Les 2 Oefenen met historische vaardigheden

advertisement
Projectverslag Beroepsproduct 3
Vergroten van historische vaardigheden in de
brugklas (havo/vwo)
Stageschool: Cosmicus College te Rotterdam
Beroepsproduct 3
Opleiding: IA Lerarenopleiding geschiedenis 2e graad
Projectnummer kennisbasis Archimedes: 8201
Samenvatting
Op het Cosmicus College blijken brugklasleerlingen niet voldoende te kunnen oefenen
met historische vaardigheden waardoor ze hierop achterblijven. In dit beroepsproduct was het
doel een lessenserie te ontwikkelen waarmee historische vaardigheden explicieter aan bod
komen in de lessen bij brugklasleerlingen. De onderzoeksvraag: ‘Hoe kunnen de historische
vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het Cosmicus College vergroot worden?’
stond centraal. Uit het literatuuronderzoek komt naar voren dat brugklasleerlingen ‘hele
taken’ dienen te krijgen, waarin zo veel mogelijk aspecten van historische vaardigheden aan
bod komen. Daarnaast dienen leerlingen uitgedaagd te worden om gebruik te maken van
kennis, vaardigheden en houdingen. Verder zouden leerlingen moeten reflecteren op wat ze
hebben geleerd en waarin zij zich moeten ontwikkelen. Uit de praktijkverkenning, waarin
interviews zijn afgenomen bij geschiedenisdocenten, komt naar voren dat docenten graag een
lessenserie zouden willen hebben waarmee ze historische vaardigheden explicieter kunnen
laten oefenen aan de brugklasleerlingen. Uit de praktijkverkenning bij de leerlingen, door
middel van vragenlijsten, komt naar voren dat de leerlingen gemiddeld een 3,7 op een schaal
van 5 geven aan het aan bod komen van historische vaardigheden in de lessen. De
ontwikkelde lessenserie is in twee klassen in twee lessen uitgevoerd en geevalueerd. Uit het
evaluatieonderzoek komt naar voren dat leerlingen de lessen positiever (3,9) beoordelen nadat
de lessen zijn verzorgd volgens de nieuwe lessenserie. De docenten beoordelen de lessenserie
ook positief en op basis van hun feedback is er een extra les voor het oefenen met
kenmerkende aspecten toegevoegd aan de lessenserie. De ontwikkelde lessenserie lijkt dus
een bruikbaar middel voor het vergroten van historische vaardigheden in de brugklas.
2
Inhoudsopgave
Samenvatting
Inhoudsopgave
1. Inleiding
1.1.
Aanleiding en opdracht
1.2.
Context van de school in relatie tot het probleem
1.3.
Onderzoeksvraag
2. Verkennend onderzoek
2.1.
Inleiding verkennend onderzoek
2.2.
Literatuurverkenning
2.2.1. Inleiding
2.2.2. Middendeel
2.2.3. Conclusie
2.3.
Praktijkverkenning
2.3.1. Inleiding
2.3.2. Aanpak en middelen
2.3.3. Resultaten en conclusies
3. Het beroepsproduct
3.1.
Conclusie verkenning
3.2.
Ontwerpeisen
3.3.
Het ontwikkelde beroepsproduct
4. Evaluatieonderzoek
4.1.
Presentatie en evaluatie van het product
4.2.
Evaluatie van de uitvoering van het product
4.2.1. Inleiding en evaluatievragen
4.2.2. Aanpak en middelen
4.2.3. Resultaten
4.2.4. Conclusies
5. Literatuurlijst
2
3
4
4
5
6
6
6
9
10
10
12
15
15
16
18
18
18
18
20
23
24
Bijlagen
Bijlage 2A Onderzoeksinstrumenten praktijkverkenning
Bijlage 2B Geordende gegevens praktijkverkenning
Bijlage B Formulier praktijkverkenning
Bijlage C Formulier literatuurverkenning
Bijlage 3A Het beroepsproduct
Bijlage 4A Planning van presentatie en evaluatie, uitvoering
en evaluatie van de uitvoering
Bijlage 4B Gespreksleidraad evaluatie
Bijlage 4C Onderzoeksinstrumenten evaluatie van het
uitgeprobeerde product
Bijlage 4D Geordende onderzoeksgegevens evaluatie van het
uitgeprobeerde product
Bijlage F Beoordelingsrapport
Bijlage G
Bijlage H Werkvormen
26
31
39
41
43
66
67
68
72
74
78
82
3
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1. Aanleiding en opdracht
Uit overleg met de sectie geschiedenis, Anet van Gameren en Hugo de Groot, van het
Cosmicus College te Rotterdam is naar voren gekomen dat leerlingen in de brugklas wat
betreft niveau achterblijven op historische vaardigheden. Het gaat daarbij voornamelijk om de
drie hoofdclusters (1. Tijd, 2. Interpretatie en 3. Betekenis nu). De opdracht die in de
komende tijd uitgevoerd zal worden is dat er een lessenserie ontworpen zal worden
(beroepsproduct) ter bevordering van de historische vaardigheden van brugklasleerlingen
(havo/vwo), waarbij leerlingen expliciet kunnen oefenen met de hoofdclusters.
In de brugklas wordt begonnen met het ontwikkelen van historische vaardigheden die nodig
zijn in de daarop volgende jaren. Daarbij wordt van de leerlingen verwacht dat zij de drie
hoofdclusters tegelijk en in relatie tot elkaar beheersen. Het probleem is dat in de huidige
situatie er te weinig expliciet geoefend wordt met historische vaardigheden, waardoor
leerlingen het gewenste niveau niet kunnen bereiken. Hierdoor blijven leerlingen vaak haken
bij feitenkennis. Dit probleem doet zich ook voor op andere voortgezet onderwijs scholen.
Elke school is vrij in de toepassing van het oefenen met historische vaardigheden, waardoor
iedere school er een eigen invulling aan geeft.
De lessenserie die ontworpen zal worden biedt een oplossing voor het vergroten van
historische vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) van het Cosmicus College. De
lessenserie zal door geschiedenis docenten gebruikt worden om meer expliciet te oefenen met
leerlingen wat betreft historische vaardigheden. Het doel van de handleiding bij de lessenserie
is om geschiedenis docenten een leidraad te bieden waarmee ze historische vaardigheden van
brugklasleerlingen kunnen stimuleren en actiever kunnen begeleiden. Hiervoor zal
samengewerkt worden met de geschiedenis docenten en de brugklasleerlingen.
1.2. Context van de school in relatie tot het probleem
Het beroepsproduct zal tot stand komen door middel van een onderzoek op het Cosmicus
College. Deze middelbare school valt onder de koepel van LMC Voortgezet onderwijs te
Rotterdam en biedt onderwijs op het niveau van VMBO, Havo en Vwo. Het is een
kleinschalige school met ongeveer 500 leerlingen en 40 docenten. Het is voor de leiding
belangrijk het beste uit leerlingen te halen. Er wordt bijvoorbeeld aan alle docenten scholing
geboden, zoals cursussen van onder anderen (o.a.) Peter Teitler en zijn team. De mentoren in
de onderbouw worden begeleid door de onderbouwcoördinator en door ervaren docenten die
als co-mentoren worden ingezet bij de nieuwe mentoren. De leerlingen zijn voornamelijk
afkomstig uit eerste- en tweedegeneratie migrantengezinnen.
Het Cosmicus College heeft als motto: ‘alleen wat werkt voor de leerlingen telt’. Het blijkt
dat op de huidige manier de leerlingen onvoldoende oefenen met historische vaardigheden,
waardoor het niveau achterblijft. Het is daarom belangrijk dat leerlingen hierin begeleid
worden in de brugklas. Na gesprekken binnen de sectie geschiedenis is er besloten om hier in
het beroepsproduct aandacht aan te besteden. Er zal een literatuur- en praktijkverkenning
uitgevoerd worden met betrekking tot dit onderwerp. In de literatuurvekenning zal literatuur
met betrekking tot historische vaardigheden in de brugklas geraadpleegd worden. In de
praktijkverkenning zullen geschiedenisdocenten en brugklasleerlingen betrokken worden. Dit,
zodat het onderwerp vanuit de visie van de verschillende betrokken partijen aan het licht komt
en er een beroepsproduct ontwikkeld wordt die deze visies meeneemt. Aan de hand daarvan
zal een beroepsproduct ontwikkeld worden in de vorm van een lessenserie met handleiding
voor geschiedenisdocenten van brugklassers.
4
1.3. Onderzoeksvraag
Zoals in de voorgaande paragrafen naar voren is gekomen blijven de leerlingen op het
Cosmicus College achter op het niveau wat betreft historische vaardigheden. Dit komt tijdens
toetsen naar voren, omdat er dan van de leerlingen verwacht wordt dat ze beheersing van de
drie hoofdclusters kunnen aantonen. Om dit probleem aan te pakken is besloten om een
product te ontwikkelen die in de brugklas ingezet kan worden om expliciet te oefenen met
historische vaardigheden Het doel daarvan is dat historische vaardigheden van
brugklasleerlingen vergroot worden. Binnen dit onderzoek staat de volgende onderzoeksvraag
centraal: ‘Hoe kunnen de historische vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het
Cosmicus College vergroot worden?’. In Hoofdstuk 2 worden deelvragen opgesteld die
middels de literatuur- en praktijkverkenning beantwoord zullen worden.
5
Hoofdstuk 2 Verkennend onderzoek
2.1. Inleiding verkennend onderzoek
Om een antwoord te krijgen op de onderzoeksvraag: ‘Hoe kunnen de historische
vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het Cosmicus College vergroot worden?’
zullen de volgende deelvragen onderzocht worden in de literatuur- en praktijkverkenning:
1. Wat zijn historische vaardigheden in het geschiedenisonderwijs? (literatuur)
2. Wat verstaan docenten geschiedenis van het Cosmicus College onder historische
vaardigheden? (praktijk)
3. In hoeverre zien brugklasleerlingen van het Cosmicus College historische
vaardigheden terug in de lessen? (praktijk)
4. Welke eisen worden aan brugklasleerlingen van havo/vwo gesteld op het gebied van
historische vaardigheden? (literatuur)
5. Welke eisen worden gesteld aan brugklasleerlingen (havo/vwo) van het Cosmicus
College op het gebied van historische vaardigheden? (praktijk)
6. Welke oorzaken zijn er volgens docenten geschiedenis en brugklasleerlingen
(havo/vwo) van het Cosmicus College voor achterblijvende prestaties op historische
vaardigheden? (praktijk)
7. Welke mogelijkheden zijn er voor het vergroten van historische vaardigheden?
(literatuur)
8. Welke mogelijkheden zijn er volgens leraren geschiedenis en hun brugklasleerlingen
(havo/vwo) van het Cosmicus College om achterblijvende prestaties op historische
vaardigheden te verbeteren? (praktijk)
2.2. Literatuurverkenning
2.2.1. Inleiding
In deze literatuurverkenning wordt onderzocht op welke manieren historische vaardigheden
van brugklasleerlingen gestimuleerd kunnen worden. Door middel van de
literatuurverkenning in combinatie met de praktijkverkenning zal hier advies over gegeven
worden in de vorm van een lessenserie met handleiding. De volgende deelvragen zijn
geformuleerd om dit in kaart te brengen:
1. Wat zijn historische vaardigheden in het geschiedenisonderwijs?
2. Welke eisen worden aan brugklasleerlingen van havo/vwo gesteld op het gebied van
historische vaardigheden?
3. Welke mogelijkheden zijn er voor het vergroten van historische vaardigheden?
2.2.2. Middendeel
Historische vaardigheden
Het geschiedenisonderwijs wordt onderverdeeld in kennis van het verleden en
sleutelbegrippen en in het toepassen van redeneerwijzen (Wilschut, Van Straaten, Van
Riessen, 2008). Onder kennis van het verleden en sleutelbegrippen vallen alle kennis met
betrekking tot geschiedenis in het kader van tijdvakken en kenmerkende aspecten. Naast deze
oriëntatiekennis is het van belang dat leerlingen historische vaardigheden aanleren. Dit begrip
wordt in de literatuur afzonderlijk en/of samen gebruikt met historische benaderingswijzen en
structuurbegrippen, historisch denken en redeneren en historisch besef (College voor
examens, 2014). Historische vaardigheden houden de vaardigheden in om op een historisch
6
verantwoorde wijze kwesties te benaderen en historisch te redeneren (Commissie historische
en maatschappelijke vorming, 2001). Enerzijds gaat het om informatievaardigheden en
onderzoeksvaardigheden (zoals het verzamelen, beoordelen en interpreteren van bronnen),
anderzijds om beeldvormende vaardigheden (zoals het onderscheiden van continuïteit en
verandering of van oorzakelijke verbanden) (Commissie historische en maatschappelijke
vorming, 2001). De historische vaardigheden die leerlingen dienen te ontwikkelen worden
onderverdeeld in drie hoofdclusters: tijd, interpretatie en betekenis nu (College voor examens,
2014). Daarbij geldt dat leerlingen deze hoofdclusters tegelijk en in relatie tot elkaar dienen te
beheersen.
Het is van belang dat leerlingen verhalen over en uit het verleden kunnen interpreteren en
daarnaast tot vragen, interpretaties en betekenisgeving kunnen komen (Van Boxtel, Pilot &
Van de Ven, 2011). Historische vaardigheden kunnen verder gezien worden als een
competentie waarbij de basis wordt gevormd door het vermogen om adequaat gedrag te
vertonen in het omgaan met het verleden (Van der Kaap, 2013). Het is daarbij van belang dat
leerlingen dit gedrag vertonen, dat ze geconfronteerd worden met opdrachten gerelateerd aan
realistische historische vraagstukken of problemen (omgaan met het verleden) en dat ze over
kennis, vaardigheden en houdingen beschikken om het historisch probleem uit te kunnen
voeren (adequaat gedrag).
Binnen het historisch denken en redeneren staan de volgende vier redeneerwijzen centraal:
verzamelen, ordenen, verklaren en beeldvormen (Wilschut, Van Straaten, Van Riessen, 2008).
Bij verzamelen gaat het om het onderzoeken van bronnen om antwoord te kunnen geven op
gestelde vragen. Het is daarbij van belang dat er wordt gekeken naar relevantie,
betrouwbaarheid en representativiteit. Bij het ordenen is het van belang dat feiten in bepaalde
verbanden worden geordend. Dit kan door het onderbrengen van de feiten in verschillende
aspecten van het menselijk bestaan, zoals politiek, economie, sociale en cultureel-mentale
verhoudingen. Daarnaast kan dit door feiten te ordenen met chronologie en periodisering.
Binnen het onderdeel verklaren gaat het er om dat leerlingen inzicht ontwikkelen in oorzaakgevolg relaties binnen de geschiedenis. Vaak zijn de oorzaken en gevolgen bij geschiedenis
onvoorspelbaar, waardoor dezelfde omstandigheden ook tot andere gevolgen hadden kunnen
leiden. Dit maakt het lastig om te spreken over oorzaken en gevolgen. Beeldvormen is het
onderdeel waarbij verzamelen, ordenen en verklaren aan bod komen. Het beeld dat gevormd
wordt moet namelijk gebaseerd zijn op de drie voorgaande stappen. Het is belangrijk hierbij
te beseffen dat het altijd gaat om een tijdsperspectief.
Eisen die gesteld worden aan brugklasleerlingen wat betreft historische vaardigheden
Het is volgens Wilschut, Van Straaten en Van Riessen (2008) ten eerste van belang om
leerlingen te kunnen laten oefenen met het verzamelen van bronnen zodat ze een houding
kunnen ontwikkelen met respect voor feiten. Het is daarbij belangrijk te beseffen dat het voor
(onderbouw)leerlingen te moeilijk is om zelfstandig bronnenonderzoek te verrichten. Om
brugklasleerlingen toch deze vaardigheid aan te leren zouden stukken tekst of afbeeldingen
kritisch geëvalueerd kunnen worden. Zo kunnen ze nadenken over op welke gegevens het
gebaseerd is en of de gegevens betrouwbaar en representatief zijn. Met betrekking tot het
ordenen is het van belang dat leerlingen er inzicht in krijgen door het gebruik van tijdvakken,
ondersteund met tijdbalken. Leerlingen dienen met betrekking tot verklaren te beseffen dat
het geschiedverloop een onvoorspelbaar en toevallig karakter heeft. Het is daarom van belang
dat duidelijk gemaakt wordt dat oorzaken geen feiten zijn in geschiedenis, maar uitleg van
feiten die achteraf worden gegeven. In eerste instantie is het besef van tijdplaatsgebondenheid
van belang binnen het beeldvormen. Dit houdt het besef in om te redeneren vanuit het
moment dat teruggekeken wordt op eerdere gebeurtenissen. Waarden en oordelen dienen
7
daarnaast duidelijk gemaakt te worden in de lessen (Wilschut, Van Straaten, Van Riessen,
2008).
Leerlingen in het voortgezet onderwijs wordt geschiedenis onderwezen met behulp van de
tien tijdvakken en de daarbij horende kenmerkende aspecten (Commissie historische en
maatschappelijke vorming, 2001). Voor de brugklas geldt dat de eerste vier tijdvakken
gedurende het schooljaar behandeld worden, in dit beroepsproduct ligt de nadruk daarom op
deze vier tijdvakken. Het gaat om de tijdvakken ‘jagers en boeren’, ‘Grieken en Romeinen’,
‘monnikken en ridders, vroege middeleeuwen’ en ‘steden en staten, hoge en late
middeleeuwen’. In totaal zijn er 17 kenmerkende aspecten die bij deze tijdvakken horen.
Daarnaast zijn er kerndoelen geformuleerd die van toepassing zijn op de tijdvakken (Stichting
leerplanontwikkeling, 2015). Voor onderbouw havo en vwo geldt dat kenmerkende aspecten
van tijdvakken in concrete verhalen en situatiebeschrijvingen herkend dienen te worden. Tot
slot zijn er vakvaardigheden die in lesboeken voor de brugklas en onderbouw worden
genoemd, dit zijn dus de vaardigheden waar de leerlingen aan dienen te voldoen. Voor het
vak geschiedenis zijn de volgende vakvaardigheden geformuleerd (Van der Geugten, Hijstek,
& Verkuil, 2012):
1. “Diverse onderzoeksvragen bedenken en gebruiken
2. De bruikbaarheid van bronnen vaststellen
3. Informatie uit diverse bronnen halen
4. Historische informatie kritisch beoordelen
5. Historische indelingen gebruiken
6. Historische gegevens in hun context plaatsen
7. Situaties en verschijnselen uit verschillende tijdvakken met elkaar en met het heden
vergelijken
8. In ontwikkelingen verandering en continuïteit onderscheiden
9. Soorten oorzaken en gevolgen onderscheiden
10. Historische gegevens verwerken
11. Ermee rekening houden dat gedrag en ideeën van mensen bepaald worden door hun
plaats, tijd en achtergrond
12. Ermee rekening houden dat hedendaagse en toekomstige verschijnselen worden
beïnvloed door historische verschijnselen
13. Uitleggen wat historische situaties en verschijnselen te maken hebben met het heden
en het eigen leven
14. Conclusies trekken
15. Een standpunt innemen en met argumenten uitleggen”
Tot slot onderscheiden Van Boxtel en Van Drie (2008) zes activiteiten voor historische
vaardigheden. Het gaat om historische vragen stellen, het gebruik van historische bronnen,
contextualiseren, argumenteren, gebruik van historische begrippen en gebruik van metaconcepten (zie bijlage G voor een uitgebreide beschrijving van deze activiteiten).
Mogelijkheden voor het vergroten van historische vaardigheden
Voor het vergroten van historische vaardigheden is het van belang dat leerlingen de kans
krijgen om te oefenen met deze vaardigheden. Daartoe dienen leerlingen opdrachten te
krijgen en gestimuleerd te worden in het gebruik van de 15 vakspecifieke vaardigheden. Deze
opdrachten dienen gerelateerd te zijn aan de tien tijdvakken en de daarbijhorende
kenmerkende aspecten. In de brugklas gaat het dus om de eerste vier tijdvakken. De Stichting
leerplanontwikkeling heeft voor elk van de tijdvakken leerdoelen geformuleerd met daarbij
waaraan op de verschillende niveaus voldaan dient te worden. Het is belangrijk dat daarbij de
8
scholen ruimte wordt geboden voor eigen invullingen (Commissie historische en
maatschappelijke vorming, 2001). Bij de oriëntatiekennis kiezen scholen zelf de voorbeelden
waarmee zij de kenmerkende aspecten aan de orde willen stellen. Daarnaast bepalen zij zelf in
welke mate zij daarbij een relatie willen leggen met de historische benaderingswijzen en
vaardigheden.
Vanaf de brugklas dienen leerlingen ‘hele taken’ te krijgen, waarin zo veel mogelijk aspecten
van historische vaardigheden aan bod komen. De situatie en de taak dienen de leerlingen uit te
nodigen actief te leren. Daarnaast dient het onderwijs de leerlingen uit te dagen om gebruik te
maken van kennis, vaardigheden en houdingen. Tot slot is het belangrijk dat de leerling
reflecteert op wat hij geleerd heeft en waarin hij zich moet ontwikkelen (Van der Kaap,
2013). Wansink en Tuithof (2009) hebben een bundel gemaakt met verschillende werkvormen
voor het geschiedenisonderwijs. De werkvormen uit deze bundel zouden gebruikt kunnen
worden om historische vaardigheden bij brugklassers te vergroten. Een voorbeeld is de
werkwijzer Lagerhuisdebat, waarbij leerlingen leren argumenteren en zich leren verdiepen in
andere standpunten.
