De invloed van het budgettaire beleid gevoerd door regering Di

advertisement
FACULTEIT ECONOMIE EN
BEDRIJFSWETENSCHAPPEN
CAMPUS BRUSSEL
Intern aangestuurde masterproef
FACULTEIT ECONOMIE EN
BEDRIJFSWETENSCHAPPEN
De invloed van het
budgettaire beleid gevoerd
door regering Di Rupo op
de Belgische economie
Tim Van der Straeten
Masterproef aangeboden tot het behalen van de graad van
Master in de handelswetenschappen
afstudeerrichting Internationale Betrekkingen
Promotor: Cindy Moons
Academiejaar: 2014–2015
Verdedigd: September 2015
FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSWETENSCHAPPEN CAMPUS BRUSSEL
WARMOESBERG 26 1000 BRUSSEL BELGIË
Samenvatting
1.
Probleemstelling en onderzoeksvraag
Nog nooit was een goed budgettair beleid zo belangrijk als op het einde van 2011. De Europese
schuldencrisis bereikte haar hoogtepunt. De economische groei zakte in elkaar en het monetaire
beleid kon geen soelaas meer bieden. Bovendien had de kredietcrisis van 2008 een zware druk
gelegd op de publieke financiën. De regering Di Rupo diende een doortastend budgettair beleid te
voeren terwijl de Europese Commissie België verplichtte om de uit de hand gelopen publieke
financiën aan te pakken. Binnen de regering leidde deze problematiek tot het austerity vs spending
debat.
De centrale onderzoeksvraag van dit eindwerk heeft betrekking tot dezelfde problematiek: Heeft het
budgettaire beleid gevoerd door de regering Di Rupo een economische of anti-economische invloed
gehad op de Belgische economie?
De evaluatie van het budgettaire beleid van de regering Di Rupo staat in dit eindwerk centraal. Het
resultaat van die evaluatie geeft ons een idee van zowel de aard van het gevoerde beleid (austerity
of spending) als de resultaten ervan (stimulerend of remmend voor de economie).
2.
Onderzoeksmethode
Aan de hand van historische tijdreeksen (van 1995 tot en met 2014) werd een Vector Autoregression
model (VAR) opgesteld met vijf variabelen. De twee variabelen ‘fiscale- en parafiscale ontvangsten’
en ‘totale overheidsuitgaven’ weerspiegelen het budgettaire beleid in het model. De overige drie
variabelen, ‘groei van het bbp’, ‘werkloosheidsgraad’ en ‘loonkost per eenheid product’
vertegenwoordigen de Belgische economie. De door de regering Di Rupo genomen
begrotingsmaatregelen werden vergeleken met de bevindingen uit dit VAR-model. In de conclusie
werd er bovendien rekening gehouden met de economische, politieke en Europese invloeden op het
budgettaire beleid.
a.
Verantwoording onderzoeksmethode
Uit de literatuurstudie kwamen meerdere mogelijke onderzoeksmethoden naar voren, zoals het VARmodel, de narrative approach en de Bayesian VAR. Ondanks de tekortkomingen werd er besloten om
het VAR-model te hanteren op basis van het onderzoek gevoerd door Blanchard en Perotti (1999).
Voor het analyseren van een multivariate tijdreeks is het VAR-model namelijk één van de meest
succesvolle en flexibele methoden. Het model houdt er tevens rekening mee dat oorzakelijk invloeden
zowel ogenblikkelijk als met aanzienlijke vertraging kunnen optreden (Hyvärinen, Zhang, Shimizu,
& Hoyer, 2010). De afgelopen jaren groeide het VAR-model bovendien uit tot het belangrijkste
econometrische model om de effecten van monetaire en budgettaire beleidsimpulsen te beoordelen
(Caldara & Kamps, 2008). Andere methoden, zoals de narrative approach of de Bayesian VAR,
kennen te grote beperkingen binnen dit onderzoek. In dit eindwerk leidt het VAR-model tot de beste
uitkomsten.
b.
Verzameling en verwerking van de gegevens
De data gebruikt in het VAR-model zijn afkomstig van de Nationale Bank van België, met uitzondering
van de gebruikte data voor de variabele loonkost per eenheid product. Deze data is afkomstig van
de Europese Centrale Bank. De gegevens werden verwerkt aan de hand van het statistische
programma Gretl.
De analyse van de begrotingsmaatregelen van de regering Di Rupo gebeurde aan de hand van
begrotingsdocumenten afkomstig uit het archief van de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Voornamelijk de algemene toelichtingen bij de initiële begroting en de begrotingscontrole werden
hiervoor geraadpleegd.
i
3. Bevindingen en besluiten
Na het opstellen van het VAR-model kwamen er enkele interessante bevindingen naar boven. Een
impuls in de totale overheidsuitgaven vertoont een significant negatief effect op de groei van het
bbp. Een tweede bevinding was dat een impuls in de fiscale- en parafiscale ontvangsten van de
overheid een ongunstige invloed had op de groei van het bbp, de werkloosheidsgraad en de loonkost
per eenheid product.
Dit onderzoek staaft dus het idee van een austerity beleid. Een bevriezing of vermindering van de
overheidsuitgaven en een vermindering van de overheidsontvangsten is het meest stimulerende
beleid voor de Belgische economie. De regering van Di Rupo voerde echter een duidelijk spending
beleid uit. Tussen 2011 en 2014 namen de fiscale en parafiscale inkomsten van de gezamenlijke
overheid toe met +9.68%. De overheidsuitgaven stegen eveneens sterk met +7.72%.
In vergelijking met de resultaten uit het model bleek dat het spending beleid van de regering Di Rupo
anti-economisch van aard kan zijn. Bovendien werd geen enkele vooropgestelde
begrotingsdoelstelling op gezamenlijk niveau behaald. De regering Di Rupo slaagde erin om het
vorderingstekort terug te dringen, maar deze bedroeg in 2014 nog steeds -3.32% van het bbp.
Hiermee voldeed België nog altijd niet aan de buitensporige tekortenprocedure. De schuldgraad is
sinds 2011 eveneens verder gestegen met 8.93 procentpunt tot 108.88% van het bbp in 2014, terwijl
deze afgebouwd dient te worden richting 60% van het bbp. Het budgettaire beleid van de regering
Di Rupo kon dus geen adequaat antwoord bieden voor de precaire economische situatie en de
buitensporige publieke financiën.
ii
Inleiding
In de jaren dertig van de vorige eeuw werd de wereldeconomie getroffen door een zware crisis
gevolgd door een langdurige recessie. Omwille van de destijds zeer lage interestratio’s brachten
monetaire maatregelen geen verlichting. Gedurende deze periode ontwikkelde John Maynard Keynes
de grondslagen van het budgettaire beleid. De aanhangers van Keynes geloofden dat het budgettaire
beleid een sterke impuls kan zijn voor de economie. Een revolutionair idee aangezien de toenmalige
overtuiging een minimale overheidsinterventie en een maximale marktwerking na streefde. De
economische situatie in 2011 is vergelijkbaar met deze uit de jaren dertig. Een recessie die gepaard
gaat met extreem lage interestratio’s waardoor het monetaire beleid haar slagkracht verliest. Het
belang van het budgettaire beleid is evenwel nog groter dan in de jaren dertig. Het monetaire beleid
van de landen in de eurozone werd overgeheveld naar de Europese Centrale Bank, waardoor enkel
het budgettaire beleidsinstrument overblijft (Langenus, 2005). De budgettaire beleidsmarge was
echter beperkt door de zware druk op de publieke financiën ten gevolge de financiële crisis in 2008.
Op zes december 2011 legde Di Rupo de eed af als premier van België. Er stonden hem drie
economisch zware jaren voor de boeg. In dit eindwerk staat de evaluatie van het budgettaire beleid
van de regering Di Rupo centraal. Het resultaat van die evaluatie zou ons een idee moeten geven
van zowel de aard van het gevoerde beleid (expansief of restrictief) als de resultaten ervan
(stimulerend of remmend voor de economie).
Ter verduidelijking wordt kort het begrip budgettair beleid toegelicht. Een budgettair beleid is de
manipulatie door de overheid van haar uitgaven (bestedingen en transfers) en inkomsten
(belastingopbrengsten en bijdragen) om de economie te stabiliseren (Van Poeck & Van Gompel,
2013). In deze thesis zal enkel het discretionair budgettair beleid bestudeerd worden en niet de
werking van de automatische stabilisatoren. Bij een discretionair beleid worden de overheidsuitgaven
en –inkomsten actief door de overheid gemanipuleerd om schommelingen in de economische
activiteit te temperen (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Automatische stabilisatoren zijn
mechanismen die wijzigingen in economische activiteit temperen, zonder een bewuste tussenkomst
door de overheid.
De analyse van het budgettaire beleid van de regering Di Rupo begint met een economisch, Europees
en politiek kader. Deze drie onderdelen schetsen de context waarbinnen de regering Di Rupo haar
budgettaire politiek diende uit te voeren. Het economische kader omschrijft de Belgische
economische situatie in het jaar dat de regering aantrad (2011). Daarnaast wordt de recente
economische geschiedenis kort besproken. In het Europese kader wordt de invloed van de Europese
Commissie op het gevoerde beleid behandeld. Voornamelijk de buitensporige tekortenprocedure die
tegen België ingesteld werd in 2009 heeft een grote impact gehad op de verschillende begrotingen.
In de laatste omkadering wordt een beeld gegeven van het politieke landschap in België. De
verschillende standpunten van de regeringspartijen worden besproken aangezien deze doorwegen
op het politieke beleid. Een zeer interessant debat tussen de regeringspartijen was het ‘Spending
versus Austerity’ debat dat zeer nauw aansluit bij de doelstelling van deze masterproef.
Na de schets van de algemene context waarbinnen de regering diende te werken, wordt de
theoretische en empirische grondslag van dit eindwerk gelegd. In het vierde onderdeel worden de
verschillende theoretische stromingen met betrekking tot het budgettaire beleid besproken. Tot op
vandaag is het effect van het budgettaire beleid op de economie niet eenduidig. In principe kan de
agregate vraag en het productieniveau van een land beïnvloed worden door de overheidsbestedingen
(Ramey, 2011) of de belastingen te wijzigen (Romer & Romer, The Macroeconomic Effects of Tax
Changes: Estimates Based on a New Measure of Fiscal Shocks, 2007). Theoretische conclusies over
de effectiviteit zijn echter afhankelijk van het model dat gebruikt wordt. Keynesiaanse modellen
resulteren in een typisch effectief budgettair beleid, terwijl de neoklassieke modellen leiden tot een
mogelijk ineffectief begrotingsbeleid (Malengier, 2003). In de praktijk stellen we dezelfde
onzekerheid vast. Zo kan een oorspronkelijk restrictief beleid toch expansieve gevolgen hebben
(Blanchard O. J., 1990; Bertola & Drazen, 1993). Economen proberen deze onzekerheid weg te
werken door een budgettaire multiplicator te berekenen. De grootte van deze multiplicator varieert
echter regelmatig naargelang het empirische model dat gebruikt werd. Daarom is het belangrijk dat,
iii
afhankelijk van het onderzoek, het meest correcte empirische model gekozen wordt. Dit onderdeel
wordt afgesloten met een vergelijking van de verschillende empirische modellen.
Om een idee te krijgen van de aard van het gevoerde budgettaire beleid, worden, in het vijfde
onderdeel, de beleidsmaatregelen van de regering Di Rupo besproken. Deze bespreking is gebaseerd
op begrotingsdocumenten afkomstig uit het archief van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Uit
dit onderdeel zal blijken of het beleid expansief al dan niet restricitief was en of er voornamelijk
spending- of austerity-maatregelen genomen werden door de regering.
In het zesde hoofdstuk wordt de budgettaire multiplicator voor België berekend aan de hand van een
VAR-model. Voor het opstellen van het model wordt er gebruik gemaakt van historische tijdreeksen
die elk een variabele vertegenwoordigen. Twee variabelen hebben betrekking op de publieke
financiën: de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten en de totale overheidsuitgaven die het
budgettaire beleid weerspiegelen. De drie overige variabelen weerspiegelen de Belgische economie:
bbp groei, werkloosheidsgraad en loonkost per eenheid product die ons een idee moeten geven van
de impact van het budgettaire beleid op de Belgische economie. Recent werden er twee gelijkaardige
studies uitgevoerd naar de budgettaire multiplicatore voor België. De studie van Bas Van Aarle en
Joep Konings deed onderzoek naar het effect van overheidsuitgaven op het bbp in België (Van Aarle
& Konings, 2011). Concreet onderzochtten ze de impact van een structurele vermindering in de
overheidsuitgaven in België op de economische activiteit. De studie van Tine Timco onderzocht in
2014, naar aanleiding van de nationale verkiezingen, of de voorgestelde budgettaire maatregelen
door de verschillende partijen anti-economisch van aard waren of niet (Timco, 2014). Beide
onderzoeken maakten gebruik van een budgettaire multiplicator, maar hun conclusies waren zeer
verschillend. Van Aarle en Konings besloten dat een budgettaire consolidatie in België weinig of geen
effect zal hebben op de economische groei, aangezien hun berekende multiplicator niet significant
verschillend was van 0. De Belgische economie zou voornamelijk afhankelijk zijn van de groei in haar
afzetmarkten en moet daarom voornamelijk inzetten op haar concurrentiepositie en de reductie van
haar overheidsbeslag (Van Aarle & Konings, 2011). Het onderzoek van Tine Timco kwam tot het
besluit dat een schok op de overheidsgaven weldegelijk een significant negatief effect heeft op het
bbp, met een topmultiplicator gelijk aan -1.25.
De resultaten verkregen uit de het VAR-model worden in onderdeel zeven vergeleken met de
bevindingen over het budgettaire beleid in onderdeel 5. In dit aspect zal er nagegaan kunnen worden
of het beleid al dan niet stimulerend geweest is voor de economische economie.
Ten slotte wordt dit eindwerk afgesloten met een algemene conclusie en enkele beperkingen van het
onderzoek alsook aandachtspunten voor toekomstig onderzoek.
iv
Inhoudsopgave
Samenvatting .................................................................................................................... i
Inleiding .......................................................................................................................... iii
Inhoudsopgave ................................................................................................................ v
Lijst van figuren ..............................................................................................................vii
1
Belgische economisch kader ...................................................................................... 1
1.1
Kredietcrisis 2007 .................................................................................................. 1
1.2
Soevereine schuldcrisis........................................................................................... 2
1.3
Economische situatie 2011-2014 ............................................................................. 3
1.3.1
Economische indicatoren .................................................................................. 3
1.3.2
Handelsindicatoren .......................................................................................... 7
1.3.3
Bestedingsindicatoren ...................................................................................... 8
1.3.4
Productie-indicatoren...................................................................................... 11
1.3.5
Arbeidsmarkt................................................................................................. 12
1.3.6
Indicatoren van de publieke financiën ............................................................... 15
1.3.7
Indicatoren van de financiële markten .............................................................. 21
1.3.8
Monetair ....................................................................................................... 22
1.3.9
Concurrentievermogen ................................................................................... 22
1.4
2
Besluit ................................................................................................................. 25
Europees kader ........................................................................................................ 26
2.1
Six-pack .............................................................................................................. 27
2.2
Two-pack ............................................................................................................. 28
2.3
Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de Economische en Monetair Unie
(VSCB)28
3
2.4
Euro plus-pact ...................................................................................................... 28
2.5
European Stability Mechanism (ESM) ...................................................................... 29
2.6
Besluit ................................................................................................................. 29
Belgisch politiek kader ............................................................................................ 30
3.1
3.1.1
Regeringsformatie .......................................................................................... 30
3.1.2
Beleidsdoelstellingen per politieke partij ........................................................... 32
3.1.3
Bevoegdheidsverdeling van de federale regeringsleden ....................................... 34
3.2
4
Samenstelling regering .......................................................................................... 30
Algemene beleidslijnen regering ............................................................................. 35
Theoretische kader .................................................................................................. 36
4.1
Budgettaire politiek ............................................................................................... 36
4.2
Budgettaire multiplicator ....................................................................................... 38
4.2.1
4.3
Begrip budgettaire multiplicator ....................................................................... 38
Theoretische modellen........................................................................................... 40
4.3.1
Traditioneel Keynesiaans model ....................................................................... 40
4.3.2
Nieuwe klassieke benaderingen ....................................................................... 42
4.4
Empirische modellen ............................................................................................. 43
v
5
4.4.1
Het VAR-model .............................................................................................. 43
4.4.2
Narrative approach......................................................................................... 44
Beleidsmaatregelen regering Di Rupo...................................................................... 46
5.1
Begrotingsjaar 2012.............................................................................................. 49
5.1.1
Overheidsontvangsten 2012 ............................................................................ 49
5.1.2
Overheidsuitgaven 2012 ................................................................................. 50
5.1.3
Aanpassingen begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar
2012: Algemene Toelichting .......................................................................................... 50
5.1.4
5.2
De werkelijke verwezenlijkingen voor 2012 ....................................................... 51
Begrotingsjaar 2013.............................................................................................. 51
5.2.1
Overheidsontvangsten 2013 ............................................................................ 52
5.2.2
Overheidsuitgaven 2013 ................................................................................. 52
5.2.3
Aanpassing begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2013:
Algemene Toelichting ................................................................................................... 52
5.2.4
5.3
Jaar 2014 ............................................................................................................ 53
5.3.1
Overheidsontvangsten 2014 ............................................................................ 54
5.3.2
Overheidsuitgaven 2014 ................................................................................. 54
5.3.3
De werkelijke verwezenlijkingen 2014 .............................................................. 54
5.4
6
De werkelijke verwezenlijkingen 2013 .............................................................. 53
Besluit ................................................................................................................. 55
Budgettaire multiplicator ......................................................................................... 56
6.1
Variabelen ........................................................................................................... 56
6.2
Methodologie........................................................................................................ 57
6.3
Voorwaarden ........................................................................................................ 58
6.3.1
Stationariteit ................................................................................................. 58
6.3.2
Normaliteit .................................................................................................... 59
6.4
Beschrijvende statistiek ......................................................................................... 59
6.5
Output ................................................................................................................ 62
6.5.1
Granger-causality statistics ............................................................................. 62
6.5.2
Impulse responses ......................................................................................... 64
6.5.3
Forecast error decomposition........................................................................... 71
6.6
Kritieken .............................................................................................................. 73
7
Vergelijking: gevoerde beleid met VAR-model ......................................................... 74
8
Conclusie ................................................................................................................. 75
10
Literatuurlijst ......................................................................................................... 77
11
Bijlagen ................................................................................................................... 83
vi
Lijst van figuren
Figuur 1: BBP in miljoenen Euro’s (NBB, 2015) ....................................................................... 4
Figuur 2: BBP per capita in euro (NBB, 2015) ......................................................................... 4
Figuur 3: Nominale groei van het BBP (%) (NBB, 2015). .......................................................... 5
Figuur 4: Inflatie (%)(NBB, 2015). ........................................................................................ 6
Figuur 5: Olieprijs in euro (NBB, 2015). ................................................................................. 7
Figuur 6: De betalingsbalans (NBB, 2015). ............................................................................. 7
Figuur 7: Import – Export (NBB, 2015). ................................................................................. 8
Figuur 8: Consumentenvertrouwen (NBB,2015). ..................................................................... 9
Figuur 9: Consumptieprijsindex (NBB, 2015). ........................................................................ 10
Figuur 10: Beschikbaar inkomen (NBB, 2015). ....................................................................... 11
Figuur 11: Aantal faillissementen (NBB, 2015). ...................................................................... 11
Figuur 12: Ondernemersvertrouwen (NBB, 2015). .................................................................. 12
Figuur 13: Werkgelegenheidsgraad (NBB, 2015). ................................................................... 13
Figuur 14: Werkloosheidsgraad(NBB, 2015). ......................................................................... 14
Figuur 15: Jeugdwerkloosheid obv gegevens verkregen van de NBB. ........................................ 14
Figuur 16: Geconsolideerde Brutoschuld (NBB, 2015). ............................................................ 15
Figuur 17: Schuldgraad Belgische overheid (NBB, 2015). ........................................................ 15
Figuur 18: Overheidsuitgaven in % bbp (NBB, 2015) .............................................................. 17
Figuur 19: Overheidsuitgaven naar categorie in 2011 (NBB, 2015). .......................................... 18
Figuur 20: Overheidsuitgaven opgedeeld in categoriën (NBB, 2015). ........................................ 19
Figuur 21: Overheidsontvangsten naar categorie in 2011 (NBB, 2015) ...................................... 19
Figuur 22: Primair saldo en vorderingsoverschot (NBB, 2015). ................................................. 20
Figuur 23: OLO op 10 jaar (NBB, 2015). ............................................................................... 21
Figuur 24: Interbancaire rente (NBB, 2015). .......................................................................... 22
Figuur 25: procentuele verandering loonkost per eenheid product (ECB, 2015) .......................... 24
Figuur 26: Aatal zetels in de kamer van volksvertegenwoordigers (De Kamer, 2015) .................. 30
Figuur 27: Visuele weergave van de variabelen in het model ................................................... 61
Figuur 28: geaccumuleerde responses van de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad op een
impuls in de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten ......................................................... 65
Figuur 29: geaccumuleerde responses van de lookost per eenheid product en de overheidsuitgaven
op een impuls in de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten .............................................. 66
Figuur 30: geaccumuleerde responses van de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad op een
impuls in de overheidsuitgaven ............................................................................................ 67
Figuur 31: geaccumuleerde response van de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten op een
impuls in de overheidsuitgaven ............................................................................................ 68
Figuur 32: geaccumuleerde responses van de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten tot een
impuls in de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad ........................................................ 69
Figuur 33: geaccumuleerde responses van de overheidsuitgaven tot een impuls in de groei van het
bbp en de werkloosheidsgraad ............................................................................................. 70
Figuur 34: geaccumuleerde responses van de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad tot een
impuls in de loonkost per eenheid product ............................................................................. 70
Figuur 35: geaccumuleerde responses van de werkloosheidsgraad en de groei van het bbp tot een
impuls van elkaar ............................................................................................................... 71
vii
1 Belgische economisch kader
De budgettaire geschiedenis van veel Europese landen (inclusief België) kende de afgelopen decennia
een turbulente evolutie. De jaren 80 werden gekenmerkt door een reeks besparingen en
belastingshervormingen als reactie op de sterk gegroeide overheidsuitgaven eind de jaren 70 en
begin de jaren 80. In de jaren 90 werden de budgettaire saneringsoperaties voortgezet met in het
achterhoofd de strenge financiële normen opgelegd in het verdrag van Maastricht. De oprichting van
de Europese Monetaire Unie (hierna: EMU) werd voorbereid en de landen die tot de unie wilden
toetreden moesten voldoen aan deze strenge normen. Het begin van de 21ste eeuw werd gekenmerkt
door lagere overheidsschuldratio’s dankzij de inspanningen geleverd voor het verdrag van Maastricht.
Na de invoering van de euro trad er echter besparingsmoeheid op bij de leden van de EMU als gevolg
van de jarenlange budgettaire inspanningen. De begrotingsinspanningen werden versoepeld,
belangrijke belastingsverlagingen werden doorgevoerd en noodzakelijke hervormingen werden
vooruit geschoven (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Het Stabiliteits- en Groeipact moest de
resterende overheidstekorten weg te werken en zo de versoepeling tegen gaan. De realiteit was
echter het tegenovergestelde van de theorie. In 2001 zorgde een combinatie van de dotcom crisis,
een gekeerde conjunctuur en een gebrek aan begrotingsdiscipline ervoor dat het overheidssaldo van
de EMU-landen verder weg zakte naar een tekort. Dit was de kwetsbare budgettaire situatie waar de
Europese landen zich in bevonden toen de kredietcrisis in 2007 losbarste.
Eind 2011 waren de gevolgen van de Europese schuldencrisis duidelijk voelbaar terwijl de
kredietcrisis van 2008 nog steeds niet verwerkt was. Daarenboven hadden de lang aanslepende
regeringsonderhandelingen duidelijk een weerslag op de financiële markten. Dit zorgde ervoor dat
verscheidene ratingbureau’s de rating van België verlaagden, maar ook dat de rente om geld te
ontlenen steeg. De regering Di Rupo startte met een zeer zware economische situatie die initieel
onderschat werd.
1.1 Kredietcrisis 2007
In het algemeen wordt de implosie van de Amerikaanse vastgoedmarkt aanvaard als dé aanleiding
tot de kredietcrisis. De crisis werd echter mogelijk gemaakt door een combinatie van onderliggende
factoren die al enkele jaren aanwezig waren. De deregulering, de immer dalende intrestvoeten, de
conjunctuurgolven en de ontwikkeling van het concept securitisatie zijn beslissende factoren geweest
die al aan het begin van de 21ste eeuw tot uiting kwamen (Delarue & Seynaeve, 2010). Voornamelijk
securitisatie heeft een belangrijke rol gespeeld als oorzakelijke factor van de crisis en de wereldwijde
verzwakking van het financiële systeem. Dankzij deze financiële innovatie konden banken
hypothecaire leningen verstrekken aan kopers van vastgoed om vervolgens deze leningen te
bundelen en door te verkopen. Op deze manier werden leningen verkocht als verhandelbare effecten,
waarna de banken met de opbrengst hiervan nieuwe leningen uitgaven. Dit proces had grote
gevolgen voor de transparantie van de risico’s waarbij de prijs van de risico’s de werkelijke waarde
niet meer weergaf. Het systeem van verhandelbare leningen word ook wel het ‘originate-and
distribute’-bedrijfsmodel genoemd (Ewijk & Teulings, 2009). Daarenboven gebruikten banken
securitisatie ook om de regulering te ontlopen. Doordat in veel landen geen kapitaal aangehouden
diende te worden voor dergelijke Special Purpose Vehicle-leningen konden de financieringskosten
voor de banken verlaagd worden. Deze gesecuritiseerde producten (SPV-leningen) ‘verdwenen’
vervolgens van de balans en met het vrijgekomen kapitaal konden extra leningen verstrekt worden.
Gedurende dit hele proces werd er steeds vanuit gegaan dat de vastgoedmarkt zou blijven stijgen.
In werkelijkheid was het hele ‘originate-and distribute’ model gebaseerd op een vastgoedzeepbel in
de Verenigde Staten. Na de dotcom crisis in 2001 hield de FED de korte termijn interesten bewust
laag om de Amerikaanse economie terug aan te zwengelen. Jammer genoeg deden deze lage
interesten de vastgoedzeepbel in de VS groeien. Door de lage interesten was het voor veel mensen
aantrekkelijk om een hypothecaire lening aan te gaan of om een oude hypotheek te herfinancieren.
De vraag op de vastgoedmarkt nam daardoor sterk toe en de prijzen volgden deze trend. Hierdoor
1
rezen de prijzen van vastgoed ver boven hun werkelijke waarde uit en ontstond er een
vastgoedzeepbel.
Bij het uitbreken van de crisis konden veel ontleners hun leningen niet meer afbetalen en ging de
waarde van het onderliggende vastgoed zwaar onderuit. Bovendien bleek al snel dat de
gesecuritiseerde producten in werkelijkheid niet van de balans van de bank waren verdwenen, wat
ervoor zorgde dat de banken financiële steun nodig hadden om die (intussen problematisch
geworden) leningen te kunnen afschrijven (Ewijk & Teulings, 2009). Tegelijk met het faillisement
van de investeringsbank Lehman brothers zakte dit veel gebruikte bedrijfsmodel in elkaar.
Wereldwijd bleken alle banken onbetrouwbare kredieten te bezitten waardoor de interbancaire markt
opdroogde en de rente fors toenam. De bancaire sector maakt vaak gebruik van onderlinge korte
termijnleningen waardoor het niet-functioneren van de interbancaire rente zeer problematisch was.
Het wantrouwen op de interbancaire markt sloeg snel over op de niet-bancaire sector en beïnvloedde
zo rechtstreeks de economische activiteiten. Het werd voor ondernemingen steeds moeilijker om
kredieten te verkrijgen. Ze kregen zo te maken met liquiditeitsproblemen, met als gevolg dat de
innovatie door ondernemingen stil viel. Tegelijk zagen de ondernemingen hun inkomsten fors dalen
door een wereldwijde vraaguitval. Het aantal faillissementen steeg snel en dit had een rechtstreekse
invloed op de bevolking door een verhoogde werkloosheidsgraad en een verlaagde koopkracht. De
kredietcrisis beïnvloedde elk economische aspect van een land en de overheden stond onder zware
druk om daartegen maatregelen te nemen. Nog nooit eerder had men zo een gelijktijdige en
wereldwijde vertraging van de economische activiteit gezien. De financiële crisis ging duidelijk
gepaard met een economische crisis en de vertraging van de wereldhandel.
Toen de financiële crisis eind 2008 omsloeg in een wereldwijde economische recessie moesten
nagenoeg alle Westerse landen indrukwekkende begrotingsmaatregelen nemen om de snel
uitbreidende crisis in te dijken. De verschillende Europese overheden moesten forse kapitaalinjecties
invoeren om de financiële instellingen overeind te houden en omvangrijke discretionaire
stimuleringsplannen doorvoeren om een ineenstorting van de economische activiteit te voorkomen.
Voor de overheid betekende de crisis echter een financiële spagaat: terwijl de uitgaven hand over
hand toenamen (naast de overheidsgaranties steeg bijvoorbeeld ook het aantal uitkeringen door de
hogere werkloosheid), namen de inkomsten net af (zo waren de belastinginkomsten lager). In tal
van landen steeg de staatsschuld zo tot recordhoogtes (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Net zoals
overal in Europa bleef de Belgische economie niet gespaard van de crisis.
Als gevolg van het inzakken van de wereldhandel vertraagde de Belgische economische activiteit in
het laatste kwartaal van 2008 sterk. België kreeg het weliswaar niet zo zwaar te verduren als Spanje
en Portugal, die af te rekenen hadden met meerdere macro-economische crisissen. Toch was de
weerslag van de crisis niet te onderschatten: België blijft een kleine en open economie die sterk
afhankelijk is van de internationale conjunctuur en de wereldhandel. Na het eerste kwartaal van
2009, dat een negatieve groei liet optekenen, begon theoretisch gezien de recessie van de Belgische
economie. Wereldwijd kende men toen de zwaarste economische recessie uit de naoorlogse periode.
Niemand kon toen voorspellen hoe lang de crisis en de recessie zou aanhouden.
Vanaf het voorjaar van 2010 werden nieuwe mechanismen ingesteld om de schuldencrisis in te dijken
en om te vermijden dat een dergelijke crisis zich in de toekomst nog eens zou voordoen. De
versterking van deze economische governance had voornamelijk betrekking op de overheidsfinanciën
en resulteerde vanaf 2011 opnieuw in zware besparingen. Deze besparingen leidden tot een discussie
onder economen: verzwaren te felle besparingen de economische malaise niet dusdanig dat ze
ineffectief worden of zelfs contraproductief werken?
1.2 Soevereine schuldcrisis
In 2011 werden voornamelijk de Europese landen getroffen door een soevereine schuldencrisis.
Soevereine schuld omschrijven we hier als de effecten die worden uitgegeven of gegarandeerd door
een staat of een centrale bank, die hen in staat stellen om middelen op te halen op de financiële
markten (FOD economie, K.M.O., middenstand en energie, 2012). In de nasleep van de kredietcrisis
2
in 2008 lanceerden Europa en haar deelstaten Europese steunplannen en budgettaire interventies
om de financiële instellingen van kapitaal te voorzien en de economie te doen groeien. Deze
interventies legden een zeer zware druk op de openbare financiën die reeds een hoge schuldenlast
mee torsten. Daarenboven werd het probleem nog aangescherpt door de vertraagde economie en
een gevoelige stijging van de overheidsschulden. België was één van de slachtoffers van deze
soevereine schuldencrisis. De spanningen op de obligatiemarkten zorgde voor een stijging van de
lange termijnrente voor Belgische staatsobligaties en de spread. Concreet werd het voor België
duurder om te ontlenen. De impact van de soevereine schuldencrisis op de Belgische economie zal
hieronder (Economische situatie 2011-2014) verder aangehaald worden.
Tegenover deze hoge overheidstekorten en schulden stond een restrictief budgettair beleid. Doordat
deze besparingsmaatregelen meerdere economische cycli overspanden zorgden ze voor een daling
van de binnenlandse vraag en een samentrekking van de economische activiteit. Deze situatie was
problematisch omdat het een vicieuze cirkel kon creëeren die het oplossen van de soevereine crisis
zou bemoeilijken. Daarom was een economische doorstart belangrijk om de soevereine crisis
structureel op te lossen. Dit was de economische situatie waarin de regering Di Rupo aan de slag
ging.
1.3 Economische situatie 2011-2014
Di Rupo’s ambtstermijn startte in 2011. Om de toenmalige economische situatie te onderzoeken
maak ik gebruik van verscheidene economische indicatoren. Als basis worden de economische
indicatoren van de Nationale Bank van België gebruikt. Daarnaast worden er bijkomende indicatoren
aan het overzicht toegevoegd om de analyse van de Belgische economie te versterken. Om het
overzicht van de indicatoren te bewaren worden alle indicatoren ondergebracht in acht categorieën.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Economische indicatoren
Handelsindicatoren
Bestedingsindicatoren
Productie indicatoren
Arbeidsmarkt
Indicatoren van de publieke financiën
Financiële indicatoren
Monetaire indicatoren
Voor alle onderstaande grafieken werden tijdsreeksen opgesteld van 2000 tot, bij voorkeur, 2015.
De meest recente data zijn echter nog niet voor alle gebruikte indicatoren beschikbaar, waardoor
sommige tijdsreeksen eindigen op 2013 of 2014. Als beginjaar voor de tijdreeksen werd het jaar
2000 gekozen omdat dit net na de officiële invoering van de euro (niet de feitelijke invoering) valt
en net voor het losbarsten van de dotcom-crisis.
Tijdreeksen zeggen meer over de toestand van een economie dan louter de naakte cijfers voor een
bepaald jaar. Voor het opstellen van de grafieken werd steeds gebruik gemaakt van data verkregen
van de Nationale Bank van België (NBB) tenzij anders vermeld.
1.3.1
Economische indicatoren
1.3.1.1 BBP naar volume
De eerste indicator die aangehaald wordt voor de analyse van de Belgische economie is het bbp naar
volume in kettingeuro’s (referentiejaar 2012), in miljoenen euro’s. Het bbp naar volume geeft de
totale toegevoegde waarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een bepaalde regio (hier
België) weer, over de tijdsperiode van één jaar. Om deze indicator in perspectief te plaatsen werd
eveneens het bbp per capita en de totale Belgische bevolking toegevoegd aan de grafiek.
Het bbp naar volume wordt vaak gebruikt om de welvaartscreatie in een bepaald land weer te geven.
Het grote voordeel hiervan is dat het bbp vaak gecorreleerd is met andere aspecten van de
maatschappij zoals de werkgelegenheid, de scholingsgraad, de levensverwachting etc. Het algemene
beeld weergegeven door deze indicator is een goede indicatie van de realiteit. Daarenboven word
3
het bbp zeer frequent en op regelmatige basis gemeten. Hierdoor is het bbp een gangbare indicator
om beleidsbeslissingen op af te stellen. Tegelijkertijd moeten we ons bewust zijn van de
tekortkomingen. Het bbp wordt berekend op basis van markttransacties, een internationale methode
die vergelijkingen tussen landen mogelijk maakt. Er zijn echter ook activiteiten die buiten de markt
vallen zoals zwart werk, vrijwilligerswerk, overheidsdiensten en productie door huishoudens. Hoewel
deze activiteiten bijdragen tot een verhoogde welvaart en een verbeterde levensstandaard zijn ze
niet altijd opgenomen in het bbp. Verder weerspiegelt de indicator niet de externe effecten (zowel
positieve als negatieve) teweeggebracht door de consumptie en productie in een land. De effecten
van de economische activiteiten op het milieu zijn hier een goed voorbeeld van. Het grootste tekort
van het bbp als indicator is waarschijnlijk dat het de welvaartsverdeling niet in rekening brengt. Het
bbp per capita wordt vaak gebruikt om de welvaart van een bevolking internationaal te kunnen
vergelijken. Hoe hoger het bbp per capita, hoe welvarender een bevolking in theorie is. Deze indicator
krijgt echter dezelfde kritiek als het bbp naar volume, de welvaartsverdeling valt niet af te leiden uit
deze data.
11
11
11
10
10
10
10
10
9
9
9
500
300
100
900
700
500
300
100
900
700
500
€ 400 000
€ 380 000
€ 360 000
€ 340 000
€ 320 000
€ 300 000
€ 280 000
BBP in miljoenen euro's
Bevolking in duizenden
BBP naar volume
Jaartal
Bevolking (000)
BBP in miljoenen euro's
Figuur 1: BBP in miljoenen Euro’s (NBB, 2015)
Voor de Belgische economie zien we een duidelijke stijgende trend van het bbp naar volume tussen
2000 en 2014. Concreet wilt dit zeggen dat de Belgische welvaart gestegen is. We kunnen duidelijk
zien waar de kredietcrisis toegeslagen heeft (2009) waarna de Belgische economie zich redelijk snel
hersteld heeft. Sinds de schuldencrisis van 2011 is de groei echter afgevlakt. Opmerkelijk is dat de
economische activiteit in België zich al in 2011 hersteld heeft en dat de schuldencrisis van 2011 geen
negatieve economische groei teweeg gebracht heeft. Het was in 2011 wel duidelijk dat economische
groei één van de grote uitdagingen was voor de regering Di Rupo.
11
11
11
10
10
10
10
10
9
9
9
500
300
100
900
700
500
300
100
900
700
500
€ 36 000
€ 35 000
€ 34 000
€ 33 000
€ 32 000
€ 31 000
€ 30 000
Jaartal
Bevolking (000)
Figuur 2: BBP per capita in euro (NBB, 2015)
4
BBP per capita
BBP per capita
Bevolking in duizenden
BBP per capita
Het bbp per capita vertoont een zeer grote welvaartstoename van 2003 tot en met 2008. Het
daaropvolgende jaar zorgde de kredietcrisis van 2009 voor een zeer sterke daling in de welvaart van
de Belgische bevolking. Dankzij het snelle herstel van de Belgische economie na de kredietcrisis
steeg het bbp per capita terug tot hetzeflde niveau als in 2006. Vanaf 2011 stellen we echter vast
dat de groei afvlakt en geneigd is om de bevolkingsgroei te volgen.
1.3.1.2
Nominale economische groei
De nominale economische groei geeft de wijziging van de economische activiteit in een land weer
zonder dat de inflatie meegerekend wordt. Sinds enkele decennia is het streven naar economische
groei een belangrijk onderdeel geworden van het budgettaire beleid. Een positieve economische groei
brengt immers meerdere positieve effecten teweeg zoals armoedereductie, afname van de
werkloosheid, een toename van de overheidsinkomsten etc. wat het welzijn van de burgerbevolking
ten goede komt.
Nominale groei van het BBP (%)
Groeipercentage
4,0%
3,0%
2,0%
1,0%
0,0%
2000
2001 2002 2003 2004
2005 2006 2007 2008
2009 2010 2011
2012 2013 2014
-1,0%
-2,0%
-3,0%
Jaartal
Figuur 3: Nominale groei van het BBP (%) (NBB, 2015).
We stellen vast dat de Belgische economie zich na de crisis van 2008-2009 snel hersteld heeft. In
2010 werd het jaar afgesloten met een groei van 2.5%. Gedurende 2011 vertraagde deze
economische groei geleidelijk tot 1.6%, onder andere als gevolg van de verzwakking van de
buitenlandse handel (FOD economie, K.M.O., middenstand en energie, 2012). Hoewel de Belgische
economie in het eerste kwartaal van 2011 nog een sterke economische groei liet optekenen, gingen
de cijfers vanaf het tweede kwartaal, in navolging van de internationale conjunctuur, toch achteruit.
Daarenboven bleef de privéconsumptievraag in de eerste twee kwartalen van 2011 heel beperkt.
Tijdens het derde kwartaal was de invloed van de dalende activiteit in twee belangrijke componenten,
industrie en bouw, duidelijk voelbaar op de groei. Bovendien was de kwartaalgroei van de
investeringen in huisvestigingen drie opeenvolgende kwartalen gedaald en dit liet zich in het derde
kwartaal voelen. Ten slotte vond er in het laatste kwartaal een duidelijke terugval van de diensten
plaats waardoor de groei nog verder weg zakte. De groei is evenwel niet negatief geweest en dit is
voornamelijk te danken aan bedrijfsinvesteringen (FOD economie, K.M.O., middenstand en energie,
2012). Tot op vandaag blijft de Belgische (en Europese) economie kampen met een (te) lage groei.
Voor de regering Di Rupo was het aanzwengelen van de economische groei een grote uitdaging.
1.3.1.3
Inflatie
Inflatie is een algemene stijging van de prijzen van goederen en diensten in een bepaalde economie.
In dat opzicht moeten we prijsstabiliteit, één van de hoofddoelen van de Europese Centrale Bank, in
het achterhoofd houden. Op middellange termijn wenst de ECB de inflatie net onder 2% te houden.
In het algemeen streven de Centrale banken in de wereld een relatief lage en gecontroleerde inflatie
na. Een lage inflatie stimuleert immers de consumenten om goederen en diensten aan te kopen.
Uitstel van deze aankopen zou betekenen dat de consument op een later tijdstip relatief meer zou
moeten betalen voor hetzelfde product. Daarenboven zorgt dergelijk inflatieniveau ervoor dat lenen
interessant is omdat inflatie de rente op een lening ‘aantast’. Een gunstig ontleningsklimaat is
uiteraard positief voor de investeringsmotor van een economie. Een te hoge inflatie is echter niet
interessant omdat dit een grote impact kan hebben op het monetaire beleid van een land.
5
Evolutie van de Inflatie (%)
Groeipercentage
5,00%
4,00%
3,00%
ECB doelstelling: 2%
2,00%
1,00%
0,00%
-1,00%
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
Jaartal
Inflatie (%)
Figuur 4: Inflatie (%)(NBB, 2015).
In 2011 bedroeg de inflatie 3.5%. Dit hoge inflatiecijfer is voornamelijk het gevolg van een sterke
stijging van de energieprijzen. De samenstelling van de inflatie in 2011 wordt besproken in de
analyse van de consumptieprijsindex. Deze hoge inflatie kende een negatieve impact op de
internationale concurrentiepositie van België, zeker in vergelijking met de buurlanden. Sinds 2005
zou het gecumuleerde inflatieverschil met de buurlanden 4.4 procentpunt bedragen. Als de inflatie
in een land hoog is, zal de invoer toenemen en de export dalen met als gevolg dat er een
handelstekort ontstaat. We kunnen dit effect voor de Belgische economie duidelijk waarnemen
wanneer we figuren 3.5 en 6 met elkaar vergelijken. Sinds 2000 noteerden we twee inflatiepieken,
één in 2008 en één in 2011. In beide jaren rees de import duidelijk boven de export uit en evolueerde
de Belgische economie van een handelsoverschot naar een handelstekort. Concreet betekent dit dat
de prijs van de geproduceerde goederen en diensten niet concurrentieel genoeg is op de
wereldmarkt. Toen de regering Di Rupo op 6 december 2011 aantrad, bevond de inflatie in België
zich reeds in een dalende trend. Vanaf 2012 begaven de inflatiecijfers zich in vrije val tot een
dieptepunt van 0.5% in 2014. Samen met het aanzwengelen van de economische groei werd dit een
uitdaging voor de regering Di Rupo.
1.3.1.4
Olieprijs
De olieprijs is een interessante indicator voor de economische activiteit. België produceert zelf geen
olie en is daarom afhankelijk van de import van olie voor zowel de industriële als de huishoudelijke
toepassingen. Daarom zullen dalende olieprijzen er in theorie voor zorgen dat de Belgische economie
meer zuurstof krijgt en de economische activiteit gestimuleerd wordt. In 2014 verklaarde Christine
Lagarde van het IMF nog dat een daling van de olieprijs met 30% ongeveer 0.8 procent extra
economische groei teweeg brengt in de meeste gevestigde economieën. Het effect van de dalende
olieprijzen wordt voor Europese economieën echter wat afgezwakt doordat olie in dollars verhandeld
wordt en de euro de afgelopen maanden verzwakt is tegenover de dollar. Daarnaast heeft een
dalende olieprijs een drukkend effect op de inflatie, wegens de grote verscheidenheid aan
toepassingen die olie heeft. Dit is in principe goed voor de koopkracht van de consumenten, maar
de laatste maanden staat de inflatie in Europa reeds laag en wordt er gevreesd voor deflatie. De
invloed van de olieprijs op het inflatieniveau wordt duidelijk weergegeven op de volgende grafiek.
De inflatie volgt duidelijk dezelfde evolutie als deze van de prijs per vat ruwe olie.
6
€ 100,00
5,0%
€ 80,00
4,0%
3,0%
€ 60,00
2,0%
€ 40,00
1,0%
€ 20,00
0,0%
€ 0,00
-1,0%
Inflatieniveau (%)
Prijs per vat ruwe olie (€)
Evolutie van de olieprijs en het inflatieniveau
Jaartal
Olieprijs (€)
Inflatie (%)
Figuur 5: Olieprijs in euro (NBB, 2015).
