Titel

advertisement
Zorg met velen!
De rol van de SPV in een community-intervention project
T. Somers
Afstudeeropdracht
MGZ/GGZ opleiding tot SPV
Avans Hogeschool, Breda
Maart 2007
Voorwoord
Als Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige (SPV) in opleiding ben ik werkzaam binnen GGZ
WNB (Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant). Ik werk daar in de sector
Ouderen, specifiek het cluster Ambulant.
In het kader van het afstuderen betreffende de opleiding dien ik een literatuurstudie te
beschrijven in de vorm van een scriptie.
Binnen het werkveld zijn momenteel veel ontwikkelingen gaande ten aanzien van de signalering
en behandeling van problematiek. Met name de doelgroep 65+ wordt gezien als een kwetsbare
groep met veel verborgen psychische problematiek.
De afgelopen jaren zijn veel verschillende projecten gestart met als doel deze problematiek beter
in kaart te krijgen om zo de signalering, behandeling en begeleiding beter af te kunnen stemmen.
Eén van deze projecten, oorspronkelijk uit Amerika, is overgewaaid naar Nederland en kent de
naam; ‘Community Interventie’.
Deze scriptie is gericht op de rol van de SPV in die betreffende aanpak.
Ik wil dhr. Joost Bonants bedanken voor zijn duidelijke en vooral stimulerende wijze van
begeleiden. Ik heb altijd met plezier zijn passie voor het vak bewonderd.
Vanuit het werkveld voel ik mij bijzonder gesteund door de collega’s van het Reguliere
Ambulante Team van zowel Bergen op Zoom als Roosendaal. Speciaal gaat mijn dank uit naar
mijn werkbegeleidster Claudia Lemette, zij heeft van zeer nabij de vorderingen van deze scriptie
meegemaakt en mij hierin ten volle gesteund!
Bergen op Zoom, Maart 2007
Tim Somers
Inhoudsopgave
Pag.
Inleiding
Hoofdstuk 1: Depressie bij ouderen
2
Hoofdstuk 2: De SPV in zijn 3 taakgebieden
§ 2.1 Zorgvragergebonden taken
§ 2.2 Professiegebonden taken
§ 2.3 Organisatiegebonden taken
4
5
11
12
Hoofdstuk 3: De community intervention aanpak
§ 3.1 Wat is de community intervention aanpak?
§ 3.2 Kenmerken van de community intervention aanpak
14
14
15
Hoofdstuk 4: De SPV in een community intervention project
§ 4.1 Algemene publieksvoorlichting
§ 4.2 Deskundigheidsbevordering
§ 4.3 Samenwerking
§ 4.4 Totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen
16
16
18
19
20
Hoofdstuk 5: Community intervention in de praktijk, het ideaal
22
Hoofdstuk 6: Conclusies en aanbevelingen
§ 3.1 Conclusies
§ 3.2 Aanbevelingen
24
24
25
Literatuurlijst
27
Bijlage I – Stroomschema RAT Ouderen GGZ WNB
Bijlage II – Implementatie community intervention project
Bijlage III – Gespreksagenda eindgesprek
De rol van de SPV in een community-intervention project
Inleiding
Aanleiding van de literatuurstudie
Verschillende studies geven aan dat psychiatrische problematiek bij ouderen, met name
angststoornissen en depressie, gemaskeerd is en vaak onvoldoende gediagnosticeerd wordt. Dit
fenomeen kan een significant verlies van kwaliteit van leven geven voor met name de kwetsbare
ouderen. (Préville et.al., 2004).
Eveneens is bekend dat juist deze populatie maar een geringe aanspraak maakt op de reeds
bestaande hulpverlening (Bohlmeijer, et.al, 2003).
Om toch gerichte zorg te leveren aan deze omvangrijke doelgroep zijn verschillende projecten
gelanceerd in Nederland.
Een van deze projecten heeft zijn meerwaarde reeds bewezen in de preventieve en somatische
zorg. Het betreft de community-interventie; het tegelijkertijd en in samenhang aanpakken van
verschillende oorzaken en factoren wat effectiever is dan een op zichzelf staande interventie
(Bohlmeijer, et.al, 2003).
Ook gemeente Bergen op Zoom, in samenwerking met verschillende hulpverlenende instanties,
waaronder GGZ WNB, hebben de handen ineen geslagen om een dergelijk project op te zetten.
Deze Community-Intervention is begin Januari 2007 van start gegaan in de wijk FortZeekant/Glacis
te Bergen op Zoom.
Vanuit GGZ WNB nemen een 2 tal Sociaal Psychiatrische Verpleegkundigen (SPV) deel aan het
project genaamd “Zon aan de Zeekant”, in voorbereiding op de start is echter nog niet geheel
duidelijk wat de rol van deze hulpverleners is en welke taken hen daar liggen te wachten.
Graag wil ik met behulp van deze studie meer duidelijkheid geven over de rol en de taken die de
SPV specifiek in een dergelijk project hebben.
Doel en relevantie van deze literatuurstudie
Het doel van deze literatuurstudie is om beter zicht te krijgen op de gewenste rol en het
takenpakket van de SPV in een community-intervention project gericht op signalering en
begeleiding van depressie bij ouderen. Ik wil hierbij eerst een beschrijving geven van de rollen en
taken die de SPV nu, in de reguliere werkwijze heeft in de signalering en begeleiding van ouderen
met depressieve problemen. In een vergelijking tussen beide wil ik conclusies trekken en
aanbevelingen beschrijven o.a. gericht aan de SPV’en die werkzaam zijn in een communityintervention project.
Deze literatuurstudie is beschreven vanuit een vraagstelling, deze vraagstelling luidt als volgt:
“Is er sprake van een verandering in rollen en takenpakket van de SPV wanneer deze werkzaam is in een
community-intervention project gericht op bestrijding van depressie bij ouderen?”
Om tot volledige beantwoording van deze vraag te komen heb ik een 2 tal subvragen opgesteld:
1. Wat is volgens de theorie de gewenste rol en takenpakket van een SPV in de reguliere
werkwijze t.a.v. bestrijding van depressie bij ouderen?
2. Wat is de invulling van de rollen en taken van de SPV in een community-intervention
programma?
Samenvattend beschrijf ik in deze literatuurstudie het volgende:
In hoofdstuk 1 geef ik een beschrijving van de doelgroep en de problematiek.
In hoofdstuk 2 beschrijf ik de reguliere werkwijze van de SPV bij de behandeling en begeleiding
van de depressieve oudere. Ik maak hierbij gebruik van de 3 taakgebieden zoals deze gerangschikt
zijn in het beroepsprofiel.
Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van wat een community intervention project precies is.
Maart 2007
1
De rol van de SPV in een community-intervention project
In hoofdstuk 4 komt een beschrijving van het takenpakket van de SPV die werkzaam is in een
community intervention project. Ik maak hierbij tevens gebruik van beide beroepsprofielen van
de SPV uit 2002 en 2005.
Uiteindelijk beschrijf ik in hoofdstuk 5 hoe die SPV werkzaam is in een dergelijk project, zo komt
dat in de praktijk tot uiting.
Hoofdstuk 6 beslaat de conclusies en de aanbevelingen.
Hoofdstuk 1
Depressie bij ouderen
In dit hoofdstuk geef ik een beschrijving van de doelgroep en de problematiek waar deze
literatuurstudie op geënt is.
Op basis van een grootschalig onderzoek in Nederland, het NEMESIS (Netherlands Mental Health
Survey and Incidence Study) onderzoek, is bekend dat in 2003 naar schatting 6.3% van de inwoners
van Nederland van 13 jaar en ouder leed aan een depressie. In cijfers uitgedrukt zijn dat zo’n
856.000 mensen. Deze cijfers zijn beschreven op basis van een schatting. De onderbouwing
hiervan komt namelijk voort uit bevolkingsonderzoeken (waaronder NEMESIS, maar ook LASA
(Longitudinal Ageing. Study Amsterdam)) die vrij oud zijn (medio jaren 90). Het interpreteren van deze
cijfers dient dus met enige voorzichtigheid te gebeuren.
Opvallend is dat het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) spreekt over een laag
voorkomen van depressie bij ouderen. Cijfers geven aan dat in 2003 een jaarprevalentie (per
1000) van depressie in zijn totaliteit in Nederland bij oudere mannen op 33 ligt en bij vrouwen op
74. Deze aantallen, voortkomend uit het LASA (cijfers voor ouderen) onderzoek, zijn inderdaad
lager dan de aantallen voortkomend uit het NEMESIS onderzoek (cijfers voor volwassenen).
Sinds enige tijd komen er steeds meer signalen dat stemmingsstoornissen, depressie in het
bijzonder, bij ouderen zeer slecht onderkend worden (van Citters, 2004; Sonneberg et.al, 2003;
Hughes, et.al., 1992).
“De meest opvallende verschillen ten opzichte van jonger-volwassenen is dat depressies bij
ouderen minder vaak herkend en behandeld worden in de 1e lijn. Veel ouderen blijken
bijvoorbeeld met benzodiazepinen behandeld te worden of met te lage doseringen
antidepressiva.” (Kok, 2006; de Boer, 2006) Het is om die reden begrijpelijk dat dit direct invloed
heeft op registratie en uiteindelijk op publicatie van cijfers over prevalentie en incidentie.
Meer recentere schattingen van o.a. het Trimbos instituut laten een veel somberder beeld zien ten
aanzien van depressie bij ouderen. Zij schetsen cijfers van 12 tot 17% van de ouderen in
Nederland die kampen met ernstige depressieve klachten (Smit et.al., 2003). Lichte en matige
depressieve klachten zijn in deze niet meegenomen. Daarbij komt dat zo’n 43% van depressies bij
ouderen langdurig zijn (10 maanden of langer) en 34% zelfs chronisch worden. (Bohlmeijer et.al.,
2003). In de gevonden literatuur zijn duidelijke verschuivingen te zien in aantallen en prevalentie.
Reden hiervoor zijn de veel verschillende criteria die gebruikt worden bij het beschrijven van
depressie. Veelgebruikt is het onderscheid tussen minor en major depression. Waarbij de strenge
diagnostische criteria van depressie gebruikt worden als ‘major depression’ en de grotere groep
mildere depressieve stoornissen vallen onder ‘minor depression’. Als op basis van deze criteria
gekeken wordt naar de prevalentie van depressie bij ouderen (leeftijd, 55 tot 85) in Nederland kan
gezegd worden dat er een prevalentie is van 14.9%. Onderscheid in minor depression (12.9%) en
major depression (2.0%). Geconcludeerd kan worden dat depressie bij ouderen in
Nederland veelvoorkomend is. Opmerkelijk is dat de prevalentie van beide typen depressie
ongeveer twee keer zo hoog is bij vrouwen dan bij mannen. (Beekman et.al, 1997).