Actief Historisch Denken (Havekes, De Vries & Aardema, n.d.) is ook een voorbeeld van een
werkvorm waarmee historische vaardigheden vergroot zouden kunnen worden. De nadruk ligt
daarbij op de (re)constructie van het verleden door leerlingen. Om dat te kunnen realiseren
zijn er een aantal ontwerpuitgangspunten:









Leerlingen (re)construeren de geschiedenis op grond van een (historische) vraag of
probleem;
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk (cognitief conflict);
Antwoorden worden op grond van argumenten tegen elkaar afgewogen;
Leerlingen moeten hun (historische) voorkennis gebruiken om antwoorden te
formuleren;
Leerlingen moeten verschillende algemene en historische vaardigheden gebruiken om
tot antwoorden te komen;
De opdrachten maken gebruik van samenwerkend leren;
Het denken van de leerlingen is expliciet zichtbaar voor de docent (brains on the
table);
Bij het leren van de leerlingen is er niet alleen aandacht voor de vakkennis, maar ook
voor de vakspecifieke vaardigheden en voor het proces van historisch denken.
De opdrachten, historische vragen en problemen zijn uitdagend. Samen met het
samenwerkend leren worden de leerlingen hierdoor sterk gemotiveerd (Havekes, De
Vries & Aardema, n.d.).
2.2.3. Conclusie
Concluderend kan gesteld worden dat historische vaardigheden, de vaardigheden om op een
historisch verantwoorde wijze kwesties te benaderen en historisch te redeneren inhouden.
Daarbij worden drie hoofdclusters (tijd, interpretatie en betekenis nu) en vier redeneerwijzen
(verzamelen, ordenen, verklaren en beeldvormen) onderscheiden. Er zijn specifieke
vakvaardigheden waarmee leerlingen dienen te oefenen in de brugklas met betrekking tot de
eerste vier tijdvakken. Om historische vaardigheden te kunnen vergroten is het belangrijk dat
leerlingen de kans krijgen ermee te oefenen. Er komen drie adviezen uit de
literatuurverkenning naar voren om historische vaardigheden te vergroten. Ten eerste, dienen
brugklasleerlingen ‘hele taken’ te krijgen, waarin zo veel mogelijk aspecten van historische
vaardigheden aan bod komen. Ten tweede, dient het onderwijs de leerlingen uit te dagen om
gebruik te maken van kennis, vaardigheden en houdingen. Tot slot, is het belangrijk dat de
9
leerling reflecteert op wat hij geleerd heeft en waarin hij zich moet ontwikkelen.
2.3. Praktijkverkenning
2.3.1. Inleiding
In de praktijkverkenning wordt onderzocht op welke manieren historische vaardigheden van
brugklasleerlingen gestimuleerd kunnen worden volgens docenten en leerlingen van het
Cosmicus College. Door middel van de literatuurverkenning in combinatie met de
praktijkverkenning zal er een lessenserie ontworpen worden om de historische vaardigheden
van brugklasleerlingen te vergroten. De volgende deelvragen zijn geformuleerd voor de
praktijkverkenning:
1. Wat verstaan docenten geschiedenis van het Cosmicus College onder historische
vaardigheden?
2. In hoeverre zien brugklasleerlingen van het Cosmicus College historische
vaardigheden terug in de lessen?
3. Welke eisen worden gesteld aan brugklasleerlingen (havo/vwo) van het Cosmicus
College op het gebied van historische vaardigheden?
4. Welke oorzaken zijn er volgens docenten geschiedenis (havo/vwo) van het Cosmicus
College voor achterblijvende prestaties op historische vaardigheden?
5. Welke mogelijkheden zijn er volgens leraren geschiedenis en hun brugklasleerlingen
(havo/vwo) van het Cosmicus College om achterblijvende prestaties op historische
vaardigheden te verbeteren?
2.3.2. Aanpak en middelen
Er is voor gekozen interviews te houden met de geschiedenisdocenten van de brugklassers en
om vragenlijsten af te nemen bij de brugklassers zelf. Het gaat om 2 geschiedenisdocenten en
3 brugklassen met naar schatting 25 leerlingen per klas.
Interviewen is een veel voorkomende manier om data te verzamelen (Van der Donk & Van
Lanen, 2012, p. 196). Om het beeld dat de docenten hebben met betrekking tot het onderwerp
historische vaardigheden zo breed mogelijk in kaart te kunnen brengen is er voor gekozen
interviews af te nemen. Om zoveel mogelijk respons te krijgen en de visie van leerlingen te
kunnen groeperen is gekozen voor het afnemen van vragenlijsten bij de leerlingen. De
antwoorden die verkregen worden uit de interviews en de vragenlijsten zullen samen met de
literatuurverkenning bekeken worden om tot een conclusie te komen met betrekking tot de
deelvragen.
Interviews met de docenten zijn ingepland in de week voor de kerstvakantie. De interviews
duren elk ongeveer 20 minuten. Er is gebruik gemaakt van een interviewleidraad, zodat de
gesprekken op dezelfde manier werden gestructureerd door de onderzoeker. De vragenlijsten
voor de leerlingen worden in de week na de kerstvakantie tijdens de geschiedenislessen
afgenomen. Het invullen duurt 5 tot 10 minuten.
Voor het verhogen van de betrouwbaarheid en validiteit van een onderzoek zijn er
verschillende acties: triangulatie, communiceren over praktijkonderzoek, transparantie,
verdiepen in het praktijkprobleem, gebruikmaken van vakliteratuur (Van der Donk & Van
Lanen 2012). Er is getracht deze acties zo veel mogelijk toe te passen om de betrouwbaarheid
en validiteit van het onderzoek te verhogen. Triangulatie is deels mogelijk geweest in het
huidige onderzoek. Bij triangulatie gaat het om minimaal 3 invalshoeken. In het huidige
onderzoek zijn er 2 invalshoeken, die van docenten en leerlingen. Communiceren over
praktijkonderzoek is toegepast door de resultaten van het onderzoek met de docenten en met
10
medestudenten te bespreken. Transparantie is toegepast door alle relevante documenten als
bijlagen op te nemen. In het praktijkprobleem verdiepen is vooral gedaan tijdens de
interviews en verdiepen in verschillende perspectieven is gebeurd tijdens de uitvoering van de
praktijkverkenning. Tot slot is er gebruik gemaakt van vakliteratuur in dit onderzoek om een
advies te kunnen formuleren en antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag. Het
interviewleidraad voor de docenten en de vragenlijst voor de leerlingen zijn opgenomen in
bijlage 2A.
In dit onderzoek wordt de betrouwbaarheid hoog ingeschat, omdat rekening is gehouden met
bovengenoemde aspecten. Daarnaast worden de vragenlijsten afgenomen in meerdere klassen,
waardoor er ook een grote verscheidenheid aan antwoorden gegeven kunnen worden. De
vragenlijst wordt afgenomen in een periode waarin er geen bijzonderheden zijn met
betrekking tot de klassen waarin het wordt afgenomen. Bij het opnieuw afnemen van de
vragenlijsten op een ander moment wordt verwacht dat de resultaten hetzelfde zouden zijn.
Hetzelfde geldt voor de interviews. Naast deze aspecten zijn de vragenlijsten klassikaal
afgenomen om de betrouwbaarheid van het onderzoek te vergroten. Op deze manier wordt
tegen gegaan dat toevallige verstoringen een invloed kunnen hebben op de resultaten. Indien
bijvoorbeeld leerlingen zich zouden moeten aanmelden om mee te doen met het onderzoek,
zou er een selectieve groep zijn die mee wilt doen en een groep die niet mee wilt doen. Door
de vragenlijst tijdens een lesuur in de klas af te nemen wordt dit uitgesloten.
Wat betreft validiteit worden er vijf vormen onderscheiden: resultaatvaliditeit,
procesvaliditeit, democratische validiteit, katalyserende validiteit en dialogische validiteit
(Van der Donk & Van Lanen, 2012). De resultaatvaliditeit wordt verhoogd wanneer het
onderzoek resulteert in een bruikbare oplossing van het praktijkprobleem. In het huidige
onderzoek lijkt de resultaatvaliditeit hoog te zijn, omdat er specifiek gewerkt wordt naar een
oplossing voor het praktijkprobleem door middel van interviews en vragenlijsten.
Procesvaliditeit wordt verhoogd wanneer de onderzoeksaanpak overeenkomt met de manier
waarop in de organisatie normaliter ontwikkelingen in gang worden gezet. De interviews met
de docenten zijn hier een goed voorbeeld van. De leerlingen worden er normaliter niet in deze
mate bij betrokken, maar dat is juist een sterk punt in dit onderzoek. Op deze manier wordt
namelijk ook hun kant belicht. Democratische validiteit gaat over het uitvoeren van het
onderzoek in overleg met alle partijen die daar profijt van hebben. Het benaderen van zowel
docenten als leerlingen komt de democratische validiteit dus ten goede. Katalyserende
validiteit gaat over de mate waarin het onderzoeksproces er op is gericht deelnemers een beter
begrip te geven van de onderwijspraktijk met het oog op verbetering in de toekoemst. Dit is
van toepassing in het huidige onderzoek, omdat met de interviews en vragenlijsten ingegaan
wordt op de huidige onderwijspraktijk. Met de lessenserie die ontworpen wordt, wordt
getracht verbetering aan te brengen. Dialogische validiteit gaat over de mate waarin het
onderzoek op een systematische wijze kritisch is gevolgd door collega’s. In dit onderzoek
hebben de geschiedenisdocenten regelmatig zicht gehad op het verloop en hebben zij ook
kritisch feedback gegeven. Bij de evaluatie wordt het product bijvoorbeeld ook beoordeeld
door collega’s. Verder is de vragenlijst die gebruikt wordt ook in eerder onderzoek gebruikt.
Daarnaast geldt voor de validiteit dat de onderzoeksresultaten alleen betrokken kunnen
worden op de specifieke situatie op het Cosmicus College. De resultaten kunnen niet breder
getrokken worden, omdat het onderzoek alleen op leerlingen en docenten van het Cosmicus
College gericht is. De vragenlijsten die zijn afgenomen boden leerlingen de ruimte om
historische vaardigheden binnen de geschiedenislessen te beoordelen. Met open vragen werd
geprobeerd leerlingen de ruimte te bieden om zelf nog punten in te brengen. Het zou zo
kunnen zijn dat dit voor de leerlingen moeilijk was en dat eventuele groepsinterviews beter
geweest zouden zijn om meer punten van aandacht er uit te halen.
De interviews worden in paragraaf 2.3.3. samengevat weergegeven. De resultaten van de
11
vragenlijsten zullen in een grafiek worden weergegeven in 2.3.3. De ingevulde vragenlijsten
zijn opvraagbaar bij de onderzoeker.
Data-analyseplan
Voor het verwerken van de resultaten zullen de interviews van de docenten beluisterd worden,
waarna ze worden samengevat. De antwoorden van de docenten zullen met elkaar worden
vergeleken per vraag. Op basis van deze vergelijking zullen de interviews van de docenten
gerapporteerd worden. De vragenlijsten die de leerlingen hebben ingevuld worden in het
statistiekprogramma SPSS ingevoerd. Met behulp van dit programma worden er gemiddelde
scores berekend op elke schaal van de vragenlijst. Daarnaast worden per item gemiddelden
uitgerekend. In de bijlagen worden de gemiddelden per item in een tabel weergegeven. Door
te kijken naar gemiddelden is het mogelijk de scores te interpreteren op een schaal van 1 tot 5.
De antwoorden die de leerlingen hebben ingevuld op de open vragen worden gegroepeerd en
er wordt een samenvatting gemaakt van deze antwoorden.
2.3.3. Resultaten en conclusies
Resultaten interviews geschiedenis docenten
Voor de docenten gaat het bij historische vaardigheden van brugklasleerlingen om de bekende
historische vaardigheden, echter op het niveau van de brugklassers. Leerlingen moeten aan
het eind van de brugklas de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen, een
chronologische indeling kunnen maken en oorzaken en gevolgen kunnen onderkennen.
Het gaat daarnaast om standplaatsgebondenheid, verschil feit en mening en verandering en
continuïteit. Het moet voor leerlingen duidelijk zijn wat historische vaardigheden inhouden.
Leerlingen zouden voorbeelden moeten kunnen noemen bij een historische vaardigheid op
hun niveau. Dit zou dan ook centraal moeten staan bij het behandelen van de stof. In de
toetsen wordt te veel naar kennis gevraagd. Leerlingen kunnen dit leren zonder het te
begrijpen. Het is echter de bedoeling dat juist het toepassen van de kennis wordt getoetst. In
de onderbouw zijn de kenmerkende aspecten helemaal niet aan de orde gekomen in verband
met moeilijke formuleringen. Echter, de stof van de kenmerkende aspecten kan
vereenvoudigd worden voor brugklasleerlingen. Historische vaardigheden dienen het
uitgangspunt te worden vanaf de brugklas. In de huidige situatie worden deze niet expliciet
genoeg gebruikt in de lessen. Bij het examen moeten leerlingen de vaardigheden kunnen
toepassen, daarom is het belangrijk dit al vanaf de brugklas te stimuleren.
Met betrekking tot oorzaken voor achterblijvende prestaties is taalbegrip vooral een probleem
volgens de docenten. Taal dient gestimuleerd te worden, evenals het aanleren van formuleren.
Het is belangrijk om leerlingen aan te leren hoe ze vragen dienen te beantwoorden. Leerlingen
geven vaak korte, vage antwoorden waardoor ze weinig punten krijgen. Daarnaast wordt er
een abstract denkniveau gevraagd bij geschiedenis dat ook gerelateerd is aan
taalontwikkeling. In de lessen zou tijd besteed moeten worden aan het goed lezen van vragen
en formuleren van antwoorden aan de hand van de historische vaardigheden. Daarnaast is het
belangrijk dat de kenmerkende aspecten in een begrijpelijke taal voor de leerlingen
bespreekbaar worden gemaakt. De vaardigheden zouden zowel in de toetsen als in de lessen
aan bod moeten komen. Het uitgangspunt is dat leerlingen met deze vaardigheden een
kritische houding krijgen. De docenten zijn van mening dat het continu terug laten komen van
de historische vaardigheden de ontwikkeling ervan kan stimuleren.
Resultaten vragenlijsten leerlingen
12
In totaal hebben 70 leerlingen de vragenlijst ingevuld. De gemiddelde scores op de schalen
van de vragenlijst worden weergegeven in Figuur 1. Het eerste stuk van de vragenlijst ging
over historische vaardigheden en in hoeverre deze aan de orde komen in de huidige
geschiedenislessen. De leerlingen hebben dit gemiddeld beoordeeld met een 3,7. Dit betekent
dat volgens de leerlingen de historische vaardigheden behandeld worden in de geschiedenis
lessen. Het tweede onderdeel ging over wat het vak geschiedenis voor de leerlingen betekent.
De gemiddelde score hierop is een 3,1. Het derde deel van de vragenlijst gaat over interesse in
geschiedenis. De gemiddelde score hierop is een 3,2.
Het is belangrijk om ook op itemniveau te kijken naar wat leerlingen hebben ingevuld, omdat
per item verschillende aspecten van elk onderdeel aan bod zijn gekomen. De focus binnen dit
onderzoek ligt op de historische vaardigheden. In het vervolg van de resultaten wordt daarom
alleen ingegaan op de gemiddelden per item van deze schaal. In Figuur 2 worden de
gemiddelde scores per item weergegeven. Te zien is dat de meeste leerlingen deze aspecten
van historische vaardigheden terug zien komen in de geschiedenislessen. De resultaten per
item van de twee overige schalen zijn te vinden in Bijlage 2B.
Figuur 1.
Voormeting
3.8
3.7
3.6
3.5
3.4
3.3
3.2
Voormeting
3.1
3
2.9
2.8
Historische
Betekenis
vaardigheden in geschiedenis voor
de les
leerling
Interesse in
soorten
geschiedenis
13
Figuur 2.
Gemiddelde
4
3.9
3.8
3.7
3.6
3.5
Gemiddelde
3.4
3.3
3.2
3.1
3
Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5 Vraag 6 Vraag 7 Vraag 8
Tot slot is aan de leerlingen gevraagd wat volgens hen anders zou moeten in de
geschiedenislessen en wat er ontbreekt in de geschiedenislessen. Met deze vragen is getracht
een antwoord te krijgen op deelvraag 2 en 3, oorzaken voor achterblijvende prestaties en
mogelijkheden om dit te verbeteren. Er komt naar voren dat de leerlingen filmpjes willen zien
in de geschiedenislessen ter verduidelijking van de stof. Vijf leerlingen geven aan meer
excursies te willen. Enkele leerlingen geven aan meer uitleg te willen over de stof. Zes
leerlingen geven aan dat de geschiedenislessen leuker zouden moeten worden.
Conclusie
In deelvraag 1 stond centraal wat de docenten verstaan onder historische vaardigheden. Uit de
praktijkverkenning komt naar voren dat de docenten de hoofdclusters tijd, interpretatie en
betekenis nu verstaan onder historische vaardigheden. In de tweede deelvraag werd gekeken
in hoeverre leerlingen historische vaardigheden terug zien in de lessen. Uit de resultaten blijkt
dat de leerlingen dit hoog beoordelen. Ten derde werd in het onderzoek gekeken naar de eisen
die gesteld worden aan brugklasleerlingen wat betreft historische vaardigheden. Het blijkt dat
leerlingen op de toetsen en in de lessen moeten kunnen laten zien dat ze beschikken over
historische vaardigheden. Ten vierde is gekeken naar oorzaken voor achterblijvende
prestaties. Volgens de docenten is de taalachterstand die leerlingen hebben een belemmerende
factor. Met betrekking tot historische vaardigheden benoemen zij dat er te weinig expliciet
mee wordt geoefend en getoetst. Tot slot is gekeken hoe de historische vaardigheden vergroot
kunnen worden volgens docenten en leerlingen. De docenten geven aan als mogelijkheden
voor het verbeteren van de vaardigheden dat er met de leerlingen geoefend zou moeten
worden hoe een vraag gelezen wordt en hoe er het beste antwoord op gegeven kan worden.
Ook zouden de kenmerkende aspecten bij de tijdvakken op het niveau van brugklassers
herformuleerd moeten worden. De historische vaardigheden dienen in de lessen en toetsen
terug te komen. De verbeterpunten die leerlingen aangeven met betrekking tot het vak gaan
voornamelijk over het leuker maken door middel van excursies en filmpjes. Daarnaast wordt
benoemd door een aantal leerlingen dat ze meer uitleg zouden willen. Hieruit kan afgeleid
worden dat leerlingen meer actieve werkvormen zouden willen hebben bij geschiedenis.
14
Hoofdstuk 3 Het beroepsproduct
3.1. Conclusie verkenning
In dit onderzoek stond de volgende vraag centraal: ‘Hoe kunnen de historische vaardigheden
van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het Cosmicus College vergroot worden?’.
Uit de literatuurverkenning blijkt dat historische vaardigheden het op een historisch
verantwoorde wijze kwesties benaderen en historisch redeneren inhoudt. Daarbij zijn een
drietal hoofdclusters te onderscheiden: tijd, interpretatie en betekenis nu. De docenten van het
Cosmicus College benoemen dezelfde hoofdclusters voor de definitie van historische
vaardigheden. Uit de vragenlijst van leerlingen komt naar voren dat zij de verschillende
aspecten van historische vaardigheden terug zien in de lessen. Met betrekking tot eisen
waaraan leerlingen dienen te voldoen zijn er vakvaardigheden opgenomen in de
schoolboeken. Specifiek dienen brugklasleerlingen historische vaardigheden te ontwikkelen
met betrekking tot de eerste vier tijdvakken. Docenten benoemen dat het belangrijk is de
kenmerkende aspecten op het niveau van de brugklas te formuleren en vaker te oefenen met
historische vaardigheden. Uit de literatuur komt naar voren dat voor het vergroten van
historische vaardigheden meer geoefend kan worden met leerlingen. Uit de interviews met
docenten blijkt dat ze explicieter zouden willen oefenen met de leerlingen met betrekking tot
historische vaardigheden en dat dit ook in de toetsen terug zou moeten komen. Daarnaast zou
er geoefend moeten worden hoe vragen gelezen en beantwoord dienen te worden, omdat de
taalachterstand die leerlingen hebben een belemmering vormt voor het oefenen met
historische vaardigheden. Ten derde zouden de kenmerkende aspecten bij de tijdvakken op
het niveau van brugklassers herformuleerd moeten worden. De leerlingen geven aan behoefte
te hebben aan meer actieve werkvormen.
Concluderend kan gesteld worden dat historische vaardigheden in de brugklas vergroot
kunnen worden door actiever en explicieter te oefenen met historische vaardigheden in de
lessen en dit ook terug te laten komen in de toetsen. Het focussen op het taalaspect van
geschiedenis is daarbij belangrijk.
