Sociologie Deel 1

advertisement
Sociologie Deel 1: “Algemene Inleiding”
I. De Sociologie omschreven
1. Inleiding en begripsbepaling
misvattingen over waar sociologiebeoefening voor staat
- maatschappelijke verschijnselen ontleden en verklaren
= maatschappelijke verschijnselen vaststellen en vervolgens onderwerpen aan
systematische analyses die leiden tot verklaringen (maatschappijgerichte discipline,
betrekking op het maatschappelijke leven waaraan de mens deel heeft)
 sociografie: louter beschrijvend weergeven van sociale gegevens
- theorievorming  sociologie is geen instrument voor diagnosticering en bijsturing
van de maatschappij en haar problemen
> sociologisch probleem: probleem dat vraagt om verklaring
(rol van of de relatie tussen bepaalde maatschappelijke verschijnselen is nog
niet duidelijk, of een bepaalde theorie voldoet nog niet volledig als verklaring)
 sociaal probleem: visie van de dominante maatschappelijke groepen
weegt door bij de definiëring
 maatschappelijke oorzaak
 wordt als bedreiging ervaren voor de centrale maatschappelijke
waarden en belangen, of voor de waarden en belangen van
subgroepen van de samenleving
 kunnen aangepakt worden en zijn tenminste gedeeltelijk oplosbaar
- theoretisch empirische wetenschap: creëert, test, verbetert en/of zuivert verklaringen
d.m.v. logische en op feitenmateriaal berustende evidentie met het oog op
kennisuitbreiding
 sociologische kennis lost geen sociale problemen op en wordt ook niet i.f.v. deze
problemen ontwikkeld
MAAR sociologische kennis kan wel verhelderend werken en helpen bij het
verwerven van inzicht in sociale problemen en dus bijdragen tot het formuleren
van maatregelen
opm: bepaalde sociologen vestigen zelf de aandacht op zich, en bijgevolg op de discipline,
door in de media nogal ongecontroleerde uitspraken te doen
onder de dekmantel van de sociologie worden zo geregeld ideologisch getinte of
zuiver persoonlijke opvattingen gedebiteerd over een of andere ‘geladen’
maatschappelijke aangelegenheid
definitie van sociologie
= wetenschap begaan met de systematische studie van
- interactie tussen personen en/of sociale eenheden
- de wijze waarop het verloop van deze sociale interactie wordt bepaald door de
omgeving en resulteert in de ontwikkeling van vaste patronen
- gevolgen daarvan voor het menselijk gedrag
omgeving
sociale
interactie
gedrag
mens = ‘homo sociologicus’
 personen ontwikkelen bepaalde gedragspatronen voortvloeiend uit hun sociale
ervaringen, maar mensen maken evenwel voortdurend individuele keuzes t.g.v. hun
vrije wil en voorkeuren
2. Analyse van de definitie
a) Sociale interactie
= proces van wederzijdse beïnvloeding tussen personen en/of sociale eenheden dat
plaatsgrijpt d.m.v. handelingen die een symbolische betekenis hebben
- vertrekpunt: de eenheid van analyse in de gedragswetenschappen is niet het individu,
maar zijn gedrag
 gedrag: elke reactie van een individu: lichamelijke bewegingen, verbale uitingen,
subjectieve gewaarwordingen
- het handelen is voorspelbaar en herkenbaar omdat de interactieprocessen waarvan het
de weerspiegeling is, sociaal georganiseerd zijn
o gedrag is niet chaotisch of toevallig, maar georganiseerd: betekenisvol
(herkenbaar) en voorspelbaar
 handelingen van de verschillende interagerende partijen zijn op elkaar
betrokken en worden door mekaar gestimuleerd (vermogen tot communiceren
noodzakelijk!)