We stellen vast dat de olieprijzen sinds de kredietcrisis sterk gestegen zijn tot een hoogtepunt in
2012. Deze prijsstijging heeft een belangrijke rol gespeeld in het opdrijven van de energieprijzen in
2011. Ze heeft daarom ook indirect een grote impact gehad op de inflatie van 2011. Verder remden
de stijgende olieprijzen ook de economische activiteit af en bemoeilijkte dit het economische herstel
na de soevereine schuldencrisis.
1.3.2
1.3.2.1
Handelsindicatoren
Betalingsbalans
De betalingsbalans geeft een overzicht van de waarde van de transacties tussen het binnenland en
het buitenland. Deze balans bestaat uit twee delen: de lopende rekening enerzijds en de kapitaalen financiële rekening anderzijds. Zij houden elkaar in evenwicht. Deze twee componenten zijn ook
de belangrijkste maatstaven om de buitenlandse handel van een land te analyseren. Een overschot
op de lopende rekening wordt ook wel een handelsoverschot genoemd en betekent dat een land
meer goederen en diensten exporteert dan importeert. De lopende rekening weerspiegelt op deze
manier het netto inkomen van een land, terwijl de kapitaalrekening de verandering in het netto
vermogen van een land weergeeft. De kapitaal- en financiële rekening bestaat dus onder andere uit
kapitaaloverdrachten en directe investeringen vanuit het buitenland. Indien de kapitaalrekening een
overschot vertoont, betekent dit dat er geld binnenkomt vanuit het buitenland.
Evolutie van de betalingsbalans
Miljoenen euro's
€ 15 000
€ 10 000
€ 5 000
€0
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
-€ 5 000
-€ 10 000
-€ 15 000
Jaartal
Kapitaal- en financiële rekening
Lopende rekening
Figuur 6: De betalingsbalans (NBB, 2015).
In 2011 evolueerde de Belgische betalingsbalans van een handelsoverschot naar een handelstekort.
Concreet betekent dit dat de Belgische economie meer goederen en diensten (in waarde) importeerde
dan dat het exporteerde en dat er kapitaal België binnen stroomde. Een negatieve handelsbalans is
op zich niet nadelig voor de economie, tenzij op lange termijn. Wanneer een land op lange termijn
blijvende handelstekorten realiseert, verslechtert dit de netto vermogenspositie van dat land. Deze
7
verslechtering brengt risico’s op de financiële markten met zich mee, die mogelijk een impact hebben
op de conjunctuur van dat land. Daarenboven brengt binnenstromend kapitaal financiële
uitbetalingen (dividend en rente) aan buitenlandse investeerders teweeg. Vanaf 2013 kende België
weer een klein handelsoverschot op de betalingsbalans, het tekort was dus van zeer korte duur.
1.3.2.2
Import en Export
De import-export cijfers bevestigen de vaststellingen die hierboven al gemaakt werden. In 2011 was
er een grotere invoer dan uitvoer van goederen en diensten, wat op een handelstekort wijst.
Volume in miljoenen euro's
Import - Export
300
250
200
150
100
50
0
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Jaartal
Uitvoer
Invoer
Figuur 7: Import – Export (NBB, 2015).
2011 werd gekenmerkt door een geleidelijke vertraging in de wereldwijde economische bedrijvigheid,
waardoor het handelsverkeer in de grote economische zones achteruit ging (FOD economie, K.M.O.,
middenstand en energie, 2012). Deze terugval in het handelsverkeer stellen we ook vast voor België.
Daarenboven maakten de hoge inflatiecijfers de in België geproduceerde goederen en diensten
minder competitief op de wereldmarkt en werden buitenlandse goederen en diensten aantrekkelijker
om te importeren.
1.3.3
1.3.3.1
Bestedingsindicatoren
Consumentenvertrouwen
Het consumentenvertrouwen in België wordt maandelijks bevraagd aan de hand van een enquête
uitgevoerd door de NBB. De enquête bestaat uit een reeks van vier vragen die voorgelegd wordt aan
1850 consumenten. Twee vragen zijn macro-economisch gericht en hebben betrekking op de
economische situatie en de werkloosheid in België voor de komende 12 maanden. De twee overige
vragen zijn gericht op de consument zelf en bevragen de financiële situatie en de besparingen van
het huishouden voor de komende 12 maanden. Het resultaat van deze enquête geeft een indicatie
van het vertrouwen van de consument in het economische verloop. De cijfers die op onderstaande
grafiek weergegeven worden zijn geen procentuele wijzigingen, maar een reflectie van het aantal
positieve en negatieve antwoorden in de enquête. Indien de indicator gelijk is aan 0, werden er
evenveel positieve als negatieve antwoorden gegeven zijn op de vragen in de enquête. Een negatieve
consumentenindicator betekent dat huishoudens minder geneigd zijn om te consumeren en dus
eerder hun aankopen zullen uitstellen en sparen. Indien het consumentenvertrouwen positief is,
zullen huishoudens geneigd zijn om te consumeren en minder te sparen.
8
Consumentenvertrouwen
20
15
10
1/01/2015
1/01/2014
1/01/2013
1/01/2012
1/01/2011
1/01/2010
1/01/2009
1/01/2008
1/01/2007
1/01/2006
1/01/2005
1/01/2004
1/01/2003
1/01/2002
-10
1/01/2001
0
-5
1/01/2000
INDICATOR
5
-15
-20
-25
-30
JAARTAL
Figuur 8: Consumentenvertrouwen (NBB,2015).
We stellen onmiddellijk vast dat het consumentenvertrouwen sinds 2002 nauwelijks nog positief
geweest is. De eerste grote daling in het consumentenvertrouwen vond plaats in 2001 na de dotcomcrisis. Daarna zijn er in deze tijdsreeks nog twee grote dalingen, één vlak na de kredietcrisis en één
vlak na de schuldencrisis. Wanneer we het consumentenvertrouwen vergelijken met de nominale
groei van het bbp (figuur 2), dan stellen we vast dat het consumentenvertrouwen met enige
vertraging de conjunctuurtrend volgt. De vertraagde opvolging is duidelijk zichtbaar in 2010 en 2011:
terwijl er in 2010 een sterke economische groei (2,5%) gerealiseerd werd, barstte in 2011 de
schuldencrisis volop los. De economische groei zakte in 2011 terug tot 1,6% (één procentpunt minder
dan in 2010) en toch piekte het consumentenvertrouwen in 2011 en niet in 2010. Na de kredietcrisis
en de soevereine schuldcrisis herstelde de Belgische economie zich redelijk snel en dit komt ook
terug in het consumentenvertrouwen dat in de nasleep van de crisis opnieuw stabiliseerde. Een
positief consumentenvertrouwen is evenwel nog geen evidentie in 2015. Dit gebrek aan
consumentenvertrouwen wordt eveneens bevestigd door het steeds oplopende spaartegoed van de
Belgische bevolking.
1.3.3.2
Consumptieprijsindex
De consumptieprijsindex is een belangrijke maatstaf voor de gemiddelde prijsontwikkeling in een
land. De consumptieprijsindex bestaat uit een korf van goederen en diensten die representatief zijn
voor de verbruiksgewoonten van huishoudens. Uit de consumptieprijsindex kan onder meer de
inflatie en de evolutie van de levenskost afgeleid worden. Belangrijk is dat de index geen prijsniveau
weergeeft maar een wijziging tussen twee periodes. In de grafiek hieronder zijn drie indexen
weergegeven: de totale HICP, de algemene index en de gezondheidsindex. De geharmoniseerde
consumptieprijsindex (HICP) is een geharmoniseerde maatstaf voor de lidstaten van de Europese
Unie. Deze maatstaf laat toe om vergelijkingen tussen landen te maken, maar wordt ook gebruikt
door de ECB voor haar monetair beleid. Aan de hand van de HICP zal bepaald worden in hoeverre
een lidstaat voldoet aan de inflatiecriteria vastgelegd in het verdrag betreffende de Europese Unie.
De algemene index is de standaard consumptieprijsindex die gehanteerd wordt door de NBB. De
gezondheidsindex is gelijk aan de algemene index zonder brandstof, alcoholische dranken, tabak en
brandstoffen met uitzondering van LPG. De gezondheidsindex is een belangrijke indicator omdat deze
de basis vormt voor de indexering van de lonen van het openbaar ambt, de huurprijzen en bepaalde
sociale uitkeringen.
9
Consumptieprijsindex
5
4
Index
3
2
1
0
-1
Jaartal
Totale HICP
Algemene index
Gezondheidsindex
Figuur 9: Consumptieprijsindex (NBB, 2015).
In 2011 bedroeg de inflatie gebaseerd op de Totale HICP 3,5% in België, wat 1,2 procentpunt hoger
is dan in 2010. Het jaarverslag van het Prijzenobservatorium stelt dat voornamelijk de stijgende
energieprijzen verantwoordelijk waren voor deze hoge inflatie. De consumptieprijzen voor energie
lagen in 2011 gemiddeld 17 % hoger dan in 2010 en droegen 1,9 procentpunt bij tot de totale inflatie
(Prijzenobservatorium, 2011). De oorsprong van deze sterke stijging in energieprijzen is het verloop
van de aardoliekoers (aangehaald in 1.d. olieprijs). Tussen 2010 en 2011 steeg de prijs voor ruwe
olie in euro met 33%. Overigens werd de Belgische consument in 2011 geconfronteerd met
gemiddeld sterkere stijgingen dan het voorgaande jaar voor bewerkte levensmiddelen, diensten en
niet-energetische industriële goederen. Ten slotte stegen in 2011 ook de prijzen voor diensten
waarbij het opmerkelijk is dat er een einde kwam aan de prijsdalingen voor de
communicatiediensten.
Om deze gestegen levenskost te compenseren kent België een uniek systeem van loonindexering.
Sinds 1996 vindt er op basis van de gezondheidsindex een automatische loonindexering plaats voor
de lonen van het overheidspersoneel. Hoewel deze automatisch indexering geen betrekking heeft op
de privé sector, verloopt de indexering hier gelijk met deze van de publieke sector. Deze indexering
vrijwaart de koopkracht van de Belgische consumenten maar heeft ook een invloed op de kosten
voor de ondernemingen en zodus op hun competitiviteit. Voornamelijk ondernemingen in de
dienstensector, waar het gewicht van de loonkost aanzienlijk is, ondervinden hier invloed van.
1.3.3.3
Beschikbaar inkomen huishoudens
In de grafiek hieronder worden de consumptiebestedingen van de particulieren en het reëel
beschikbaar inkomen van de particulieren weergegeven. De consumptiebestedingen zijn de uitgaven
die binnen de economie gedaan worden door de huishoudens en de particulieren. Het reëel
beschikbaar inkomen geeft het inkomen weer waarover huishoudens beschikken na correctie van de
inflatie.
10
3
2,5
Groeipercentage
2
1,5
1
0,5
0
-0,5
-1
Jaartal
Consumptieve bestedingen van de particulieren
Reëel beschikbaar inkomen van de particulieren
Figuur 10: Beschikbaar inkomen (NBB, 2015).
Beide grafieken volgen duidelijk de evolutie van de economische conjunctuur. Wanneer de
economische conjunctuur vertraagt of zelfs negatief is, zoals bij de dotcom crisis in 2000 en de
kredietcrisis in 2009, zullen beide indicatoren ook dalen. De kredietcrisis van 2009 ging zelfs gepaard
met een algehele vraaguitval en recessie. Dit was ongezien in de recente economische geschiedenis.
Een algemene vraaguitval heeft een zeer grote impact op de economische activiteit en op de
overheidsfinanciën via een sterke daling van de inkomsten uit BTW. In het algemeen geldt dat in een
economie met een lage conjunctuur mensen minder geneigd zijn om te consumeren. Daarenboven
ging de afgelopen crisis ook gepaard met hoge inflatiecijfers. Dat heeft een bijkomend remmend
effect op de consumptie. Het reëel beschikbaar inkomen daalt eveneens samen met de conjunctuur.
Opvallend is wel dat het reëel beschikbaar inkomen in 2010 sterk daalde terwijl de
consumptiebestedingen sterk stegen. Indien het verschil tussen deze twee indicatoren te groot
wordt, zullen consumenten in principe hun spaargeld aanspreken of lenen om te consumeren. Ten
slotte heeft de soevereine schuldencrisis in 2011 een zware impact gehad op de
consumptiebestedingen van particulieren. Dit heeft een negatief effect op de economische activiteit
aangezien consumptie één van de motoren van een economie is.
1.3.4
1.3.4.1
Productie-indicatoren
Faillissementen
Het aantal faillissementen in een economie is een goede indicator voor het verloop van de
conjunctuur.
Aantal faillissementen
Evolutie aantal faillissementen in België
14 000
11 740
12 000
10 000
8 000
7 222
7 593
7 935
7 878
7 616
7 680
8 476
9 420
9 570
10 224 10 587
10 736
6 000
4 000
2 000
0
2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Jaartal
Aantal faillissementen België
Figuur 11: Aantal faillissementen (NBB, 2015).
11
Het aantal faillissementen is overheen de jaren steeds gestaag toegenomen, tot een recordaantal in
2013. Door de economische crisissen en de zwakke conjunctuur geraakten voornamelijk kmo’s,
vooral in de horeca-, transport en bouwsector, in de problemen. De verminderde economische
activiteit heeft uiteraard een weerslag op de werkgelegenheid en laat duizenden mensen werkloos
achter. In 2010 zien we een tijdelijke stabilisatie van de faillissementen dankzij een verbeterde
economische activiteit in dat jaar. Vanaf 2011, wanneer de soevereine schuldencrisis toesloeg, zette
de stijging van het aantal faillissementen zich weer verder. Deze stijging werd onderbroken in 2014,
het eerste jaar met een opmerkelijke verbetering in het aantal faillissementen.
1.3.4.2
Ondernemersvertrouwen
Het ondernemersvertrouwen wordt gemeten aan de hand van maandelijkse conjunctuurenquêtes
van de NBB afgenomen bij een panel van 6000 bedrijfsleiders. In deze enquête wordt gepolst naar
de appreciatie van de economische toestand door bedrijfsleiders. De resultaten reflecteren de mening
van de ondernemers omtrent het economische conjunctuurklimaat en de verwachte ontwikkelingen
op korte termijn. Het is duidelijk dat het ondernemersvertrouwen de conjunctuur van de Belgische
economie heel nauw volgt. Bij tekenen van economische vooruitgang blijkt het
ondernemersvertrouwen positief te evolueren en omgekeerd. Als we het consumentenvertrouwen en
het ondernemersvertrouwen met elkaar vergelijken stellen we vast dat ze beide dezelfde evolutie
volgen. Over het algemeen laten de ondernemers zich wel positiever uit over de economische situatie
dan de consumenten.
15
10
5
0
-5
-10
-15
-20
-25
-30
-35
2000-01
2000-07
2001-01
2001-07
2002-01
2002-07
2003-01
2003-07
2004-01
2004-07
2005-01
2005-07
2006-01
2006-07
2007-01
2007-07
2008-01
2008-07
2009-01
2009-07
2010-01
2010-07
2011-01
2011-07
2012-01
2012-07
2013-01
2013-07
2014-01
2014-07
2015-01
INDEX
Ondernemersvertrouwen
JAARTAL
Figuur 12: Ondernemersvertrouwen (NBB, 2015).
Dankzij de goede resultaten van 2010 herstelde het ondernemersvertrouwen zich tot in maart 2011.
Het ondernemersvertrouwen bereikte echter een nieuws dieptepunt in november van dat jaar. De
daling van het vertrouwen in 2011 is het gevolg van de spanningen omtrent de Europese
schuldencrisis die dat jaar losbarstte. De sectoren waar het vertrouwen het sterkste zakte in 2011
waren de handel, de bouw en de industrie. Als weerspiegeling van het sombere klimaat kromp de
economische activiteit dan ook in het derde en vierde kwartaal van 2011. Verder is het ook zeer
opvallend dat het ondernemersvertrouwen de afgelopen jaren niet meer positief is geweest. Wanneer
ondernemers en bedrijfsleiders geen vertrouwen hebben in de economische situatie van een land,
zullen ze hun investeringsbeslissingen uitstellen. Dit kan nefaste gevolgen hebben voor de
economische activiteit in een land aangezien bedrijfsinvesteringen een zeer belangrijke economische
motor is.
1.3.5
Arbeidsmarkt
De Belgische arbeidsmarkt is de kredietcrisis van 2008 goed doorgekomen hoewel de Belgische
arbeidsmarkt gevoeliger is voor een daling in de vraag dan andere Europese landen (Dhyne & Druant,
2010). Uit het onderzoek van Dhyne en Druant blijkt namelijk dat Belgische bedrijven die
geconfronteerd worden met een daling in de vraag, hun prijzen en/of hun kosten neerwaarts
aanpassen. Deze kostenbesparing wordt voornamelijk gerealiseerd door een vermindering van het
12
arbeidsvolume in aantal personen en/of aantal uren per persoon, terwijl de lonen amper worden
aangepast. Dankzij een uniek indexeringsmechanisme in België evolueren de lonen mee met het
algemene prijsniveau om zo de koopkracht van de consumenten te vrijwaren. In de praktijk is de
loonindexering echter een éénrichtingsstraat. De lonen stijgen wanneer het algemene prijsniveau
stijgt, maar de index wordt nooit naar beneden aangepast wanneer het prijsniveau daalt. Wanneer
de economie een dalende vraag kent, zullen de lonen dus niet verlaagd worden.
De toestand op de arbeidsmarkt was in 2011 zeer gunstig, meer bepaald vanwege nieuwe banen in
de verhandelbare diensten en voor de eerste maal in 10 jaar werd de toename van de tewerkstelling
bij de overheid onderbroken (FOD economie, K.M.O., middenstand en energie, 2012).
1.3.5.1
Werkgelegenheidsgraad
In dit onderdeel onderzoek ik de binnenlandse werkgelegenheidsgraad in procenten van de bevolking
op arbeidsleeftijd (15 tot 64 jarigen) volgens de definitie van de NBB.
Werkgelegenheid
68%
Percentage
66%
64%
62%
60%
58%
56%
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Jaartal
Werkgelegenheid België
Werkgelegenheid EU-28
Figuur 13: Werkgelegenheidsgraad (NBB, 2015).
In 2011 werd veel tewerkstelling gecreëerd: de nationale boekhouding registreerde namelijk 60000
nieuwe banen. Toch strandde de werkgelegenheidsgraad in België voor 2011 op 61.9% doordat de
jobcreatie midden 2011 stil viel door een terugval in de economische activiteit. Deze
tewerkstellingsgraad bleek lager te zijn dan het Europees gemiddelde (64.2%) en de laagste
vergeleken met onze buurlanden. Daarenboven stelt men een lichte daling van de
tewerkstellingsgraad tegenover 2010 vast. De geharmoniseerde tewerkstellingsgraad gehanteerd
door de Europese Unie (Eurostat) die alle personen van 20 tot 64 jaar omvat werd vastgelegd op
67.3%. België bevond zich hiermee nog steeds ver beneden de Europese doelstelling van 73.5% in
het kader van het 2020-plan. Tot op vandaag is de werkgelegenheid stabiel gebleven. Dat is positief
gezien de economische situatie maar onvoldoende in het licht van het 2020-plan.
De nieuwe banen werden voornamelijk geregistreerd in de dienstensector. Het gaat meer bepaald
om, 47000 nieuwe banen waarvan 16000 in de gezondheidszorg. De traditionele jaarlijkse stijging
in de openbare sector werd in 2011 een halt toegeroepen. Ten slotte moeten we in ons achterhoofd
houden dat de openbare sectoren vaak beroep doen op het deeltijdse stelsel.
1.3.5.2
Geharmoniseerde werkloosheidsgraad
De geharmoniseerde werkloosheidsgraad wordt hier uitgedrukt
beroepsbevolking volgens de rekenwijze van de NBB (15-64 jarigen).
13
in
procenten
van
de
Werkloosheidsgraad (%)
Werkloosheidsgraad
12,00%
10,00%
8,00%
6,00%
4,00%
2,00%
0,00%
Jaartal
Werkloosheidsgraad België
Werkloosheidsgraad EU-28
Figuur 14: Werkloosheidsgraad (NBB, 2015).
België scoort niet goed op de werkgelegenheidsgraad, maar wel op de werkloosheidsgraad. In 2011
bedroeg deze 7.2%, waarmee België zich positief onderscheidde van het Europees gemiddelde
(10,2%). De sterke afname ten opzichte van 2010 is te verklaren door een gemiddeld sterkere
toename van de werkgelegenheid dan de toename van de beroepsbevolking. Van de werklozen zat
46,83% in een kortetermijnwerkloosheid (tot 1 jaar), 47.14% bevond zich in een werkloosheid van
middellange termijn (1 tot 10 jaar) en 6.03% kende een langetermijnwerkloosheid (meer dan 10
jaar). Ten opzichte van 2010 vond er een lichte toename plaats van de middellange- en
langetermijnwerklozen. Een toename van langetermijnwerkloosheid wijst op een gevaar voor een
toename van de structurele werkloosheid, wat het groeipotentieel van een economie kan aantasten.
1.3.5.3
Jeugdwerkloosheid
Onderstaande grafiek beschrijft de werkloosheidsgraad in procenten van de beroepsbevolking jonger
dan 25 jaar.
Jeugdwerkloosheid (<25j.)
Percentage
25
20
15
10
5
0
Jaartal
Figuur 15: Jeugdwerkloosheid obv gegevens verkregen van de NBB.
Tijdens de kredietcrisis werden de jongeren het hardst getroffen op de arbeidsmarkt, maar ook in
2011 bleef België hoog scoren met jeugdwerkloosheid gelijk aan 18,7%. Bij andere groepen van
werknemers, voornamelijk bij vrouwen en ouderen, lijkt de structurele toename van de
werkgelegenheid zich zowel tijdens als na de crisis te hebben voortgezet (Mulder & Druant, 2011).
Daarenboven blijkt scholing van cruciaal belang te zijn: hooggeschoolden zijn tijdens de crisis beter
beschut gebleven van ontslag dan laaggeschoolden (Mulder & Druant, 2011).
14
1.3.6
1.3.6.1
Indicatoren van de publieke financiën
Geconsolideerde brutoschuld
De geconsolideerde brutoschuld geeft alle financiële verplichtingen van alle overheden (Federaal,
gemeenschappen, gewesten en socialezekerheidsinstellingen) van een land weer. De term
brutoschuld veronderstelt dat de overheidsactiva niet van de schulden afgetrokken worden.
Geconsolideerd wijst er op dat de onderlinge schulden tussen de subsectoren van de overheid
uitgesloten zijn. De staafdiagram in figuur 16 geeft de brutoschuld, volgens looptijd, in absolute
cijfers weer. Hierbij wordt ook een onderscheid gemaakt tussen de resterende looptijd van de
schulden. De lijngrafieken geven het procentuele aandeel van de schulden, volgens hun resterende
looptijd, in de totale schuld weer.
Geconsolideerde brutoschuld volgens looptijd
450 000
60%
50%
350 000
300 000
40%
250 000
30%
200 000
150 000
20%
100 000
Percentage
In miljoenen €
400 000
10%
50 000
0
0%
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
Jaartal
Schuld met een resterende looptijd van minder dan 1 jaar
Schuld met een resterende looptijd van 1 tot 5 jaar
Schuld met een resterende looptijd van meer dan 5 jaar
Figuur 16: Geconsolideerde Brutoschuld (NBB, 2015).
De geconsolideerde brutoschuld is jarenlang stabiel gebleven, maar is sinds 2009 sterk toegenomen.
Dit heeft te maken met de twee kort opeenvolgende crissisen (krediet en soevereine crisis). In het
kader van de kredietcrisis in 2009 heeft de Belgische overheid budgettaire interventies uitgevoerd
om de Belgische financiële instellingen overeind te houden,en bijgedragen aan Europese
steunplannen. In combinatie met de recessie zorgde dit voor een blijvende druk op de openbare
financiën van de Europese lidstaten, inclusief België. De toegenomen druk op de openbare financiën
kunnen we beter afleiden uit de schuldgraad, hieronder weergegeven. De schuldgraad geeft namelijk
de geconsolideerde overheidsschuld weer in verhouding tot het bbp.
Evolutie van de schuldgraad
450 000
120%
400 000
100%
300 000
80%
250 000
60%
200 000
150 000
40%
100 000
20%
50 000
0
0%
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Jaartal
Bruto schuld
BBP
Figuur 17: Schuldgraad Belgische overheid (NBB, 2015).
15
Schuldgraad
Percentage
In miljoenen €
350 000
In 1992 werd het Stabiliteits- en groeipact opgenomen in het Verdrag van Maastricht. Zo verbonden
de Europese staten zich ertoe om te streven naar een budgettair gezonde overheid. Klare
doelstellingen moesten een unie met een gemeenschappelijke munt en met een zekere monetaire
stabiliteit mogelijk maken. Eén van deze voorwaarden is dat de schuldgraad van een lidstaat niet
boven de 60% uit mag stijgen. Indien een lidstaat toch een schuldgraad boven de 60% aanhoudt, is
ze verplicht om deze buitensporige schulden adequaat af te bouwen. Concreet moeten de lidstaten
de buitensporige schulden met gemiddeld 5% per jaar doen afnemen overheen drie jaar (European
Commission, 2015). Na de invoering van de euro in 1999 sloeg bij vele lidstaten de
besparingsmoeheid toe en werden de begrotingsteugels gevierd. Daarom werkte het merendeel van
de lidstaten van de eurozone sinds 2005 aan een herschikking van de openbare financiën. De
kredietcrisis en daaropvolgende recessie heeft de eerdere begrotingsinspanningen echter teniet
gedaan. Zo steeg de gemiddelde schuldgraad binnen de eurozone van 66.2% in 2007 naar 87.7% in
2011 (FOD economie, K.M.O., middenstand en energie, 2012). In België stellen we deze stijging ook
vast. In 2007 bedroeg de schuldgraad in België 79.13% en in 2011 zelfs 99.95%, een stijging van
20.82 procentpunt. De budgettaire interventies van de overheid tijdens de kredietcrisis hadden een
rechtstreekse impact op de begroting en de schuldgraad. Daarna volgde de zwaarste mondiale
economische recessie uit de naoorlogse periode (Dury, Langenus, Cauter, & Meensel, 2009). Deze
recessie had niet alleen een zware impact op de economische activiteit en het bbp maar ook op de
overheidsfinanciën. Deze twee economische gebeurtenissen zorgden ervoor dat de teller (schulden)
in de schuldgraad steeg en de noemer (bbp) daalde. Dit dubbele effect verklaart de grote stijging
van de schuldgraad. Van 2011 tot 2014 is deze schuldgraad nog verder toegenomen met ongeveer
8.93 procentpunt tot 108.88% van het bbp. Deze schuldgraad ligt ver boven de 60% limiet die het
Verdrag van Maastricht stipuleert. De afgelopen jaren ontving de Belgische overheid meermaals een
waarschuwing van de Europese Commissie in verband met de openbare financiën. Dit onderwerp zal
verder uitgewerkt worden in het hoofdstuk ‘Europees kader’.
Vanuit economisch onderzoek is gebleken dat 90% schuldgraad een kritieke grens is voor een
economie (Decramer, Konings, & Reynaerts, 2011; Reinhart & Rogoff, 2010). Wanneer de
schuldgraad boven de 90% stijgt, vermindert de economische groei sterk en is het niet meer
wenselijk dat de overheidsuitgaven verder stijgen als deze schuldgefinancierd zijn. Volgens het
barro-spaareffect zullen de economische agenten in de economie extreem rationeel reageren op deze
verhoogde uitgaven. Agenten zullen toekomstige belastingen, die nodig zijn voor de schuldaflossing,
verdisconteren in hun beslissingen. Consumenten zullen dus, in andere woorden, de neiging hebben
om meer te sparen en minder te consumeren. Bovendien is er een goede kans dat er
verdringingseffecten optreden ten gevolge van een verder stijging van de overheidsuitgaven met
schuldfinanciering. Rentetarieven zullen waarschijnlijk stijgen bij een oplopende schuld. Dat zet een
rem op de private investeringen omdat geld ontlenen duurder wordt (kapitaalmarkteffect). Het
bedrag dat gespendeerd wordt aan de hogere interestbetalingen voor de toegenomen schuldaflossing
kan niet meer aangewend worden voor overheidsinvesteringen en productieve overheidsuitgaven.
De gevolgen van een hoge overheidsschuld blijven echter moeilijk in te schatten omwille van het
grote aantal factoren die de omvang van het effect mee bepalen. Een gering concurrentievermogen,
een hoge werkloosheidsgraad, een kwetsbare bankensector zijn enkele voorbeelden van deze
factoren.
Ten slotte moeten we bij het analyseren van de overheidsschuld nog de last van de overheidsschuld
vermelden. Deze last geeft weer in hoeverre de overheidsschuld een last legt op de huidige en
toekomstige inwoners van een land. Hierbij maken we een onderscheid tussen overheidsschuld in
handen van binnenlandse residenten of buitenlandse residenten. Wanneer de overheidsschuld
voornamelijk in handen is van binnenlandse residenten, kan een hoge binnenlandse schuld samen
gaan met aanzienlijke verdelingseffecten. Zo kan er een verdelingseffect optreden tussen
belastingbetalers en interestgenieters, aangezien er extra belastingen nodig zullen zijn om de
interesten uit te betalen. De macro-economische effecten van de verschuiving zullen echter beperkt
blijven aangezien deze verschuiving plaatsvindt onder binnenlandse residenten. Een tweede
verdelingseffect kan optreden tussen de huidige generaties en de toekomstige generaties. In
hoeverre moet de overheid in de toekomst extra belastingen heffen om de schuld af te betalen?
16
Hierbij is het van belang waarvoor de overheid haar geleende middelen aanwendt. Leningen voor
overheidsuitgaven die het outputniveau op lange termijn gunstig beïnvloeden (infrastructuur,
onderwijs, O&O, etc.) vertegenwoordigen in principe een geringere last omdat de toekomstige
generaties kunnen genieten van de toegenomen welvaart en productie (Van Poeck & Van Gompel,
2013). Het Europese begrotingskader houdt echter geen rekening met de achterliggende redenen
voor een overheidslening. Een hoge buitenlandse overheidsschuld maakt een land zeer gevoelig voor
wisselingen in het sentiment van buitenlandse beleggers en ook zeer kwetsbaar voor een toename
in de rentevoet (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Als rentevoeten toenemen, zal de overheid een
groter deel van haar budgettaire ontvangsten moeten aanwenden om de interestbetalingen af te
lossen. Andere overheidsuitgaven zullen dan in het gedrang komen, tenzij de belastingsdruk
opgevoerd wordt. Als de overheidsschuld te hoog oploopt, kan er twijfel ontstaan onder de
schuldhouders omtrent de aflossing en de rentebetalingen. Dit is potentieel zeer gevaarlijk want het
volledige financiële systeem komt zo in het gedrang, aangezien banken traditioneel grote afnemers
zijn van overheidsschuld. De maatregelen die vereist zijn om een uit de hand gelopen
overheidsschuld af te bouwen zijn meestal substantieel en dramatisch voor de bevolking (Van Poeck
& Van Gompel, 2013).
1.3.6.2
Overheidsuitgaven
In figuur 17 worden de overheidsuitgaven weergegeven in een percentage van het bbp. Dit is beter
bekend als het overheidsbeslag. Om het werkelijke overheidsbeslag te berekenen zijn er meerdere
micro- en macroeconomische methoden. Het berekenen van het werkelijke overheidsbeslag valt
echter buiten het onderwerp van deze thesis en hier beperken we ons tot een simpele weergave van
de overheidsuitgaven ten opzichte van het bbp op basis van gegevens van de NBB. Moet de overheid
streven naar een zo laag mogelijk overheidsbeslag? Binnen de economische literatuur is er nog
steeds geen consensus over wat een wenselijk niveau van overheidsbeslag is. Zeker is wel dat hoe
hoger het overheidsbeslag is, hoe hoger het risico op verdringingseffecten wordt (Decramer, Konings,
& Reynaerts, 2011). Verdringingseffecten doen zich voor wanneer de overheid private
ondernemingen uit de markt verdringt. Deze effecten kunnen ondermeer tot uiting komen op de
arbeidsmarkt, private investeringen etc.
Overheidsbeslag
60%
Percentage
50%
40%
30%
20%
10%
0%
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Overheidsuitgaven (% BBP)
2006
2007
Jaartal
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
Primaire overheidsuitgaven (% BBP)
Figuur 18: Overheidsuitgaven in % bbp (NBB, 2015)
In 2011 bedroeg het overheidsbeslag (inclusief interestlasten) 48,83% van het bbp en de uitgaven
stegen in 2013 verder tot 55,25%. Dit is een toename van respectievelijk 14,01 en 17,11 procentpunt
ten opzichte van het jaar 2000. Deze toename is verbazingwekkend aangezien de afgelopen jaren
meerdere malen aangekondigd werd dat er bespaard moest worden. Decramer, Konings en
Reynaerts onderzochten aan de hand van een econometrische analyse de belangrijkste factoren
verantwoordelijk voor de stijging van het overheidsbeslag (Decramer, Konings, & Reynaerts, 2011).
Het onderzoek concludeerde dat een effectieve toename van de uitgaven, de recessie in navolging
van de kredietcrisis en de samenstelling van de Belgische economie en maatschappij de belangrijkste
factoren waren. Met een effectieve stijging van de uitgaven bedoelt men dat de stijging van het
17
overheidsbeslag niet enkel het gevolg was van een daling in het bbp. De categorieën van de
overheidsuitgaven die voornamelijk verantwoordelijk zijn voor deze stijging worden verder
besproken in figuur 18 en 19. In het onderzoek toonden de onderzoekers aan dat de tweede factor,
recessies, het absolute niveau van de overheidsuitgaven systematisch doen toenemen. Na de
kredietcrisis in 2009 kenden we wereldwijd de zwaarste economische recessie van de naoorlogse
geschiedenis. Een recessie veroorzaakt niet enkel een sprong in de overheidsuitgaven maar verhoogt
permanent de trendlijn van deze uitgaven. Daardoor zullen er in de toekomst structurele maatregelen
getroffen moeten worden om de effecten op de uitgaven van een recessie weg te werken. Ten slotte
heeft de samenstelling van de Belgische economie en de maatschappij een zeer belangrijke rol
gespeeld. België heeft een kleine en open economie waardoor ons land gevoeliger is voor
internationale economische schokken. Een land dat veel handelsactiviteiten heeft, voelt een
economische schok veel sneller. Na zo een schok komt het bbp onder druk te staan en vermindert
de consumptie sterk. De overheid probeert deze negatieve evolutie vaak tegen te gaan door een
verhoging van de uitgaven. De enige manier om deze internationale gevoeligheid te beperken is een
versteviging van de concurrentiepositie van België op de internationale markt. De samenstelling van
de Belgische maatschappij heeft misschien wel de grootste invloed op de overheidsuitgaven van alle
opgesomde factoren. België is immers een welvarend land, en een groei van deze welvaart heeft een
stimulerend effect op de vraag naar onderwijs, gezondheidszorg, transport, de sociale en culturele
sector etc (Decramer, Konings, & Reynaerts, 2011). Dit zijn sectoren die de overheid beheert of
zwaar financiert en dat eist een groot deel van de uitgaven op. Daarenboven wordt onze
maatschappij gekenmerkt door een vergrijzing van de bevolking. Deze vergrijzing legt een enorme
druk op de uitgaven in de gezondheidszorg en pensioenen.
Overheidsuitgaven in 2011
Beloning van werknemers
intermediar verbruik en betaalde
belastingen
8%
6%
23%
Sociale uitkeringen
6%
3%
2%
Inkomsten overdrachten aan het
buitenland
7%
Overige inkomstenoverdrachten
subsidies aan bedrijven
Rentelasten
45%
Kapitaaluitkeringen
Figuur 19: Overheidsuitgaven naar categorie in 2011 (NBB, 2015).
De grootste uitgaven van de overheid in 2011 waren de categorieën sociale uitkeringen en beloningen
van de werknemers. Binnen de sociale uitkeringen wegen voornamelijk de pensioenen en de
geneeskundige verzorging door. In 2011 bedroegen de pensioenen zelfs 18% van de totale
overheidsuitgaven. Het aanpakken van de vergrijzingseffecten was al in 2011 een belangrijk
beleidspunt. De beloning van de werknemers omvatten de uitkeringen aan de ambtenaren in dienst
bij de overheid en vormt de tweede grootste uitgavenpost. Verder is het opvallend dat de uitgaven
voor sociale uitkeringen 17 procentpunt groter zijn dan de inkomsten uit werkelijke sociale premies
(vergelijking tussen figuur 18 en 20). Het sociale stelsel van België kan zichzelf dus niet voldoende
financieren.
18
Overheidsuitgaven opgedeeld in categoriën
Perecentage vd totale overheidsuitgaven
100%
Kapitaaluitkeringen
Beloning van
werknemers
80%
intermediar verbruik en
betaalde belastingen
60%
Sociale uitkeringen
Inkomsten overdrachten
aan het buitenland
40%
Overige
inkomstenoverdrachten
20%
0%
subsidies aan bedrijven
Rentelasten
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
Figuur 20: Overheidsuitgaven opgedeeld in categoriën (NBB, 2015).
Figuur 20 geeft een goed overzicht van de evolutie van de overheidsuitgaven per categorie overheen
de jaren. Zo stellen we vast dat het aandeel van de rentelasten in de uitgaven de afgelopen jaren is
afgenomen en dat de sociale uitkeringen al lang de grootste categorie vormen van de
overheidsuitgaven. De figuur geeft echter ook een vertekend beeld van de kosten voor de
categorieën. We moeten in ons achterhoofd houden dat de overheidsuitgaven elk jaar toegenomen
zijn (figuur 18) Dit wordt niet weergegeven op figuur 20. Van 2000 tot 2011 namen de totale
overheidsuitgaven met 61,32% toe,terwijl de uitgaven voor sociale uitkeringen overheen dezelfde
periode met 73,68% toenamen. Sociale uitkeringen nemen dus een steeds groter beslag op de
overheidsuitgaven en dat is voornamelijk het gevolg van de vergrijzing. Een andere interessante
overheidsuitgave zijn de overheidsinvesteringen, hier vervat in de categorie kapitaaluitkeringen.
Verscheidene economen, waaronder de hoofdeconoom van Belfius Geert Gielens, stellen dat België
te weinig investeert. Sinds 2000 neemt het aandeel van de overheidsinvesteringen in de totale
overheidsuitgaven jaar na jaar af. Hier zijn twee redenen voor: de laagconjunctuur en de strenge
begrotingsregels van de EU (Gielens & Dessoy, 2015). Nochtans stimuleren investeringen op twee
manieren de economie. Enerzijds vergroten investeringen de vraag en beïnvloeden ze zo rechtstreeks
het bbp. Anderzijds hebben overheidsinvesteringen op lange termijn ook effect op de aanbodzijde.
Deze investeringen verhogen namelijk de totale productiviteit van de economie. De keuze tussen
besparen en investeren in een economisch moeilijke situatie zoals in 2011 is echter een moeilijk
keuze en zorgde voor zeer veel polemiek in de economische en politieke wereld. Premier Di Rupo
moest tijdens zijn regeringstermijn vaak ruimte zoeken voor besparingen in de uitgaven vanwege de
economische recessie en de strenge Europese normen. Na de analyse van de overheidsuitgaven mag
het duidelijk zijn dat dit geen sinecure was. De maatregelen die de regering Di Rupo genomen heeft
overheen de jaren komen later in deze thesis nog aan bod.
1.3.6.3
Overheidsontvangsten
Overheidsontvangsten in 2011
13%
1%
Directe belastingen
huishoudens
Directe belastingen
vennootschappen
Indirecte belastingen
26%
28%
Werkelijke sociale premies
6%
Kapitaalbelastingen
26%
Niet-fiscale en nietparafiscale inkomsten
Figuur 21: Overheidsontvangsten naar categorie in 2011 (NBB, 2015)
19
Vanuit de gegevens van de Nationale Bank van België kunnen we opmaken dat de ontvangsten van
de overheid voornamelijk bestaan uit fiscale en parafiscale ontvangsten. Dit betekent dat de
ontvangsten voornamelijk bestaan uit directe en indirecte belastingen. De grootste categorieën van
inkomsten in 2011 voor de overheid waren de werkelijke sociale premies, directe belastingen uit
huishoudens en indirecte belastingen. Werkelijk sociale premies bestaan uit de financiële bijdragen
die werknemers en werkgevers betalen aan de sociale zekerheid.
1.3.6.4
Primair saldo
Het vorderingsoverschot of –tekort geeft het verschil tussen de overheidsontvangsten en de
overheidsuitgaven weer. De overheid kan vorderingsoverschotten aanwenden om reserves aan te
leggen. Minder wenselijk is een vorderingstekort want dit houdt in dat de overheid meer uitgaven
realiseert dan dat het inkomsten genereert. Indien de overheid geen extra inkomsten genereert of
de uitgaven niet beperkt, zal ze moeten ontlenen om dit tekort op te vangen. Wanneer de overheid
structurele tekorten heeft, zal de schuldenlast sterk toenemen. Het primair saldo bekomt men
eveneens door het verschil tussen de inkomsten en uitgaven te berekenen, maar de interestlasten
worden hier niet bij de overheidsuitgaven gerekend. Deze interestbetalingen worden bepaald door
de omvang van de uitstaande schuld en de gemiddelde rentevoet waartegen de schuld in het verleden
werd aangegaan. Op de grafieken zien we dat er een groot verschil is tussen het primair saldo en
het vorderingsoverschot. Dit betekent dat de overheidsfinanciën veel schulden en bijgevolg
interestlasten met zich meedragen. Op onderstaande grafiek wordt het vorderings- en primair saldo
als percentage van het bbp weergegeven.
Percentage
bbp
hetbbp
van het
Percentage van
Evolutie van
van het
het vorderingsvorderings- en
en primair
primair saldo
saldo
Evolutie
6%
6%
4%
4%
2%
2%
0%
0%
-2%
-2%
-4%
-4%
-6%
-6%
Jaartal
Jaartal
Vorderingsoverschot of
of -tekort
-tekort (%
(% BBP)
BBP)
Vorderingsoverschot
Primair saldo
saldo (%
(% BBP)
BBP)
Primair
Figuur 22: Primair saldo en vorderingsoverschot (NBB, 2015).
Opvallend is dat het vorderingssaldo in de jaren voor de crisis niet vaak positief geweest is. Dit
impliceert dat de gezamenlijke overheid niet veel reserves kon opbouwen. Deze zwakke
vorderingssaldo’s van 2000 tot 2005 zijn voornamelijk het gevolg van de eerder besproken
besparingsmoeheid na de invoering van de euro. Dit betekende dat België bij het uitbreken van de
kredietcrisis in 2008-2009 zich al in een budgettair zwakke positie bevond. Op 2 december 2009
werd tegen België, voor het eerst sinds de oprichting van de EMU, een procedure wegens
buitensporige tekorten aangespannen (Europese Commissie, 2012). Deze procedure waakt over de
tweede doelstelling van het Stabiliteits- en groeipact vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. In
het streven naar een budgettair gezonde overheid mag het vorderingstekort niet meer dan 3% van
het bbp bedragen. De Raad vroeg aan België om het begrotingstekort vanaf 2012 op een
geloofwaardige en houdbare manier onder de grens van 3% van het bbp te brengen en om jaarlijks
een structurele begrotingsinspanning te leveren van gemiddeld 0,75% van het bbp tijdens de periode
2010-2012 (Europese Commissie, 2012). In 2011 was het begrotingstekort nog steeds aanzienlijk,
maar de raad oordeelde dat België conform de aanbevelingen gehandeld had. Eind 2011 trad de
regering Di Rupo aan en stelde haar begroting voor 2012 voor. Ook deze regering waakte over de
buitensporige tekorten en stelde zichzelf tot doel om het tekort in 2012 terug te brengen tot 2,8%
van het bbp. Begin 2012 moest er echter al een bijkomende begrotingsinspanning geleverd worden
20
ten belope van 1,8 miljard euro omwille van de verslechterde economische vooruitzichten die naar
voor kwamen uit de begrotingscontrole van maart 2012. Daarenboven had de regering Di Rupo al in
januari uitgaven ten belope van 1,3 miljard euro bevroren op vraag van de Europese Commissie en
in afwachting van de begrotingscontrole van maart 2012. De Europese Commissie had het
begrotingstekort voor 2012 in januari immers op 3,2% geraamd en vroeg bijgevolg om bijkomende
maatregelen (Europese Commissie, 2012). Het is meteen duidelijk dat de Europese Commissie een
grote invloed gehad heeft gehad op het beleid van de regering Di Rupo in een moeilijke economische
context. Het verdere verloop van het budgettaire beleid en de invloed van de Europese Commissie
zal later in deze thesis nog aan bod komen. Hoewel het vorderingssaldo het werkelijke tekort of
overschot van de overheid weergeeft, is het primair saldo een betere indicator voor het onderliggende
beleid. Het primair saldo houdt namelijk geen rekening met de interestlasten. Een regering mag
immers niet afgerekend worden op beslissingen van regeringen uit het verleden. Beleidslijnen zijn
zeer variabel overheen de tijd en kunnen een vertekend beeld, zowel in positieve als negatieve zin,
weergeven van het begrotingssaldo. Grafiek 22 toont ons het verschil tussen het primair saldo en
het vorderingssaldo. Structureel gezien leverde België relatief goed werk inzake begrotingsbeleid.
