Week 3: Breuken Rechterpagina: Intro via krantenkoppen waarin breuken genoemd worden, zoals: Breuk tussen Jan en Jolanthe lijkt definitief; Wintersport eist weer meer botbreuken; Deze voorbeelden geven aan dat iets “ kapot “ is wat heel was. Maar ook: Kwart van de automobilisten…..; derde van de Nederlanders…..; driekwart van de …. Over de laatste categorie gaan we het in dit hoofdstuk hebben. Want er valt heel wat te rekenen met breuken. Eerste linkerpagina: Breuken Inleiding. Breuken en het rekenen ermee is een van de lastigste rekenonderdelen van de rekenvaardigheid. Het lijken vaak alleen “kale” sommen, maar in de realistische rekenwereld worden deze sommen ook wel voorgesteld met realistische voorbeelden, zoals pizza’s / taarten/ pannenkoeken, cirkelmodellen genoemd en lijnmodellen, zoals de reep chocolade. Wat kun je verwachten in dit hoofdstuk? wat is een breuk rekenen met breuken Wat is een breuk? Een breuk is een getal waarvan de waarde zit tussen twee hele getallen (*). 1 3 Neem 1 ; dit getal zit tussen 1 en 2, ja zelfs er midden tussen. En 15 is een getal 8 2 17 17 tussen 15 en 16. Maar nu . Tussen welke twee hele getallen ligt ? Je moet hier 4 4 17 1 4 en dat ligt eerst de “helen uithalen”. In dit voorbeeld zijn dat er 4. Dus 4 4 tussen 4 en 5. Als je dit lastig vindt, dan moet je 17 euro maar eens verdelen over 4 personen. (*)Formeel heten die getallen “gebroken” getallen, want hele getallen zijn ook als breuken te schrijven. 14 Neem 14 ; dit getal is ook te lezen als een breuk: 14 = . Zo zie je dat deze getallen een uitbreiding 1 geven. Samen met de hele getallen vormen de gebroken getallen de verzameling breuken. Teller en noemer 1 de teller 1 en de 6 noemer 6. Om dat nooit meer te vergeten, moet je maar eens tellen met “zesden” 1 2 3 4 (bijv. de stukjes van een taart die in zes gelijke delen is verdeeld): , , , , ...... ; 6 6 6 6 zie je waarmee je telt? (het bovenste getal) en ook hoe je ze allemaal noemt (“zesde” Een breuk bestaat altijd uit een teller en een noemer. Zo is bij = de onderste). Dus samengevat: breuk is maar: teller ; zo gaat het met elke breuk, kijk noemer 1 2 3 4 , , , , ….. . . Zo kan je het begrip teller en noemer uit elkaar houden. 7 7 7 7 Verschillende verschijningsvormen, vereenvoudigen. Als je een pizza in 6 gelijke stukken verdeelt en jij krijgt van die 6 stukken er 2, dan heb je evenveel wanneer de pizza in 3 gelijke stukken verdeeld is en je krijgt daar één stuk van. < vormgever: cirkelvorm met verdelingen> Dat betekent dat de 2 1 2 1 breuken en gelijk zijn, dus . We noemen dit ook wel 2 6 3 6 3 verschijningsvormen van deze breuk. En in dit voorbeeld hebben we de breuk 2 vereenvoudigd, dat wil zeggen teller en noemer gedeeld door 2, waardoor de 6 breuk zo eenvoudig mogelijk is geworden. 1 2 5 10 ....... 7 14 35 70 die vind je door teller en noemer telkens met eenzelfde getale te vermenigvuldigen. De verhouding tussen teller en noemer blijft gelijk. Elke breuk heeft ontelbaar veel verschijningsvormen. Zo is Vraagstuk 1. Schrijf eens een aantal vormen op van de volgende breuken: 3 1. 