o organiserend principe/mechanisme achter het gedrag/handelen
 psychologie: intrapersoonlijke processen of persoonlijkheidskenmerken
 studie van het gedrag langs de studie van interne mechanismen
 sociologie: gedrag georganiseerd rondom interactie of samenhandelen
 sociale omgeving als referentiekader bij de verklaring van gedrag
- vormen van sociale interactie
o uitwisseling
 interactie steunt op wederzijdse kost en profijt
 interactie grijpt plaats wanneer de kosten/baten verhoudingen als billijk
ervaren worden ( faire ruil)
 ratio van de ervaren kosten en baten is functie van de status- en gezagspositie
van de interagerende partijen (voordelen uit de ruil zijn proportioneel aan de
sociale positie)
o samenwerking
 gezamenlijk handelen van twee of meer personen of sociale eenheden gericht
op de verwezenlijking van een gemeenschappelijk doel (> behoud van normen)
 samenwerking sluit geen competitie uit (= tegengestelde aspecten van dezelfde
interactievormen)
 hoe kleiner de samenwerking hoe groter de competitie en omgekeerd
(competitie: vorm van samenwerking die leidt tot maximale relatieve baten
voor de betrokken partijen, d.w.z. tot een rangschikking)
o conflict (kan zowel positieve als negatieve gevolgen hebben voor de sociale
eenheid)
 interactie tussen partijen met doelstellingen die objectief of subjectief aan
mekaar zijn tegengesteld
 conflicten hebben altijd betrekking op de verwerving van of de controle over
schaarse en gewaardeerde middelen (materieel of immaterieel)
o conformiteit (impliceert integratie!)

die aspecten van de interactie die betrekking hebben op het voldoen aan de
normatieve verwachtingen omtrent elkaars gedrag
 rolverwachtingen van het maatschappelijk leven zijn gekend en worden
ingelost
bv. ritueel gedrag
 doet de interactie vlotter verlopen
o machtsuitoefening
 beïnvloeding van het gedrag van de ene partij overeenkomstig de
doelstellingen van de andere partij
 wederzijdse beïnvloeding: handelingen van diegene die de macht uitoefent
worden bepaald door de eigenschappen of reacties van diegene(n) over wie
mach wordt uitgeoefend
 inhoud afhankelijk van
 persoonlijk of onpersoonlijk en formeel of informeel karakter
 vorm en aard van de betrokken sociale eenheid
b) Contextuele factoren
verloop van de interactieprocessen en de vorm welke een interactiepatroon zal aannemen is
afhankelijk van een aantal omgevingsfactoren
- kenmerken
o staan los van en zijn antecedent aan de wijze waarop personen of groepen
personen interageren
o algemeen of abstract karakter
o verklarende waarde
o beïnvloeden sterk het verloop van het maatschappelijk leven
- soorten
o sociologische factoren (> interactie tussen personen of sociale eenheden)
 normatief – culturele factoren (normen, overtuigingen, wetten)
 sociaal – structurele factoren (arbeidsspecialisatie, segregatie, centralisatie)
o demografische factoren: samenstellende delen van de bevolkingsgroei
 primaire deelcomponenten (vruchtbaarheid, mortaliteit, migratie)
 secundaire deelcomponenten (leeftijdsstructuur, bevolkingsdichtheid,…)
o ecologische factoren (> aanpassing van de organisatie van het dagelijks leven aan
het fysisch leefmilieu)
 aanpassing van mens en gemeenschap aan de natuurlijke omgeving waarbinnen
zich het maatschappelijk leven afspeelt
o materiële en technologische factoren
 elementen die worden aangewend ter beheersing van de omgeving en dienen
om de basisbehoeften van de mens zoveel mogelijk te bevredigen
c) sociologische verklaring van het Gedrag
sociologiebeoefening houdt in dat men eveneens zal nagaan hoe interactie, of, meer algemeen,
hoe sociologische factoren een invloed uitoefenen op het menselijk gedrag
-
factoren uit de respectieve handelingswetenschappen kunnen onafhankelijk van elkaar
een invloed uitoefenen op het menselijk gedrag