3.2. Ontwerpeisen
Het doel van dit onderzoek is een lessenserie te ontwerpen waarmee leden van de sectie
geschiedenis explicieter met leerlingen kunnen oefenen wat betreft historische vaardigheden.
Het beroepsproduct zal in de vorm van een handleiding voor een lessenreeks worden
aangeleverd. Om deze lessenserie te ontwerpen zijn er ontwerpeisen samengesteld met de
opdrachtgever:
1. Actualiteit
Het is belangrijk dat de lessenreeks die ontworpen wordt te behandelen is in de periode
waarin de leerlingen nu zitten. De leerlingen krijgen nu het tijdvak Grieken en Romeinen. Met
het onderdeel Grieken zijn ze al begonnen. Dit beroepsproduct zal specifiek toegespitst zijn
op Romeinen, omdat het dan uitgevoerd kan worden op het moment dat deze stof behandeld
wordt. Elk hoofdstuk bestaat uit 5 paragrafen die in 5 lessen worden behandeld. Het is daarom
de bedoeling dat de lessenreeks bestaat uit 5 lessen waarbij in totaal een hoofdstuk wordt
behandeld. Daarnaast is het de bedoeling dat er in de 6e les specifiek wordt geoefend met de
kenmerkende aspecten.
2. Uitleg historische vaardigheden
15
Uit de praktijkverkenning blijkt dat leerlingen niet weten wat historische vaardigheden
precies zijn. Het is daarom belangrijk om in eerste instantie duidelijk uitleg te geven over wat
deze vaardigheden inhouden en op welke manier er mee gewerkt zal worden.
3. Herformuleren kenmerkende aspecten
De kenmerkende aspecten behorend bij het tijdvak dienen herformuleerd te worden. Het blijkt
namelijk dat de kenmerkende aspecten te moeilijk zijn voor de brugklassers. Met het
herformuleren wordt getracht het op brugklasniveau begrijpelijk te maken voor de leerlingen.
4. Oefenen met historische vaardigheden en kenmerkende aspecten in de lessen
Uit zowel literatuur- als praktijkverkenning komt naar voren dat het oefenen met historische
vaardigheden belangrijk is voor het ontwikkelen van deze vaardigheden. In de lessenreeks die
wordt ontworpen dienen er specifieke opdrachten te zijn voor het oefenen met de
vaardigheden en kenmerkende aspecten. Daarbij dienen actieve werkvormen (zoals Actief
Historisch Denken) gebruikt te worden.
5. Oefenen met historische vaardigheden voor de toets
In de lessenreeks moet er naast het oefenen met historische vaardigheden ook expliciet
aandacht besteed worden aan hoe leerlingen vragen met betrekking tot de stof moeten lezen.
Uit de praktijkverkenning blijkt namelijk dat leerlingen door taalachterstand hier moeite mee
hebben. Het is de bedoeling leerlingen te leren hoe ze de vragen kunnen relateren aan
historische vaardigheden en hoe ze de vragen kunnen beantwoorden.
3.3. Het ontwikkelde beroepsproduct
Onderwerp
Dit onderzoek heeft betrekking op de volgende onderzoeksvraag: ‘Hoe kunnen de historische
vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het Cosmicus College vergroot
worden?’. Het beroepsproduct wordt een handleiding die de docenten kunnen gebruiken voor
het explicieter oefenen met historische vaardigheden in de brugklas. De docenten benoemen
dat dit voordelen zal hebben voor de leerlingen, omdat zij op deze manier beter voorbereid
zullen worden op de toetsing in de bovenbouw en daarmee ook de eindexamens. Het
beroepsproduct wordt een onderwijskundig ontwerp bestaande uit een lessensserie inclusief
handleiding waarin met opdrachten over de tijdvakken en kenmerkende aspecten de
historische vaardigheden geoefend worden.
Doelgroep
De handleiding is bedoeld voor de sectie geschiedenis en docenten geschiedenis die werken in
de onderbouw op het Cosmicus College. Echter, de handleiding zou ook gebruikt kunnen
worden door docenten in de bovenbouw, omdat het specifiek gericht is op het oefenen met
historische vaardigheden. Daarnaast zou de handleiding ook binnen vergelijkbare scholen
voor voortgezet onderwijs bij het vak geschiedenis ingezet kunnen worden. Het gaat er om
dat met de handleiding historische vaardigheden in de brugklassen geoefend kunnen worden.
De handleiding zou voor gebruik in andere jaren of met andere stof aangepast moeten
worden.
Doel
Het doel van het product is dat docenten van de sectie geschiedenis meer kunnen oefenen met
brugklasleerlingen op het gebied van historische vaardigheden. Daarbij is het belangrijk dat in
gang gezet wordt dat de docenten explicieter met deze vaardigheden gaan werken en dat de
16
leerlingen gestimuleerd worden om deze vaardigheden te ontwikkelen. Voor in het vervolg
zou het van belang zijn voor elk tijdvak een lessenreeks te ontwerpen. Het voornaamste doel
is dus dat de geschiedenisdocenten in de brugklassen aan de hand van het product historische
vaardigheden van brugklasleerlingen kunnen vergroten.
Vorm
Het product zal digitaal en op papier aangeleverd worden bij het sectiehoofd geschiedenis en
de andere geschiedenisdocenten. Daarnaast zal mondeling tijdens een sectievergadering het
product gepresenteerd worden en de vragen van docenten zullen beantwoord worden. Ook
wordt aangegeven dat de docenten elk moment met vragen bij de onderzoeker terecht kunnen.
Inhoud
In de handleiding die ontworpen wordt zal ingegaan worden op welke manieren er met
historische vaardigheden geoefend zal worden in de lessen. Het doel is hierbij om leerlingen
duidelijk te maken waarom deze vorm van leren ingezet zal worden. Ten tweede zullen de
kenmerkende aspecten behorend bij het tijdvak Grieken en Romeinen herformuleerd worden,
om deze op brugklasniveau begrijpelijk te maken. Ten derde zullen er in de lessenreeks voor
elke les verschillende opdrachten ontworpen worden waarmee de historische vaardigheden
geoefend kunnen worden. Ook zal ingegaan worden op hoe vragen gelezen moeten worden en
hoe er op geantwoord kan worden. In elke les zal er een vraag, gerelateerd aan tijd,
interpretatie en betekenis nu, behandeld worden. In de laatste les zal er expliciet geoefend
worden met kenmerkende aspecten.
17
Hoofdstuk 4 Evaluatieonderzoek
4.1. Presentatie en evaluatie van het product
Het beroepsproduct wordt na het ontwerpen getest als pilot binnen twee brugklassen van
het Cosmicus College. De leerlingen uit deze klassen vullen naderhand een vragenlijst in om
de lessenserie te evalueren. De lessenserie wordt daarna aan de sectie geschiedenis van het
Cosmicus College gepresenteerd. Docenten kunnen daarbij feedback geven en benoemen of
het product aan de wensen voldoet en of het gebruikt kan worden om historische
vaardigheden in de brugklas te stimuleren. Op basis van de evaluaties van de leerlingen en
docenten over de lessenserie wordt gekeken of het product aangepast dient te worden.
In de presentatie zal ingegaan worden op de conclusies van de literatuur- en
praktijkverkenning. Op basis daarvan zal toegelicht worden welke stappen er zijn genomen
voor het ontwikkelen van de lessenserie. De opdrachten in de handleiding zullen toegelicht
worden aan de hand van concrete voorbeelden. Tot slot zullen de docenten gevraagd worden
om feedback te geven op het product aan de hand van het gespreksleidraad (bijlage 4B). Om
na te gaan of het product voldoet aan de ontwerpeisen (zie 3.2.) zal in het gespreksleidraad
gevraagd worden of het voor de docenten duidelijk is op welke manier er aandacht besteed zal
worden aan het oefenen met historische vaardigheden in de les. Daarnaast zal gevraagd
worden of docenten het product bruikbaar lijkt. Indien er onderdelen zijn die missen volgens
de docenten zullen deze toegevoegd worden aan het product. De docenten zal ook gevraagd
worden naar hun mening over onderdelen in het product die ze onmisbaar vinden. Tot slot
wordt docenten gevraagd of ze tips en /of suggesties hebben voor het verbeteren van het
product. In bijlage 4A is de planning te vinden voor het ontwikkelen, presenteren en
evalueren van het beroepsproduct.
4.2. Evaluatie van de uitvoering van het product
4.2.1. Inleiding en evaluatievragen
Het doel van dit onderzoek was het ontwikkelen van een onderwijskundig ontwerp bestaande
uit een lessensserie inclusief handleiding waarin met opdrachten over de tijdvakken en
kenmerkende aspecten de historische vaardigheden geoefend worden door brugklasleerlingen.
Het product dat is ontwikkeld wordt in twee klassen uitgetest en daarna geëvalueerd. Beide
klassen hebben de eerste twee lessen uit de lessenserie gehad. Om het product goed te kunnen
evalueren is het van belang dat zoveel mogelijk leerlingen hun mening geven over de lessen
waarin het product is uitgetest. De evaluatie zal na de tweede les waarin leerlingen de
aangepaste les hebben gehad plaatsvinden. Naast de leerlingen evalueren ook twee
geschiedenisdocenten het product na de presentatie die wordt gegeven. Het is namelijk ook
van belang om in kaart te brengen hoe bruikbaar de docenten het product vinden.
De hoofdvraag voor het evaluatieonderzoek is: “Is de ontworpen lessensserie, volgens de
betrokkenen, het juiste middel om actief te kunnen oefenen met historische vaardigheden in
de brugklas?”
De deelvragen die hierbij horen zijn:
1.
Hoe beoordelen de brugklasleerlingen de nieuwe opzet van de geschiedenislessen
op het Cosmicus College?
2.
Hoe beoordelen geschiedenisdocenten de nieuwe opzet van de geschiedenislessen
op het Cosmicus College?
4.2.2. Aanpak en middelen
In deze paragraaf wordt de vragenlijst beschreven die door de leerlingen is ingevuld om de
lessenserie te evalureren. Daarnaast wordt ook het gespreksleidraad dat is gebruikt bij de
18
docenten besproken. Er is voor gekozen om leerlingen vragenlijsten in te laten vullen voor de
evaluatie, omdat met vragenlijsten deelnemers op anonieme wijze hun mening kunnen laten
zien. Daarnaast heeft het voordelen voor de betrouwbaarheid, omdat leerlingen ook in het
begin dezelfde vragenlijst hebben ingevuld.
In het evaluatie-onderdeel krijgen de leerlingen een vragenlijst waarin zij aan kunnen geven
wat ze vonden van de lessen waarin het beroepsproduct is uitgevoerd (bijlage 4C). De
leerlingen krijgen dezelfde vragenlijst als de vragenlijst die ze voor de praktijkverkenning
hebben ingevuld. De reden hiervoor is dat op deze manier naderhand gekeken kan worden of
de leerlingen de geschiedenislessen beter hebben beoordeeld na de aanpassingen. Op deze
manier is er sprake van een voormeting en een nameting. Bij de voormeting is de
beginsituatie van de leerlingen in kaart gebract en bij de nameting zal de situatie zoals zij het
ervaren na de aangepaste lessen gevolgd te hebben in kaart worden gebracht. De voormeting
en nameting zullen met elkaar vergeleken worden, om te kijken of de leerlingen de
geschiedenislessen positiever beoordelen dan voordat de lessenserie werd toegepast. Om
leerlingen ook expliciet te vragen naar de verschillen tussen de lessen zijn de volgende vragen
toegevoegd aan de vragenlijst:
 Vind je dat de laatste twee geschiedenislessen leuker zijn dan de geschiedenislessen
daarvoor?
 Is voor jou duidelijk geworden wat historische vaardigheden zijn in de laatste twee
geschiedenislessen?
 Is voor jou in de laatste twee geschiedenislessen duidelijk geworden wat de
kenmerkende aspecten behorende bij het tijdvak Grieken en Romeinen inhouden?
 Wat vind je van de manier waarop wordt geoefend met historische vaardigheden in de
laatste twee geschiedenislessen?
De volgende vragen zijn uit de vragenlijst gehaald, omdat deze vragen niet relevant zijn voor
de evaluatie van de lessenserie:
 Wat moet er volgens jou anders in de huidige geschiedenislessen?
 Wat ontbreekt er volgens jou in de geschiedenislessen?
De ingevulde vragenlijsten van de leerlingen worden in het statistiekprogramma SPSS
ingevoerd. In dit programma worden gemiddelden uitgerekend per schaal en op itemniveau.
De gemiddelden op schaal- en itemniveau op de voor- en nameting worden met elkaar
vergeleken. In de bijlagen worden de gemiddelden per item in een tabel weergegeven. De
gemiddelden bij deze nameting en de gemiddelden bij de voormeting (praktijkverkenning)
worden met elkaar vergeleken. Zo kan worden gekeken of de leerlingen de lessen beter of
juist slechter beoordelen na twee keer les gehad te hebben volgens de nieuwe lessenserie. De
antwoorden die de leerlingen hebben ingevuld op de open vragen worden gegroepeerd en er
wordt een samenvatting gemaakt van deze antwoorden.
Voor de evaluatie van de docenten is na de presentatie een gespreksleidraad gebruikt om aan
de docenten te vragen hoe zij het product evalueren. Er zal dus worden nagegaan hoe
bruikbaar docenten het product vinden, of ze delen onmisbaar vinden en of ze tips hebben
voor het verbeteren van het product. Alle feedback die de docenten geven wordt
opgeschreven en naderhand wordt er een samenvatting van gemaakt. Deze samenvatting
wordt gebruikt om de lessenserie aan te passen.
Er zijn enkele zwakke en sterke punten van het onderzoek die meegenomen moeten worden
bij het interpreteren van de resultaten van het evaluatieonderzoek. Aan dit onderzoek hebben
zowel docenten als leerlingen deelgenomen. Dit heeft als voordeel dat het product door beide
kanten wordt beoordeeld. Beide groepen werken immers met het product wanneer het wordt
uitgevoerd. Een anders sterk onderdeel is dat er zowel interviews als vragenlijsten zijn
19
afgenomen. Bij grote groepen, zoals de klassen, is het afnemen van vragenlijsten een
effectieve manier om zo veel mogelijk respons in korte tijd te krijgen. De interviews met de
docenten zijn heel bruikbaar geweest om diep op het onderwerp in te gaan. Zonder diep op
het onderwerp in te gaan zou het niet mogelijk zijn een lessenserie te ontwerpen die goed bij
de belevingswereld van de docenten past. De interviews zijn verder op precies dezelfde
manier uitgevoerd. Dit vergroot de betrouwbaarheid. Hetzelfde geldt voor de vragenlijsten.
Er zijn echter ook een aantal onderdelen van het onderzoek die beter kunnen. Ten eerste is het
bijvoorbeeld belangrijk dat er meer docenten en leerlingen deelnemen aan het onderzoek. Er
zijn op het Cosmicus College drie brugklassen, het beroepsproduct is echter bij twee klassen
uitgevoerd. Voor een completer beeld zou het ook bij de derde klas uitgevoerd en geëvalueerd
moeten worden. Daarnaast is het zo dat er in totaal drie geschiedenisdocenten werkzaam zijn
en dat een daarvan alle lessen in de brugklas verzorgd. Dit heeft als nadeel dat er maar een
docent is geweest die het beroepsproduct daadwerkelijk heeft kunnen uitvoeren. De overige
docenten hebben alleen de opzet kunnen beoordelen. Alleen de eerste twee lessen van de
lessenserie zijn uitgetest door tijdtekort. Echter, om het product volledig te kunnen evalueren
dient de gehele lessenserie uitgevoerd te worden. Tot slot, is in de lessenserie ook een
onderdeel opgenomen om met de leerlingen het lezen en beantwoorden van vragen te kunnen
oefenen. Of dit daadwerkelijk geholpen heeft kan pas duidelijk worden bij het toetsen.
4.2.3. Resultaten
Resultaten vragenlijsten leerlingen
In totaal hebben 44 leerlingen de vragenlijst ingevuld. De resultaten op de schalen van de
vragenlijst worden weergegeven in Figuur 3. Het eerste stuk van de vragenlijst ging over
historische vaardigheden en in hoeverre deze aan de orde komen in de geschiedenislessen
waarin de lessenserie is uitgevoerd. De leerlingen beoordelen de geschiedenis lessen
gemiddeld met een 3,9 op een schaal van 5 ten op zichte van een 3,7 bij de voormeting. Dit
betekent dat de leerlingen de behandeling van historische vaardigheden in de lessen na de
twee lessen uit de lessenserie positiever hebben beoordeeld. Ook op itemniveau zijn de
gemiddelden hoger geworden op het tweede meetmoment. In het tweede deel van de
vragenlijst werd leerlingen gevraagd wat geschiedenis voor hen betekent. Ook op dit
onderdeel is een lichte stijging te zien in het gemiddelde bij de nameting (3,2) ten opzichte
van de voormeting (3,1). In het derde deel van de vragenlijst werd ingegaan op de interesse
van leerlingen in soorten geschiedenis. Ook hierbij was er een stijging te zien bij de nameting
(3,6) ten opzichte van de voormeting (3,2). De gemiddelden op itemniveau op onderdeel 2 en
3 zijn in de bijlagen opgenomen, omdat de focus binnen dit onderzoek ligt op de historische
vaardigheden. In het vervolg van de resultaten wordt daarom alleen ingegaan op de
gemiddelden per item van deze schaal. In Figuur 4 is te zien dat er op elke item een stijging is
te zien bij de nameting ten opzichte van de voormeting.
20
Figuur 3.
4.5
4
3.5
3
2.5
Voormeting
2
Nameting
1.5
1
0.5
0
Historische
Betekenis geschiedenis
vaardigheden in de les
voor leerling
Interesse in soorten
geschiedenis
Figuur 4.
5
4.5
4
3.5
3
Voormeting
2.5
Nameting
2
1.5
1
0.5
0
Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5 Vraag 6 Vraag 7 Vraag 8
Hieronder wordt per open vraag een samenvatting weergegeven van de antwoorden die de
leerlingen hebben ingevuld.
-
Vind je dat de laatste twee geschiedenislessen leuker zijn dan de geschiedenislessen
daarvoor?
Het grootste deel van de leerlingen vonden de lessen wel leuker dan de lessen ervoor. Hier
worden verschillende redenen voor genoemd: er wordt geleerd op een andere manier, zo leer
21
je meer, leren met spellen maakt het leuker, er wordt dieper op de stof ingegaan, meer
motivatie voor de les, het is meer dan alleen lezen en opdrachten maken, actiever bezig en
niet alleen bezig met het boek. Er zijn vier leerlingen die ingevuld hebben dat ze geen verschil
zagen tussen de lessen nu en hiervoor. Zes leerlingen gaven aan dat de laatste twee lessen niet
leuker waren dan de lessen ervoor, een van de leerlingen vindt dat de stof steeds saaier wordt.
- Is voor jou duidelijk geworden wat historische vaardigheden zijn in de laatste twee
geschiedenislessen?
De meeste leerlingen hebben ‘ja’ geantwoord op deze vraag. Daarbij worden de volgende
redenen genoemd: docent legt goed uit, het blijft moeilijk maar is wel duidelijker, de handout
was handig, met betrekking tot de Romeinen is het duidelijk, het is uitgebreid behandeld, door
de andere manier van werken, de films, veel herhaling, de vragen die we moeten
beantwoorden. Vier leerlingen gaven aan dat het voor hen nog steeds niet duidelijk was
geworden.
- Is voor jou, in de lessen van afgelopen week, duidelijk geworden wat de
kenmerkende aspecten behorende bij het tijdvak Grieken en Romeinen inhouden?
Ook op deze vraag antwoordden de meeste leerlingen ‘ja’. Daarbij worden de volgende
redenen genoemd: de presentaties, we kregen een samenvatting, uitgebreid behandeld, films,
leuke en goede uitleg, handout. Zes leerlingen gaven aan dat de kenmerkende aspecten voor
hen niet duidelijker waren geworden. Een van deze leerlingen gaf aan dat er nog steeds veel
woorden in zaten die hij niet kent.
- Wat vind je van de manier waarop wordt geoefend met historische vaardigheden in de
laatste twee geschiedenislessen?
De meeste leerlingen vinden het een leuke manier om mee te werken in de lessen. Ze noemen
dat doordat de lessen leuker zijn, ze ook beter dingen kunnen onthouden en meer zin hebben
in de lessen. Het is anders dan de hele dag opdrachten uit het werkboek maken. Het is vooral
leuk, omdat het anders is dan normaal. Enkele leerlingen benoemen dat de methode goed is
maar dat de stof moeilijk blijft. Vooral het spelenderwijs leren vinden de leerlingen leuk. De
uitleg helpt ook goed. Het gebruik van filmpjes wordt positief beoordeeld. Twee leerlingen
benoemen dat het leuker kan en een leerling geeft aan dat het saai is.