Het waren de kredietcrisis van 2009 en de daaropvolgende recessie die het primair saldo in het rood
duwden. Toch is de Belgische overheid, ondanks het economische herstel, er de afgelopen jaren niet
meer in geslaagd om het primaire saldo positief te krijgen.
1.3.7
1.3.7.1
Indicatoren van de financiële markten
Rente op overheidsobligaties 10 j.
Het rendement op de Belgische 10-jarige lineaire obligaties (OLO) wordt beschouwd als dé indicator
voor de evolutie van de langetermijnrente in België. Deze overheidsobligaties worden enkel
uitgegeven aan institutionele beleggers en grote ondernemingen en enkel in gedematerialiseerde
vorm. De langetermijnrente is de rente die de Belgische overheid betaalt om geld te lenen over een
periode van 10 jaar.
Rente
OLO op 10 jaar
6
5
4
3
2
1
0
Jaartal
Figuur 23: OLO op 10 jaar (NBB, 2015).
Vanaf 2011 zien we een sterke daling van de rente op OLO 10j. Dit was het gevolg van de
versoepeling van het beleid van de Centrale banken. De lagere rente zorgde voor lagere rentelasten
wat positief was voor Belgische staatschuld. Ook de internationale positie van België werd versterkt.
In 2011 stond de rente op een recordhoogte door de moeilijke onderhandelingen voor de
samenstelling van de regering. In combinatie met de soevereine schuldencrisis zorgde dit voor
onzekerheid op de financiële markten omtrent de budgettaire positie van België. Dit had als gevolg
dat de OLO op 10 jaar omhoog schoot en dat ratingbureau’s de rating van België verlaagden. In
2011 verlaagde Standard & Poor’s de rating van België van AA+ naar AA. S&P geloofde namelijk niet
dat België in staat zou zijn om haar hoge schuldenlast verder af te bouwen omwille van de
verschillende bankgaranties die de Belgische overheid gegeven had aan de Belgische banken, een
gebrek aan consensus in het beleid en een vertragende economische groei. Door deze onzekerheid
op de financiële markten steeg de ontleningskost voor België naar het hoogste niveau in 11 jaar tijd.
21
Het geruststellen van de financiële markten was een moeilijke opdracht voor de regering Di Rupo en
was enkel mogelijk door daadkrachtige en doortastende maatregelen op budgettair vlak. Vanaf 2011
zien we de rente terug onophoudelijk dalen. Deze meevaller voor de regering Di Rupo bracht bij wijze
van spreken een automatische besparing met zich mee. Doordat de interestlasten kleiner werden,
daalden ook de uitgaven en kreeg de regering meer budgettaire ruimte.
1.3.8
Monetair
1.3.8.1
Interbancaire rente
De interbancaire rente is de rente die banken elkaar onderling aanrekenen voor
kortetermijnleningen. De rente is een belangrijke indicator voor het vertrouwen op de financiële
markten. Zoals eerder aangehaald in de situering van de kredietcrisis speelt de interbancaire rente
een uitermate belangrijke rol in de economie.
Op de grafiek hieronder zijn twee interbancaire rentes weergegeven, elk met een andere methode.
De EONIA staat voor Euro OverNight Index Average en geeft het eendaagse renteniveau voor de
Eurozone weer. De EONIA wordt vaak gebruikt als referentiewaarde binnen de financiële wereld. De
EURIBOR (EURo Inter Bank Offered Rate) is de benchmark op de geldmarkt waartegen interbancaire
termijndeposito’s met een vaste looptijd tot één jaar in eurobedragen binnen de EEMU aangeboden
worden. Het verschil tussen beide rentetarieven is dat de EURIBOR een ongewogen gemiddelde
gecorrigeerd voor extreme waarden betreft en de EONIA een gewogen gemiddelde is.
Rente
Interbancaire rente
6
5
4
3
2
1
0
Data
EONIA
EURIBOR (12 maanden)
Figuur 24: Interbancaire rente (NBB, 2015).
Tijdens de kredietcrisis in 2008 kende de interbancaire rente haar hoogste piek, waarna nationale en
Europese maatregelen de markt weer stabiliseerden. In 2011 tijdens de schuldencrisis was er
wederom een korte opflakkering van de interbancaire rente. Sinds 2011 heeft de ECB verschillende
monetaire maatregelen getroffen die het algemene rentepeil naar beneden hebben gehaald. Hoewel
de interbancaire rente een belangrijke indicator is voor het vertrouwen in de financiële wereld valt
dit onder het monetaire beleid. Het is echter niet onbelangrijk om te weten dat de interbancaire
markten weer normaal functioneren.
1.3.9
Concurrentievermogen
In België gaat er altijd veel aandacht naar de internationale concurrentiepositie van onze economie.
Dat is niet abnormaal aangezien België een kleine open economie heeft die in een sterk
geglobaliseerde wereld moet opereren. Een goede concurrentiepositie is noodzakelijk voor de
Belgische ondernemingen om hun internationaal markaandeel te behouden en om nieuwe
investeringen aan te trekken. Volgens de NBB kan de concurrentiepositie van een land bepaald
worden aan de hand van twee determinanten: de prijs-/kostencompetitiviteit en de niet-kostenfactor
(NBB; CRB; FPB, 2011).
De afgelopen jaren bezette de Belgische economie een slechte positie in de internationale economie,
zeker tegenover de belangrijkste buurlanden, in termen van prijs-/kostencompetitiviteit. Deze
22
slechte positie is voornamelijk het gevolg van de hoge uurloonkosten in België. Om deze
uurloonkosten competitief te houden ten opzichte van de drie belangrijkste buurlanden werd op 26
juli 1996 de wet tot bevordering van de werkgelegenheid en de preventieve vrijwaring van het
concurrentievermogen ingevoerd. De wet wil in de eerste plaats voorkomen dat de uurloonkosten
sneller stijgen dan in de drie belangrijkste buurlanden (Duitsland, Nederland en Frankrijk). Bij het
invoeren van deze wet ontstond er een focus van de Belgische beleidsmakers en economen op de
drie belangrijkste buurlanden. Tussen 1996 en 2005 hielden de uurloonkosten in de Belgische
privésector gelijke tred met de buurlanden. Vanaf 2006 wordt er echter een snellere stijging
vastgesteld. Tussen 2006 en 2010 stegen de uurloonkosten in België 3.9% sneller dan gemiddeld in
de drie buurlanden (NBB; CRB; FPB, 2011). Deze ontwikkeling is volgens het rapport van de NBB,
CRB en FPB volledig te wijten aan een snellere stijging van de Belgische uurlonen dan in Duitsland.
De uurloonkostenontwikkeling voldoet echter niet om de kostencompetitiviteit van een economie te
analyseren. Deze indicator houdt namelijk geen rekening met de arbeidsproductiviteit. Een
loonstijging die gepaard gaat met een productiviteitsstijging leidt namelijk niet tot een
competitiviteitsprobleem (De Grauwe, 2010). Wanneer hier geen rekening mee gehouden zou
worden, kan dit zeer vertekende resultaten geven. Daarom wordt er bij de analyse van de
kostencompetitiviteit van een economie vaak gekeken naar de arbeidskost per eenheid product. De
redenering hierachter is dat wanneer exportbedrijven een zwakke marktpositie bekleden op de
internationale markten, een toename van de productiekosten (meer bepaald de kost van arbeid) zal
leiden tot smallere winstmarges. Dit zal de exportstimulans verminderen en op termijn is dit bepalend
voor de overlevingskansen van de uitvoerders (NBB; CRB; FPB, 2011). In principe zou een andere
belangrijke factor zoals kapitaal gebruikt kunnen worden om de kostencompetitiviteit te analyseren.
Dit wordt echter in mindere mate gedaan omdat er binnen de Europese Unie, en in theorie in de
geglobaliseerde wereldeconomie, perfecte kapitaalmobiliteit is. Kapitaalkosten zijn, volgens deze
hypothese identiek voor alle landen en worden niet beïnvloed door beleidskeuzes, in tegenstelling
tot de arbeidskost. Van 1996 tot 2007 verslechterde de kostencompetitiviteit, in termen van
arbeidskosten per geproduceerde eenheid, in vergelijking met het gewogen gemiddelde van de
buurlanden (NBB; CRB; FPB, 2011). Deze verslechtering was het gevolg van een sterke stijging in
de uurloonkosten en een zwakke toename in de arbeidsproductiviteit per uur. Deze zwakke toename
zou het resultaat zijn van een forse stijging in het aantal gewerkte uren in vergelijking tot de
buurlanden.
De meest gebruikte indicator om de concurrentiepositie van een land weer te geven is de loonkost
per eenheid product. Deze wordt gedefinieerd als de loonkost gedeeld door de arbeidsproductiviteit
(De Grauwe, 2010). De loonkost per eenheid product wordt ook in deze thesis gehanteerd omdat
deze indicator rekening houdt met twee vaak voorkomende problemen. Ten eerste houdt deze
indicator, net zoals de arbeidskost per eenheid, rekening met de arbeidsproductiviteit. Ten tweede
geeft deze indicator een neutrale analyse van de Belgische concurrentiepositie en geen partiële
analyse (De Grauwe, 2010). In België vergelijkt men zich vaak met de belangrijkste drie buurlanden.
Deze (ongezonde) partiële analyse kan echter een vertekend beeld geven en vormt geen goede
neutrale analyse van het concurrentievermogen.
23
2014-III
2013-I
2013-IV
2012-II
2011-III
2010-I
2010-IV
2009-II
2008-III
2007-I
2007-IV
2006-II
2005-III
2004-I
2004-IV
2003-II
2002-III
2001-I
2001-IV
2000-II
1999-III
1998-I
1998-IV
1997-II
1996-III
1995-I
8
7
6
5
4
3
2
1
0
-1
-2
1995-IV
Percentage
Verandering Loonkost per product %
Kwartielen
Figuur 25: procentuele verandering loonkost per eenheid product (ECB, 2015)
Vooreerst stellen we vast dat de verandering in de loonkost per product nagenoeg altijd positief is.
Dit betekent dat de loonkost per product de afgelopen jaren steeds gestegen is. De impact van zowel
de kredietcrisis in 2009 als de schuldencrisis in 2011 zijn wel duidelijk zichtbaar op de grafiek. Beide
crisissen deden de groei van de loonkost per product tijdelijk pieken waarna er een herstel optrad.
Opvallend is dat dit herstel veel sneller plaatsvond na de kredietcrisis dan na de soevereine
schuldencrisis. Momenteel flirt de verandering in de loonkost per product wederom met de 0 wat
positief is voor de internationale concurrentiepositie van België.
In de economische actualiteit wordt er niet getwijfeld aan de slechte concurrentiepositie van België
in de internationale markt, zeker in vergelijking met onze drie buurlanden. Is dit echter zo
vanzelfsprekend? Uit de studie die Paul De Grauwe publiceerde over de competitiviteit van België
blijkt dat er op de langere termijn geen trendmatige verslechtering van de Belgische loonkosten
tegenover de oorspronkelijk EU-15 landen vastgesteld wordt. Volgens deze studie zou een
verslechtering van de competitiviteit altijd een tijdelijk karakter hebben (De Grauwe, 2010). Er
zouden dus cyclische bewegingen waarneembaar zijn in de competitiviteitspositie van België. Deze
cyclische bewegingen zijn het gevolg van twee afzonderlijke mechanismen. Het eerste mechanisme
zal op korte termijn de loonkosten beïnvloeden. Als de relatieve loonkost in een land daalt, zullen de
vraag naar arbeid en de bedrijfswinsten toenemen. De druk om de lonen op de arbeidsmarkt te
verhogen is een direct gevolg hiervan. Het omgekeerde zal plaatsvinden bij een stijging in de
relatieve loonkost. Het tweede mechanisme beïnvloedt de loonkosten op lange termijn. Wanneer de
loonkosten langdurig stijgen, zullen bedrijven meer geneigd zijn om arbeiders te vervangen door
machines. Aangezien de resterende arbeiders dan productiever worden dan de arbeiders in andere
landen zal de relatieve loonkost terug dalen. Het feit dat deze wijzigingen in de competitiviteit cyclisch
zijn wilt niet zeggen dat ze geminimaliseerd dienen te worden (De Grauwe, 2010). Sommige van
deze bewegingen kunnen immers zeer pijnlijk zijn voor de economie en de werkgelegenheid.
De niet-kostenfactor is eveneens van cruciaal belang voor de concurrentiepositie op langere termijn.
Het European Competitiveness report definieert concurrentievermogen als de capaciteit van een
economie om een duurzame toename van de levensstandaard te realiseren en een zo laag mogelijk
niveau van onvrijwillige werkloosheid te realiseren. Hierbij spelen de aanwezigheid van kennis,
innovatie, ondernemerschap en ondersteuning van de overheid een zeer belangrijke rol. Een
economie die op lange termijn competitief wenst te blijven dient te investeren in deze factoren.
24
1.4 Besluit
Bij het aantreden van de regering Di Rupo op 6 december 2011, kampte de Belgische economie
zowel met korte- als langetermijn problemen. Het eerste en grootste probleem was de lage
economische groei in België. Deze lage groei werd veroorzaakt door een uitval in de vraag, een
terugval in de publieke en private investeringen en een verminderde bedrijfsactiviteit in België. Uit
de bovenstaande analyse kunnen we duidelijk afleiden dat de vraaguitval het gevolg is van een
samenloop van verschillende factoren. Hierdoor is deze uitval ook persistenter van aard. De groei
van de consumptieve bestedingen verdween praktisch volledig in 2011 terwijl het beschikbaar
inkomen van de Belgische huishoudens zelfs daalde. De inflatie was laag waardoor de consumenten
minder geneigd waren om te consumeren en meer soelaas zagen in sparen. Deze intentie tot sparen
wordt bevestigd door het zeer lage consumentenvertrouwen in de Belgische economie in 2011.
Daarenboven zagen we dat de import in 2011 groter was dan de export. Door de stijging in loonkost
per eenheid product waren de binnenlandse goederen en diensten minder interessant geworden ten
opzichte van buitenlandse goederen en diensten voor zowel binnenlandse als buitenlandse
consumenten. De terugval in de publieke investeringen werd veroorzakt door het hoge
overheidsbeslag, de stijgende rentes op de financiële markten en de reeds hoge schuldgraad van de
overheid. De schuldencrisis van 2011 had de budgettaire situatie van de Belgische overheid zwaar
onder druk gezet waardoor er geen ruimte meer was voor investeringen en er voornamelijk
besparingen uitgevoerd moesten worden. Toch nam het risico op verdringingseffecten op de private
kapitaalmarkt sterk toe dankzij de hoge schuldgraad en het hoge overheidsbeslag. Belgische
ondernemingen konden geen goedkope kredieten meer ontlenen om investeringen te verwezenlijken.
Uit het lage ondernemersvertrouwen in 2011 leiden we bovendien af dat veel ondernemingen hun
investeringen uitstelden tot economisch gunstigere tijden. Vele kleine ondernemingen hadden
uberhaupt al moeite om het hoofd boven water te houden: het aantal faillissementen in België steeg
nog steeds. Het stimuleren van de economie was een probleem waar de regering Di Rupo haar
volledige regeerperiode mee geworsteld heeft.
Het meest acute probleem dat de regering diende op te lossen was echter de onrust op de financiële
markten. Door de zeer lange regeringsonderhandelingen waren de financiële markten onrustig
geworden en verlaagden de ratingsbureau’s hun rating van België. Met als gevolg dat de rente voor
België om geld te ontlenen steeg. Daardoor stegen de interestlasten van de overheid en werd het
duurder voor de regering om geld te ontlenen op de financiële markten. Tegelijk met deze evolutie
namen de overheidsuitgaven toe (door de crisis en de toegenomen interestlasten) en namen de
overheidsinkomsten af (door de terugval in de economische groei). De regering Di Rupo kon dit acute
probleem enkel oplossen door structurele maatregelen te nemen op budgettair vlak.
Ten slotte kreeg de regering te maken met enkele structurele problemen. De buitensporige
tekortenprocedure ingesteld tegen België, omwille van een vorderingstekort groter dan 3% van het
bbp, vereiste een structurele aanpak van de regering Di Rupo. Bovendien was er nog een lange weg
af te leggen om de Europa 2020 doelstellingen inzake werkgelegenheid, schuldgraad, etc. te
bereiken. De grootste uitdaging op lange termijn is echter nog altijd de vergrijzing van de Belgische
bevolking.
25
2 Europees kader
Op 1 november 1993 trad het verdrag van Maastricht in werking en werd de basis voor de huidige
Europese Unie gelegd. In dit verdrag werd ondermeer de oprichting van de Economische en
Monetaire Unie in 1999 vastgelegd. Lidstaten die toetraden tot de EMU verbonden zich ertoe om hun
monetaire bevoegdheden over te dragen aan het Europese Stelsel van Centrale Banken (hierna:
ESCB) en om te opereren onder een gemeenschappelijke munt, de ‘euro’. Dit ESCB-systeem omvat
alle centrale banken van de lidstaten die samen de Europese economische vraagstukken oplossen en
waarvan de Europese Centrale Bank (hierna: ECB) het hoofd is. De ECB draagt de
verantwoordelijkheid voor een centraal gestuurde geldmarkt- en wisselkoerspolitiek. Het hoofddoel
van de EMU was het vervolledigen van de Europese binnenmarkt aan de hand van een
gemeenschappelijke munt met een hoge prijsstabiliteit. Voor het in werking stellen van deze
Economische en Monetaire Unie werd er in het verdrag van Maastricht een begrotingsdiscipline
afgesproken onder de lidstaten, meer bepaald de ‘Maastrichtnorm’. Voldoen aan deze Maastrichtnorm
was een noodzakelijke voorwaarden voor toetreding tot de EMU. Deze norm stelt dat een lidstaat
niet of slechts incidentieel een groter begrotingstekort mag hebben dan 3% van het bbp en dat de
staatsschuld maximaal 60% van het bbp mag bedragen of in voldoende mate afneemt. Om te
voorkomen dat de lidstaten na hun toetreding tot de EMU hun begrotingsinspanningen weer zouden
laten vieren, werd in 1997 het Stabiliteits- en groeipact (hierna: SGP) opgesteld. Dit pact moest de
stabiliteit van de euro garanderen en de muntunie beschermen tegen ongunstige financiële
overloopeffecten. Tot op vandaag vormt dit pact nog steeds de basis van de Europese
begrotingsregels.
In het pact werden de begrotingsnormen uit het verdrag van Maastricht bevestigd en werd er
afgesproken welke procedures gelden bij overschrijdingen. Verder werd er nog een derde
begrotingsnorm toegevoegd: lidstaten moeten een landenspecifiek middellange-termijndoelstelling
(hierna: MTO) inzake een structureel begrotingssaldo nastreven. Deze MTO wordt opgesteld in
structurele termen om de conjunctuurschommelingen en eenmalige gebeurtenissen buiten
beschouwing te laten. Het doel van de MTO is een garantie op een structureel gezonde budgettaire
positie van de lidstaten op middellange termijn.
Deze drie begrotingsnormen werden in het SGP opgedeeld in een preventieve en een correctieve arm
(Annett, 2006). Landen die voldoen aan de eerste twee begrotingsnormen en dus geen buitensporig
tekort hebben, vallen onder de preventieve arm van het pact. De preventieve arm van het SGP
vereist dat landen voldoen aan de derde norm (de MTO). Als dat niet het geval is, wordt er met de
landen in kwestie een aanpassingspad richting de MTO opgesteld (Hofmans, 2012). Aangezien België
te maken heeft met een hoge schuldenratio en met hoge sociale kosten zoals de vergrijzingskosten
werd de MTO voor België vastgelegd op een structureel overschot van 0.75% van het bbp (Buffel &
Vanalme, 2014).
Wanneer lidstaten niet voldoen aan de eerste twee begrotingsnormen, behoren ze tot de correctieve
arm. Vanaf dat een lidstaat een begrotingstekort van meer dan 3% van het bbp heeft kan er een
buitensporige tekortenprocedure ingespannen worden. Het uitgangspunt voor deze procedure is de
Raad van de Europese Unie. Wanneer de Raad of de commissie een buitensporig tekort vaststeld bij
een lidstaat, dan kan de Raad vragen dat de lidstaat in kwestie op een geloofwaardige en houdbare
manier het tekort terug onder de grens brengt. Wanneer een lidstaat het buitensporige tekort binnen
een bepaalde termijn niet teniet doet, kunnen er boetes of correctieve maatregelen opgelegd worden.
De tweede norm van het SGP, inzake schuldaflossing, is van toepassing op het moment dat een
lidstaat een schuldratio heeft dat groter is dan 60% van het bbp. Dit houdt in dat een lidstaat met
een schuld boven de 60% van het bbp er zich toe verbindt deze schuldratio met gemiddeld een
twintigste van het verschil tussen de effectieve schuldgraad en de 60% drempel te verminderen
(Buffel & Vanalme, 2014). Deze regel was bij het aantreden van de regering Di Rupo van toepassing
op België, aangezien de schuldgraad in 2011 op 99.95% lag.
26
Sinds 2 december 2009 loopt er eveneens een procedure van buitensporige tekorten tegen België.
Daarbij vroeg de Raad aan België om het begrotingstekort vanaf 2012 op een geloofwaardige en
houdbare manier onder de grens van 3% van het BBP te brengen en om een jaarlijkse structurele
begrotingsinspanning te leveren van gemiddeld 0.75% van het bbp tijdens de periode 2010-2012
(Europese Commissie, 2012). Daarenboven werd er aan België gevraagd om de maatregelen
vastgelegd in de meerjarenbegroting van 2010-2011 zo snel mogelijk uit te voeren (Europese
Commissie, 2011). Toen Di Rupo eind 2011 aantrad, was dit een budgettaire verantwoordelijkheid
die hij van de voorgaande regering erfde. Tijdens 2010 werden al belangrijke begrotingsinspanningen
geleverd die België op de goede weg zetten naar een begrotingsevenwicht in 2015. In juli 2011
oordeelde de Raad dat België conform de aanbevelingen gehandeld had. Later dat jaar, in december
2011, stelde de nieuwe regering Di Rupo haar begroting voor het jaar 2012 voor. Binnen deze
begroting bleef de federale regering de Europese aanbevelingen respecteren. Concreet wou de
regering Di Rupo het gezamenlijke overheidstekort terugbrengen naar 2.8% van het bbp in 2012
(Europese Commissie, 2012). De eerste begrotingscontrole vond plaats in maart 2012 om de macroeconomische en budgettaire parameters te actualiseren vanwege de gewijzigde economische
vooruitzichten. De verslechterde economische situatie had als gevolg dat de federale overheid een
bijkomende begrotingsinspanning moest leveren van 1.8 miljard euro, evenwichtig verspreid over
inkomsten en uitgaven, om de doelstelling inzake het begrotingstekort te kunnen aanhouden
(Europese Commissie, 2012). Bovendien had de regering in afwachting van deze begrotingscontrole
reeds 1.3 miljard euro aan uitgaven bevroren. De overige jaren van bestuur vormde de Europese
doelstelling en aanbevelingen inzake de begroting steeds een essentiël onderdeel van het beleid
gevoerd door Di Rupo. Deze begrotingsdoelstellingen en inspanningen waren een steeds terugkerend
thema bij elke begrotingsopstelling en controle.
In navolging van de economische crisis in 2008 verslechterden de budgettaire posities van
verschillende lidstaten in de eurozone en nam het macro-economische onevenwicht tussen de
lidstaten toe. Daarom beslisten de regeringsleiders en staatshoofden in 2010 dat de coördinatie van
en het toezicht op het macro-economisch en budgettair beleid van de lidstaten verbeterd diende te
worden (Hofmans, 2012). De afgelopen jaren werden verstrengde begrotingsregels vastgelegd in
ondermeer het six pack, het two pack en het Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de
Economische en Monetair Unie (VSCB) (Buffel & Vanalme, 2014). Dankzij deze vernieuwende aanpak
zijn de begrotingsregels duidelijker geworden, is de coördinatie van het nationale beleid verbeterd,
worden de lidstaten beter opgevolgd en worden sancties sneller geïmplementeerd bij het overtreden
van de regels.
2.1 Six-pack
Het Six-pack bestaat uit zes Europese wetgevende maatregelen, vijf verordeningen en één richtlijn,
die in december 2011 in werking traden. Dit Six-pack moest het Stabiliteits- en Groeipact versterken
en het macro-economische toezicht op de lidstaten verstrengen (European Commission, 2013). Deze
maatregelen waren de eerste stap naar een versterkt economisch bestuur. Het pakket bestond uit
de volgende maatregelen, vastgelegd in de verordeningen (EU) nr. 1173/2011 tot en met nr.
1177/2011 en in de richtlijn 2011/85/EU (Europese Unie, 2011):
-
Bevordering van verstandig begrotingsbeleid door de EU-lidstaten;
Versterking van de controlemogelijkheden van de Europese commissie op het
begrotingsbeleid van de EU-lidstaten;
De mogelijkheid van het opleggen van (automatische) sancties aan EU-lidstaten bij
overtreding van de bepalingen van het Stabiliteits- en Groeipact;
Nieuwe voorschriften waaraan de nationale begrotingskaders moeten voldoen;
Versterking van de controlemogelijkheden van de Europese commissie op macroeconomische onevenwichtigheden tussen de EU-lidstaten;
De mogelijkheid van het opleggen van sancties aan EU-lidstaten waar bij herhaling macroeconomische onevenwichtigheden worden vastgesteld.
27
Om nieuwe economische en financiële crisissen te voorkomen werd het kader omtrent de
buitensporige tekorten versterkt. Tegelijk werd ook het kader om macro-economische
onevenwichten te voorkomen en bij te sturen verder uitgewerkt. In combinatie met deze twee kaders
werden minimale eisen gesteld aan de nationale begrotingskaders en werd het toezicht door de Raad
en de Europese Commissie op het economisch-, begrotings- en financieel beleid van de lidstaten
vergroot.
2.2 Two-pack
Het Two-pack, bestaande uit twee verordeningen, werd in 2013 opgesteld en vormt een aanvulling
op het Six-pack. Het Two-pack is echter alleen van toepassing op de eurolanden en heeft als doel
om het begrotingstoezicht in de eurozone verder te versterken (Buffel & Vanalme, 2014). De eerste
verordening (473/2013) van dit pact handelt over een uitbreiding van de controlemogelijkheden van
de Europese Commissie op de nationale begrotingen en het bevorderen van de begrotingsdiscipline.
Het doel van deze verordening is het verder uitbouwen van een gemeenschappelijk budgettair beleid
en een betere synchronisatie tussen de verschillende lidstaten. Concreet bevat deze verordening
onder meer een begrotingskalender voor het indienen en openbaar maken van het
begrotingsontwerp en de begrotingsplannen op middellange termijn. (Buffel & Vanalme, 2014).
België dient zich te houden aan de bepalingen in deze verordening. De tweede verordening heeft
betrekking op lidstaten die reeds met financiële moeilijkheden kampen en maakt verdergaande
controle op nationale begrotingen van deze landen mogelijk. Aangezien België geen beroep hoefde
te doen op Europese noodhulp, is het niet gecatalogeerd onder de landen met financiële problemen
en is deze verordening dus niet van toepassing.
2.3 Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de Economische en
Monetair Unie (VSCB)
Dit intergouvernementele verdrag heeft als doel om de economische groei in de Europese Monetaire
Unie te bevorderen via een betere coördinatie van het economische beleid in de eurozone. Dit verdrag
trad in werking op 1 januari 2013. België bekrachtigde dit verdrag met het samenwerkingsakkoord,
afgesloten op 13 december 2013, tussen de federale en regionele overheden.
Het VSCB bestaat uit twee luiken. Het eerste luik is een begrotingspact en het tweede luik is de
coördinatie op vlak van het economische beleid en het beleid ter verbetering van het
concurrentievermogen en het bestuur van de eurozone (Buffel & Vanalme, 2014). Het belangrijkste
onderdeel van dit verdrag is het begrotingspact en heeft als doel om de begrotingsdiscipline binnen
de eurozone te verbeteren en verstevigt tegelijk de budgettaire bepalingen binnen de Six-pack.
Belangrijk is dat het begrotingspact een budgettaire gouden regel vastlegt, namelijk dat de begroting
van de lidstaten in evenwicht moet zijn of een overschot moet vertonen. Concreet moet een lidstaat
voldoen aan zijn jaarlijks structureel saldo vastgelegd in zijn MTO (middellange termijn
doelstellingen), met als benedengrens een structureel tekort van 0.5% van het bbp. Enkel wanneer
een lidstaat een aanzienlijk lagere schuld heeft dan 60% van het bbp en wanneer de risico’s voor de
houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn laag zijn, mag de MTO oplopen tot een
tekort van 1% van het bbp. Bij ernstige afwijkingen van de MTO of het aanpassingstraject treedt een
automatisch correctiemechanisme in werking (Buffel & Vanalme, 2014). Dit correctiemechanisme
bestaat voornamelijk uit budgettaire maatregelen voor de betrokken lidstaat.
2.4 Euro plus-pact
In maart 2011 keurden de lidstaten het euro plus-pact goed. Hierbij verbonden de lidstaten er zich
toe om het concurrentievermogen, de werkgelegenheid, de houdbaarheid van de overheidsfinanciën
en de financiële stabiliteit op nationaal niveau te verbeteren. De lidstaten kregen wel de vrijheid om
zelf te beslissen welke maatregelen ze zouden troffen om deze doelstellingen te behalen. De
vooruitgang van de lidstaten inzake deze doelstellingen wordt periodiek gecontroleerd. Hierbij kan
voor de lidstaten met onvoldoende vooruitgang, na gezamelijk overleg, bepaald worden binnen welk
tijdsbestek zij hun achterstand weg moeten werken. Dit pact heeft dus geen een formeel dwingende
28
invloed op de lidstaten, maar bevat eerder politieke verbintenissen. De betere coördinatie van de
nationale economiën van de eurolanden moet leiden tot een sterkere gemeenschappelijke munt.
2.5 European Stability Mechanism (ESM)
Ten slotte willen we in dit onderdeel nogmaals benadrukken dat de Belgische economie en het
Belgische overheidsbeleid nauw verbonden zijn met het beleid van Europa en van de andere Europese
lidstaten. Een goed voorbeeld hiervan is de schuldencrisis in 2011. Om de precaire toestand van
bepaalde landen hun economie aan te pakken werd het Europees stabiliteitsmechanisme (hierna:
ESM) opgericht. Het ESM is een permanent financieel noodfonds, operationeel sinds 8 oktober 2012,
dat leningen verstrekt aan EU-lidstaten die in financiële problemen verkeren (European Stability
Mechanism, 2015). Dit noodfonds is de opvolger van het tijdelijke noodfonds, de European Financial
Stability Facility (EFSF), dat in 2010 opgericht werd om de acute economische problemen binnen de
eurozone aan te pakken. Met het ESM wil de EU haar economische en financiële stabiliteit behouden
en zo de waarde van de euro garanderen. Wanneer een lidstaat beroep doet op een lening van het
ESM zijn hieraan strenge voorwaarden verbonden. Zo zal de lidstaat in kwestie zijn
overheidsfinanciën snel weer in orde moeten bregen aan de hand van verregaande hervormingen en
bezuiningsmaatregelen. België hoefde de afgelopen jaren geen beroep te doen op het ESM
noodfonds, maar de Belgische overheid heeft wel bijgedragen aan het ESM. Het geld waarmee het
noodfonds leningen verstrekt is namelijk afkomstig van bijdragen van de Europese lidstaten. In 2012
storten de Europese lidstaten, gedurende een periode van twee jaar, een bijdrage aan het EMS
volgens een afgesproken verdeelsleutel voor in totaal 80 miljard euro. Daarenboven gaven de
lidstaten van de eurozone kredietgaranties ten belope van 420 miljard euro af aan de EMS.
Kredietgaranties bestaan uit kapitaal dat het EMS kan opvragen voor de strijd tegen financiële
problemen binnen de eurozone. De leencapaciteit van het EMS werd vervolgens verder opgedreven
tot 750 miljard euro dankzij de bereidheid van het IMF om maximaal 250 miljard euro bij te dragen
indien nodig. Ten slotte gaf het EMS op 8 oktober 2013 voor het eerst een vijfjarige obligatielening
uit waarmee ze 7 miljard euro ophaalden op de financiële markten. Concreet stortte België 2,7 miljard
euro in het noodfonds en gaf de overheid kredietgaranties voor nog eens 24,2 miljard euro aan het
EMS (European Stability Mechanism, 2015).
2.6 Besluit
België diende deze verschillende bepalingen om te zetten in Belscihe regelgeving, maar de
rechtstreekse impact ervan bleef eerder beperkt. De buitensporige tekortenprocedure, hierboven
reeds besproken, is de enige correctieve maatregel die tegen België loopt. Verder moet België
voornamelijk aandacht schenken aan haar MTO, de evenwichtsregel en de regel inzake
schuldaflossing. Tenslotte werden er voor de verschillende lidstaten van de EU doelstellingen
opgesteld in het kader van de Europese 2020 strategie. Deze strategie moet de economie van de
Europese Unie competitiever maken om zo tot een duurzame economische groei te komen. Om het
effect van deze 2020-strategie te maximaliseren en omwille van de economische crisis werd het
economische bestuur en de coördinatie op EU-niveau versterkt via het Europees semester. Het
Europese semester is in essentie een nieuwe begrotingscyclus voor de EU-lidstaten die sinds 2010
van kracht is. Dankzij het Europese semester kunnen de EU en de EMU hun economische en
begrotingsbeleid coördineren, in lijn met zowel het SGP als met de EU-strategie, terwijl de nationale
begrotingen nog in voorbereidig zijn (Buffel & Vanalme, 2014). Dit versterkte beleid gaat samen met
een verstrengd toezicht door de Europese Unie en een verbeterde rapportering door de lidstaten aan
de EU. Het economische toezicht is dus verscherpt en de beschikbare maatregelen voor de Europese
Commissie zijn uitgebreid en beter uitgewerkt.
29
3 Belgisch politiek kader
Na 541 dagen onderhandelen, een triest wereldrecord, legde Elio Di Rupo op 6 december 2011 de
eed af als premier van België. De regering trad aan, met net geen tweederde meerderheid, in een
periode van economische instabiliteit en Europese veranderingen.
In dit onderdeel ga ik de politieke context waarbinnen de regering Di Rupo werkte analyseren. Eerst
zal ik de samenstelling van de regering bespreken, waarbij ik kort de regeringsformatie en de
programmapunten van de partijen tijdens de verkiezingen van 2010 zal toelichten. Deze
programmapunten zijn een goede indicatie van de beleidsverschillen tussen de regeringspartijen
onderling. Vervolgens zal ik de belangrijkste doelstellingen van de regering bespreken, waarbij ik me
voornamelijk zal focussen op budgettaire doelstellingen of doelstellingen die effect gehad hebben op
het budgettaire beleid.
3.1 Samenstelling regering
3.1.1
Regeringsformatie
Op 13 juni 2010 vonden de verkiezingen voor het federale parlement in België plaats, waarna de
regeringsonderhandelingen van start gingen. De verkiezingen leverde de volgende verdeling in de
Kamer van Volksvertegenwoordigers op.
Aantal zetels in de kamer van volksvertegenwoordigers
SP.A (13)
PS (26)
CD&V (17)
CDH (9)
Open VLD (13)
MR (18)
N-VA (27)
Vlaams Belang (12)
Groen (5)
Ecolo (8)
Fractieloos (2)
Figuur 26: Aatal zetels in de kamer van volksvertegenwoordigers (De Kamer, 2015)
Tijdens de regeringsonderhandelingen waren er enkele terugkerende struikelblokken waarover
meerdere partijen het fundamenteel oneens waren (von Busekist, 2013). De gevoelige kwesties
waren de zesde staatshervorming, de herfinanciering van Brussel, de hervorming van de
financieringswet, het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde en later in 2011 het opstellen van de begroting.
de aanstelling van prominente politieke figuren als informateur, preformateur, bemiddelaar en
verduidelijker kreeg Elio Di Rupo op 16 mei 2011 de kans om een meerderheid samen te stellen als
formateur. Uiteindelijk kwamen de regeringsonderhandelingen op 26 november in een
stroomversnelling vanwege de oplopende langetermijnrente en een ratingverlaging door Standard &
Poor’s. De druk van de financiële markten en van de Europese Unie hadden duidelijk een invloed. Op
5 december werd Elio Di Rupo door de koning benoemd tot premier, de eerste Franstalige premier
sinds 1974. Tussen 16 mei en 5 december 2011 werden enkele belangrijke beleidsakkoorden tussen
de onderhandelende partijen gesloten. Ze gaan onder meer dieper in op de zesde staatshervorming,
Justitie en veiligheid,de meerjarenbegroting (2012, 2013 en 2014) en de nucleaire rente. De
akkoorden die interessant zijn voor deze thesis zijn het vlinderakkoord dat de zesde
staatshervorming regelt, de meerjarenbegroting en het akkoord omtrent de nucleaire rente. De
30
overige akkoorden die voortkomen uit de regeringsonderhandelingen hebben een minimale impact
op het budgettaire beleid gevoerd door de regering Di Rupo.
Om de zesde staatshervorming mogelijk te maken, was er een tweederde meerderheid nodig in de
kamer van volksvertegenwoordigers. Deze meerderheid werd bereikt (106 op 150 zetels) dankzij de
grote steun binnen de franstalige partijen (58 op 62 zetels). Om een tweederde meerderheid te
vinden, werden er meer partijen betrokken bij de onderhandelingen en in de regering dan strikt
noodzakelijk was. Hoe meer partijen, hoe meer opinies en doelstellingen. De daaruit voortvloeiende
compromissen verhinderen een duidelijk beleid. Dit heeft rechtstreeks invloed gehad op de duur van
de regeringsonderhandelingen en onrechtstreeks op het beleid van de regering.
3.1.1.1
Het vlinderakkoord (8 oktober 2011)
Het vlinderakkoord bevat verschillende deelakkoorden die de zesde staatshervorming mogelijk
maken. Het akkoord bestond grofweg uit vier verschillende delen: de splitsing van het
kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (hierna: BHV), een politieke vernieuwing, een
overdracht van bevoegdheden en de herziening van de financieringswet. Het akkoord omtrent BHV
is een puur communautair akkoord met minimale impact op het budgettaire beleid van de federale
regering. De politieke vernieuwing vastgelegd in het vlinderakkoord is eveneens minder relevant
voor deze thesis.
De overdracht van bevoegdheden, ten belope van 17 miljard euro, bestond uit belangrijke
verschuivingen van bevoegdheden in budgetten en werktuigen naar de deelstaten (Joos, 2011). Een
overdracht van bevoegdheden vond ondermeer plaats inzake de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg,
justitie, mobiliteit, verkeersveiligheid en het economische en industrieel beleid. Een directe impact
op het budgettaire beleid heeft deze overdracht niet gehad. Het zwaartepunt van de beslissingsmacht
schoof wel op richting de deelstaten waardoor de federale regering minder vat kreeg op bepaalde
budgettaire beslissingen. De deelstaatregeringen stellen namelijk hun eigen begroting op zonder de
tussenkomst van de federale regering. Ondanks deze verschuiving blijft de federale regering
verantwoordelijk voor de gezamelijke begroting.
De herziening van de financieringswet was voornamelijk een eis van de Nederlandstalige partijen
aan de onderhandelingstafel. Zij wilden deze wijziging koppelen aan de herfinanciering van het
Brussel Hoofdstedelijk Gewest terwijl de Franstalige partijen hier niet voor te vinden waren. De
doelstelling van de bijzondere financieringswet was tweedelig. Enerzijds werd er een uitbreiding van
de financiële autonomie voor de deelstaten voorzien door een verhoging van de ontvangsten,
anderzijds kregen de deelstaten ook meer verantwoordelijkheden. Deze doelstellingen moeten
gerealiseerd worden met behoud van solidariteit en met een waarborg op lange termijn van de
leefbaarheid van de federale overheid (Joos, 2011). De fiscale autonomie van de gewesten bedroeg
uiteindelijk 11 miljard. Niet alleen de autonomie maar ook de de financiering van de gewesten
wijzigde. De federale dotatie verdween, maar in ruil verminderde de federale staat zijn fiscaliteit op
de inkomsten met een kwart en kregen de gewesten het recht om belastingen te innen (Joos, 2011).
Deze maatregelen gaven de gewesten het beheer over een balangrijk deel van hun inkomsten en
gunt hen in toenemende mate autonomie. Tevens werd er een solidariteitsmechanisme tussen de
gewesten ingesteld om de begrotingsverliezen van het Brussel Hoofdstelijk Gewest en het Waals
Gewest ten gevolge van de nieuwe financieringswet te compenseren. Na 10 jaar zal dit systeem
echter uitdoven in de daaropvolgende 10 jaar. Verder kregen de gewesten enkele nieuwe
verantwoordelijkheden toegewezen aan de hand van een responsabiliseringsmechanisme. Zo een
mechanisme beloont de deelstaat die inspanningen levert en corrigeert de deelstaat die te weinig
inspanningen levert. Dit mechanisme werd ingesteld voor tewerkstelling, klimaat en pensioenen. Ten
slotte omvatte de nieuwe financieringswet drie algemene principes: federale loyauteit, progressiviteit
en belangenconflict (Joos, 2011).
De uiteindelijke doelstelling van de zesde staatshervorming, zoals opgenomen in het regeerakkoord,
is het slagkrachtiger maken van de structuren van het land om belangrijke sociaal-economische
uitdagingen (zoals de vergrijzing) aan te gaan (Europese Commissie, 2012).
31
3.1.1.2
Het akkoord omtrent de nuclaire rente (14 november 2011)
De nucleaire rente is een belasting op de winsten op afgeschreven kerncentrales in België. De
eigenaars (voornamelijk Electrabel) mogen de centrales in ruil langer uitbaten. De wet op de
kernuitstap voorzag immers een sluiting van de kerncentrales Doel I & II en Tihange I in 2015. Deze
nucleaire rente wordt vastgelegd door de federale regering, bijgestaan door de Commissie voor de
Regulering van de Electriciteit en het Gas (CREG), op basis van de gerealiseerde winsten. De winsten
vormen echter een groot discussiepunt tussen de CREG en Electrabel. De formule die gebruikt wordt
om de winst te berekenen is: nucleaire rente = (verkoopprijs – productiekosten) x hoeveelheid
geproduceerd door de kerncentrales. De CREG schatte dat de totale inframarginale rente voor 2007
schommelde tussen 1,746 miljard en 2,283 miljard euro, terwijl Electrabel dit schatte op 0,738
miljard euro (Nationale Bank van België, 2011). Dit grote verschil in de ramingen komt voort uit de
verschillende inschattingen van de productieprijs (Commissie voor Regulering van de Elektriciteit en
het Gas, 2011).
Uiteindelijk kwamen de onderhandelaars overeen om de nucleaire rente vast te leggen op 550
miljoen euro, wat een verhoging was van 300 miljoen euro ten opzichte van het voorgaande jaar.
Eerder waren de onderhandelaars evenwel overeen gekomen dat de oudste kerncentrales nog steeds
moeten sluiten in 2015 en dat de kernuitstap dus behouden werd. Deze kernuitstap werd echter aan
een uitrustingsplan gekoppeld om de bevoorradingszekerheid te garanderen. Er moest dus voldoende
vervangende productie voorhanden zijn voordat een kerncentrale gesloten wordt. Deze nucleaire
rente van 550 miljoen euro levert een bonus op voor de begroting.
3.1.1.3
De meerjarenbegroting (26 november 2011)
Op 26 november 2011 werd een akkoord gesloten tussen de onderhandelende partijen omtrent de
meerjarenbegroting (2012 – 2014). In een meerjarenbegroting kijkt een regering naar de verwachte
inkomsten en uitgaven voor de komende regeerperiode (meestal 4 jaar). De meerjarenbegroting
omvat eveneens de visie en de rode lijn van het beleid dat de regering wilt voeren tijdens haar
regeerperiode. De jaarlijkse begroting wordt vaak gebaseerd op deze meerjarenbegroting, maar de
meerjarenbegroting is geen regelgeving en kan dus nog aangepast worden aan wijzigende factoren.
Drie essentiële punten werden aangepakt in de meerjarenbegroting: de publieke schuld, de algemene
financiële toestand en de hervorming van de arbeidsmarkt. Hierin waren de verplichtingen van België
ten aanzien van de Europese Unie duidelijk herkenbaar. De vooropgestelde maatregelen moesten
het begrotingstekort in 2012 terugdringen tot 2.8% van het bbp en in 2015 moet de begroting in
evenwicht zijn. Volgens het akkoord zou het terugdringen van het tekort in 2012 gerealiseerd worden
met 42% besparingen, 34% nieuwe inkomsten en 24% diversen. In 2013 zouden vervolgens de
besparingen opgedreven worden en de inkomsten uit belastingen dalen. Ten slotte werd voorzien
dat ten gevolge van structurele maatregelen de uitgaven in de jaren na 2013 zouden blijven dalen.