5 7 2. 14 11 3. 9 2 3 4. 3 1 72 5. 6 Nu is het bij breuken ook zo dat je deze zo eenvoudig mogelijk moet schrijven, dat betekent dat je altijd moet kijken of je teller en noemer kunt delen door hetzelfde 14 getal en als dat kan: doen! Zo zijn teller en noemer van de breuk beide te delen 21 14 2 door 7. Dus deze breuk moet als antwoord geschreven worden als 21 3 Dat gaan we ook even oefenen. Vraagstuk 2. Schrijf de volgende breuken zo eenvoudig mogelijk, anders gezegd, vereenvoudig de volgende breuken (voor) zover mogelijk. Let op, dat kan niet altijd! 8 14 27 2. 36 25 3. 10 64 7 4. 72 25 15 5. 49 Is het je opgevallen dat je tafelkennis hierbij onmisbaar is? Je zoekt de tafel waar teller en noemer in voorkomen. Is dat bijvoorbeeld de tafel van 8 (zoals in opgave 4), dan kun je teller en noemer delen door 8. 1. Rekenen met breuken. Optellen en aftrekken <Linker bladzijde> Breuken met dezelfde noemer heten gelijknamig. Alleen gelijknamige breuken kun je optellen en aftrekken. Als ze verschillende noemers hebben, dan komen ze van een andere verdeling, het is nogal verschillend als je een pannenkoek in zes gelijke stukken verdeelt of in 4 gelijke stukken en je neemt een stuk van elk. Welk deel van de pannenkoek heb je dan? (Vormgever: hier cirkelvormen met de genoemde verdelingen) Als ze van eenzelfde verdeling komen is het eenvoudig: je hebt 1 stuk van een pannenkoek die in 8 gelijke stukken is verdeeld en je krijgt er nog 2 van die stukken 1 2 3 bij; dan heb je 3 van die stukken. De bijbehorende som: ; alleen de tellers 8 8 8 worden opgeteld en het blijft een breuk met noemer 8. En wat nu als ze niet dezelfde noemer hebben, dus niet gelijknamig zijn? Dan gebruik je de eerder opgedane kennis van de verschijningsvormen. Ook daar is tafelkennis onmisbaar bij. Kijk maar eens goed naar de volgende voorbeelden. Voorbeelden: (a) 3 1 5 7 21 5 26 35 35 35 (b) 5 5 6 8 20 15 5 24 24 24 (c ) 13 2 50 100 26 2 100 100 24 6 100 25 (d) 7 7 9 12 28 21 36 36 49 13 1 36 36 3 3 2 7 4 12 21 2 2 28 28 33 5 4 5 28 28 2 (e) (f) 1 11 5 2 8 12 3 22 5 2 24 24 27 22 5 4 2 2 24 24 24 In de voorbeelden zie je dat je als antwoord de breuken zo eenvoudig mogelijk moet schrijven. Dat doe je door te kijken of teller en noemer door hetzelfde getal gedeeld kunnen worden. En als dat kan, moet je het ook doen. Bij (c) zijn teller en noemer gedeeld door 4. Ook moeten “ helen” eruit gehaald 36 1 worden, bij (d) kon er 1 hele uitgehaald, want 36 Om gelijknamig te maken vind je de nieuwe noemer door de tafel van het kleinste getal in de noemer “op te zeggen”. Het eerste antwoord dat ook in de tafel van de andere zit, dat is de nieuwe noemer. 