Resultaten presentatie lessenserie
Na de pilot waarbij twee lessen uit de lessenserie zijn getest in twee klassen, is de lessenserie
gepresenteerd aan de sectie geschiedenis. Na de presentatie hadden de docenten de
gelegenheid om feedback te geven op de lessenserie, zodat er aan de hand daarvan
aanpassingen gedaan zouden kunnen worden. Hierbij is het gespreksleidraad gebruikt. Uit de
feedback kwam naar voren dat de herformuleringen van de kenmerkende aspecten nog
eenvoudiger zouden kunnen. In de huidige vorm zijn er nog steeds woorden die complex
kunnen zijn voor de leerlingen. Bijvoorbeeld het woord confrontatie zou ook toegelicht
moeten worden.
Verder kwam naar voren dat de focus in de lessenserie vooral ligt op de historische
vaardigheden. Kenmerkende aspecten zouden daarnaast bijvoorbeeld geoefend kunnen
worden door leerlingen bronnen te laten zien en te vragen bij welk kenmerkend aspect de
bron past. De leerlingen dienen daarbij specifieke onderdelen uit de bron te noemen waaruit
ze afleiden dat het bij een kenmerkend aspect past. De kenmerkende aspecten zijn ook weer
onder te verdelen in meerdere aspecten, als brugklasleerlingen de bron kunnen linken aan een
van deze deelaspecten zou dat voldoende zijn. Er wordt aangegeven dat de lessenserie zoals
het is ontworpen al een mooi document is en dat het handig is deze zoveel mogelijk te
behouden. De kenmerkende aspecten zouden of in deze lessen geïntegreerd moeten worden of
in een aparte les behandeld moeten worden. Op basis van deze feedback zijn de
herformuleringen van de kenmerkende aspecten aangepast en is er een les toegevoegd aan de
22
lessenserie waarin de kenmerkende aspecten behorende bij de Romeinen behandeld worden.
4.2.4. Conclusies
De hoofdvraag binnen dit evaluatieonderzoek was: “Is de ontworpen lessensserie, volgens de
betrokkenen, het juiste middel om actief te kunnen oefenen met historische vaardigheden in
de brugklas?”. Zowel leerlingen als docenten hebben de lessenserie beoordeeld. Uit de
evaluatie van de leerlingen blijkt dat zij de lessen op (bijna) alle onderdelen beter beoordelen
dan bij de voormeting. De lessenserie lijkt dus bruikbaar om actief te kunnen oefenen met
historische vaardigheden bij brugklasleerlingen. Uit de open vragen blijkt dat de activerende
werkvormen positief worden beoordeeld door de leerlingen. Van de 44 leerlingen die de
lessen geëvalueerd hebben vinden er 34 dat de lessen leuker zijn geworden. Veertig leerlingen
vinden het duidelijk wat historische vaardigheden zijn. Achtendertig leerlingen vinden dat de
kenmerkende aspecten duidelijk zijn geworden. Eenenveertig leerlingen vinden de manier
waarop les is gegeven goed en leuk. Uit de gesprekken met de docenten komt naar voren dat
zij de lessenserie vinden aansluiten bij het praktijkprobleem. Echter, er dient ook een les aan
de kenmerkende aspecten gewijd te worden en de kenmerkende aspecten dienen nog
eenvoudiger herformuleerd te worden. De lessenserie zal hierop aangepast worden.
Concluderend kan gesteld worden dat zowel leerlingen als docenten de lessenserie als een
goed middel beoordelen om actief te oefenen met het ontwikkelen van historische
vaardigheden in de brugklas.
23
5. Literatuurlijst
College voor examens. (2014). Geschiedenis HAVO: Syllabus centraal examen 2016, domein
A en B van het examenprogramma. Centrale examens VO, 1-43.
Commissie historische en maatschappelijke vorming. (2001). De samenhang in de
programma’s geschiedenis: algemene verantwoording en toelichting. Specialisten in
leerprocessen, 1-10. Verkregen van http://www.slo.nl/voortgezet/tweedefase/vakken/
geschiedenis/advies/4Gesch_h1_De_Rooij.doc/
Havekes, H., De Vries, J. & Aardema, A. (n.d.). Actief historisch denken: Werkvormen die
leerlingen motiveren en diverse aspecten van historisch denken actief laat inzetten.
Hermes: Tijdschrift van de Vlaamse vereniging Leraren Geschiedenis, 13, 16-20.
Stichting leerplanontwikkeling. (2015). Leerdoelenkaart geschiedenis: gedifferentieerde
beheersingsniveaus voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Verkregen van
http://downloads.slo.nl/Documenten/Leerdoelenkaart%20geschiedenis%20sept%2020
15.pdf
Van Boxtel, C., Pilot, A., & Van de Ven, P. H. (2011). Vakdidactische benaderingen.
Verkregen van http://www.lerarenopleider.nl/velon/wp-content/uploads/2014/09/
vakdidactischebenaderingen06052011.pdf
Van Boxtel, C. A. M., & van Drie, J. P. (2008). Vermogen tot historisch redeneren:
onderliggende kennis, vaardigheden en inzichten. Hermes: Vereniging Leraren
Geschiedenis & Maatschappelijke Vorming, 12, 45-54.
Van der Donk, C. & Van Lanen, B. (2012). Praktijkonderzoek in de school (2e herziene druk).
Bussum, Uitgeverij Coutinho.
Van der Geugten, T., Hijstek, B., & Verkuil, D. (2012). Geschiedenis werkplaats (2e editie).
Groningen/Houten, Noordhoff Uitgevers.
Van der Kaap, A. (2013). Voorbeeld leerplan geschiedenis voor de onderbouw havo en vwo.
Stichting leerplanontwikkeling, 1-23.
Wansink, B. & Tuithof, H. (2009). Voorbeelden van activerende werkvormen. IVLOS,
Universteit Utrecht, 1-34.
Wilschut, A., Van Straaten, D., & Van Riessen, M. (2008). Geschiedenisdidactiek: Handboek
voor de vakdocent. Bussum, Uitgeverij Coutinho.
24
Bijlagen
25
Bijlage 2A Onderzoeksinstrumenten praktijkverkenning
Interviewleidraad
1. Wat versta jij onder historische vaardigheden voor brugklasleerlingen?
2. Wat moeten leerlingen aan het eind van de brugklas kunnen met betrekking tot
historische vaardigheden?
3. Ben je het er mee eens dat leerlingen problemen ervaren met het ontwikkelen van
historische vaardigheden in de brugklas? (huidige situatie)
4. Kun je je er in vinden dat historische vaardigheden vanaf de brugklas al gestimuleerd
dient te worden? (gewenste situatie)
5. Waarom is het volgens jou belangrijk om in de brugklas al te beginnen met de
historische vaardigheden?
6. Wat is volgens jou de oorzaak van achterblijvende prestaties op historische
vaardigheden? Zijn er factoren die volgens jou de ontwikkeling van historische
vaardigheden van leerlingen belemmeren? Zo ja, welke?
7. Wat zijn hier de gevolgen van?
8. Zijn er factoren die volgens jou de ontwikkeling van historische vaardigheden
stimuleren? Zo ja, welke?
9. Wat doe je zelf om historische vaardigheden te bevorderen bij brugklasleerlingen?
(handelen in de praktijk)
10. Wat zie je bij collega’s als acties voor het bevorderen van historische vaardigheden bij
brugklasleerlingen? (handelen in de praktijk)
11. Op welke manier vind je dat er extra aandacht besteed dient te worden aan de
ontwikkeling van historische vaardigheden in de brugklas? Wat heb je nodig? Hoe
denk je dat het probleem het beste opgelost kan worden? (visie en uitgangspunten)
12. In hoeverre lost dit het probleem echt op? (visie en uitgangspunten)
26
Onderzoeksinstrumenten praktijkverkenning:
Vragenlijst leerlingen (Wilschut, Van Straaten, Van Riessen, 2008)
Vragenlijst brugklasleerlingen
Beste leerling,
Wij doen onderzoek naar geschiedenislessen in de brugklas. Hiervoor willen we graag weten
hoe jij zelf er voor denkt te staan met betrekking tot deze lessen. We willen je vragen deze
vragenlijst zo eerlijk mogelijk in te vullen. Noteer niet je naam op dit blad, de vragenlijsten
worden anoniem verwerkt.
Aan het eind van deze periode zal je nogmaals benaderd worden voor het invullen van een
soortgelijke vragenlijst.
Alvast bedankt voor je medewerking!
Sectie geschiedenis
Historische vaardigheden
Hieronder volgen stellingen met betrekking tot de geschiedenislessen. De vraag aan jou
is om bij elke stelling aan te kruisen of je het er (1) helemaal mee oneens, (2) mee oneens,
(3) niet mee eens/niet mee oneens, (4) mee eens of (5) helemaal mee eens bent.
Wat staat in jullie geschiedenislessen centraal?
Helemaal Mee
mee
oneens
oneens
Niet mee
eens/niet
mee
oneens
Mee eens Helemaal
mee eens
1. Kennis opdoen over de belangrijkste
feiten van de geschiedenis.
2. Een moreel oordeel vormen over
historische gebeurtenissen volgens de
normen van mensenrechten en
burgerrechten.
3. Zich proberen voor te stellen hoe het
leven vroeger was, met inachtneming
van alle gezichtspunten.
4. Het gedrag van mensen in het
verleden proberen te begrijpen door
hun specifieke omstandigheden en de
gedachtenwereld van hun tijd te
reconstrueren.
5. De situatie in de wereld van vandaag
proberen te verklaren en de trends in
27
veranderingsprocessen daarin op het
spoor te komen.
6. Geschiedenis boeiend maken en een
plezierig vak om mee bezig te zijn.
7. Respect krijgen voor de tradities,
karaktertrekken, waarden en opdrachten
van ons volk en onze samenleving.
8. Het belang van het behoud van
historische overblijfselen en oude
gebouwen leren inzien.
Resultaten historische vaardigheden
Hieronder volgen stellingen met betrekking tot de geschiedenislessen. De vraag aan jou
is om bij elke stelling aan te kruisen of je het er helemaal mee oneens, mee oneens, niet
mee eens/niet mee oneens, mee eens of helemaal mee eens bent.
Wat betekent geschiedenis voor jou?
Helemaal Mee
mee
oneens
oneens
Niet mee
eens/niet
mee
oneens
Mee eens Helemaal
mee eens
1. Gewoon een schoolvak, meer niet.
2. Iets wat dood en voorbij is en niets te
maken heeft met mijn huidige leven.
3. Een opsomming van wreedheden en
rampen.
4. Een kans voor mij om te leren van
successen en mislukkingen van
anderen.
5. Een aantal leerzame voorbeelden van
wat goed en slecht, juist of onjuist is.
6. Toont de achtergronden van het
huidige bestaan en verklaart
hedendaagse problemen.
7. Een middel om mijn leven te
begrijpen als onderdeel van historische
veranderingen.
8. Een bron van avontuur en spanning
28
die mijn fantasie stimuleert.
Interesse in soorten geschiedenis
Hieronder volgen stellingen met betrekking tot de geschiedenislessen. De vraag aan jou
is om bij elke stelling aan te kruisen of je het er helemaal mee oneens, mee oneens, niet
mee eens/niet mee oneens, mee eens of helemaal mee eens bent.
Wat betekent geschiedenis voor jou?
Helemaal Mee
mee
oneens
oneens
Niet mee
eens/niet
mee
oneens
Mee eens Helemaal
mee eens
1. Je familiegeschiedenis.
2. Avonturiers en grote ontdekkingen.
3. Oorlogen en dictatuur.
4. Verre vreemde landen.
5. De geschiedenis van bepaalde
onderwerpen (bijvoorbeeld auto’s,
kerken, muziek, sport.
6. De invloed van mensen en hun
familie.
7. Het dagelijkse leven van gewone
mensen.
8. De ontwikkeling van landbouw,
industrie en handel.
9. Koningen, koninginnen en andere
beroemde mensen.
10. De ontwikkeling van de democratie.
11. De totstandkoming van naties.
Wat moet er volgens jou anders in de huidige geschiedenislessen?
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
29
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
Wat ontbreekt er volgens jou in de geschiedenislessen?
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
HEEL ERG BEDANKT VOOR HET INVULLEN VAN DE VRAGENLIJST!
30
Bijlage 2B Geordende gegevens praktijkverkenning - per onderdeel gemiddelden op de items
van de vragenlijst
Wat staat in jullie geschiedenislessen centraal?
Gemiddelde
4
3.9
3.8
3.7
3.6
3.5
Gemiddelde
3.4
3.3
3.2
3.1
3
Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5 Vraag 6 Vraag 7 Vraag 8
Wat betekent geschiedenis voor jou?
Gemiddelde
4
3.5
3
2.5
2
Gemiddelde
1.5
1
0.5
0
Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5 Vraag 6 Vraag 7 Vraag 8
Wat betekent geschiedenis voor jou? (interesse)
31
Gemiddelde
4
3.5
3
2.5
2
Gemiddelde
1.5
1
0.5
0
Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
32
Geordende gegevens praktijkverkenning - interviews docenten
Docent 1
1. Wat versta jij onder historische vaardigheden voor brugklasleerlingen?
De historische vaardigheden zijn hetzelfde als in de bovenbouw. Zoals werken met
bronnen, standplaatsgebondenheid, verschil feit en mening en verandering en continuiteit.
2.
Wat moeten leerlingen aan het eind van de brugklas kunnen met betrekking tot
historische vaardigheden?
Het belangrijkste is, is dat ze begrijpen wat historsiche vaardigheden zijn. Dus dat zij
bijvoorbeeld een voorbeeld kunnen geven bij een historische vaaardigheid. Of deze op hun
niveau kunnen herkennen. Deze zaken moeten ook centraal staan bij het behandelen van de
historische onderwerpen.
3.
Ben je het er mee eens dat leerlingen problemen ervaren met het ontwikkelen
van historische vaardigheden in de brugklas? (huidige situatie)
Ja, het zou wat explicieter gebruikt moeten worden in de lessen. Verder heb ik maar één keer
aan een brugklas geschiedenis gegeven.
4.
Kun je je er in vinden dat historische vaardigheden vanaf de brugklas al
gestimuleerd dient te worden? (gewenste situatie)
Ja, de historische onderwerpen moeten aan de hand van de historische vaardigheden
onderwezen worden. Zodat de leerlingen deze begrippen elke keer moeten gebruiken bij het
vak geschiedenis. Hiermee kan weer verder gewerkt worden naar het herkennen van
hirostische vaardigheden in vragen en het goed toepassen daarbij.
5.
Waarom is het volgens jou belangrijk om in de brugklas al te beginnen met de
historische vaardigheden?
Omdat dit bij het examen gevraagd wordt. Je moet er vanuit gaan dat elke leerling
geschiedenis wil doen als examenvak!
6.
Wat is volgens jou de oorzaak van achterblijvende prestaties op historische
vaardigheden? Zijn er factoren die volgens jou de ontwikkeling van historische
vaardigheden van leerlingen belemmeren? Zo ja, welke?
Het niveau dat gevraagd wordt bij de vaardigheden. Mede door de taalachterstand die onze
leerlingen hebben doordat zij tweetalig zijn opgevoed. Ze hebben vaker moeite met het goed
lezen van vragen en daarmee ook met het beantwoorden van deze vragen. Omdat
geschiedenis een talig vak is, is het daarmee ook lastig bij taalachterstanden. Ook wordt er
een abstract denkniveau gevraagd die samenhangt met de taalontwikkeling.
7. Wat zijn hier de gevolgen van?
Het is lastiger. Als docent zou je meer tijd moeten besteden aan vragen goed lezen en
antwoorden formuleren aan de hand van de historische vaardigheden.
8.
Zijn er factoren die volgens jou de ontwikkeling van historische vaardigheden
stimuleren? Zo ja, welke?
Herhalen herhalen en nog eens herhalen. Dus elke keer benoemen en terug laten komen
tijdens de les.
33
9.
Wat doe je zelf om historische vaardigheden te bevorderen bij
brugklasleerlingen? (handelen in de praktijk)
Niet veel naast de sectievergadering.
10. Wat zie je bij collega’s als acties voor het bevorderen van historische
vaardigheden bij brugklasleerlingen? (handelen in de praktijk)
Dit onderzoek, stageopdrachten, bij collega`s en sectieoverleggen over de burgklassen.
11. Op welke manier vind je dat er extra aandacht besteed dient te worden aan de
ontwikkeling van historische vaardigheden in de brugklas? Wat heb je nodig?
Hoe denk je dat het probleem het beste opgelost kan worden? (visie en
uitgangspunten)
Bij elke opdracht benoemen dit kan ik beter mondeling toelichten!
12. In hoeverre lost dit het probleem echt op? (visie en uitgangspunten)
Zelfde als hierboven!
34
Docent 2
1. Wat versta jij onder historische vaardigheden voor brugklasleerlingen?
Wat ik daar onder versta is gewoon wat hv zijn de bekende 6 alleen op die manier behandeld
dat een brugklasleerling kan bevatten. Met bevatten bedoel je? Je moet bij continuiteit en
breuk het volgende inzien natuurlijk kan een bugklas sommige dingen doorgaand zijn en
andere dingen abrupt. Wat er eigenlijk nu gebeurt dat sommige dingen niet duidelijk wordt
gemaakt dat het over een historische vaardigheid gaat. Zoals over het oordelen van bronnen
uitleggen van stand plaats gebondenheid natuurlijk kan een brugklasser dat snappen maar je
moet het wel op een niveau doen dat een brugklasleerling het kan snappen zoals voorbeelden
van bronnen concretiseren en het kunnen aansluiten aan hen belevingswereld.
2. Wat moeten leerlingen aan het eind van de brugklas kunnen met betrekking tot
historische vaardigheden?
Dan moeten ze weten dat bronnen betrouwbaar onbetrouwbaar kunnen zijn, ze moeten weten
hoe je chronologisch kan indelen, oorzaken en gevolgen kunnen onderkennen. Of dat dan heel
complex moet zijn nee maar oorzaak en gevolg moeten ze echt kunnen op brugklas niveau
zelfs indirect en direct horen ze te weten. Er moet gewoon een fundament gelegd worden
maar hier zijn obstakels voor namelijks als allereerst wat ik zie is dat er een taal probleem is.
Woordenschat heeft te maken met de algemene ontwikkeling. Veel van onze leerlingen kijken
geen nederlandse tv, lezen geen nederlandse kranten of tijdschriften. Dus hebben dan een
probleem met een bepaald probleem. Dus we moeten die achtergrond constant aanbrengen er
ons van bewust zijn dat het er niet is. En ik denk dat we veel te lang wie werd waar geboren
en door wie werd hoe genoemd. Het voorbeeld wat ik vaak benoem ( dit komt als een vraag in
de toetsen heel vaak voor : een voorbeeld van zo een vraag is: Leg het volgende begrip uit
maar ik bedoel echt uitleggen). Dit mag niet meer zo gesteld worden en het moet echt
afgelopen zijn hiermee. Je mag wel dit soort vragen stellen bij brugklassers om gewoon
leerwerk reproductie vragen te stellen maar het moet niet te veel zijn en we moeten er niet te
veel aandacht aan geven dat is gewoon papegaaien kennis. Dat is niet werken met bronnen en
niet kijken naar vaardigheden en dat is veel te weinig gebeurt. Sterker nog in de onderbouw
zijn de kenmerkende aspecten helemaal niet aan de orde gekomen. Maar dan weet ik ook wel
dat sommige kenmerkende aspecten uitermate ingewikkeld geformuleerd die kun je
vereenvoudigen maar dit wilt niet zeggen dat je er niet over moet hebben het zijn juist de
ontwikkelingen in een tijdvak dat kan je ook in een brugklas behandelen.
3. Ben je het er mee eens dat leerlingen problemen ervaren met het ontwikkelen van
historische vaardigheden in de brugklas? (huidige situatie)
Antwoord vraag 3 zit in antwoord vraag 2.
4. Kun je je er in vinden dat historische vaardigheden vanaf de brugklas al
gestimuleerd dient te worden? (gewenste situatie)
hHistorische vaardigheden moet juist het uitgangspunt worden van af brugklas moet het
beginnen en in de bovenbouw moeten leerlingen het kunnen vertellen. In een brugklas moet je
het nog zo concreet mogelijk houden maar je moet het er wel over hebben. Als ze alleeen
maar wie wat hoe waar vragen hebben gehad en ze komen dan in de vierde leerjaar en ze
moeten ineens kenmerkende aspecten koppelen aan bronnen dan lopen ze vast en wat vaak
mis gaat in de onderbouw is dat antwoorden die er enigszins er aan raken goed worden
gerekend waardoor er geen concrete antwoord komt en de leerling zegt van ja het zit in de
buurt het zal wel goed zijn. Dat wordt in de bovenbouw kei hard gestarft er moet nauwkeurig
geantwoord worden. Geschiedenis is nou eenmaal een pietlutte vak kunnen we niks aan doen.
35
Formuleren is nou uiterst belangrijk en een antwoord wat er wel enigszins op lijkt is niet
goed. Dat kan niet. Ik vind dat je op brugklas af aan moet zitten op dat formuleren. Dus
inderdaad herhaal een deel van de vraag in het antwoord zorg dat je goed formuleert.
Behandel ook alvast complexere vragen. Ook als je dingen vergelijkt moet je beide objecten
benoemen. Ze hebben helaas niet geleerd om een vraag goed te ontleden adequaat te
antwoorden. Dit is niet alleen bij geschiedenis een probleem maar bij meerdere vakken. De
leerling weet waar het heen moet vaak maar dan geven ze geen adeaquate antwoorden. Soms
slaan ze de plank ook helemaal mis. Heel vaak weet wel een leerling welke kant de antwoord
op moet maar het komt er gewoon niet uit.
