere gerichtheid op de mogelijkheden tot sociaal contact op het werk is
hierboven al besproken. Ook omdat het belang van de familie en het gezin afneemt kan
verwacht worden dat het belang van sociaal contact op het werk zal toenemen. Men moet
tenslotte ergens zijn interactiepartners vandaan halen. Verdere institutionalisering van
vormen van sociaal contact op het werk is al geruime tijd gaande (uitjes, verenigingen).
Wat de vrije tijd betreft kan eenzelfde verschuiving verwacht worden naar vormen
die aantrekkelijk contact meebrengen. Sport is omgeven met allerlei vormen van sociaal
contact en dat in sterkere mate dan bepaalde vormen van cultuurparticipatie. De
populariteit van meer individuele vormen van cultuurparticipatie zoals zelf muziek maken,
museumbezoek, theaterbezoek en vooral lezen loopt waarschijnlijk (verder) terug.
Wat betreft het wonen kan verwacht worden dat de favoriete woonvorm nog vaker
dan momenteel het appartement zal zijn. Het gezinshuis als woning voor het leven voldoet
immers nog maar gedurende een kwart van dat leven. Ook de binding aan de woonbuurt in
sociaal opzicht loopt waarschijnlijk verder terug. Buurtbinding had vroeger een basis in de
noodzaak ondersteuning bij de hand te hebben in moeilijke situaties (kinderopvang). Deze
noodzaak wordt minder. Door de vergemakkelijking van vervoer, door het feit dat men
sneller van baan verandert en doordat er per huishouden meerdere banen zijn is het
anderzijds minder aantrekkelijk geworden naar het werk te verhuizen. Dit zou de buurtbinding kunnen versterken7.
De sociaal-culturele veranderingen ten gevolge van verandering in de aard van de
sociale netwerken kunnen zodoende veelvormig zijn. Men kan zich echter afvragen of het
werkelijk zo zal zijn dat de burgers overal en in alle omstandigheden zullen letten op de
mogelijkheden tot en de kwaliteit van het sociale contact. Is het wel zo dat zij in een soort
geeuwhonger naar sociaal contact zullen vervallen? En kan die honger wel bevredigd
worden door zeer veel, maar uiteraard juist daardoor vrij oppervlakkige contacten?
Verwacht kan worden dat er een evenwicht zal optreden tussen het aantal contacten en de
kwaliteit van de contacten. Dat evenwicht zal voor ieder individu ergens anders liggen,
maar aangenomen kan worden dat het gemiddelde voor de maatschappij als geheel
voorlopig nog een stuk stijgt in de richting van veel contacten.
Ook is het de vraag in hoeverre deze verschuiving naar meer sociaal contact
algemeen zal zijn. Bij de multiculturele samenleving is er op gewezen dat de tweedeling in
de samenleving waarschijnlijk geprononceerder wordt. De verschuiving naar meer
geïndividualiseerde leefvormen zal in de allochtone wereld waarschijnlijk ook veel minder
ver doorgevoerd worden. Dat versterkt de tweedeling in de maatschappij.
Ruimtelijke consequenties
In deze laatste paragraaf gaat het niet zozeer om te verwachten ontwikkelingen, maar om
de mogelijke consequenties op ruimtelijk gebied van de hierboven besproken toekomstige
ontwikkelingen. Uit de analyse van de discussies op de opiniepagina's kwam slechts
weinig belangstelling voor ruimtelijke problemen naar voren. Als er al belangstelling was
betrof het bijna steeds de vervoersproblematiek. Er wordt hier toch expliciet aandacht
besteed aan ruimtelijke consequenties, omdat het doel van deze studie nu juist is een lange
termijn perspectief op toekomstige ontwikkelingen te geven ten behoeve van de
7
Zie ook het volgende onderzoek: Bureau Driessen (2000) Losvoetige relaties. De ruimtelijke onthechting
van burgers. Studierapport Rijksplanologische Dienst no. 11.
8
ruimtelijke ordening, die immers een bijzonder lange tijdshorizon kent.
Allereerst doet zich dan de vraag voor of er de komende decennia nog wel behoefte
zal zijn aan ruimtelijke ordening op nationaal niveau. Is het niet eerder zo dat de
toenemende keuzevrijheid van de burgers er ook toe zal leiden dat deze burgers zelf de
beslissingen over de ruimtelijke inrichting zullen willen nemen, liefst op individueel
niveau, maar desnoods op lokaal niveau?