Om deze structurele besparingen te realiseren werd er een akkoord bereikt over de hervorming van
het pensioenstelsel en zou er tevens bespaard worden bij de overheidinstellingen (‘een jacht op
verspilling’) en in de gezondheidszorg. Hierbij benadrukten de onderhandelaars dat deze besparingen
geen impact zouden hebben op de kwaliteit van de overheidsdiensten of de gezondheidszorg. Een
uitgebreidere bespreking van de effectief genomen maatregelen door de regering Di Rupo zal later
in deze thesis aan bod komen samen met een analyse van de invloed van deze maatregelen op de
Belgische economie.
3.1.2
Beleidsdoelstellingen per politieke partij
Een politieke partij die aan regeringsonderhandelingen deelneemt of deel uitmaakt van een regering
zal steeds proberen om zoveel mogelijk haar visie en standpunten te implementeren. Elke partij
probeert haar stempel te drukken op een akkoord of een beleid. Daarom is het interessant om de
verschillende partijprogrammapunten voor de verkiezingen van 2010 onder de loep te nemen. Hieruit
kan men de initiële doelstellingen van elke politieke partij afleiden. Indien er binnen eenzelfde
regering veel tegenstellingen zijn tussen de partijen onderling, bemoeilijkt dit het regeringsbeleid en
moeten er meerdere compromissen gesloten worden. Dit hypothekeert een beleid met een duidelijke
visie.
32
In dit onderdeel worden kort de verschillende standpunten van de partijen besproken over de
budgettaire positie van de regering in 2011 en de volgens de partijen noodzakelijke maatregelen. In
het algemeen kunnen we de partijen opsplitsen in de socialistische partijen (PS en sp.a), de liberale
partijen (MR en Open Vld) en de centrumpartijen (CD&V en cdh) (von Busekist, 2013).
De voornaamste prioriteit van de socialistische partijen (PS en sp.a) is de sociale welvaart van het
land. Om de sociale welvaart te vrijwaren hebben socialistische partijen in hun partijstandpunten
voornamelijk de neiging om de overheidsuitgaven te verhogen. Verder geloven ze dat de economie
het beste gestimuleerd kan worden via extra investeringen in ondermeer werkgelegenheid,
onderzoek en ontwikkeling, onderwijs en de gezondheidszorg. We vinden deze visie duidelijk terug
in het verkiezingsprogramma van de sp.a in 2010. De rode draad van dit verkiezingsprogramma was
‘We moeten weer vooruit’ (sp.a, 2010). Zo wilde de sp.a de werkgelegenheid en de koopkracht
bevorderen door de lasten op arbeid te verlagen ten belope van in totaal 1% van het BNP (sp.a,
2010). Dit wilden ze bereiken door de inkomens uit vermogen evenzeer te laten bijdragen als de
vermogens uit arbeid. Concreet wilden ze dus een vermogenswinstbelasting invoeren (sp.a, 2010).
Deze investeringen zouden opgegevangen worden door een verhoging van de belastingsinkomsten.
Liefst door middel van progressieve belastingen, aangezien dit soort belastingen de sterkste
schouders in de economie zwaarder belast.
Men mag echter niet vergeten dat hogere belastingen kunnen leiden tot een Ricardiaans effect,
waarbij de overheidsinvesteringen niet tot het gewenste effect zal leiden. In extreme gevallen zou
er een non-Keynesiaans effect kunnen optreden, waardoor extra uitgaven zullen leiden tot minder
groei vanwege een reeks negatieve effecten met betrekking tot vertrouwen (Giavazzi, Jappelli, &
Pagano, 2000). Ten slotte moeten we vermelden dat het programma van de socialistische partijen
niet expliciet een begroting in evenwicht (of overschot) vermeld, zoals aangeraden door de Europese
Commissie.
Deze ambitie vinden we wel terug in het programma van de liberale partijen (MR en Open Vld). De
liberale partijen streven voornamelijk naar een begroting in overschot, een competitieve economie
en een hogere tewerkstellingsgraad (Open Vld, 2010). Hierbij verliezen ze sociale onderwerpen zoals
armoede, pensioenen en veiligheid niet uit het oog, maar in tegenstelling tot de socialistische partijen
vormen deze niet hun primaire doelstellingen. De visie en aanpak verschilt ook duidelijk van deze
van de socialistische partijen. De liberale partijen wilden bezuinigen op de overheidsuitgaven en werking om zo de begroting tegen 2015 in evenwicht te krijgen. Tegelijk wilden ze cruciale
belastingverlagingen doorvoeren, zoals de verlaging van de administratieve lasten, om zo de
economie meer zuurstof te geven. Open Vld en MR zijn ervan overtuigd dat de economie het beste
gestimuleerd kan worden door het ondersteunen van de ondernemingen in België. Verder streefden
de liberale partijen, net zoals de socialistische partijen, voor een lastenverlaging op arbeid. De
invulling van deze lastenverlaging was echter verschillend. Daar waar de SP.A een
vermogenswinstebelasting wilde in voeren ter compensatie van de lagere arbeidslasten wilde Open
Vld de belastingen op vervuiling en verbruik verhogen en beter uitwerken.
Ten slotte moeten we hier ook vermelden dat besparen op het moment dat een economie zich in een
recessie bevindt evenzeer nefaste gevolgen kan hebben voor de economische groei. Dit legt het
economische debat tussen ‘austerity’ en ‘spending’ helemaal bloot. De centrale elementen in dit
debat zijn de economische groei en de overheidsschuld. Dit debat wordt uitvoerig besproken in de
masterproef van Evelien Sierens waaruit we het volgende kunnen concluderen (Sierens, 2013). Het
‘austerity’-kamp wilt tijdens een economische recessie eerst de overheidsschuld reduceren door te
besparen. De gereduceerde overheidsschuld kan vervolgens economische groei creëren wanneer er
voldoende vertrouwen is in het vooropgestelde herstelprogramma (Sierens, 2013). Het ‘spending’kamp wilt net het tegenovergestelde doen: eerst de economische groei aanzwengelen en vervolgens,
wanneer de economie terug op volle toeren draait, een schudenreductieplan doorvoeren (Sierens,
2013). Het is duidelijk dat de progessieve partijen tot het ‘spending’-kamp behoren en de liberale
partijen tot het ‘austerity’-kamp.
33
De centrale partijen (cdh en CD&V) zoeken eerder een middenweg tussen beide kampen. In de
verkiezingsprogramma’s van de centrale partijen wordt er aandacht gegeven aan de economische
crisis alsook aan de sociale uitdagingen binnen België. In het partijprogramma van CD&V wordt
duidelijk verwezen naar een begroting in evenwicht tegen 2015. Dit wilde de CD&V bereiken door
structurele maatregelen te nemen, gespreid over alle groepen en generaties binnen de samenleving
en volgens het principe dat de sterkste schouders het zwaarste dragen (Christen-Democratisch en
Vlaams, 2010). Tegelijk wilde de CD&V onder meer de koopkracht van de gezinnen vrijwaren en de
armoede in België terugdringen, het pensioenstelsel hervormen, de staatshervorming doorvoeren en
fraude beter aanpakken.
We kunnen concluderen dat de regerinspartijen het eens zijn over verschillende onderwerpen. Alle
partijen wensen ondermeer een betere aanpak van de fraude, een vermindering van de
arbeidslasten, een hervorming van het pensioenstelsel en een verhoging van de tewerkstelling. Eén
van de belangrijkste strijdpunten betrof de stimulering van de Belgische economie, waarvoor het
austerity versus spending debat de onderliggende basistegenstelling vormt.
3.1.3
Bevoegdheidsverdeling van de federale regeringsleden
Tijdens de onderhandelingen vielen er verschillende partijen af, waaronder de N-VA, Groen en Ecolo.
Hierbij dienen we ook te vermelden dat tijdens de regeringsonderhandelingen het FDF zich afesplitst
heeft van de MR uit onvrede over het BHV-akkoord. Daarom heeft de MR in de taartgrafiek (figuur
26) 18 zetels, maar bij de regeringsvorming slechts 16 zetels. Toch waren deze partijen niet
onbelangrijk voor het regeringsbeleid. Gedurende de onderhandelingen werden reeds
principeakkoorden afgesloten die later door de onderhandelende partijen gerespecteerd werden. Een
voorbeeld hiervan is de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde waarover samen met Groen en Ecolo
een akkoord bereikt werd. Op 13 oktober 2011 werden Groen en Ecolo bedankt voor hun inzet en
besliste de regering Di Rupo zonder hen verder te onderhandelen. Tijdens de regeerperiode werd de
splitsing van BHV wel uitgevoerd met de steun van Groen en Ecolo.
Di Rupo stelde een regering samen met daarin de volgende partijen: PS, Sp.a, CDH, CD&V, MR en
Open VLD. Dit leverde een meerderheid van 94/150 zetels op, wat nog ruimte liet voor stevige
oppositie.
Ministers
Premier
Vicepremier en minister van financiën en duurzame ontwikkeling,
belast met ambtenarenzaken
Vicepremier en minister van buitenlandse zaken, buitenlandse
handel en Europese zaken
Vicepremier en minister van economie, consumentenzaken en
noordzee
Vicepremier en minister van pensioenen
Vicepremier en minister van binnenlandse zaken
Vicepremier en minister van sociale zaken en volksgezondheid,
belast met belirirs en de federale Culturele instellingen
Minister van middenstand, KMO’s, zelfstandigen en landbouw
Minister van landsverdediging
Miniser
van
overheidsbedrijven,
wetenschapsbeleid
en
ontwikkelingssamenwerking, beslast met grote steden
Minister van justitie
Minister van begroting en administratieve vereenvoudiging
Minister van werk
34
Elio Di Rupo
Steven Vanackere
Didier Reynders
Johan Vande
Lanotte
Vincent Van
Quickenborne
Joëlle Milquet
Laurette Onkelinx
Sabine Laruelle
Pieter de Crem
Paul Magnette
Annemie
Turtelboom
Olivier Chastel
Monica
De
Coninck
PS
CD&V
MR
sp.a
Open Vld
cdH
PS
MR
CD&V
PS
Open VLD
MR
sp.a
Staatssecretaris
Staatssecretaris voor leefmilieu, energie, mobiliteit en
staatshervorming
Staatssecretaris voor sociale zaken, gezinnen en personen met
een handicap, belast met beroepsrisico’s
Staatssecretaris voor staatshervorming en regie der gebouwen
Staatssecretaris voor Asiel, immigratie en maatschappelijke
integratie
Staatssecretaris voor ambtenarenzaken en modernisering van de
openbare diensten
Staatssecretaris voor de bestrijding van de sociale en de fiscale
fraude
Melchior Wathelet
Philippe Courard
Servais
Vanherstraeten
Maggie De Block
Hendrik Bogaert
John Crombez
cdH
PS
CD&V
Open Vld
CD&V
sp.a
Tabel 3-1: Bevoegdheidsverdeling van de federale regeringsleden
De grote lijnen van het regeringsbeleid worden reeds vastgelegd in het regeerakkoord. Tijdens de
regeerperiode zullen ministers en staatssecretarissen invulling geven aan de afgesproken
beleidslijnen binnen hun bevoegdheid. Dit gebeurt aan de hand van beleidsnota’s, opgesteld door de
ministers, die voorgelegd worden aan het federale parlement. ’Na goedkeuring door het federale
parlement gaan deze van kracht binnen België. De verdeling van de posten is daarom steeds een
belangrijk moment in de vorming van de regering. De minister of staatssecretaris kan zijn beleid vrij
uitvoeren in zoverre dat het binnen de krijtlijnen van het regeerakkoord blijft. Zo kunnen politieke
partijen hun eigen stempel op het regeringsbeleid drukken.
3.2 Algemene beleidslijnen regering
Het regeerakkoord van de regering Di Rupo omvatte uiteindelijk drie grote krachtlijnen: een
staatshervorming, sociaal-economische hervormingen en een sanering van de overheidsfinanciën
(Europese Commissie, 2012). De staatshervorming werd in ‘1) De samenstelling van de regering’
reeds besproken. De structurele hervormingen in het regeerakkoord hebben onder meer betrekking
op een aanpassing van de werkloosheidsreglementering, het optrekken van de minimumleeftijd voor
vevroegd pensioen en het betaalbaar houden van de gezondheidszorgen (Europese Commissie,
2012). Eind 2009 werd een procedure bij buitensporige tekorten opgestart tegen België. Daarbij
werd de Belgische overheid door de Raad van de Europese Unie om ten laatste in 2012 te voldoen
aan de voorwaarden om de buitensporige tekortenprocedure stop te zetten. Om dit te realiseren was
een sanering van de overheidsfinanciën noodzakelijk. De regering nam zich voor om het tekort in
2012 terug te brengen tot 2,8% van het bbp en om in 2015 een nominaal evenwicht te bereiken.
Met deze doelstellingen poogde de regering om een einde te maken aan de buitensporige
tekortenprocedure in 2012. Ten slotte heeft de federale regering het versterken van de
competitiviteit tot een hoofddoelstelling gemaakt (Europese Commissie, 2012). Er werd in overleg
met de sociale partners een interfederaal actieplan opgesteld overheen 6 assen:
1)
2)
3)
4)
5)
6)
het
het
het
het
het
het
ondersteunen van de bedrijven en hun ontwikkeling
garanderen van een ambitieus concurrentiebeleid
versterken van onderzoek en ontwikkeling en de omslag naar innovatie
ondersteunen van de omslag naar een duurzame economie, en
bevorderen van een gunstig klimaat voor ondernemerschap.
bevorderen van kwaliteitsvolle en duurzame jobs
De beleidslijnen van de regering Di Rupo zullen verder besproken worden in het onderdeel
‘beleidsmaatregelen genomen door de regering Di Rupo’.
35
4 Theoretische kader
Het is ondertussen duidelijk dat het budgettaire beleid van Elio Di Rupo af te rekenen had met grote
economische, Europese en politieke uitdagingen. De grote vraag is echter hoe effectief dit budgettaire
beleid geweest is in het licht van de toenmalige zware economische recessie. Binnen de economische
literatuur bestaat er tot op vandaag nog steeds geen eenduidig antwoord over hoe effectief de
budgettaire politiek is in het bestrijden van een recessie of het afremmen van een overexpansie. In
het theoretische kader worden eerst de basiselementen van het budgettaire beleid en de budgettaire
multiplicator toegelicht. De belangrijkste theoretische en empirische modellen in de literatuur voor
het opstellen van een multiplicator krijgen daarbij aandacht. Ten slotte wordt het, in deze thesis,
geprefereerde model onderbouwd en verder toegelicht.
4.1 Budgettaire politiek
De budgettaire politiek kent twee grote instrumenten waarmee een restricitief of een expansief beleid
gevoerd
kan
worden:
belastingen
(inkomsten)
en
overheidsbestedingen
(uitgaven).
Overheidsbestedingen vormen een rechtstreeks onderdeel van de aggregatieve vraag 1 en hebben
dus een rechtstreekse invloed op de bestedingen in de economie. Belastingen daarentegen kennen
een onrechtstreekse invloed op de aggregatieve vraag via het beschikbare inkomen en de consumptie
van gezinnen.
Bij een restricitief beleid zal de overheid de belastingen verhogen en/of de overheidsbestedingen
terugschroeven om zo een overexpansie te voorkomen, doordat deze maatregelen de aggregatieve
vraag in de economie verminderen. Een expansief beleid houdt in dat de overheid de belastingen zal
verlagen en/of de overheidsbestedingen zal verhogen wat leidt tot een verhoogde aggregatieve
vraag, productie en werkgelegenheid. Veel economen stelden zich hierom vragen bij het
besparingsbeleid (een restrictief beleid) gevoerd door de Europese lidstaten in de nasleep van de
economische crisis en de soevereine schuldencisis. Dit resulteerde in het austerity versus spending
debat dat hierboven reeds besproken werd in het politieke kader. We kunnen echter concluderen dat
de budgettaire politiek in theorie in staat is om de aggregatieve vraag en de productie te stabiliseren
(Poeck & Gompel, 2013). Op korte termijn is het evenwel interessanter om het monetaire beleid aan
te wenden als economische stabilisator. Rentebeslissingen kunnen door de centrale bank snel
doorgevoerd worden, terwijl het budgettair beleid vaak politieke besluitvorming vereist.
Daarenboven stellen we ook een verschil in besluitvorming vast bij belastingen en
overheidsbestedingen. Overheidsbestedingen over meerdere jaren (vb. aankoop van 40 nieuwe
gevechtsvliegtuigen) kunnen moeilijk gemanipuleerd worden om kortetermijndoelstellingen te halen.
Belastingen daarentegen kunnen in de praktijk makkelijker gewijzigd worden en zijn daarom een
vaak gebruikt budgettair stabilisatie-instrument.
De effectiviteit van het budgettaire beleid is in de praktijk echter geringer dan wat op basis van
eenvoudige economische modellen gesuggereerd wordt (Poeck & Gompel, 2013). Zowel positieve als
negatieve effecten van een budgettaire politiek op de aggregatieve vraag zijn niet verzekerd. Bij een
expansief budgettair beleid vormen voornamelijk verdringingseffecten een bedreiging voor de
effectiviteit van het beleid. Verdringing treedt op wanneer overheidsbestedingen private bestedingen
uit de markt duwen, waardoor het beoogde effect van het budgettaire beleid teniet gedaan wordt of
in extreme gevallen zelfs een negatief effect teweeg brengt. In het boek ‘Economische politiek’, van
André Van Poeck en Johan Van Gompel worden vier verschillende verdringinsmechanismen
aangehaald:et kapitaalmarkteffect, het wisselkoerseffect, het vermogenseffect en het barrospaareffect.
1
Aggregatieve vraag = de totale samengestelde vraag binnen een economie.
36
Het kapitaalmarkteffect doet zich voor wanneer een overheid haar overheidsbestedingen verhoogt
zonder hiervoor een compenserende belastingsverhoging of uitgavevermindering door te voeren. De
verhoogde overheidsbestedingen zullen dan gefinancierd worden via de kapitaalmarkt door het
uitgeven van obligaties of het ontlenen bij de banken. Indien de overheid een substantieel beroep
doet op de kapitaalmarkt, kan dit leiden tot hogere rentevoeten in de binnenlandse economie,
aangezien de overheid geld onttrekt aan de kapitaalmarkt. Daardoor wordt het geldaanbod
‘schaarser’ en dus duurder. Hierdoor zullen andere rentegevoelige bestedingen zoals
bedrijfsinvesteringen of woningbouw in het gedrang komen waardoor het uiteindelijke effect van het
expansieve beleid teniet gedaan kan worden.
Het wisselkoerseffect is niet van toepassing op de Belgische economie aangezien België onder een
vaste wisselkoers opereert. Toch is het interessant om te weten dat een budgettair beleid in principe
aan kracht wint onder vaste wisselkoersen. De hierboven vermelde stijging van de rentevoeten als
gevolg van het kapitaalmarkteffect maakt de binnenlandse beleggingen interessanter voor
buitenlandse beleggers. Onder een systeem van vlottende wisselkoersen zou deze kapitaalinvoer een
appreciatie van de binnenlandse munt teweegbrengen, maar België opereert onder vaste
wisselkoersen. De appreciatie van de munt vindt dus niet plaats en de buitenlandse kapitaalinvoer
verhoogt gewoon de binnenlandse geldhoeveelheid. Deze verhoging is een monetaire stimulans voor
het expansieve budgettaire beleid.
Het vermogenseffect ontstaat wanneer de overheidsbestedingen gefinancierd worden door de
verkoop van overheidsobligaties aan het publiek. Deze verkoop doet het vermogen van de private
sector toenemen terwijl de geldhoeveelheid ongewijzigd blijft aangezien de opbrengst van deze
verkoop aangewend zal worden voor bestedingen. Wijzigingen in het private vermogen zullen invloed
uitoefenen op de private bestedingen en op de vraag naar geld. In principe kunnen
vermogenseffecten het expansieve beleid zowel versterken of verzwakken. De vermogenstoename
kan leiden tot extra consumptie, maar zal ook een grotere vraag naar liquiditeiten genereren.
Het Barro-spaareffect of het Ricardiaanse equivalentietheorema gaat ervan uit dat economische
agenten volledig rationeel handelen. Dit effect spreekt de redenering van het vermogenseffect tegen
en stelt dat met leningen gefinancierde overheidsuitgaven het vermogen van het publiek niet
verhogen (Poeck & Gompel, 2013). Bij een schuldgefinancierde toename van de
overheidsbestedingen zullen de economische agenten anticiperen op de toekomstige belastingen die
nodig zijn om de rentelasten en de terugbetaling van de overheidsschuld te financieren. Deze
verdiscontering van toekomstige belastingen zal leiden tot een lagere consumptie en een hoger
sparen (Barro, 1974). Op deze manier kunnen de effecten van een expansief budgettair beleid
volledig teniet gedaan worden door de verminderde consumptie van gezinnen. In de realiteit stellen
we echter vast dat er pas Ricardiaanse effecten zullen ontstaan wanneer de schuldratio een kritisch
niveau overschrijdt. De effectiviteit van het budgettaire beleid is dus niet onafhankelijk van de
schuldgraad van de overheid (Poeck & Gompel, 2013).
Een restrictief budgettair beleid kan eveneens onverwachte effecten opleveren. Bij een budgettaire
sanering kunnen de negatieve effecten achterwege blijven of kunnen er zelfs positieve effecten
optreden (Poeck & Gompel, 2013). Wanneer zulke onverwacht positieve (expansieve) gevolgen
optreden, noemen we dit een expansionary fiscal contraction. Door de overheidsbesparingen neemt
de verwachte toekomstige fiscale druk af en neemt het consumenten- en producentenvertrouwen
toe. Consumenten zouden minder sparen en meer consumeren, waardoor producenten meer
produceren en investeren. Daardoor zal het restrictieve beleid expansieve gevolgen hebben (Bertola
& Drazen, 1993). In de praktijk probeert men de onzekerheid omtrent de effecten van het
budgettaire beleid te bepalen aan de hand van budgettaire multiplicatoren. Deze budgettaire
multiplicatoren staan hieronder uitgebreid beschreven.
37
4.2 Budgettaire multiplicator
Een budgettaire multiplicator poogt het effect van een budgettaire impuls op de economische
activiteit en werkloosheid weer te geven. Concreet meet een multiplicator de verandering van de
economische activiteit of werkloosheid ten gevolge van budgettaire maatregelen. Ondanks het grote
aantal studies die werelwijd uitgevoerd werden omtrent multiplicatoren blijft de grootteorde van de
multiplicatoren moeilijk te vatten. In de praktijk heeft een budgettaire multiplicator namelijk te
maken met enkele meetproblemen die de grootteorde onzeker maken. Een eerste meetprobleem is
dat het causale verband tussen economische groei en de overheidsfinanciën in twee richtingen loopt
(Poeck & Gompel, 2013). Ten tweede bestaan er verschillende multiplicatoren afhankelijk van de
aard van de budgettaire ingreep. Bovendien bestaan er verschillende methoden om deze
multiplicatoren te berekenen, waarbij elke methode zijn voor- en nadelen heeft. Het is zeer belangrijk
dat we er ons bewust van zijn dat tot op vandaag de perfecte schatter van de multiplicator nog
steeds niet gevonden is. Dit is trouwens onmogelijk aangezien de realiteit nooit verloopt volgens
exacte mathematische modellen. Ten slotte kunnen begrotingsmaatregelen ook vertraagde,
dynamische effecten hebben op de economische activiteit (Poeck & Gompel, 2013). Een maatregel
kan dus effect hebben overheen verschillende perioden, maar het is moeilijk om te schatten hoeveel
perioden dit effect zal beslagen. Om deze meetproblemen en andere kritieken op te vangen maken
economen vaak gebruik van de VAR- of DSGE- modellen. De Vector Autoregressieve Modellen (VAR)
laten toe om de effecten van autonome (exogene) wijzigingen in een variabele te identificeren die
los staan van allerlei endogene reacties. Het Dynamische Stochastische Algemene Evenwichtsmodel
(DSGE) is een andere veelgebruikte methode die het geheel van vele micro-economische
beslissingen analyseert. Beide modellen onderscheiden zich van de traditionele modellen doordat ze
gebaseerd zijn op micro-economische grondslagen.
In dit onderdeel wordt eerst het begrip budgettaire multiplicator uitgewerkt, waarna de belangrijkste
theoretische en empirische methodes om de multiplicator te schatten besproken worden. Hierbij zal
de gehanteerde methode om de budgettaire multiplicator in deze thesis te berekenen, onderbouwd
en beargumenteerd worden. Ten slotte komt ook de berekening van debudgettaire multiplicatoren
die nodig zijn voor het analyseren van het beleid van de regering Di Rupo ter sprake.
4.2.1
Begrip budgettaire multiplicator
Een budgettaire multiplicator is de ratio van een verandering in de output (DY) ten gevolge van een
exogene verandering in het budgettaire beleid (DG) (Spilimbergo, Symansky, & Schindler, 2009).
Volgens de auteurs worden er een aantal multiplicatoren gebruikt afhankelijk van de beschouwde
tijdsperiode.
ï‚·
ï‚·
ï‚·
De impact multiplicator: geeft het effect van een impuls in het budgettaire beleid op de
output weer op het ogenblik dat de impuls zich voordoet.
De topmultiplicator: maakt gebruik van een tijdsinterval N, in plaats van een
momentopname, waarbij de hoogste waarde binnen deze tijdsinterval de topmultiplicator is.
De cumulatieve multiplicator: geeft de cumulatieve verandering in de output weer als respons
op een impuls in het budgettaire beleid overheen tijdshorizon N.
Wanneer bovenstaande methoden gebruikt worden om de multiplicator te schatten, moet men zeker
aandacht hebben voor de tijdshorizon van de meting en van de multiplicator. Het is belangrijk dat
de tijdsperiode waarin de verandering in het budgettaire beleid gemeten wordt overeen komt met
de tijdsperiode waarin de verandering van de output gemeten wordt, anders heeft de multiplicator
geen betekenis. Een vaak voorkomend probleem is dat budgettaire maatregelen en de effecten
hiervan vaak met vertraging in werking treden waardoor deze tijdsperiodes niet overeenkomen.
Vanwege deze vertragingen geloven de nieuw-Keynesiaanse economen dat het budgettaire beleid
niet geschikt is om recessies te bestrijden (Ramey, 2011). Om de impact van een budgettaire impuls
overheen een langere periode te meten wordt daarom aangeraden om de cumulatieve multiplicator
te hanteren, aangezien deze de gehele tijdsperiode in acht neemt (Kara & Sin, 2012).
38
Bij de berekening van een multiplicator is voornamelijk de grootteorde of de waarde ervan van
belang. De waarde van de multiplicator is de verandering van het bbp wanneer er een budgettaire
impuls gegeven wordt ten belope van één procent. Indien de multiplicator groter is dan 1, zal een
impuls in het budgettaire beleid een positief effect hebben op de output. Indien de multiplicator
kleiner is dan 1, zal de output minder sterk stijgen dan de budgettaire impuls. Ten slotte kan een
multiplicator ook een negatieve waarde aannemen. In dit geval zal een stimulerende impuls in het
budgettaire beleid een negatief effect hebben op de output. Een negatieve multiplicator komt vaak
voor wanneer een budgettaire expansie leidt tot een daling in het consumenten- en
investeerdersvertrouwen (Spilimbergo, Symansky, & Schindler, 2009). Hieruit leiden we af dat
wanneer de grootteorde van een budgettaire multiplicator klein is, een impuls in het budgettaire
beleid nagenoeg geen effect heeft op de output. Recent werden er twee studies gedaan naar de
budgettaire multiplicator voor België. De studie van Bas Van Aarle en Joep Konings deed onderzoek
naar het effect van overheidsuitgaven op het bbp in België (Van Aarle & Konings, 2011). Concreet
onderzochtten ze de impact van een structurele vermindering van de overheidsuitgaven in België op
de economische activiteit. Tine Timco onderzocht in 2014, naar aanleiding van de nationale
verkiezingen, of de voorgestelde budgettaire maatregelen door de verschillende partijen antieconomisch van aard waren of niet (Timco, 2014). Beide onderzoeken maakten gebruik van een
budgettaire multiplicator, maar hun conclusies waren zeer verschillend. Van Aarle en Konings
besloten dat een budgettaire consolidatie in België weinig of geen effect zal hebben op de
economische groei, aangezien hun berekende multiplicator niet significant verschillend van 0 was.
De Belgische economie zou voornamelijk afhankelijk zijn van de groei in haar afzetmarkten en moet
daarom voornamelijk inzetten op haar concurrentiepositie en de reductie van haar overheidsbeslag
(Van Aarle & Konings, 2011). Het onderzoek van Tine Timco kwam tot het besluit dat een schok op
de overheidsgaven weldegelijk een negatief effect heeft op het bbp. Deze controverse is interessant
voor de analyse van het budgettaire beleid gevoerd door Di Rupo.
De overheid kan echter maatregelen nemen om de effectiviteit van haar budgettaire beleid te
verhogen. Volgens de auteurs Spilimbergo, Symansky en Schindler zal de waarde van een
multiplicator groter zijn indien er weinig lekken zijn in de economie, de monetaire omstandigheden
optimaal zijn en de budgettaire positie van het land in kwestie stabiel is (Spilimbergo, Symansky, &
Schindler, 2009).
Aangezien België een kleine en open economie heeft, is het aantal lekken in de economie aanzienlijk.
Onder lekken verstaan we onder meer import, de grootte van de belastingen en de neiging van het
volk om te sparen. De grootte van deze macro-economische lekken zijn het meest bepalend voor de
grootte van de multiplicator: hoe groter de lekken, hoe kleiner de multiplicator en hoe minder
effectief het budgettaire beleid. Om de effectiviteit van het budgettaire beleid te verhogen, zou de
overheid deze lekken kunnen dichten. Het is dus in eerste instantie interessanter binnen de
budgettaire politiek om gebruik te maken van een verhoging van de overheidsuitgaven bij een
expansief beleid. Zoals hierboven reeds werd aangehaald werkt een verhoging van de uitgaven
rechtstreeks in op de aggregate vraag. Een belastingsverlaging werkt indirect in op de aggregate
vraag via een verhoging van het beschikbare inkomen. Hierbij kunnen individuen er echter voor
opteren om het extra inkomen te sparen in plaats van te consumeren, waardoor een stuk van de
budgettaire inspanning verloren gaat aan het spaarlek. Consumptie door huishoudens is een
belangrijke motor voor de binnenlandse economie.
Doordat België een kleine en open economie is met hoge loonkosten, is importeren (ofwel
consumeren in het buitenland) zeer aantrekkelijk voor de Belgische bevolking. Goedkopere
buitenlandse substituten zorgen ervoor dat er toegevoegde waarde naar het buitenland vloeit, weg
van onze economie. Door import te ontmoedigen bij de bevolking of door de internationale
concurrentiepositie te versterken, kan de import beperkt worden en zo het effect van het beleid
verhoogd worden. Aangezien België deel uitmaakt van de Europese vrijhandelszone, is het niet
mogelijk om de import te beperken via taksen of importquota. Daarom zou de overheid meer
aandacht moeten geven aan de Belgische concurrentiepositie om de import te beperken.
39
Daarenboven zou een sterke concurrentiepositie ervoor zorgen dat er toegevoegde waarde van het
buitenland naar de Belgische economie stroomt.
De monetaire omstandigheden zijn daarentegen wel ondersteunend voor het budgettaire beleid. De
multiplicator wordt namelijk groter, zelfs met een factor van 2 tot 3, wanneer de nominale
interestratio’s stabiel blijven na een budgettaire impuls (Spilimbergo, Symansky, & Schindler, 2009).
Sinds het monetaire beleid een Europese bevoegdheid geworden is, nam de stabiliteit van dit beleid
toe. Daarenboven blijkt uit recent onderzoek dat de modellen van het nieuw-Keynesiaans denken
verrassende resultaten bekomen wanneer de nul-ondergrens voor de nominale rente binnen het
monetaire beleid benaderd wordt. Het nieuw-Keynesiaans denken gaat er namelijk vanuit dat het
budgettaire beleid geen effect heeft op de economische activiteit en schat dat de budgettaire
multiplicator voornamelijk een waarde tussen 0,5 en 1 aanneemt (Kara & Sin, 2012). Toch werd er
vastgesteld dat wanneer de nominale interestratio gelijk is aan nul, de budgettaire implicator groter
wordt naarmate de overheidsuitgaven stijgen (Christiano, Eichenbaum, & Rebelo, 2010). De
nominale interestratio’s nemen enkel een waarde 0 aan wanneer de economie zich in een recessie
bevindt. We stellen dus vast dat een budgettair beleid aan kracht wint tijdens een recessie (Auerbach
& Gorodnichenko, 2010). Gedurende een recessie is het namelijk minder waarschijnlijk dat een
expansief budgettair beleid verdringingseffecten veroorzaakt. Daarenboven brengt sparen niets meer
op bij extreem lage interestvoeten waardoor, in theorie, het spaarlek zal afnemen in grootte.
Het budgettaire beleid bestaat uit twee onderdelen, het manipuleren van belastingen en het beheren
van overheidsuitgaven. Daarom gebruiken we hiervoor twee verschillende multiplicatoren, namelijk
de belastingsmultiplicator en de bestedingsmultiplicator. De belastingsmultiplicator meet de
verandering in de output als gevolg van een wijziging in de belastingen. De bestedingsmultiplicator
meet de verandering in de output als gevolg van een wijziging in de overheidsbestedingen.
Ondanks het talrijk aantal onderzoeken blijft de waarde die een budgettaire multiplicator aanneemt
een controversieel onderwerp. Uit recent onderzoek blijkt bovendien dat de budgettaire multiplicator
waar dat de meeste westerse landen mee werkten voor de crisis, sinds de crisis sterk onderschat is
(Blanchard & Leigh, 2013).
4.3 Theoretische modellen
4.3.1
Traditioneel Keynesiaans model
John Maynard Keynes vormde in 1930 de grondslagen van het budgettaire beleid. In de jaren dertig
kregen de economieën in de wereld te maken met een zware crisis en een daaropvolgende langdurige
recessie. Tijdens deze periode verklaarde Keynes dat de overheid haar overheidsbestedingen zou
moeten verhogen en haar belastingen verlagen om de economie te stimuleren (Nelson, 2006). Dit
was een revolutionair idee aangezien de toenmalige heersende opvatting inhield dat
overheidsinterventies tot een minimum beperkt moesten worden. De markeconomie zou zichzelf
herstellen en de overheid mocht hierbij enkel een ondersteunende rol spelen via haar monetaire
beleid. Keynes was er echter van overtuigd dat het monetaire beleid geen soelaas zou brengen voor
de economische recessie. Het monetaire beleid hangt voornamelijk af van het manipuleren van
interestratio’s. Lage interes ratio’s stimuleren immers de consumptie en investeringen, en
ontmoedigen sparen. Tijdens de economische crisis namen de interestratio’s al waarden aan dicht
bij 0. Daarom beschikte het monetaire beleid niet over voldoende slagkracht om de economische
activiteit te herstellen.
Deze redenering zouden we ook kunnen toepassen op de crisis van 2008, vanwege de gelijkaardige
economische toestand, een wereldwijde recessie die gepaard gaat met lage rentes. De hoeksteen
van het Keynesiaanse denken wordt gevormd door de redenering dat overheidsuitgaven en
belastingsverlagingen via een vermeerdering van de vraag en productie leiden tot hogere groei (en
omgekeerd) (Poeck & Gompel, 2013). Deze hoeksteen wordt ook wel het multiplicatoreffect
genoemd. De aanhangers van Keynes geloven dat het budgettaire beleid een zeer sterke impuls kan
zijn voor de economie net omwille van dit multiplicatoreffect. Dit effect, dat verkregen wordt door
de overheidsuitgaven te verhogen of de belastingen te verlagen, zal vermeningvuldigd worden door
40
bijkomende vraag naar goederen door de consumptie door huishoudens te stimuleren (Nelson,
2006). Dit rimpeleffect maakt het echter wel moeilijker om de multiplicator te berekenen omdat de
budgettaire impuls zowel een direct als een vertraagd effect kent. Bij de berekening van de
multiplicator wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de bestedingsmultiplicator en de
belastingsmultiplicator.
Overheidsbestedingen maken een direct bestanddeel uit van de aggregate vraag en zullen daarom
een direct effect hebben op de bestedingen in de economie. Onrechtstreeks verhoogt deze impuls in
de overheidsbestedingen de vraag van huishoudens naar goederen. De uiteindelijke impact van de
toename van de overheidsbestedingen zal weergegeven worden door de bestedingsmultiplicator en
zal afhangen van de ‘Marginal Propensity to Consume’ (MPC) (Nelson, 2006). Wanneer een
consument zijn beschikbaar vermogen ziet toenemen, kan hij deze toename in theorie op twee
manieren aanwenden. Enerzijds kan hij dit extra beschikbaar vermogen sparen, anderzijds kan hij
dit spenderen aan goederen en diensten. De MPC is het aandeel in de toename van het beschikbare
inkomen dat een consument zal uitgeven aan goederen en diensten in plaats van te sparen. De
bestedingsmultiplicator vormt dan de som van de consumptie van alle huishoudens. Algebraïsch ziet
dit er als volgt uit: 1/(1-mpc). Wanneer de mpc = 0.5, zal de impact van een toename van de
overheidsuitgaven met 1 euro gelijk zijn aan 2 euro bbp. Hieruit kunnen we dus afleiden dat de MPC
cruciaal is in deze analyse: hoe hoger de MPC, hoe sterker het effect van een verhoging in de
overheidsuitgaven (Nelson, 2006). Natuurlijk is dit de meest eenvoudige weergave van de
bestedingsmultiplicator. In de praktijk zal men rekening moeten houden met additionele factoren
zoals het weglekeffect. Deze lekken in de economie kunnen verschillende vormen aannemen, zoals
sparen en importeren, en zullen het multiplicatoreffect van de overheidsbestedingen verkleinen.
Hierboven werd reeds aangehaald dat een kleine open economie zoals de Belgische economie een
groot weglekeffect kent.
De overheid kan binnen een expansief budgettair beleid ook opteren voor een verlaging van de
belastingen. Deze vermindering beïnvloedt eveneens het beschikbare inkomen van de huishoudens,
maar heeft geen rechtstreekse invloed op de aggregate vraag zoals de bestedingen. Daarom zal een
verlaging van de belastingen een minder groot effect kennen dan een verhoging van de
overheidsbestedingen. Daarenboven mogen we niet vergeten dat een belastingverlaging een
negatieve aanpassing is van de belastingen. De belastingsmultiplicator zal er als volgt uitzien: (1/(1mpc))-1 of (mpc/(1-mpc)) (Nelson, 2006). In vergelijking met de bestedingsmultiplicator zal de
belastingmultiplicator steeds gelijk zijn aan de bestedingsmultiplicator – 1. Aangezien een
belastingvermindering steeds een minder groot effect heeft dan een stijging van de
overheidsuitgaven, is deze minder geschikt als stimulans voor de economie. Ten slotte stellen we
vast dat een verhoging van de overheidsuitgaven gefinancierd door een verhoging in de belastingen
geen vermenigvuldigingseffect teweeg zal brengen. De belastinsverhoging zal immers het positieve
effect van de uitgaven op het beschikbare inkomen teniet doen. Daarom zal het verschil tussen de
bestedingsmultiplicator en de belastingsmultiplicator steeds gelijk zijn aan 1 en dus geen
vermenigvuldigingseffect teweeg brengen (Nelson, 2006).
Uit deze redenering blijkt tevens het belang van het consumentenvertrouwen binnen de economie.
Stel dat de consumenten geen vertrouwen hebben in het huidige economische klimaat en bijgevolg
de toename in hun beschikbaar inkomen volledig op een spaarboekje zetten, zal de MPC = 0. Dit
betekent dat een toename in de overheidsuitgaven geen vermenigvuldigingseffect zal hebben en een
vermindering van de belastingen helemaal geen effect zullen hebben. Het expansieve budgettaire
beleid verliest dan volledig zijn kracht.
Waarom zou de overheid haar overheidsuitgaven dan niet blijven verhogen om zo een steeds hoger
niveau van beschikbaar inkomen en een grotere economische groei te bekomen? Het Keynesiaanse
model maakt de assumptie dat de productiezijde van de economie steeds zal voldoen aan de
vraagzijde van de economie. In de realiteit is dit echter niet het geval. Wanneer een economie zich
op het maximum van haar capaciteit bevindt, zal de generatie van extra output zeer duur zijn
waardoor prijzen en lonen zullen stijgen (Nelson, 2006). Daarenboven zullen extra overheidsuitgaven
in een economie die reeds dicht bij haar maximumcapaciteit zit, leiden tot de verdringingseffecten
41
die hierboven reeds besproken werden. De overheidsbestedingen zullen dan private bestedingen uit
de markt duwen. We mogen echter niet vergeten dat Keynes een depressie analyseerde voor het
opstellen van zijn theoriën.
In de afgelopen decenia werden er verscheidene kritieken geformuleerd op de beginselen van Keynes
waaruit de nieuwe klassieke benaderingen ontstaan zijn. De voornaamste kritiek op het keynesiaanse
denken is de Lucas-kritiek, geformuleerd door Robert Lucas. De keynesiaanse doctrine gaat namelijk
voorbij aan het feit dat economische agenten hun gedrag aanpassen aan de gewijzigde omgeving
(Lucas, 1976). Men houdt er dus geen rekening mee dat economische agenten rationeel denken en
handelen. In essentie wilt dit zeggen dat de hierboven vermelde verdringinseffecten zullen optreden.
4.3.2
Nieuwe klassieke benaderingen
De Keynesiaanse stroming kende zijn grootste aanhang in de jaren 60. In de jaren 70 vonden er
echter enkele economische crisissen plaats waardoor nieuwe klassieke benaderingen de tradionele
Keynesiaanse theorie in vraag stelden. De nieuwe klassieke benaderingen probeerden cyclussen in
perfect competitieve economieën met rationele verwachtingen te verklaren (Stadler, 1994). Hierbij
werd de rol van imperfecte informatie benadrukt en werden nominale schokken, in de vorm van
monetaire misvattingen, beschouwd als de oorzaak van de cyclussen. Deze nieuwe opvattingen
stimuleerden de ontwikkeling van de nieuwe Keynesiaanse benadering en de Real Business Cycle
(RBC), twee parallelle theorieën die onafhankelijk van elkaar ontstonden in de jaren 70. De nieuwe
Keynesiaanse benadering beschouwt nominale schokken als de oorzaak van cyclussen binnen de
economie met een imperfecte competitie, terwijl de RBC theorie eerder reëele schokken binnen een
economie met een perfecte competitie en flexibele prijzen met de vinger wijst (Stadler, 1994). Deze
reëele schokken werden omschreven als stochastische fluctuaties in technologie of productiviteit. De
RBC theorie besluit zo dat fluctuaties in de economie overeen komen met het economische evenwicht
waarbij alle economische agenten rationeel handelen om hun nut te maximaliseren. De nieuw
Keynesiaanse benadering wordet gedreven door schokken in de vraagzijde, terwijl RBC gedreven
wordt door schokken in de aanbodzijde van de economie (Stadler, 1994). Volgens het traditioneel
Keynesiaans denken wordt de vraagzijde bepaald door investeringen, consumptie en
overheidsuitgaven. Deze onderverdeling is echter niet zo effectief aangezien een verandering in de
aanbodzijde sowieso de vraagzijde beïnvloedt en vice versa.
Toch is deze onderverdeling bepalend voor de budgettaire multiplicator. Volgens de RBC theorie
bepaalt niet de vraag maar wel het aanbod de budgettaire multiplicator. Aangezien een budgettair
beleid, hetzij via overheidsuitgaven of belastingen, een impuls op de vraagzijde van de economie
inhoudt, voorspellen RBC modellen vaak lage waarden voor de budgettaire multiplicatoren. Wanneer
de overheid haar bestedingen laat stijgen om de economie te stimuleren zullen er volgens de RBC
theorie twee, elkaar opheffende, mechanismen plaatsvinden. Enerzijds zal een toename van de
overheidsbestedingen leiden tot een daling van het kapitaal in de economie, aangezien deze extra
uitgaven gefinancierd zullen worden met (al dan niet toekomstige) belastingen (in geval van
schuldfinanciering). Deze toename van belastingen zal ervoor zorgen dat het beschikbaar inkomen
van de huishoudens in de economie daalt, waardoor de consumptie en de output eveneens zullen
dalen. Anderzijds zullen huishoudens dit verlies compenseren door meer te gaan werken met als
gevolg dat de output weer stijgt. Het uiteindelijke effect van het expansieve beleid en de uiteindelijke
grootte van de budgettaire multiplicator is dan afhankelijk van de omvang van beide mechanismen.