Aangezien jarenlang het NEMESIS bevolkingsonderzoek basis was voor het overheidsbeleid ten
aanzien van psychische problematiek bij ouderen, ben ik nu verheugd te zien dat het recent
Maart 2007
2
De rol van de SPV in een community-intervention project
verschenen rapport van het Centraal Cultureel PlanBureau (CPB), Rapportage Ouderen 2006, een
onderbehandeling van depressie en psychische stoornissen beschrijft. Dit rapport is momenteel
basis voor het Ouderenbeleid van het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. De ernst
van de problematiek wordt mijn inziens meer benadrukt dan voorheen. Dit resulteert in een
toename van zowel curatieve als preventieve projecten in de praktijk.
In het werkveld bestaat al enige tijd een nadruk op ouderenbeleid. In mijn eigen setting merk ik
dat de sector Ouderen van GGZ WNB, in omvang enorm gegroeid is de laatste tijd. Er is sprake
van een groei op het gebied van preventieve activiteiten, maar ook van behandeling en
begeleiding van depressie en cognitieve problematiek bij ouderen.
Hulpverleners bemerken dat de gevolgen van depressie groot zijn. Er is namelijk:
- Een verhoogd risico op sterfte.
- Een grotere kans op lichamelijke ziekten.
- Het dagelijks fysiek en sociaal functioneren vermindert.
- Er worden meer medische voorzieningen gebruikt. (Smit et.al., 2003)
Een veel gehoorde aanname is dat de klinische presentatie van depressieve klachten bij ouderen
anders zou zijn dan bij volwassenen. Empirisch onderzoek heeft echter aangetoond dat hier
nauwelijks verschil in zit. Wel is vaak sprake van een verschuiving in het leggen van de nadruk op
bepaalde klachten. Zo staan bij ouderen vaak lichamelijke klachten op de voorgrond als moeheid,
gewichtsverlies en slecht slapen. (Kok, 2006)
In mijn dagelijkse praktijk is heel sterk deze verschuiving waarneembaar. Aanmeldingen die bij
het RAT (Reguliere Ambulante Team) binnenkomen bevatten personalia van de cliënt die
doorverwezen is, eveneens een klachtenpresentatie beschreven door de huisarts die de
doorverwijzing gedaan heeft. Primair zijn vaak psychische klachten die lichamelijke geuit worden
en reden zijn van doorverwijzing. Ik zie vaak dat er al verschillende onderzoeken gedaan zijn bij
cliënten om een beter beeld te vormen van de lichamelijke klachten. Uiteindelijk lijkt de huisarts
‘met zijn handen in het haar’ te zitten en verwijst door naar de GGZ met als vraagstelling;
Diagnostiek en behandeling, vermoeden van depressie? Door bijvoorbeeld GGZ Op Afroep
(GOA) activiteiten is er een toename van consultatie door SPV’en in huisartsenpraktijken, vaak
gebeurt een doorverwijzing dan eerder of kan worden vermeden. Dit is prettiger voor de cliënt en
voor de huisarts.
Gezegd kan worden dat er minimaal verschil is tussen de mate van depressieve klachten bij
ouderen en bij volwassen. Wat wel duidelijk verschillend is tussen beide doelgroepen, is de mate
waarin depressie gesignaleerd wordt. Zo word depressie bij ouderen minder vaak herkend en
behandeld (van Citters, 2004; Sonneberg et.al, 2003; Hughes, et.al., 1992). De moeilijkheid in het
diagnosticeren van depressie bij ouderen speelt waarschijnlijk een belangrijke rol in deze
onderbehandeling. Op latere leeftijd voldoet namelijk een groot deel van de depressies niet aan de
volledige DSM criteria, eveneens is er vaak sprake van een grote co-morbiditeit met angst,
lichamelijke problematiek en cognitieve achteruitgang. Al deze factoren bemoeilijken de ware
diagnostiek. Tevens wordt depressie bij ouderen soms nog steeds gezien als een ‘normale’ reactie
op verlies (op allerlei fronten) en op het ouder worden. Om die reden zou een specifieke
behandeling niet geïndiceerd zijn. (Sonneberg, et.al. 2003) Dit gegeven, in combinatie met een
forse toename van de populatie; “Nationaal, de oudere populatie zal naar verwachting tegen het
jaar 2030 verdubbelen.” (Duke, 2005). Het is om die reden voor GGZ instellingen een noodzaak
om hun activiteiten op dit terrein nog verder uit te breiden en eventueel op zoek te gaan naar
nieuwe modellen van werken. 1 van deze modellen is basis voor deze literatuurstudie, in
hoofdstuk 2 zal hier verder op ingegaan worden.
Maart 2007
3
De rol van de SPV in een community-intervention project
In dit hoofdstuk heb ik getracht de doelgroep en ernst van de problematiek waarop deze
literatuurstudie gericht is te beschrijven. Zo hoop ik een theoretische basis te leggen voor het
verdere verslag. In het volgende hoofdstuk wil ik een beschrijving geven van de SPV in het
werkveld.
Hoofdstuk 2
De SPV in zijn 3 taakgebieden
In dit hoofdstuk sta ik stil bij de 3 taakgebieden van de SPV. Ik richt mij daarbij op de invulling
t.a.v. de doelgroep; ‘depressieve ouderen in de ambulante setting’.
De verwachting is dat er een taak- en/of rolverandering plaats zal vinden als de Sociaal
Psychiatrisch Verpleegkundige (SPV) werkzaam is in een community intervention project. Om helder
te kunnen verwoorden waar deze verandering dan precies nodig is en waar precies inhoudelijk de
nadruk op gelegd moet worden, wil ik in deze paragraaf beschrijven welke interventies de SPV in
de ouderenpsychiatrie momenteel uitvoert. Door deze interventies te spiegelen met de
interventies die nodig zijn om als SPV te functioneren in een community intervention-project, wil
ik dit onderscheid kunnen beschrijven.
Ik maak hierbij gebruik van de landelijke multidisciplinaire richtlijn depressie 2005. Ik kies juist
voor dit document omdat daarin op wetenschappelijk onderbouwde wijze (evidence based)
beschreven staat welke interventies helpen bij mensen met een depressie. Dit document is met
name geënt op volwassenen, de specifieke richtlijn voor ouderen wordt pas medio 2007
verwacht. Om een ordening aan te brengen in de interventies wil ik gebruik maken van het
Beroepsprofiel SPV van de NVSPV uit 2005. Hierin staan de taakgebieden, kerntaken en
competenties van de SPV beschreven. Als laatste maak ik gebruik van het Regionaal
Zorgprogramma Stemmingsstoornissen bij Ouderen van GGZ Regio Midden-Westelijk Utrecht
uit 2006. De reden om voor dit zorgprogramma te kiezen is de mate van beschikbaarheid en
transparantie. Het Nederlands Kenniscentrum Ouderenpsychiatrie (NKOP) stelt dit
zorgprogramma beschikbaar met als doel een voorbeeld te stellen voor andere GGZ instellingen.
De reden waarom ik een zorgprogramma gebruik voor mijn beschrijving van de huidige
werkwijze is als volgt; ‘Zorgprogramma's zijn zo veel mogelijk evidence based en practice based en
bieden de professional een systematiek’ (GGZ Nederland, 2006). Kortom de helderheid van de
beschrijving maakt de zorg voor de oudere inzichtelijk en zo voor mij makkelijker te spiegelen
aan het beroepsprofiel van de SPV. Als laatste wil ik gebruik maken van mijn ervaring als SPV io.
in de ouderenpsychiatrie, specifiek binnen het RAT (Reguliere Ambulante Team) van Ouderen
Ambulant van GGZ WNB.
De 3 taakgebieden die gebruikt worden in het beroepsprofiel van de SPV uit 2005 zijn als volgt;
- Zorgvragergebonden taakgebieden (Kerntaken A t/m M),
- Professiegebonden taakgebieden (Kerntaken A t/m C),
- Organisatiegebonden taakgebieden (Kerntaken A t/m D).
Een gedetailleerde beschrijving van de te onderscheiden kerntaken en eveneens de competenties
is in dit verslag niet gepast. Mijn uiteindelijke doel is juist eerder een beschrijving te geven van de
invulling daarvan, in de praktijk. Om die reden kies ik er voor om enkel de kerntaken te
beschrijven en praktische invulling in de SPV zorg voor ouderen met een depressie. Dit
hoofdstuk bestrijkt een aanzienlijk gedeelte van het werkstuk, het is echter een weloverwogen
keuze geweest. Het opsplitsen van de kerntaken had mijn inziens ten koste gegaan van de
helderheid van het verslag. De tekst die beschreven staat in het gekleurde kader is partieel
overgenomen uit het Beroepsprofiel van de SPV uit 2005.
.
In bijlage I vind u een stroomschema van de huidige wijze van hulpverlening binnen het
Reguliere Ambulante Team (RAT) van GGZ WNB alwaar de kerntaken in terugkomen in de
vorm van ‘actiepunten’.
Maart 2007
4
De rol van de SPV in een community-intervention project
§ 2.1
Zorgvragergebonden taakgebied
Kerntaak A: Beoordelen van de indicatie - De SPV screent de aanmelding en beoordeelt de
zorgvraag mede op basis van aanmeldingsinformatie van de verwijzer. De SPV stelt door triage
de mate van urgentie en gevaar voor de zorgvrager en zijn omgeving vast. Wanneer nodig vraagt
de SPV informatie op bij de verwijzer. Ze neemt de verantwoordelijkheid voor de
zorguitvoering of delegeert deze.
Op mij komt deze beschrijving heel helder over. Het aannemen van een aanmelding, beoordelen
op volledigheid en zo nodig opvragen van extra informatie gebeurt in mijn praktijk door de
spreekuurhouder van die dag. Als deze eerste controle gedaan is beoordeeld de SPV in welk
tijdsbestek de cliënt gezien moet worden. Is er sprake van een kritieke situatie? Zo niet mag deze
gewoon in de map ‘aanmeldingen’ en zal verdeeld worden tijdens het MDO (Multi Disciplinair
Overleg)¹
¹Zie stap 1,2&3 in het stroomschema van het RAT van GGZ WNB, zie bijlage I
Kerntaak B: Het vaststellen van de sociaal-psychiatrische verpleegkundige diagnose Aan de hand van de verzamelde gegevens stelt de SPV de diagnose(s) vast, in beginsel samen
met de zorgvrager en zijn sociaal netwerk.
