doc, 992 KB - Economiehulp

advertisement
Domein M
Economische kringloop
Nationaal inkomen / nationaal product / toegevoegde waarde (van een land):
Nationaal inkomen
=Y
= inkomen dat de bevolking van één land in één jaar
samen verdient.
Nationaal product
=W
= totale productie van een land in één jaar.
Toegevoegde waarde
= TGW
= toegevoegde waarde van bedrijven + overheid.
Nationaal inkomen
Y
=
=
Nationaal product
W
=
=
Toegevoegde waarde
TGW
Nationaal inkomen/product tegen factorkosten en tegen marktprijzen:
Nationaal inkomen/product tegen factorkosten (= loon + pacht + interest + huur +
winst)
+ kostprijsverhogende belastingen (o.a.: BTW, accijnzen)
- kostprijsverlagende subsidies
Nationaal inkomen/product tegen marktprijzen
Binnenlands inkomen/product en nationaal inkomen/product:
Binnenlands inkomen/product
Nationaal inkomen/product
NB: het verschil tussen het binnenlands product en het nationaal product gaat om het
verschil in gebruikte productiefactoren; het binnenlands product is de productie met
uitsluitend Nederlandse productiefactoren (Nederlandse arbeiders, Nederlands kapitaal,
... enz.), het nationaal product is de totale productie (met alle productiefactoren, ook
met buitenlandse productiefactoren).
Toegevoegde waarde (= TGW bedrijven + TGW overheid):
Toegevoegde waarde van bedrijven:
Verkoopwaarde
- verbruikte grond- en hulpstoffen (= inkoopwaarde)
- diensten van derden (bijv. transport, verzekering)
Toegevoegde waarde van bedrijven
Toegevoegde waarde van de overheid:
= ambtenarensalarissen
Berekening van het nationaal product/inkomen:
a)
Objectieve
De toegevoegde waarden van alle bedrijven en de overheid moeten
Methode:
bij elkaar worden opgeteld.
(Netto) nationaal = toegevoegde
+ toegevoegde
inkomen/product
waarde bedrijven
waarde overheid
b)
Subjectieve
De beloningen voor het ter beschikking stellen van de
methode:
productiefactoren moeten bij elkaar worden opgeteld.
(Netto) nationaal = loon + pacht + interest + huur + winst
inkomen/product
Netto en bruto nationaal inkomen / product / toegevoegde waarde:
Netto …………… (nationaal inkomen, product, toegevoegde waarde….)
+ afschrijvingen
Bruto …………… (nationaal inkomen, product, toegevoegde waarde….)
Consumeren, sparen en investeren:
Consumptie:
=C
het kopen van goederen (en diensten ) door gezinnen,
consumenten.
Besparingen:
=S
het deel van het inkomen dat niet wordt geconsumeerd
(S = Y – B - C).
Investeringen = I
het aanschaffen van kapitaalgoederen (door bedrijven/overheid).
Gemiddelde quote:
De omvang van de macro-economische grootheden in relatie tot het nationale inkomen:
Voorbeeld:
I
Y
C
Gemiddelde consumptiequote =
Y
Gemiddelde investeringsquote =

Marginale quote:
De verandering van de macro-economische grootheden in relatie tot de verandering van
het nationale inkomen:

Voorbeeld:
Marginale spaarquote =
S
Y
Marginale belastingquote =
NB:
B
Y
 van een quote ALTIJD delen door het nationaal inkomen (= Y)!
Bij het berekenen
Kapitaalgoederen: 
Kapitaalgoederen zijn goederen waarmee (andere) goederen/diensten kunnen worden
geproduceerd/geleverd.
NB: kapitaalgoederen worden alleen gekocht door bedrijven en overheid, nooit door
consumenten; als consumenten deze goederen kopen, dan worden deze goederen
automatisch consumptiegoederen genoemd.
Conclusie: afhankelijk van de ‘koper’ is een goed een kapitaalgoed (producenten) dan
wel een consumptiegoed (consumenten). Voorbeeld: Een auto gekocht door een
taxibedrijf is een kapitaalgoed. Dezelfde auto gekocht door een gezin is een
consumptiegoed.
Soorten kapitaalgoederen:
1)
Vast kapitaal:
Gaat meerdere productieprocessen mee (gebruik).
Bijvoorbeeld: Machines, transportmiddelen, inventaris.
2)
Vlottend kapitaal: Gaat tijdens het productieproces te niet (verbruik).
Bijvoorbeeld: grond- en hulpstoffen, voorraad
eindproduct.
Afschrijvingen:
Vaste kapitaalgoederen (bijv. machines) verslijten tijdens het produceren en dalen dus in
waarde. Om deze kapitaalgoederen t.z.t. te kunnen vervangen, dienen er afschrijvingen
plaats te vinden. D.w.z. er moet geld gereserveerd worden zodat nieuwe
kapitaalgoederen kunnen worden gekocht wanneer de oude kapitaalgoederen versleten
zijn.
Er kan alleen worden afgeschreven op vast kapitaal; vlottend kapitaal verslijt niet maar
wordt tijdens een productieproces verbruikt.
Soorten investeringen:
a)
Bruto investeringen
(=Ibr):
b)
Vervangingsinvesteringen
(= vvi):
c)
Netto investeringen
(= I):
d)
Uitbreidingsinvesteringen
(= ui):
e)
Voorraadinvesteringen
(= vri):
Schema:
Schema:
Totaal van alle investeringen;
vervangingsinvesteringen + netto-investeringen
Vaste kapitaalgoederen verslijten tijdens de productie
en moeten t.z.t. worden vervangen.
Het vervangen van versleten (reeds aanwezige)
kapitaalgoederen noemen we
vervangingsinvesteringen en worden betaald uit de
afschrijvingen (vvi = afs.).
Netto-investeringen kunnen worden gedaan in vaste
kapitaalgoederen (= uitbreidingsinvesteringen) of in
vlottende kapitaalgoederen (=
voorraadinvesteringen).
De netto-investeringen worden betaald uit de
besparingen (S = I).
Uitbreidingsinvesteringen leiden tot een groei van de
voorraad (nieuwe) vaste kapitaalgoederen en dus in
de toekomst tot een hogere productiecapaciteit.
Voorraadinvesteringen leiden tot een groei van de
voorraad vlottende kapitaalgoederen. Voorraden
ontstaan doordat niet alle geproduceerde goederen
worden verkocht. Een afname van de voorraad =
desinvestering (negatief).
Oefenopgaven (gesloten economie, zonder overheid):
1)
In een bepaald jaar is door de ondernemingen voor € 30 mld. aan
consumptiegoederen en voor € 14 mld. aan kapitaal goederen gemaakt. De
voorraadinvesteringen zijn € 3 mld. De uitbreidingsinvesteringen zijn € 7 mld.
3
3
10
7
14
11
4
2)
In land x bedraagt het nationale inkomen € 27 mld. Door de bedrijven werd voor
€ 14 mld. aan loon, voor € 3 mld. aan interest en voor € 3 mld. aan pacht uitgekeerd.
Verder schreven de bedrijven voor € 3 mld. af op de kapitaalgoederenvoorraad. De totale
bruto-investeringen bedroegen € 10 mld. De investeringen in vlottend kapitaal waren € 6
mld.
6
6
7
1
10
4
3
3)
Gegeven is een land met alleen gezinnen en bedrijven. De netto toegevoegde
waarde in bedraagt € 75 mld. Er wordt door bedrijven wordt aan loon € 50 mld.
uitbetaald, pacht € 10 mld. en interest/huur € 5 mld. De voorraadvorming bedraagt € 3
mld. In de bedrijven wordt voor € 14 mld. aan vast kapitaal geproduceerd. Het bruto
nationaal product is € 79 mld.
Hulpberekening: Bruto nationaal product – Netto toegevoegde waarde = Afschrijvingen
3
3
13
10
17
14
4
4)
In een gesloten economie zonder overheid werd door bedrijven € 60 mld. aan
loon, € 10 mld. aan interest/huur, € 5 mld. aan pacht en € 15 mld. aan winst uitgekeerd.
Het bruto nationaal inkomen was € 100 mld. De totale bruto-investeringen bedroegen €
30 mld., waarvan € 25 mld. in vast kapitaal.
Hulpberekening: Bruto nationaal product – Netto toegevoegde waarde = Afschrijvingen
5
5
20
15
30
10
25
Overheidsontvangsten (= B):
1)
Belastingen:
Gedwongen betaling aan de overheid waar geen direct
aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat.
a) Directe
Belastingen op inkomen, winst en
belastingen:
vermogen.
Bijv.: Inkomstenbelasting,
Vennootschapsbelasting,
Vermogensbelasting.
b) Indirecte
Kostprijsverhogende belastingen:
belastingen:
Bijv.: BTW, Accijnzen.
2)
Niet belastingontvangsten:
a) Retributies:
Betalingen aan de overheid waar
(wel) een direct aanwijsbare
tegenprestatie tegenover staat.
Bijv: marktgelden, schoolgeld,
omroepbijdrage kentekenbewijs,
leges.
b) OverheidsDe winsten van bedrijven waar de
deelnemingen: overheid aandelen van bezit.
Bijv.: NAM, NS, KPN, DSM.
c) Aardgasbaten: Samen met de belastingen vormen
de aardgasopbrengsten een
belangrijke inkomstenbron voor de
overheid.
d) Overige:
O.a. staatsloterij, boetes.
Overheidsuitgaven (= O):
1)
Overheidsbestedingen:
a)
b)
2)
Overdrachtsuitgaven:
Leggen beslag op productiefactoren;
de overheid krijgt er iets voor terug.
Overheids– materiële overheidsconsumptie
consumptie:
(Bijv.: uitgaven voor onderwijs)
– ambtenarensalarissen.
Overheidsaankoop van kapitaalgoederen door
investeringen: de overheid.
Leggen geen beslag op productiefactoren;
de overheid krijgt er niets voor terug.
Betalingsbalans:
Een overzicht van alle economische transacties met het buitenland (onderdeel van de
totale boekhouding van een land; de nationale rekeningen). De betalingsbalans heeft vier
deelrekeningen (de goud- en deviezenrekening zorgt voor formeel evenwicht):
1)
2)
3)
4)
5)
Goederenrekening
Dienstenrekening
Inkomensrekening
Kapitaalrekening
Goud
deviezenrekening
Overzicht van export en import van goederen.
Overzicht van export en import van diensten.
Overzicht van ontvangen en betaalde inkomens.
Overzicht van kapitaalimport en kapitaalexport.
en Veranderingen in de officiële reserves (goud en
deviezenvoorraad).
Lopende rekeningen van de betalingsbalans:
Rekeningen 1), 2) en 3).
De Keynesiaanse theorie:
John Maynard Keynes (1883 - 1946) was een van de eerste economen die een theorie
ontwikkelde waarin de invloed van de vraag naar goederen op de totale productie én de
werkgelegenheid werd bestudeerd. In de theorie van Keynes is de totale vraag naar
goederen en diensten; de effectieve vraag (= EV), bepalend voor de hoogte van het
nationaal inkomen
(= Y). Keynes veronderstelt dus dat:
Y = EV
Macro economische modellen:
A)
Gesloten economie zonder overheid:
Y=C+S
EV = C + I
Oplossing:
B)
Y = EV 
C + S = C + I
S=I
Gesloten economie met overheid:
Y=C+S+B
EV = C + I + O
Oplossing:Y = EV