-
vele gedragsvormen zijn echter te beschouwen als resultanten zowel van een
specifieke configuratie van biologische, psychologische, sociologische en/of cultuur –
antropologische componenten als van een wisselwerking daartussen
o bepaalde biologische processen zullen pas tot ontwikkeling komen, gegeven
zekere stimuli uit de sociale omgeving, terwijl, omgekeerd, deze zelfde zich
ontwikkelende biologische capaciteiten een activerende invloed uitoefenen om de
sociale omgeving (bv. geslachtsroldifferentiatie)
o wisselwerking tussen psychologische kenmerken en omgevingsfactoren
o ‘nature vs nurture’ controverse: gedragsdeterminatie
 biologisch determinisme: gedrag is in eerste instantie een kwestie van aanleg
 cultureel determinisme: gedrag wordt hoofdzakelijk aangeleerd of verworven
onder invloed van sociale omgevingsfactoren
II. De zusterdisciplines
1. sociobiologie (E. Wilson)
menselijk gedrag heeft een genetische basis en is het resultaat van miljoenen jaren evolutie
- sociaal gedrag heeft een biologische basis en kan worden verklaard in termen van
dezelfde biologische principes
- verschillen in gedragskenmerken tussen personen en tussen sociale eenheden
onderling, worden veroorzaakt door genetische verschillen en door voortdurende
wisselwerking tussen omgeving en organisme
- sociaal gedrag heeft een adaptief karakter
o biologische gedetermineerde gedragskenmerken zullen worden overgedragen
langs de genen van de ene generatie op de volgende wanneer ze functioneel zijn
o kenmerken met de grootste adaptieve waarde zullen domineren en zich mettertijd
ontwikkelen als universeel biologische gedetermineerde karaktertrekken
 culturele evolutie kan niet worden gezien los van de biologische evolutie!
- genetisch egoïsme: gedurende de evolutie, worden die genen uitgeselecteerd die
gedrag impliceren dat de kans op het voortbestaan en de vermenigvuldiging van
dezelfde soort genen maximaliseren
 genetisch geprogrammeerd gedrag dat de voortplanting van de genen garandeert
reactie op de sociobiologie
- te weinig bewijs om haar theorieën te staven
- houdt onvoldoende rekening met factoren als verstand, bewustzijn en cultuur
- wordt niet aanvaard dat sociale gedragspatronen worden overgedragen langs de genen
+ wenst enkel te benadrukken dat heel wat sociaal gedrag ook een biologische basis heeft
+ aanvulling van de andere gedragswetenschappen
2. Psychologie
verschil tussen de psychologische en sociologische benaderingswijze
- psychologie
o focus op het individu
o interne functioneren, psyche, mentale processen en externe manifestaties als
referentiekader
- sociologie
o focus op de interactieprocessen waaraan het individu deel heeft
o individu wordt gezien i.f.v. de sociale eenheden waartoe hij behoort en van de
rol(len) die hij vervult binnen die eenheden
verband tussen de sociologie en de psychologie
 psychologie is een onmisbare discipline voor de sociologie
> bij het formuleren van sociologische theoretische verklaringsmodellen, te testen
d.m.v. empirische gegevens, wordt in toenemende mate gebruik gemaakt van
begrippen die werden ontwikkeld in de psychologie
3. Sociale psychologie
discipline die een brug zou moeten slaan tussen de sociologie en de psychologie
= studie van
- intra – individuele processen (voor zover deze een invloed uitoefenen op sociale
fenomenen of erdoor worden beïnvloed)
- primaire relaties (tussen personen onderling of tussen personen en sociale eenheden)
essentiële verschil tussen de sociologie en de sociale psychologie
= studie van de attitudes
- socioloog: vooral oog voor de impact van sociale omgevingsfactoren
- sociaal psycholoog: vooral oog voor het eigenlijke proces waarbij de attitudes worden
gevormd & gebruik van experimentele methode om probleemstellingen te testen