Kerntaak C: Uitvoeren van sociaal-psychiatrisch verpleegkundig onderzoek - De SPV
verzamelt systematisch relevante informatie over de actuele gezondheid, welzijn en
bestaanssituatie van de zorgvrager. Deze is gebaseerd op het bio-, psycho-, sociale model. De
SPV plaatst deze gegevens in systeemperspectief.
Kerntaak D: Opstellen van behandelvoorstel - De SPV formuleert op basis van de gegevens
een toetsbare hypothese, die uitmondt in een beargumenteerd behandelvoorstel. Indien zij
aanvullende diagnostiek gewenst acht, doet zij daartoe een voorstel. Ze analyseert en
interpreteert de aanvullende onderzoeksresultaten en verwerkt deze in het behandelvoorstel.
Ik koppel kerntaak B,C & D bij elkaar omdat die in de praktische uitvoering vloeiend in elkaar overlopen.
De wijze waarop sociaal-psychiatrische diagnostiek zich in de praktijk uit is middels een
intakeprocedure². De diagnostiek betreft een inventarisatie van aard, ernst, duur en beloop van de
klachten en verschijnselen op basis van Auto-anamnese:
- ziektegeschiedenis
- behandelgeschiedenis
- biografie
Hetero-anamnese: standaard, ook gericht op de gevolgen van het systeem (Kok, 2006)
Gericht op problematiek bij ouderen is deze vaak erg uitgebreid, het levensverhaal is vaak lang en
ook is geregeld de ziekte- en behandelgeschiedenis uitgebreid. Gevolg is dat vaak veel en
uitgebreide informatie bekend is bij bijvoorbeeld de huisarts, maar ook bij familie in de vorm van
een hetero-anamnese.
Als er sprake is van stemmingsproblematiek dient de SPV de anamnesevragen dusdanig te stellen
dat na afloop middels een valide meetinstrument de ernst van de stemmingsstoornis kan worden
vastgelegd.
Het zorgprogramma raad in eerste instantie de zelfinvullijst voor het screenen van depressieve
klachten aan; de GDS (Geriatic Depression Scale) . Deze lijst is toepasbaar in heel veel settings en
relatief makkelijk zelf af te nemen. Het geeft een grove indruk weer of er sprake is van
stemmingsklachten. Meer specialistisch is de MADRS (Montgomery Åsberg Depression Rating Scale).
Deze screeningslijst dient afgenomen te worden door een getrainde hulpverlener, bijvoorbeeld
Maart 2007
5
De rol van de SPV in een community-intervention project
een SPV. De MADRS is meetlijst bij voorkeur voor ouderen omdat deze meer somatische items
bevat.
Naast de beoordeling van stemming zijn nog enkele facetten van belang om nader te
onderzoeken:
- Persoonlijkheidsonderzoek; bij twijfel over persoonlijkheidspathologie
- Kwaliteit van leven; wordt bij ons structureel gemeten met de HONOS 65+
- Cognitief functioneren; op indicatie een MMSE, bij slechte outcome (<24) evt. een
NeuroPsychologisch Onderzoek (NPO) of beeldvormend materiaal.
- Somatische diagnostiek; op indicatie het realiseren van een dagopname waarbij een
lichamelijk onderzoek verricht wordt door de klinisch geriater, lab-onderzoek en
anamnese.
- Sociale diagnostiek verricht door de SPV bestaande uit het uitvragen van de biografie en
een sociale netwerkanalyse met belangrijkste positieve en negatieve steun ervaren door de
cliënt.
- Meten van de te ervaren druk bij de mantelzorg; kan op indicatie met de EDIZ (Ervaren
Druk door Informele Zorg).
Van belang is het doen van een huisbezoek. Enerzijds geeft het een verbetering van
de vertrouwensband terwijl het tevens de mogelijkheid biedt om op natuurlijke wijze zo breed
mogelijk contact te leggen met het gezin. Tijdens huisbezoek kan vaak goed geobserveerd
worden hoe iemand functioneert, dit in samenhang met het leggen en onderhouden van
contacten. (Kok, 2006) ‘Onderzoek laat zien dat huisbezoeken geen kwaad doen aan de
behandeling, het kan zelfs een zeer positief effect hebben op andere reeds aangeboden diensten
in het kader van medisch, sociaal of educatie.’ (Ciliska, et.al., 1996)
In mijn dagelijkse werk merk ik dat intakes afnemen volgens een bepaald protocol verloopt
waarop alle levensgebieden beschreven staan, dit protocol dient als leidraad bij het exploreren van
de problematiek, maar ook naar beschikbare copingsmechanismen van de cliënt en/of zijn
systeem. Ik treed vaak in overleg met andere hulpverleners die ook met de cliënt te maken
hebben (gehad) om zo informatie over het systeem te verkrijgen. De huisarts is vaak een
betrouwbare bron. Eveneens maak ik bijna altijd gebruik van de mogelijkheid om op huisbezoek
te gaan. Ik ervaar dat dit ten goede komt aan de relatie met de cliënt, ik kan eerder invoegen.
Tevens heb ik dan gelijk een duidelijk beeld bij de leefsituatie van de cliënt. Dit geeft mij een
hoop informatie.
²Zie stap 4 &5 in het stroomschema van het RAT van GGZ WNB, zie bijlage I
Maart 2007
6
De rol van de SPV in een community-intervention project
Kerntaak E: Opstellen van een SPV-behandelplan - In de planningsfase worden de beoogde
resultaten, de SPV-interventies, de afspraken met andere disciplines en de evaluatiemomenten in
overleg met de zorgvrager en zijn sociaal netwerk vastgelegd in een behandelplan. De zorgvrager
stelt de prioriteiten. De SPV heeft een adviserende functie naar de zorgvrager, tenzij er sprake is
van ongevraagde zorg op basis van ernstige gezondheidsrisico's en gevaar.
Kerntaak F: Kiezen en plannen van SPV-interventies - Afhankelijk van de aard van de
problematiek, de mogelijkheden en sociaal-maatschappelijke omstandigheden van de zorgvrager
wordt gekozen voor een meer of minder specialistische benadering, dan wel een eclectische
’breedte’-benadering. De SPV-zorg kan variëren in gerichtheid: individuele benadering,
systeemtherapeutische benadering en groepstherapeutische benadering. De SPV kan optreden
als hoofdbehandelaar, waarbij een deel van de zorgverlening wordt uitbesteed aan andere
professionals, zowel binnen als buiten de eigen instelling.
Ook kerntaak E & F zijn naar mijn mening direct verbonden met elkaar, omdat in mijn huidige praktijk
zowel de doelen als de interventies beschreven staan in een IBP (Individueel BehandelPlan) wil ik de invulling door de
SPV tegelijk benoemen³.
Interventies geschikt met name voor ouderen met een depressie:
- Psycho-educatie; is tweeledig, enerzijds uitleg over pathologie en psychische
mechanismen, anderzijds ook het aanleren van nieuwe manier van omgaan met
psychische klachten (coping). Belangrijke copingmechanismen bij ouderen met depressie
zijn: afleiding en activering en rouwverwerking (Kok, 2006). Kan in 2 vormen: individueel
(middels bijvoorbeeld huisbezoek) of in groepsverband; variërend van puur informatieve
bijeenkomsten tot een duidelijk cursorische groep. De uitvoering hiervan valt ook onder
de competenties van de SPV maar vallen mogelijk eerder onder de kerntaak ‘zorggerichte
preventie’.
- Psychotherapie; Is deels gebaseerd op bestaande therapievormen voor volwassenen en
deels erg specifiek voor ouderen (Life-review en reminiscentie). Is bewezen effectief voor
ouderen, echter niet eerste middel van voorkeur, dat betreft toch de psychoeducatie. Rol
van de SPV hierin is naar mijn mening stimulerend. Signaleren of de betreffende cliënt
baat kan hebben bij deze behandelvorm en waar mogelijk doorverwijzen. Ik merk dat dit
in mijn eigen praktijk nog te weinig gebeurd. De misvatting dat ouderen met depressieve
klachten geen baat hebben bij psychotherapie staat nog teveel op de voorgrond.
Eveneens is de SPV in staat CGT (Cognitieve GedragsTherapie) toe te passen en met de
cliënt; depressogene denkfouten (gedachten) op te sporen, deze te bevragen en waar
mogelijk te corrigeren. In de praktijk gebeurd dit middels de RET (Rationele Emotieve
Therapie).
-
-
Biologische behandeling; denk aan medicatie, lichttherapie ed. In de praktijk is het de
SPV die op basis van de intake voorstelt tot het gebruik van antidepressiva, of in ieder
geval de arts laat meekijken welke antidepressiva gewenst is. Het is de SPV die mede
signaleert of de medicatie aan slaat en of dat inname juist gebeurt. Mijn ervaring is dat
wanneer inname bij de oudere cliënt niet consequent gebeurt er thuiszorg ingezet kan
worden om dit te stimuleren en te controleren.
Overige interventies die verricht kunnen worden door de SPV; steunende en
structurerende gesprekken, advisering t.a.v voeding, activering, zorgcoördinatie,
ondersteuning ADL, ondersteuning van de mantelzorg.
Bij het opstellen van een IBP zie ik vaak een combinatie van bovenstaande interventies terug
komen. Omdat een IBP multidisciplinair georiënteerd is komen er ook interventies van
bijvoorbeeld de psychiater in terug (‘follow up medicatie’ e.d.). Door het beschrijven van een IBP
Maart 2007
7
De rol van de SPV in een community-intervention project
verantwoord je de zorg en leg je tevens het vastgestelde beleid vast. Dit maakt het voor zowel de
hulpverlening als het cliëntsysteem helder en inzichtelijk wat er gaat gebeuren. Het bespreken van
een IBP gaat middels een adviesgesprek. Dit is een afsluitend gesprek van de intakefase.
³Zie stap 5& 6 in het stroomschema van het RAT van GGZ WNB, zie bijlage I
Kerntaak G: Uitvoeren van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige zorg - De SPV verleent
zoqwel kort- als langdurig zorg bij (hoog) complexe GGP’s, die het welzijn van de zorgvrager
verstoren. De SPV anticipeert flexibel, en beoefent haar zorgverlening pro-actief in mono-,
multi- en interdisciplinair verband.