C+S+B=C+I+O

S+B=I+O
(S – I) + (B – O) = 0
saldo particuliere sector + saldo overheid = 0
C)
Open economie met overheid:
Y=C+S+B
Oplossing:
EV = C + I + O + E - M
Y = EV 
C + S + B = C + I + O + (E – M) 
S + B = I + O + (E – M)
(S – I) + (B – O) = (E – M)
saldo particuliere sector + saldo overheid = saldo buitenland
Saldo overheid, saldo particuliere sector, nationaal spaarsaldo en saldo
buitenland:
(B – O)
= saldo overheid
(S – I)
= saldo particuliere sector
(B – O) + (S – I)
= nationaal spaarsaldo
(E – M)
= saldo lopende rekeningen = saldo buitenland
Gebruikte symbolen en de betekenis:
EV
= effectieve vraag
C
= particuliere consumptie
I
= particuliere investeringen
O
= overheidsbestedingen
E
= export (op de lopende rekeningen)
M
= import (op de lopende rekeningen)
Y
S
B
= nationaal inkomen
= particuliere besparingen
= overheidsontvangsten
Welvaart:
Welvaart is de mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien. Welvaart is een
moeilijk meetbaar begrip. Het nationaal product als maatstaf voor de welvaart is te
onnauwkeurig. Er wordt geen rekening gehouden met bijvoorbeeld factoren zoals:
de informele productie,
externe effecten (m.n. negatieve externe effecten, zoals milieuvervuiling),
de (personele) inkomensverdeling, de bevolkingsomvang,
het belastingstelsel
en het prijsniveau.
Economische groei:
We moeten onderscheid maken tussen productiegroei (welvaart in enge zin) en
welvaartsgroei (groei van de behoeftebevrediging = welvaart in ruime zin):
Welvaart in enge zin:
Toename van de productie; zonder te kijken naar bijvoorbeeld
milieuvervuiling, verlies van vrije tijd e.d..
Welvaart in ruime zin:
Toename van de welvaart; de groei van de
behoeftebevrediging, maar ook rekening houdend met zaken
als milieu en vrije tijd.
NB:
Het begrip economische groei gebruiken we in de zin van welvaartsgroei.
Externe effecten:
Externe effecten zijn onbedoelde gevolgen van productie voor anderen (dan de
betrokkenen).
a)
Positieve externe
De onbedoelde gevolgen van de productie zijn voor anderen
gevolgen:
positief.
Bijv.: meer werkgelegenheid, betere infrastructuur.
b)
Negatieve externe De onbedoelde gevolgen van de productie zijn voor anderen
gevolgen:
negatief.
Bijv.: geluidsoverlast, milieuvervuiling.
Formele en informele economie:
Formele economie:
geregistreerde productie
Informele economie: niet- geregistreerde productie (met het onderstaande
onderscheid):
a) grijs circuit
niet geregistreerd maar wel legaal.
Bijv.: huishoudelijk werk, doe-het-zelf-werk .
b) zwart circuit
niet geregistreerd en illegaal.
Bijv.: zwart werk (= het ontduiken van
belastingen en sociale premies ).
Personele inkomensverdeling:
De verdeling van het nationaal inkomen (Y) over de bevolking
Scheve inkomensverdeling:
De relatieve verschillen tussen hoge en lage inkomens zijn groot. De Lorenzcurve buigt
dan dieper door en ligt dan verder van de middenlijn.
Eindterm 54:
Conjunctuur:
De ontwikkeling van het nationaal inkomen onder invloed van veranderingen in de
effectieve vraag (= EV). Bestedingen = EV = C + I + O + (E – M).
Bestedingen:
C=
Consumptie (van
gezinnen)
I=
Investeringen (van
bedrijven)
O=
Overheidsbestedingen
(E – M) =
Saldo buitenland
Afhankelijk van:
Prijzen (-), besteedbaar inkomen (+),
rentestand (-), toekomstverwachting (+),
belastingen (-).
Winstverwachting (+), toekomstverwachting
(+), investeringsklimaat (+), belastingen (-),
rentestand (-).
Winstverwachting (+), toekomstverwachting
(+), investeringsklimaat (+), belastingen (-),
rentestand (-).
Prijzen (-), buitenlandse inkomens (+)
Invloed van de bestedingen op … :
EV 
W
Y
Wg 
Bezettingsgraad 
EV 
W
Y
Wg 
Bezettingsgraad 
Prijzen 
Prijzen 
(E – M) 
(E – M) 
(B – O) 
(B – O) 
Ontwikkeling van het nationaal inkomen/product:
In de loop van de tijd verandert het nationaal product onder invloed van:
1)
Trendmatige ontwikkelingen: De trend wordt bepaald door de ontwikkeling van