Het Ricardiaanse equivalentietheorema is een tweede nieuw klassieke benadering, die uitgaat van
een extreme rationaliteitshypothese (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Deze theorie van rationele
verwachtingen bouwt verder op de eerder besproken Lucas-kritiek. Een expansief budgettair beleid
verhoogt de overheidsuitgaven of verlaagt de belastingen, wat eventueel gefinancierd kan worden
door met een lening. Volgens het Ricardiaanse denken zullen economische agenten anticiperen op
de verhoogde toekomstige belastingsverplichtingen die nodig zijn om de schuldenlast en leningen af
te betalen. Deze anticipatie zullen ze verdisconteren in hun gedrag door minder te consumeren en
meer te sparen waardoor het effect van de budgettaire expansie teniet gedaan wordt. In de praktijk
zou dit betekenen dat mensen afkerig zijn om de belastingverplichtingen door te schuiven naar de
toekomstige generaties, een intergenerationele solidariteit (Verbon, 2008). In de realiteit is dit niet
42
het geval en zullen Ricardiaanse effecten pas optreden wanneer de schuldratio van een land een
bepaald niveau overschrijdt. De Britse econoom David Ricardo gaat er dus vanuit dat een
schuldgefinancierde budgettaire expansie niet leidt tot grotere outputeffecten dan een expansief
beleid gefinancierd door bijkomende belastingen. Een redenering die de Keynesiaanse stroming wel
volgt, waardoor de effecten van een budgettaire expansie niet afhankelijk zouden zijn van de wijze
van financiering van de uitgaven (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Daarenboven gelooft Ricardo
niet dat de doelstellingen zoals een verhoogde economische activiteit behaald kunnen worden via
budgettaire impulsen.
4.4 Empirische modellen
De theoretische modellen geven vaak het achterliggende mechanisme en de redenering van de
budgettaire multiplicator weer. Om rekening te houden met de kritieken op de budgettaire
multiplicator en om deze zo correct mogelijk te berekenen maken economen veelal gebruik van
empirische modellen zoals het VAR model, de narrative approach en het DSGE-model. Deze
verscheidenheid aan modellen leidt tot verschillende schattingen van de budgettaire multiplicator.
Dit is het gevolg van de verschillende assumpties of methoden die elk model gebruikt voor haar
schatting van de multiplicator. Daarom is het belangrijk dat het juiste model gebruikt wordt in de
juiste omstandigheden. In deze thesis zal het VAR-model en de narrative approach besproken
worden, omdat dit de twee belangrijkste empirische methoden zijn om een budgettaire multiplicator
te schatten (Ramey, 2008).
4.4.1
Het VAR-model
Het Vector Auto Regression Model is de afgelopen jaren het belangrijkste econometrische model
geworden om de effecten van monetaire en budgettaire beleidsimpusen te beoordelen (Caldara &
Kamps, 2008). Het VAR-model wordt gebruikt om de lineaire afhankelijkheden tussen tijdreeksen
vast te leggen. Dit model veralgemeent de univariate autoregressie modellen door meer dan één
evoluerende variabele toe te laten. Met het VAR-model kunnen de effecten van autonome (exogene)
wijzigingen in een variabele (vb. een wijziging in de overheidsuitgaven) onderzocht worden losstaand
van allerlei endogene reacties (Van Poeck & Van Gompel, 2013). Bovendien is dit model gebaseerd
op micro-economische grondslagen, in tegenstelling tot de traditionele macro-economische
modellen, waardoor ze minder kwetsbaar is voor de Lucas-kritiek. Het VAR-model kan opgesplitst
worden in drie varianten: de structurele vorm, de recursieve vorm en de gereduceerde vorm (Stock
& Watson, 2001).
Structurele Vector Autoregressies (SVARs) zijn multivariate, lineaire representaties van een vector
aan observaties op hun eigen vertragingen en andere variabelen als een trend of een constante
(Fernández-Villaverde & Rubio-Ramírez, 2007). Voor de analyse van een multivariate tijdreeks is het
SVAR-model één van de meest succesvolle en flexibele manieren. Het model houdt er tevens
rekening mee dat oorzakelijk invloeden zowel ogenblikkelijk als met aanzienlijke vertraging kunnen
optreden (Hyvärinen, Zhang, Shimizu, & Hoyer, 2010). Uiteraard heeft het SVAR-model ook enkele
beperkingen. Fernández-Villaverde & Rubio-Ramírez (2007) halen drie kritieken aan. Ten eerste
zouden de economische schokken afgeleid uit een SVAR model niet lijken op schokken gemeten door
andere mechanismen zoals marktverwachtingen geïntegreerd in de toekomstige prijzen. Ten tweede
kunnen schokken afgeleid uit een SVAR model variabelen reflecteren die verwijderd werden uit het
model. Indien de verwijderde variabelen correleren met de ingesloten variabelen, zullen de geschatte
schokken vertekend zijn. Ten derde zijn de resultaten van SVAR modellen zeer gevoelig aan
identificatiebeperkingen. Daarenboven bestaat het gevaar dat economen vast geraken in een
vooringenomen kijk op de data (Fernández-Villaverde & Rubio-Ramírez, 2007). Vele
identificatieschema’s zijn het product van een specifieke zoektocht waarbij onderzoekers zoeken naar
redelijke antwoorden (Stock & Watson, 2001). Wanneer een identificatieschema niet beantwoordt
aan de conventionele kennis, wordt dit beschouwt als een raadsel of een faling (Uhlig, 2005).
Onderzoekers die gebruik maken van het VAR-model vertrouwen daarom voornamelijk op de data
om de interactie tussen verschillende economische variabelen te bestuderen. Zo vermijden ze dat er
identificatiebeperkingen opgelegd worden (Ciccarelli & Rebucci, 2003). De afgelopen decennia
43
werden er in de literatuur twee beperkingen voor deze benadering besproken. Enerzijds kan het
vermijden van restricties leiden tot ‘overfitting’ waardoor, dankzij een verlies aan vrijheidsgraden,
het model inefficiënte schattingen reproduceert. Anderzijds zal men een gereduceerd VAR model
gebruiken om geen identificatierestricties te moeten instellen op gelijktijdige oorzakelijke variabelen
waardoor men niet verder kan gaan dan een simpele beschrijving van de data. De afgelopen jaren
werd het Bayesian VAR-model naar voren geschoven als oplossing voor dit ‘overfitting’ probleem
(Ciccarelli & Rebucci, 2003). Deze benadering beschouwt de werkelijke populatiestructuur als
onzeker en wijst niet teveel ‘gewicht’ toe aan enige specifieke waarde van de paramaters in het
model. In plaats daarvan neemt het deze onzekerheid in rekening in de vorm van een voorafgaande
probabiliteitsverdeling over de verschillende parameters. Hierdoor wordt het risico op ‘overfitting’
sterk gereduceerd. Als gevolg van deze benadering produceert het BVAR-model betere
verwachtingen dan de gereduceerde VAR-modellen en in sommige gevallen betere dan de structurele
modellen (Ciccarelli & Rebucci, 2003).
Terwijl er een consensus bestaat over de empirische effecten van monetaire schokken blijft de
empirische analyse van budgettaire schokken voor controverse zorgen. Toch beschouwen Blanchard
en Perotti (1999) de structurele VAR benadering beter geschikt voor het budgettaire beleid dan het
monetaire beleid om van twee redenen. Ten eerste zijn er veel oorzaken voor veranderingen in
budgettaire variabelen. Er zijn dus exogene budgettaire schokken. Ten tweede zal het budgettaire
beleid op korte termijn, bijvoorbeeld op basis van kwartaaldata, nauwelijks of niet discretionair
reageren op onverwachte gebeurtenissen vanwege de vertragingen in de besluitvorming. Hierdoor
kan men op basis van kwartaaldata budgettaire beleidsschokken identificeren en hun dynamische
effecten op het BBP traceren (Blanchard & Perotti, 1999). Verder maakten Blanchard en Perotti in
hun onderzoek ook gebruik van seizoensgezuiverde gegevens om seizoenspatronen weg te filteren.
Bepaalde overheidsuitgaven (bv. herstellingswerken infrastructuur) gebeuren seizoensgebonden,
bepaalde belastingen worden direct geïnd (bv. btw) en andere belastingen worden met vertraging
betaald. Deze seizoenspatronen dienen weg gefilterd te worden. Aan de hand van data die voldoen
aan deze bovenstaande criteria kan men vervolgens, door middel van het SVAR model, bepalen wat
het effect van een impuls in één variabele op een andere variabele teweeg brengt. Op deze manier
kan men onderzoeken wat het effect zal zijn van een verhoging in de overheidsuitgaven op het BBP
van een land. Een regressie van deze schokken op het BBP geeft dan uiteindelijk de multiplicator
weer (Timco, 2014).
In deze masterproef gaan we gebruik maken van het SVAR-model volgens de aanpak van Blanchard
en Perotti. Voor de identificatie van budgettaire schokken onderzoeken ze eerst institutionele
informatie van belastingen, BBP en uitgaven, waarna ze de SVAR zullen schatten. Aangezien we in
deze thesis een budgettair beleid onderzoeken aan de hand van een budgettaire multiplicator, is
deze methode het meest geschikt voor de analyse.
4.4.2
Narrative approach
In 1998 gebruikten Valerie Ramey en Matthew Shapiro voor het eerst de narrative approach om het
effect van impulsen in overheidsuitgaven te verklaren, meer bepaald overheidsuitgaven inzake
militaire toepassingen. Hiermee zetten de auteurs zich af tegen meer conventionele methoden, zoals
het VAR-model. De auteurs vreesden namelijk dat schokken geïdentificeerd door het VAR-model
simpelweg geanticipeerde impulsen in het budgettaire beleid waren (Ramey, 2011). In 2010,
verrichten Romer en Romer baanbrekend werk door de narrative approach te gebruiken om het effect
van ‘tax cuts’ te onderzoeken. De narrative approach probeert de discretionaire wijzigingen in het
budgettaire beleid te identificeren door gebruik te maken van officiële documenten, zoals wetten,
begrotingen etc., gebaseerd op officiële aankondigingen en plannen van de beleidsmakers (Dell'Erba,
Mattina, & Roitman, 2013). Deze alternatieve empirische methode baseert zich dus op gepubliceerde
informatie, meestal officile documenten zoals een regeerakkoord, omtrent de budgettaire
maatregelen om de grootte van de multiplicator te schatten (Auerbach & Gorodnichenko, Measuring
the ouput responses to fiscal policy, 2010). Het grote voordeel van deze methode is de goede
interpreteerbaarheid van de gevonden multiplicator. Daarenboven kan elke budgettaire verandering
verklaard en gemotiveerd worden. De narrative approach is zeer geschikt om voorgenomen
discretionaire veranderingen te identificeren, daar waar traditionele modellen de neiging hebben om
44
budgettaire veranderingen te overschatten tenzij ze rekening houden met andere factoren zoals
wisselkoersen, grondstofprijzen etc. (Dell'Erba, Mattina, & Roitman, 2013).
De narrative approach heeft, zoals elke methode, toch enkele belangrijke tekortkomingen. Om te
beginnen beperkt het model zichzelf doordat het enkel de effecten van een specifieke categorie van
budgettaire impulsen kan onderzoeken. Respectievelijk de overheidsuitgaven en belastingsimpulsen
die geen betrekking hebben op de korte termijn, zoals een recessie, of de noodzaak om wijzigingen
in de uitgaven uit te balanceren (Auerbach & Gorodnichenko, 2010). Ten tweede heeft de narrative
approach de neiging om kwalitatieve schattingen van de effecten van budgettaire impulsen te geven,
maar beleidsmakers zijn meer geïnteresseerd in kwantitatieve schattingen van de effecten (Auerbach
& Gorodnichenko, 2010). Een uitzondering hierop waren de onderzoeken van Ramey (2009) en
Romer & Romer (2010) die weldegelijk kwantitatieve schattingen van de budgettaire multiplicator
bekwamen via de narrative approach. Romer en Romer onderzochten in 2010 de
belastingsmultiplicator voor de Verenigde Staten in de periode na de tweede wereldoorlog. Hiervoor
bekwamen zij een negatieve belastingsmultiplicator van -3, terwijl het VAR-model voor dezelfde
periodes een multiplicator van 1 of lager vond (Blanchard & Perotti, 1999). Het verschil tussen de
multiplicatoren bekomen door de narrative approach en de conventionele modellen, zoals het VARmodel, is hier zeer frappant. De oorzaak van dit verschil ligt in het gebruik van de gelimiteerde
informatie benadering die gebruikt werd door Romer en Romer in hun schatting (Favero & Giavazzi,
2010). Wanneer de, door de narrative approach, geïdentificeerde schokken in een multivariaat
dynamisch model gestoken werden, was de geschatte belastingsmultiplicator van dezelfde
grootteorde als deze van het VAR-model. De derde tekortkoming werd aan de kaak gesteld door
Perotti. Het is namelijk essentieel dat alle gepubliceerde informatie en plannen overwogen worden
in het model, anders kunnen er meetproblemen optreden. De interpretatie van deze aankondigingen
is hierbij ook zeer belangrijk. Ten slotte houdt het model er geen rekening mee of de aangekondigde
maatregelen ook effectief uitgevoerd werden door de beleidsmakers. Daarenboven verloopt de
implementatie van de maatregelen ook niet altijd zoals ze aangekondigd werden (Dell'Erba, Mattina,
& Roitman, 2013).
Hoewel de narrative approach een goede methode is om een budgettair beleid te onderzoeken, wordt
deze methode niet gebruikt in deze thesisomdat de grootte van de budgettaire multiplicator
vertekend kan zijn. Om te beginnen zouden alle officiële communicatie en documenten van de
regering Di Rupo omtrent het budgettaire beleid onderzocht moeten worden om meetproblemen te
vermijden. Dit is echter geen realistische doelstelling om binnen deze masterproef te verwerken.
Verder is de narrative approach niet geschikt om toe te passen op impulsen die betrekking hebben
op de korte termijn. Deze masterproef beperkt zich tot de regeerperiode van Elio Di Rupo en de
narrative approach toepassen op deze korte termijn zou een vertekend beeld van de multiplicator
kunnen geven.
45
5 Beleidsmaatregelen regering Di Rupo
Aan de hand van het hieronder opgestelde VAR-model zullen we onderzoeken of de budgettaire
beleidsmaatregelen, van de regering Di Rupo pro-economisch of contra-economisch van aard waren.
Voor de modelopbouw analyseren we daarom de algemene tendensen in de genomen
beleidsmaatregelen. De analyse daarvan zal uitgevoerd worden op basis van documenten verkregen
vanuit het archief van de Belgisch Kamer. Dit archief houdt alle officiële documenten en verklaringen
omtrent de begrotingen en de beleidsnota’s van de federale regering bij. De documenten die voor
deze thesis geraadpleegd werden, zijn de ‘Algemene Toelichtingen voor de begrotingen (of
‘Aanpassingen van begrotingen’) voor de begrotingsjaren 2012-2014’. De Algemene Toelichting is
een informatiedocument over de ontvangsten en uitgaven dat bij elke begroting door de federale
regering wordt ingediend. Hieruit blijken eveneens de politieke keuzes en prioriteiten van de federale
regering.
De primaire doelstelling van de regering Di Rupo werd geformuleerd in het stabiliteitsprogramma dat
verplicht ingediend moest worden bij de Europese Commissie in 2012. In dit programma stippelde
de regering een begrotingstraject uit waarin de Belgische gezamenlijke overheid een
begrotingsevenwicht wilde bereiken in 2015. Hierbij voorzag de regering een vorderingstekort kleiner
dan 3% van het bbp in 2012 zodanig dat de buitensporige tekortenprocedure tegen België stopgezet
kon worden. Dit vereiste initiële begrotingsinspanningen ter waarde van 11.3 miljard euro in 2012,
12.6 miljard euro in 2013 en 15.3 miljard euro in 2014. Het begrotingsbeleid van de regering Di
Rupo is doorheen de jaren sterk beïnvloed geweest door het aanhouden van deze
evenwichtsdoelstelling en het daarmee verbonden begrotingstraject.
Voordat we ons toeleggen op de analyse van het beleid van de federale regering, is het van groot
belang dat we een onderscheid maken tussen de federale en de gezamenlijke regering. De
gezamenlijke regering bestaat uit de federale, Vlaamse, Waalse en Brusselse regering. In andere
woorden, de federale regering maakt deel uit van de gezamenlijke regering. De buitensporige
tekortenprocedure die ingesteld werd vanuit Europa tegen België heeft betrekking op de begroting
van de gezamenlijke regering en niet enkel op de begroting van de federale regering. Sinds de zesde
staatshervorming, die in werking trad met het aantreden van de regering Di Rupo, zijn er echter
meer bevoegdheden van het federale niveau naar gewestelijk niveau verhuisd. Dit betekend dat de
federale regering minder invloed kan uitoefenen op de begroting van de gezamenlijke overheid. Toch
heeft de regering Di Rupo een begrotingsevenewicht van de gezamenlijke regering vooropgesteld
aangezien de federale overheid, via het Overlegcomité2, nog altijd de algemene trend neerzet voor
de overheden van de deelstaten. Daarbij mogen we niet vergeten dat de federale regering nog steeds
de internationale verantwoordelijkheid draagt voor de gezamenlijke begroting. Deze thesis heeft als
doel om een analyse te geven van de maatregelen van de federale regering van Di Rupo.Er wordt
dus geen analyse gemaakt van de gezamenlijke regering. Hieronder worden de resultaten en
maatregelen van de federale regering besproken. De primaire doelstelling van deze federale regering
is echter wel een begrotingsevenwicht van de gezamenlijke regering in 2015. Daarom zal er tijdens
de analyse ook aandacht gegeven worden aan het vorderingssaldo en de brutoschuld van de
gezamenlijke overheid zonder de oorsprong van het saldo uitgebreid te onderzoeken.
De analyse van de begrotingsmaatregelen uitgevoerd van de regering Di Rupo zal gebeuren aan de
hand van drie tabellen. De eerste tabel geeft de federale inkomsten weer voor de jaren 2011 tot en
met 2014. De tweede tabel geeft een overzicht van de federale uitgaven van 2011 tot 2014. De
laatste tabel geeft de kerncijfers van de gezamelijke overheid weer voor dezelfde jaren.
2
HetOverlegcomité is een orgaan waarbinnen vertegenwoordigers van de verschillende Belgische regeringen
overleg plegen om de coherentie in het beleid te bewaren alsook om conflicten te beslechten of te voorkomen.
46
2011
Werkelijke ontvangsten
Initiële
ontvangsten
2012
Aangepaste
ontvangsten
544,1
574,8
563,9
559,9
585,8
575,2
563,1
596,4
135,5
151,8
162,9
160,7
161,4
173,6
171,2
153
174,7
42,3
Eurovignet
Accijns compenserend
belasting
Belastingen op spelen en
weddenschappen
en automatische
ontspanningstoestellen
64,4
71,6
68,2
66,2
72,3
70,1
65
74,3
63,8
Onroerende voorheffing
Roerende voorheffing
Totale federale
inkomsten in
miljoenen euro's
Verkeersbelasting
Belasting op
inverkeerstelling
Werkelijke ontvangsten
Initiële
ontvangsten
2013
Aangepaste
ontvangsten
Werkelijke
ontvangsten
2014
VermoeInitiële
delijke
ontvang- ontvangsten
sten
0,4
0,4
0,4
0,4
0,4
0,4
0,2
0,2
0
40,7
55,2
42,9
44,3
44,3
46,6
51,6
49,1
59,5
37,8
41
38,5
37,3
41,4
37,9
44,8
40,3
38,7
49,5
50,4
50,2
51,8
52,4
53,1
53,7
54,5
55,1
3217
3 970,2
3 995,9
3 547,8
4 571,3
4 354,3
4 580,2
4 574,9
4 775,9
RV dividenden
1 715,7
1 913,6
1 971,5
1554
2 078,6
1 961,4
2 217,1
2 239,7
2 740,3
Rv anderen
1 481,4
1 943,1
2 049,9
2 001,7
2 516,6
2 400,9
2 379,1
2 399,9
2 115,1
-23,8
-70,5
-70,5
-57,6
-59,6
-57,6
-66,7
-114,3
-123,5
43,6
50
45
49,6
35,6
49,6
50,5
49,6
43
0
134
134
49,2
0
20
31
0
0
Kohieren
Woonstaatheffing
Bijdrage op hoge
vermogensinkomsten
Belasting
werknemersparticipatie
Voorafbetalingen
Kohieren
Kohieren
vennootschappen
Kohieren natuurlijke
personen
Kohieren BNI
12,8
9,7
13,3
7,5
8,8
7,5
20,2
15,4
23,5
9 379,6
10 530
9 715,2
9 336,5
9 941,8
9 698,3
9 459,3
10 157,1
9 630,6
-3 735,9
-2 295,5
-2 394,6
-1 403,2
-1 635,2
-1 750
-1 111,4
-405,8
-1 293,4
1 435,7
1 614,9
2 408,5
3 788,4
3 192,6
3 305,3
3 786,1
4 004,7
3 190,9
-5 319,1
-4 154,8
-4 982,1
-5 410,9
-5 078,3
-5 311,9
-5 080,7
-4 664,1
-4 704,1
147,5
244,5
179,1
219,3
250,5
256,6
183,1
253,5
219,7
39 632,6
41 722,4
41 209,6
41 095,1
42 422,7
41 858,8
42 294,5
44 694,8
42 709,8
39 298,8
41 362,6
40 864,1
40 772,6
42 098,9
41 517,5
41 951,9
44 347,6
42 379,4
333,8
359,8
345,5
322,5
323,7
341,4
342,7
347,2
330,4
351
351,6
368,1
342,3
356,6
364,6
337,6
362,1
330,7
49 745,8
55 244,7
53 966,3
53 896,5
56 636,2
55508
56542,8
60388
56572
Douane
2 097,9
2 262,3
2 166,4
2 088,1
2346,3
2 104,8
1 978
2 102,3
2 072,8
Accijnzen en diversen
Totaal Douane en
Accijnzen
7 192,2
7 428
7 469,5
7 501,5
7 776,1
7 771,8
7 600,8
7 915,2
7 691,3
9 290,1
9 690,3
9 635,9
9 589,6
10 122,4
9876,6
9578,8
10017,5
9764,1
27 737,4
29 799,7
29 201,1
28 762
29 594,6
28 998,2
28 544
30 298,2
29 720,8
26 181,9
27 906,2
27 273
26 831,6
27 568,5
27 160,3
26 709,7
28 286,2
27 742,4
1 555,5
1 893,4
1 928
1 930,4
2 026,1
1 837,9
1 834,3
2 012
1 978,4
3 866
4 141
4 142,8
3 863
4 170,7
4 086,4
4 004,6
4 364,9
4 147,5
3 772,5
4 040,6
4 047
3 775,1
4 076,8
3 926,1
3 901
4 112,4
4 007,6
Bedrijfsvoorheffing
Bronheffing
Kohieren
Andere
Totale directe
belastingen
BTW
Zuivere btw
diverse rechte en taksen
Registratierechten
Gewestelijke
registratierechten
Niet-geregionaliseerde
registratierechten
Diversen en boetes
geregionaliseerde boetes
niet-geregionaliseerde
boetes
Totaal BTW, Registratie
en diversen
Successierechten
Fiscale registratie
Totale fiscale
ontvangsten
Lopende niet-fiscale
ontvangsten
Niet-fiscale
kapitaalontvangsten
Totale niet-fiscale
ontvangsten
Totaal
93,5
100,4
95,8
87,9
93,9
160,3
103,6
5 252,5
139,9
899,6
1 079,9
1 051,4
1 004,1
1 001,6
1 042,1
1 083,6
1 091,2
1 346,7
15,9
15,2
15,9
11
11
11
15,1
11
22,7
883,7
1 064,8
1 035,5
993,2
990,7
1 031,2
1 058,5
1 080,2
1 323,9
32 503
35 020,6
34 395,3
33 629,1
34 766,9
34 126,7
33 632,2
35 754,3
35 215
2 058,4
0
2 170,1
0
2 151,4
0
2 251,3
0
2 305,9
488
2 522,9
488
2 848,1
0
2 766,8
101,1
3 025,1
807
93 597,3
102 125,7
100 148,9
99 366,5
104 319,4
102 522,2
102 601,9
109 027,7
105 383,2
5 942,9
6 285,1
6 749
6 461,8
5 589,5
5 884,2
6 062,6
4 623
4 554
591,9
374,1
3 463,7
5 085,8
2 166,2
1 243,3
2 004,8
454,4
416
6 534,8
6 659,2
10 212,7
11 547,6
7 755,7
7 127,5
8 067,4
5 077,4
4 970
100 132,1
108 784,9
110 361,6
110 914,1
112 075,1
109 649,7
110 669,3
114 105,1
110 353,2
Tabel 5-1: Totale federale inkomsten in miljoenen euro's
47
De bovenstaande tabel is een weergave van de totale inkomsten van de federale regering van 2011
tot en met 2014. Het jaar 2011 werd toegevoegd aan de tabel om de evolutie van het beleid van de
regering Di Rupo correct weer te geven. De jaren 2012 en 2013 bestaan telkens uit drie kolommen
en het jaar 2014 beschikt over twee kolommen. De initiële ontvangsten zijn de ontvangsten die door
de regering omschreven werden in de initiële begroting van dat jaar. Deze begroting wordt steeds
opgesteld in de maand oktober van het voorgaande jaar. Zo werd bijvoorbeeld de initiële begroting
van 2013 opgesteld in oktober 2012. Ongeveer 6 maanden later, in april/mei van het begrotingsjaar,
volgt er een begrotingscontrole ofwel een stand van zaken. Hierbij wordt de begroting bijgestuurd
en aangepast aan de huidige economische groei en resultaten. Dit wordt weergegeven in de kolom
‘aangepaste ontvangsten’. Na verloop van tijd worden de werkelijke ontvangsten van een
begrotingsjaar gepubliceerd en deze worden weergegeven in de laatste kolom. Het jaar 2014 kent
echter maar twee kolommen omdat er voor het jaar 2014 geen ‘aanpassing van de begrotingen van
ontvangsten en uitgaven’ beschikbaar was in het archief van de Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers. Verder zijn er voor het jaar 2014 ook nog geen definitieve resultaten
bekend, enkel de vermoedelijke ontvangsten (en uitgaven). De tweede tabel hieronder, met de
federale overheidsuitgaven, is op dezelfde manier opgebouwd als bovenstaande tabel.
2011
2012
2013
2014
Werkelijke
uitgaven
Initiële
uitgaven
Aangepaste
uitgaven
Werkelijke
uitgaven
Initiële
uitgaven
Aangepaste
uitgaven
Werkelijke
uitgaven
initiële
uitgaven
Vermoedelijke
uitgaven
Dotatiën
493,1
500,3
498,2
498,2
511
508,4
508,4
541,3
543,1
Kanselarij van de Eerste minister
104,3
107,4
107,6
102,6
108,5
108,1
108,1
119
120,3
Budget en beheerscontrole
29,5
33,7
33,4
27,2
31,9
31,6
32,3
31,3
31,9
Personeel en Organisatie
Informatie- en
Communicatietechnologie
54,6
59,5
58,7
52,1
53,4
52,9
53,2
50,9
50,8
Totale federale uitgaven in
miljoenen euro's
29,6
35,4
34,7
27,5
40
39,6
40
38,6
38,6
1 817,7
1 843
1 842,5
1 952,8
1 902,1
1 898,5
1 912,4
1 924,5
1 940,9
623,1
843
831,3
785,4
862,5
863,9
849,6
919,9
924,7
1 857,8
1 944,7
1 909,6
1 479,9
1 854,2
1 820,9
1 767,3
1 822,3
1 833,4
2 759,6
2 732
2 720,4
2 802,8
2 714,7
2 682,7
2 669,3
2 617,8
2 608,7
1 681,5
1 760,1
1 782,4
1 841,2
1 801,5
1 805
1 805
1 773,1
1 820
Financiën
1 948
1 938
1 950,7
1 867,4
1 979,7
2 153,9
2 141,2
2 038,9
2 044,7
Financiën - Dexia NV
4 000
0
0
2 915
0
0
0
0
0
Financiën - IMF-krediet
0
1 847,7
1 847,7
0
1 847,7
1 847,7
1 847,7
1 847,7
1 847,7
Financiën - ESM-participatie
0
0
1 112,7
1 112,7
1 112,7
1 112,7
1 112,7
556,3
556,3
Justitie
Binnenlandse zaken
Buitenlandse zaken en ontw.
Samenwerking
Landsverdediging
Federale politie en geïntegreerde
werking
Financiën - EIB-participatie
Regie der Gebouwen
Totaal autoriteitscel
Pensioenen
Tewerkstelling, arbeid en Sociaal
overleg
0
0
0
0
448
448
448,3
0
0
734,2
751,4
782,2
761,9
771,9
778,5
787,5
796,1
799,1
16 133
14 396,2
15 512,1
16 226,7
16 039,8
16 152,4
16 083
15 077,7
15 160,2
8 585,8
9 035,9
9 020,8
9 053,3
9 508,3
9 527,5
9 517,5
9 868,6
9 855,5
594,5
596,1
598,9
592
599
598,3
598,5
596,1
595,6
Sociale zekerheid
Evenwichtsdotatie sociale
zekerheid
Volksgezondheid, Veiligheid van
de Voedselketen en Leefmilieu
Maatschappelijke integratie
10 124,8
10 445,8
10 441,1
10 411,8
10 593
10 558,6
10 558,8
10 732,7
10 730,5
1 119,6
3 595,6
4 041,4
4 041,4
4 875,4
5 338,7
5 338,7
6 170,9
6 170,9
298,2
1 467,9
327,1
1 556,3
326,8
1 663,2
298,7
1 540,4
329,3
1 724
323,8
1 712,7
321,2
1 633
308
1 600,7
307,3
1 589
Totaal sociale cel
Economie, KMO, Middenstand en
energie
22 190,8
25 556,8
26 092,2
25 937,6
27 629
28 059,6
27 967,7
29 277
29 248,8
357,1
379
381,7
322,3
377,1
375,7
376,4
375,7
376,9
Mobiliteit en vervoer
Wetenschapsbeleid
3 529,7
573,6
3 439,1
567,6
3 454,7
597,6
3 409,4
647,8
3 673,1
610,5
3 667,7
608,5
3 658,4
609
3 625,3
613
3 669,9
614,1
Totaal Economische cel
4 460,4
4 385,7
4 434
4 379,5
4 660,7
4 651,9
4 643,8
4 614
4 660,9
0
404,4
245,9
0
384,3
285,5
174,2
145,3
10,5
42 784,2
44 743,1
46 284,2
46 543,8
48 713,8
49 149,4
48 868,7
49 114
49 080,4
Provisies
Primaire uitgaven
48
Rijksschuld (zonder
herfinanciering)
14 326,7
13 579,4
13 625,5
13 755,2
13 023,6
12 845,2
12 882,1
12 919,8
12 919,8
Totaal uitgaven
57 110,9
58 322,5
59 909,7
60 299
61 737,4
61 994,6
61 750,8
62 033,8
62 000,2
Aankoop van effecten
Aflossingen
11 608,7
30 728
7 628,7
34 296,4
6 889,8
34 287,3
10 969,6
34 031,2
6 547,5
33 042,3
8 292
35 051,8
8 255,1
35 051,8
6 403,8
30 413,2
6 403,8
30 413,2
Herfinanciering rijksschuld
42 336,7
41 925,1
41 177,1
45 000,8
39 589,8
43 343,8
43 306,9
36 817
36 817
Algemeen totaal
99 447,6
100247,6
101086,8
105299,8
101327,2
105338,4
105057,7
98 850,8
98 817,2
Tabel 5-2: Totale federale uitgzven in miljoenen euro's
5.1 Begrotingsjaar 2012
Op 21 december 2011 diende de regering Di Rupo de eerste begroting (met Algemene Toelichting)
van haar regeerperiode in. De motivatie van deze begroting legde voornamelijk de nadruk op het
terugdringen van het overheidstekort tot 2.8% van het bbp. Een doelstelling die geïnspireerd werd
door de buitensporige tekortenprocedure (hierboven vermeld), die opgelegd werd door Europa aan
België, alsook door het leefbaar houden van ons sociaal systeem en het slagkrachtiger maken van
de Belgische economie. Concreet werden bij de opmaak van deze begroting drie grote lijnen gevolgd:
structurele en toenemende inspanningen op vlak van ontvangsten en uitgaven, actief beleid inzake
jobcreatie en een verhoging van de activiteitsgraad, en ten slotte een verhoogde strijd tegen fiscale
en sociale fraude (Federale overheid, 2011). Om de begrotingsdoelstelling voor 2012 te halen, was
er een globale inspanning vereist van 11.3 miljard euro. De begrotingsmaatregelen om dit te
realiseren hebben betrekking op de uitgaven, de ontvangsten en diverse anderen 3. De
uitgavenverminderingen zouden in 2012 42% (4.746 miljard euro) van de budgettaire inspanningen
bedragen, terwijl de ontvangsten en de diverse maatregelen respectievelijk 34% (3.842 miljard euro)
en 28% (3.164 miljard euro) vertegenwoordigen. Daarenboven was de regering van plan om het
aandeel van de uitgaveverminderingen verder te laten stijgen tot 53% in 2014 en het aandeel van
de ontvangsten en diverse maatregelen te laten dalen tot 28% en 20% in 2014. Hiermee wou de
regering een structurele begrotingssanering doorvoeren gedurende haar regeerperiode. Bij het
opstellen van deze begroting ging de regering uit van een bbp-groei van 0.8%, vanwege de
vertragende economische groei in het laatste trimester van 2011 (Federale overheid, 2011). De
regering Di Rupo had dus een duidelijk doel vooropgesteld in haar begroting, namelijk het
terugdringen van het overheidstekort door de overheidsinkomsten te vergroten en de
overheidsuitgaven te verlagen.
5.1.1
Overheidsontvangsten 2012
De regering Di Rupo verhoogde de inkomsten van de federale overheid in 2012. De maatregelen
daartoe kunnen we onderbrengen in drie grote beleidslijnen. Om te beginnen werd er een grotere
bijdrage gevraagd van de inkomsten uit kapitaal, terwijl de inkomsten uit arbeid gevrijwaard bleven.
Een concreet voorbeeld is de harmonisatie van het tarief van de roerende voorheffing. Dit tarief werd
vastgelegd op 21% (voorheen 15%) voor interesten en dividenden. Daarbovenop vroeg de regering
een bijdrage op hoge vermogensinkomsten aan belastingplichtigen die meer dan 20 000 euro aan
roerende inkomsten, interesten en dividenden ontvangen per jaar. Een ander voorbeeld is de
verhoging van de taks op beursverrichtingen. De tweede beleidslijn omvatte maatregelen die de
toepassing van de wetgeving zouden verbeteren. De regering zou de wetgeving ook beter afstemmen
op de vigerende wetgevingen in andere lidstaten van de Europese Unie. Zo werden de Belgische btwtarieven voor verrichte prestaties door notarissen en gerechtsdeurwaarders afgestemd op die in
andere lidstaten. Ten slotte zou een deel van de verhoogde inkomsten gerealiseerd worden door in
te zetten op een fiscaliteit die meer responsabiliserend werkt. Concreet hield dit in dat de belastingen
op milieuschadende activiteiten en op speculatie verhoogd werden. Er was ookeen hervorming van
de belastingregeling voor bedrijfswagens. Dankzij deze hervorming wordt het voordeel in natura van
3
Diverse andere maatregelen hebben betrekking op maatregelen die buiten de eerste twee categoriën (uitgaven
en ontvangsten) vallen.
49
bedrijfswagens berekend op basis van de cataloguswaarde en de impact op het milieu (CO2-uitstoot).
Voorheen gebeurde deze berekening enkel op basis van de cataloguswaarde.
De totale ontvangsten voor 2012 werden door de regering op 108 784.9 miljoen euro geraamd
(Federale regering, 2011), een sterke toename van 8 265.5 miljoen euro (8.2%) ten opzichte van
2011. De raming van de totale fiscale ontvangsten bedroeg 102 125.7 miljoen euro, een stijging van
7470.6 miljoen euro (7.9%) ten opzichte van 2011. In de tabel kunnen we aflezen hoe de regering
Di Rupo deze toename realiseerde. De geraamde fiscale ontvangsten bestonden uit zes verschillende
onderdelen. Het eerste en grootste onderdeel waren de directe belastingen, die op 55 244.7 miljoen
euro werden geschat voor 2012, een stijging van 4 926.4 miljoen euro (9.8%) ten opzichte van
2011. Hieronder vielen ondermeer de voorgenoemde hervorming van de belasting op roerende
inkomsten (+917 miljoen of +34%) en de verkeersbelasting (+21.4 miljoen euro of +3.9%
tegenover 2011). De grootste bron aan inkomsten binnen de directe belastingen is de aan de bron
geïnde bedrijfsvoorheffing, goed voor 41 362.6 miljoen euro (+2 037.3 miljoen euro of +5.2%).
Accijnzen en diversen vormen het tweede onderdeel en werden geraamd op 7 428 miljoen euro, een
stijging van 278 miljoen euro (+3.9%) tegenover 2011. Deze stijging werd verklaard door de
verwachte reële groei van de particuliere consumptie in 2012 (+1.2%), alsook fiscale maatregelen
zoals de verhoogde accijnzen op de verkoop van tabak. De geraamde ontvangsten van het derde
onderdeel, btw en diverse taksen, lag op 29 799.7 miljoen euro (+1 715.9 of +6.1% dan 2011). De
BTW in enge zin zou toenemen met 5.7%, goed voor een totaal van 27 906.2 miljoen euro, waarbij
de verwachte nominale groei van de belastbare grondslag in 2012 +3.4% zou bedragen. Het vierde
onderdeel bestond uit de registratierechten die 4 141 miljoen euro (+6.4%) vertegenwoordigden in
de begroting. Het voorlaatste onderdeel ‘Diversen en boeten’ bedroeg 1 079.9 miljoen euro
(+13.2%) en het laatste onderdeel ‘Successierechten’ werd geraamd op 2 170.1 miljoen euro
(+3.3%). Ten slotte droegen de niet-fiscale ontvangsten in totaal 6 659 miljoen euro (+13.6%) bij
aan de begroting. Deze ontvangsten bestonden uit bedragen zoals de nucleaire rente (550 miljoen
euro), dividend van Belgacom (483 miljoen euro), inningkosten die terugbetaald werden door de
Europese Unie ter waarde van 515 miljoen euro, etc.
5.1.2
Overheidsuitgaven 2012
De vermindering van de overheidsuitgaven diende zo ver mogelijk te gaan en zou gerealiseerd
worden door onder andere te streven naar efficiëntiewinst in het overheidsapparaat. Hierdoor wou
de overheid tegen een lagere kostprijs een goede openbare dienstverlening kunnen voorzien.
Besparingen bij defensie, een tijdelijke bevriezing van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking,
besparingen in de autonome overheidsbedrijven (NMBS-groep, Bpost) en een bevriezing van
openbare dotaties gedurende twee jaar zijn voorbeelden van de maatregelen binnen het
overheidsapparaat. Daarenboven werd er sterk ingezet op structurele hervormingen in de
arbeidsmarkt zoals de hervorming van het brugpensioen, de economische werkloosheid en de
inschakelingsuitkering. De totale primaire uitgaven werden voor 2012 geraamd op 58 158.6 miljoen
euro. Wanneer daar de herfinanciering van de openbare schuld aan wordt toevoegd, komt men tot
een algemeen totaal van 100 247.5 miljoen euro voor de initiële begroting van 2012, een zeer lichte
stijging van 0.8% ten opzichte van 2011.
5.1.3
Aanpassingen begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar
2012: Algemene Toelichting
Na de begrotingscontrole in maart 2012 bleek echter dat de gehanteerde groeiprognose van 0.8%
bij de initiële begroting niet overeen kwam met de realiteit. Vanwege de moeilijke economische
situatie in Europa bleef de groei van het BBP in 2012 steken op 0.1%. Ondanks deze verslechterde
conjunctuurvooruitzichten bleef de regering Di Rupo vasthouden aan haar doelstelling om het
vorderingstekort te beperken tot 2.8% van het BBP. Daarom diende de regering na de
begrotingscontrole een extra inspanning te leveren in de vorm van bijkomende maatregelen ten
belope van 1.8 miljard euro. Indien men corrigeert voor de usurperende bevoegdheden komt men
op een totaal bedrag van 12.8 miljard euro (of 3.4% van het BBP) aan inspanningen voor het
begrotingsjaar 2012 om de doelstelling te handhaven. De regering geeft hierbij zelf aan dat een
derde van deze bijkomende maatregelen éénmalige maatregelen zijn en de overige structureel zijn.
50
Door van de bijkomende maatregelen werden de totale ontvangsten voor het jaar 2012 geschat op
110 361.6 miljoen euro ofwel een toename van 10.2% ten opzichte van 2011. Vanwege de
verslechterde economische vooruitzichten namen de overheidsuitgaven met 839.7 miljoen euro toe,
tot 101 086.6 miljoen euro, ten opzichte van de initiële begroting van 2012.
5.1.4
De werkelijke verwezenlijkingen voor 2012
In 2012 bedroegen de werkelijke totale ontvangsten 110 914.1 miljoen euro. De ontvangsten zijn
dus met +10.8% gestegen ten opzichte van 2011 (Federale overheid, 2013). Dit is een sterkere
toename dan geraamd was in de initiële begrotingen van 2012; de geraamde toename bedroeg toen
+10.2%. Van deze totale ontvangsten was 99 366.5 miljoen euro afkomstig uit fiscale bronnen.
Zekomen bijgevolg 5 769.3 miljoen euro of +6.2% hoger uit dan in 2011. De werkelijke totale
uitgaven in 2012 bedroegen 105 299.8 miljoen euro. Ten opzichte van 2011 is dit een toename van
5852.2 miljoen euro of +5.88%. Het beleid van de overheid om de inkomsten te verhogen en tegelijk
de uitgaven te verlagen was dus niet geslaagd in 2012.
Uiteindelijk berekende het Instituut voor de Nationale Rekeningen dat het gezamenlijke
overheidstekort in 2012 3.9% van het BBP bedroeg, een aanzienlijke afwijking van de eerder
vooropgestelde doelstelling van 2.8%. De ontvangsten van de gezamelijke overheid in 2012
bedroegen 196 666.5 miljoen euro, een toename van 4.96% tegenover 2011. Daartegenover
stonden de uitgaven die 212 739.8 miljoen euro bedroegen, wat neerkomt op een stijging van 4.83%.
Dit bracht het vorderingstekort op een totaal van -16 073.3 miljoen euro, het grootste tekort tijdens
de regeerperiode van Di Rupo. Deze afwijking was het gevolg van verschillende factoren. Het
vorderingssaldo van de overheid verslechterde met 0.8% van het BBP door het opnemen van het
Belgisch aandeel in de herkapitalisatie van de Dexia groep op het einde van 2012. De overige 0.3%
van het BBP is een afwijking ten gevolge van de verslechterde conjuncturele omstandigheden.
Uiteindelijk lag het gerealiseerde nominale BBP in 2012 1.5% lager dan het gebruikte cijfer in de
initële begroting (Federale Overheidsdienst, 2013). Zonder deze tegenslagen zou de Belgische
gezamenlijke overheid, volgens de Raad van de Europese Unie, de doelstelling inzake het
vorderingstekort ook niet gehaald hebben. De kritiek van de Raad op het begrotingsbeleid van de
Belgische overheid was niet mals. Volgens de berekeningen van de Raad bedroegen de jaarlijkse
budgettaire inspanningen van België sinds 2010 0.3% van het bbp, ver onder de 0.75% van het bbp
die de Raad aangeraden had. Daarom eiste de Raad dat België alle consolidatiemaatregelen die
opgenomen waren in de begroting van 2013 zou uitvoeren en het vorderingstekort zou terugdringen
tot 2.7% van het BBP in 2013. De Raad besliste om zijn buitensporigetekorten procedure voor België
aan te scherpen.
Eind 2012 bedroeg de brutoschuld van de federale staat 364.82 miljard euro. De schuldgraad nam
met 1.8 procentpunt toe ten opzichte van 2011 en steeg tot 99.6% van het BBP. Deze stijging kan
verklaard worden door de reeds vermelde herkapitalisatie van Dexia groep (+0.8pp) en de
participatie van België in Europese steunmechanismen (+1.7 pp). Andere factoren zoals de
terugbetaling door KBC, de positieve uitgiftepremies en de liquiditeitsoverschotten hadden dan weer
een afremmend effect op de stijging van de schuld. De schuld van de gezamelijke overheid steeg tot
403 175 miljoen euro (+4% ten opzichte van 2011), ofwel 103.86% van het BBP, een kritische hoge
schuldgraad.
5.2 Begrotingsjaar 2013
In het stabiliteitsprogramma dat de regering opstelde in april 2012 nam de overheid zich voor om
een begrotingsevenwicht te bereiken in 2015. Hoewel de regering in 2012 een inspanning leverde
ter waarde van 12.8 miljard euro werd de eerste jaarlijkse doelstelling in het streven naar een
evenwicht niet gehaald. Het gevoerde begrotingsbeleid herstelde wel het vertrouwen van de
financiële markten en Europa in België. Om het overheidstekort verder te verminderen en de evolutie
van de schuldgraad om te buigen, stelde de Belgische overheid zichzelf tot doel om het gezamenlijke
overheidstekort voor 2013 te beperken tot 2.15% van het BBP. Om deze doelstelling te bereiken
waren er extra begrotingsinspanningen nodig bovenop de 12.6 miljard euro vastgelegd in het
stabiliteitsprogramma. In totaal werden er in 2013 voor ruim 18 miljard euro aan maatregelen
51
genomen. Een aanzienlijk deel van deze extra inspanningen werd gezocht bij de overheid zelf en de
overheidsbedrijven. De regering streefde tegelijk naar een lastenverlaging op de arbeid die kadert
binnen het sociaaleconomische beleid om de werkgelegenheid en de competitiviteit te ondersteunen.