Kerntaak H: Uitvoeren van een SPV-behandeling - De SPV behandelt zelfstandig
zorgvragers / systemen (die op grond van ernstige psychosociale of psychische problemen,
geïndiceerd zijn voor het doelgericht hanteren van een specifieke behandelmethodiek. Om die
reden zijn juist zorgvragers met ernstige, complexe en diffuse problemen terecht bij de SPV.
Kerntaak I: Continuïteit van (keten)zorg leveren - De SPV maakt op methodische wijze haar
eigen handelen inzichtelijk. Zij rapporteert regelmatig over de vorderingen in het
multidisciplinaire team. Zij legt een dossier aan dat actueel, volledig en volgens
de richtlijnen van de instelling en aanwezig.
Kerntaken G, H en I zijn te combineren omdat beide gericht zijn op de directe uitvoering van zorg in de vorm van
begeleiding, behand
Relevante invulling voor de SPV t.a.v. deze kerndoelen is ondermeer de attitude en het in contact
gaan met de oudere en zijn systeem.
- Benadering gericht op acceptatie; klachten zijn het gevolg van de depressie, benoem dit.
- Steunend; toon begrip, erkenning is belangrijk.
- Stimuleren met mate; Nadruk op dagstructuur, stimuleer tot activiteiten, complimenteer
- Uit hoop; depressie kan slechts een tijdelijke ziekte zijn.
- Zorg voor jezelf; depressie kan onmacht oproepen, bescherm de eigen grenzen.
- Houdt rekening met seksespecifieke aspecten, zowel individueel als in
groepsbijeenkomsten.
Onderdelen van de SPV behandeling gericht op therapeutische referentiekaders zijn terug te
vinden onder ‘interventies’.
De continuïteit van zorg is in de ouderenpsychiatrie heel specifiek. Kenmerkend is vaak het brede
professionele en informele zorgnetwerk. Ik merk in mijn eigen werkveld dat afstemming
noodzakelijk is om de continuïteit te optimaliseren.
- Ik maak veelvuldig gebruik van een zogenaamd; ‘afstemmingsoverleg’, hierbij treed ik op als
regiefunctionaris en roep alle hulpverleners zoals Thuiszorg, PIT(Psychiatrische Intensieve Thuiszorg),
evt. mantelzorgers die actief zijn in het betreffende systeem bij elkaar voor een overleg. Met dit
middel kan op relatief korte tijd direct overleg en afstemming plaats vinden. Iedereen zit dan op 1
lijn en ik hou de regie in handen.
- Deelnemen aan regiogebonden afstemmingsoverleg is ook onderdeel van het takenpakket van
de SPV. Ik participeer daarin vanuit de GGZ, andere deelnemers zijn; SVT informele zorg,
thuiszorgorganisaties, GOW (Gecoördineerd OuderenWerk), en AMW (Algemeen Maatschappelijk Werk).
Voordeel hiervan is dat cliënten die bij andere zorgverleners in zorg zijn besproken worden. Mijn
taak ligt hierbij op signalisatie van evt. psychiatrische problematiek, advisering naar anderen,
consultatie geven en het is uiteindelijk ook goed voor mijn hulpverlenernetwerk.
- Registratie in EPD (Elektronisch Patiëntendossier), waar alle hulpverleners van de GGZ die te
maken hebben met de cliënt in registreren en rapporteren, hierdoor is er sprake van continuïteit.
Zie stap 8 in het stroomschema van het RAT van GGZ WNB, zie bijlage I
Maart 2007
8
De rol van de SPV in een community-intervention project
Kerntaak J: Zorggerichte preventie verlenen - De SPV richt zich in deze kerntaak primair op
zorggerichte, preventieve activiteiten. Het gaat hierbij om psychohygiëne in de ruimste zin. De
preventieve interventies van de SPV bestaan uit terugvalpreventie, het voorkomen van comorbiditeit en het verminderen van de consequenties van de psychische/psychiatrische ziekte
voor mensen in de directe omgeving. Hierin kan de SPV voorlichten, adviseren en informatie
verschaffen om leefgewoonten te verbeteren.
In het zorgprogramma wordt er een onderscheid gemaakt tussen 2 doelgroepen en hun
bijbehorende interventies, te weten:
 ‘Ouderen met lichte tot matige angst- of depressieve klachten’
- Het aanreiken van informatie over depressie en angst en het aanleren van vaardigheden aan
depressieve en angstige ouderen om beter met de klachten om te kunnen gaan;
- Het bevorderen van herkenning van depressie en angst (door ouderen en naasten) door het
vergroten van de kennis hierover;
- Het stimuleren van het hulpzoekgedrag.
 ‘Mantelzorgers van ouderen met psychiatrische problemen’
Het doel van dit deelprogramma is: voorkomen dat mantelzorgers van ouderen zelf psychische
klachten ontwikkelen. Intermediair doel is: mantelzorgers herkennen bij zichzelf signalen van
overbelasting en nemen tijdig maatregelen om de overbelasting terug te dringen. (Kok, 2006)
Er zijn verschillende preventieve activiteiten waaronder psycho-educatie en terugvalpreventie.
Allen zijn onderdeel van het takenpakket van de SPV, het onderdeel psycho-educatie is al
beschreven onder Kerntaak F.
Terugvalpreventie is zorggerichte preventie en wordt in de behandeling van de oudere
depressieve cliënt door de SPV toegepast vaak in de vorm van psycho-educatie. Met name de
vroegsignalering is erg belangrijk zodat terugvalpreventie tijdig toegepast kan worden.
In Kerntaak L wordt de optie aangedragen om een noodplan/signaleringsplan op te stellen. Dit
kan een goede interventie zijn ter voorkoming van recidive.
Kerntaak K: Evalueren van het eigen en het totale zorgproces - De SPV evalueert (met
betrokken disciplines) systematisch tijdens behandeling en begeleidingsprocessen de behaalde
effecten van de aangeboden zorg op de zorgvrager en zijn sociaal netwerk in relatie tot de
beoogde doelstellingen. Het evalueren van het totale zorgproces heeft vooral betrekking op de
kwaliteit van de zorgverlening en de samenwerking.
Evalueren in de zorg voor de depressieve oudere cliënt is noodzakelijk.
Een aanbeveling in het zorgprogramma in het kader van het meten van de ernst van de depressie
is als volgt:
De ernst van de depressie dient standaard bij belangrijke behandelbeslissingen (starten
interventie, evaluatie interventie) en tijdens de behandeling op geregelde tijden (ten minste elke
drie maanden) te worden geobjectiveerd met een meetinstrument.
• HRSD: Hamilton Rating Scale for Depression
• MADRS: Montgomery Åsberg Depression Rating Scale
Naast het zo objectief mogelijk meten van de afname of toename van de depressie is het ook
noodzaak stil te staan bij de subjectieve beleving; de ervaring van de cliënt over de ontvangen
zorg. De SPV dient structureel evaluatiemomenten in te plannen om hier bij stil te staan.
Enerzijds vind er behandelevaluatie plaats in het team¹, anderzijds evaluaties met het
cliëntsysteem.
Mijn praktijkervaring vertelt mij dat evalueren middels de behandelbespreking gebeurt. Na de
intakefase spreekt het team direct een evaluatiemoment af (na 3 mnd, een half jaar) en dan brengt
Maart 2007
9
De rol van de SPV in een community-intervention project
de SPV een voortgangsverslag in van de voorbij gaande periode. Evaluaties met het cliëntsysteem
gebeuren frequenter, vaak na de intakefase en na enkele behandelgesprekken. Zelf evalueer ik
ook het gesprek wat ik met de cliënt gehad heb, hoe hebben ze dat ervaren en zijn er nog punten
van aandacht voor beide is dan mijn uitgangspunt.
¹Zie stap 9 in het stroomschema van het RAT van GGZ WNB, zie bijlage I
Kerntaak L: Acute psychiatrische hulpverlening en crisisinterventie verlenen - In de GGZ
is het aanbod van acute psychiatrie en crisisinterventie ( vanwege de 7x24-uurs bereikbaarheid)
een belangrijke voorwaarde voor een goede sociaal-psychiatrische hulpverlening. Kenmerkend
voor de sociaal-psychiatrische crisishulpverlening is, dat zorgvrager op zijn naasten en op de
eerste lijn kan terugvallen. In acute situaties kan die eerste lijn – zo nodig – de crisisdienst
inschakelen. De SPV triageert en biedt hulp bij crisismeldingen.
Vaak is het niet de depressieve oudere die aan de belt trekt voor hulp. Het zijn met name
familieleden, andere zorgverleners of naasten die GGZ hulp inschakelen, het is om die reden van
belang dat de SPV het volgende te weten komt;
- Wie heeft de crisismelding gedaan?
- Zijn alle betrokkenen het eens met de crisismelding?
- Wat is de belangrijkste factor wat maakt dat de situatie als een crisis wordt ervaren?
(Kok,2006)
Mogelijkheden die de SPV tot zijn beschikking heeft zijn:
- Het opstellen van een crisisplan; hierin staan de signalen die de oudere vertoont wanneer
crisis dreigt en de afspraken die onderling gemaakt zijn met de bijbehorende interventies.
- Sociale interventie; Vaak ontstaat of handhaaft de crisis zich omdat er sprake is van een
zeer zwak sociaal netwerk. De SPV dient dit te signaleren en waar mogelijk te
interveniëren, zo niet door het motiveren van evt. aanwezig mantelzorg, dan wel het
inschakelen van professionele zorg.
- Systeem interventie; Betrekken van familie/betrokkenen en waar mogelijk verstrekken
van psycho-educatie.
- Opvang na suïcide of een poging; met name het nabespreken en de kans op recidief
bespreekbaar maken met de cliënt en met direct betrokkenen.
Binnen GGZ WNB is de 24x7 crisisdienst onderverdeeld in ‘binnen kantoortijden’ en ‘buiten
kantoortijden’.
 Binnen kantoortijden is per sector verdeeld (Jeugd, Volwassenen & Ouderen) en heeft
telkens 1 SPV ‘spreekuur’. Zij zijn die dag verantwoordelijk voor binnenkomende
crisissen en doen tevens de beoordeling van aanmeldingen.
 Buiten kantoortijden is er de ‘Crisisdienst’.