5. Waarom is het volgens jou belangrijk om in de brugklas al te beginnen met de
historische vaardigheden?
Antwoord van vraag 5 is te vinden in vraag 4.
6. Wat is volgens jou de oorzaak van achterblijvende prestaties op historische
vaardigheden? Zijn er factoren die volgens jou de ontwikkeling van historische
vaardigheden van leerlingen belemmeren? Zo ja, welke?
Taal begrippen apparaat en algemene kennis we moeten daar heel alert op zijn en we moeten
er ook op letten als we eenles behandelen dat een leerling dat al moet kennen. Dus we moeten
er heel nauwkeurig van te voren je tekst doornemen. Waar gaan mijn leerling er op onderuit
op woorden op begrippen en dat moet je zoveel mogelijk bijbrengen. En verder moet je ze
trainen op formuleren maar ja dat is nu iets van ja dat taalbeleid dat we nu hebben op ons
school ja dat heeft z’n weerslag op van alles. Dat begint natuurlijk ook met taalvaardige
docenten. En ach bij geschiedenis zie je die wel dat is een letteren studie. Maar wij hebben
collega’s die minder taalvaardiger zijn. We hebben nieuwe plannen gemaakt om onze
taalbeleid weer nieuwe leven in te blazen want dat sukkelt nu weer een beetje in. Per sectie
moet je ook met elkaar afspreken waar je op gaat letten. Je kan niet alles in een klap goed
maken. Je moet je wel realiseren dat onze kinderen het domein thuis taal is niet Nederlands
het huis tuin en keueken en daar bedoel ik ook mee Goede tijden en slechte tijden en de
wereld draait door is niet in het Nederlands. En ja daar zullen we het mee moeten doen. En
dat moeten we zoveel mogelijk aan moeten brengen maar dat staat wel los van dat wij tot nu
toe veel te weinig aan vaardigheden onderwijs hebben gedaan. Dat hebben we niet alleen bij
geschiedenis gedaan maar ook bij andere vakken we hebben veel te veel gegooid op kennis.
Dat is mooi maar wat heb je nodig je moet verder komen dan een toets behalen. Je zou daar al
eigenlijk de vwo brugklas niet alleen met kennis over moeten gaan maar dat is nu wel zo. Je
leert hard je hebt al die feitjes netjes uit je hoofd geleerd en ach chronologie plaatsen is ook
een vaardigheid dat zal allemaal wel lukken. Maar je moet er ook wat mee kunnen.
7. Wat zijn hier de gevolgen van?
Dat je ziet dat het heel erg sleuren is maar tegelijkertijd zie je dat: ik had vorig jaar voor
geschiedenis van 5 havo 6.7 ik heb dus heel erg gesleurd. Wat heb ik met ze gedaan ik heb
dus vraag stellingen geoefend. Een voorbeeld : een examen vraag waarin twee documenten
zijn de ene document is acte van verlatinghe en de andere document is iet uit die zelfde tijd.
Deze twee documenten zijn beide modern voor hen tijd geef dat aan en beide bevatten ze ook
typisch middeleeuwse dingen daar werd in gegaan op privileges en zo. Toon dat ook aan. Dan
heb je twee stukken antwoorden maar in werkelijkheid heb je 4 stukken antwoord. Waarvan
je allebei moet aantonen dat ze modern zijn en ze zijn beide middeleeuws je hebt dus vier
brokjes antwoord en leerlingen hebben dan een neiging om 1 zin op te schrijven. Daar kun je
hooguit van de 4 puntne maximaal 1 punt geven. Met dat soort vragen ging ik voraal aan de
gang. Complexe vragen moet je ze stap voor stap leren hoe ze zo een vraag moeten
36
beantwoorden je moet daar echt lessen aan toewijden. Ik heb dat alleen maar met 5 havo
gedaan. Ook heb ik dat bij kenmerkend aspect vragen gedaan maar ze beantwoorden alleen
maar dit kenmerkend aspect hoort hietbij prima maar daar krijg je 1 punt voor maar daar staat
deze bron bij en dat moet je ook kunnen uitleggen dan gaan ze consequenter antwoorden. Als
je een bron gebruikt dan moet je in je antwoord ook concreet kunnen verwoorden waar je het
uit de bron hebt. Maar ze geven vage antwoorden en ik moet dan in hen antwoord ergens gaan
zoeken waar het antwoord gerelateerd is met de antwoord die ze horen te geven. Terwijl je
heel concreet je bron kan gebruiken en je antwoord ook. Als je al een bron hebt dan moet je
weten dat je het dan ook echt moet gebruiken. Zoals een bronelement, stukje tekst moet je
gebruiken. Als je daar consequent op traint dan lukt het zo ook.
8. Zijn er factoren die volgens jou de ontwikkeling van historische vaardigheden
stimuleren? Zo ja, welke?
Het antwoord zit ook deels in het antwoord van vraag 7. Je kunt dat leren. In het begin vinden
ze het heel erg moeilijk. In het begin is het even zwemmen maar ze vatten het op omdat het in
feite hetzelfde trucje is dat terug komt. Als ze dat eenmaal door hebben dan zie je dat ze het
steeds beter doen en dan haal je net een club mensen met een behoorlijke taalachterstand toch
een 6.7 halen voor hen eindexamen. Ik was trots op ze. Maar dat is wel sleuren. Wat ze ook
vaak niet doen dat ze hen redenering afhebben. Een voorbeeld vraag is waarom ging men over
naar landbouw: en als antwoord gaven vele het volgende “ja het klimaat veranderde’’ punt.
Terwijl ze konden zeggen het regende minder er was meer doogte ze kunnen hen antwoorden
uitbreiden maar ze zijn ook vaak kort af. Dan moet ik uitzoeken wat de relatie is tussen
klimaat en de landbouw daarom moet je je redenering afmaken. Geen redenering afgemaakt
dan krijg je wel een streep door je anwoord heen.
9. Wat doe je zelf om historische vaardigheden te bevorderen bij
brugklasleerlingen? (handelen in de praktijk)
Wat ik zou doen is die kenmerkende aspecten in een begrijpelijke taal neerzetten. Dat zal mijn
eerste stap zijn. En als ik met tijdvak 1 bezig ben dan zijn het er 4. Ook uitlegggen dat dat de
ontwikkelingen zijn. Ze begrijpen het verschil niet tussen ontwikkelingen en verschijnselen en
eenmalige gebeurtenissen. Ik zal het in een begrijpelijk taal zetten en ik zal ook in elke toets
een lijstje van de 6 vaardigheden zoveel mogelijk in mijn toets stoppen. De historische
vaardigheden zoveel mogelijk in mijn lessen stoppen.
10. Wat zie je bij collega’s als acties voor het bevorderen van historische
vaardigheden bij brugklasleerlingen? (handelen in de praktijk)
Ik zie wel in de Gamma sectie dat er veel meer op de achtergrond gelet wordt. Dat er ook
meer gelet wordt op taal ik zie ook bij moderne vreemde talen veel meer op de actualiteit
proberen te springen. Dat ze proberen ook daar verklaringen voor te vinden wat er vandaag de
dag allemaal afspeeld in de wereld ze proberen leerlingen ook aan te leren om genuanceerd te
laten denken. Het is ook lastig op onze school om nuance aan te leggen omdat we een hele
grote groep hebben die allemaal 1 achtergrond hebben en van het zelfde religie zijn en taal
spreken. Want ik heb daar geen moeite mee. Je moet veel meer van andere kanten bekijken en
ik vind dat het ook steeds meer gebeurd. Ook zie ik dat docenten worstelen met de taal
daarnaast zijn er ook collega’s die de taaltoetsen niet hebben gehaald. Terwijl de toets een
instaptoets is van de vrij universiteit. Leerlingen die begin daar kijk op te krijgen. Nu zeggen
leerlingen ja die docent die kan zelf niet foutloos schrijven dat is pijnlijk want het zijn verder
uitstekende docenten. Maar we zijn stappen aan het maken in de goede richting maar er moet
meer vaart in komen. Leerlingen vinden het zelfs steeds belangrijker taal. Daarnaast komen
nu ook leerlingen langs voor hen sollicitatiebrieven te laten controleren. Dat is ook iets
37
nieuws dat deden ze ook voorheen niet. Ik ben zeker niet wanhopig. Geschiedenis is niet
alleen een vak dat historische vaardigheden vergroot maar ook vaardigheden in het algemaan
vergroot.
11. Op welke manier vind je dat er extra aandacht besteed dient te worden aan de
ontwikkeling van historische vaardigheden in de brugklas? Wat heb je nodig?
Hoe denk je dat het probleem het beste opgelost kan worden? (visie en
uitgangspunten)
Ons vak moet bijdragen dat een leerling een goeie burger maken goed lezen goed je bronnen
gebruiken en een kritische houding aan leren. We leveren een grote bijdrage. Ook zie ik
tegelijk de leerlingen die bij geschiedenis vaardigheden beheersen dat ook toepassen bij
Nederlands en omgekeerd. De uitgangspunt is dat een student kritisch en genuanceerd hoort te
zijn.
12. In hoeverre lost dit het probleem echt op? (visie en uitgangspunten)
We blijven toch altijd met taalzwakke leerlingen werken. Maar ik denk dat we veel meer er
uit kunen halen dan dat we nu doen. Vanaf dag 1 er op gaan zitten en ze vooral veel laten zien
naratieve mag niet weg. Dat blijft gewoon dat raakt je vaak door de die verhalen. De leg uit
vragen moet echt weg. Kennis vragen mag maar niet meer plaats juist nu een chronologische
vragen maken of andere soorten kennis vragen stellen.
38
Bijlage B Formulier Praktijkverkenning
Plaatsen in het dpf-dossier
Feedback 2 aanvragen bij de HU-begeleider tegelijkertijd voor B, C en D
Situatie en probleem
Historische vaardigheden van leerlingen in de brugklas (havo/vwo) van het Cosmicus College te
Rotterdam. De student zal zich richten op het vergroten van de historische vaardigheden van
brugklasleerlingen door het ontwerpen van opdrachten met betrekking tot de tijdvakken en
kenmerkende aspecten. De leerlingen dienen de drie hoofdclusters tegelijk en in relatie tot elkaar
te beheersen. Momenteel wordt hier te weinig expliciet mee geoefend, waardoor leerlingen het
gewenste niveau niet bereiken.
Onderzoeksvraag
Hoe kunnen de historische vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het Cosmicus
College vergroot worden?
Beroepsproduct als oplossing
Een onderwijskundig ontwerp bestaande uit een lessensserie inclusief handleiding waarin met
opdrachten over de tijdvakken en kenmerkende aspecten de historische vaardigheden geoefend
worden.
39
Deelgebied
Visie docenten op
historische
vaardigheden
Deelvraag
Wat verstaan docenten
geschiedenis van het Cosmicus
College onder historische
vaardigheden?
Onderzoeksinstrument
Interviewleidraad docenten
Visie leerlingen op
historische
vaardigheden
Wat verstaan brugklasleerlingen
Vragenlijst leerlingen
(havo/vwo) van het Cosmicus
College onder historische
vaardigheden?
Welke eisen worden gesteld aan
Interviewleidraad mentoren
brugklasleerlingen (havo/vwo) van
het Cosmicus College op het gebied
van historische vaardigheden?
Belemmerende en
stimulerende
factoren met
betrekking tot
plannen
Welke oorzaken zijn er volgens
docenten geschiedenis en
brugklasleerlingen (havo/vwo) van
het Cosmicus College voor
achterblijvende prestaties op
historische vaardigheden?
Interviewleidraad mentoren
Welke mogelijkheden zijn er
Vragenlijst leerlingen
volgens leraren geschiedenis en hun
brugklasleerlingen (havo/vwo) van
het Cosmicus College om
achterblijvende prestaties op
historische vaardigheden te
verbeteren?
40
Bijlage C Formulier Literatuurverkenning
Plaatsen in het dpf-dossier.
Feedback 2 aanvragen bij de HU-begeleider tegelijkertijd voor B, C en D.
Situatie en probleem
Historische vaardigheden van leerlingen in de brugklas (havo/vwo) van het Cosmicus College te
Rotterdam. De student zal zich richten op het vergroten van de historische vaardigheden van
brugklasleerlingen door het ontwerpen van opdrachten met betrekking tot de tijdvakken en
kenmerkende aspecten. De leerlingen dienen de drie hoofdclusters tegelijk en in relatie tot elkaar
te beheersen. Momenteel wordt hier te weinig expliciet mee geoefend, waardoor leerlingen het
gewenste niveau niet bereiken.
Onderzoeksvraag
Hoe kunnen de historische vaardigheden van brugklasleerlingen (havo/vwo) op het Cosmicus
College vergroot worden?
Beroepsproduct als oplossing
Een onderwijskundig ontwerp bestaande uit een lessensserie inclusief handleiding waarin met
opdrachten over de tijdvakken en kenmerkende aspecten de historische vaardigheden geoefend
worden.
Deelgebied
Deelvraag
Betekenis
historische
vaardigheden
Wat zijn historische
- Geschiedenis HAVO: Syllabus centraal examen
vaardigheden in het
2016, domein A en B van het examenprogramma.
geschiedenisonderwijs? - De samenhang in de programma’s geschiedenis:
algemene verantwoording en toelichting.
Specialisten in leerprocessen, 1-10.
- Vakdidactische benaderingen.
- Voorbeeld leerplan geschiedenis voor de
onderbouw havo en vwo.
- Geschiedenisdidactiek: Handboek
voor de vakdocent.
- De samenhang in de programma’s geschiedenis:
Welke eisen worden
aan brugklasleerlingen algemene verantwoording en toelichting.
van havo/vwo gesteld
- Leerdoelenkaart geschiedenis: gedifferentieerde
op het gebied van
beheersingsniveaus voor de onderbouw van het
historische
voortgezet onderwijs.
vaardigheden?
- Vermogen tot historisch redeneren:
onderliggende,
kennis, vaardigheden en inzichten.
Eisen waaraan
leerlingen
dienen te
voldoen
Bron
41
- Geschiedenis werkplaats (2e editie)
- Geschiedenisdidactiek: Handboek voor de
vakdocent
Belemmerende
en
bevorderende
factoren
Welke mogelijkheden
zijn er voor het
vergroten van
historische
vaardigheden?
- De samenhang in de programma’s geschiedenis:
algemene verantwoording en toelichting
- Actief historisch denken: Werkvormen die
leerlingen motiveren en diverse aspecten van
historisch denken actief laat inzetten.
- Voorbeeld leerplan geschiedenis voor de
onderbouw havo en vwo
- Voorbeelden van activerende werkvormen.
42
Bijlage 3A Het beroepsproduct
BEROEPSPRODUCT
HANDLEIDING:
LESSENSERIE VERGROTEN HISTORISCHE VAARDIGHEDEN IN DE
BRUGKLAS
Inleiding
Het blijkt dat brugklassers onvoldoende gelegenheid krijgen om te oefenen met historische
vaardigheden. In deze handleiding wordt een lessenserie om te oefenen met historische
vaardigheden in de brugklas beschreven. De lessenserie bestaat uit 6 lessen die geïntegreerd
kunnen worden in de huidige lessen. In de eerste vijf lessen staan de historische vaardigheden
centraal. In de laatste les staan de kenmerkende aspecten centraal.
Binnen historische vaardigheden wordt er onderscheid gemaakt tussen drie hoofdclusters: tijd,
interpretatie en betekenis nu. In de opdrachten zal de focus vooral liggen op het kunnen
toepassen van de stof.
De taalachterstand die leerlingen hebben blijkt een belemmering voor het oefenen met
historische vaardigheden te zijn. Daarom is er ook elke les een vraag die behandeld wordt met
de leerlingen. In de vragen die worden behandeld zullen de drie hoofdclusters steeds
terugkomen. Op deze manier zullen de leerlingen oefenen met historische vaardigheden.
Naar aanleiding van de resultaten uit de literatuur- en praktijkverkenning wordt in deze
handleiding het volgende uiteengezet:
1) herformulering kenmerkende aspecten
2) lessenserie met actieve werkvormen per les
3) in de eerste vijf lessen van de lessenserie per les een vraag die klassikaal wordt
besproken
4) in de laatste les bronnen die horen bij de kenmerkende aspecten bij Romeinen
Dit beroepsproduct zal specifiek toegespitst zijn op Romeinen, omdat het dan uitgevoerd kan
worden op het moment dat deze stof behandeld wordt. Elk hoofdstuk bestaat uit 5 paragrafen
die in 5 lessen worden behandeld. Het is daarom de bedoeling dat de lessenreeks bestaat uit 5
lessen waarbij in totaal een hoofdstuk wordt behandeld en 1 les waarin wordt geoefend met
kenmerkende aspecten.
43
Herformulering kenmerkende aspecten tijdvak Grieken en Romeinen (3000 v.C. - 500)
Hieronder zijn de kenmerkende aspecten met de originele beschrijvingen onder elkaar
gezet. Onder elk kenmerkend aspect is cursief de herformulering weergegeven.
1) De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap
en politiek in de Griekse stadstaat
In de oudheid bestond Griekenland uit onafhankelijke stadstaten met verschillende
bestuursvormen, zoals de monarchie en aristocratie. In de 6e eeuw v.C. ontstond in Athene de
eerste democratie, waarin burgers in een volksvergadering beslisten over het bestuur. Vanaf
dezelfde eeuw ontwikkelden Griekse filosofen een wetenschappelijke manier van denken,
waarbij ze alles met hun verstand probeerden te beredeneren.
In de oudheid bestond Griekenland uit allemaal kleine landjes. Deze landjes (Poleis) hadden
allemaal een eigen manier waarop ze werden bestuurd. De monarchie en de aristocratie zijn
daar voorbeelden van. Bij de monarchie is er een koning aan de macht. Bij de aristocratie
bestuurden de rijke mannen of aanzienlijken het land. Bij de tirannie was het zo dat een
aristocraat met geweld aan de macht kwam. In de 6e eeuw v.C. ontstond in Athene de eerste
democratie. Bij de democratie beslisten de burgers van Athene over het bestuur. In dezelfde
eeuw ontwikkelden Griekse filosofen een wetenschappelijke manier van denken. Dat betekent
dat ze met hun verstand wilden begrijpen hoe dingen elkaar zaten.
2) De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
In de 5e en 4e eeuw v.C. ontwikkelden de Grieken hun bouwkunst en beeldhouwkunst tot op
hoog niveau. Na de verovering van Griekenland namen de Romeinen de Griekse vormentaal
over en voegden er eigen elementen aan toe. Deze Grieks-Romeinse mengcultuur wordt
klassiek genoemd, vanwege de latere navolging.
In de 5e en 4e eeuw v.C. werden de Grieken steeds beter in hun bouwkunst en
beeldhouwkunst. Ze ontwikkelden het tot op een hoog niveau. Bouwkunst en beeldhouwkunst
vallen onder vormentaal. Vormentaal gaat dus over de vormen die werden gebruikt in
bouwkunst en beeldhouwkunst om een bepaalde boodschap te geven. Na de verovering van
Griekenland namen de Romeinen de Griekse vormentaal over en voegden er eigen onderdelen
aan toe. Deze Grieks-Romeinse mengcultuur wordt klassiek genoemd, omdat het tot op de dag
van vandaag nog steeds wordt gebruikt.
3) De groei van het Romeinse imperium (Rijk) waardoor de Grieks-Romeinse
cultuur zich in Europa verspreidde
Met een lange reeks oorlogen breidden Romeinen hun stadstaat uit tot een wereldrijk rondom
de Middellandse Zee. Het Romeinse rijk was strak georganiseerd en stond vanaf de 1e eeuw
v.C. onder leiding van een machtige keizer. In het rijk kwam een welvarende landbouw
stedelijke samenleving tot ontwikkeling. Er was veel handel, ook met gebieden buiten het rijk.
In de veroverde gebieden verspreidden Romeinen de Grieks-Romeinse cultuur
(romanisering); er was ook invloed van lokale culturen op de Romeinse cultuur.
Met meerdere oorlogen achter elkaar breidden Romeinen hun stadstaat uit tot een wereldrijk
rondom de Middellandse Zee, met gebieden in Europa, Azië en Afrika. Het Romeinse rijk was
strak georganiseerd en stond vanaf de 1e eeuw v.C. onder leiding van een machtige keizer. In
het rijk kwam een goed ontwikkelende landbouw stedelijke samenleving tot ontwikkeling. Er
44
was veel handel, ook met gebieden buiten het rijk. In de veroverde gebieden verspreidden
Romeinen de Grieks-Romeinse cultuur (romanisering); er was ook invloed van de lokale
culturen op de Romeinse cultuur. Met lokale culturen worden de culturen bedoeld van de
gebieden die de Romeinen veroverd hadden.
4) De confrontatie (botsingen) tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse
cultuur van Noordwest- Europa
Ten oosten van de Rijn stuitten de Romeinse legers op weerstand van strijdvaardige
Germanen. Voor de bewaking van de Rijngrens gebruikten Romeinen soldaten van bevriende
Germaanse stammen. Vanaf de 3e eeuw viel het westelijk deel van het Romeinse rijk uiteen.