De momenteel al optredende tendens tot decentralisatie zal zeker verder doorzetten
en in de discussies die rond de Vijfde Nota worden gevoerd is dit geluid dan ook duidelijk
hoorbaar. Maar er zijn grenzen aan de decentralisatie. De collectieve gevolgen van
individuele (of lokaal politieke) keuzen spelen op lange termijn en op hogere
schaalniveaus en het is redelijk om aan te nemen dat deze gevolgen bij besluitvorming
door burgers of bedrijven of op lokaal politiek niveau onvoldoende zullen worden
meegewogen. Zodoende zal er behoefte blijven aan belangenafweging op het nationale
schaalniveau en de natuurlijke lobby van voorstanders van nationale sturing van de
ruimtelijke inrichting, zoals milieu-, natuur- en openbaar vervoerorganisaties, is sterk
genoeg om ervoor te zorgen dat aan deze behoefte voor een groot deel tegemoet gekomen
zal worden. Aangenomen kan dus worden dat er een duidelijke rol blijft bestaan voor
ruimtelijke ordening op nationaal (en Europees) niveau.
Wat nu de consequenties van de hierboven besproken lange termijn ontwikkelingen
voor de ruimtelijke inrichting betreft, kan het volgende worden opgemerkt8. Als algemene
tendensen is in het voorgaande vooral gewezen op de toename van de individuele
keuzevrijheid en de daarop gebaseerde uitdijing van de sociale netwerken. Deze uitdijing
van de netwerken zal een ruimtelijke weerslag krijgen in een toename van de mobiliteit.
Enerzijds zullen de burgers meer reizen om de leden van hun uitgebreide netwerk te
ontmoeten. Hun interactiepartners wonen niet langer vooral in dezelfde woning, in
dezelfde buurt of in dezelfde stad. En bovendien zullen zij méér interactiepartners te
bezoeken hebben9.
Anderzijds zullen de burgers vaker voor mobiliteit in plaats van voor migratie
kiezen. Met het werk mee of naar het werk toe verhuizen zal steeds minder vaak een
logische keus zijn. Men wisselt immers vaker van baan en per huishouden zijn er
meerdere banen. Bij flexibele of deeltijdarbeid kunnen de ongemakken van een grote
woon-werkafstand (met name files) bovendien voor een groot deel geminimaliseerd
worden. Wonen bij het werk of van huis uit werken wordt ook steeds zeldzamer en van
oudsher thuiswerkende beroepsgroepen (artsen, advocaten) brengen momenteel vaker een
splitsing aan tussen woon- en werklocatie. Dit hangt samen met de clustering van
dergelijke beroepen in groepspraktijken en advocatenkantoren, die is ingegeven door
specialisering.
Het heeft weinig zin de ruimtelijke ordening te richten op het terugdringen van deze
groeiende mobiliteit, bijvoorbeeld door te streven naar een korte afstand tussen woon- en
werklocaties. Er zijn immers meerdere banen per huishouden en de burgers verhuizen niet
naar hun werk toe10. De ruimtelijke ordening zal vooral gericht moeten zijn op het
faciliteren van de toenemende vraag naar mobiliteit.
8
Zie ook: Bureau Driessen (1999) Het Carnaval der Stadsconcepten. Steden, beelden en beleid.
Studierapport Rijksplanologische Dienst, no. 1.
9
Dit geldt niet alleen voor hun privé sociale contacten, maar ook voor hun beroepsmatige netwerk.
10
Dat neemt niet weg dat om andere redenen functiemenging sterk bevorderd moet worden. De
onaantrekkelijkheid van overdag doodstille slaapsteden en 's avonds uitgestorven kantoorwijken met —
ondanks alle inspanningen ter verbetering van de architectuur — grauwe kantoorkolossen, is inmiddels
genoegzaam gebleken. Functiescheiding is een relict uit het industriële tijdperk toen werk nog vies, vuil
en onaantrekkelijk was.