Verder besliste de regering ook om de nodige maatregelen te nemen om de gezamenlijke
schuldgraad onder de 100% van het bbp te brengen. Bij het opstellen van de begroting voor 2013
werd er uitgegaan van een reële bbp-groei van 0.7% aangezien de economische groei terug
aansterkte.
Om de doelstellingen van de gezamenlijke overheid kracht bij te zetten, worden er sinds 2013
opnieuw akkoorden afgesloten in het Overlegcomité omtrent de budgettaire doelstellingen. Deze
akkoorden vormen de hoeksteen voor de coördinatie van het begrotingsbeleid vanuit het federale
niveau. Het Overlegcomité van 2 juli 2013 legde onder meer vast dat de Gemeenschappen en
Gewesten zich zouden engageren om het tekort tot 537 miljoen euro te beperken. Daarnaast werd
aan de drie Gewesten en aan de Duitstalige Gemeenschap gevraagd een reserve aan te leggen met
een waarde van 260 miljoen euro om de geraamde tekorten van de lokale overheden te
compenseren.
5.2.1
Overheidsontvangsten 2013
In totaal werden de ontvangsten voor het begrotingsjaar 2013 geraamd op 112 075.1 miljoen euro,
een stijging van 2.13% tegenover 2012. Hiervan was 104 319 miljoen euro afkomstig van fiscale
inkomsten. Tegenover 2012 is dit een toename van 4 596 miljoen euro of 4.6%. Deze ontvangsten
werden in 2013 onderverdeeld in 5 verschillende categoriën: de personenbelasting,
vennootschapsbelasting, BTW, Accijnzen en registratierechten. Losstaand van de genomen
maatregelen verwachtte de regering in 2013 dat de belastingontvangsten zouden groeien met 3%.
De groeivoet zou het gevolg zijn van een toename in een aantal economische parameters zoals het
globaal inkomen van de particulieren (+3.2%), het primair inkomen van de vennootschappen
(+3.86%) en de macro-economische grondslag voor de BTW (+2.18%). Daarbovenop zouden de
genomen maatregelen, met een geraamde netto-impact van 1 652 miljoen euro, de groeivoet van
de fiscale ontvangsten nog verder doen stijgen met 1.6 procentpunt. De belangrijkste maatregelen
met betrekking tot de fiscale ontvangsten omvatten ondermeer de fiscale regularisatie (+488 miljoen
euro), de invoering van de 25% roerende voorheffing (+361 miljoen euro), optrekken van belasting
op de premies van de levensverzekeringen (+139 miljoen euro), aanpassing van het tarief van de
aftrek voor risicokapitaal (+255.9 miljoen euro) en de verhoging van de accijnzen op alcohol en
tabak (+161.9 miljoen euro).
5.2.2
Overheidsuitgaven 2013
Voor het begrotingsjaar 2013 voorzag de regering opnieuw een reeks maatregelen betreffende de
primaire uitgaven. Enkele belangrijke voorbeelden van deze maatregelen zijn een besparing op de
begroting van landsverdediging (100 miljoen euro), een besparing op de ontwikkelingssamenwerking
(108 miljoen euro) en een bijkomende besparing op de kredieten van de NMBS-groep (50 miljoen
euro). Ondanks deze maatregelen stegen de primaire uitgaven voor 2013 met 2.5 miljard euro ten
opzichte van 2012, tot 45.2 miljard euro. Deze toename was voornamelijk het gevolg van
toegenomen uitgaven voor ondermeer Pensioenen (+487.2 miljoen euro), Mobiliteit en vervoer
(+194.8 miljoen euro) en Sociale zekerheid (+151.8 miljoen euro).
Dankzij een daling in de interestvoeten op lange termijn lagen de interestlasten in 2013 met 388.3
miljoen euro lager dan in 2012. De impliciete rentevoet op de federale staatsschuld nam af van
3.56% tot 3.36% waardoor de totale rentelasten van de federale overheid terug zakte tot 11 741.5
miljoen euro. Dankzij deze meevaller en de doorgevoerde besparingen stegen de totale uitgaven
voor het begrotingsjaar 2013 slechts met 0.31% tot 101 318.4 miljoen euro.
5.2.3
Aanpassing begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar
2013: Algemene Toelichting
De initiële begroting van 2013 was uitgegaan van een economische groei van 0.7% van het bbp. De
begrotingscontrole in 2013 stelde echter vast dat deze groei teruggevallen was tot 0.2% van het bbp
vanwege verslechterde conjunctuurvooruitzichten. Bijgevolg werd de begrotingsdoelstelling
52
bijgesteld van een vorderingstekort gelijk aan 2.15% naar 2.5% van het BBP. Verder diende de
regering Di Rupo bijkomende begrotingsmaatregelen te nemen om de vooropgestelde
begrotingsdoelstellingen te realiseren. Bij het definiëren van deze maatregelen zou de regering de
voorkeur geven aan inspanningen in structurele termen zodanig dat het begrotingsbeleid minder
onderhevig wordt aan conjunctuurschommelingen. Deze keuze sluit eveneens aan bij de Europese
economic governance zoals vastgelegd in het verdrag inzake stabiliteit.
De bijkomende maatregelen die de regering tijdens het begrotingsconclaaf van april 2013 instelde
hadden in totaal een waarde van 364.4 miljoen euro. De belangrijkste maatregelen betroffen een
verhoging van de btw op circulaire bedrijfsmiddelen (115.1 miljoen euro), liquidatiebonus verbonden
met de versterking van het kapitaal (80 miljoen euro) en een verhoging van de accijnzen op tabak
(50 miljoen euro). Ondanks deze bijkomende maatregelen daalden de geraamde totale ontvangsten
voor 2013 tot 109 649.9 miljoen euro. In vergelijking met de ontvangsten van 2012 was dat een
daling 1 264.2 miljoen euro of -1.1%. Vreemd genoeg nemen de geraamde fiscale ontvangsten wel
toe met 3 155.8 miljoen euro of +3.2% tegenover 2012 tot een geraamde 102 522.3 miljoen euro.
De aangepaste begroting voor 2013 schatte de totale overheidsuitgaven op 61 994.6 miljoen euro.
De grootste uitgavenpost van de Belgische overheid in 2013 was de sociale cel (pensioenen, sociale
zekerheid, volksgezondheid, etc.), met een totale uitgave gelijk aan 28 059.6 miljoen euro ofwel
45.26% van de totale uitgaven. Ten opzichte van 2012 is dit een absolute toename van 7.54% en is
het aandeel van de sociale cel in de totale uitgaven met 1.71 procentpunt toegenomen. De
herfinanciering van de overheidsschuld, namelijk de aflossingen en terugbetalingen van de
overheidsschuld, bedroeg 43 343.8 miljoen euro. Ondanks de lagere interestvoeten op lange termijn
is de uitgave voor de herfinanciering gestegen met 5.26% sinds 2012. Dit brengt de totale uitgaven
voor 2013 op 105 338.4 miljoen euro, een verder toename van 4.21% ten opzichte van 2012.
5.2.4
De werkelijke verwezenlijkingen 2013
De uiteindelijke federale ontvangsten in 2013 bleken 109 940.1 miljoen euro te zijn, een zeer kleine
daling van de inkomsten tegenover 2012 met -974 miljoen euro of -0.89%, terwijl de werkelijke
totale uitgaven 105 057.6 miljoen euro bedroegen, eveneens een klein daling van -242.2 miljoen
ofwel -0.23%. Hoewel de regering Di Rupo erin slaagde om de begroting van de federale overheid
met een overschot af te sluiten, slaagde hij er niet in om de gezamenlijke overheid tot dezelfde
positieve evolutie aan te zetten. Voor de gezamenlijke overheid verhoogden de totale ontvangsten
met 3.59% tot 203 526.9 miljoen euro. De totale uitgaven stegen in 2013 nog verder met 2513.3
miljoen euro tot 215 253.1 miljoen euro, een toename van 1.18%. Het vorderingstekort strandde
daarmee op -11 534.5 miljoen euro ofwel een begrotingstekort van 2.96% van het BBP. Het
oorspronkelijk doel van de federale regering was om het gezamenlijke tekort te beperken tot 2.5%
van het BBP en dit werd dus niet gehaald. Met een tekort van 2.96% van het BBP voldeed de
gezamenlijke regering ook niet aan de aanbevelingen gegeven door de Raad van de Europese Unie.
Na de slechte begrotingsresultaten van 2012 had de Raad een vorderingstekort gelijk aan 2.7% van
het BBP vooropgesteld.
Gezien de grealiseerde begrotingstekorten op gezamenlijk niveau steeg de brutoschuld van de
gezamelijk overheid verder tot 412 770 miljoen euro. De kritische schuldgraad bedroeg in 2013
106.03% van het bbp. Dat is een toename van 2.17 procentpunt tegenover 2012. De doelstelling
om de schuldgraad onder de 100% van het BBP te brengen is dus niet behaald, in tegendeel zelfs.
5.3 Jaar 2014
Met begrotingsdoelstellingen die de federale regering voor 2014 vooropstelde wilde de regering het
structurele tekort van de gezamelijke overheid beperken tot 1.2% van het bbp. Dit kwam neer op
een nominaal tekort gelijk aan 2.1% van het bbp. De uiteindelijke doelstelling werd echter
vastgesteld op 2.3% van het bbp en zou een inspanning van 2.9 miljard euro vereisen bovenop de
reeds vastgelegde maatregelen in het stabiliteitsprogramma. Opnieuw waakte de federale regering
erover dat deze inspanningen voornamelijk gezocht werden bij de werking van de administraties om
de economische groei zo weinig mogelijk af te remmen. Verder verbond de federale regering er zich
53
toe om de schuldgraad van de gezamenlijke overheid terug te brengen onder de 100% van het bbp.
Bij het vooropstellen van deze doelstellingen werd er nog geen rekening gehouden met de mogelijk
impact op de ontvangsten en uitgaven van de federale overheid van het in voege treden op 1 juli
2014 van de zesde staatshervorming (Federale overheid, 2013). In 2013 bedroeg de reëele groei
0.1% van het bbp, bij het opstellen van de begroting voor 2014 hanteerde de federale overheid een
geraamde reëele groei van 1.1% voor 2014. Om deze groei verder aan te zwengelen werden er in
2014 bijkomende middelen vrijgemaakt voor een relancebeleid. De tijdelijke verlaging van het btwtarief op electriciteit (van 21% naar 6%) is één van de meest gekende relancemaatregelen uit 2014.
Sinds het begin van de legislatuur zou de federale regering ongeveer 1.1 miljard euro geïnvesteerd
hebben in relancemaatregelen.
5.3.1
Overheidsontvangsten 2014
Voor het jaar 2014 werd er door de federale overheid gerekend op 114 105 miljoen euro (+3.1%)
aan ontvangsten. Niet minder dan 109 027.7 miljoen euro hiervan kwam uit de federaal geïnde
fiscale ontvangsten. Hiermee stijgen de fiscale ontvangsten met 4709 miljoen euro of +4.51% dan
de ontvangsten in 2013. De directe belastingen waren goed voor 62 973.7 miljoen euro (+6.4%) en
vormden zo de grootste categorie van de fiscale ontvangsten. De overige categoriën zijn beduidend
lager maar ook allemaal gestegen tegenover 2013. Douanerechten (+4.3%), Accijnzen en diverse
(+3.9%), BTW en diverse taksen (+4.4%), registratierechten (+6%) en successierechten (+8.3%).
De belangrijkste fiscale maatregelen die in 2014 genomen werden waren de invoering van de fairness
tax (+165 miljoen euro), onderwerping van advocaten aan btw (+89 miljoen euro), aanpassing van
de abonnementstaks (+171 miljoen euro), accijnsverhoging op tabak (+100 miljoen euro), verlaging
van de steun voor biobrandstoffen (+118 miljoen euro) en de vervanging van de 1% vrijstelling bij
de bedrijfsvoorheffing door een vermindering van de socialezekerheidsbijdrage (+996 miljoen euro).
De cijfers die aangehaald worden bij deze maatregelen zijn een raming van de impact van de
maatregelen uitgevoerd in de begroting van 2014. De belangrijkste verschillen tussen de fiscale
inkomsten in 2013 en 2014 bevinden zich in de roerende voorheffing (+8.6% of 361 miljoen euro),
bedrijfsvoorheffing (+5.3% of 2 229 miljoen euro) en de btw (+6.05% of +1 705 miljoen euro).
5.3.2
Overheidsuitgaven 2014
De geraamde totale uitgaven voor 2014 bedroegen 98 847.7 miljoen euro: een sterke daling van
6209.9 miljoen euro (-5.91%). Deze sterke daling is het gevolg van een sterke terugval in de
herfinanciering in de schuld. De primaire uitgaven in 2014 blijven wel op hetzelfde niveau als de
primaire uitgaven van de voorgaande jaren.
5.3.3
De werkelijke verwezenlijkingen 2014
De werkelijke cijfers voor de federale inkomsten en uitgaven zijn nog niet gepubliceerd. De werkelijke
inkomsten en uitgaven van de gezamenlijke overheid zijn echter wel al bekend bij de Nationale Bank
van België. De gezamelijke ontvangsten in 2014 bedroegen 205 529.9 miljoen euro (57.1% van het
bbp) en de gezamelijke uitgaven 218 584.7 miljoen euro (60.73% van het bbp). Op het einde van
2014 bedroeg het vorderingstekort 13 057.8 miljoen euro ofwel 3.32 % van het bbp. Hiermee
verslechterde het vorderingstekort en voldeed België opnieuw niet aan de buitensporige
tekortenprocedure. De doelstelling om het vorderingstekort terug te dringen tot 2.5% van het bbp
en de Europees opgelegde doelstelling van 2.7% werden beide niet gehaald. De gezamenlijke
brutoschuld bedroeg in 2014 428 365 miljoen euro, wat overeen komt met een schuldgraad gelijk
aan 108.88% van het BBP. Dat is de hoogste schuldgraad van de regeerperiode. Vanaf 2015 trad er
een nieuwe regering aan onder leiding van premier Charles Michel.
54
5.4 Besluit
Gezamelijke overheid
in miljoenen euro's
BBP
Gezamelijke inkomsten
Gezamelijke inkomsten % bbp
Gezamelijke uitgaven
Gezamelijke uitgaven % bbp
Vorderingsoverschot of -tekort
Vorderingsoverschot of -tekort %
bbp
2011
2012
2013
2014
387 835
388 184
389 291
393 414
187 379,6
196 666,5
203 718,6
205 526,9
48,31%
50,66%
52,33%
52,24%
202 926,4
212 739,8
215 253,1
218 584,7
52,32%
54,80%
55,29%
55,56%
-15 546,8
-16 073,3
-11 534,5
-13 057,8
-4,01%
-4,14%
-2,96%
-3,32%
Gezamelijke brutoschuld
387 629
403 175
412 770
428 365
Gezamelijke brutoschuld % bbp
Tabel 5-3: Kerncijfers gezamelijke overheid
99,95%
103,86%
106,03%
108,88%
De federale regering van Di Rupo had een gezamenlijk begrotingsevenwicht in 2015 vooropgesteld.
Om dit te bereiken werd een begrotingspad uitgewerkt overheen de verschillende jaren met zowel
jaarlijkse als vierjaarlijkse doelstellingen. De jaarlijkse doelstellingen die de regering Di Rupo
vooropstelde voor de gezamenlijke begroting werden geen enkele keer behaald, net zoals de
jaarlijkse doelstellingen opgelegd door de Raad van Europa (na advies van de Europese Comissie).
Dit ontlokte scherpe kritiek van de Raad op het begrotingsbeleid van de regering Di Rupo. In de drie
jaar tijd dat Di Rupo premier was van België, zakte het gezamenlijke begrotingstekort slechts één
maal, in 2013, nipt onder de 3%-grens die de buitensporige tekortenprocedure bepaalt. Daarenboven
stellen we vast dat zowel de gezamenlijke inkomsten als uitgaven, zowel in absolute cijfers als in
verhouding tot het bbp, zeer sterk toegenomen zijn ten opzichte van 2011. Over het algemeen
slaagde de regering er in om het vorderingstekort van de gezamenlijke overheid terug te dringen,
maar deze vermindering was ruim onvoldoende om de begrotingsdoelstellingen inzake het tekort te
behalen. Ten slotte had de regering Di Rupo zich ieder jaar voorgenomen om de schuldgraad van de
gezamenlijke Belgische overheid terug te brengen onder de 100% van het BBP. We stellen echter
vast dat de schuldgraad jaar na jaar gestegen is tot een record van 108.88% van het bbp in 2014.
In de economische literatuur wordt een schuldgraad van 90% van het bbp vaak aanzien als een
kritieke grens waarboven de economische groei aanzienlijke vertragingen kan oplopen. Deze
Ricardiaanse equivalentie werd eerder uitgelegd in het economisch kader en zal later nog besproken
worden aan de hand van de resultaten uit het VAR-model. We kunnen wel besluiten dat het niveau
van de schuldgraad zeer kritisch is.
De begroting van de federale regering was onder het bewind van Di Rupo steeds op orde en liet jaar
na jaar een begrotingsoverschot registreren. De federale inkomsten stegen van 100 132.1 miljoen
euro in 2011 naar 110 353.2 miljoen euro in 2014, een toename van 10.21%. Tegelijk daalden de
federale uitgaven met 630.5 miljoen euro (-0.63%), van 99 447.6 naar 98 817.2 miljoen euro. Deze
vergelijking laat duidelijk zien dat de focus van de regering Di Rupo op een verhoging van de
inkomsten lag en niet zozeer op een beperking van de uitgaven. Zoals eerder besproken,vormen de
belastingen het makkelijkste en meest gebruikte instrument van het budgettaire beleid. Het tweede
instrument, de uitgaven, zijn vaak vastgelegd met contracten en verbintenissen die overheen
verschillende regeerperiodes lopen. Daarenboven wordt het beperken van de uitgaven vaak aanzien
als een onpopulair alternatief vanwege de negatieve sociale impact die hiermee geassocieerd wordt.
De critici waren tevens niet mals voor de begrotingsmaatregelen die de federale regering genomen
heeft. Een groot stuk van het grote aantal begrotingsmaatregelen van de regering Di Rupo bleken
éénmalige maatregelen te zijn. Zo besliste de regering bijvoorbeeld om éénmalig een deel van de
belastingen op levensverzekeringen vervroegd te innen. Belastingen op levensverzekeringen worden
normaal gezien geïnd op het moment dat deze verzekeringen uitgekeerd worden aan de spaarder.
Er werd hier geen rekening gehouden met het feit dat de toekomstige regeringen geen aanspraak
meer kunnen maken op het volledige belastingspercentage dat geheven wordt op
55
levensverzekeringen. De voornaamste structurele maatregelen hebben voornamelijk betrekking op
de inkomsten en niet zozeer op de uitgaven. Het verhogen van de roerende voorheffing is hiervan
waarschijnlijk de belangrijkste. Tegenover 2011 brengt de verhoging, van 15% naar 21%, in 2014
ongeveer 1.5 miljard euro extra op voor de federale overheid.
Op gezamenlijk niveau stegen zowel de totale ontvangsten (+9.68%) als de totale uitgaven
(+7.72%) ten opzichte van 2011. Dit is een duidelijk ‘spending’ beleid waarbij de regering eerst de
economie poogt te stimuleren om vervolgens, in betere economische tijden, een sanering door te
voeren. Van 2011 tot 2014 investeerde de federale regering alleen al 1.1 miljard euro in
relancemaatregelen om de economische groei te prikkelen. Een eerder aangehaald voorbeeld van
deze maatregelen is de tijdelijke vermindering van het btw-tarief, van 21% naar 6%, op electriciteit.
Hoe effectief dit spending beleid van de gezamelijke overheid geweest is, zal vastgesteld worden in
de vergelijking met de resultaten uit de het VAR-model.
6 Budgettaire multiplicator
Na de literatuurstudievan de verschillende empirische methoden kwamen we tot het besluit dat het
SVAR-model het meest geschikte empirische model is in deze masterproef.
Bij het opstellen van het onderstaande VAR-model werd er gebruik gemaakt van cijfers van de
Nationale Bank van België die betrekking hebben op de gezamenlijke overheid en niet enkel op de
federale regering. Deze cijfers hebben namelijk een groter en correcter verklarend vermogen inzake
de impact van het budgettaire beleid op de economische activiteit van België. Indien enkel de cijfers
van de federale overheid opgenomen zouden worden in het model, zou er een onvolledig beeld
geschetst worden van de economische situatie in België. Uit de cijfers van de federale regering zou
bijvoorbeeld de indruk ontstaan dat de belastingsdruk in de Belgische economie niet hoog ligt, terwijl
dit op gezamenlijk niveau wel het geval is. Het model zou hieruit een foutieve reactie van de
economische activiteit op een impuls in de belastingsinkomsten kunnen afleiden. De resultaten vanuit
het model zouden bijgevolg sterk vertekend kunnen zijn. Het gebruik van de resultaten uit dit model
om de maatregelen van de federale regering te onderzoeken kan eveneens verantwoord worden.
Deze maatregelen hebben betrekking op de volledige Belgische economische activiteit en vormen
een algemene trend voor de maatregelen van de deelstaten.
6.1 Variabelen
Het onderstaande VAR-model hanteert zes verschillende variabelen, namelijk: het BBP, de
werkloosheidsgraad, de loonkost per eenheid product, de totale overheidsontvangsten, de fiscale en
parafiscale overheidsontvangsten en de overheidsuitgaven. Hoewel het aantal variabelen eerder
beperkt lijkt om de economische invloed van een budgettair beleid te onderzoeken, omvat deze
verzameling toch de belangrijkste variabelen. Deze zes variabelen werden in het eerste onderdeel
van deze thesis, het economische kader, reeds uitgebreid besproken. Hieronder wordt nog een korte
omschrijving gegeven.
Het Bruto Binnenlandse Product in groeicijfers is gebaseerd op het Bruto Binnenlands product in
volume weergegeven in kettingeuro’s4, met referentiejaar 2012, en in miljoenen euro’s. De data voor
het berekenen van de groei waren reeds seizoensgezuiverd en gecorrigeerd voor kalendereffecten.
De evolutie van het Bruto Binnenlands Product kan opgedeeld worden in twee onderliggende
factoren. Namelijk de de factor die de onderliggende volume-effecten weergeeft en de factor die de
onderliggende prijs-effecten weergeeft. Aangezien wij enkel geïntresseerd zijn in het volume-effect
dient het prijs-effect geëlimineerd te worden. Sinds 2006 wordt dit gedaan aan de hand van
kettingeuro’s.
4
56
Verder in het model zal naar deze variabele gerefereerd worden als ‘BBP_groei’. De
werkloosheidsgraad is een procentuele weergave van het aantal werklozen in de beroepsbevolking.
Deze variabele wordt aangeduid met de referentienaam ‘WerklooshGR’. De variabele loonkost per
eenheid product (gebaseerd op personen) is een weergave van de loonkost per geproduceerde
eenheid in euro. Deze variabele wordt berekend door de arbeidseenheidkost te delen door de
arbeidsproductiviteit. Bij het berekenen van deze variabele werd er rekening gehouden met de totale
economie of, met andere woorden, alle activiteiten van de economie werden toegevoegd. De data
zijn eveneens seizoensgezuiverd en gecorrigeerd voor kalendereffecten. In het model wordt deze
variabele als ‘loonkostpp’ weergegeven. Overheidsinkomsten is een variabele die de totale
kwartaalontvangsten, in miljoenen euro’s, van de Belgische overheid in verhouding tot het BBP naar
volume omvat. Deze variabele mag niet verward worden met de variabele Fiscale en parafiscale
ontvangsten. Deze laatste variabele verwijst namelijk naar alle kwartaalontvangsten, in miljoenen
euro’s, van de Belgische overheid via directe of indirecte belastingheffing in verhouding tot het BBP
naar volume. De variabele ‘fiscale en parafiscale ontvangsten’ wordt aan het model toegevoegd
omdat deze in principe een betere weergave is van het gevoerde budgettaire beleid. De totale
overheidsontvangsten zullen in het model weergegeven worden als ‘Tot_Ontvangsten_BBP’ en de
fiscale en parafiscale ontvangsten als ‘Fisc_Ontvangsten_BBP’. De laatste variabele van het model
zijn de overheidsuitgaven, dit omvat de totale kwartaaluitgaven van de Belgische overheid in
miljoenen euro’s in verhouding tot het BBP naar volume. Verder in het model wordt deze variabele
als ‘Uitgaven_BBP’ benoemd.
Vrijwel alle gegevens werden geëxporteerd vanuit de database van de Nationale Bank van België.
Enkel voor de variabele loonkost per eenheid product werd gebruik gemaakt van de database van
de Europese Centrale Bank. De tijdsperiode gehanteerd voor de data van de variabele loopt van het
tweede kwartaal van 1995 tot het laatste kwartaal van 2011. De tijdsperiode begint in 1995 omdat
de Nationale Bank van België niet beschikt over de benodigde kwartaalgegevens voor 1995. Dat de
tijdsperiode in het laatste kwartaal van 2011 eindigt wordt in het volgende onderdeel, de
methodologie, verder toegelicht.
Het VAR-model is een lineair model en berekent de multiplicator op basis van de gewogen gemiddelde
methode. Hiervoor wordt er gebruik gemaakt van historische gegevens overheen de verschillende
jaren. Hoe verder terug in de tijdsreeks, hoe meer gegevens en hoe nauwkeuriger de multiplicator.
Een grote tekortkoming is echter dat het VAR-model aan elk jaar hetzelfde gewicht geeft waardoor
een crisisjaar zoals 2008 gelijkgesteld wordt aan een normaal jaar zoals 2002, terwijl 2008 niet
representatief is voor de normale economische conjunctuur. Deze uitschieters kunnen echter
gecorrigeerd worden door een dummy variabele toe te voegen aan het model.
6.2 Methodologie
In het theoretische kader werd reeds duidelijk gemaakt dat het SVAR-model de voorkeur geniet in
deze thesis. Deze methode werd hierboven reeds besproken en zal nu verder geconcretiseerd worden
in het licht van deze thesis. Het doel van het SVAR-model in deze thesis is de dynamische responses
van economische variabelen op een externe impuls weer te geven door tijdreeksanalyse te
combineren met economische theorieën.
Een SVAR kan, in principe, gebruikt worden om twee verschillende beleidstypes te onderzoeken:
beleidsimpulsen en beleidswijzigingen (Stock & Watson, Vector Autoregressions, 2001). In het geval
van een onderzoek naar een beleidsimpuls zal men, aan de hand van de impuls respons functies, het
effect van deze impuls op de toekomstige waarden van de variabelen voorspellen. Concreet wordt er
een impuls respons functie opgesteld voor elk causaal verband tussen de afhankelijke en
onafhankelijke variabelen in het model. Hoe deze causale verbanden bepaald worden,
wordtbesproken in het onderdeel output. De identificatie van deze causale verbanden is namelijk een
belangrijke stap in het toepassen van het VAR-model. Anders kunnen er identificatieproblemen
optreden. Op deze manier kan voorspeld worden wat de reactie zal zijn van bijvoorbeeld het BBP op
een vermindering van de overheidsuitgaven. Deze werkwijze zal gehanteerd worden voor de analyse
van het budgettaire beleid van Di Rupo en verklaart tevens waarom onze tijdsperiode eindigt in het
57
laatste kwartaal van 2011. De SVAR zal namelijk een schatting geven van de responses van de
variabelen op een beleidsimpuls. Dit is een groot voordeel voor beleidsmakers die aan de hand van
de SVAR, voorafgaand aan de beleidsimpuls, zich een idee kunnen vormen van het effect van de
impuls, maar het zorgt voor een complicatie in deze thesis. Aangezien we ons momenteel in het jaar
2015 bevinden, hebben de responses van de variabelen op beleidsimpulsen door de regering Di Rupo
reeds plaatsgevonden of vinden ze nog steeds plaats. Indien we data van de jaren 2012-2015 zouden
toevoegen aan het model zou het model een schatting maken van de responses op basis van data
waarin de effecten, die we proberen te voorspellen, reeds verwerkt zitten. Daarom werd ervoor
gekozen om de tijdsperiode in 2011 te laten eindigen.
Bij beleidswijziging gaat men het effect van een nieuwe beleidsregel onderzoeken. Bijvoorbeeld, wat
is het effect op de economie indien we overschakelen van de Taylor-regel5 naar een regel die expliciet
inflatie als doel heeft in het monetaire beleid (Stock & Watson, 2001)? Deze beleidswijziging is echter
een drastische en op relatief korte termijn realiseerbare omschakeling in het beleid. Een
omschakeling zoals in dit voorbeeld is veel moeilijker te realiseren op een korte termijn, binnen een
budgettair beleid. Overheidsuitgaven zijn vaak vastgelegd in contracten waardoor hun flexibiliteit
sterk beperkt wordt. De inning van belastingen is flexibeler op korte termijn, maar beleidsmakers
kunnen niet lichtzinnig omspringen met grote wijzigingen in de belastingen. Dit is namelijk niet
bevorderlijk voor de politieke en fiscale stabiliteit en het investeringsklimaat. Aangezien er geen
drastische beleidswijzigingen plaatsgevonden hebben in het budgettaire beleid van Di Rupo is deze
werkingsmethode niet van toepassing in dit werk.
De analyse van het budgettaire beleid van de regering Di Rupo zal dus gebeuren aan de hand van
een SVAR-model waarbij de eerste werkingsmethode wordt toegepast. Concreet zal er gebruik
gemaakt worden van het statistische programma Getl om een SVAR-model op te stellen waarin alle
variabelen toegevoegd worden. Het statistische programma zal als resultaat een overzicht geven van
alle geschatte effecten van de variabelen tot een impuls in alle verschillende variabelen. Hieruit zullen
de causale verbanden besproken worden die relevant zijn tot deze thesis. Zoals hierboven reeds
aangehaald werd, zullen de specifieke causale verbanden in het onderdeel output nog uitgebreid
besproken worden vanwege hun samenhang met het identificatieprobleem.
Uit de eerste resultaten, die verkregen werden met het opstellen van een VAR-model uitgevoerd met
8 lags en een constante, bleek dat de variabelen fiscale ontvangsten en totale ontvangsten elkaar
beïnvloeden. Het verschil tussen de fiscale en de totale ontvangsten is zeer klein waardoor het
onderlinge verband de resultaten sterk beïnvloedt en andere verbanden tussen variabelen
vertroebelt. Daarom werd er besloten om de variabele ‘Tot_Ontvangsten_BBP’ te verwijderen uit het
model en enkel met ‘Fisc_Ontvangsten_BBP’ verder te werken aangezien deze variabele een betere
weergave is van het budgettaire beleid. Het model dat hieronder opgebouwd en besproken wordt is
het tweede model met vijf variabelen.
6.3 Voorwaarden
Voordat we het SVAR-model laten opstellen door Gretl moeten we de data onderwerpen aan enkele
testen om te onderzoeken hoe de data zich gedraagt. Er dient geen ln genomen te worden van de
gebruikte variabelen aangezien alle variabelen in percenten uitgedrukt zijn.
6.3.1
Stationariteit
De eerste test die uitgevoerd werd was een controle op de stationariteit van de variabelen.
Stationariteit betekent dat de variabele onafhankelijk is van het meetmoment. In het geval van
economische data wilt dit vaak zeggen dat de data seizoensgezuiverd dient te zijn. Bij het analyseren
van tijdreeksen is het wenselijk dat de data stationair zijn omdat ze dan onafhankelijk zijn van het
5
De taylor-regel wordt gehanteerd door centrale banken om te bepalen hoeveel de nominale interest ratio
dient te wijzigen bij een wijziging in de inflatie, output of andere economische condities.
58
moment waarop de data gemeten werd. Op deze manier kan de werkelijke evolutie van een variabele
geanalyseerd worden losstaande van tijdsafhankelijke factoren. Wanneer men gebruik maakt van
non-stationaire variabelen in een regressieanalyse van een tijdreeks kan dit in valse statistische
relaties resulteren. De geschatte regressie kan statistisch significante correlaties weergeven tussen
variabelen terwijl er geen werkelijke relatie bestaat. Deze valse weergave van relaties kan leiden tot
een identificatieprobleem in het VAR-model.
Bij het opstellen van de ‘Augmented Dicky-Fuller test’ blijkt dat de gebruikte variabelen, met
uitzondering van ‘BBP_groei’, te maken hebben met non-stationariteit. De output van deze test zal
hier niet concreet besproken worden. Deze non-stationariteit kan vrij gemakkelijk opgelost worden
door de variabelen te differentiëren. Hierbij wordt het verschil van de data genomen in plaats van
de absolute data, waardoor in essentie de groei van de variabelen verkregen wordt. Het nadeel aan
het differentiëren van de variabelen is echter informatieverlies waardoor de lange termijn relaties
niet meer onderzocht kunnen worden. Daarom is het interessant om een tweede oplossing voor de
non-stationariteit in overweging te nemen, het Vector Error Correction Model (Pesaran, Shin, &
Smith, 2000). Deze speciale variant van het VAR-model kan gebruikt worden voor non-stationaire
data en geeft zowel korte termijn als lange termijn gecorrigeerde relaties weer. De voorwaarde om
het VECM te mogen gebruiken is dat de variabelen gecoïntegreerd zijn en de residuen van de
variabelen niet-gecoïntegreerd zijn. Om deze voorwaarde te onderzoeken maakten we gebruik van
de Engle-Granger test waaruit blijkt dat de variabelen niet voldoen aan deze voorwaarden. Het
gebruik van het VECM is dus niet toegelaten met deze variabelen. De eerste oplossing, het
differentiëren van de variabelen, zal daarom toegepast worden in dit model. Hiermee leggen we
reeds een nadeel van het hieronder opgestelde model bloot, namelijk een verlies aan informatie.
Hierdoor kunnen er geen conclusies gevormd worden over de langere termijn relaties tussen de
variabelen.
6.3.2
Normaliteit
Uit de Chi-square test blijkt dat niet alle variabelen normaal verdeeld zijn. Gezien de omvang van de
data vormt dit echter geen probleem om het model verder uit te voeren. We dienen verder geen
aandacht te geven aan de normaliteit van de variabelen in het model.
6.4 Beschrijvende statistiek
Nadat de data getransformeerd werd naar haar stationaire vorm kunnen we overschakelen op de
beschrijvende statistiek. In tabel 6-1 wordt de beschrijvende statistiek van de verschillende
variabelen weergegeven voordat ze getransformeerd werden naar hun stationaire vorm. In tabel 62 wordt de beschrijvende statistiek gegeven van de verschillende variabelen na de transformatie.
Mean
BBP_groei
Median
Minimum
Maximum
Std.
Dev.
0,47463
0,5
-2,2
1,5
0,60436
WerklooshGR
8,1284
8
6,3
9,9
0,92717
Loonkostpp
0,5303
0,52
0,47
0,62
0,045293
Fisc_ontvangsten_BBP
36,309
35,677
27,768
48,496
5,4909
Uitgaven_BBP
42,448
40,785
36,61
54,841
4,7651
Tabel 6-1: Beschrijvende statistiek variabelen
Mean
BBP_groei
Median
0,47463
0,5
d_werklooshGR
-0,03485
0
d_Loonkostpp
0,002273
0
d_Fisc_ontvangsten_BBP
0,20591
0,083015
d_Uitgaven_BBP
0,23492
0,27658
Std.
Minimum Maximum Dev.
-2,2
1,5
0,60436
-1
1,1
0,37107
-0,01
0,02
0,00549
-11,961
11,712
8,9805
-7,8308
9,4244
2,1597
Tabel 6-2: Beschrijvende statistiek gedifferentiërde variabelen
59
Vanuit tabel 6-2 zullen de beschrijvende statistiek van de getransformeerde variabelen analyseren.
De gemiddelde kwartale groei van het bbp, van 1995 tot en met 2011, bedroeg 0.47% met een
relatief grote standaardafwijking van 0.60436. De minimum en maximum waarden zijn eveneens
redelijk extreem voor de kwartale economische groei waardoor we kunnen veronderstellen dat deze
variabele te maken heeft met een brede spreiding en/of sterke uitschieters. Het is opvallend dat de
gedifferentiëerde werkloosheidgraad een negatief gemiddelde kent en een mediaan gelijk aan 0. Dit
zou willen zeggen dat de evolutie van de werkloosheidsgraad licht negatief tot constant is. De
gedifferentiëerde loonkost per eenheid product kent zeer klein waarden wat erop duid dat de loonkost
per eenheid product de afgelopen jaren een zeer stabiele en licht stijgende evolutie gekent heeft.
Het minimum en maximum zijn gelijk aan -0.01 en 0.02, dit betekent dat de loonkost per eenheid
product maximaal negatief wijzigde met één eurocent of maximaal postief wijzigde met twee
eurocent. Het is noodzakelijk dat we deze relativering in het achterhoofd de houden bij de verdere
analyses in ons model. De variabele d_Fisc_Ontvangsten_BBP kent een bredere spreiding van de
gegevens. Dit kunnen we aflezen aan het grote verschil tussen de minimum en maximum waarden
alsook de grote standaardafwijking. Dit grote verschil tussen het minimum en maximum stellen we
ook vast bij d_Uitgaven_BBP, maar deze variabele kent een veel kleinere standaardafwijking. Dit
duid erop dat de variabele d_Uitgaven_BBP meer te maken zal hebben met uitschieters dan
d_Fisc_Ontvangsten_BBP. Beide variabelen hebben wel een positief gemiddelde en een positieve
mediaan, de fiscale overheidsinkomsten en de overheidsuitgaven kende dus, van 1995 tot 2011, een
stijgende trend.
Na de samenvattende statistieken onderzoeken we de data op uitschieters aan de hand van de
standaardafwijking. Wanneer er uitschieters vastgesteld worden in een onderzoek naar een beleid
dient steeds de oorzaak van de uitschieters onderzocht te worden. Een uitschieter kan belangrijke
informatie bevatten voor het onderzoek indien deze een reactie is op een beleidsmaatregel. In dat
geval is het interessant om de uitschieter niet te corrigeren. De uitschieter dient wel gecorrigeerd te
worden indien deze een externe oorzaak kent dat niet in lijn ligt met het onderzoek en daarom een
vertekend beeld kan geven van de resultaten. Uitschieters beïnvloeden de resultaten sterk en
destabliseren het model. Het gevolg hiervan is een onzekerheid over de capaciteit van het model om
de echte relaties tussen de variabelen vast te leggen. Het VAR-model berekent een multiplicator op
basis van de gewogen gemiddelde methode doorheen de gekozen tijdsperiode. Het resultaat van dit
model is één multiplicator op basis van de gemiddelde multiplicatoren doorheen de tijd. Concreet zal
het VAR-model een gelijk gewicht geven aan elke multiplicator bij het berekenen van het resultaat.
Dit betekent dat de multiplicator van de periode 1995 Q2 en 2008 Q4 gelijk gesteld worden terwijl
het jaar 2008 geen normale economische omstandigheden kende en dus een uitschieter is. Het VARmodel is met andere woorden gevoelig voor uitschieters. Eerst geven we de verschillende variabelen
visueel weer om een eerste inspectie op uitschieters te doen.
60
BBP_groei
d_WerklooshGR
1,5
d_Loonkostpp
1,5
0,02
1
0,015
1
0,5
0
0,01
0,5
-0,5
0,005
0
-1
-1,5
0
-0,5
-0,005
-2
-2,5
-1
1996
2000
2004
2008
2012
-0,01
1996
d_Fisc__Inkomsten__BBP
2000
2004
2008
2012
1996 2000 2004 2008 2012
d_Uitgaven__bbp
15
10
8
10
6
5
4
2
0
0
-5
-2
-4
-10
-6
-15
-8
1996
2000
2004
2008
2012
1996
2000
2004
2008
2012
Figuur 27: Visuele weergave van de variabelen in het model
Daarna werd er voor de variabelen die duidelijk kandidaat-uitschieters bevatten een Q-Q plot
opgesteld (terug te vinden in de bijlagen 11.1) om eventuele afwijkingen in de data duidelijker weer
te geven. Ten slotte werd er nagegaan of een kandidaat-uitschieter sterker afwijkt dan driemaal de
standaardafwijking ten opzichte van het gemiddelde. Zo kan er met zekerheid bepaald worden of
een waarde significant afwijkt en als uitschieter beschouwd mag worden. Deze mathematische
analyse wordt weergegeven in de bijlage 11.2.
De variabele BBP_groei kent op het eerste zicht een kandidaat-uitschieter in het vierde kwartaal van
2008 en het eerste kwartaal van 2009. Dit is een duidelijk weerslag van de economische crisis die
toen plaats vond (zie economische kader). Na de mathematische analyse werd vastgesteld dat beide
waarden significant afwijken van het gemiddelde. Aangezien de uitschieters in 2008 en 2009 geen
reactie vormden op een beleidsimpuls maar op een externe factor besluiten we om deze uitschieters
uit het model te verwijderen aan de hand van een dummy variabele.
De variabele d_werklooshGR heeft de meeste kandidaat-uitschieters van alle variabelen in het model.
Aan de hand van de visuele analyse selecteren we zes waarden als kandidaat-uitschieters, namelijk:
2001 Q4, 2004 Q2, 2004 Q3, 2006 Q3, 2008 Q4 en 2011 Q1. Na het toepassen van de
mathematische analyse bleek enkel 2004 Q3 een uitschieter te zijn. Dat de werkloosheidsgraad zo
sterk toenam in een periode van economische groei is enigsinds verbazend. Er werd geen verklaring
gevonden voor deze uitschieter en deze zal daarom uit het model verwijderd worden.
Voor de variabele d_loonkostpp stellen vier kandidaat-uitschieters vast: 1996 Q1, 2004 Q1, 2008 Q4
en 2010 Q1. Hiervan blijkt slechts één waarde significant af te wijken van het gemiddelde, namelijk
2008 Q4. Deze uitschieter geeft duidelijk de algemene verslechtering van de Belgische
concurrentiepositie op de wereldmarkt weer als gevolg van de economische crisis in 2008 (besproken
61
in het economisch kader). We besluiten dat deze uitschieter het gevolg is van een externe factor en
zal daarom verwijdert worden uit de dataset aan de hand van een dummy variabele.
d_Fisc_Ontvangsten_BBP is de moeilijkste variabele om visueel uitschieters waar te nemen. Om bij
deze variabele uitschieters vast te stellen werd de mathematische analyse toegepast op het minimum
en maximum. Daaruit bleek dat deze waarden geen uitschieters vormden en mogen we dus
concluderen dat deze variabele geen uitschieters bevat.
Als laatste heeft de variabele d_Uitgaven_BBP op het eerste zicht twee kandidaat-uitschieters in
2005 Q1 en 2005 Q2. Deze twee waarden wijken mathematisch gezien significant af van het
gemiddelde en vormen dus allebei een uitschieter in de dataset. We mogen niet vergeten dat bij het
opstellen van het model het verschil van de variabelen gehanteerd wordt om het non-stationariteits
probleem op te lossen. Dit betekent dat de tweede uitschieter (2005 Q2) die hier vastgesteld wordt
een reactie is op de eerste uitschieter. De eerste uitschieter geeft een werkelijke sterke toename in
de overheidsuitgaven weer terwijl de tweede uitschieter de evolutie naar een normaler niveau
weergeeft. Toch zullen beide uitschieters uit het model verwijderd worden door middel van een
dummy variabele omdat beide uitschieters het gevolg zijn van éénzelfde externe factor. Een mogelijk
verklaring voor deze uitschieters zou de modernisering van de overheidsdiensten kunnen zijn waarbij
er prioritaire uitgaven toegekend werden aan justitie, veiligheid en de gezondheidszorg. De
uitschieters kunnen echter niet met zekerheid verklaard worden en zullen daarom verwijderd worden
uit het model door middel van een dummy variabele.
6.5 Output
Bij het uitvoeren van een SVAR-model worden er steeds drie testen als output gegeven: Grangercausality statistics, Impulse responses en Forecast error decomposition (Stock & Watson, 2001). De
eerste test is de output van een standaard VAR-model waarbij de onderliggende verbanden
onderzocht worden. De twee andere testen vormen de output van het SVAR-model dat ons zal helpen
bij de analyse van het budgettaire beleid van de regering Di Rupo. Het statistische programma Gretl
voorziet echter nog geen SVAR-implementatie, maar wel een implementatie van de Cholesky
decomposition-based approach. Deze benadering is de klassieke en meest populaire variant van een
SVAR-model. Deze drie testen zullen hieronder uitgebreid besproken worden.
Bij het opstellen van het VAR-model is het essentieel om het aantal lags te laten vaststellen via de
‘VAR lag selection’ in Gretl. Deze test onderzoekt hoeveel extra periodes opgenomen dienen te
worden in het VAR-model om de vertraagde effecten van de variabelen correct weer te geven. Voor
VAR-modellen die kwartaal data verwerken blijkt de Hannan-Quinn Criterion (HQC) de meest
accurate test te zijn om het aantal lags te bepalen (Ventzislav & Lutz, 2005). Met uitzondering voor
modellen met een aantal waarden lager dan 120, dan is de Schwarz Information Criterion (SIC) de
meest geschikte test. Gretl beschikt echter niet over de SIC test dus baseren we ons op de HQC test
om het aantal lags te bepalen (zie bijlage 11.3). Hieruit blijkt dat voor ons VAR-model drie lags het
meest geschikte aantal is.