Steeds meer Germanen drongen het rijk binnen en stichtten daar eigen staten, waarvan
sommige duidelijk erfgenaam waren van de Grieks-Romeinse cultuur, terwijl in andere het
Germaanse element dominanter was. In 476 werd de laatste West-Romeinse keizer door
Germanen afgezet. Het Oost-Romeinse (Byzantijnse) rijk bleef bestaan.
Ten oosten van de Rijn hadden de Romeinse legers te maken met weerstand van Germanen
die goed konden strijden. Voor de bewaking van de Rijngrens gebruikten Romeinen soldaten
van bevriende Germaanse stammen. Vanaf de 3e eeuw viel het westelijk deel van het
Romeinse rijk uiteen. Steeds meer Germanen drongen het rijk binnen en stichtten daar eigen
staten, waarvan sommige duidelijk erfgenaam waren van de Grieks-Romeinse cultuur, terwijl
in andere het Germaanse element dominanter was. In 476 werd de laatste West-Romeinse
keizer door Germanen afgezet. Het Oost-Romeinse (Byzantijnse) rijk bleef bestaan.
5) De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste
monotheïstische godsdiensten
Het jodendom, de oudste monotheïstische godsdienst, kwam in Israël/Palestina tot
ontwikkeling. Nadat de Romeinen het gebied hadden veroverd ontstond uit het jodendom in
de 1e eeuw het christendom, dat over het Romeinse rijk werd verspreid. Omdat christenen
weigerden om de Romeinse keizer als god te vereren werden ze van tijd tot tijd vervolgd. In
de 4e eeuw werd het christendom toegestaan; later werd het de Romeinse staatsgodsdienst.
Andere godsdiensten werden verboden.
Monotheïsme is het geloven in een god. Het jodendom, de oudste monotheïstische godsdienst,
kwam in Israël/Palestina tot ontwikkeling. Nadat de Romeinen het gebied hadden veroverd
ontstond uit het jodendom in de 1e eeuw het christendom, dat over het Romeinse rijk werd
verspreid. Omdat christenen weigerden om de Romeinse keizer als god te vereren werden ze
van tijd tot tijd vervolgd. In de 4e eeuw werd het christendom toegestaan; later werd het de
Romeinse staatsgodsdienst. Andere godsdiensten werden verboden.
45
Lessenserie
Les 1 Historische vaardigheden uitleggen en beginnen met oefenen
Lesvoorbereidingsformulier
Aan welke competentie(’s) wil ik deze les werken? Hoe ga ik dat concreet doen?
Hoe bepaal ik of er vooruitgang is geboekt?
Historische vaardigheden
Uitleggen wat historische vaardigheden zijn en hoe we Door de eerstvolgende les er op terug te komen
er mee gaan oefenen. Daarna gaan we aan de slag met met de leerlingen en door de evaluatie die
opdrachten voor het kenmerkend aspect. De leerlingen plaats zal vinden.
krijgen de herformuleerde kenmerkende aspecten
uitgereikt.
Lesonderwerp: Betekenis historische vaardigheden, bespreken kenmerkende aspecten (geherformuleerd), oefenen met historische vaardigheden en met
vraag & antwoord.
Leerdoelen:
De leerlingen weten wat historische vaardigheden inhouden.
De leerlingen begrijpen wat er staat in de kenmerkende aspecten bij Grieken en Romeinen.
De leerlingen kunnen de opdrachten met betrekking tot de eerste paragraaf maken en bespreken.
De leerlingen kunnen de vraag met betrekking tot de eerste paragraaf maken en bespreken.
Verwachte of aangenomen beginsituatie: De leerlingen beginnen nu met het hoofdstuk Romeinen. Tot nu toe hebben ze niet zo specifiek geoefend met
historische vaardigheden. Verwachte beginsituatie is dat ze de werkvormen leuk gaan vinden, maar wel enigszins moeite kunnen hebben met de
opdrachten.
Vraag les 1:
a) (tijd) Wat was de oorzaak van de aanval van Hannibal op Spanje?
b) (interpretatie) Waarom zou Octavianus de eretitel Augustus (de Verhevene) gekregen hebben?
c) (betekenis nu) -
46
Fase
Tijd
Inhouden / leerstof
(leerdoel)
Activiteit leraar (werkvormen)
Activiteit leerlingen
Kop
+/- 10 Inhoud van de les aan Bespreken historische vaardigheden Leerlingen luisteren.
de hand van
& kenmerkende aspecten.
Start van de
handleiding en uitleg
les.
over wat historische
vaardigheden zijn.
Romp
Staart
Controle
Is het leerdoel
bereikt? (per fase
toetsen)
Handleiding.
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is wat
ze gaan doen.
Zie bijlage H
Klassikaal
nabespreken /
docent loopt
langs bij elk
groepje en
bespreekt de
opdracht.
De vraag
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is hoe
ze de vraag
kunnen
beantwoorden.
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
opdrachten:
begrippen tekenen
OF
chronologie
Zie bijlage H
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
vraag & antwoord.
Uitleg geven over hoe we gaan
Leerlingen luisteren en maken in
oefenen met de historische
tweetallen de oefening.
vaardigheden aan de hand van vraag
en antwoord.
+/- 5
Klassikaal nabespreken of het
De leerling geeft antwoord en stelt Bord
duidelijk is wat historische
vragen.
vaardigheden zijn en wat leerlingen
van deze manier van werken vinden.
Nabespreken
Zie bijlage H
Hulpmiddelen
47
Les 2 Oefenen met historische vaardigheden
Lesvoorbereidingsformulier
Aan welke competentie(’s) wil ik deze les werken? Hoe ga ik dat concreet doen?
Historische vaardigheden
Met de opdracht en vraag & antwoord.
Hoe bepaal ik of er vooruitgang is geboekt?
Door de eerstvolgende les er op terug te komen
met de leerlingen en door de evaluatie die
plaats zal vinden.
Lesonderwerp: oefenen met historische vaardigheden, oefenen met vraag & antwoord
Leerdoelen:
De leerlingen kunnen de opdrachten met betrekking tot de tweede paragraaf maken en bespreken.
De leerlingen kunnen de vraag met betrekking tot de tweede paragraaf maken en bespreken.
Verwachte of aangenomen beginsituatie: De leerlingen zijn nu bezig met het hoofdstuk Romeinen. Tot nu toe hebben ze niet zo specifiek geoefend met
Historische vaardigheden, de verwachte beginsituatie is daarom dat ze er nog niet veel mee kunnen. Aangezien ze vorige week wel zijn begonnen met
actieve werkvormen zal dit waarschijnlijk nu makkelijker gaan.
Vraag 2:
a) (tijd) Waarom gaven de machthebbers de bevolking ‘brood en spelen’?
b) (interpretatie) Hoe kwam het dat boeren die naar de stad trokken afzakten tot het proletariaat?
c) (betekenis nu) Wat zou je kunnen zeggen over het verschil tussen Rijk en Arm nu en in de Romeinse samenleving?
48
Fase
Tijd
Inhouden / leerstof
(leerdoel)
Activiteit leraar (werkvormen)
Kop
+/- 10 Inhoud van de les aan Uitleggen wat er precies gedaan
de hand van
gaat worden.
Start van de
handleiding.
les.
Romp
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
opdrachten:
Zie bijlage H
Activiteit leerlingen
Hulpmiddelen
Controle
Is het leerdoel
bereikt? (per fase
toetsen)
Leerlingen luisteren.
Handleiding.
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is wat
ze gaan doen.
Zie bijlage H
Zie bijlage H
Klassikaal
nabespreken
Twee vragen
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is hoe
ze de vragen
moeten
beantwoorden.
welk woord weg
OF
rood/groen
Staart
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
vraag & antwoord.
Uitleg geven over hoe we gaan
Leerlingen luisteren en maken in
oefenen met de historische
tweetallen de oefeningen.
vaardigheden aan de hand van vraag
en antwoord.
+/- 5
Klassikaal nabespreken of het
De leerling geeft antwoord en stelt Bord
duidelijk is wat historische
vragen.
vaardigheden zijn en wat leerlingen
van deze manier van werken vinden.
Nabespreken
49
Les 3 Oefenen met historische vaardigheden
Lesvoorbereidingsformulier
Aan welke competentie(’s) wil ik deze les werken? Hoe ga ik dat concreet doen?
Historische vaardigheden
Met de opdracht en vraag & antwoord.
Hoe bepaal ik of er vooruitgang is geboekt?
Door de eerstvolgende les er op terug te komen
met de leerlingen en door de evaluatie die
plaats zal vinden.
Lesonderwerp: oefenen met historische vaardigheden, oefenen met vraag & antwoord
Leerdoelen:
De leerlingen kunnen de opdrachten met betrekking tot de derde paragraaf maken en bespreken.
De leerlingen kunnen de vraag met betrekking tot de derde paragraaf maken en bespreken.
Verwachte of aangenomen beginsituatie: De leerlingen zijn nu bezig met het hoofdstuk Romeinen. Ze hebben nu al twee lessen gehad met actieve
werkvormen, wat steeds makkelijker zal verlopen.
Vraag 3:
a) (tijd) Hoe ontstond de Grieks-Romeinse mengcultuur?
b) (interpretatie) Waarom zouden de Romeinen tempels bouwen om goden te vereren?
c) (betekenis nu) Op welke manier kan je Nederland en Rome vergelijken als je denkt aan de culturen die er leven?
50
Fase
Tijd
Inhouden / leerstof
(leerdoel)
Activiteit leraar (werkvormen)
Activiteit leerlingen
Kop
+/- 10 Inhoud van de les aan Leerdoelen bespreken en uitleggen Leerlingen luisteren.
de hand van
wat er precies gedaan gaat worden.
Start van de
handleiding.
les.
Romp
Staart
Controle
Is het leerdoel
bereikt? (per fase
toetsen)
Handleiding.
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is wat
ze gaan doen.
Zie bijlage H
Klassikaal
nabespreken
Twee vragen
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is hoe
ze de vragen
moeten
beantwoorden.
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
opdrachten:
denken, delen,
uitwisselen
OF
check in duo’s
Zie bijlage H
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
vraag & antwoord.
Uitleg geven over hoe we gaan
Leerlingen luisteren en maken in
oefenen met de historische
tweetallen de oefeningen.
vaardigheden aan de hand van vraag
en antwoord.
+/- 5
Klassikaal nabespreken of het
De leerling geeft antwoord en stelt Bord
duidelijk is wat historische
vragen.
vaardigheden zijn en wat leerlingen
van deze manier van werken vinden.
Nabespreken
Zie bijlage H
Hulpmiddelen
51
Les 4 Oefenen met historische vaardigheden
Lesvoorbereidingsformulier
Aan welke competentie(’s) wil ik deze les werken? Hoe ga ik dat concreet doen?
Historische vaardigheden
Met de opdracht en vraag & antwoord.
Hoe bepaal ik of er vooruitgang is geboekt?
Door de eerstvolgende les er op terug te komen
met de leerlingen en door de evaluatie die
plaats zal vinden.
Lesonderwerp: oefenen met historische vaardigheden, oefenen met vraag & antwoord
Leerdoelen:
De leerlingen kunnen de opdrachten met betrekking tot de vierde paragraaf maken en bespreken.
De leerlingen kunnen de vraag met betrekking tot de vierde paragraaf maken en bespreken.
Verwachte of aangenomen beginsituatie: De leerlingen zijn nu bezig met het hoofdstuk Romeinen. Ze hebben drie lessen gehad met actieve werkvormen.
Vraag 4:
a) (tijd) Hoe kwam het dat er een opstand uitbrak in 66 n.C.?
b) (interpretatie) Waarom liep het af met de godsdienstige verdraagzaamheid in Rome?
c) (betekenis nu) Welke functie heeft de paus nog steeds?
52
Fase
Tijd
Inhouden / leerstof
(leerdoel)
Activiteit leraar (werkvormen)
Activiteit leerlingen
Kop
+/- 10 Inhoud van de les aan Leerdoelen bespreken en uitleggen Leerlingen luisteren.
de hand van
wat er precies gedaan gaat worden.
Start van de
handleiding.
les.
Romp
Staart
+/- 15 Oefenen met
Zie bijlage H
historische
vaardigheden met
opdrachten:
Speeddaten
OF
Drie stappen interview
Zie bijlage H
Hulpmiddelen
Controle
Is het leerdoel
bereikt? (per fase
toetsen)
Handleiding.
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is wat
ze gaan doen.
Zie bijlage H
Klassikaal
nabespreken.
Twee vragen
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is hoe
ze de vragen
moeten
beantwoorden.
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
vraag & antwoord.
Uitleg geven over hoe we gaan
Leerlingen luisteren en maken in
oefenen met de historische
tweetallen de oefeningen.
vaardigheden aan de hand van vraag
en antwoord.
+/- 5
Klassikaal nabespreken of het
De leerling geeft antwoord en stelt Bord
duidelijk is wat historische
vragen.
vaardigheden zijn en wat leerlingen
van deze manier van werken vinden.
Nabespreken
53
Les 5 Oefenen met historische vaardigheden
Lesvoorbereidingsformulier
Aan welke competentie(’s) wil ik deze les werken? Hoe ga ik dat concreet doen?
Historische vaardigheden
Met de opdracht en vraag & antwoord.
Hoe bepaal ik of er vooruitgang is geboekt?
Door de eerstvolgende les er op terug te komen
met de leerlingen en door de evaluatie die
plaats zal vinden.
Lesonderwerp: oefenen met historische vaardigheden, oefenen met vraag & antwoord
Leerdoelen:
De leerlingen kunnen de opdrachten met betrekking tot de vijfde paragraaf maken en bespreken.
De leerlingen kunnen de vraag met betrekking tot de vijfde paragraaf maken en bespreken.
Verwachte of aangenomen beginsituatie: De leerlingen zijn nu bezig met het hoofdstuk Romeinen. Ze hebben vier lessen gehad met actieve werkvormen.
Vraag 5:
a) (tijd) Wanneer werd de keizer in Rome afgezet?
b) (interpretatie & betekenis nu) afbeelding pagina 94, wat zie je op deze afbeelding gebeuren? En hoe is dit te verklaren?
54
Fase
Tijd
Inhouden / leerstof
(leerdoel)
Activiteit leraar (werkvormen)
Activiteit leerlingen
Kop
+/- 10 Inhoud van de les aan Leerdoelen bespreken en uitleggen Leerlingen luisteren.
de hand van
wat er precies gedaan gaat worden.
Start van de
handleiding.
les.
Romp
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
opdrachten:
Vraag en antwoord
ketting
OF
Werkwijzer
Lagerhuisdebat
Zie bijlage H
Zie bijlage H
+/- 15 Oefenen met
historische
vaardigheden met
vraag & antwoord.
(2x)
Uitleg geven over hoe we gaan
Leerlingen luisteren en maken in
oefenen met de historische
tweetallen de oefeningen.
vaardigheden aan de hand van vraag
en antwoord.
Hulpmiddelen
Controle
Is het leerdoel
bereikt? (per fase
toetsen)
Handleiding.
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is wat
ze gaan doen.
Zie bijlage H
Klassikaal
nabespreken
Twee vragen
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is hoe
ze de vragen
moeten
beantwoorden.
55
+/- 5
Staart
Nabespreken
Klassikaal nabespreken of het
De leerling geeft antwoord en stelt Bord
duidelijk is wat historische
vragen.
vaardigheden zijn en wat leerlingen
van deze manier van werken vinden.
56
Les 6 Oefenen met kenmerkende aspecten
Lesvoorbereidingsformulier
Aan welke competentie(’s) wil ik deze les werken? Hoe ga ik dat concreet doen?
Bronnen kunnen herkennen en onderverdelen in Herhalen wat kenmerkende aspecten zijn en uitleggen
kenmerkende aspecten
hoe we er mee gaan oefenen. Daarna gaan we aan de
slag met opdrachten voor de kenmerkende aspecten.
De leerlingen krijgen de geherformuleerde
kenmerkende aspecten uitgereikt.
Hoe bepaal ik of er vooruitgang is geboekt?
Door de eerstvolgende les er op terug te komen
met de leerlingen en door de evaluatie die
plaats zal vinden.
Lesonderwerp: Bespreken kenmerkende aspecten (geherformuleerd), oefenen met het onderverdelen van begrippen en bronnen in kenmerkende aspecten
in groepjes.
Leerdoelen:
De leerlingen weten wat de kenmerkende aspecten bij de Romeinen inhouden.
De leerlingen kunnen begrippen uit het hoofdstuk onderverdelen in de kenmerkende aspecten.
De leerlingen kunnen bronnen onderverdelen in de kenmerkende aspecten.
Verwachte of aangenomen beginsituatie: De leerlingen zijn nu bezig met het hoofdstuk Romeinen. Tot nu toe hebben ze geoefend met historische
vaardigheden door middel van activerende werkvormen. Ze zijn echter nog niet aan de slag geweest met het onderverdelen van bronnen in kenmerkende
aspecten. Verwachte beginsituatie is dat ze deze werkvorm leuk gaan vinden, maar wel enigszins moeite kunnen hebben met de opdrachten.
57
Fase
Tijd
Inhouden / leerstof
(leerdoel)
Kop
+/- 10 Inhoud van de les aan
de hand van
Start van de
handleiding en uitleg
les.
over wat de
kenmerkende aspecten
zijn.
Romp
+/- 45 Oefenen met
kenmerkende aspecten
+/- 5
Staart
Nabespreken
Activiteit leraar (werkvormen)
Activiteit leerlingen
Bespreken kenmerkende aspecten Leerlingen luisteren.
en uitleg over de opdracht
(leerlingen krijgen bronnen te zien
en in groepjes moeten ze dan
bepalen bij welke kenmerkend
aspect de bron past en waarom) 
uitdelen handout kenmerkende
aspecten
1. De leerlingen wijzen op de
begrippenlijst van dit
hoofdstuk
2. Uitdelen bronnen
Hulpmiddelen
Controle
Is het leerdoel
bereikt? (per fase
toetsen)
Handleiding.
Navragen of het
voor de
leerlingen
duidelijk is wat
ze gaan doen.
Begrippen en bronnen
onderverdelen in kenmerkende
aspecten en noteren waarom een
bepaalde begrip/bron bij een
bepaald kenmerkend aspect hoort.
Klassikaal
nabespreken /
docent loopt
langs bij elk
groepje en
bespreekt de
opdracht.
Klassikaal nabespreken of het
De leerling geeft antwoord en stelt Bord
duidelijk is wat kenmerkende
vragen.
aspecten zijn, op basis waarvan de
leerlingen de bronnen hebben
onderverdeeld en wat leerlingen van
deze manier van werken vinden.
58
Bronnen bij les 6 van de lessenserie
Kenmerkend aspect 1: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken
over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
Deze wordt niet meegenomen in deze lessenserie, omdat deze lessenserie specifiek op
Romeinen is gericht.
Kenmerkend aspect 2: De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
1. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding
hoort en leg dit uit.
Het Colosseum
2. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding
hoort en leg dit uit.
Het Pantheon in Rome
Kenmerkende aspect 3: De groei van het Romeinse imperium (Rijk) waardoor de
Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde
1. Bestudeer de tekst hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de tekst hoort en leg dit
uit.
Het Romeinse leger had uiteraard primair een militaire rol die bestond
in de expansie en
consolidatie van het rijk. Om die taak naar behoren te
kunnen vervullen werd het leger
onder keizer Augustus tot een staand
beroepsleger omgevormd en in min of meer
permanente forten langs de
grenzen van het rijk gestationeerd. De impact van het Romeinse
leger
reikte echter verder dan de fortenreeks langs de grens, die slechts de
meest zichtbare
manifestatie van de militaire presentie vormde. De
permanente legering had grote invloed
op de politieke, sociale en
economische verhoudingen in de grensgebieden waar de
troepen
gestationeerd waren en soms zelfs ver daarbuiten.
2. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding past
en leg dit uit.
Opgegraven grafgiften uit een Romeins graf in Nederland
3. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding past
en leg dit uit.
Opgraving van een Romeins badhuis (thermen) in Nederland
60
61
Kenmerkende aspect 4: De confrontatie (botsingen) tussen de Grieks-Romeinse cultuur
en de Germaanse cultuur van Noordwest- Europa
1. Bestudeer de tekst hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect deze tekstbron hoort en
leg dit uit.
Caesars verslag van de massavernietiging van de Tencteri en Usipetes bij de
samenvloeiing van Maas en Waal
Met mijn leger (...) arriveerde ik al bij het vijandelijke kamp voordat de Germanen door
konden hebben wat er gebeurde. Door dit alles raakten ze plotseling in paniek: wij waren
snel ter plaatse, hun stamhoofden ontbraken, en zij kregen geen tijd om te overleggen en naar
de wapens te grijpen. (...).
En terwijl hun angst zich manifesteerde in hun geschreeuw en gedraaf, drongen onze
soldaten (...) het kamp binnen. Daar boden de mannen die in allerijl de wapens hadden
kunnen grijpen korte tijd weerstand, en vochten tussen de karren en bagagewagens. (...) Maar
er was ook een grote groep vrouwen en kinderen en deze sloegen nu naar alle kanten op de
vlucht. Ik stuurde de ruiterij achter hen aan. De Germanen hoorden gegil achter zich en toen
zij zagen dat hun vrouwen en kinderen gedood werden, smeten zij hun wapens neer (...) en
renden hals over kop weg uit het kamp.