4. Cultuur - antropologie
wetenschap die op de gehele maatschappelijke ontwikkeling kan worden toegepast
- ontdekken van algemene eigenschappen waardoor alle aspecten van het
maatschappelijk leven worden gekenmerkt
- centraal begrip: maatschappelijke organisatie
= abstractie van de vorm (structuur), de inhoud (cultuur) en de institutionele
complexiteit van een maatschappij
- elke cultuurgemeenschap produceert een eigen ‘basispersoonlijkheid’, die uniek is en
kan worden gezien als het resultaat van een soort culturele conditionering
 begrip van de modale persoonlijkheidsstructuur van de leden van een
gegeven cultuurgemeenschap verschaft inzicht in de specifieke wijze waarop
wordt gehandeld in de politieke, economische en godsdienstige institutionele
sferen van die gemeenschap
opm: heel veel grensverkeer tussen de sociologie en de cultuur - antropologie
III. De sociologie als wetenschap
pas de laatste 50 jaar tot volle ontwikkeling gekomen als moderne wetenschap
 scepticisme over de wetenschappelijkheid van de sociologie
1. Eigenschappen van de wetenschappen
voorwaarden waaraan een wetenschap moet voldoen om geldige wetenschap te zijn
a) Objectiviteit
= de opbouw van de probleemstelling, de analyse van de gegevens en de interpretatie van de
onderzoeksresultaten moeten waardevrij zijn
- maar zekere waardebetrokkenheid is onvermijdelijk bij de sociologiebeoefening
> onderzoeksobjectief
 fundamenteel onderzoek: kennisvermeerdering is doel op zich
 toegepast onderzoek: kennisvermeerdering ter verklaring van bepaalde
toestanden of oplossing van bepaalde problemen
- radicale vs traditionele visie
 radicale visie/conflictmodel: waardevrijheid in de sociologie is onmogelijk
want ze heeft in se een normatief karakter
 traditionele visie/consensusmodel: maatschappij functioneert adequaat omdat
er consensus heerst omtrent waarden en normen en/of er een evenwicht bestaat
tussen de diverse institutionele sferen
- vandaag ‘humanistic sociology’: zoveel mogelijk kennis verwerven die bijdraagt tot
het oplossen van sociale problemen
 theorie
o theoretische verklaringen zijn toetsbaar (leiden tot toetsbare hypotheses)
o onderzoeksprobleem neutraal formuleren (bv. ontwikkelen van
rivaliserende hypotheses)
o expliciet maken van onderliggende veronderstellingen
 methode (opbouw empirisch onderzoek): repliceerbaarheid (o.m. openbaarheid
van onderzoek, nauwgezette omschrijving van onderzoeksprocedure)
b) Streven naar veralgemeningen
-
doel van elke wetenschap: generalisaties omtrent oorzaak – gevolg relaties
 leggen van verbanden tussen bepaalde voorwaarden en gevolgen
sociologie = generaliserende wetenschap (zoekt naar algemene principes over de
menselijke interactie, over de aard, vormen en structuur van sociale eenheden)
> gevallenstudies als inspiratie
 empirische generalisatie: twee factoren tegenover elkaar stellen in een oorzaak
– gevolg relatie (geformuleerd op basis van feitenmateriaal, veelvuldige
observaties en/of ervaringen)
bv. depressiviteit en geslacht
 theoretische generalisatie: geeft aan onder welke omstandigheden een
empirische generalisatie opgaat (veronderstelt een meer uitgebreide kennis)
 mogelijk om meer accurate predicties te maken
bv. depressiviteit, geslacht en geslachtsstratificatie
evolutie van een empirische naar een theoretische generalisatie
 onderzoekscyclus
theorieën
Empirische
Generalisaties
theoretische
generalisaties
hypotheses
vaststellingen
c) Verband tussen theorie en methodologie
-
-
-
adequate methode is een voorwaarde voor een degelijke wetenschapsbeoefening
(methode: geheel van regels en technieken die bepalen hoe men dient te werk te gaan
bij het verrichten van wetenschappelijk onderzoek)
methodologie is de wetenschap die begaan is met het voortdurend verbeteren van de
technieken en methoden