Ik vind het grote voordeel dat dagelijks duidelijk is wie spreekuurhouder is en die heeft daarvoor
ruimte gecreëerd in zijn of haar agenda. Tevens zijn huisartsen op de hoogte dat ook deze
personen aan te spreken zijn voor consultatie of advies wat veelvuldig voor komt.
Kerntaak M: Casemanagement - De SPV heeft veelal de regie over instellingsoverstijgende
zorgplannen en coördineert de diverse activiteiten en interventies van de hulpverlenende
instanties. Voor alle zorgtrajecten geldt dat de SPV gericht is op een integraal zorgaanbod en de
rol van zorgcoördinator, indien noodzakelijk, op zich neemt.
Binnen de ouderenpsychiatrie heeft de SPV, met name bij complexe problematiek, veel te maken
met casemanagement. Het afstemmen van zorg en het structureel coördineren van verschillende
hulpverleners is veelvoorkomend bij casussen waarbij sprake is van co-morbiditeit, bijvoorbeeld
Maart 2007
10
De rol van de SPV in een community-intervention project
depressie en cognitieve problematiek. Om een beeld te schetsen van casemanagement wil ik een
casus beschrijven:
Het betreft mw. B (01-09-1922) wonende in een nabij gelegen dorp. Mw. woont sinds het
overlijden van echtgenoot en belangrijkste steunpilaar alleen in een grote boerderij aan de rand
van de dorpskern. Recent is zij opgenomen geweest op de GAAZ (Geriatrische Afdeling Algemeen
Ziekenhuis) ivm een columnfractuur. Aldaar is diagnostiek verricht t.a.v. cognitief functioneren. Er
was sprake van een duidelijk progressief dementieel beeld met waarschijnlijk vasculaire oorzaak
(volgens de richtlijn consensus diagnostiek dementie) gecombineerd met een depressieve
stemming. De valpartij in de thuissituatie was voor cliënte niet de eerste, door haar nachtelijk
dwalen in huis is zij al verschillende keren gevallen. De vraag van de familie en later van de
klinisch geriater aan de GAAZ is; opname voor cliënte op een pg-verpleegafdeling. Cliënte zelf
wil dit pertinent niet, het is immers het huis waar ze al die tijd met haar echtgenoot gewoond
heeft. Vanuit de GAAZ was eerder al een RM (Rechterlijke Machtiging) procedure opgestart om
cliënte gedwongen op te laten nemen, er waren echter na screening niet voldoende criteria.
Cliënte werd ontslagen naar huis met een ruime CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) indicatie zodat
veel zorg thuis ingezet kon worden.
Vanuit de GGZ werd ik als SPV verbonden aan deze casus.
Om mijn rol als regiefunctionaris te benadrukken heb ik tijdens en na de intakefase direct contact
gezocht met alle hulpverleners die bij cliënte thuis kwamen, eveneens heb ik de mantelzorgers
bijeen gevraagd ter overleg. Allen hebben met elkaar aan tafel gezeten en gesproken over Mw. B.
Duidelijk werd dat er verschillende belangen speelden en dat de zorg tussen de verschillende
thuiszorgmedewerkers niet optimaal afgestemd was. Zo kwam het voor dat de verzorgende reeds
vertrokken was als de taxi naar de dagbehandeling voor de deur stond. Door gebrek aan besef
weigerde cliënte in te stappen met als gevolg dat ze heel de dag alleen thuis was, slecht at en ging
dwalen. Dit probleem werd direct verholpen na de afstemming. Ook kwam direct beter zicht op
inname van medicatie. De situatie thuis werd wat veiliger voor cliënte en continuïteit van zorg
was gewaarborgd. Ondertussen had ik contact met de dichtstbijzijnde PG-verpleegafdeling zodat
zij een bed vrij konden houden voor cliënte. Eveneens op voorhand al contact gehad met de CIZ
om hen een beoordeling te laten doen wanneer cliënte daar is. Nadat na enige periode cliënte
thuis weer fors gevallen was stemde ze in met opname in het verpleeghuis. Ik heb alle
hulpverleners bedankt en cliënte is bij ons uit zorg gegaan.
In bovenstaande casus heb ik getracht een duidelijk beeld te geven van de kerntaak;
casemanagement door de SPV.
§ 2.2
Professiegebonden taakgebied
Kerntaak A: Continu Professioneel Ontwikkelen - De SPV stelt zich op de hoogte van
ontwikkelingen in de maatschappij, het (sociaal-psychiatrisch) verpleegkundige vakgebied, GGZontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van welzijn, wonen en zorg. De SPV houdt
hiertoe vakliteratuur bij, volgt (bij- en na-) scholing, woont congressen en studiedagen bij.
Kerntaak B: Het bevorderen van de kwaliteit van de SPV-zorg - De SPV spoort op
systematische wijze knelpunten op in de sociaal-psychiatrische zorgverlening. Kwaliteit
bevorderen betekent voor haar: uitgevoerde zorg en vernieuwingen valideren en legitimeren.
Gebruikt evidencebased en best-practices kennis en inzichten.
Kerntaak C: Professionaliseren en profileren van de SPV-beroepsuitoefening Professionaliseren heeft betrekking op het ontwikkelen van opvattingen over taken, houding en
verantwoordelijkheden van de SPV. De NVSPV speelt een belangrijke rol in de
professionalisering van de SPV-expertise.
Maart 2007
11
De rol van de SPV in een community-intervention project
Door kennis te nemen van nieuwe richtlijnen en andere evidence based artikelen blijft de SPV op
de hoogte. Deze kennis kan gebruikt worden in de directe uitoefening van zijn vak. Ook kan dan
kennisoverdracht plaatsvinden in de vorm van consultatie naar andere hulpverleners of in de
vorm van preventie naar de cliënt.
Vormen van deskundigheidsbevordering in mijn praktijk zijn;
- Structureel SPV overleg met als doel profilering van de SPV discipline binnen de GGZ.
Dit gaat middels overleg en presentaties.
- Lunchreferaten binnen het RAT. Elke hulpverlener dient 1x per jaar een thema te
behandelen en te presenteren met als doel kwaliteitsbevordering bij de collega’s
- Intervisie: Maandelijkse bijeenkomst waarbij gesproken wordt over het onderling
functioneren binnen het team, ook casuïstiekbespreking komt aan de orde.
Andere voorbeelden van GGZ WNB waarbij te zien is dat de SPV continu in ontwikkeling is en
mee gaat met de ontwikkelingen in de maatschappij:
- Participatie van de SPV in een community intervention project. (Zon aan de Zeekant)
- GGZ Op Afroep (GOA) waarbij huisartsen een SPV ter consultatie kunnen vragen. De
SPV participeert ook in het huisartsenspreekuur.
- ACT; Assertive Community Treatment, nieuwe ontwikkeling waarbij de SPV in
teamvorm zorgmijdende zorgvragers begeleid.
Er zijn uiteraard nog veel meer projecten waarin GGZ WNB participeert echter deze hebben niet
direct invloed op de sector Ouderen waar deze scriptie op gericht is.
§ 2.3
Organisatiegebonden taakgebied
Kerntaak A: Consultatie verlenen - De SPV past consultatie toe in verschillende settings,
binnen en buiten de eigen instelling, in de eerstelijns-GGZ, in het veld van maatschappelijke
diensten en lokale overheden. De SPV geeft consultatie op drie niveaus:
collegiaal niveau: binnen eigen instelling, zowel mono- als multidisciplinair
organisatieniveau; eerstelijns professionals
samenlevingsniveau, bijv. politie, scholen.
De specialistische GGZ-deskundigheid van de SPV wordt door andere zorgverleners benut ten
dienste van een gezondheid-/bestaansprobleem van een zorgvrager, waarvoor de consultvrager
(de zorgverlener) verantwoordelijk blijft. De SPV beperkt zich tot aanbevelingen.
Kerntaak B: Coaching - De SPV heeft een coachende taak om junior-SPV of andere
beroepsgenoten in de GGZ en vrijwilligers te begeleiden bij de uitvoering van verpleegkundige
zorg of vrijwilligerswerk.
Het zorgprogramma adviseert in de zorg voor ouderen met een depressieve stemmingsstoornis
de mogelijkheid om gebruik te maken van consultatie bij meer complexere casussen.
Binnen het RAT geven SPV’en geregeld consultatie op de verschillende niveaus. De grote
voordelen van consultatie zijn;
- De cliënt wordt eerder geholpen, de crisis hoeft dus niet te verergeren.
- Een verwijzing kan vaak voorkomen worden.
- Wanneer wel verwijzing nodig is kan deze vaak beter worden uitgevoerd met meer kans
op succes.
- De cliënt kan bij de eigen hulpverlener blijven, vertrouwd.
- Andere hulpverleners krijgen door consultatie meer kennis over
hulpverleningsmogelijkheden.
- Het aantal verwijzingen is minder, de moeilijkheidsgraad gaat omhoog, maar er is
daardoor meer tijd voor die casussen.
Maart 2007
12
De rol van de SPV in een community-intervention project
-
De kennis en kunde van andere hulpverleners neemt toe waardoor in de toekomst betere
zorg geleverd kan worden.
(Gersons, 1978)
In de directe taakuitoefening is te zien dat al deze facetten, die Gersons beschrijft, terug komen in
de praktijk. Door een toename van consultatietaken uitgevoerd door de SPV bemerk ik sterk dat
huisartsen eerder contact opnemen met de SPV met een vraag om alvorens over te gaan tot
verwijzing. Hierdoor is de SPV op de hoogte van de casus en kan advies geven aan de huisarts
over hoe te handelen.
De coachingfunctie van de SPV is terug te vinden binnen het RAT in de vorm van begeleiding en
supervisie. Beginnende SPV’en krijgen ruim de mogelijkheid om gedeeld solistisch en gedeeld
onder begeleiding te werken. Dit komt de kwaliteit ten goede omdat er altijd nog een ervaren
SPV mee kijkt met de behandeling die gestart is.
Kerntaak C: Ontwikkelen en uitvoeren van preventie - Preventie is het gericht voorkómen –
in brede – zin van ernstige problemen op het terrein van de geestelijke gezondheid. Preventie
richt zich vanuit specifieke GGZ- en preventiedeskundigheid op systematische signalering,
vroegtijdige onderkenning, probleemanalyse, preventie-uitvoering en netwerkontwikkeling
Kerntaak D: Innovatie, kwaliteitszorg en zorgbeleid - In het taakgebied innovatie,
kwaliteitszorg en zorgbeleid staat bevorderen van integraal kwaliteitsbeleid op verschillende
niveaus centraal. De SPV levert een bijdrage aan het ontwerpen, bijstellen, vaststellen en
uitvoeren van (GGZ-) gezondheidszorgbeleid op team-, instellings- of regionaal niveau, door
input van haar inhoudelijke en sociaal-psychiatrische deskundigheid.