de productiestructuur.
De productie neemt in de loop van de tijd toe,
a.g.v. technische ontwikkeling.
2)
Conjunctuurbewegingen:
De werkelijke productie ontwikkelt zich nu eens
sneller, dan weer langzamer. Deze schommelingen
onder invloed van de EV rond de trend zijn de
conjunctuurbewegingen.
Nationale bestedingen:
Bestedingen
= C + I + O + (E – M)
Nationale bestedingen
=C+I+O
De conjunctuurgolf:
Hoogconjunctuur:
De fase waarbij:
EV > prod.cap.
Laagconjunctuur:
De fase waarbij:
EV < prod.cap.
BB > Wg
BB < Wg
Grafisch:
Conjunctuurfasen:
I
Hausse
II
Recessie of baisse
III
Depressie
IV
Herstel of herleving
EV > prod.cap. (overbesteding).
Bovendien: EV, groeiende productie (W), grote
werkgelegenheid en inflatie.
EV > prod.cap. (overbesteding).
Maar: EV, W, werkgelegenheid daalt.
Officiële definitie:
Een recessie bestaat als twee achtereenvolgende kwartalen
een daling van het bruto binnenlands product laten zien.
EV < prod.cap. (onderbesteding).
Bovendien: EV, W, winsten van bedrijven dalen, grote
werkloosheid.
EV < prod.cap. (onderbesteding).
Maar: EV, de productie stijgt weer (W), werkgelegenheid
neemt weer toe.
Prognose van de conjuncturele ontwikkeling:
Voorspellingen van de conjuncturele ontwikkeling worden gedaan aan de hand van de
zgn. conjunctuurindicatoren (conjunctuurbarometer), dit zijn o.a.:
De maatschappelijke geldhoeveelheid (+), consumenten- en producentenvertrouwen (+)
en de orderportefeuille bij bedrijven (+).
Bovenstaande factoren stimuleren allen de bestedingen en dus de effectieve vraag.
Eindterm 55:
Productiecapaciteit:
De maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan
produceren.
De omvang en productiviteit van de productiefactoren natuur, arbeid, kapitaal en
ondernemersactiviteit zijn bepalend voor de omvang van de productiecapaciteit.
Theoretische productiecapaciteit en capaciteit bij normale bezetting:
De productiecapaciteit is een capaciteit die slechts in theorie geldt; als gevolg van
bijvoorbeeld uitval van machines (defecten, onderhoud) en ziekte van werknemers zal in
de praktijk deze maximaal mogelijke productie niet worden gerealiseerd.
Bovendien zal een bedrijf zijn normale productie baseren op de vraag naar goederen en
diensten, zoals deze uit cijfers uit het verleden en voorspellingen blijken.
Kort termijn / lange termijn:
Korte termijn:
De productiecapaciteit wordt constant verondersteld (gegeven
productiecapaciteit).
Lange termijn: Toename en afname van de productiecapaciteit is mogelijk.
Investeringsklimaat en de omvang van de investeringen:
Een goed investeringsklimaat in een land is voor veel bedrijven van groot belang. Er is
dan ook een positief verband tussen het investeringklimaat en de omvang van de
investeringen. (investeringsklimaat   investeringen ).
Inkomenseffect / bestedingseffect en het capaciteitseffect:
Investeringen hebben een tweeledig effect:
a)
Inkomens-/bestedingseffect Investeringen vergroten de effectieve vraag op
korte termijn (conjunctureel).
I  EV  Y
b)
Capaciteitseffect
Investeringen vergroten de productiecapaciteit
op lange termijn (structureel).
I  Prod.cap
Eindterm 56:
De omvang van de productiecapaciteit:
De maximaal mogelijke productie van een land (in een jaar) is afhankelijk van:
a)
Arbeidsproductiviteit:
Gemiddelde productie per eenheid
l = ap. = W / A
arbeid (= arbeider) per jaar.
b)
Kapitaalproductiviteit:
Gemiddelde productie per eenheid
k=W/K
kapitaal per jaar
Knelpuntfactor:
De omvang van de productiecapaciteit wordt bepaald door de knelpuntfactor; de kleinste
van de arbeidsproductiviteit en kapitaalproductiviteit bepaalt uiteindelijk de
productiecapaciteit.
Voorbeeld:
Een bedrijf produceert een product m.b.v. de productiefactoren arbeid en kapitaal. Er
wordt gebruik gemaakt van een productieproces waarbij een verhouding A : K nodig is