Toen zij bij het punt waren gekomen waar Maas en Rijn samenstromen, zagen zij geen heil
meer in verder vluchten. Een groot aantal van hen werd gedood en de rest wierp zich in de
rivier, waar zij omkwamen overweldigd door angst, vermoeidheid en de kracht van de
stroom. (Caesar, De Bello Gallico 4.14-15)
Kaart met de huidige loop van de Maas en de Waal nabij Kessel en Heerewaarden. Gearceerd:
de oude Maasbedding waaruit de resten van het slagveld afkomstig zijn. © VU.
62
2. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding
hoort en leg dit uit.
63
Kenmerkende aspect 5: De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de
eerste monotheïstische godsdiensten
1. Bestudeer de tekst hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect deze tekstbron hoort en
leg dit uit.
Het ontstaan van het Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament bevat 27 geschriften, geschreven door zo’n vijftien verschillende
auteurs in de periode tussen 50 n.Chr. en 120 n.Chr. In de meeste gevallen schreven de
auteurs voor een bepaalde christelijke gemeenschap ergens in het Romeinse rijk. Bovendien
zijn de geschriften veelal toegespitst op de situatie van de specifieke gemeenschap waarvoor
ze geschreven zijn. Het is duidelijk dat de verschillende auteurs van de nieuwtestamentische
boeken uiteenlopende visies hebben op Jezus en op de christelijke beweging. Toch was de
diversiteit in geloofsopvattingen onder de christenen in de eerste en tweede eeuw nog veel
groter dan de boeken van het Nieuwe Testament suggereren. Immers, het Nieuwe Testament
is slechts een selectie uit een veel grotere hoeveelheid teksten die gelezen werden door de
christelijke gemeenschappen in de eerste en tweede eeuw.
Naar: www.rondomdebijbel.nl (7 mei 2014).
2. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding past
en leg dit uit.
Keizer Constantijn op een oud mozaïek in Istanbul (vroeger: Constantinopel)
2. Bestudeer de afbeelding hieronder. Benoem bij welk kenmerkend aspect de afbeelding past
en leg dit uit.
64
65
Bijlage 4A Planning van presentatie en evaluatie, uitvoering en evaluatie van de uitvoering
Onderdeel
Datum
Voldaan (V) /
niet voldaan (NV)
Vormgeving
Inleiding
Lessenserie
13-04-16
13-04-16
V
V
Presentatie
In elkaar zetten presentatie
Presenteren
14-04-16
22-04-16
V
V
Evaluatie direct na presentatie
Sectie geschiedenis
22-04-16
V
Uitvoering
Docent geschiedenis
18-04-16 – 22-04-16
V
Evaluatie uitvoering
Sectie geschiedenis
Leerlingen
22-04-16
22-04-16
V
V
Bijlage 4B Gespreksleidraad evaluatie
Open vragen na presentatie
1. Is voor jullie duidelijk op welke manier de handleiding gebruikt kan worden om
aandacht te besteden aan historische vaardigheden in de brugklas?
2. Maken de lessenserie het voor jullie duidelijk op welke manier er met historische
vaardigheden geoefend zal worden per les?
3. Lijkt de lessenserie jullie bruikbaar op de manier zoals ze zijn vormgegeven in de
handleiding?
4. Zijn er onderdelen die jullie onmisbaar vinden in het huidige product?
5. Zijn er aspecten die missen in het product? Zo ja, welke?
6. Hebben jullie tips en/of suggesties voor vervolgonderzoek naar dit onderwerp?
67
Bijlage 4C Onderzoeksinstrumenten evaluatie van het uitgeprobeerde product
Onderzoeksinstrumenten praktijkverkenning: Vragenlijst leerlingen (Wilschut, Van
Straaten, Van Riessen, 2008)
Vragenlijst 2 brugklasleerlingen
Beste leerling,
Enige tijd geleden heb je een vragenlijst ingevuld over de geschiedenislessen in de brugklas.
Afgelopen week heb je twee geschiedenislessen gehad waarin jullie op een andere manier
extra opdrachten hebben gekregen om te oefenen in de geschiedenislessen. Deze vragenlijst
gaat over hoe je de afgelopen twee lessen hebt ervaren. We willen je vragen deze vragenlijst
zo eerlijk mogelijk in te vullen. Noteer niet je naam op dit blad, de vragenlijsten worden
anoniem verwerkt.
Alvast bedankt voor je medewerking!
Sectie geschiedenis
Historische vaardigheden
Hieronder volgen stellingen met betrekking tot de geschiedenislessen. De vraag aan jou
is om bij elke stelling aan te kruisen of je het er (1) helemaal mee oneens, (2) mee oneens,
(3) niet mee eens/niet mee oneens, (4) mee eens of (5) helemaal mee eens bent.
Wat staat in jullie geschiedenislessen centraal?
Helemaal Mee
mee
oneens
oneens
Niet mee
eens/niet
mee
oneens
Mee eens Helemaal
mee eens
1. Kennis opdoen over de belangrijkste
feiten van de geschiedenis.
2. Een moreel oordeel vormen over
historische gebeurtenissen volgens de
normen van mensenrechten en
burgerrechten.
3. Zich proberen voor te stellen hoe het
leven vroeger was, met inachtneming
van alle gezichtspunten.
4. Het gedrag van mensen in het
verleden proberen te begrijpen door
hun specifieke omstandigheden en de
gedachtenwereld van hun tijd te
reconstrueren.
68
5. De situatie in de wereld van vandaag
proberen te verklaren en de trends in
veranderingsprocessen daarin op het
spoor te komen.
6. Geschiedenis boeiend maken en een
plezierig vak om mee bezig te zijn.
7. Respect krijgen voor de tradities,
karaktertrekken, waarden en opdrachten
van ons volk en onze samenleving.
8. Het belang van het behoud van
historische overblijfselen en oude
gebouwen leren inzien.
Resultaten historische vaardigheden
Hieronder volgen stellingen met betrekking tot de geschiedenislessen. De vraag aan jou
is om bij elke stelling aan te kruisen of je het er helemaal mee oneens, mee oneens, niet
mee eens/niet mee oneens, mee eens of helemaal mee eens bent.
Wat betekent geschiedenis voor jou?
Helemaal Mee
mee
oneens
oneens
Niet mee
eens/niet
mee
oneens
Mee eens Helemaal
mee eens
1. Gewoon een schoolvak, meer niet.
2. Iets wat dood en voorbij is en niets te
maken heeft met mijn huidige leven.
3. Een opsomming van wreedheden en
rampen.
4. Een kans voor mij om te leren van
successen en mislukkingen van
anderen.
5. Een aantal leerzame voorbeelden van
wat goed en slecht, juist of onjuist is.
6. Toont de achtergronden van het
huidige bestaan en verklaart
hedendaagse problemen.
7. Een middel om mijn leven te
begrijpen als onderdeel van historische
69
veranderingen.
8. Een bron van avontuur en spanning
die mijn fantasie stimuleert.
Interesse in soorten geschiedenis
Hieronder volgen stellingen met betrekking tot de geschiedenislessen. De vraag aan jou
is om bij elke stelling aan te kruisen of je het er helemaal mee oneens, mee oneens, niet
mee eens/niet mee oneens, mee eens of helemaal mee eens bent.
Wat betekent geschiedenis voor jou?
Helemaal Mee
mee
oneens
oneens
Niet mee
eens/niet
mee
oneens
Mee eens Helemaal
mee eens
1. Je familiegeschiedenis.
2. Avonturiers en grote ontdekkingen.
3. Oorlogen en dictatuur.
4. Verre vreemde landen.
5. De geschiedenis van bepaalde
onderwerpen (bijvoorbeeld auto’s,
kerken, muziek, sport.
6. De invloed van mensen en hun
familie.
7. Het dagelijkse leven van gewone
mensen.
8. De ontwikkeling van landbouw,
industrie en handel.
9. Koningen, koninginnen en andere
beroemde mensen.
10. De ontwikkeling van de democratie.
11. De totstandkoming van naties.
Vind je dat de laatste twee geschiedenislessen leuker zijn dan de geschiedenislessen
daarvoor?
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
70
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
Is voor jou duidelijk geworden wat historische vaardigheden zijn in de laatste twee
geschiedenislessen?
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
Is voor jou, in de lessen van afgelopen week, duidelijk geworden wat de kenmerkende
aspecten behorende bij het tijdvak Grieken en Romeinen inhouden?
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
Wat vind je van de manier waarop wordt geoefend met historische vaardigheden in de laatste
twee geschiedenislessen?
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
HEEL ERG BEDANKT VOOR HET INVULLEN VAN DE VRAGENLIJST!
Bijlage 4D Geordende onderzoeksgegevens evaluatie van het uitgeprobeerde product
Wat staat in jullie geschiedenislessen centraal?
71
5
4.5
4
3.5
3
Voormeting
2.5
Nameting
2
1.5
1
0.5
0
Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5 Vraag 6 Vraag 7 Vraag 8
Wat betekent geschiedenis voor jou?
4
3.5
3
2.5
Voormeting
2
Nameting
1.5
1
0.5
0
Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5 Vraag 6 Vraag 7 Vraag 8
Wat betekent geschiedenis voor jou? (interesse)
72
4.5
4
3.5
3
2.5
Voormeting
2
Nameting
1.5
1
0.5
0
Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag Vraag
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
73
Bijlage F: Beoordelingstabel Project- en leerverslag Beroepsproduct 3
Naam student:
Naam beoordelaar:
Studentnummer:
Inleverdatum:
ja
nee Zijn alle onderdelen van het verslag aanwezig binnen het maximaal aantal
woorden?
Voorblad
Samenvatting
Inhoudsopgave
Inleiding
Praktijkverkenning
Literatuurverkenning
Het beroepsproduct (ontwerpeisen en kenmerken)
Presentatie en evaluatie
Bijlagen waaronder product, evaluatie-instrument, evaluatiegegevens
Leerverslag
Bijlagen waaronder formulier A Opdracht, formulier D Ontwerp, formulier E
Beoordelingsadvies opdrachtgever en urenverantwoording
ja
nee Zijn de volgende activiteiten verricht?
Je formulier B Opdracht is goedgekeurd door de opdrachtgever
Je formulier H Ontwerp is goedgekeurd door de opdrachtgever.
Beroepsproduct 1: Het product is gepresenteerd aan opdrachtgever en
betrokkenen in de school en op basis daarvan geëvalueerd.
Je verslag geeft een duidelijk en overzichtelijk beeld van het ontwerp en
onderzoek en voldoet aan het referentieniveau beginnend 4F
Uit beoordeling van de Ephorusscan blijkt er geen sprake is van plagiaat.
Eventuele overlap met eerder werk is gebruikt met juiste bronvermelding;
citaten zijn als zodanig aangegeven volgens APA-normen.
Bij een gezamenlijk product is expliciet duidelijk gemaakt wie welke bijdrage
heeft geleverd
Het projectverslag is geanonimiseerd en op de kennisbank geplaatst. Het
projectnummer staat op het voorblad van het projectverslag
Categorieën
Oriënteren
Verkennen vanuit de praktijk
Verkennen vanuit de literatuur
Ontwerpen
Ontwikkelen
Presenteren, uitvoeren en
evalueren
Reflecteren
Rapporteren
Bijzondere kwaliteit
Totaalscore
Maximale
score
10
10
10
10
20
20
Minimale
score
5
5
5
5
10
10
10
5
5
100
5
2
0
Score
74
Eindcijfer = (score / 100) x 10; minimaal 5,5 voor afronding.
Algemene opmerkingen
75
Toelichting
Oriënteren
-volledig
-relevant
-logisch
-precies
/10
Verkennen van de praktijk
-volledig
-relevant
-systematisch en
samenhangend
-correct
/10
Verkennen van de
literatuur
-volledig
-relevant en gefocust
-inspirerend
-samenhangend
/10
Ontwerpen
-volledig
-relevant
-beargumenteerd
/10
Ontwikkelen
-volledig
-correct
-actueel
-praktisch relevant
-innovatief
/20
Presenteren, uitvoeren en
evalueren
-volledig
-relevant
-systematisch
-samenhangend en
samenhangend
-correct
/20
Reflecteren op basis van
leerdoelen
-volledig
-relevant
-systematisch en
samenhangend
-kritisch
-overtuigend
76
/10
Rapporteren
-begrijpelijk en aantrekkelijk
-logisch en overzichtelijk
-verzorgd
-correct
/5
Bijzondere kwaliteit
-vernieuwend
-creatief
/5
77
Bijlage G (Van Boxtel en Van Drie, 2008)
Historische vragen stellen
Houding
De leerling ...
is zich ervan bewust dat
geschiedenis een (re)constructie is
Vaardigheden
De leerling ...
kan historische vragen en
hypotheses formuleren
Kennis
De leerling ...
kent het verschil tussen:
. beschrijvende vragen
. vergelijkende vragen
. verklarende vragen
. evaluatieve vragen
weet wat een hypothese is.
is bereid het verleden te (re)
construeren door antwoorden te
zoeken op (historische) vragen.
Gebruik van historische
bronnen
onderkent het belang van het
vaststellen van de informatie
behoefte.
is zich bewust van het belang van
bronnen voor de (re) constructie
van het verleden.
is bereid het verleden te (re)
construeren door gebruik te maken
van (informatie uit) bronnen.
is zich ervan bewust dat bronnen de
sporen vertonen van de tijd waarin
en de plaats waarop ze zijn
gemaakt.
kan een beredeneerde keuze maken
voor een vraagtype.
kan historisch onderzoek uitvoeren
op basis van historische vragen en
hypotheses.
kan zijn informatiebehoefte bepalen.
kan redeneren over historische
bronnen.
kent verschillende soorten historische
bronnen (bijvoorbeeld dagboeken,
brieven, foto's, spotprenten,
documenten).
weet welke vragen hij aan bronnen
moet stellen.
kan redeneren met historische
bronnen.
kan onderscheid maken tussen
primaire- en secundaire bronnen.
kan beschikbare historische bronnen
inventariseren
kan bronnen beoordelen op
bruikbaarheid
kent het onderscheid tussen primaire
en secundaire bronnen.
is zich ervan bewust dat bronnen
tegenstrijdige informatie kunnen
bevatten.
is zich ervan bewust dat bronnen
onvolledige informatie bevatten
Contextualiseren
is bereid het handelen van mensen
en gebeurtenissen te beschouwen
tegen de achtergrond van de tijd
Argumenteren
is bereid bij het beargumeerd
redeneren rekening te houden met
tegenargumenten
is zich ervan bewust dat historisch
redeneren berust op bewijsvoering
is zich ervan bewust dat historische
interpretaties nooit definitief zijn
is zich ervan bewust dat historische
begrippen verschillend gedefinieerd
kunnen worden en in een andere
tijd/context een andere betekenis
kunnen hebben
is zich ervan bewust dat
gebeurtenissen en ontwikkelingen
vaak verschillende oorzaken
hebben.
Gebruik van historische
begrippen
Gebruik van metaconcepten
oorzaak en gevolg
is zich ervan bewust dat historische
verschijnselen en gebeurtenissen
vaak oorzaken hebben die kunnen
verschillen naar soort en
belangrijkheid
is zich ervan bewust dat
gebeurtenissen en ontwikkelingen
vaak verschillende gevolgen hebben
kan bronnen beoordelen op
betrouwbaarheid.
kan bronnen beoordelen op
representativiteit
kan informatie uit verschillende
bronnen met elkaar vergelijken
kan een historische context
construeren om een historisch
verschijnsel te beschrijven,
vergelijken of te verklaren
kent criteria voor betrouwbaarheid
kent kenmerken van periodes,
plaatsen en samenlevingen die de
historische context vormen van een
historisch verschijnsel of van het
handelen van mensen in het verleden
kan beweringen over het verleden
onderbouwen met argumenten en
bewijs
kan tegenargumenten geven en
weerleggen
kan unieke en generieke historische
begrippen gebruiken om historische
verschijnselen te beschrijven,
vergelijken en verklaren
kent het verschil tussen unieke en
generieke historische begrippen.
kan verschillende soorten oorzaken
onderscheiden, zoals: structurele en
incidentele oorzaken, belangrijke en
minder belangrijke oorzaken en
politieke, economische, sociale en
culturele oorzaken.
kent verschillende aspecten van
oorzaken
kan verschillende soorten oorzaken
en gevolgen onderscheiden, zoals:
gevolgen op korte en lange termijn,
kent verschillende aspecten van
gevolgen.
79
belangrijke en minder belangrijke
gevolgen en bedoelde en
onbedoelde gevolgen en politieke,
economische, sociale en culturele
oorzaken.
continuïteit en
verandering
historische
empathie
is zich ervan bewust dat historische
verschijnselen en gebeurtenissen
gevolgen hebben die kunnen
verschillen naar soort en
belangrijkheid.
is bereid historische veranderingen
op verschillende terreinen te
onderzoeken
is bereid om het handelen van
mensen, op basis van
bewijsmateriaal, te verklaren vanuit
historische waarden, opvattingen en
(geloofs-) geloofsovertuigingen.
kan verschillende soorten
historische verandering
onderscheiden, bijvoorbeeld naar:
- tempo
- soort (politiek,
economisch, sociaal en cultureel)
schaal
- duur
Leerlingen kunnen historisch
bronnenmateriaal analyseren en op
grond van deze
analyse beredeneerde conclusies
trekken met betrekking tot het
handelen, denken en voelen van
mensen. Zij houden rekening met
het feit dat dit handelen, denken en
voelen, zowel door collectieve als
persoonlijke waarden, opvattingen
en (geloofs-) geloofsovertuigingen
wordt bepaald.
is zich ervan bewust dat hij deze
verklaringen geeft vanuit zijn eigen
perspectief dat ook door waarden,
opvattingen en (geloofs-)
overtuigingen gekleurd wordt.
is zich ervan bewust dat bij
verklaringen rekening gehouden
moet worden van de historische
context.
is zich ervan bewust dat zijn
verklaringen kunnen verschillen
80
kent verschillende aspecten van
verandering en continuïteit.
van die van historische personen.
is bereid rekening te houden met het
feit dat mensen in een bepaalde tijd
geen kennis hadden van latere
gebeurtenissen en dat mensen vaak
geen kennis konden hebben van
kennis, ervaringen en
ontwikkelingen van elders.
81
Bijlage H
Voorbeelden van Activerende
Werkvormen
82
Oktober 2009
Bjorn Wansink
Hanneke Tuithof
83
Voorwoord
Beste collega,
Voor u ligt een bundeltje met activerende werkvormen.
Deze werkvormen worden gebruikt in het vakdidactiekonderwijs en de vakdidactische trainingen die bij het IVLOS verzorgd worden voor het
vak geschiedenis. De meeste vormen zijn ook geschikt voor de andere mens- en maatschappijvakken.
Natuurlijk zijn dit geen originele vormen. Het is een bewerking van werkvormen die u ook elders kunt aantreffen, zoals in boekjes of cursussen
van het APS, de bundels van het ILS in Nijmegen, de bundel van het SLO (J. Flokstra) en de publicaties van David Leat en medewerkers. Dit
boekje omvat een selectie van werkvormen die wij bruikbaar achten en op een vergelijkbare manier bespreken.
Voor meer informatie of actuele informatie kunt u de site www2.ivlos.uu.nl/geschiedenis raadplegen of mailen naar [email protected]
Wij wensen u veel plezier met het gebruik van deze werkvormen in uw lessen.
Met hartelijke groet,
84
Bjorn Wansink
Hanneke Tuithof
IVLOS
Universiteit Utrecht
85
Inhoudsopgave boekje voorbeelden van Activerende Werkvormen
Voorwoord
pagina 3
Begrippen tekenen
pagina 5
Chronologie
pagina 7
Welk woord weg
pagina 9
Rood/Groen
pagina 11
Beschrijving werkvorm Placemat
pagina 13
Beschrijving werkvorm Woordweb
pagina 15
Beschrijving werkvorm Denken, delen, uitwisselen
pagina 17
Beschrijving werkvorm Check in duo’s
pagina 19
Speeddaten
pagina 21
Kaarten op volgorde leggen
pagina 23
Samenvatting tekenen
pagina 25
Drie-Stappen-Interview
pagina 27
86
Kwartetten
pagina 29
Vraag en antwoord ketting of de slang
pagina 31
Werkwijzer Lagerhuisdebat
pagina 33
Voorbeelden van activerende Werkvormen
Bjorn Wansink
Hanneke Tuithof
87
Begrippen tekenen
Stap 1: De blanco kaartjes
Snij een A4 papier over de lengte in twee gelijke delen, leg deze delen op elkaar en maak er weer drie gelijke delen van en je hebt zes kaartjes.
Doe dit een aantal keer en binnen korte tijd heb je bergen kaartjes. Ook kun je correspondentiekaartjes of visitekaartjes kopen.
