Het hormoonstelsel

advertisement
4 havo
 Worden
door hormoonklieren afgegeven
aan het bloed
 Werken alleen op doelwitorganen
 Hormoonspiegel bepaalt mate van
reactie
 Een hormoon kan meerder processen
regelen in het doelwit orgaan
 Hormonen worden afgebroken door de
lever
 Trage werking, maar wel langdurig
•
Wordt aangestuurd door de hypothalamus
• FSH: beïnvloedt de testes en ovaria
• LH: beïnvloedt de testes en ovaria
• TSH: beïnvloedt de schildklier
• Oxytocine: weeën ontstaan bij geboorte en
melksecretie wordt opgang geholpen
• Antidiuretisch hormoon (ADH): urine productie
in de nieren
• Groeihormoon (GH): groei en ontwikkeling
 Produceert
thyroxine
 Thyroxine
beïnvloedt stofwisseling,
groei en ontwikkeling
 Weinig
thyroxine:
• verlaagde stofwisseling, koud en snel moe
• Vanaf de geboorte: dwerggroei
• Op latere leeftijd: struma
 Oorzaak: te
weinig jood
 TSH
stimuleert:
• Vorming schildklierweefsel
• Secretie thyroxine
 Thyroxine
remt secretie TSH
 Negatieve
terugkoppeling
 Liggen
tussen de alvleesklier cellen
 Productie van insuline en glucagon
 Regelen bloedsuikerspiegel
 Meer
glucose: meer insuline: minder
glucagon
 Insuline zet glucose om in glycogeen (in
lever en spieren)
 Glucosegehalte
onder 0,1%: minder
insuline productie en meer glucagon
 Omzetting glycogeen in glucose (lever
en spieren) door glucagon
 Weinig
insuline: glucose gehalte in het
bloed stijgt tot maximaal 0,16%
(nierdrempel)
 Daarboven: glucose verlaat lichaam via
urine
 Insulinetekort aangevuld met insuline
inspuiten
 Bloedsuikerspiegel
moet tussen
4 en 6 mmol/liter liggen (nuchter)
 Bijniermerg
(binnenste van de bijnieren)
produceert adrenaline
 Komt vrij bij woede, angst of schrik
onder invloed van het autonome
zenuwstelsel
 Snelle, kortdurige werking
 In
de lever en spieren: glycogeen
omgezet in glucose
 Hartslag en ademfrequentie gaan
omhoog
 Bloedvaten naar skeletspieren en
hersenen verwijden zich
 Stelt het lichaam in staat onder spanning
snel te handelen
 Grote
hersenen
 Kleine hersenen
 Hersenstam
 Ruggenmerg
 Bestaat
uit alle zenuwbanen die door je
lichaam lopen
 Zintuigcellen
= Receptoren (vangen
prikkel op)
 Zenuwcellen
= Conductoren (vervoeren
impuls)
 Spier-/kliercellen
= Effectoren
 Cellichaam
 Cellichaam
+ uitlopers
liggen in of buiten het centrale
zenuwstelsel
 Dendriet=
geleidt de impulsen naar het
cellichaam toe
 Axon = geleidt de impulsen van het
cellichaam af naar een spier of een klier
 Sensorische
zenuwcellen = geleiden de
impulsen van de receptoren naar het
Centrale Zenuwstelsel
• De cellichamen van deze zenuwcellen liggen
vlakbij het Centrale Zenuwstelsel
• Dit cellichaam heeft 1 lange dendriet en een
korter axon
 Motorische
zenuwcellen = geleiden de
impulsen van het Centrale Zenuwstelsel
naar de effectoren
• De cellichamen van deze zenuwcellen liggen
ín het Centrale Zenuwstelsel
• Dit cellichaam heeft meerdere korte
dendrieten en 1 lange axon
 Schakelcellen
= geleiden impulsen
binnen het Centrale Zenuwstelsel
• Impulsen geleiden van sensorische
zenuwcellen naar motorische zenuwcellen
• Impulsen geleiden van schakelcellen of
impulsen naar andere schakelcellen
• De cellichamen van deze zenuwcellen liggen
in het Centrale Zenuwstelsel
 http://www.youtube.com/watch?v=yQ-
wQsEK21E&feature=related
 De
impulssterkte is bij een mens overal
gelijk  alles of niet wet
 Impulsfrequentie
de prikkel
bepaalt de sterkte van
 Vindt
de overdracht van impulsen plaats
van de ene cel naar de andere cel
 Sensorische
informatie uit het
ruggenmerg wordt direct overgebracht
op motorische zenuwcellen via
schakelcellen
 Tegelijkertijd
wordt de informatie ook
naar de hersenen doorgegeven en daar
verwerkt