5 5 Zo vind je bij de aftrekking de gezochte noemer door de tafel van 6 te nemen: 6 8 6, 12, 18, 24, 30, …. en te zoeken naar het eerste getal dat ook voorkomt in de tafel van 8: 8, 16, 24, 32, …. Dat is hier dus 24 ( Vormgever: omcirkel 24 in beide rijen ) Vraagstuk 3. Maak de volgende optellingen en aftrekkingen: 3 1 1 3 7 1 1. a. 2. a. 5 3 3. a. 7 3 5 4 6 4 8 2 2 5 1 3 4 3 b. b. 4 2 b. 5 5 3 6 2 10 5 8 1 5 4 2 1 3 c. 1 c. 3 2 c. 2 4 2 7 5 3 3 4 4. 2 3 a. 4 7 5 2 3 b. 7 1 3 5 1 2 c. 5 2 4 3 Breuken vermenigvuldigen. Vermenigvuldigen is, zoals je weet, herhaald optellen, dat geldt ook bij breuken. 1 Alleen is dat wat lastiger voor te stellen. Zo is 7 voor te stellen als “een half 2 groepje van 7”. Dus let op: hier hoef je niet gelijknamig te maken. Je telt immers geen 1 1 twee hoeveelheden bij elkaar op: 7 3 . Je kan deze vermenigvuldiging ook 2 2 1 gewoon lezen als: de helft van 7 of als je de vermenigvuldiging omkeert ( 7 ) 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 7 groepjes van , dus en dat geeft samen 3 . 2 2 2 2 2 2 2 2 2 (Vormgever: maak bij deze twee berekeningen illustraties: strook van 7 eenheden lang en de helft gekleurd en zeven strookjes telkens de helft gekleurd. 2 1 2 1 1 2 is dus 6 is het dubbele van 6 2 dus is het dubbele 4 ; uitleg: e 3 3 3 3 3 2e deel van 6 is 2 (ook wel 6 : 3). Nu moest je uitrekenen deel van 6, dus is het 3 antwoord tweemaal zoveel, oftewel 2 2 4 (Vormgever: Hierbij ook een illustratie met een strook) Nu wat lastiger. Je hebt drievierde deel van een strook: 1 2 3 4 Omdat Neem daar eens tweederde deel van, dus twee van de drie gekleurde delen: op het totaal zijn dat er 2 van de 4, dus precies de helft van de strook. Als rekensom opgeschreven: 2 3 1 1 6 2 3 1 6 23 maar . Zo zie je dat . 3 4 2 2 12 3 4 2 12 3 4 Breuken vermenigvuldigen doe je door de tellers met elkaar te vermenigvuldigen en ook de noemers met elkaar te vermenigvuldigen. Om te onthouden: teller teller teller teller breuk breuk = . Dus zo zit dat! noemer noemer noemer noemer Kijk nauwkeurig naar de uitgewerkte voorbeelden. Als er behalve een breuk ook een heel getal voor de breuk staat, dan moet je die 2 17 eerst in de breuk verwerken, zo is 3 , want 3 helen is gelijk aan 15 vijfden ( 5 5 15 1 17 3 ). Tel de 2 vijfden ( 2 ) die erachter staan, geeft samen 17 vijfden . Dan 5 5 5 kun je eerder genoemde regel gebruiken. Voorbeelden: 4 3 12 7 5 35 6 2 12 4 want vereenvoudigen moet, hier gedeeld door 3. 11 3 33 11 1 2 5 2 10 5 2 Of je deelt eerst de teller en noemer door 2. 2 7 2 7 14 7 4 9 25 225 1 1 8 2 3 = (Als laatste de “helen” eruit halen.) 4 7 4 7 28 28 Breuken delen. 3 12 : …. Daar kun je wat bij voorstellen. Stel: je hebt 12 liter wijn en dat ga je 4 3 verdelen over flessen met inhoud van liter; hoeveel van die flessen heb je nodig? 4 1 Je ziet het voor je: de eerste fles wordt volgegoten, je hebt nog 11 e liter over. Dan 4 1 3 1 nog een: 11 - = 10 . Enzovoort, enzovoort. In totaal heb je 16 flessen nodig, dat 4 4 2 4 48 16 . zie je als je zo doorgaat. Maar het volgende klopt ook: 12 3 3 3 Je hebt nu gevonden dat de breuk dus 16 keer “ past” in het getal 12. 