6.5.1
Granger-causality statistics
De Granger-causality test onderzoekt of de vertraagde effecten van een variabele de waarde van
een andere variabele helpt te voorspellen. Concreet geeft deze test onderliggende verbanden tussen
variabelen die elkaar helpen te voorspellen weer. Een variabele X kent een Granger-oorzaak tot een
variabele Y indien Y beter voorspeld kan worden door zowel de data van X en Y te gebruiken dan
enkel de data van Y. Deze gelijktijdige invloeden dienen geïdentificeerd te worden indien men
identificatieproblemen in het verdere model wilt vermijden, wat voornamelijk voorkomt bij
structurele gevolgetrekkingen en beleidsanalyses. Deze analyses vereisen dat er een onderscheid
gemaakt wordt tussen een correlatie en een causaal verband, dit wordt het identificatieprobleem
genoemd (Stock & Watson, 2001). Dit probleem kan echter niet op een statistische manier opgelost
worden en dient aangepakt te worden op basis van economische theorie en institutionele kennis. De
granger-causality test geeft de correlaties tussen de verschillende variabelen weer en het is aan de
onderzoeker om deze correlaties te onderbouwen als causale verbanden op basis van economische
62
theoriën. Bij het gebruik van een SVAR zijn deze identificatieassumpties een vereiste opdat de
verbanden tussen de variabelen correct geïnterpreteerd kunnen worden en men tot een goede
analyse van het beleid komt. Voor de onderzoeker is het vaak verleidelijk om een bevestiging van
hun correlaties te zoeken in plaats van een verband te onderbouwen (Stock & Watson, 2001).
Er bestaan verschillende manieren om toch geloofwaardige assumpties te onderbouwen. Een eerste
mogelijkheid is gebaseerd op gedetailleerde institutionele kennis. Blanchard en Perotti (1999) pasten
dit toe in hun studie naar de macroeconomische effecten van het budgettaire beleid. Het onderzoek
van Bernanke en Mihov (1998), die gebruik maakten van een model mbt de reserven markt om
monetaire schokken te identificeren, is hier een ander voorbeeld van. Een tweede mogelijke aanpak
zijn lange termijn beperkingen om schokken te identificeren. Deze aanpak wordt gehanteerd in de
studie van King, Plosser, Stock en Watson (1991). Hoewel lange termijn assumpties gebaseerd op
een oneindige toekomst echter ook vragen oproept (Faust & Leeper, 1997). Een derde mogelijkheid
is expliciet erkennen dat er onzekerheid is in de onderliggende assumpties van het structurele VARmodel en daaruit onderzoeken welke gevolgtrekkingen nog gemaakt kunnen worden. Zowel Faust
(1998) als Uhlig (2005) bespreken deze laatste methode.
De Granger-Causality statistics in de tabel hieronder werden verkregen door het uivoeren van een
VAR met drie lags en een constante overheen een periode van 1995 Q3 tot en met 2011 Q4. Concreet
worden de p-waarden weergegeven van de F-statistieken die testen of de relevante sets van
coëfficienten gelijk zijn aan nul. Bij de analyse van deze tabel zal er steeds uitgegaan worden van
een 5% significantieniveau.
BBP_groei
BBP_gr
/
Afhankelijke variabele in de regressie
d_werkloosh d_loonkostp
d_Fisc_inkom
GR
p
-sten_BBP
0,0156
0,1419
0,000
d_Uitgaven
_BBP
0,000
0,009
/
0,5234
0,0787
0,0424
d_loonkostpp
d_Fisc_inkomsten_
BBP
0,000
0,8193
/
0,0294
0,1381
0,3368
0,0672
0,3751
/
0,1105
0,0011
0,6624
d_Uitgaven_BBP
Tabel 6-3: Output van de Granger-causality test
0,0684
0,0385
/
Regressor
d_werklooshGR
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de variabele ‘BBP_groei’ beter voorspeld kan worden indien de
variabelen ‘d_werklooshGR’, ‘d_loonkostpp’ en ‘d_Uitgaven_BBP’ toegevoegd worden aan de
regressievergelijking met BBP_groei als afhankelijk variabele. Dit betekent dat BBP_groei drie
significante correlaties kent met andere variabelen in het model. De eerste correlatie geeft een
negatief verband weer tussen de werkloosheidgraad en de groei van het bbp. De impact van de
werkloosheidsgraad op de economische groei is echter niet éénduidig en wordt daarom niet als een
causaal verband beschouwt. De tweede correlatie heeft betrekking op de variabele d_loonkostpp en
BBP-groei. De loonkost per eenheid product weerspiegeld in de concurrentiepositie van de Belgische
economie op de wereldmarkt. Wanneer een economie haar internationale concurrentiepositie
versterkt zal dit, in essentie, leiden tot een verhoogde export en een toenemende economische
activiteit. Het kwantitatieve onderzoek van Kasimovskaya en Didenko (2013) toont ondermeer aan
dat een land succesvol moet concurreren op de wereldmarkt om een lange termijn duurzame groei
te onderhouden. We beschouwen dit verband daarom als een causaal verband. De derde significante
correlatie omvat de relatie tussen de overheidsuitgaven en de groei van het bbp. Aangezien de
overheidsbestedingen een onderdeel vormt van de aggragatieve vraag in de economie zal het niveau
van de overheidsuitgaven, vie de bestedingsmultiplicator, een rechtstreekse invloed hebben op de
groei van het bbp (Mankiw & Taylor, 2014). Deze laatste correlatie mogen we zeker als een causaal
verband aanzien. Voor de variabele ‘BBP_groei’ kunnen we besluiten dat de drie correlaties
weergegeven door de Granger causality test causale verbanden zijn tussen de variabelen en
BBP_groei.
De enige significante correlatie die we vaststellen bij de variabele ‘d_werklooshGR’ is de correlatie
tussen de groei van het bbp en de werkloosheidgraad. Uit de literatuur blijkt dat de economische
63
groei zeker een invloed heeft op de korte termijn werkloosheid. Zo werd de sterke stijging van de
werkloosheid in 2008-2009 grotendeels verklaard door de vraaguitval en bijgevolg sterke daling in
de economische groei (Mian & Sufi, 2012). Op langere termijn bestaat er echter nog veel onzekerheid
over de bepalende factoren van de werkloosheid (Krugman, 1994). Op korte termijn mogen we
concluderen dat de groei van het bbp een causaal verband heeft tot de werkloosheidgraad.
De variabele ‘D_loonkostpp’ heeft volgens de Granger-causality statistics en aan de hand van een
5% significantie niveau geen significante correlaties met andere variabelen. Een verbazende
vaststelling aangezien de literatuur stelt dat er een duidelijke wisselwerking plaats vind tussen het
belastingsbeleid en de internationale concurrentiepositie. Het belastingsbeleid zou in staat zijn om,
in kapitaalmobiele economiën, de kapitaal stromen en de handelsbalans significant te beïnvloeden
(Summers, 1986).
De fiscale en parafiscale ontvangsten van de overheid worden mede verklaard door de groei van het
bbp, de uitgaven van de overheid en de loonkost per eenheid product, zoals blijkt uit de tabel. De
eerste correlatie is een vanzelfsprekend verband tussen de ontvangsten en het bbp. Wanneer de
economische groei erop vooruit gaat zullen eveneens de inkomsten die de overheid haalt uit directe
belastingen, BTW, accijnzen en de douanerechten stijgen. Omgekeerd zullen de inkomsten ook dalen
wanneer de economisch groei weg valt, zoals gebeurde tijdens de financiële crisis in 2008. Deze
correlatie kunnen we duidelijk zien als een causaal verband in het model. Het tweede verband, tussen
de fiscale en parafiscale ontvangsten en de uitgaven van de overheid, kunnen we eveneens als een
causaal verband beschouwen. Dit causaal verband is een weerspiegeling van de ‘Spend and Tax’
hypothese (Koren & Stiassny, 1998). Wanneer de overheid haar uitgaven verhoogt zal ze hier steeds
compenserende inkomsten voor moeten voorzien. Indien de stijgende overheidsuitgaven niet
gecompenseerd worden dreigt men het begrotingsevenwicht te verliezen en ziet men de schulden
van de overheid eveneens toenemen doordat men de uitgaven financiert met schulden. Zoals we in
de analyse van de beleidsmaatregelen besproken hebben was het begrotingsevenwicht en
terugdringen van de schulden een prioriteit van de regering Di Rupo, dit is dus een zeer interessant
causaal verband in de verder analyses. Het laatste significante verband van de fiscale en parafiscale
ontvangsten is het verband met de loonkost per eenheid product. Hierboven werd reeds aandgehaald
dat er een wisselwerking bestaat tussen het belastingsbeleid in de internationale concurrentiepositie.
Volgens het onderzoek van Summers (1986) zou de overheid haar belastingsbeleid aanpassen aan
de internationale concurrentiepositie. Om de concurrentiepositie te verbeteren kunnen de essentiële
belastingscomponenten verlaagt worden waardoor de handelsbalans zal verbeteren. Bij een
restrictief beleid kunnen de belastingen verhoogt worden om de concurrentiepositie te verminderen
en de economie te laten afkoelen.
De totale uitgaven van de overheid kent volgens het gehanteerde significantieniveau van 5% twee
interessante correlaties. Volgens de eerste correlatie zou de groei van het bbp een rol spelen in de
voorspelling van de overheidsuitgaven. Er is echter geen direct verband tussen de groei van het bbp
en de overheidsuitgaven, enkel indirecte verbanden. Deze correlatie vormt dus geen causaal verband
tussen beide variabelen. De tweede correlatie, werkloosheidsgraad met overheidsuitgaven,
weerspiegelt wel een direct verband. We kunnen stellen dat de werkloosheidsgraad mee bepaald wat
de uitgaven van de overheid inzake sociale uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen, investeringen in
werkmobilisatie, etc zullen zijn. We bestempelen deze correlatie bijgevolg als een causaal verband
tussen beide variabelen.
6.5.2
Impulse responses
De Impulse responses traceren de reacties van de huidige en toekomstige waarde van elke variabele
ten opzichte van een gesimuleerde stijging (een impuls), met één eenheid standaardafwijking, in de
huidige waarde van een variabele (Stock & Watson, 2001). Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de
impuls waarde terug naar nul evolueert overheen de tijd en dat alle andere impulsen gelijk blijven
aan nul. Deze impulse responses vormen de output van het SVAR-model volgens de Cholesky
decomposition benadering en zullen de basis vormen van de beleidsanalyse in deze thesis. De
Cholesky aanpak vereist dat de variabelen, bij het opstellen van de impulse responses, gerangschikt
worden volgens de causale verbanden. Belangrijk om te onthouden bij het uitvoeren van de analyses
64
van de impulse responses is dat de gesimuleerde schok de waarde van één standaardafwijking van
de variabele aanneemt. Het statistische programma Gretl, dat hier gebruikt wordt, laat niet toe dat
de grootte van de gesimuleerde schok aangepast wordt. Hierdoor kunnen sommige reacties van
variabelen op een schok relatief klein lijken terwijl ze weldegelijk zeer significant zijn.
Op basis van de impulse responses zullen er verschillende analyses opgesteld worden. In dit
onderdeel beginnen we met de analyse van de multiplicatoren voor een budgettair beleid in België.
Eerst zal er gekeken worden naar de belastingsmultiplicator (de variabele ‘d_Fisc_ontvangsten_bbp)
om de impact van een inkomstenverhoging op de economische activiteit weer te geven. Vervolgens
wordt de bestedingsmultiplicator (d_Uitgaven_bbp) gebruikt om het effect van een stijging in de
overheidsuitgaven op de economische activiteit te onderzoeken. Na de analyse van het budgettaire
beleid zullen de ‘tax and spend’ en de ‘spend and tax’ hypotheses onderzocht worden. De impulse
responses van de variabelen ‘d_Fisc_ontvangsten_bbp’ en ‘d_ Uitgaven_bbp’ tot elkaar zullen
aangeven welke hypothese van toepassing is op het Belgische budgettaire beleid. Economische
omstandigheden kunnen eveneens een invloed hebben op het budgettaire beleid. Daarom zal ook de
invloed van de variabelen ‘BBP_groei, ‘d_WerklooshGR’ en ‘d_loonkostpp’ op het budgettaire beleid
(ontvangsten en uitgaven) onderzocht worden. Ten slotte worden de onderlinge responses van de
economische variabelen besproken om het totaal beeld van de Belgische economie en beleid te
vervolledigen.
In het theoretische kader werd er een onderscheid gemaakt tussen de vershillende soorten
multiplicatoren. Uit de literatuur bleek toen dat de cumulatieve multiplicator de meest geschikte
multiplicator is om toe te passen in deze thesis. De multiplicator geeft namelijk de geaccumuleerde
verandering in de output weer als gevolg van een impuls in het budgettaire beleid. In de
onderstaande grafieken worden de geaccumuleerde respones weergegeven. De Impulse responses
werden verkregen op basis van het hierboven opgestelde Vector Autoregression Model met 3 lags en
een constante. Hieronder worden enkel de belangrijkste grafisch significante responses besproken.
6.5.2.1
Impact van een impuls in de fiscale- en parafiscale overheidsinkomsten
In dit onderdeel wordt er onderzocht wat de impact is van een verhoging met één standaardafwijking
in de groei van de fiscale en parafiscale ontvangsten van de overheid. We spreken hier over de groei
omdat de variabelen in het model gedifferentieerd werden om het non-stationariteitsprobleem te
verhelpen. Wanneer variabelen gedifferentieerd worden wordt het verschil tussen de waarden
genomen en verkijgt men in essentie een weergave van de evolutie (groei) van de variabele. Hierdoor
zijn we echter niet in staat om de effecten op lange termijn te onderzoeken. De Fiscale en parafiscale
ontvangsten worden verkregen uit directe en indirecte belastingen en zijn dus een goede weergave
van het eerste instrument van het budgettaire beleid, namelijk: belastingen. Belastingen kunnen
door de overheid gebruikt worden om de economische groei af te remmen (bij een verhoging) of te
stimuleren (bij een verlaging). In de praktijk geniet dit instrument de voorkeur van de overheid
omdat belastingswijzigingen op relatief korte termijn gerealiseerd kunnen worden terwijl de
implementatie van een wijziging in de overheidsuitgaven meer tijd in beslag neemt.
Accumulated response of BBP_groei to
d_Fisc_Ontvangsten_BBP
Accumulated response of d_WerklooshGR to
d_Fisc_Ontvangsten_bbp
0,00
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
-0,05
2012
2013
2014
2015
0,12
2016
0,10
-0,10
0,08
-0,15
0,06
-0,20
0,04
-0,25
0,02
0,00
-0,30
-0,35
-0,02
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
Figuur 28: geaccumuleerde responses van de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad op een impuls in de fiscale en
parafiscale overheidsontvangsten
65
De linkse grafiek geeft de geaccumuleerde impact weer van een schok in de variabele
d_Fisc_Ontvangsten_BBP op de groei van het bbp. Deze schok geeft een duidelijke negatieve en
persistente impact op de groei van het bbp in België. Hoewel deze response niet als een causaal
verband aanzien werd kan deze impact toegeschreven worden aan de reeds hoge belastingsdruk in
België (economisch kader). De Belgische consumenten en producenten zullen onmiddelijk rekening
houden met een belastingsverhoging en hun consumptie en/of investeringen verminderen wat een
negatieve weerslag kent op de groei van de economie. De verhoogde belastingen tasten namelijk
het beschikbare inkomen van de consumenten aan en zal bijgevolg de consumptie doen krimpen. De
producenten zullen ook rekening houden met deze verhoogde belastingen wanneer ze
investeringsbeslissingen nemen. In totaal zal de aggregatieve vraag in de economie afnemen
waardoor de economische groei krimpt. Een verhoging van de fiscale en parafiscale belastingen is
dus niet wenselijk indien men de economische groei wilt aanzwengelen.
Op de rechtse grafiek stellen we een significant positieve reactie vast van de variabele
werkloosheidgraad op een verhoging in de fiscale en parafiscale ontvangsten. We kunnen dit effect
verklaren aan de hand van twee mechanismen. In het geval dat de overheid de personenbelastingen
verhogen zal het netto-loon van de Belgen verlagen. Enerzijds kunnen werknemers, in een poging
om hun beschikbaar inkomen te behouden, een hoger bruto-loon vragen van de werkgevers. Dit
betekend echter dat de werknemers in verhouding duurder worden voor ondernemingen om te werk
te stellen, met als gevolg dat de werkgelegenheid zal afnemen en de werkloosheid toennemen. Een
verhoging van de werkgeversbijdrage kent hetzelfde effect. Anderzijds kan een verhoogde
personenbelasting ervoor zorgen dat de laagste nettolonen op de arbeidsmarkt dichter bij de
werkloosheidsuitkering komen te liggen. De stimulans om werk te zoeken wordt hierdoor minder
groot wat zich uit in een verhoogde werkloosheidsgraad. Een tekortkoming bij het gebruiken van dit
VAR-model is dat we geen onderscheid kunnen maken tussen de soort van belastingen, aangezien
deze allemaal onder één variabele geplaatst worden. Wanneer de overheid de werkgeversbijdrage
verhoogt zal dit voornamelijk effect hebben op de werkloosheidsgraad. Wanneer de overheid de BTW
en accijnzen verhoogt zal dit uiteraard effect hebben op de consumptie en de economische groei. In
dit model wordt er echter uitgegaan van een algemene inkomsten verhoging waardoor we niet verder
kunnen specifieren.
Accumulated response of d_Uitgaven_bbp to
d_Fisc_Ontvangsten_bbp
Accumulated response of d_Loonkostpp to
d_Fisc_Ontvangsten_bbp
0,30
0,40
0,25
0,30
0,20
0,20
0,15
0,10
0,10
0,00
0,05
-0,10
0,00
-0,20
-0,05
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
-0,30
Figuur 29: geaccumuleerde responses van de lookost per eenheid product en de overheidsuitgaven op een impuls in de fiscale
en parafiscale overheidsontvangsten
In figuur 29 zien we dat een toename in de loonkost per eenheid product als gevolg van een impuls
in de fiscale en parafiscale ontvangsten. Dit effect zou veroorzaakt kunnen worden door een toename
in de personenbelasting of werkgeversbijdrage, aangezien dit de werknemers relatief duurder maakt
voor de werkgevers zoals hierboven reeds besproken werd. Een verhoging van de belastingen zorgt
dus voor een verslechtering van de Belgische internationale concurrentiepositie (weerspiegelt in de
loonkost per eenheid product) op de wereldmarkt. De Belgische economie wordt, in andere woorden,
minder competitief en dit dat kan op middellange termijn de economische activiteit aantasten.
De laatste grafiek van dit onderdeel geeft een zeer volatiel effect van de variabele d_Uitgaven_bbp
weer op een impuls in de fiscale en parafiscale ontvangsten van de overheid. Op korte termijn kunnen
we stellen dat de hypothese ‘tax and spend’ van toepassing is op de Belgische overheid. Deze
hypothese stelt dat verhoogde overheidsontvangsten resulteren in verhoogde groei van de
66
overheidsuitgaven, wat duidelijk het geval is na twee kwartalen, waarna er een tegenreactie plaats
vind (Koren & Stiassny, 1998). Op termijn worden de reacties steeds minder groot en dooft het effect
uit.
We kunnen besluiten dat, indien men de Belgische economie wilt stimuleren, het niet aangeraden is
om de fiscale- en parafiscale belastingen te verhogen, integendeel zelfs. Het is wenselijk voor de
economische groei, de werkloosheidgraad en de internationale concurrentiepositie om de fiscale en
parafiscale belastingen niet verder te laten toenemen of zelfs te verminderen.
6.5.2.2
Impact van een impuls in de overheidsuitgaven
Een impuls in de overheidsuitgaven wijst in dit onderdeel op een toename van de variabele
d_Uitgaven_bbp met één standaardafwijking. Hierbij weerspiegelt de variabele de groei van de totale
overheidsuitgaven in verhouding tot het bbp. Deze variabele vertegenwoordigd het tweede
instrument van het budgettaire beleid. Dit instrument kan door de overheid gebruikt worden om de
economie aan te zwengelen (uitgaven verhogen) of af te remmen (uitgaven verlagen). In de praktijk
is dit echter een moeilijk instrument om te hanteren vanwege lopende contracten en verbintenissen,
waardoor het belastingsinstrument de voorkeur geniet. Het is bijvoorbeeld een moeilijke opdracht
om de overheidsuitgaven te bepereken door het aantal ambtenaren werkende voor de overheid te
verminderen vanwege de lopende arbeidscontracten. Daarom wordt er bij het uitdunnen van het
overheidsapparaat vaak geopteerd voor natuurlijk afvloeiing. Dit zijn echter maatregelen op een
langere tijdshorizon terwijl belastingswijzigingen relatief snel geimplementeerd kunnen worden.
Accumalted response of BBP_groei to d_Uitgaven__bbp
Accumulated response of d_WerklooshGR to
d_Uitgaven_bbp
0,00
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
-0,05
-0,10
-0,15
-0,20
2012
2013
2014
2015
2016
0,00
-0,01
-0,02
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
-0,03
-0,04
-0,05
-0,25
-0,06
-0,30
-0,07
Figuur 30: geaccumuleerde responses van de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad op een impuls in de
overheidsuitgaven
Het eerste effect dat we analyseren is de reactie van de groei van het bbp op een impuls in de
variabele d_Uitgaven_BBP. In tegenstelling tot wat we zouden verwachten heeft het verhogen van
de overheidsuitgaven een significant negatief effect op de economische groei in België. Volgens de
Keynesiaanse theorie zou een expansief budgettair beleid tijdens een recessie aan kracht wint. De
interesttarieven zijn dan gelijk aan nul waardoor de kans op verdringing door een toename in de
overheidsuitgaven zal afnemen en de voorkeur tot sparen zal verminderen aangezien dit niets meer
opbrengt. Vanuit het economische kader konden we echter verwachten dat de
bestedingsmultiplicator klein zou zijn. België is een kleine en open economie dat te maken krijgt met
een groot aantal economische lekken. In 2011 waren de economische lekken ook groter dankzij de
hoge import, de reeds hoge fiscale druk en het lage vertrouwen van de consumenten. Dit lage
vertrouwen resulteerde namelijk in een grotere voorkeur tot sparen in plaats van consumeren. Hoe
groter de lekken in een economie zijn hoe kleiner de multiplicator zal zijn. Een groot stuk van de
verhoogde overheidsuitgaven zal dan niet in de economie terecht komen maar wegvloeien naar het
buitenland of de spaarboekjes. Het significant negatief effect kunnen we verklaren aan de hand van
het Barro-spaareffect of het Ricardiaanse equivalentietheorema, dat reeds in het theoretische kader
besproken werd. Bij een toename van de overheidsuitgaven zullen de economische agenten
anticiperen op de toekomstige belastingen die nodig zijn om deze uitgaven te financieren. Deze
verdiscontering van toekomstige belastingen zal leiden tot een lagere consumptie en een hoger
sparen (Barro, 1974). Op deze manier kunnen de effecten van een expansief budgettair beleid
volledig teniet gedaan worden door de verminderde consumptie van gezinnen. In de realiteit stellen
we echter vast dat er pas ricardiaanse effecten zullen ontstaan wanneer de schuldratio een kritisch
67
niveau overschrijdt. Zoals eerder aangehaald is vanuit economische onderzoek gebleken dat een
schuldgraad van 90% een kritieke grens is voor een economie (Decramer, Konings, & Reynaerts,
2011). Vanaf dat de schuldgraad boven de 90% uit stijgt wordt de economische groei sterk
verminderd en is het niet meer wenselijk dat de overheidsuitgaven verder stijgen. Indien dit het
geval is voor België zou dit willen zeggen dat de Belgische overheid haar overheidsuitgaven dient te
bevriezen of verminderen om de economie te stimuleren. Het onverwachte positieve effect ten
gevolge van een sanering noemen we ook wel een expansionary fiscal contraction , zoals in
theoretische kader uitgelegd werd. Vanwege de besparingen, uitgevoerd door de overheid, neemt
de verwachte toekomstige fiscale druk af en neemt het consumenten- en producentenvertrouwen
toe. Consumenten zouden minder sparen en meer consumeren, waardoor producenten meer
produceren en investeren. Als gevolg zal het restrictieve beleid expansieve gevolgen hebben (Bertola
& Drazen, 1993; Hemming, Kell, & Mahfouz, 2002). Bovendien kunnen een besparingen ook gunstige
aanbodseffecten genereren. Het beperken van de lonen en wedden van het overheidspersoneel, de
vermindering van de overheidstewerkstelling en van de socialzekerheidstranfers kunnen namelijk de
concurrentiepositie verbeteren en de arbeidsmarkt versoepelen (Barry, 1991).
Het tweede verband dat we hier te zien krijgen is het effect van de overheidsuitgaven op de
werkloosheidgraad. Bij dit verband kent de toename van de overheidsuitgaven wel een expansief
effect, de werkloosheidsgraad verminderd namelijk persistent, maar niet zo sterk. Dit lijkt
contradictorisch gezien het negatieve effect op de economische groei. Hoewel een toename van de
overheidsuitgaven een verminderde consumptie door de gezinnen teweeg brengt kan een toename
toch zorgen voor jobcreatie. We stuiten hier op hetzelfde probleem als met de variabele
d_fisc_inkomsten_bbp. Het VAR-model maakt geen onderscheid tussen de verschillende categoriën
uitgaven. Categoriën die in lijn liggen met jobcreatie of activering van de werklozen zullen de
werkloosheidsgraad doen dalen ten gevolge van een toename in de uitgaven. Andere categoriën van
uitgaven zullen eerder een beperkt effect hebben op de werkloosheidgraad. Daarom is het effect van
de toename op de werkloosheidgraad geringer dan het negatieve effect op de economische activiteit.
De totale toename van de uitgaven heeft effect op de economische groei en niet slechts enkele
categoriën.
Accumulated response of d_Fisc_Ontvangsten to
d_Uitgaven_bbp
0,30
0,20
0,10
0,00
-0,10
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
-0,20
-0,30
Figuur 31: geaccumuleerde response van de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten op een impuls in de
overheidsuitgaven
Het laatste verband dat we in dit onderdeel weergeven is de spend and tax hypothese. Deze
hypothese stelt dat de overheid haar inkomsten verhoogt ten gevolge van een toename in de
uitgaven (Koren & Stiassny, 1998). We stellen vast dat een impuls in de overheidsuitgaven een zeer
volatiel effect heeft op de variabele d_Fisc_Ontvangsten_bbp waardoor het moeilijk is om hier
uitspraken over te doen.
Volgens de output van het VAR-model heeft een toename van de overheidsuitgaven een negatief
effect op de economische groei, maar verminderd het tegelijk de werkloosheidsgraad. Het negatieve
effect op de groei van het bbp is echter significant groter dan het positieve effect voor de
werkgelegenheid. Daarom besluiten we dat het meer wenselijk is voor de Belgische economie om de
uitgaven te bevriezen of te verminderen.
68
6.5.2.3
Impact van een economische impuls op de overheidsinkomsten
Economische impulsen kunnen eveneens een effect, zowel positief als negatief, hebben op het
budgettaire beleid. Daarom onderzoeken we in dit onderdeel de effecten van de economische
variabelen op de fiscale en parafiscale inkomsten van de overheid.
Accumulated response of Fisc_Ontvangsten_bbp to
BBP_groei
Accumulated response of d_Fisc_Ontvangsten_bbp to
d_WerklooshGR
0,25
0,10
0,20
0,00
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
0,15
-0,10
0,10
2012
2013
2014
2015
2016
-0,20
0,05
-0,30
0,00
-0,05
-0,10
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
-0,40
2016
-0,50
Figuur 32: geaccumuleerde responses van de fiscale en parafiscale overheidsontvangsten tot een impuls in de groei van het
bbp en de werkloosheidsgraad
Het verband tussen de fiscale en parafiscale inkomsten en de groei van het bbp is initieel negatief.
De aanvankelijk negatieve reactie in het eerste kwartaal is het gevolg van de samenstelling van de
variabele d_Fisc_Ontvangsten_bbp. Deze variabele geeft de totale fiscale en parafiscale ontvangsten
van de overheid weer in verhouding tot het bbp. Wanneer het bbp dus toeneemt zal aanvankelijk de
breuk van de variabele d_Fisc_Ontvangsten_bbp kleiner worden. Vanaf dat de overheidsuitgaven
toenemen als reactie op de stijging in de economische groei nemen we een positief verband waar.
Een positieve economische groei genereert meer welvaart in een land, een stuk van deze extra
welvaart vloeit af naar de overheid via directe en indirecte belastingen. Dit effect wordt weergegeven
door bovenstaande grafiek.
Wanneer de werkloosheidgraad toeneemt zullen de fiscale en parafiscale inkomsten dalen. Dit houdt
direct verband met de inkomstenbelasting die op jaarbasis geind wordt alsook met de verminderde
belastingsinkomsten uit consumptie door de huishoudens. Wanneer mensen hun job verliezen zijn
ze geneigd om minder te consumeren en meer te sparen. Dit verband zal in het vijfde onderdeel nog
aan bod komen.
Uit dit onderdeel onthouden we dat de economische groei een positief verband kent met de fiscale
en parafiscale inkomsten van de overheid. Dit impliceert uiteraard dat een negatieve economische
groei de inkomsten negatief kan beïnvloeden waardoor de regering extra maatregelen dient te treffen
om het begrotingsevenwicht te behouden. We hebben dit verband reeds in de realiteit waar genomen
bij het bespreken van de begrotingsmaatregelen van de regering Di Rupo. Verder is het ook gunstig
voor de inkomsten van de overheid wanneer de werkloosheidgraad afneemt en dus zo laag mogelijk
is.
69
6.5.2.4
Impact van een economische impuls op de overheidsuitgaven
In onderdeel vier zullen we, net zoals in onderdeel drie, het effect van de economische variabelen
op het budgettaire beleid bespreken, ditmaal op de overheidsuitgaven.
Accumulated response of d_Uitgaven_BBP to
d_WerkloosheidsGR
Accumulated response of d_Uitgaven_bbp to BBP_groei
0,00
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
-0,10
2012
2013
2014
2015
0,40
2016
0,30
-0,20
0,20
-0,30
0,10
-0,40
-0,50
0,00
-0,60
-0,10
-0,70
-0,20
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
Figuur 33: geaccumuleerde responses van de overheidsuitgaven tot een impuls in de groei van het bbp en de
werkloosheidsgraad
Het eerste grafische effect geeft een negatief verband weer tussen de variabele d_Uitgaven_bbp en
de groei van het bbp. In eerste instantie is dit een verrassend resultaat, maar net zoals in het vorige
onderdeel kunnen we een verklaring vinden in de samenstelling van de variabele d_Uitgaven_bbp.
Deze variabele geeft de totale uitgaven van de overheid weer in verhouding tot het bbp. Wanneer
het bbp stijgt zal de breuk van de variabele d_Uitgaven_bbp kleiner worden en dus een negatieve
reactie vertonen. Het feit dat de reactie persistent negatief blijft, maar toch een stijgende trend
veroont, kan erop duiden dat de overheiduitgaven minder sterk toennemen dan de toename in de
economische groei.
De werkloosheidgraad heeft wel duidelijk positieve impact op de variabele d_Uitgaven_bbp. Uit de
grafiek leiden we af dat een toename in de werkloosheidgraad de overheiduitgaven zal doen
toenemen. Er kan niet vastgesteld worden welke categorie van de uitgaven zal stijgen, maar we
gaan ervan uit dat dit betrekking heeft op de sociale uitkeringen en eventuele inspanningen om de
inactieve bevolking te activeren. Na verloop van tijd zien we dat de volatiliteit van de reactie afneemt
en afvlakt, maar niet volledig verdwijnt.
6.5.2.5
Impact van economische impulsen op andere economische variabelen.
De onderlinge relaties tussen de economische variabelen zullen besproken worden in dit laatste
onderdeel van de impulse responses.
Accumulated response of BBP_groei to d_Loonkostpp
Accumulated response of d_WerklooshGR to
d_Loonkostpp
0,00
-0,05
-0,10
-0,15
-0,20
-0,25
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
2012
2013
2014
2015
2016
0,18
0,16
0,14
0,12
0,10
0,08
0,06
0,04
-0,30
0,02
-0,35
0,00
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
-0,40
2012
2013
2014
2015
2016
Figuur 34: geaccumuleerde responses van de groei van het bbp en de werkloosheidsgraad tot een impuls in de loonkost per
eenheid product
De reactie van de economische groei op een verslechtering van de Belgische internationale
concurrentiepositie is negatief. Wanneer de loonkost per eenheid product toeneemt zal dit
investeringen in België door ondernemingen minder interessant maken vanwege de verslechtering
van de concurrentiepositie. Het wordt namelijk relatief duurder om te produceren in België ten
opzichte van andere landen. Deze daling in investeringen zorgt ervoor dat de economische groei zal
krimpen. De reactie van de werkloosheidgraad op de loonkost per eenheid product is een indirect
70
gevolg van dit vermindert investeringsniveau. Bedrijven zullen overwegen om in andere landen te
produceren dan in België waardoor jobs wegtrekken naar het buitenland. Een verhoging van de
loonkost per eenheid product kan dus zware gevolgen teweeg brengen. Daarenboven hebben we in
het eerste onderdeel reeds vastgesteld dat een verhoging van de Fiscale en parafiscale en duidelijk
positieve impact heeft op de loonkost per eenheid product. Indien we deze drie reacties samen leggen
besluiten we dat het voor de Belgische economie zeker niet wenselijk is dat de fiscale en parafiscale
inkomsten verhoogt worden. Wanneer we deze bevindingen vergelijken met de beleidsmaatregelen
genomen door de regering Di Rupo kunnen we nog een onderscheid maken tussen de verschillende
categoriën van inkomsten. Een verhoging van de personenbeslasting of de werkgeversbijdrage zou
het minst wenselijk zijn voor de Belgische economie.
Accumulated response of WerlkooshGR to BBP_groei
Accumulated response of BBP_groei to d_WerklooshGR
0,00
0,00
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
-0,05
2012
2013
2014
2015
Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
-0,05
2016
-0,10
-0,10
-0,15
-0,15
-0,20
-0,20
-0,25
-0,25
-0,30
-0,30
-0,35
-0,35
2012
2013
2014
2015
2016
Figuur 35: geaccumuleerde responses van de werkloosheidsgraad en de groei van het bbp tot een impuls van elkaar
De laatste twee grafieken van dit onderdeel geeft het wederzijdse verband weer tussen de variabelen
d_WerklooshGR en BBP_groei. Een stijging in de groei van het bbp heeft een duidelijk negatief effect
op de werkloosheidgraad en bijgevolg een positief effect op de werkgelegenheidsgraad. In het tweede
onderdeel stelden we een controversiële reactie op een verhoging van de overheidsuitgaven vast.
Enerzijds zou een verhoging de economische groei drukken en anderzijds vond er een verbetering in
de werkgelegenheid plaats. In het besluit van dat onderdeel verkozen we een bevriezing of
inkrimping van de overheiduitgaven boven een verhoging omwille van de negatieve reactie van de
economische groei op de verhoging. Deze keuze wordt in de eerste grafiek bevestigd, aangezien een
positieve economische groei de werkloosheidsgraad doet afnemen.
6.5.2.6
Besluit
In het algemeen kunnen we stellen dat het eind 2011 zeker niet gunstig was voor de Belgische
economische activiteit om de fiscale en parafiscale inkomsten en/of de overheidsuitgaven te
verhogen. Indien de regering de economische activiteiten wilde stimuleren, diende ze de
belastingsdruk te verlagen alsook een sanering door te voeren in de overheidsuitgaven. Tegelijk
stelden we vast dat het budgettaire beleid beïnvloed kon worden door de economische variabelen
opgenomen in het model. Het beleid van de regering was dus zeker ontvankelijk voor externe
economische omstandigheden. Ten slotte mogen we besluiten dat de economische variabelen in het
model sterke onderlinge reacties vertoonden met elkaar. Dit impliceert dat het budgettaire beleid
zowel directe als vertraagde effecten kan teweegbrengen bij het geven van een impuls.
6.5.3
Forecast error decomposition
De forecast error decomposition geeft weer hoeveel procent van de ‘forecast error variance’ van elke
variabele verklaard kan worden door een exogene schok in de andere variabelen (Stock & Watson,
2001). Concreet zal het VAR-model een voorspelling doen van de waarden van een variabele
overheen een bepaalde tijdshorizon waarbij alle impulsen gelijk aan nul gehouden worden.
Vervolgens zal het VAR-model een tweede voorspelling maken waarbij er met de overige variabelen
een aparte exogene schok van één standaardafwijking gesimuleerd wordt. De forecast error
decomposition zal ten slotte, aan de hand van de variantie, weergeven hoeveel procent van de
afwijkingen (fouten) tussen het eerste en het tweede model te wijten is aan een schok in een
71
bepaalde variabele. De variance decomposition zal dus aantonen hoeveel informatie elke variabele
bijdraagt aan de andere variabelen in de autoregressie, gegeven een bepaalde tijdshorizon.
We opteren hier opnieuw om de door Gretl vooropgestelde tijdshorizon van 20 kwartalen te hanteren,
ookal kunnen we gezien de gedifferentierde variabelen geen uitspraken doen over de lange-termijnrelaties. Om de forecast error decomposition te generen zal Gretl wederom gebruik maken van een
schok gelijk aan één standaardafwijking. De output van de forecast error decomposition is terug te
vinden in de bijlage 11.3.
6.5.3.1
Decomposition of variance for d_werklooshGR
Bij het bekijken van de variance decomposition voor d_werklooshGR merken we onmiddelijk de
interactie tussen BBP_groei en d_WerklooshGR op. Vanaf het eerste kwartaal heeft de exogene schok
in de economische groei een goed aandeel in de voorspellingsfouten van de werkloosheidgraad. Na
1 jaar of vier kwartalen stijgt dit aandeel verder tot 20%. Deze interactie vonden we eveneens terug
in de impulse responses die hierboven besproken werden. Interacties van andere variabelen met de
werkloosheidgraad blijven eerder beperkt.
6.5.3.2
Decomposition of variance for BBP_groei
De forecast error decomposition van de variabele BBP_Groei suggereert dat er een significante
interactie is tussen de variabelen. De variabelen d_Fisc_Inkomsten_bbp en d_uitgaven_bbp
vertegenwoordigen samen het budgettaire beleid in het model en verklaren vanaf het derde kwartaal
ongeveer 30% van de fout in de voorspelling van de economische groei. De overige economische
variabelen, werkloosheid en loonkost per eenheid product, hebben een gelijkaardig aandeel als het
budgettaire beleid. Voornamelijk de invloed van de loonkost per eenheid product valt ons op maar is
niet verrassend gezien de sterke impulse response van BBP_Groei op de variabele d_Loonkostpp.
6.5.3.3
Decomposition of variance for d_Loonkostpp
De variabele d_loonkostpp kent weinig of relatief kleine interacties met andere variabelen. De twee
voornaamste interacties zijn deze met BBP_Groei en d_Fisc_Inkomsten_BBP, die samen ongeveer
20% van de foutentermen verklaren. De verhouding tussen de fiscale en parafiscale inkomsten en
de loonkost per eenheid product werd hierboven, bij de impulse responses, reeds uitgelegd. De
verhouding van de loonkost per product met de economische groei hebben we niet besproken bij de
impulse responses maar kan eventueel verklaard worden via de werking van de arbeidsmarkt. Dit
wijkt echter te ver af van het doel van deze thesis en zal bijgevolg niet verder uitgediept worden.
6.5.3.4
Decomposition of variance for d_Fisc_Ontvangsten_bbp
Uit de tabel blijkt dat voornamelijk de economische groei en de overheidsuitgaven een impact
hebben op de fiscale en parafiscale inkomsten. Beide interacties werden reeds besproken bij de
impulse responses en deze tabel bevat dus geen verrassende resultaten.
6.5.3.5
Decomposition of variance for d_Uitgaven_bbp
Opvallend is dat alle interacties met de variabele d_uitgaven_bbp pas na één kwartaal echt invloed
uitoefenen. Het verklarend vermogen van de werkloosheidgraad neemt zelfs pas toe in het vierde
kwartaal. Verder stellen we een significante interactie vast tussen de fiscale en parafiscale inkomsten
en de uitgaven, wat een bevestiging is van de ‘tax and spend’ hypothese die besproken werd bij de
impulse responses. Ten slotte stellen we vast dat ook de overheidsuitgaven gevoelig zijn voor de
economische variabelen: de werkloosheidgraad en de economische groei verklaren samen ongeveer
25% van de foutentermen.
6.5.3.6
Besluit
De forecast error decompositions bevestigen de algemene tendensen die we terug vonden in de
impulse responses. Deze bevestiging versterkt het model dat we opstelden en de besluiten die we
hieruit trekken.
72
6.6 Kritieken
Hoewel het VAR-model een vaak gebruikte methode is voor de berekening van multiplicatoren en de
analyse van beleidsbeslissingen, is deze methode niet vrij van kritiek.
De eerste kritiek heeft betrekking op de samenstelling van de gesimuleerde schokken. Zoals een
normale regressieanalyse kunnen deze schokken factoren weerspiegelen die weggelaten werden uit
het model (Stock & Watson, 2001). Als deze factoren gecorreleerd zijn met de variabelen in het
model, zullen de schattingen van het model vooringenomen zijn. Deze kritiek is zeker van toepassing
op het VAR-model in deze thesis. Bij het opstellen van dit VAR-model wordt er gebruik gemaakt van
historische tijdreeksen van 1995 Q2 tot 2011 Q4. Deze historische tijdreeksen werden echter
blootgesteld aan veel meer externe factoren dan er opgenomen zijn in dit VAR-model. Hierbij denken
we aan economische crisissen of voorspoed, Europese regelgeving, de invoering van de euro, etc.
Vanwege deze weggelaten factoren kan het VAR-model wijzigingen in de historische data ten gevolge
van deze factoren fout bestempelen als reacties op toe- of afnames van de variabelen in het model.
Daarenboven zouden de economische schokken afgeleid uit een VAR model niet gelijken op schokken
gemeten door andere mechanismen zoals markverwachtingen geïntegreerd in de toekomstige prijzen
(Fernández-Villaverde & Rubio-Ramírez, 2007). Het gevolg hiervan is dat de impulse responses
geproduceerd door het model vertekend kunnen zijn.
De tweede kritiek komt uit het werk van Stock & Watson (2001) en stelt dat de traditionele
opvattingen en afspraken inzake timing, gebruikt in VAR modellen, niet altijd overeen komen met de
reële data. Dit is voornamelijk een kritiek op de gebruikelijke methode om het identificatieprobleem
op te lossen aan de hand van timing assumpties. Zo wordt er bijvoorbeeld vaak vanuit gegaan dat
variabelen zoals output en inflatie onmiddellijk reageren op een schok in het monetaire beleid. Deze
assumptie is aannemelijk over een periode van één dag, maar minder aannemelijk overheen een
maand of kwartiel. VAR modellen zeer gevoelig aan identificatiebeperkingen. Bij het opstellen van
een VAR model bestaat het gevaar dat economen vast geraken in een vooringenomen kijk op de
data (Fernández-Villaverde & Rubio-Ramírez, 2007). Vaak zijn identificatieschema’s het product van
een specifieke zoektocht waarbij onderzoekers zoeken naar redelijke antwoorden (Stock & Watson,
2001). Wanneer een identificatieschema niet beantwoord aan de conventionele kennis wordt dit dan
beschouwt als een raadsel of een faling (Uhlig, 2005).
Ten slotte stelden we tijdens het opstellen van het model in deze thesis zelf nog enkele beperkingen
vast. De data die gebruikt werden voor het model vertoonden een non-stationariteitsprobleem, dat
opgelost werd door vijf van de zes variabelen te differentiëren. Deze transformatie van de data heeft
echter als gevolg dat er geen betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over de
langetermijneffecten die voortkomen uit het model. De grootte van de steekproef voor dit model was
ook relatief beperkt (van 1995 Q2 tot 2011 Q4). Een VAR-model baseert zich steeds op historische
tijdreeksen waarbij grote tijdreeksen tot meer betrouwbare resultaten leiden en kleine tijdreeksen
tot onbetrouwbare resultaten kunnen leiden.