van 2:1 (twee arbeiders bedienen één machine). Alleen dan is de productie 1.000 stuks
per machine/jaar.
Situatie:
1
2
optimaal
Arbeiders:
19
20
20
Machines:
10
9
10
Productie:
9.000
9.000
10.000
Knelpuntfactor:
arbeid
kapitaal
-
Conjuncturele situaties:
1)
2)
3)
Onderbesteding
Bestedingsevenwicht
Overbesteding
EV < prod.cap.
EV = prod.cap.
EV > prod.cap.
Gevolgen:
Conjuncturele werkloosheid.
Geen conjuncturele werkloosheid.
Te veel werkgelegenheid; overspannen
arbeidsmarkt, inflatie.
Eindterm 57:
Duurzame ontwikkeling:
Met een duurzame ontwikkeling bedoelen we produceren voor de huidige generatie
zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Het kernwoord is hierbij ‘milieuvriendelijk’. Productiegroei en streven naar ecologische
duurzaamheid gaat meestal niet samen.
Oorzaken van structurele onevenwichtigheden:
1)
Starre (markt) verhoudingen
Weinig concurrentie.
2)
Demografische ontwikkelingen
Vergrijzing.
3)
Technologische ontwikkelingen
Diepte-investeringen; kapitaal vervangt arbeid.
4)
Uitputting hulpbronnen
Natuurlijke hulpbronnen zoals: olie, gas, ijzer,
koper maar ook vele andere mineralen raken op,
hierdoor stijgen de grondstofprijzen enorm.
5)
Aantasting leefmilieu
Milieuvervuiling.
Mogelijke gevolgen van dit keuzevraagstuk (wel/niet duurzaam produceren?):
a)
Verandering in (internationale)
Duurzaam produceren is duurder,
concurrentiepositie
waardoor de (Nederlandse)
concurrentiepositie verslechterd;
bedrijven in andere landen hoeven niet
/minder milieuvriendelijk te produceren.
b)
Weerstand tegen
Bedrijven willen niet snel overstappen
veranderingsprocessen
op andere technieken
/productieprocessen, tenzij dit kosten
bespaart.
c)
Hoge (investerings)kosten
Duurzaam produceren vereist dure
/duurdere (milieu)investeringen.
d)
Gevolgen voor de overheidsfinanciën
Overheid zal duurzame productie
moeten stimuleren; subsidies of fiscale
voordelen (belastingvoordelen) bij
duurzame investeringen.
e)
Fricties met andere belangen
Werkgelegenheid en inkomensverdeling.
Eindterm 58*:
Economische stromingen:
a)
Het klassieke
De productiecapaciteit zal door de werking van het
uitgangspunt:
marktmechanisme volledig worden benut, werkloosheid is van
tijdelijke aard, overheidsingrijpen werkt verstorend (‘laissez
faire’); het capaciteitseffect van investeringen staat centraal.
b)
Het keynesiaanse De effectieve vraag bepaalt de omvang van de feitelijke
uitgangspunt:
productie, vanwege prijsstarheid kan langdurige werkloosheid
optreden
waardoor overheidsingrijpen noodzakelijk wordt; het
bestedingseffect van investeringen is van belang.
Korte termijn model:
Het Keynesiaanse model is een korte termijn model d.w.z. de productiecapaciteit wordt
constant verondersteld; de voorraad kapitaalgoederen kan op korte termijn niet worden
uitgebreid. Bij een lange termijn model kan dit wel.
De rol van de overheid in de Keynesiaanse theorie:
De overheid heeft volgens Keynes een belangrijke rol in de economie; de overheid kan
via de overheidsbegroting invloed uitoefenen op de effectieve vraag (= EV). Deze
beïnvloeding noemt men de begrotingspolitiek.
De theorie van Keynes was dé oplossing voor de economische problemen van de
crisisjaren (jaren ‘30). De depressie werd met zijn theorie opgelost. De werkloosheid was
zo groot omdat de vraag naar goederen zo klein was. De EV was zo laag omdat de
werkloosheid zo groot was en de mensen dus geen inkomen hadden. Door omvangrijke
collectieve projecten (o.a. de aanleg van kanalen, dijken enz.) die door de overheid
werden gestart, kon de vicieuze cirkel worden doorbroken.
Begrotingspolitiek:
Beïnvloeding van de economie (EV = C + I + O + E - M) met behulp van de
overheidsinkomsten (= B) en de overheidsbestedingen (= O).
De Nederlandse overheid voert een zgn. anticyclische begrotingsbeleid:
Anticyclische begrotingspolitiek:
-
Probleem:
Resultaat:
bij onderbesteding: (EV < prod.cap.)
uitleg: O
B