 systematische studie van de wijzen waarop men uiteindelijk komt tot de
verdere ontwikkeling van een discipline, de kennisvermeerdering
methodologische en epistemologische problemen werk vaak verlammend: methodes
moeten niet als tegengesteld, maar als complementair aan elkaar beschouwd worden
 dynamische relatie tussen theorie en methodologie
 theorieën breiden steeds uit  nieuwe theoretische problemen  aanpassen
aspect(en) methodologie
 beschikbare methodologie kan theoretische vooruitgang afremmen of
stimuleren
d) Globaal verklaringsmodel
ultieme doel voor elke wetenschap
= komen tot een logisch samenhangend geheel van theoretische veralgemeningen, die ons een
zo volledig mogelijk beeld geven of een totale verklaring bieden voor datgene dat het
onderwerp uitmaakt van de discipline
MAAR
sociologie
 complexiteit van de maatschappelijke werkelijkheid maakt globaal
verklaringsmodel (voorlopig?) onmogelijk (en niet wenselijk)
 nadruk ligt op verklaringen met meer beperkte geldigheid, zgn. ‘middle
range theories’
IV. Oorsprong van de sociologie
1. Voorgeschiedenis
denken over de maatschappelijke werkelijkheid is zo oud als het wetenschappelijk denken in
het algemeen
MAAR vroegste ideeën over de maatschappij waren hoofdzakelijk normatief
 men stelde zich vragen over het karakter en de werking van de maatschappij
om de bestaande toestand te kunnen verbeteren
a) Klassieke Oudheid: Plato & Aristoteles
 niet kennen!
b) Middeleeuwen: Ibn Khaldoun (1332 – 1406)
Araabs historisch – filosoof & voorloper van de sociologie als zelfstandige wetenschap
-
-
-
ontwikkelde een nieuwe sociale wetenschap van de maatschappelijke levensorde of
organisatie (Ilm al – Umran)
o gericht op de studie van de structuur, de functies, de interne krachten en de
veranderingsprocessen van de maatschappij
o maatschappij moet worden beschouwd als een realiteit op zich, los van haar leden
theorie ter verklaring van maatschappelijke ontwikkelingsprocessen
o solidariteit in de gemeenschap bepaalt de aard van het stadium waarin een
maatschappij zich bevindt
 sterk gemeenschapsgevoelen (bloei van homogeniteit en sociale cohesie in de
gemeenschap)  afzwakkende solidariteit (achteruitgang)
 solidariteit (Asabiyah)
 steunt op de banden tussen de leden van de gemeenschap (bv.
bloedverwantschap) en het bestaan van een godsdienstige geloofssysteem
 is ruggesteun voor het bestaande geloofssysteem
o sociale veranderingsprocessen = cyclische bewegingen
 bepaald door economische, grafische, ecologische en demografische factoren
 maatschappij vertoeft continu in een transitieproces dat nu eens vlug en
manifest plaatsgrijpt, dan weer latent
 bloeiperiodes worden steeds gevolgd door achteruitgang en omgekeerd
zullen periodes van verval weer gevolgd worden door periodes van voorspoed
werkwijze van een socioloog: ernaar streven om op basis van observaties en
vergelijkende analyses te komen tot generalisaties
c) 17de & 18de eeuw: De Verlichting
“filosofie der Verlichting”
- primaire rol in de aanzet tot verzelfstandiging van de ‘nieuwe
maatschappijwetenschap’
- algemeen afstand gedaan van de a priori subjectieve interpretatie van de maatschappij
 objectieve ingesteldheid t.a.v. de studie van de ontwikkeling van
cultuurgemeenschappen (grondslagen van de sociologie)
- kerngedachten
o rationalisme
 maatschappelijke orde bestaat uit een objectieve structuur van economische,
politieke en culturele instellingen die het product zijn van sociale processen
 kennis kan uitsluitend worden verworven o.b.v. waarneembare feiten
o universeel karakter van de menselijke natuur
 variaties in gedrag en mentaliteit zijn gevolg van lokale omstandigheden,
historische gebeurtenissen en de ontwikkeling van specifieke gewoonten en
tradities
o de idee ‘vooruitgang’: centrale wet binnen de maatschappij