88
Begrippen tekenen
Onderwerp : Een tijdvak of hoofdstuk uit het schoolboek
Wie:
Wanneer:
Geschikt voor alle klassen
Aan het eind van paragraaf/hoofdstuk of tijdvak
Instructie A: Verdeel je klas in tweetallen en geef ieder tweetal
een
leeg kaartje. Vervolgens moeten de leerlingen de voor
hen drie
belangrijkste begrippen/personen uit het tijdvak
op het kaartje
schrijven. (Vertel niet dat ze gaan tekenen!)
B: Verzamel als docent alle kaartjes en geef de tweetallen een leeg
A4 blaadje.
C: De docent geeft aan een persoon uit het tweetal een kaartje
met daarop de begrippen. Deze persoon moet de begrippen voor
de ander
tekenen zonder gebruik te maken van letters. De ander
uit het tweetal
moet het begrip raden. Deze mag dus niet zien
wat op het kaartje staat.
Tijdsduur:
30-45 minuten met nabespreken
Doelen: A: Je enthousiasmeert leerlingen door ze iets anders te laten
doen met een spelelement.
B: Je maakt een abstract begrip concreet door ze het te laten
tekenen.
C: Je spreekt verschillende intelligenties van leerlingen aan.
(Theorie van Gardner)
D: De tweetallen discussiëren met elkaar wat de belangrijkste
begrippen/personen uit een bepaald tijdvak zijn.
E: Leerlingen leren
samenwerken.
89
90
Nabespreken: Bij het nabespreken is het belangrijk de volgende
drie fases terug te laten komen.
A: Wat hebben we geleerd?
B: Hoe hebben we het gedaan?
- Welke keuzes heb je gemaakt
- Welke problemen kwam je tegen?
C: Waarom hebben we het gedaan?1 (zie doelen)
Opmerkingen: Je kunt leerlingen ook de beste tekening laten uitkiezen,
met argumenten waarom zij dat de beste tekening vinden.
Een andere
mogelijkheid is om leerlingen het moeilijkst te
tekenen begrip te laten
uitkiezen.
1
Havekes H. ea,
Actief Historisch Denken, (Boxmeer 2004) blz. 16
91
Chronologie
92
Chronologische tijdsbalk met kaartjes
Onderwerp : Een tijdvak of hoofdstuk uit het tekstboek
Wie:
Geschikt voor alle klassen
Wanneer:
Aan het eind van paragraaf/hoofdstuk of tijdvak
Instructie A: Verdeel je klas in tweetallen en geef ieder tweetal 8 lege kaartjes
Laat de leerlingen op de voorkant van het kaartje een voor hen
belangrijke
gebeurtenis uit het tijdvak of hoofdstuk opschrijven.
Op de achterkant van
het kaartje moeten ze het jaartal van de
gebeurtenis schrijven. Zo maken de
leerlingen acht kaartjes met
belangrijke gebeurtenissen.
B: Verzamel als docent alle kaartjes.
C: De docent geeft aan een tweetal een stapel kaartjes door een
ander tweetal gemaakt. De kaartjes met gebeurtenissen moeten
op
chronologische volgorde worden gelegd. Als beide leerlingen
het eens zijn
met de volgorde mogen de kaartjes worden
omgedraaid. De leerlingen
kunnen zelf controleren of ze het goed
hebben gedaan.
Tijdsduur:
30-45 minuten met nabespreken
Doelen: A: Je enthousiasmeert leerlingen door ze iets anders te laten
doen met een spelelement.
B: De tweetallen discussiëren met elkaar wat de belangrijkste
acht gebeurtenissen van een bepaald tijdvak zijn.
C: Ze oefenen met de
chronologie van gebeurtenissen
D: Leerlingen leren samenwerken
E:
Leerlingen leren argumenteren
Vervolgoefening: Laat de leerlingen in groepjes op een poster de
93
gebeurtenissen ordenen. Wat vinden zij de belangrijkste
gebeurtenissen?
94
Nabespreken: Zie nabespreken begrippen tekenen
Voorbeeld: In bijvoorbeeld 4 VMBO klassen kunt u leerlingen belangrijke
gebeurtenissen uit de Koude Oorlog laten opschrijven.
Leerlingen schrijven dan bijvoorbeeld de volgende gebeurtenissen
op: de blokkade van Berlijn (1948), bouw van de Muur (1961)
de Cubacrisis
(1962), en de val van de Berlijnse Muur (1989). Als
leerlingen gaan oefenen
met de gebeurtenissen op chronologische
leggen komt er veel energie vrij in
klas.
Onze bevindingen zijn dat leerlingen het echt leuk vinden. Als ze
met een paar setjes kaartjes geoefend hebben maken ze bijna
geen fouten
meer. In het geval van de Koude Oorlog kun je als
vervolgoefening bij elke
gebeurtenis die op kaartjes staat vragen:
Hoe zou jij op deze gebeurtenis reageren als je Amerikaan was?
(waarom?)
Hoe zou jij op deze gebeurtenis reageren als je uit de Sovjetunie
kwam? (waarom?)
Alternatief 1 : Laat leerlingen kaartjes maken met gevolg en oorzaak.
Een oorzaak kan meerdere gevolgen hebben. Andere leerlingen
moeten de kaartjes in de juiste volgorde leggen.
Deze variant is moeilijk en geschikt voor de bovenbouw.
Er moet aan elkaar uitgelegd worden waarom de kaartjes op
een
bepaalde volgorde liggen.
Een aantal oorzaak en gevolg schema’s kunnen op het bord
worden gezet om met de klas na te bespreken.
Alternatief 2: Kies zes foto’s of afbeeldingen uit. Maak hier kaartjes van en laat
leerlingen deze op chronologische volgorde leggen.
95
Welk woord weg
Welk woord weg
Doel
Leerlingen laten nadenken over de betekenis
van begrippen. Ze moeten
verbanden/verschillen aangeven met andere
begrippen waardoor ze begrippen niet alleen
uit hun hoofd leren maar in de context.
Korte omschrijving
*Je geeft vier begrippen/namen op een rijtje.
*Je vraagt welke er weggelaten kan worden
en waarom de resterende begrippen wel bij
elkaar horen. * Leerlingen denken
individueel na. * Eventueel overleggen ze in
een tweetal over hun antwoord.
*
Je bespreekt klassikaal welk begrip
weg kan en welke argumenten er zijn. * Het
is het meest uitdagend als er meerdere
begrippen weggelaten kunnen worden.
*
Je kunt de eerste keer geleidelijk
beginnen door maar drie begrippen nemen
of een rijtje waarbij er maar een begrip
weggelaten kan worden.
Wanneer
Kan als kort intro aan begin van de les
gebruikt worden.
Je kunt het ook gebruiken als controle na een
uitleg/verhaal.
Je kunt het gebruiken om begrippen te
herhalen.
Het is wel handig als de leerlingen al kennis
hebben over de begrippen of de betekenis
kunnen opzoeken.
Wat nodig?
Een rijtje begrippen dat je op het (smart) bord
zet of op papier
Voorbeeld
Clinton
Bush
Reagan
Obama
96
Rood/Groen
Rood/Groen
(petje op/petje af)
Korte omschrijving
*Je geeft stellingen/vragen waarbij maar
twee antwoorden mogelijk zijn. * Je geeft
aan welke twee antwoorden erg mogelijk
zijn en hoe de leerlingen dat kenbaar
moeten maken
(rode/groene kaart omhoog steken of
blijven staan/gaan zitten)
* Leerlingen geven aan welk antwoord
ze kiezen door een rode of groene kaart op
te steken of te blijven staan/gaan zitten.
* Je vraagt een enkele leerling zijn/haar
antwoord toe te lichten.
* Tempo is belangrijk.
* Laat de leerlingen zelf nadenken en
niet kijken naar andere leerlingen.
Variant: leerlingen in groepjes laten
overleggen en als groepje een kaart
omhoog steken
Doel
Snelle manier om zichtbaar te maken wat
leerlingen vinden of weten.
Wanneer
Je kunt dit gebruiken om meningen te peilen.
Maar ook om na een uitleg met een paar
stellingen te kijken hoeveel er is blijven
hangen.
Je kunt ook gebruiken om feitenkennis te
herhalen.
97
Wat nodig?
Je hebt eventueel rode en groene kaartjes
nodig en stellingen/vragen waar maar twee
antwoorden op mogelijk zijn.
Het kan ook met hand opsteken of blijven
staan/gaan zitten.
Voorbeeld
*
De jaarlijkse dodenherdenking is op 5
mei.
Waar of niet waar?
*
Ik vind dat de jaarlijkse
dodenherdenking op 4 mei niet afgeschaft mag
worden. Mee eens of niet mee eens?
98
12
Beschrijving werkvorm Placemat
doel
Voorkennis
activeren Kennis
herhalen enz.
wanneer
Gebruiken voor
verwerking van de
inhoud. Dus na uitleg
of bestuderen van
inhoud.
groepssamenstelling
viertallen
duur
20-30 minuten
Je hebt een groot vel papier en viltstiften nodig.
Vorm een groepje van vier leerlingen.
&
Verdeel het papier in 5 stukken: vier hoeken en een middengedeelte
&
Ieder schrijft individueel en in stilte zijn bijdrage op de eigen hoek van het papier
&
Alle punten worden in de groep besproken
&
De groep besluit gezamenlijk wat de belangrijkste bijdragen zijn: die punten worden in het midden van het vel papier geschreven
100
14
Beschrijving werkvorm Woordweb
doel
Voorkennis
activeren Kennis
herhalen enz.
wanneer
start van een
onderwerp of
afsluiting van een
onderwerp
groepssamenstelling
Kan in allerlei
samenstellingen,
zowel individueel als
in een tweetal of
viertal
duur
20 minuten
Een woordweb wordt met een groepje gemaakt, maar kan ook individueel of met de hele klas worden gemaakt.
Er is een groot vel papier nodig en per leerling een viltstift. Elke leerling krijgt zijn eigen kleur.
Mogelijke werkwijze:
&
In een cirkel op het midden van het vel papier schrijft één leerling het thema.
&
Om beurten schrijft elke leerling er een thema bij.
&
(Dit rondje kun je desgewenst nog een keer herhalen en dan een onderscheid maken
tussen belangrijke en minder belangrijke begrippen.)
&
Iedere deelnemer trekt verbindingslijnen tussen de begrippen.
101
&
Vervolgens wordt het woordweb in de eigen groep besproken. Doordat ieder met een
eigen kleur heeft gewerkt, is ieders bijdrage aan het woordweb te zien.
16
102
Beschrijving werkvorm Denken, delen, uitwisselen
doel
Voorkennis
activeren Kennis
herhalen enz.
wanneer
Kan tijdens alle delen
van een les
groepssamenstelling
tweetallen
duur
15 minuten
1.
Denken:
Iedereen maakt de opdracht individueel.
Spreek af hoe lang iedereen erover mag doen.
2.
Delen:
Iedereen bespreekt de opdracht met een medeleerling.
Ook hier spreek je af hoeveel tijd daarvoor is. De tijd wordt echter ongeveer gelijk verdeeld (ieder krijgt ongeveer evenveel tijd)
3.
Uitwisselen:
Twee tweetallen leggen elkaar hun antwoord uit.
Een van het groepje van vier rapporteert.
103
18
Beschrijving werkvorm Check in duo’s
doel
groepssamenstelling
Voorkennis
activeren Kennis
herhalen
Huiswerk bespreken
tweetallen
wanneer
Kan op elk moment in
de les
duur
10 minuten
&
Alle leerlingen werken individueel aan een of meer opdrachten. Uitwisseling vindt plaats
als alle leerlingen de opdracht(en) af hebben.
&
In duo’s checken de leerlingen nu de antwoorden van de opdracht(en) bij elkaar. Hierbij
proberen de leerlingen tot overeenstemming te komen wanneer de antwoorden
verschillend zijn.
&
Eventueel worden de antwoorden van de duo’s nogmaals gecheckt in dubbele duo’s. Ook
hier gaat het erom bij verschillen tot overeenstemming te komen.
&
Tot slot bespreekt de docent klassikaal de opdracht(en) waarbij geen overeenstemming
kon worden bereikt over de antwoorden.
104
20
Speeddaten
doel
groepssamenstelling
Kennis herhalen
Bespreken van
huiswerk
Uitwisselen van een
mening
tweetallen
wanneer
Kan op elk moment
van de les. Goed
instructie vooraf
wel nodig.
duur
15 minuten
Leerlingen overleggen of wisselen uit in een tweetal. Docent geeft na drie minuten een signaal en dan wordt er doorgedraaid.
Vervolgens overlegt iedere leerling met een andere leerling. Er kan een paar keer gewisseld worden.
Je kunt werken met een binnencirkel en buitencirkel. De binnencirkel draait dan elke keer een plek door. Maar er kan ook gewoon in
de busopstelling doorgedraaid worden. De leerlingen in de linkerrij blijven zitten en de leerlingen in de rechterrij schuiven een plaats
door.
Handig om op het bord te tekenen/af te beelden hoe er elke keer een plek doorgeschoven wordt.
Deze werkvorm is te gebruiken voor het uitwisselen van meningen, het bespreken van huiswerk/opdrachten en brainstormen.
22
105
Kaarten op volgorde leggen
doel
Voorkennis
activeren Kennis
herhalen enz.
wanneer
Kan op elk moment
in de les
groepssamenstelling
Twee of drietallen
duur
20 minuten
Leerlingen vormen twee of drietallen en schrijven op een paar kaartjes wat zij de belangrijke gebeurtenissen, begrippen, personen,
landen, verschijnselen, oorzaken en gevolgen in een hoofdstuk/thema vinden.
Ze geven de kaartjes aan een ander groepje. Zij moeten de kaartjes op de juiste volgorde leggen.
106
24
Samenvatting tekenen
doel
groepssamenstelling
Voorkennis
activeren Kennis
herhalen
Aansluiten bij
verschillende
intelligenties
Verwerken van
informatie
Individueel, maar
kan ook in een
tweetal
wanneer
Kan in en buiten de
les
duur
20-30 minuten
Dit is een goede oefening voor leerlingen die moeite hebben met tekst/woorden. Maar eigenlijk is dit voor alle leerlingen zinvol.
Het laten tekenen van een paragraaf of hoofdstuk dwingt de leerling tot de essentie te komen en de woorden om te zetten in beelden.
Het kan in een tekening, maar ook in een stripverhaal. Probeer leerlingen zo min mogelijk woorden te laten gebruiken.
107
26
Drie-Stappen-Interview
doel
Voorkennis
activeren Kennis
verwerken of
herhalen enz.
wanneer
Verwerken van de
stof dus kern van
de les of einde les.
In het geval van
voorkennis kan het
ook gaan om begin
van de les.
groepssamenstelling
Tweetallen
duur
20-30 minuten
Door middel van het ‘drie stappen interview’ kan men de leerlingen informatie uit laten wisselen. De structuur bestaat uit drie stappen
en werkt het best in groepjes van vier, hoewel aanpassingen voor kleinere of grotere groepen mogelijk zijn.
Bij stap 1 valt het team van vier uiteen in twee duo’s; van elk paar heeft de één de rol van ondervrager en de ander de rol van
ondervraagde. Bij stap 2 worden de rollen omgedraaid. Bij stap 3 rapporteert ieder teamlid om de beurt wat hij/zij in het gesprek aan de
weet is gekomen of wat hij/zij heeft geleerd.
De inhoud van het gesprek kan betrekking hebben op lesgebonden onderwerpen, zoals het hoofdstuk, een bestudeerde bron of persoon,
huiswerk, maar ook op persoonlijke onderwerpen die met de stof te maken hebben.
De docent doet suggesties voor de te bespreken vragen of stelt deze samen met de klas op.
Stappen
108
1.
Twee leerlingen werken samen; de één ondervraagt de ander.
2.
De leerlingen wisselen van rol: de ondervraagde wordt ondervrager.
3.
De leerlingen wisselen binnen hun team om de beurt ervaringen/opgedane kennis uit.
Richtlijnen
Geef de leerlingen een gelijke hoeveelheid tijd voor het interview.
28
109
Kwartetten
doel
groepssamenstelling
Begrippen oefenen of
herhalen
groepjes
wanneer
einde les(senserie)
duur
20 minuten
Werkwijze x Maak een kwartet (minimaal 40 kaarten: 10 kwartetten) over een onderwerp.
Zorg ervoor dat de begrippen die een kwartet vormen bij elkaar horen. x
Groepjes leerlingen, met één toeziend
scheidsrechter, spelen het kwartet.
x Degene met de meeste kwartetten heeft gewonnen.
Variatie
Op de kaarten staan begrippen, of verschijnselen x
De kaart kan gevraagd worden door een juiste omschrijving te geven van
het begrip of verschijnsel.
x Spannender is elk groepje eerst een kwartet te laten maken, dat dan door een ander groepje gespeeld wordt. Aan het einde van
een schooljaar hebben leerlingen genoeg informatie om serie van vier begrippen onder een paraplubegrip voor je vak te kunnen
vinden, zeker als ze de boeken erbij hebben. Dik papier op de snijmachine in speelkaartformaat maken en met pen beschrijven
gaat het snelst.
110
30
Vraag en antwoord ketting of de slang
doel
Voorkennis
wanneer
Tijdens
activeren Kennis
les(senserie) einde
herhalen
les(senserie)
groepssamenstelling
tweetallen
duur
10-20 minuten
voorbereiding: Bedenk zelf of met de leerlingen een behoorlijk aantal vragen en bijbehorende
antwoorden.
Zowel de vragen als de eenduidige antwoorden moeten kort geformuleerd kunnen worden.
Zet een vraag op de voorkant van het kaartje en een antwoord op een andere vraag op de
achterkant van het kaartje. Ieder kaartje heeft dus een vraag en een antwoord dat niet bij de
vraag op het kaartje past.
Werkwijze
x
De docent stelt de eerste vraag die op een kaartje staat. Het is handig om dit kaartje te merken. De docent stelt de vraag op het
kaartje.
x Een van de leerlingen heeft het antwoord op de vraag op de achterkant van zijn kaartje vermeld staan. De leerling met het
antwoord op de eerste vraag draait zijn kaartje om en leest de vraag die er op staat en dat is dus de tweede vraag. Enzovoort.
x Het aantal kaartjes moet minstens gelijk zijn aan het aantal leerlingen in een klas. Het mogen er natuurlijk ook meer zijn. x De
eerste keer gaat deze werkvorm nog niet zo snel, maar een tweede keer kan de docent tijd klokken en de klas aansporen tot een
snelle tijd.
Variatie
De leerlingen hebben de vragen genummerd op papier staan en schrijven daarachter het gegeven juiste antwoord.
32
111
Werkwijzer Lagerhuisdebat
doel
Leerlingen leren
wanneer
argumenteren en zich
laten verdiepen in
andere standpunten.
Als afsluiting van een
lessenserie of als start
van een lessenserie
groepssamenstelling
verschilt
30 minuten
A
duur
Voorbereiding – 10 minuten
De docent kiest vier groepen, namelijk twee debatteams en een jury en twee voorzitters
1.
De deelnemers bereiden zich in twee teams voor
om de argumenten te inventariseren
de argumenten van de tegenpartij te inventariseren
wat tegen a en tegen b is in te brengen
wie welke argumenten inbrengt
e) welk argument eerst wordt gebracht en welk argument achter de hand wordt gehouden
a)
b)
c)
d)
2.
De juryleden formuleren in de tussentijd criteria waarop het debat zal worden beoordeeld zoals bijvoorbeeld:
kwaliteit van de argumenten: kracht, hoeveelheid (niet te weinig maar ook niet teveel: drie sterke),originaliteit
b) strategie van het team: opening, afstemming van de argumenten, timing inbreng van de argumenten, de scherpte van de
weerleggingen of interrupties, inspelen op publiek, sterke afsluiting
c) presentatie: lichaamstaal, stem, gebruik van emoties zoals humor
a)
112
3.
De voorzitters bedenken regels voor het debat (lees eerst B door zodat je weet hoe het debat moet verlopen), Hierbij moet
gedacht worden aan:
a) Niet iedereen moet door elkaar gaan roepen (hoe los je dit op?)
b) Je moet gaan staan als je wilt spreken
c) De spreektijden zijn maximaal twee minuten per spreker
B
Debat – 15 minuten
1.
De voorzitters leiden het debat in: noemen de stelling, stellen de deelnemers voor. Ze leggen de regels uit van het debat, geven
aan dat het debat begint en geven de sprekers het woord. De spreektijd is maximaal twee minuten per spreker. De voorzitters
houden de tijd in de gaten.
2.
Het debat wordt gehouden in drie ronden:
ronde 1: voorstanders: één spreker beginargument max. 2 min. tegenstanders: één spreker beginargument max. 2 min.
ronde 2:
debatteren door middel van argumenten
voorzitters bepalen wie er mag spreken
ronde 3:
voorstanders:
tegenstanders:
de
één spreker uitsmijter
één spreker uitsmijter
max. 8 min.
max. 2 min.
max. 2 min.
C Uitspraak van de jury en nabespreking
1.
2.
3.
De jury beraadt zich over het oordeel aan de hand van de opgestelde criteria
In de tussentijd nabespreking met deelnemers: hoe ging het? Kwam eruit wat je had voorbereid?
Na vijf minuten: uitspraak van de jury plus toelichting.
113
Download