O en/of B
EV = C + I + O + (E – M)
Yb

C en I
Probleem:
-
Oplossing:
Resultaat:
bij overbesteding:
(EV > prod.cap)
uitleg: O
B


EV


EV
EV
Oplossing:
O en/of B
EV = C + I + O + (E – M)
Yb

C en I
EV


EV
EV
Macro-economische korte termijn modellen (= Keynesiaanse modellen):
A)
Gesloten economie zonder overheid:
Gegeven:
1)
C = 3/4 Y + 70
2)
I = 30
3)
Y=C+I
Bepaal:
Oplossing:
100

100 / 0,25

B)
het evenwichtsinkomen (= Y )
Y=C+I

Y = 3/4 Y + 70 + 10 
Y = 3/4 Y +
Y - 3/4 Y = 100

1/4 Y = 100 
Y=
Y = 4 . 100 
Y = 400 mld.

Gesloten economie met overheid:
Gegeven:
Bepaal:
Oplossing:
105

1)
2)
3)
4)
5)
C = 1/2 (Y - B) + 65
I = 20
O = 105
B = 1/3 Y
Y=C+I+O
het evenwichtsinkomen (= Y )
Y=C+I+O

Y = ½ . 2/3Y + 190
= 190  Y = 100 / 2/3
 
mld.
C)
Y = 1/2(Y – 1/3Y) + 65 + 20 +

Y = 1/3Y + 190
Y = 1,5 . 100


2/3 Y
Y = 250
Open economie met overheid:
Gegeven:
1)
C = 0,7 (Y - B) + 2
2)
I = 0,15 Y + 14
3)
O = 70
4)
B = 0,4 Y
5)
M = 0,4 Y
6)
E = 80
7)
Y = C + I + O + (E – M)
Bepaal:
Oplossing:
Opmerking 1:
het evenwichtsinkomen (= Y )
Y = C + I + O + (E – M)