> continuïteit van de geschiedenis
> cumulatief karakter van de culturele ontwikkeling
2. Sociologie als zelfstandige discipline
a) 19de Eeuw: Maatschappelijk Kader
periode van stroomversnelling & innovatie
- Franse Revolutie : gewelddadige climax van een reeks politieke veranderingen in
West – Europa
o bij meer en meer al dan niet verdrukte bevolkingsgroepen (steden & platteland)
had zich een soort bewustzijn ontwikkeld omtrent het ergerlijke karakter van
sommige overblijfselen uit de Middeleeuwen
o monarchie was virtueel disfunctioneel geworden
- Industriële Revolutie
o omwenteling in het economisch productieproces (machines ter vervanging van
menselijke arbeid, oprichting fabrieken met ‘vlucht van het platteland’ naar de
steden als gevolg)
o uitbreiding van de handel (ontwikkeling nieuwe transportmiddelen, bloei
bankinstellingen, uitbreiding administratie,…)
 maatschappelijk leven nam een totaal andere wending en werd steeds complexer
(levensritme en –omstandigheden van een groot deel van de bevolking werden totaal
gewijzigd)
geboorte van de sociologie als zelfstandige wetenschap
- inzicht verwerven in de nieuwe maatschappelijke werkelijkheid, in de krachten die
deze nieuwe werkelijkheid beheersten en de richting waarin ze zou evolueren
- zorgen dat de ontwikkeling van de maatschappij onder controle kon worden gehouden
b) Grondleggers van de sociologie
b1) Auguste Comte (1798 – 1857)
‘vader’ van de sociologie
- wees op de noodzaak voor de ontwikkeling van een zelfstandige
maatschappijwetenschap, die zou moeten zorgen voor orde in een periode van chaos
- synthese gemaakt van al wat tot dan toe was geschreven omtrent de organisatie van de
maatschappij
 bakende het terrein af van de nieuwe discipline af (voor de eerste 50 jaar van haar bestaan)
en gaf haar de naam sociologie mee
1. sociologie: een noodzaak
“Cours de philosophie positive”
- introductie van de stelling dat de tijd rijp was om een zuivere wetenschap te
ontwikkelen omtrent de sociale aspecten van het menselijk gedrag
o classificatie van de wetenschappen
> wet der 3 stadia
 theologisch stadium: denken heeft een overwegend irrationeel en subjectief
karakter (geloof in bovennatuurlijke krachten & tussenkomst van goden)
 metafysisch stadium: verklaringen kunnen nog steeds niet getest worden
omdat ze geen basis hebben in de werkelijkheid (abstracte principes &
natuur)
 positief stadium: men komt tot verklaringen d.m.v. de zuivere rede,
verschijnselen worden verklaard via andere verschijnselen die geobserveerd
kunnen worden
overgang van het ene stadium naar het andere gaat niet gelijktijdig voor alle
wetenschappen (hoe concreter het onderwerp van de discipline, hoe vlugger de
overgang)
o hiërarchische rangorde van wetenschappen
 geheel van op elkaar voortbouwende wetenschappen met wiskunde als basis
van sociologie als sluitstuk/bekroning
(wiskunde – sterrenkunde – natuurkunde – scheikunde – biologie – sociologie)
 sociologie is toepasbare wetenschap die een bijdrage zou kunnen leveren tot de
reorganisatie van de maatschappij en aldus een einde maken aan de
crisistoestanden
- sociologie moet zich bezighouden met het observeren, analyseren en vergelijken van
sociale fenomenen en met het ontdekken van wetten die de relaties tussen deze
fenomenen bepalen
2. theorie van de sociale verandering
ontwikkeling van de maatschappij is afhankelijk van de manier waarop de dominerende
groepen de maatschappelijke werkelijkheid zien
- intellectuele hervormingen zijn de basis voor sociale hervormingen
- industriële maatschappij als einde van de evolutie
= maatschappelijke orde beheerst door zuiver wetenschappelijke (positieve) ideeën
 wetenschappelijke organisatie van de overheid
 sterke centralisatie
 sociale stratificatie gebaseerd op de talenten en verdiensten van de leden van