4 Nu kunnen we een “regeltje” voor het delen van breuken maken: “Delen door een breuk is geeft hetzelfde antwoord als vermenigvuldigen met het omgekeerde van die breuk”. Het omgekeerde van een breuk vind je door teller en noemer te verwisselen. Dat is geen trucje, want je kunt het ook goed zien in een verhoudingstabel. Daar mag je beide getallen met hetzelfde getal vermenigvuldigen, dat doe je in feite ook hierbij. 3 Zie onderstaande verhoudingstabel waar de deling 12 : staat: 4 (Vormgever: i.p.v. tekst in de tabel pijltjes met x4 en : 3 erbij) 12 Nu eerst: maal 4 48 Nu: gedeeld door 3 16 3 Deze ook: maal 4 3 Deze ook: gedeeld door 3 1 4 Voorbeelden: (a) 3 2 : 5 7 3 7 21 1 2 5 2 10 10 (c) 2 3 2 :1 3 5 8 8 : 3 5 8 5 40 5 2 1 3 8 24 3 3 (b) 1 4 4 60 15 60 1 1 (d) 1 12 : 1 2 3 12 : 2 2 24 12 8 3 3 15 : Kijk telkens of je “handig rekenen” kan gebruiken: zo kan je bij (d) beide getallen 1 eerst verdubbelen: dan krijg je 24 : 3 = 8. Dus 12 : 1 = 8 2 Let op, dit kan vaker dan je denkt. Vraagstuk 4: Bereken telkens de uitkomst, let op wat je moet doen: 3 1 (1) a. ... 4 6 2 1 4 3 1 ...... c. ........ d. 5 ........ 3 5 7 4 3 b. 1 1 5 2 3 1 1 b. 5 4 3 1 1 c. 7 2 5 1 1 d. 7 3 5 e. 4 1 ........ 4 1 2 11 5 3 1 2 11 f. 10 3 1 1 g. 8 7 6 1 1 h. 8 2 6 (2) a. (3) a. (4) Is het antwoord van (5) Bereken de uitkomst van 15 : (6) Vul de juiste getallen in bij de stippen. De drie stukken zijn even lang. Licht je antwoord duidelijk toe. 8 1 : 10 2 e. b. 9 1 : 100 3 c. 8 1 : 100 4 1 1 d. 2 : 3 6 1 2 e. 3 : 3 3 1 1 1 1 1 1 meer of minder dan 1? Maak er 2 4 8 16 32 64 een tekening van een vierkant bij en arceer er gebieden in. 3 Bedenk ook een reële situatie bij deze opgave 4 en laat zien dat daar hetzelfde antwoord uit komt. ────┼─────┼─────┼─────┼── 1 3 ….. ….. 2 4 (7) 3 1 Bereken de uitkomst van 2 5 2 Bedenk een reële situatie waaruit bovenstaande opgave voorkomt. Licht je antwoord toe. (8) Reken uit: 3 1 (a) 5 3 (b) (c) (d) 2 7 5 10 3 1 2 1 4 3 3 1 : 4 8 2 Context vraagstukken Schrijf telkens de breukenopgave erbij. 1. Havo 4 bestaat uit 80 leerlingen, hiervan had 3 4 e deel een voldoende voor 5e deel daarvan had een 8 of hoger. 6 a. Hoeveel leerlingen hadden een voldoende? b. Hoeveel leerlingen hadden minstens een 8 en hoe kan je deze opgave zonder het antwoord van a. uitrekenen? het proefwerk rekenen; ja zelfs 3e 1 deel op de fiets; e deel komt met de scooter; 8 4 de rest komt met het openbaar vervoer. Welk deel van de leerlingen is dat? 2. Van deze school komt 3. Sanquin bloedbank heeft op een dag 350 donoren, die elk 1 liter bloed 2 geven. a. Hoeveel liter bloed is er die dag in totaal gegeven? 11 e b. Bloed bestaat voor deel uit plasma. Hoeveel liter plasma is er die 20 dag binnengekomen? 1 e c. Het bloed wordt in buisjes met inhoud liter gedaan. Hoeveel 20 buisjes worden er op die manier gevuld? Verschillende soorten bloed………………… d. Mmm 4. 5. 6. 7. 8. 9. Vulmachine pindakaas, wijn, hagelslag Verschillende sporten beoefenen Neerslag in de winter Begroting onderwijs Deel van het personeel