9
Er wordt wel gesteld dat door de vergemakkelijkte mobiliteit ('implosie van de
afstand'), maar ook door ontwikkeling van IT, door uitbreiding van de sociale netwerken
en globalisering, burgers en bedrijven 'footloose' zijn geworden. Bedoeld wordt dat de
noodzaak is vervallen zich op één bepaalde plaats te vestigen. Bedrijven en personen
kunnen zich overal vestigen, of nergens. Dat wil zeggen ze kunnen doorlopend wisselen
van locatie, wat er min of meer op neerkomt dat ze nergens definitief gevestigd zijn. En bij
de keuze van een locatie zijn bepaalde typen locaties, zoals een bedrijventerrein of een
woonbuurt, niet meer vanzelfsprekend. Ook verschillende activiteiten, die vroeger met
elkaar verbonden waren en ruimtelijk een eenheid vormden, worden ruimtelijk
gescheiden. De lagere school of het winkelcentrum hoeven niet meer op loopafstand van
de woning te liggen. Burgers hebben ook minder boodschap aan het sociale aspect van de
woonbuurt. En de directie van een bedrijf vestigt zich zonder bezwaar in een financieel
centrum, terwijl alle overige afdelingen elders achterblijven.
Dit komt neer op een veel grotere vrijheid bij de keuze van een woonplaats of van
een vestigingsplaats voor een bedrijf. En een eenmaal gemaakte keus zal bijna nooit een
min of meer definitief karakter hebben. Burgers en bedrijven zullen zo in staat zijn zeer
hoge eisen te stellen aan de inrichting van de ruimte. Bevalt het niet dan vertrekt men.
Men stemt met de voeten, zoals dat heet.
Voor de ruimtelijke ordening betekent dit, dat men niet alleen rekening moet
houden met de eisen van burgers en bedrijven op dit moment, maar dat men ook moet
anticiperen op de eisen de komende decennia. Op zich is dat geen nieuwe situatie. Dat was
altijd al zo en deze situatie vormde bijvoorbeeld het uitgangspunt van deze verkenning.
Het verschil is dat verwacht kan worden dat de ruimtelijke ordening in de toekomst veel
'strakker' afgerekend zal worden op minder geslaagde bedenksels. Men zou nog kunnen
hopen dat de schaarse ruimte in Nederland een zekere rem zet op footloose gedrag, maar
het is niet waarschijnlijk dat deze rem afdoende zal zijn. De ruimte is weliswaar schaars,
maar juist door het footloose worden van burgers en bedrijven wordt het aanbod aan
alternatieve locaties steeds groter: Men kan zich ook wel buiten Nederland vestigen, waar
— onder andere — de onroerend goed prijzen zoveel gunstiger zijn11. Door het footloose
worden, wordt de ruimte in Nederland dus eigenlijk minder schaars.
Anticipatie op toekomstige eisen is derhalve geboden, maar meer dan een globaal
beeld van toekomstige eisen is nu eenmaal niet te geven. Daarmee bevindt de ruimtelijke
ordening zich in de ongemakkelijke positie van de investeerder die voor vele miljarden
beleggingen moet doen, terwijl niet duidelijk is of er revenuen zullen zijn of dat straks de
investering als verloren dient te worden afgeschreven.
Lange termijn investeerders, zoals pensioenfondsen, lossen dit probleem op —
liever gezegd, proberen het op te lossen — door een mix van twee strategieën toe te
passen: Spreiding en flexibiliteit. Spreiding is een voor de hand liggende strategie. In een
risicovolle situatie is het erg onverstandig alles op één kaart te zetten. Flexibiliteit biedt
daarnaast de mogelijkheid verkeerde beslissingen halverwege de rit alsnog enigszins te
repareren, zodat niet de volledige investering hoeft te worden afgeschreven.
De situatie van de ruimtelijke ordenaar is vergelijkbaar met die van de pensioenbelegger en het is daarom zinvol zich af te vragen wat de vertaling in ruimtelijke termen van
spreiding en flexibiliteit zou kunnen zijn. Spreiding van investeringsrisico's in de
ruimtelijke ordening komt neer op een streven naar een flink aantal varianten, die niet
uitsluitend op details verschillen, maar die werkelijk leiden tot risicospreiding. In de
praktijk komt dit neer op een streven naar differentiatie en contrasten. Niet één oplossing
is de juiste, er zijn vele varianten denkbaar en welke straks succesvol zullen zijn is nu nog
11
De m2-prijs van een appartement in Antwerpen ligt ongeveer 5 à 6 keer lager dan die in Amsterdam. Het
is aannemelijk dat die discrepantie door migratie minder zal worden.