de maatschappij
3. sociologie: het programma
inzicht verwerven in het maatschappelijk leven
> maatschappelijke orde/structuur of sociale statica
= studie van de bestaansvoorwaarden van de maatschappij, analyse van bepaalde
elementen die op een gegeven ogenblik van een gewone verzameling individuen en
sociale eenheden een collectiviteit maken
 ‘consensus universalis’: sociale harmonie en algemene samenhang tussen alle
gelijktijdige verschijnselen als basis voor de maatschappelijke integratie

systeem van interdependentie: tussen alle deelaspecten van de sociale eenheid en
de gehele sociale eenheid bestaat een harmonieus verband, elk afzonderlijk
sociaal fenomeen wordt mede bepaald door de andere sociale fenomenen en door
het geheel, door de maatschappelijke context
> sociale veranderingsprocessen of sociale dynamica
= studie van de opeenvolgende en noodzakelijke ontwikkelingsstadia die een
maatschappij doorloopt
 ontwikkeling van de geest als dé determinant van de maatschappelijke
vooruitgang
 snelheid van de vooruitgang is afhankelijk van de bevolkingstoename
( grotere competitie & arbeidsspecialisatie)
 richting van de evolutie is onveranderlijk en verloopt uitsluitend volgens de
wet der 3 stadia
4. het dispuut met Adolphe Quetelet (1796 – 1874)
-
“physique sociale” wordt “sociologie” door weigering door Comte om wiskunde en
kwantitatieve analyses te gebruiken in zijn sociologische onderzoeken
betekenis van Quetelet op wetenschappelijk vlak
o maakte van de statistiek een meettechniek door toepassing van de probabiliteitsleer
 hulpdiscipline ten behoeve van de data – analyse bij de wetenschapsbeoefening
o bijdrage tot de ontwikkeling van de sociologie als empirische wetenschap
 sociale leven verloopt volgens vaste wetten, die men kan ontdekken d.m.v. de
sociale statistiek
 door de mens op grote schaal te bestuderen, kan men komen tot de
ontdekking van vaste patronen in de maatschappelijke werkelijkheid
 binnen een gegeven gemeenschap verlopen zowel handelingen die het
gevolg zijn van het bewuste optreden als handelingen waarbij de wil van de
mens geen rol speelt, volgens een vaste regelmaat
 externe maatschappelijke structuren maken het gedrag van de leden min of
meer voorspelbaar
 bijdrage i.v.m. de zgn. ‘homme moyen’
 meeste mensen benaderen het gemiddelde voor wat hun fysische,
attitudinale, morele, mentale en persoonlijkheidskenmerken betreft
> grafische voorstellingen van de frequentieverdelingen nemen steevast de
vorm aan van een klokvormige curve, waarbij de afwijkingen van het
gemiddelde symmetrisch staan tegenover dat gemiddelde
 verwerven van inzicht in de aard van de maatschappij & de sociale evolutie
5. Besluit
Comtes bijdrage heeft een primordiale rol vervuld bij het van de grond komen van de
sociologie
- verdere uitwerking en synthetisering van de bijdragen van andere pre – sociologen
- eerste voorstel voor een wetenschappelijke sociologie
- blijvende waarde van zijn theorie van de sociale verandering en onderlinge samenhang
van alle sociale elementen
b2) Herbert Spencer (1820 – 1903)
-
-
-
gelijkenissen met Comte
o term ‘sociologie’
o these dat sociale wetten even determinerend zijn als natuurwetten
verschillen met Comte
o aanvaardde niet dat intellectuele ontwikkeling de motor vormt van de sociale
evolutie
 sociaal structurele veranderingen zijn proces op zich
o maatschappij moet worden bestudeerd om te vermijden dat de normale gang van
zaken of de sociale evolutie door de mens zou worden verstoord
 liberaal laisser – faire of non – interference standpunt: sociologie als
rechtvaardiging voor het feit dat de maatschappij gevrijwaard moet blijven van alle
overheidsinmenging
o belang van de objectiviteit van de wetenschapsbeoefening (nu waardevrijheid!)