Een zintuigcel (receptor) vangt een prikkel
op en zet het om in elektrische signalen (de
impuls)
De conductor (sensorische zenuwcel,
schakelcel, motorische zenuwcel) geleidt de
impuls
De effector (spier/klier) ontvangt het signaal
en zet dit signaal om in handelingen
 Animaal
• beïnvloedt skeletspieren en klieren (bewust en
reflexen)
 Autonoom
(of vegetatief)
• Staat niet onder invloed van je wil
(zweten, hartslag, ademhaling, spijsvertering, enz..)
 Is
onder te verdelen in:
• Het Orthosympatische deel
• Het Parasympatische deel





Rij zenuwknopen links en rechts van wervelkolom
Via grensstreng met elkaar verbonden
Vanuit hier: zenuwen naar alle organen die door
autonome zenuwstelsel beïnvloed worden
Zenuwen vanuit grensstreng activeren deze
organen
Werking:Zorgt ervoor dat lichaam in actie kan
komen
 Hartslag en ademfrequentie nemen toe, bloed toevoer neemt toe,
werking spijsvertering geremd
– De dissimilatie (verbranding) neemt toe: er komt energie vrij
 Cellichamen
van deze zenuwen liggen in
de hersenstam
 Werking: Zorgt
ervoor dat lichaam in rust
en herstel komt
• Hartslag en ademfrequentie nemen af, bloed
toevoer neemt af, werking spijsvertering neemt
toe
 Assimilatie (opbouw van stoffen) neemt toe. Dit kost
energie
 Orthosympatisch
deel:
• Via de grensstrengen naar de organen
 Grensstrengen
zijn 2 reeksen ganglia:
links en rechts van de wervelkolom: vanuit
hier lopen zenuwen naar organen
 Parasympatisch
deel:
• Via de linker en rechter zwervende zenuw
 De
zwervende zenuwen ontspringen in de
hersenstam, en de vertakkingen lopen
naar de organen
 Spier
bestaat uit spierbundel. Deze
bundel bestaat weer uit spiervezels.
 Spier is omgeven door spierbindweefsel
(bloedvaten + zenuwen)
 Spier zit met behulp van een pees aan
het bot of aan de huid vast
 Pezen bestaan uit bindweefsel. Deze
kunnen dus niet samentrekken
 Bestaan
uit spierfibrillen (dwarse
banden)
 Deze bestaan uit myosine en actine
filamenten
 De actine filamenten zijn verankerd in
een dun vlies: de Z-lijn
 Tussen twee Z-lijnen zit het zogenaamde
sacromeer
 Elke
spiervezel in contact met een
motorische axon
 Dit mondt uit in een motorisch
eindplaatje
 Hier worden neurotransmitters
vrijgemaakt
 Hoe meer spiervezels worden getriggerd
(dus ook hoe meer motorische
eenheden), hoe krachtiger de
samentrekking
 Zintuigcellen
vangen de prikkel op
 Via sensorische zenuwcellen worden
impulsen vervoerd naar grote de hersenen
 Hier worden de prikkels verwerkt in het
sensorische deel
 Vervolgens wordt een impuls overgedragen
via een schakelcel op een motorische
zenuwcel
 Deze geleidt de impulsen naar je spieren
toe
 Reflex
is dus een onwillekeurige en zeer
snelle reactie op een prikkel.
 Deze
reactie verloopt grotendeels
volgens vaste banen: de reflexboog.


Sensorische informatie uit het ruggenmerg wordt via
schakelcellen direct overgebracht op motorische
zenuwcellen (ipv dat de informatie eerst naar de
hersenen gaat)
Tegelijkertijd wordt de informatie ook naar de hersenen
doorgegeven en daar verwerkt
 http://www.bioplek.org/animaties/zenuw
stelsel/reflexboog.html
 Een
zintuigcel (receptor) vangt een prikkel
op en zet het om in elektrische signalen (de
impuls)
 De
conductor (sensorische zenuwcel,
schakelcel, motorische zenuwcel) geleidt
de impuls
 De
effector (spier/klier) ontvangt het
signaal en zet dit signaal om in handelingen
Download