Het statistische programma gebruikt om het model op te stellen legde eveneens enkele ongewilde
beperkingen op. Zo kan er geen negatieve schok gesimuleerd worden in het model, enkel positieve
schokken. Voor de analyse van het budgettaire beleid zou het evenwel interessant zijn om de effecten
van een negatieve beleidsimpuls te onderzoeken, zoals een daling van de overheidsinkomsten of –
uitgaven. Daarenboven nam de gesimuleerde impuls de waarde van één standaardafwijking aan. Bij
sommige variabelen betekende dit dat de impuls zeer klein was en de resultaten niet altijd even
duidelijk om te interpreteren. De waarde van de impulsen kon in het programma echter niet
aangepast worden. Er kon bovendien geen onderscheid gemaakt worden in de verschillende
categoriën van de overheidinkomsten en –uitgaven. In het eerste opgestelde model werd er nog een
poging ondernomen om een nuance tussen de fiscale en parafiscale inkomsten en de totale
inkomsten van de overheid te maken. Deze twee variabelen beïnvloedden elkaar echter teveel en
vertekenden de resultaten van het model te sterk. Het zou wel degelijk interessant kunnen zijn om
de impuls van een specifieke categorie, zoals de personenbelastingen, op bepaalde economische
variabelen (loonkost per product of werkloosheidgraad) te kunnen onderzoeken.
73
7 Vergelijking: gevoerde beleid met VAR-model
Uit het VAR-model blijkt dat, met betrekking tot de Belgische economie, het wenselijk was om de
overheidsuitgaven niet verder te verhogen. Dit niet-keynesiaanse effect kan verklaard worden aan
de hand van het Barro-spaareffect. Barro stelde dat de economische actoren in een economie
extreem rationeel reageren op een toename in de overheidsuitgaven gefinancierd met schulden.
Mensen zullen dan anticiperen op de toekomstige belastingen die nodig zijn om deze schulden te
financieren en zullen bijgevolg minder consumeren en meer sparen. In de realiteit zien we dat deze
effecten pas plaats vinden wanneer de schuldgraad van de overheid een kritische grens overschreidt.
In de economische literatuur wordt in het algemeen een schuldgraad van 90% gehanteerd als
kritische grens. Indien de overheid een schuldgraad heeft hoger dan 90%, kan dit nefaste gevolgen
hebben voor de economische groei. Dit is schadelijk voor de economie in haar geheel aangezien een
lagere groei de andere economische factoren negatief beïnvloedt, wat bevestigd wordt in het
opgestelde VAR-model. Uit de analyse van de begrotingsmaatregelen van de regering Di Rupo bleek
dat de de bestuurperiode van de regring Di Rupo nooit onder 100% is gezakt, en zelfs een positieve
evolutie vertoonde. Daarom pleiten we vanuit het model voor een bevriezing of een vermindering
van de uitgaven en zeker geen toename. Verder blijkt een verhoging van de fiscale- en parafiscale
ontvangsten niet gunstig te zijn voor de werkloosheidsgraad, de internationale concurrentiepositie
en de economische groei van België. Een verdere verhoging van de fiscale inkomsten is dus af te
raden.Een vermindering van de belastingdruk in België zou zelfs stimulerend werken voor de
economie. Aan de hand van het model kunnen we stellen dat de Belgische overheid de
begrotingsdoelstellingen het beste nastreeft door de overheidsuitgaven te verminderen (een
sanering) en tegelijk de overheidsinkomsten gelijk te houden of zelfs te verminderen om meer
zuurstof aan de economie te geven.
Op federaal niveau stelden we vast dat de totale ontvangsten (voornamelijk de fiscale en parafiscale
inkomsten) zeer sterk toegenomen zijn tussen 2011 en 2014 (+10.21%). De totale uitgaven zijn
dan weer zeer licht gedaald, namelijk met -0.63%. De federale overheid heeft zich voornamelijk
gefocust op een toename van de inkomsten om de begrotingsdoelstellingen te realiseren en heeft
nagenoeg geen besparingen doorgevoerd. Op basis van de resultaten uit het model kunnen we stellen
dat dit beleid waarschijnlijk een negatieve impact had op de Belgische economie.
Op gezamenlijk niveau zijn zowel de ontvangsten als de uitgaven tussen 2011–2014 sterk
toegenomen. Dit is het tegenovergestelde van wat de resultaten uit het VAR-model lijken te
suggereren. Het vorderingstekort is wel gedaald tegenover 2011, maar heeft nooit de vooropgestelde
doelstellingen behaald. De schuldgraad is verder gestegen tot een recordhoogte van 108.88% van
het bbp in 2014. De vortdurende stijging van deze schuldgraad zal alleen de Barro spaareffecten
versterkt hebben en bevestigt de stelling dat een daling van de overheidsuitgaven noodzakelijk is.
Het spending beleid van de gezamenlijke overheid zou volgens dit model niet gewerkt hebben en
zelfs een afremmend effect hebben op de Belgische economie. Een austerity beleid, besparing op de
belasting en een cruciale verlagingen in de belastingen, zou betere resultaten opgeleverd hebben.
De invloed van de economische variabelen op het budgettaire beleid in België werden eveneens
onderzocht in het opgestelde model. Hieruit bleek dat voornamelijk een verandering in de
economische groei en de werkloosheidgraad een impact hebben op het beleid. Een toename in de
economische groei zou leiden tot een toename in de fiscale en parafiscale inkomsten en een daling
in de overheidsuitgaven. In de documenten van de Kamer van volksvertegenwoordigers stelde we
het omgekeerde verband vast. Doorheen de beleidsjaren van de regering Di Rupo werd de begroting
regelmatig aangepast aan de gewijzigde conjunctuurvooruitzichten. De werkelijke economische groei
lag vaak lager dan de geraamde economische groei die gehanteerd werd bij het opstellen van de
initiële begroting. De fiscale- en parafiscale ontvangsten bleken bijgevolg lager te liggen dan
geraamd en de overheidsuitgaven vielen dan weer hoger uit. De regering Di Rupo diende steeds
bijkomende maatregelen te nemen na de begrotingscontrole om de vooropgestelde
beleidsdoelstellingen te halen. De tweede variabele die volgens het model het budgettaire beleid kan
beïnvloeden is de werkloosheidsgraad. Er werden echter geen specifieke verwijzingen naar dit
verband teruggevonden in de onderzochte documenten en beleidsmaatregelen.
74
8 Conclusie
In deze masterproef was de invloed van het budgettaire beleid van de regering Di Rupo op de
Belgische economie het centrale onderzoeksonderwerp. Concreet werd er onderzocht of de
budgettaire maatregelen tussen 2012 en 2014 anti-economische gevolgen kenden voor de
economische activiteit in België. Hierbij werd er rekening gehouden met elementen uit de
economische, Europese en politieke situatie die een invloed hadden op het gevoerde beleid. Om een
idee te krijgen van de algemene tendsen in de gerealiseerde budgettaire maatregelen werd een reeks
officiële documenten uit het archief van de Kamer van Volksvertegenwoordigers bestudeerd. Aan de
hand van een VAR-model werden vervolgens de responses van economische variabelen op een
impuls in de budgettaire politiek geanalyseerd. De conclusies van deze masterproef komen voort uit
het aftoetsen van de genomen maatregelen met de resultaten uit het VAR-model.
De regering Di Rupo kreeg te maken met verschillende economische uitdagingen. Als gevolg van de
aanslepende regeringsonderhandelingen waren de financiële markten zeer onrustig. De
ratingverlaging door ratingsbureau’s zoals Standard & Poor’s vormde het dieptepunt in deze kwestie.
Daarenboven ging de regering van start in een economisch moeilijk tijdperk. Gedurende de volledige
regeerperiode heeft de regering geworsteld met een lage economische groei. Dit is een factor in de
economie die een sterke wisselwerking kent met het budgettaire beleid. Deze lage groei was nog een
overblijfsel van de schuldencrisis in 2011. Daarnaast erfde de premier een moeilijke budgettaire
situatie vanwege de budgettaire interventies tijdens de economische crisis van 2008. Aan het begin
van de regeerperiode bedroeg de schuldgraad van de gezamelijke overheid reeds 99.95% van het
bbp en het vorderingssaldo stond op -4.01%. De begrotingsdoelstellingen van de regering Di Rupo
werden bijgevolg gedomineerd door deze buitensporige tekorten. Sinds 2009 was België namelijk
onderworpen aan de buitensporige tekortenprcedure ingesteld door de Europese Unie. Deze
procedure verplichtte de Belgische gezamelijke overheid om het vorderingstekort terug te dringen
tot onder de 3% van het bbp en de schuldgraad af te bouwen richting de 60% van het bbp. De
federale regering stelde een ambitieus begrotingsplan op en wou reeds in 2012 een einde stellen aan
de buitensporige tekortenprocedure. Het ultieme doel was een begrotingsevenwicht in 2015 met
zowel aandacht voor het sociale systeem als voor de slagkracht van de economie. De verschillende
regeringspartijen waren het er over eens dat deze doelstelling bereikt moest worden aan de hand
van een sanering van de overheidsfinanciën. De manier waarop de sanering uitgevoerd moest
worden, initiëerde het spending versus austerity debat binnen de Belgische politiek. De socialistische
partijen, zoals de PS en de sp.a, waren aanhangers van het spending gedachtegoed, terwijl liberale
partijen, zoals Open Vld en MR, austerity uitdroegen.
Binnen de gezamenlijke overheid kan men stellen dat de spending partijen de grootste invloed
hadden op het beleid. Vanuit de begrotingsresultaten is er, tussen 2011 en 2014, een duidelijke
stijging in zowel de gezamenlijke uitgaven (+7.72%) als inkomsten (+9.68%) waarneembaar.
Helaas behaalde dit beleid geen enkele vooropgestelde begrotingsdoelstelling tijdens de afgelopen
regeerperiode. In 2014 voldeed België, met een vorderingstekort gelijk aan -3.32% van het bbp,
nog steeds niet aan de buitensporige tekortenprocedure. De schuldgraad is sinds 2011 verder
gestegen met 8.93 procentpunt tot 108.88% van het bbp in 2014, de hoogste schuldgraad van de
afgelopen jaren. Op federaal niveau realiseerde de regering ieder jaar wel een stevig
vorderingsoverschot. Deze overschotten waren het resultaat van een sterke toename in de
ontvangsten (+10.21%) en een zeer kleine daling in de uitgaven (-0.63%) van de federale overheid.
Om de invloed op de Belgische economische activiteit van deze evolutie in de overheidsfinanciën te
analyseren werd er een VAR-model opgesteld. Het model werd gebouwd op basis van
kwartaalgegevens van de bbp groei in België, de werkloosheidsgraad, de loonkost per eenheid
product, de fiscale- en parafiscale ontvangsten in verhouding tot het bbp en de totale
overheidsuitgaven als percentage van het bbp. Uit de resultaten van het model puurden we enkele
interessante bevindingen.
75
Zo blijkt dat de economie significant negatief reageerde op een positieve impuls in de
overheidsuitgaven. Een mogelijke verklaring voor deze non-Keynesiaanse reactie is het Barrospaareffect of de Ricardiaanse equivalentie. Deze doctrine gaat ervan uit dat de economische actoren
extreem rationeel zullen reageren op een toename in de uitgaven. Actoren zullen de toekomstige
belastingen voor de financiering van die extra uitgaven verdisconteren en bijgevolg meer sparen.
Een expansie in de uitgaven krijgt op deze manier restrictieve gevolgen voor de economie. Daarom
zouden we vanuit het model pleiten voor een bevriezing of vermindering van de overheidsuitgaven.
Een verhoging in de fiscale- en parafiscale ontvangsten van de overheid bleken volgens het model
eveneens anti-economische effecten teweeg te brengen. Een positieve impuls in de ontvangsten
blijkt ongunstig te zijn voor de werkloosheidsgraad, de internationale concurrentiepostie en de
economische groei van België. Een verdere verhoging van de belastingen is zeker af te raden en een
vermindering van de belastingdruk in België zou zelfs stimulerend werken voor de economie. Dit
verband is een bevestiging van het Keynesiaanse denken waarbij een verlaging van de belastingen
expansieve effecten teweeg brengt.
We besluiten dat een toename in de overheidsuitgaven en een toename in de fiscale en parafiscale
ontvangsten anti-economische effecten teweeg brengen in de Belgische economie. Op basis van dit
onderzoek kunnen we bijgevolg stellen dat het budgettaire beleid gevoerd door de regering Di Rupo
anti-economische gevolgen teweeg gebracht kan hebben.
Dit onderzoek kent evenwel enkele beperkingen. Uit de literatuurstudie kwam reeds naar voor dat
het VAR-model niet geheel vrij is van tekortkomingen. Zo wordt de samenstelling van de
gesimuleerde schok vaak in vraag gesteld en is het zeer belangrijk dat het identificatieprobleem
correct aangepakt wordt. Een tweede beperking van het onderzoek was de non-stationaire data voor
de modelopbouw. Om deze non-stationariteit op te lossen werden de variabelen gedifferentieerd
waardoor er in dit onderzoek geen uitspraken op de langere termijn gedaan kunnen worden. De
derde beperking van het onderzoek zijn de gesimuleerde impulsen in het model. Het statistische
programma kan enkel positieve schokken gelijk aan één standaardafwijking simuleren, terwijl een
negatieve schok in de variabelen meer relevante resultaten kunnen opleveren voor dit onderzoek.
Aangezien het VAR-model een lineair model is, kunnen we de resultaten uit de positieve impulsen
wel omdraaien en hieruit de conclusies onderbouwen. Verder simuleert het model een schok gelijk
aan één standaardafwijking en niet één procent. Dit vormt geen probleem op voorwaarde dat er
voorzichtig omgesprongen wordt met de interpretatie van de impulse responses. Een andere
belangrijke beperking aan de gesimuleerde schokken is dat er geen onderscheid gemaakt kan worden
tussen de verschillende soorten uitgaven en ontvangsten. Een schok in de btw en een schok in de
vennootschapsbelasting zullen andere effecten teweegbrengen, maar dit kan niet weergegeven
worden in het model. Een laatste beperking ligt in het VAR-model zelf. Het VAR-model zal de reactie
van de verschillende variabelen op een impuls proberen te voorspellen op basis van historische
tijdreeksen. Binnen deze masterproef is het echter onmogelijk om alle factoren met invloed op de
variabelen op te nemen in het model. Hierdoor kan het model een afwijking in bijvoorbeeld de groei
van het bbp verkeerdelijk toeschrijven aan een impuls in het budgettaire beleid terwijl dit een reactie
was op een impuls in het monetaire beleid. De factor monetair beleid is niet opgenomen in het model
waardoor er met deze invloed geen rekening gehouden wordt. Deze beperking kan een vertekend
beeld van de resultaten geven.
Voor verder onderzoek is het zinvol om het model uit te breiden met invloedrijke factoren zodat de
laatste beperking verminderd wordt. Aangezien het model dan rekening houdt met een groter aantal
invloeden kan het effect van het budgettaire beleid nauwkeuriger bepaald worden. Verder is het
interessant om de variabele ‘schuldgraad’ in te voegen. Als reden voor de non-keynesiaanse reactie
van de groei van het bbp op een impuls in de overheidsuitgaven werd de Ricardiaanse equivalentie
aangehaald. Deze doctrine zou bevestigd of ontkracht kunnen worden door het model uit te breiden
met de variabele schuldgraad.
76
10 Literatuurlijst
Annett, A. (2006). Enforcement and the Stability and Growth Pact: How fiscal policy did and did not
change under Europe's fiscal framework. International Monetary Fund. Retrieved April 22,
2015, from
https://books.google.be/books?hl=nl&lr=&id=3g8J3dW7BPIC&oi=fnd&pg=PA3&dq=stability+
and+growth+pact&ots=s6zXlBZ1jM&sig=tzWT-LiMyhIbEu0pqE5sL19lDE#v=onepage&q&f=false
Auerbach, A., & Gorodnichenko, Y. (2010). Measuring the ouput responses to fiscal policy. University
of California, Berkeley. Retrieved Mei 15, 2015, from
http://eml.berkeley.edu/~ygorodni/AG_fiscal_multiplier.pdf
Barro, R. J. (1974). Are government bonds net wealth? Journal of Political Economy, 82(6), 10951117. Retrieved mei 6, 2015
Barry, F. (1991). The Irish recovery 1987-90: an economic miracle. The Irish Banking Review, 23-40.
Retrieved juni 13, 2015
Bernanke, B., & Mihov, I. (1998). Measuring Monetary Policy. Quarterly Journal of Economics, 113,
869-902. Retrieved Juli 18, 2015
Bertola, G., & Drazen, A. (1993). Trigger points and budget cuts: explaining the effects of fiscal
austerity. The American Economic Review, 83(1), 11-26. Retrieved mei 13, 2015
Blanchard, O. J. (1990). Suggestions for a new set of fiscal indicators. OECD Economics Department.
Retrieved mei 15, 2015, from http://www.oecdilibrary.org/docserver/download/5lgsjhvj8bbp.pdf?expires=1438679030&id=id&accname=gu
est&checksum=037CC3A9AEAFA681DA117C9636C7A6CC
Blanchard, O. J., & Watson, M. W. (1984). Are Business Cycles All Alike? The National Bureau of
Economic Research. Retrieved June 27, 2015, from http://www.nber.org/papers/w1392
Blanchard, O., & Leigh, D. (2013). Growth forecast errors and fiscal multipliers. International
Monetary Fund. Retrieved Juli 6, 2015
Blanchard, O., & Perotti, R. (1999). An empircal characterization of the dynamic effects of changes in
government spending and taxes on output. Cambridge: National bureau of economic
research. Retrieved November 16, 2014, from http://www.nber.org/papers/w7269.pdf
Buffel, L., & Vanalme, E. (2014). De omzetting van de nieuwe Europese budgettaire regelgeving in
België. Federale Overheidsdienst Financiën - België. Federale Overheidsdienst Financiën België. Retrieved April 22, 2015, from
http://financien.belgium.be/nl/binaries/BdocB_2014_Q1n_Buffel_tcm306-255272.pdf
Burggraeve, K., de Walque, G., & Zimmer, H. (2015). Het verband tussen economische groei en
werkgelegenheid. Nationale Bank van België. Retrieved Juli 12, 2015, from
https://www.nbb.be/doc/ts/publications/economicreview/2015/ecotijdi2015_h2.pdf
Caldara, D., & Kamps, C. (2008). What are the effects of fiscal policy shocks? A VAR-based
comparative analysis. European Central Bank. Retrieved Mei 16, 2015, from
https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/scpwps/ecbwp877.pdf
77
Christen-Democratisch en Vlaams. (2010). Verkiezingsprogramma CD&V 2010. CD&V. Retrieved April
15, 2015
Christiano, L., Eichenbaum, M., & Rebelo, S. (2010). When is de government spending multiplier
large? Northwestern University. Retrieved Mei 11, 2015, from
http://www.kellogg.northwestern.edu/faculty/rebelo/htm/multiplier.pdf
Ciccarelli, M., & Rebucci, A. (2003). Bayesian VARs: A Survey of the recent Literature with an
application to the European Monetary System. International Monetary Fund. Retrieved Mei
16, 2015, from http://www.imf.org/external/pubs/ft/wp/2003/wp03102.pdf
Commissie voor Regulering van de Elektriciteit en het Gas. (2011, februari 28). Nucleaire rente: De
CREG analyseert de uitleg van Electrabel en bevestigt haar standpunt. Retrieved april 7, 2015
De Grauwe, P. (2010). De competitiviteit van België: een lange termijn analyse. Leuven: Kotholieke
Universiteit Leuven. Retrieved Juni 11, 2015, from
https://lirias.kuleuven.be/bitstream/123456789/282912/1/LES+132.pdf
Decramer, S., Konings, J., & Reynaerts, J. (2011). De omvang van het overheidsbeslag in België. VOKA;
VIVES. Retrieved Maart 31, 2015, from
https://feb.kuleuven.be/VIVES/vokaleerstoel/vokapublicaties/voka-vives-11overheidsbeslag-v6.pdf
Delarue, S., & Seynaeve, M. (2010). Oorzaken en gevolgen van de economische crisis, en
aanbevelingen naar de toekomst: een verkenning. Universiteit Gent. Retrieved Februari 16,
2015, from http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/459/543/RUG01001459543_2011_0001_AC.pdf
Dell'Erba, S., Mattina, T., & Roitman, A. (2013). Pressure or prudence? Tales of Market Pressure and
Fiscal Adjustment. International Monetary Fund. Retrieved Mei 15, 2015, from
http://www.imf.org/external/pubs/ft/wp/2013/wp13170.pdf
Dhyne, E., & Druant, M. (2010). Wages, labour or prices: How do firms react to shocks? Brussel:
Nationale Bank van België. Retrieved Maart 23, 2015, from
http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=1680405
Dury, D., Langenus, G., Cauter, K. V., & Meensel, L. V. (2009). De economische relanceplannen.
Brussel: Nationale Bank van België. Retrieved Maart 31, 2015, from
http://www.nbb.be/doc/ts/publications/EconomicReview/2009/ecotijdIII2009N_H3.pdf
European Commission. (2013, July 26). Six-pack? Two-pack? Fiscal compact? A short guide to the new
EU fiscal governance. Retrieved April 21, 2015, from
http://ec.europa.eu/economy_finance/articles/governance/2012-03-14_six_pack_en.htm
European Commission. (2015). Stability and Growth pact. Retrieved Maart 23, 2015, from
http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/index_en.htm
European Stability Mechanism. (2015). Retrieved April 21, 2015, from European Stability Mechanism:
http://www.esm.europa.eu/about/index.htm
Europese Centrale Bank. (2009). De Europese Centrale bank, Het Eurosysteem, Het Europees stelsel
van centrale banken. Retrieved November 4, 2014, from
http://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/escb_nl_webnl.pdf
78
Europese Commissie. (2011). Stabiliteitsprogramma van België 2011 - 2014. Retrieved April 28, 2015,
from http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/nrp/sp_belgium_nl.pdf
Europese Commissie. (2012). Het stabiliteitsprogramma van België (2012-2015). Europese
Commissie. Retrieved April 8, 2015, from
http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/nd/sp2012_belgium_nl.pdf
Europese Unie. (2011). Publicatieblad van de Europese Unie. EUR-Lex. Retrieved April 22, 2015, from
http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:L:2011:306:TOC
Ewijk, C. V., & Teulings, C. (2009). De grote recessie, Het centraal planbureau over de kredietcrisis.
Balans. Retrieved Februari 26, 2015
Faust, J. (1998). The Robustness of Identified VAR Conclusions About Money. Carnegie-Rochester
Conference Series on Public Policy, 49, 207-244. Retrieved Juli 18, 2015
Faust, J., & Leeper, E. M. (1997). When Do Long-Run Identifying Restrictions Give Reliable Results?
Journal of Business and Economic Statistics, 345-353. Retrieved Juli 18, 2015
Favero, C., & Giavazzi, F. (2010). Reconciling VAR-based and Narrative Measures of the TaxMultiplier. Innocenzo Gasparini institute for Economic Research. Retrieved Mei 15, 2015,
from ftp://ftp.igier.unibocconi.it/wp/2010/361.pdf
Federale overheid. (2011). Begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2012
Algemene Toelichting. Brussel: Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers. Retrieved Juli
8, 2015, from http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/1942/53K1942001.pdf
Federale Overheid. (2013). Aanpassing van de begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het
begrotingsjaar 2013. Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers. Retrieved Juli 10, 2015,
from http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/2768/53K2768001.pdf
Federale overheid. (2013). Begrotingen van ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2014.
Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers. Retrieved Juli 19, 2015, from
http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/3069/53K3069001.pdf
Fernández-Villaverde, J., & Rubio-Ramírez, J. F. (2007). Structural Vector Autoregressions. University
of Pennsylvania. Retrieved Mei 16, 2015, from
http://economics.sas.upenn.edu/~jesusfv/svars_format.pdf
FOD economie, K.M.O., middenstand en energie. (2012). Panorama van de Belgische economie 2011.
FOD economie, K.M.O., middenstand en energie. Retrieved March 8, 2015
Giavazzi, F., Jappelli, T., & Pagano, M. (2000). Searching for Non-Linear Effects of Fiscal Policy:
Evidence from Industrial and Developing Countries. National Bureau of Economic Research.
Retrieved April 14, 2015
Gielens, G., & Dessoy, A. (2015). Is een blackout van de overheidsinvesteringen onvermijdelijk?
Retrieved Maart 2015, 31, from
https://www.belfius.com/NL/Media/Opiniestuk_Is%20een%20blackout%20van%20de%20overheidsinvesteringen%20onvermijdelijk_tcm_80-95211.pdf
79
Hemming, R., Kell, M., & Mahfouz, S. (2002). The effectiveness of Fiscal Policy in Stimulating
Economic Activity: A Review of the Literature. International Monetary Fund. Retrieved Juli 13,
2015
Hofmans, H. (2012). Hoe zien de gewijzigde Europese begrotingsregels eruit? Tijdschrift voor
Openbare Financiën(2), pp. 81-95. Retrieved April 15, 2015, from
http://tvof.nl/page/downloads/TvOF_2012-2_art_3.pdf
Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. (2004). Verslag 2004. Hoge Raad voor de Werkgelegenheid.
Retrieved Juli 12, 2015, from
file:///C:/Users/Tim/Downloads/e9573816a93644959961bd09791742c02.pdf
Hyvärinen, A., Zhang, K., Shimizu, S., & Hoyer, P. O. (2010). Estimation of a Structural Vector
Autoregression Model Using Non--Gaussianity. (P. Dayan, Ed.) Journal of Machine Learning
Research, 11, 1709-1731. Retrieved Mei 16, 2015, from
http://www.jmlr.org/papers/volume11/hyvarinen10a/hyvarinen10a.pdf
Joos, P. (2011). De zesde staatshervorming (vlinderakkoord). Wolters Kluwer. Retrieved April 2, 2015,
from
http://www.legalworld.be/legalworld/uploadedFiles/Config/Home_Page/NewGov/ArtikelSta
atshervorming%20_joos_lang.pdf?LangType=2067
Kara, E., & Sin, J. (2012). Fiscal Multiplier in a Credit-Constrained New Keynesian Economy. Bristol:
University of Bristol. Retrieved Mei 11, 2015, from
http://www.efm.bris.ac.uk/economics/working_papers/pdffiles/dp12634.pdf
Kasimovskaya, E., & Didenko, M. (2013). International Competitiveness and Sustainable
Development: are they apart, are the together? A quantative approach. Swiss Business
School. Retrieved Juli 16, 2015
King, R. G., Plosser, C. I., Stock, J. H., & Watson, M. W. (1991). Stochastic Trends and Economic
Fluctuations. American Economic Review, 81(4), 819-840. Retrieved Juli 18, 2015
Koren, S., & Stiassny, A. (1998, April). Tax and Spend, or Spend and Tax? An international Study.
Journal of Policy Modeling, 20(2), 163-191. Retrieved Juli 21, 2015, from
http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0161893896000737
Krugman, P. (1994). Past and Prospective Causes of High Unemployment. Federal Reserve Bank of
Kansas City. Retrieved Juli 20, 2015, from
https://www.kansascityfed.org/publicat/econrev/EconRevArchive/1994/4Q94KRUG.pdf
Langenus, G. (2005). Het stabiliteits- en groeipact: een bewogen geschiedenis. Nationale bank België.
Retrieved November 18, 2014, from
http://www.banquenationale.be/doc/TS/Publications/EconomicReview/2005/ecotijdII2005N
_H4.pdf
Lucas, R. E. (1976). Macro-economic Policy Evaluation: A Critique. Carnegi-Rochester Conference
Series on Public Policy, 1, 19-46. Retrieved Mei 18, 2015
Malengier, G. (2003). Effecten van het budgettair beleid op de private consumptie en besparingen.
UGent. Retrieved November 4, 2014, from
http://buck.ugent.be/fulltxt/RUG01/000/790/038/RUG01-000790038_2010_0001_AC.pdf
80
Mankiw, N. G., & Taylor, M. P. (2014). Economics (3rd ed.). Andrew Ashwin. Retrieved Juli 21, 2015
Mian, A. R., & Sufi, A. (2012). What explains high unemployment? The aggregate demand channel.
Nationale Bureau of Economic Research. Retrieved Juli 19, 2015, from
http://www.nber.org/papers/w17830
Mouton, A. (2015, Maart 26). België investeert te weinig. (D. Killemaes, Ed.) Trends, 13, 24-26.
Retrieved Maart 31, 2015
Mulder, j. D., & Druant, M. (2011). De Belgische arbeidsmarkt tijdens en na de crisis. Nationale Bank
van België. Retrieved Maart 23, 2015, from
http://www.nbb.be/doc/ts/publications/EconomicReview/2011/ecotijdI2011_H5.pdf
Nationale Bank van België. (2011). De Belgische nucleaire schaarsterente. Nationale Bank van België.
Retrieved April 7, 2015, from http://www.nbb.be/doc/ts/publications/creg/verslag.pdf
Nationale Bank van België. (2014). Economische indicatoren voor België. Retrieved November 5,
2014, from http://www.nbb.be/DOC/DQ/N/DQ3/HISTO/INE1444.PDF
NBB; CRB; FPB. (2011). De uitdagingen voor het concurrentievermogen in België. Nationale Bank van
België. Retrieved Juni 11, 2015, from
https://www.nbb.be/doc/ts/publications/concurrentievermogen.pdf
Nelson, C. R. (2006). Macroeconomics: an introduction. University of Washington. Retrieved Mei 12,
2015, from http://faculty.washington.edu/cnelson/Chap11.pdf
Open Vld. (2010). Een nieuwe start, Ambitie 2020 welvaart creëren, welvaart verdelen. Open Vld.
Retrieved April 14, 2015
Pesaran, M. H., Shin, Y., & Smith, R. J. (2000). Structural analysis of vector error correction models
with exogenous /. Journal of Econometrics, 97(2), 293-343.
Prijzenobservatorium. (2011). Analyse van de prijzen jaarverslag 2011 van het instituut voor de
nationale rekeningen. FOD Economie. Retrieved Maart 18, 2015, from
http://economie.fgov.be/nl/binaries/Rapport_annuel_2011_prix_observatoire_NL_tcm325164371.pdf
Ramey, V. A. (2008). Identifying government spending shocks: it's all in the timing. San Francisco:
Federal Reserve Bank. Retrieved Mei 15, 2015, from
http://econweb.ucsd.edu/~vramey/research/IdentifyingGov_final.pdf
Ramey, V. A. (2009). Identifying Government Spending Shocks: It's All in the Timing. National Bureau
of Economic Research. Retrieved Juni 11, 2015, from http://www.nber.org/papers/w15464
Ramey, V. A. (2011, September 3). Can Government Purchases Stimulate the Economy? Journal of
Economic Literature, 49, 673-685.
Reinhart, C. M., & Rogoff, K. S. (2010). Growth in time of debt. Cambridge: National Bureau of
Economic Research. Retrieved april 6, 2015, from http://www.nber.org/papers/w15639.pdf
Romer, C. D., & Romer, D. H. (2010, Juni). The Macroeconomic Effects of Tax Changes: Estimates
Based on a New Measure of Fiscal Shocks. The American Economic Review, 100, 763-801.
Retrieved Juni 10, 2015, from
http://eml.berkeley.edu/~dromer/papers/RomerandRomerAERJune2010.pdf
81
Sierens, E. (2013). Economische groei, schuldafbouw en besparingen in de economische crisis: een
vergelijkende studie tussen de recente recessie en het verleden. Faculteit economie en
bedrijfskunde. Gent: Universiteit Gent. Retrieved April 14, 2015, from
http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/061/999/RUG01-002061999_2013_0001_AC.pdf
sp.a. (2010). Goedgekeurd verkiezingsprogramma 9 mei 2010. sp.a. Retrieved april 8, 2015
Spilimbergo, A., Symansky, S., & Schindler, M. (2009). Fiscal Multipliers. Research Department.
International Monetary Fund. Retrieved Mei 10, 2015, from http://www.eco2macro.net/mac/spn0911.pdf
Stadler, G. W. (1994). Real Business Cycles. Journal of Economic Literature, 32(4), 1750-1783.
Retrieved Mei 13, 2015, from http://web.econ.unito.it/bagliano/macro3/stadler_jel94.pdf
Stock, J. H., & Watson, M. W. (2001). Vector Autoregressions. Seattle: University of Washington.
Retrieved June 26, 2015, from
http://faculty.washington.edu/ezivot/econ584/stck_watson_var.pdf
Summers, L. H. (1986). Tax policy and international competitiveness. Chicago: National Bureau of
Economic Research. Retrieved Juli 16, 2015, from http://www.nber.org/papers/w2007
Timco, T. (2014). Hebben de fiscale maatregelen in België anti-economische gevolgen?
Bedrijfseconomische wetenschappen. Hasselt: Universiteit Hasselt. Retrieved November 16,
2014, from
https://uhdspace.uhasselt.be/dspace/bitstream/1942/17364/1/10297642013635.pdf
Uhlig, H. (2005). What are the effects of monetary policy on output? Results from an agnostic
identification procedure. Journal of Monetary Economics, 52, 381-419. Retrieved Mei 16,
2015, from http://home.uchicago.edu/~huhlig/papers/uhlig.jme.2005.pdf
Van Aarle, B., & Konings, J. (2011). Het effect van de overheidsuitgaven op het BBP in België:
Multiplicator effect versus 'crowding out'. Vives - KULeuven. VOKA. Retrieved Mei 9, 2015,
from https://feb.kuleuven.be/VIVES/vokaleerstoel/vokapublicaties/voka-multiplicatoroct2011.pdf
Van Poeck, A., & Van Gompel, J. (2013). Economische politiek: principes en ervaringen. Garant.
Retrieved Augustus 20, 2014
Ventzislav, I., & Lutz, K. (2005). A Practioner's Guide To Lag Order Selection For VAR Impulse Response
Analysis. The Berkerley Electronic Press. Retrieved Juli 13, 2015, from
http://drphilipshaw.com/Protected/A%20Practitioners%20Guide%20to%20Lag%20Order%20
Selection%20for%20VAR%20Impulse%20Response%20Analysis.pdf
Verbon, H. (2008). Van structureel naar trendmatig begrotingsbeleid. Aelementair, 7(1), 16-20.
Retrieved Mei 12, 2015, from
http://www.tilburguniversity.edu/webwijs/files/center/verbon/AE.pdf
von Busekist, A. (2013). België begrijpen: verleden, heden en toekomst van een land op de
tweesprong. De Bezige Bij. Retrieved Mei 13, 2015
82
11 Bijlagen
11.1 Q-Q plots
Q-Q plot for BBP_groei
2
y=x
1,5
1
0,5
0
-0,5
-1
-1,5
-2
-2,5
-1
-0,5
0
0,5
1
1,5
2
Normal quantiles
Q-Q plot for d_WerklooshGR
1,5
y=x
1
0,5
0
-0,5
-1
-1
-0,8
-0,6
-0,4
-0,2
0
0,2
0,4
0,6
Normal quantiles
83
0,8
1
Q-Q plot for d_Loonkostpp
0,02
y=x
0,015
0,01
0,005
0
-0,005
-0,01
-0,015
-0,015
-0,01
-0,005
0
0,005
0,01
0,015
0,02
Normal quantiles
Q-Q plot for d_Fisc__Inkomsten__BBP
25
y=x
20
15
10
5
0
-5
-10
-15
-20
-25
-25
-20
-15
-10
-5
0
5
10
15
20
25
Normal quantiles
Q-Q plot for d_Uitgaven__bbp
10
y=x
8
6
4
2
0
-2
-4
-6
-8
-6
-4
-2
0
2
4
6
Normal quantiles
84
11.2. Mathematische analyse van de uitschieters
3xStandaardafwijking
Mathematische analyse
Value
Average Stddev. Min
Max
Uitschieter
?
BBP_groei
2008 Q4
-2,2
0,51515
0,50907
-1,0121
2,04236
Ja
2009 Q1
-1,6
0,50606
0,55105
-1,1471
2,15921
Ja
2001 Q4
0,9
-0,0492
0,35493
-1,114
1,01556
Nee
2004 Q2
-0,8
-0,0231
0,36132
-1,107
1,06089
Nee
2004 Q3
1,1
-0,0523
0,34556
-1,089
0,98436
Ja
2006 Q3
-1
-0,02
0,35364
-1,0809
1,04093
Nee
2008 Q4
-0,5
-0,0277
0,36934
-1,1357
1,08031
Nee
2011 Q1
-0,8
-0,0231
0,36132
-1,107
1,06089
Nee
1996 Q1
-0,01
0,00246
0,00531
-0,0135
0,0184
Nee
2004 Q1
-0,01
0,00246
0,00531
-0,0135
0,0184
Nee
d_werklooshGR
d_loonkostpp
2008 Q4
0,02
0,002
0,00506
-0,0132
0,01719
Ja
2010 Q1
d_Fisc_ontvangsten_BB
P
-0,01
0,00246
0,00531
-0,0135
0,0184
Nee
2009 Q1
-11,961
0,3931
8,9197
-26,366
27,1522
Nee
2008 Q2
11,712
0,02891
8,93361
-26,772
26,8297
Nee
2005 Q1
9,42441
0,09354
1,84325
-5,4362
5,62329
Ja
2005 Q2
-7,8308
0,359
1,92489
-5,4157
6,13369
Ja
d_uitgaven_BBP
11.3. VAR lag selection
VAR system, maximum lag order 8
The asterisks below indicate the best (that is, minimized) values of the respective information criteria, AIC = Akaike criterion, BIC = Schwarz Bayesian criterion and HQC = Hannan-Quinn criterion.
Lags
1
2
3
4
5
6
7
8
Loglik
-12,8745
17,38594
84,04891
106,3219
140,8876
162,3464
214,0941
258,4449
p(LR)
0,00009
0
0,00942
0,00001
0,01429
0
0
AIC
1,995672
1,814278
0,377624
0,471658
0,141809
0,263918
-0,65842
-1,32586
BIC
3,594292
4,301019
3,752487
4,734644
5,292916
6,303148
6,268935
6,489787
85
HQC
2,618367
2,782914
1,692201
2,132177
2,148269
2,61632
2,039927
1,718598
11.4. Forecast error decomposition
Decomposition of variance for d_werklooshGR
Decomposition of variance for d_werklooshGR
Kwartalen
d_werklooshGR
BBP_Groei
d_loonlostpp
d_Fisc_Inkomsten_bbp
d_Uitgaven_bbp
1
84,2082
11,3041
0,4081
1,0427
3,0369
2
79,501
15,4582
1,141
0,9808
2,919
3
76,4617
15,0683
1,4959
4,1995
2,7746
4
71,579
20,236
1,4682
3,9871
2,7297
5
70,7944
19,9427
1,4464
4,4769
3,3396
6
69,7257
20,5283
1,7679
4,4598
3,5183
7
68,5409
20,2546
3,113
4,6469
3,4446
8
68,4556
20,2332
3,2127
4,6541
3,4444
9
68,2318
20,2304
3,2349
4,7354
3,5674
10
68,205
20,2434
3,2489
4,7332
3,5695
11
67,9939
20,1781
3,2402
4,8477
3,7401
12
67,9617
20,1539
3,2384
4,8888
3,7571
13
67,9055
20,1333
3,2353
4,8836
3,8423
14
67,8896
20,1513
3,2334
4,8796
3,8461
15
67,8148
20,1264
3,2315
4,8997
3,9276
16
67,7644
20,1345
3,228
4,9264
3,9466
17
67,7395
20,1277
3,2272
4,9353
3,9703
18
67,7343
20,1287
3,2264
4,9381
3,9724
19
67,7005
20,1183
3,2258
4,9449
4,0104
20
67,6658
20,1175
3,224
4,9661
4,0266
d_loonlostpp
d_Fisc_Inkomsten_bbp
d_Uitgaven_bbp
Decomposition of variance for BBP_groei
Decomposition of variance for BBP_Groei
Kwartalen
d_werklooshGR
BBP_Groei
1
6,3885
63,2248
7,4533
11,7284
11,2051
2
11,8232
42,4979
19,6842
11,4458
14,5488
3
12,3716
38,6145
18,7509
16,0013
14,2617
4
12,1804
36,6513
21,6598
15,2871
14,2214
5
11,9906
36,4515
21,7945
15,081
14,6824
6
11,9
35,3145
22,9664
15,2383
14,5807
7
11,8931
35,2732
22,9118
15,2609
14,661
8
11,8243
34,979
22,9747
15,3834
14,8386
9
11,808
34,909
23,0532
15,3625
14,8673
10
11,829
34,8639
23,0416
15,3584
14,9071
11
11,8423
34,8429
23,0102
15,3695
14,935
12
11,8393
34,8353
23,0048
15,3791
14,9416
13
11,8592
34,8262
22,9952
15,3732
14,9462
14
11,8536
34,8085
23,0099
15,3816
14,9465
15
11,8533
34,8061
23,0111
15,3814
14,9482
16
11,8524
34,8011
23,0117
15,3824
14,9525
17
11,861
34,7951
23,0118
15,3802
14,9519
18
11,8666
34,7923
23,0103
15,3792
14,9516
19
20
11,8665
11,8669
34,7926
34,7923
23,0102
23,01
15,3791
15,379
14,9516
14,9519
86
Decomposition of variance for d_Loonkostpp
Decomposition of variance for d_loonkostpp
Kwartalen
d_werklooshGR
BBP_Groei
d_loonlostpp
d_Fisc_Inkomsten_bbp
d_Uitgaven_bbp
1
0,3882
7,2881
81,1876
11,1327
0,0034
2
1,7077
7,3439
79,2824
11,6461
0,02
3
1,7525
7,8921
78,1314
11,5696
0,6543
4
1,8743
8,2822
77,136
11,6489
1,0586
5
2,0401
8,9175
74,9016
12,6057
1,5351
6
2,096
9,0833
74,3591
12,5656
1,896
7
2,1466
9,2662
74,0996
12,5427
1,9449
8
2,4821
9,351
73,6564
12,5336
1,9769
9
2,5237
9,3301
73,4135
12,514
2,2187
10
2,6079
9,5513
73,0876
12,5304
2,2228
11
2,6092
9,5723
73,0602
12,5368
2,2215
12
2,6254
9,5819
73,004
12,5478
2,2409
13
2,6336
9,6169
72,8994
12,5583
2,2918
14
2,6441
9,6232
72,8775
12,5605
2,2947
15
2,6442
9,633
72,8616
12,5626
2,2986
16
2,6484
9,6356
72,8534
12,5615
2,301
17
2,6491
9,637
72,8442
12,56
2,3098
18
2,6523
9,6422
72,8362
12,5599
2,3094
19
2,6528
9,4626
72,8344
12,5599
2,3103
20
2,653
9,4627
72,8339
12,5599
2,3105
Decomposition of variance for d_Fisc_Ontvangsten_bbp
Decomposition of variance for d_Fisc_Inkomsten_bbp
Kwartalen
d_werklooshGR
BBP_Groei
d_loonlostpp
d_Fisc_Inkomsten_bbp
d_Uitgaven_bbp
1
2,5146
9,1054
3,1006
79,423
5,8565
2
2,4307
10,624
2,0181
78,617
6,3102
3
7,5236
9,8256
3,4445
73,7463
5,46
4
7,7136
9,5011
3,7906
73,776
5,2187
5
7,5772
8,5725
3,1771
74,8933
5,7798
6
6,5682
7,9717
2,7011
75,2479
7,511
7
7,0004
8,194
2,496
75,3799
6,9297
8
6,7075
7,9888
2,3588
76,4226
6,5223
9
6,4481
7,6197
2,1488
76,5755
7,208
10
6,0328
7,6018
1,9113
75,8986
8,5554
11
5,9844
7,8215
1,7815
76,1986
8,214
12
5,757
7,7128
1,6826
77,0206
7,827
13
5,5522
7,522
1,577
77,1391
8,2097
14
5,3297
7,5402
1,4772
76,7188
8,934
15
5,1833
7,7139
1,3956
76,8921
8,8151
16
5,0149
7,6771
1,3269
77,3976
8,5835
17
4,8633
7,5851
1,271
77,5244
8,7562
18
4,7233
7,6068
1,2249
77,3327
9,1123
19
4,5987
7,6983
1,1732
77,4109
9,1189
20
4,4752
7,6996
1,1257
77,6826
9,0169
87
Decomposition of variance for d_Uitgaven_bbp
Decomposition of variance for d_Uitgaven_bbp
Kwartalen
d_werklooshGR
BBP_Groei
d_loonlostpp
d_Fisc_Inkomsten_bbp
d_Uitgaven_bbp
1
3,3827
1,2051
0,3516
5,9205
89,1402
2
4,7098
13,3999
2,0381
12,8277
67,0245
3
4,4388
15,4902
1,9223
13,9156
64,2331
4
11,8742
14,4256
1,7347
13,4399
58,5256
5
12,3607
12,8922
3,5463
12,458
58,7429
6
11,4866
13,3909
3,6305
11,8306
59,6614
7
10,9935
16,3658
3,4743
12,068
57,0983
8
11,4146
16,2091
3,5229
12,0288
56,8247
9
11,2583
15,9264
4,2702
12,3345
56,2105
10
11,0662
16,0101
4,8581
12,0211
56,0444
11
10,9797
16,4901
4,8255
12,1586
55,546
12
10,9805
16,4679
4,8142
12,1521
55,5854
13
10,9109
16,3672
5,0047
12,6083
55,1089
14
10,8574
16,2871
5,1215
12,6801
55,0539
15
10,8398
16,3694
5,1139
12,6675
55,0094
16
10,8282
16,3724
5,1082
12,6822
55,009
17
10,777
16,3187
5,1167
12,9856
54,802
18
10,7483
16,2883
5,145
13,1749
54,6435
19
10,7407
16,2795
5,144
13,1854
54,6505
20
10,7399
16,2775
5,1411
13,2148
54,6267
88
Download