10
onbekend12.
De standaard oplossing in de ruimtelijke ordening van de afgelopen 30 jaar is juist
altijd het compromis geweest. Differentiatie werd beleden, maar het compromis werd
toegepast. Van alles wat en van alles een beetje: Flats in de groeikern — maar vooral niet
te hoog —; woningen met een tuin in stedelijk gebied — maar vooral een niet te grote tuin
—; een Randstad met een groen hart enzovoorts. En alle groeikernen in Nederland lijken
zodoende op elkaar, evenals alle winkelcentra. En alle stedelijke woonwijken op meer dan
5 minuten van het stadscentrum lijken weer sprekend op groeikernen. Dit doorlopende
compromis, dat geresulteerd heeft in een grote grijze homogeniteit, was misschien een
goede strategie in tijden van schaarste aan woningen en bedrijfsterreinen, maar die tijd is
voorbij. Burgers en bedrijven willen kiezen, door de ontwikkelingen kunnen ze kiezen en
op den duur zullen ze kiezen.
Het creëren van contrasten biedt een mogelijkheid te leren van mislukkingen en is
door spreiding van risico's minder riskant. De ruimtelijke ordening wordt zo een
instrument om het risico op mislukte (doorgaans gigantische) investeringen te
minimaliseren.
De andere strategie, flexibiliteit, is in de ruimtelijke ordening minder eenvoudig toe
te passen. Infrastructuur ligt per definitie vast. Bovendien kan flexibiliteit botsen met eisen
ten gevolge van duurzaamheid. Een flexibel gebouwde omgeving die zonder bezwaar na
tien jaar vervangen kan worden, zal over het algemeen niet erg duurzaam zijn. Een zekere
flexibiliteit kan verkregen worden door zeer zware en kostbare infrastructuur zo mogelijk
te vermijden. Maar deze 'flexibiliteit' komt toch eigenlijk neer op hetzelfde als hierboven:
Spreiding van risico's.
Afsluiting
Aangenomen kan worden dat de verdere groei van de individuele keuzevrijheid de
belangrijkste ontwikkeling in de komende decennia zal zijn. Inperking van deze vrijheid
zal door de burgers slechts geaccepteerd worden indien het marginale beperkingen op voor
de burgers ondergeschikte punten betreft, zoals legitimatieplicht of cameratoezicht, of
beperkingen voor kleine specifieke groepen, zoals speciale regimes voor zware criminelen
of zwaar verslaafden. Op alle andere gebieden zullen de burgers nog vaker dan
tegenwoordig zelf willen bepalen hoe zij hun leven inrichten.
Deze hang naar individuele keuzevrijheid leidt paradoxaal genoeg tot een afname
van de keuzevrijheid op collectief niveau: De mogelijkheid de maatschappij op een
bepaalde vooraf bedachte en vooraf gezamenlijk afgesproken wijze in te richten.
Maatschappelijke arrangementen die alleen te verwezenlijken zijn door de burgers een
deel van hun beslissingsbevoegdheden af te nemen zijn niet langer een reële optie. Om een
paar voorbeelden te noemen: Vergaande nivellering van inkomens of van kennis, een
sobere ontwikkeling in verband met het milieu, afname van de mobiliteit in verband met
congestie of positieve discriminatie ter bevordering van de sociale cohesie, zijn
veranderingen die hoogstwaarschijnlijk niet door de burgers geaccepteerd zullen worden,
omdat zij een inperking van inmiddels verworven vrijheden meebrengen. Daarom zijn
dergelijke sociale ontwikkelingen niet realiseerbaar.
De maakbare samenleving is precies om deze reden een utopie gebleken. Er valt niet
zoveel te sturen of te 'maken', als de burgers hun keuzevrijheid niet willen inleveren. En
het is wel zeker dat de burgers dat de komende dertig jaar niet willen.
12
Hier wordt vooral ingegaan op de feitelijke ruimtelijke inrichting, maar hetzelfde kan worden opgemerkt
over het besluitvormingsproces bij planning. Niet één procedure is de juiste. Er zou geëxperimenteerd
moeten worden met varianten.
11
Download