Y = 0,7(Y – 0,4Y) + 2 + 0,15Y + 14 + 70 + 80 – 0,4Y 
Y = 0,7 . 0,6Y + 0,15Y – 0,4Y + 166

Y = 0,17Y
+166


0,83 Y = 166

Y = 166 / 0,83

Y = 1,20482 . 166 
Y = 200 mld.
de gebruikte symbolen hebben de volgende betekenis:
Y = nationaal inkomen
C = particuliere consumptie
S = particuliere besparingen
B = overheidsontvangsten
Opmerking 2:
I = particuliere investeringen
O = overheidsbestedingen
E = export (lopende rekeningen)
M = import (lopende rekeningen)
de autonome bestedingen zijn de bestedingen die onafhankelijk zijn van
Y (het nationaal inkomen); in model A: Co = 70, Io = 30, in model B:
Co = 65, Io = 20, Oo = 105, in model C: Co = 2, Io = 14, Oo = 70, Eo
= 80.
Inkomensevenwicht (evenwichtsinkomen)
Het nationaal inkomen waarvoor geldt dat:
Y = EV
Het berekende evenwichtsinkomen is het (geldend) nationaal inkomen op een bepaald
moment. M.a.w. op dat moment is dat het inkomen wat de bevolking samen verdiend en
tegelijkertijd de hoogte van de totale productie van het land (= nationaal product).
Bestedingsevenwicht:
Het nationaal inkomen waarvoor geldt dat:
Y = prod.cap.
Dit is het maximaal mogelijke nationaal inkomen van een land.
Werkgelegenheid:
De werkgelegenheid (= Wg of Av) is de vraag naar arbeid, het aantal arbeidsplaatsen.
Werkgelegenheid =
Wg =
Y
ap.
evenwichtsinkomen
arbeidsproductiviteit
of:
=
Y = Wg . ap.
of:
ap. =

Y
Wg
Beroepsbevolking:
De beroepsbevolking (= BB of Aa)
 is het aanbod van arbeid; iedereen (15 t/m 64 jaar)
die wil
 en kan werken (NB: dit zijn werklozen + werkenden).

De hoogte van het nationale inkomen waarbij de totale beroepsbevolking werkt wordt
aangegeven met Yfe (full employment):
Beroepsbevolking =
BB =
Y fe
ap.
nationaal inkomen bij volledige werkgelegenheid
arbeidsproductiviteit
=
of:
a.p. =
Yfe = BB . a.p.
of:

De (totale) werkloosheid (= U) kan als volgt worden berekend:

 U = BB - Wg
Deze totale werkloosheid moet nader worden onderzocht, d.w.z. macro-economisch
maken we een onderscheid maken tussen conjuncturele werkloosheid en structurele
werkloosheid.
U=U
conjunctureel
+U
structureel
Y fe
BB
Multipliereffect:
We spreken van een multipliereffect als de toename van de autonome besteding(en) leidt
tot een grotere toename van het nationaal inkomen;
 Autonome besteding(en) <  Nationaal inkomen
Voorbeeld 1:
Doordat de autonome consumptie met 5 mld. stijgt, stijgt het nationaal inkomen met 20
mld.
∆Co = 5

∆Y = 20

multiplier is 4
Verklaring:
De extra consumptie leidt tot extra inkomen dat vervolgens weer
wordt uitgegeven c.q. geconsumeerd. Dit leidt weer tot een hoger
inkomen dus weer meer bestedingen, enz.
Multiplier:
De multiplier is het getal waarmee een verandering van een autonome grootheid
(∆Co, ∆Io, ∆Oo, ∆Eo en ∆Bo) moet worden vermenigvuldigd zodat de verandering van
Y
( Y ) kan worden berekend.
 Y = m .  autonome besteding


Voorbeeld 2:
De regering wil het nationaal inkomen laten toenemen met 100 mld. (∆Y = 100). De
regering wil dit bereiken door de (autonome) overheidsuitgaven te vergroten. De
multiplier van de overheidsbestedingen is 5. De overheid moet dan de overheidsuitgaven
vergroten met:
 Y = m . O

100 = 5 . Oo

∆Oo = 20
Voorbeeld 3:
De regering kan het nationaal inkomen ook laten toenemen met 100 mld. door de
belastingen te verlagen. De multiplier van de (autonome) belasting is -3,33.
De overheid moet dan de autonome belastingen aanpassen met:
 Y = m . B