Invulling van preventie is vaak middels groepen; cursussen als ‘in de put, uit de put’ , ‘omgaan
met somberheid’ bieden ouderen handvatten om beter met een sombere stemming om te kunnen
gaan. In de praktijk bemerk ik dat deze cursussen veelal door de sector ‘Preventie’ verzorgd
worden. Voor ouderen met depressieve klachten zijn specifiek 2 cursussen in omloop;
- Omgaan met somberheid
- In de put uit de Put.
Beide cursussen zijn wetenschappelijk onderbouwd en hebben effect op de depressie. Het zijn
vaak SPV’en die deze groepen opstarten en draaien, zij hebben samen met de sector Preventie
hier een voortrekkende rol in.
Deze groepen kunnen veel baat hebben voor de depressieve oudere, het is echter problematisch
om de doelgroep te signaleren, te bereiken en hen te motiveren om deel te nemen. ‘Hulpverleners
worden uitgedaagd om nieuwe modellen te ontwikkelen om zorg te blijven leveren voor deze
unieke populatie.” (Duke, 2005) Het is om die reden dat in het kader van innovatie en
kwaliteitszorg een community intervention project opgezet is om die doelgroep te helpen.
Maart 2007
13
De rol van de SPV in een community-intervention project
Hoofdstuk 3
De community intervention aanpak
§ 3.1 Wat is de community intervention aanpak?
De Engelse termen ‘community intervention’ betekenen, vrij vertaald in het Nederlands;
‘interventie gericht op een gemeenschap’. Is de gemeenschap een wijk dan word het ook wel de
‘wijkgerichte aanpak’ genoemd. Het betreft tegelijkertijd en in samenhang aanpakken van
oorzaken en factoren. Dit is effectiever dan een op zichzelf staande interventie (Bohlmeijer,
2003). Community intervention kan op allerlei vlakken ingezet worden, zo is in het verleden
gebleken dat het zijn nut bewezen heeft in de preventieve somatische gezondheidszorg.
Momenteel zijn er verschillende pilots gestart in de GGZ en verslavingszorg.
De community intervention gebruikt in deze literatuurstudie en tevens in het project ‘Zon aan de
Zeekant’ is gericht op preventie en aanpak van depressie bij ouderen. De middelen die daarvoor
gebruikt gaan worden zijn;
- algemene publieksvoorlichting
- deskundigheidsbevordering
- samenwerking en
- totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen.
Het uiteindelijk doel is als volgt beschreven in het ‘draaiboek voor een community-interventie’;
‘Kenmerkend voor deze aanpak is dat er interventies op meerdere niveaus voor verschillende
intermediaire doelgroepen worden uitgevoerd, dat de einddoelgroep zelf actief invloed uitoefent
op de interventie en dat deze expliciet aansluit op hun specifieke situatie’ (Bohlmeijer, 2003)
De einddoelgroep is in deze een community, ofwel een groep mensen die zich met elkaar
verbonden voelen en nauwe inter-persoonlijke betrekkingen onderhouden. Het is echter de vraag
of de community deze ‘nauwe verbinding’ heeft. Het buurtgevoel is immers in vele gevallen
verminderd door individualisering, grotere mobiliteit en toename van diversiteit van culturen
(Bohlmeijer, 2003). Om die reden kan de doelstelling van het project ook liggen op het vlak van
verbeteren of herstellen van het gemeenschapsgevoel.
Aangezien het discutabel is dat er bij de term community-intervention sprake is van een ware
‘community’ kan de term integrale aanpak geprefereerd worden.
Deze integrale aanpak sluit aan bij het uitgangspunt van ‘public health’, in Nederland ook wel
Openbare gezondheidszorg genoemd: "De wetenschap en kunst van het voorkomen van ziekten,
verlengen van het leven en het bevorderen van gezondheid van een groep of populatie door de
georganiseerde inspanningen van de samenleving". Dit is een parafrase van een uitgebreidere
definitie van de WHO uit 1952. (NPHF, 2001). De Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige is bij
uitstek de geschikte persoon om te participeren in een dergelijk project. Het is juist deze functie
waarbij sociale psychiatrie basis is in de wijze van handelen en denken. ‘Elke plek heeft zijn eigen
context en dynamiek en dat heeft invloed op de mensen die er leven. Omdat er altijd sprake is
van een wisselwerking beïnvloeden mensen op hun beurt de context en de dynamiek. Voor
hulpverleners die werken vanuit het sociaal-psychiatrisch gedachtegoed vormen deze ingrediënten
het uitgangspunt bij het aangaan van een werkrelatie. Het gaat dan om ‘de invloed van
maatschappelijke structuren en sociale interacties in het voorkomen, veroorzaken, in stand
houden, draaglijk maken of verhelpen van psychisch decompenseren’ (Onderwater et.al, 2004).
De methodiek die daarbij gebruikt gaat worden is de integrale aanpak om zo direct invloed uit te
kunnen oefenen op de openbare (geestelijke) gezondheidszorg (public health).
Maart 2007
14
De rol van de SPV in een community-intervention project
§ 3.2
Kenmerken van de community intervention aanpak
We weten nu dat community intervention een integrale aanpak betreft die toegepast kan worden
op een doelgroep, bijvoorbeeld een woonwijk. Maar wat is nu eigenlijk de meerwaarde van een
dergelijke aanpak? Onderzoek heeft aangetoond dat een integrale aanpak zijn meerwaarde heeft
bewezen. De uitspraak; ‘de som is meer dan de delen’ komt hier tot zijn recht.
Waar in het verleden de losse interventies uitgevoerd werden door verschillende instanties,
worden deze met de integrale aanpak gekoppeld en beter op elkaar afgestemd. De kenmerken
van een community interventie staan beschreven het ‘draaiboek voor community-interventie’
ontwikkeld door het Trimbos-instituut. Zij onderscheiden de volgende kenmerken:
- Multi-interventie-strategie: Meerdere interventies gericht op meerdere determinanten
van gezondheid worden in samenhang uitgevoerd. In het algemeen wordt onderkend dat
dit de meest effectieve strategie voor preventie en gezondheidsbevordering is.
- De beïnvloeding van de omgeving: Het creëren van een omgeving die het gewenste
gedrag ondersteunt. Ook wordt geprobeerd de fysieke omgeving van het individu te
beïnvloeden. Met structurele activiteiten wordt geprobeerd een gezonde gedragskeuze in
de hand te werken.
- Intersectorale samenwerking: Kenmerkend is dat organisaties vanuit meerdere
sectoren gezamenlijk aan de oplossing van een gezondheidsprobleem werken. Dit
kenmerk is een noodzakelijke voorwaarde voor de multi-interventie-strategie.
- Multimedia en multi-methode strategie: De te volgen multi-interventiestrategie houdt
in dat in community-projecten verschillende media gebruikt worden. Bovendien worden
meestal verschillende voorlichtingsmethoden naast elkaar gebruikt. Verschillende groepen
mensen worden door verschillende methoden aangesproken, deels afhankelijk van de fase
in de gewenste gedragsverandering waar zij in verkeren. Elke methode heeft dus een
specifieke functie (aandacht trekken, vaardigheden aanleren) en gebruiksmogelijkheden.
- Sociale netwerkstrategie: Een van de kenmerkende methoden in de multimedia en
multi-methoden-strategie is de sociale netwerkstrategie. Community-projecten proberen
vaak informatie te verspreiden via leden van bestaande sociale netwerken. Vooral voor
mensen met een lagere sociaal economische status is het directe sociale netwerk vaak de
belangrijkste bron van informatie. Door naast de formele communicatiekanalen ook deze
informele kanalen te benutten kunnen meer mensen worden bereikt.
- Doelgroepparticipatie: Dit is het betrekken van vertegenwoordigers van de doelgroep
bij de planning en uitvoering van projecten. Door deze participatie zullen inwoners zich
betrokken voelen bij het project, kan de in de gemeenschap aanwezige deskundigheid
optimaal worden benut en kan het project worden afgestemd op de lokale situatie. De
mate waarin dit gebeurt kan verschillen.
- Aansluiten bij lokale situatie: Een ander kenmerk van communityprojecten is dat
zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande situatie. Bestaande initiatieven
worden ondersteund en bij nieuwe initiatieven wordt gebruik gemaakt van lokale
deskundigheid en faciliteiten.
De 7 kenmerken hiervoor beschreven vormen de basis voor een community intervention project.
Het staat of valt met deze kenmerken. Om die reden is het voor de SPV in de praktijk van belang
deze kenmerken te gebruiken en eventueel te beïnvloeden om het project te laten slagen.
Dit gebeurd overigens niet klakkeloos, er dient sprake te zijn van een planmatige aanpak die
bestaat uit 4 fasen. Deze planmatige aanpak is in zijn geheel beschreven in het ‘draaiboek voor
community-interventie’. Aangezien de implementatie van een dergelijk project maar zijdelings de
doelstelling van dit werkstuk raakt heb ik het geheel in bijlage II vermeld. De tekst daar
geschreven is aangepast met een duidelijke beschrijving van de rol van de SPV hierin.
Maart 2007
15
De rol van de SPV in een community-intervention project
Hoofdstuk 4
de SPV in een community intervention project
Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is de community intervention een integrale aanpak. Veel
verschillende disciplines en organisaties zijn actief, met ieder hun eigen interventies die middels
deze aanpak beter op elkaar afgestemd worden. Het uiteindelijk doel is om de einddoelgroep te
benaderen, voor te lichten en gedragsverandering teweeg te brengen.
Deze literatuurstudie is gericht op een community interventie project voor depressieve ouderen.
In deze paragraaf wil ik dan ook de interventies beschrijven die een SPV kan toepassen om die
doelgroep te benaderen, voor te lichten en gedragsverandering teweeg te brengen.
Zoals verwacht liggen deze interventies in het projectvoorstel met name in fase 3 ‘Uitvoering
Plan van Aanpak’. Hierin is de ruimte voor de SPV om verschillende activiteiten te organiseren
en zichzelf te profileren in de community. In deze fase worden de gebruikte middelen toegepast
en krijgen invulling, zoals eerder in paragraaf 2.1 beschreven zijn de gebruikte middelen:
- algemene publieksvoorlichting
- deskundigheidsbevordering
- samenwerking en
- totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen.