essentie van de sociologie volgens Spencer: sociologie kan slechts een volwaardige
wetenschap worden wanneer ze is gebaseerd op een evolutiewet
 samenlevingen en maatschappelijke instellingen ontwikkelen zich vanuit
eenvoudige vormen tot steeds meer ingewikkelde
 Sociaal Darwinisme: principe van ‘natural selection’ wordt vervangen door
‘cultural selection’
“Principles of Sociology”: fundamentele theorieën over de maatschappelijke werkelijkheid
1. Evolutietheorie
evolutie is een universeel proces dat betrekking heeft op de ontwikkeling van de kosmos, de
ontwikkeling van vormeloze massa’s tot organismen en de ontwikkeling van samenlevingen
- integratie ontstaat door differentiatie
- universele ontwikkelingstendens van het homogene/uniforme naar het
heterogene/pluriforme
> deeleenheden van het homogene zijn onderhevig aan ongelijke condities, of aan
krachten die verschillen naar aard en intensiteit en die dus verantwoordelijk zijn voor
het verstoren van de stabiliteit
evolutie van de menselijke gemeenschappen als bijzonder geval van deze universele
evolutiewet
- samenleving zal zich voortdurend moeten aanpassen aan de beschikbare
bestaansmiddelen
 vergrote adaptiviteit van de sociale eenheid aan haar omgeving, wat verdere groei
mogelijk maakt
 maatschappelijke ontwikkeling zal ook plaatsgrijpen bij vereniging van
aanvankelijk onverbonden gemeenschappen (rol van het conflict!)
- alle deeleenheden worden gedwongen tot voortdurende aanpassing aan de
voorwaarden die een evenwichtige samenleving stelt
o ‘survival of the fittest’: deeleenheden met de minst gunstige eigenschappen
verdwijnen, terwijl deze met de gunstigste kenmerken overleven (culturele
selectie)
 verhoging van het algemene maatschappelijke niveau
o overheid moet enkel fungeren als sociaal controlemechanisme: dient ervoor te
zorgen dat de wetten worden nageleefd en dat eenieders vrijheid wordt verzekerd
2. Organische theorie
analogie tussen de maatschappij en een biologisch organisme
- maatschappij gezien als bovenorganische realiteit, die gelijkenissen en verschillen
vertoont met een dierlijk of plantaardig organisme
o verschillen
 maatschappij heeft geen samenhangend centraal bewustzijn
 delen van een maatschappij zijn verspreid
 geen fysische interconnectie tussen de deeleenheden in de maatschappij
 in een maatschappelijk organisme kan één individu ook meerdere functies
uitoefenen en kan één functie door meerdere deeleenheden worden vervuld
o gelijkenissen
 groei  toenemende differentiatie van structuur en functies (beide blijven als
eenheid bestaan)
 continue aanpassing van de deeleenheden aan elkaar
- maatschappij dient bestudeerd te worden i.f.v. haar diverse instellingen, de
ontwikkeling daarvan in hun huidige vorm en hun bijdrage tot de continuïteit van het
maatschappelijke leven
 sociale evolutie is een continue proces, waarbij veranderingen plaatsgrijpen
in de structuur en de functies van instellingen, die zich hebben ontwikkeld om
aan nieuwe omstandigheden en/of problemen het hoofd te bieden
3. Besluit
Spencer getuigde van een bijzondere sociologische imaginatie
- zondigde tegen het cultureel relativisme (betekenis van culturele elementen kan slecht
worden begrepen binnen de maatschappelijke context waarin ze voorkomen) door
bewijsmateriaal voor zijn ideeën uit haar context te halen
- volgde een structureel – functionalistische redenering: maatschappij wordt beschouwd
als een functionerend systeem dat wetenschappelijk kan worden bestudeerd
Download