100 = -3,33 . Bo

∆Bo = -30
Belastinglek, spaarlek, importlek:
Extra inkomen (Y) komt niet volledig tot uitdrukking in een groei van de bestedingen.
De bestedingen worden afgeremd door:
Belastinglek:
van extra inkomen moet de consument een gedeelte afstaan in de vorm
van belastingen. Als gevolg van deze extra belasting stijgt de EV
minder.
Spaarlek:
Gezinnen zullen een deel van extra inkomen niet consumeren maar
sparen. Als gevolg van dit extra sparen stijgt de EV minder.
Importlek:
Extra inkomen wordt door producenten/consumenten deels in het
buitenland besteed/uitgeven. Door import vloeit koopkracht naar het
buitenland af. Hierdoor stijgt de EV minder.
Samenvattend: van extra inkomen “lekt” een deel weg in de vorm van belastingen,
besparingen en import; het overige wordt (in eigen land)
besteed. Kortom de impuls (het extra geld) komt niet terecht waar het
gewenst is.
Soorten vergelijkingen in modellen:
1)
Gedragsvergelijkingen
Geven gedrag weer van economische deelnemers
Bijv.: C = c.Y + Co
of:
I = Io
2)
Definitievergelijkingen
Vergelijkingen a.g.v. een definitie
Bijv.: EV = C + I
3)
Institutionele vergelijkingen Vergelijkingen a.g.v. maatschappelijke regelgeving
Bijv.: B = b.Y + Bo
4)
Technische vergelijkingen
Vergelijkingen die technisch bepaald worden
Bijv.: Wg = Y / a.p.
5)
Evenwichtsvergelijkingen
Vergelijking waarbij het model in evenwicht is
Bijv.: EV = Y of: I = S
(één per model, meestal de laatste)
Ex ante:
Ex post:
voorgenomen / planning
achteraf / gerealiseerd
Soorten grootheden / variabelen in modellen:
1)
Endogene variabelen
Te verklaren;
Bijv: Y, C, S, EV
Exogene variabelen
Verklarende (= gegeven);
Bijv: s, c, Co, Io
2)
Autonome grootheden
Onafhankelijk van Y
Bijv.: Co, Io, Oo, Eo
Geïnduceerde
Afhankelijk van Y
grootheden
Bijv.: C = cY
3)
Doelvariabelen
Geven het doel weer van de deelnemers
Instrumentele variabelen Variabelen te gebruiken voor het te bereiken
doel
4)
Voorraadgrootheden
Worden gemeten op een bepaald tijdstip;
Bijv.: beroepsbevolking, voorraad
kapitaalgoederen enz..
Stroomgrootheden
Hebben betrekking op een bepaalde periode;
meestal één jaar)
Bijv.: nationaal inkomen, investeringen,
arbeidsproductiviteit enz.
De basisgedaante van het korte termijn model:
VRAAGBLOK:
EV= C + I + O + (E – M)
W = EV
Y=W
C = c(Y- B) + Co
B = bY
I = Io
O = Oo
E = Eo
M = mY
AANBODBLOK:
Prod.cap. = kK (knelpuntfactor)
Wg (max) = Prod.cap / ap
Wg = Y/ ap
BB = (gegeven)
U = BB - Wg
U struc. = BB – Wg (max)
U conj. = U – U struc.
Opmerking: de gebruikte symbolen hebben de volgende betekenis:
EV = effectieve vraag
C = particuliere consumptie
I = particuliere investeringen
O = overheidsbestedingen
E = export (lopende rekening)
M = import (lopende rekening)
B = overheidsontvangsten
W = nationaal product
c, b, m: coëfficiënten
suffix o: autonome grootheid
Prod.cap. = productiecapaciteit
K = kapitaalgoederenvoorraad
Wg (max) = maximale arbeidsvraag
Wg = werkgelegenheid = arbeidsvraag
BB = beroepsbevolking = arbeidsaanbod
U = totale werkloosheid
U struc. = structuurwerkloosheid
U conj. = conjunctuurwerkloosheid
ap = arbeidsproductiviteit
k = kapitaalproductiviteit
Opmerking 1:
In een model hoeven niet altijd beide blokken te worden benut en afhankelijk van het
doel kunnen ook andere opstellingen worden gemaakt (zoals uitgaande van Y = C + S +
B) en andere symbolen worden gebruikt.
Opmerking 2:
Het afleiden van de multipliers zal niet worden gevraagd: gegeven multipliers moeten
analytisch gebruikt kunnen worden.
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Create flashcards