Bij de beschrijving van de invulling van deze middelen maak ik in eerste instantie gebruik van het
nieuwe beroepsprofiel van de SPV uit 2005. Ik benoem welke kerntaken van toepassing zijn.
Echter door de nauwkeurige taakbeschrijving die gehanteerd wordt in het oudere beroepsprofiel
uit 2002, kies er voor om daar eveneens gebruik van te maken. Uiteindelijk tracht ik te
beschrijven hoe het middel in de praktijk wordt toegepast, gebruikmakend van het
projectvoorstel van ‘Zon aan de Zeekant’.
§4.1
Algemene publieksvoorlichting
Het betreft hier informatie verstrekken op grote schaal (publieksvoorlichting). ‘Verschillende
groepen mensen worden door verschillende methoden aangesproken’ staat in de kenmerken van
een community-intervention plan. Doel van dit middel is om bekendheid te creëren bij de
einddoelgroep over de problematiek waar het project op is geënt. In het draaiboek worden tal van
mogelijkheden aangedragen om invulling te geven aan dit ‘middel’. Zo stellen zij voor een
grootschalige voorlichtingsdag te organiseren met als doel kennisoverdracht over depressie aan de
einddoelgroep (de oudere met depressieve klachten). Ook het opstellen en verspreiden van een
‘depressiekrant’ kan tot de mogelijkheden behoren.
Ik ben van mening dat de SPV een duidelijke rol heeft t.a.v. de organisatie en uitvoering van het
middel; ‘algemene publieksvoorlichting’. In het beroepsprofiel van de SPV staan de kerntaken en
verrichtingen die relevant zijn in de uitvoering daarvan. Ik wil hieronder beschrijven welke
kerntaken van toepassing zijn bij de invulling van het middel ‘algemene publieksvoorlichting’.
Maart 2007
16
De rol van de SPV in een community-intervention project
Organisatiegebonden taakgebied:
- Kerntaak C: Ontwikkelen en uitvoeren van preventie (profiel 2005)
domein; preventie en consultatie (profiel 2002)
- ‘Organiseert en voert voorlichtingsactiviteiten op de drie preventiegebieden uit, zoals het opzetten en (mede)
uitvoeren van lezingen, seminars, cursussen en projecten’
- ‘Ontwikkelt of draagt bij aan de ontwikkeling van preventiebeleid aangaande geestelijke
gezondheidsproblematiek, zowel op team- , instellings- of regionaal niveau;’
- ‘Neemt initiatieven om preventieprojecten te realiseren en motiveert relevante actoren binnen en buiten de
organisatie tot deelname, participatie of support’
- ‘Kan zelf of in samenspraak met anderen een preventieprogramma uitvoeren, bewaken en over de resultaten
rapporteren’
Het moge duidelijk zijn dat de SPV een sturende rol heeft, dan wel participeert, om het middel
‘algemene publieksvoorlichting’ toe te passen. Maar hoe vertaalt zich dat dan in de daadwerkelijk
uitvoering? In het project ‘Zon aan de Zeekant’ zijn de volgende interventies van belang;
◊ Verspreiding van schriftelijke voorlichtingsmaterialen. Dit heeft 2 doeleinden, te weten;
- Aankondigingen in de vorm van folders om het bestaan van het project te promoten. In de wijk
Fort Zeekant / Glacis worden folders verspreid met daarin het doel van het project en welke
hulpverleners waar te bereiken zijn.
- Uitleg over depressie bij ouderen, wat zijn de kenmerken, ontstaan en behandelmogelijkheden.
Deze folders zijn met name gericht voor de einddoelgroep en de mantelzorgers. Het is de taak
van de SPV deze folders te verstrekken wanneer nodig.
◊ Organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten met een open inschrijving die in de regionale
media worden aangekondigd en waar alle ouderen met depressie, hun familieleden en andere
geïnteresseerden welkom zijn. Binnen GGZ WNB is het consultatieteam actief, zij hebben
verschillende cursussen ontwikkelt voor allerlei doeleinden (gedragsverandering, kennisverhoging
e.d.). Het is een SPV die deze lessen aanbied, voorbereid en later evalueert. De regionale media
die gebruikt wordt hiervoor is de BRTO (lokale tv omroep), de Bode en de Gazet en de
internetpagina van de wijk FortZeekant / Glacis.
◊ Cursussen waaronder ‘In de put, uit de put’, ‘Omgaan met depressie’. Het is voor de SPV van
belang op de hoogte te zijn van deze mogelijkheden binnen de regio. Waar kan de cliënt naar toe
verwezen worden als deze in aanmerking komt voor een dergelijke cursus? Hierbij komt ook een
gedeelte van screening bij kijken. Deze screening vind plaats in het lokale steunpunt in de wijk.
Hier bevind zich 1 ochtend in de week een vrij spreekuur bemand door 2 SPV’en.
Maart 2007
17
De rol van de SPV in een community-intervention project
§4.2 Deskundigheidsbevordering
Het doel van de deskundigheidsbevordering is om professionals en vrijwilligers die in hun werk
direct contact hebben met ouderen, depressieve klachten beter te laten signaleren en handvatten
te geven voor het motiveren van ouderen met depressieve klachten om hulp te zoeken.
(Bohlmeijer, 2003)
In de beroepsprofielen van de SPV zijn de volgende taken en verrichtingen relevant:
Professiegebonden taakgebied:
- Kerntaak A: Continu professioneel ontwikkelen
Organisatiegebonden taakgebied:
- Kerntaak A: Consultatie verlenen
- Kerntaak B: Coaching
(profiel 2005)
domein; preventie en consultatie
domein; deskundigheidsbevordering en coaching (profiel 2002)
- ‘creëert een leersituatie waarin integratie van affecties, attitudes, persoonlijke waarden en beroepswaarden, kennis
en inzichten inzake persoonlijke en beroepsvraagstukken’
- ‘bevordert een methodische werkwijze van de begeleide/supervisant bij de persoonlijke oplossing van
beroepsvraagstukken;’
- ‘geeft ondersteuning en begeleiding aan verpleegkundigen of verzorgenden in de directe uitoefening van
cliëntenzorg.’
- ‘initieert en participeert in leeractiviteiten, zoals het bijhouden van vakliteratuur, het volgen van
themabijeenkomsten, congressen en studiedagen en bijscholing met betrekking tot de zorg aan mensen met
psychiatrische en/of psychische problematiek;
- ‘zorgt dat zij steeds op de hoogte is van politieke, culturele, sociale en ethische kwesties binnen de (geestelijke)
gezondheidszorg en de daaruit voortvloeiende zorg- en dienstverlening’
- ‘kan een consultatievraag diagnosticeren en de te onderscheiden consultatieve vraagstellingen op methodische
wijze hanteren’
- ‘geeft ad hoc of systematische consultatie aan disciplines binnen en buiten de eigen organisatie’
- ‘organiseert en voert voorlichtingsactiviteiten op de drie preventiegebieden uit, zoals het opzetten en (mede)
uitvoeren van lezingen, seminars, cursussen en projecten’
- ‘geeft psycho-educatie aan cliënten en naasten over ziektebeelden, de gevolgen van de ziekte en de manier
waarop hiermee kan worden omgegaan (zowel individueel als in groepsverband)’
In een community intervention project zijn veel hulpverleners betrokken. Er is sprake van een
wisseling in opleidings- en kennisniveau, competentie en bevoegdheid. Toch zijn al deze
hulpverleners werkzaam in de wijk en kunnen, mits goed getraind, problematiek bij ouderen
signaleren. Naast deze signalerende functie kunnen zij ook in staat zijn begeleiding en steun te
bieden aan ouderen die al kampen met depressieve problematiek.
De rol van de SPV hierin is met name gericht op het bevorderen van de deskundigheid bij die
grote groep hulpverleners die ook actief zijn in het project. Eveneens het leren omgaan met een
depressieve oudere en uiteraard het versterken van de vroegsignaleringsfunctie van de
hulpverleners moet meegenomen worden.
De manier waarop deze deskundigheidsbevordering ingevuld wordt is als volgt;
◊ Organiseren van trainingen; deze interventie kan uitgevoerd worden door de SPV en
bijvoorbeeld i.s.m. het Consultatieteam van GGZ WNB.
◊ Spreekuur; Deze interventie bestaat uit een inloopspreekuur gehuisvest in het steunpunt in het
midden van de wijk. 2 SPV’en houden daar elke woensdagochtend een spreekuur waarbij
buurtbewoners, mantelzorgers en hulpverleners binnen kunnen wandelen voor advies en
consultatie.
◊ Consultatie verlenen aan hulpverleners van de thuiszorg en de medewerkers van het
verzorgings- en verpleeghuis in de wijk.
Maart 2007
18
De rol van de SPV in een community-intervention project
§4.3 Samenwerking
Aangezien aan het project veel verschillende organisaties meewerken is het van belang dat er een
heldere samenwerking is. Deze samenwerking komt tot stand na overleg en wordt bevestigd in
een convenant. In dit convenant staat in grote lijnen beschreven wie participeert, wie financiert
en wie verantwoordelijk is voor welk gedeelte van het project.
Naast deze meer formele bevestiging van samenwerking is het van belang dat gedurende de
uitvoering van het community intervention project de SPV gebruik maakt van zijn professioneel
netwerk en dus veelvuldig in staat moet zijn om samen te werken. In deze samenwerking dient de
SPV alert te blijven op aspecten als deskundigheidsbevordering en innovatie. Wanneer dit
gesignaleerd is kan de SPV daarop interveniëren in de vorm van advisering en consultatie.
Professiegebonden taakgebied:
- Kerntaak A: Continu professioneel ontwikkelen
- Kerntaak C: Professionaliseren en profileren van de SPV-beroepsuitoefening
Organisatiegebonden taakgebied:
- Kerntaak A: Consultatie verlenen
- Kerntaak B: Coaching
- Kerntaak D: Innovatie, kwaliteitszorg en zorgbeleid
(profiel 2005)
domein; preventie en consultatie
domein; zorginnovatie en beleid
domein; deskundigheidsbevordering en coaching (profiel 2002)
- ‘Kan een consultatievraag diagnosticeren en de te onderscheiden consultatieve vraagstellingen op methodische wijze
hanteren;’
- ‘Geeft ad hoc of systematische consultatie aan disciplines binnen en buiten de eigen organisatie’
- ‘signaleert hiaten in de hulpverlening en neemt initiatieven deze op te vullen, onder meer door andere disciplines
welke werkzaam zijn binnen de OGGZ bij de hulpverlening te betrekken’
- geeft op verzoek cliënt-gerichte consultatie aan in de OGGZ werkzame dienstverlenende en hulpverlenende
professies of instellingen’
- ‘signaleert en taxeert de factoren die zorginhoudelijke innovaties noodzakelijk maken;’
- ‘ontwikkelt en implementeert zorginhoudelijke vernieuwingen;’
- ‘maakt op basis van onderzoeksgegevens een innovatieplan: Beschrijft daarin welke relevante aspecten de
innovatie noodzakelijk maken, beschrijft een haalbaarheidsanalyse, een plan van aanpak en de wijze van
evaluatie;’
- ‘geeft de innovatie vorm middels het ontwikkelen, implementeren en evalueren van standaarden, richtlijnen of
protocollen voor specifieke cliëntencategorieën of intra- of interdisciplinaire samenwerkingsafspraken en
werkprocedures;’
- ‘onderhandelt met management en professionals over zorginhoudelijke veranderingen;’
- ‘geeft een economische verantwoording van gekozen methoden en middelen.’
- ‘is zich bewust van persoonlijke waarden en normen en hun effecten op de cliëntenzorg’
- ‘draagt op mondelinge en schriftelijke wijze het (sociaal psychiatrisch) verpleegkundige vak uit, hetgeen resulteert
in het doen van presentaties en het publiceren over verpleegkundige ontwikkelingen in de GGZ, dan wel daartoe
een bijdrage leveren’
- ‘levert een bijdrage aan visie-ontwikkeling en discussie met betrekking tot vormgeving van de (geestelijke)
gezondheidszorg, het ontwerpen van beroepscodes en standaarden, het identificeren en bediscussiëren van
ethische vraagstukken en de ontwikkeling van beroeps- en functieprofiel’.
Zoals verwacht bestrijkt een groot aantal kerntaken en domeinen van de SPV beroepsprofielen
op het vlak van ‘samenwerking’. Het is om die reden dan ook duidelijk dat de SPV een grote rol
kan vervullen in een community-intervention project ten aanzien van dit middel.
In de praktijk blijkt dit overigens ook zo te zijn. Zowel uit het projectvoorstel van het Trimbos
instituut als uit de projectopzet van ‘Zon aan de Zeekant’ is geen duidelijk rol toebedeeld aan de
Maart 2007
19
De rol van de SPV in een community-intervention project
SPV. Binnen het projectvoorstel en concept convenant van het Trimbos, komende volgende
onderdelen terug:
- Stuurgroep: bestaande uit leidinggevenden of managers met beslissingsbevoegdheid. Doel
van de stuurgroep is algehele verantwoordelijkheid van het project.
- Projectgroep: Bestaat uit inhoudsdeskundigen op het gebied van ouderen. 1 deelnemer
per deelnemende organisatie. Doel is uitvoering van het plan van aanpak.
- Projectcoördinator: Is eindverantwoordelijke en wordt mede gecoached en gefinancierd
door het Trimbos instituut. (Bohlmeijer, 2003)
Hoewel momenteel de deelname van SPV’en binnen het project; ‘Zon aan de Zeekant’ minimaal
is, slechts 2 (noot; de manager vanuit GGZ WNB die participeert in de projectgroep heeft een
SPV achtergrond) kan uit het beroepsprofiel opgemaakt worden dat zeker op het gebied van
‘samenwerking’ in dit project de SPV uitstekend geschikt is om te participeren. Om die reden is
uitbreiding van het aantal SPV’en binnen het project gewenst.
§4.4
Totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen
Het laatste middel wat ingezet moet worden om het community-intervention project te laten
slagen is het ontwikkelen van laagdrempelige voorzieningen. Vanuit het projectvoorstel is het
advies gebruik te maken van reeds bestaande voorzieningen. Deze zijn immers al bekend en
eerder toegankelijk. Tevens staat beschreven dat een spreekuur wenselijk is. ‘Het geeft de
mogelijkheid om laagdrempelig en structureel signalen te ‘onderzoeken’. De oudere kan hier
advies krijgen: er wordt bekeken wat er precies aan de hand is (diagnostiek),
en mogelijke oplossingsrichtingen worden in kaart gebracht en uitgevoerd. Ook kan vanuit dit
adviespunt consultatie worden gegeven aan zorgverleners en mantelzorgers. Het adviespunt
maakt daarbij optimaal gebruik van de bestaande
instellingen en interventies: activiteiten in de wijkcentra, bezoekgroepen, burenhulp, AMW,
Thuiszorg, GGZ-instelling, preventieve cursussen, huisartsen. Het adviespunt is gericht op het
vergroten van de zelfsturende en zelfoplossende vermogens van de
ouderen. Het moet geen laagdrempelige intake-locatie worden. De doelgroep bestaat vooral uit
ouderen met milde en matige depressieve klachten (de minor depressie). Ouderen met een
depressieve stoornis (de zogenaamde major depression) moeten via de reguliere kanalen worden
verwezen worden naar een GGZ-instelling.’ (Bohlmeijer, 2003)
Het moge duidelijk zijn dat reeds bestaande voorzieningen betrokken moeten worden bij het
project en dat er sprake moet zijn van samenwerking. Om die reden lopen alle 4 de middelen
parallel aan elkaar en is geen enkel middel ondergeschikt aan de ander.
Vanuit de beroepsprofielen zijn een groot aantal kerntaken en domeinen gericht op de invulling
van het spreekuur. Deze zijn reeds beschreven bij het tweede middel;
‘deskundigheidsbevordering’ en komen dan ook niet terug in de hiernavolgende tabel. Wel
beschrijf ik het onderdeel diagnostiek wat door SPV’en ook gedaan kan worden tijdens bezetting
van het spreekuur.
Zorgvragergebonden taakgebied:
- Kerntaak A: Beoordelen van de indicatie
- Kerntaak B: Het vaststellen van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige diagnose
- Kerntaak C: Uitvoeren van sociaal-psychiatrisch verpleegkundig onderzoek
- Kerntaak F: Kiezen en plannen van SPV-interventies
- Kerntaak J: Zorggerichte preventie verlenen
Organisatiegebonden taakgebied:
- Kerntaak A: Consultatie verlenen
- Kerntaak B: Coaching
- Kerntaak C: Ontwikkelen en uitvoeren van preventie (profiel 2005)
Maart 2007
20
De rol van de SPV in een community-intervention project
domein; directe cliëntenzorg
domein; preventie en consultatie
domein; zorginnovatie en beleid
domein; deskundigheidsbevordering en coaching (profiel 2002)
- ‘De SPV voert intake-gesprekken waarbij een beeld wordt verkregen van de klachten, de hulpvragen,
de levensloop van de cliënt, de huidige omstandigheden waarbinnen de cliënt functioneert en de mogelijkheden
van de cliënt of cliëntsysteem’
- ‘De SPV analyseert de vastgelegde gegevens om te komen tot een diagnostische beschrijving van de problematiek
op verschillende niveaus van functioneren in het dagelijks leven’
- ‘integreert recente (wetenschappelijke) informatie en onderzoeksresultaten met betrekking tot de zorgverlening
in haar interventies’
- ‘hanteert vaardigheden die gebaseerd zijn op systeemtheoretische, communicatieve, gedragstherapeutische
en sociaal psychiatrische denk- en handelingskaders’
- ‘selecteert en past bij de hulpverlening een breed scala hulpverleningstechnieken en -methodieken toe.
Hierbij horen ook de verpleegkundige basiszorg en verpleegtechnische handelingen’
- ‘richt zich bij de uitvoering van interventies, indien gewenst en/of noodzakelijk, op het vergroten van de
handelingscompetentie van de cliënt/cliëntsysteem’
- ‘is in staat om overdrachtsfenomenen tijdens het hulpverlenen te onderkennen, deze te hanteren en
indien geïndiceerd te bewerken teneinde gestelde therapeutische doel(en) te realiseren’
- ‘neemt, indien geïndiceerd en wenselijk, zorg daadwerkelijk uit handen van de cliënt’
- ‘indiceert huisbezoeken en voert milieupeilingen uit, waarbij de gekozen locatie gerelateerd is aan de setting
of situatie waarin de cliënt zich feitelijk bevindt’
De nadruk lig eerder op diagnostiek en doorverwijzing, als er sprake is van behandeling en
begeleiding zal doorverwezen worden naar de GGZ en zal dit niet binnen het spreekuur plaats
vinden. Om die reden zijn de kerntaken die op dat vlak liggen niet toegevoegd. Wel is uiterst
relevant de screening en diagnostiek en kan dus volledig door een SPV gedaan worden. In de
praktijk merk ik dat de invulling van het spreekuur door 2 SPV’en gedaan wordt. Zij zijn om en
om elke woensdagochtend 3 uur aanwezig in de laagdrempelige voorziening ‘Aen de Fonteijne’
genaamd. Er is echter weinig bekendheid onder de einddoelgroep en de hulpverleners in de
‘community’. Het dus, zoals ik al eerder aangaf, van belang dat alle 4 de middelen parallel met
elkaar lopen. In dit gedeelte blijkt dat de algemene publieksvoorlichting achter gebleven is
waardoor het inloopspreekuur niet of nauwelijks bezocht word.
Mocht deze bekendheid met de tijd wel ontstaan zal de rol van de SPV in dat spreekuur
aanzienlijk zijn en is de gedachte dat op termijn minor depressies eerder gesignaleerd en
doorverwezen kunnen worden naar andere participanten als; wijkcentra, preventieve activiteiten,
dagverzorging, dagactiviteitencentra e.d.
In dit hoofdstuk heb ik getracht een antwoord te geven op de 2e subvraag namelijk; ‘Wat is de
invulling van de rollen en taken van de SPV in een community-intervention programma?’
Door te benoemen welke kerntaken en domeinen relevant zijn per middel heb ik getracht inzicht
te geven in het scala aan rollen en taken die de SPV kan uitvoeren binnen de kaders van een
community-intervention project.
Maart 2007
21
De rol van de SPV in een community-intervention project
Hoofdstuk 5
Community intervention in de praktijk, het ideaal
Nu is in de behandeling en begeleiding van depressieve ouderen de vergelijking gemaakt tussen
de reguliere werkwijze van de SPV en de wijze van werken in een community intervention
project. Maar hoe uit zich dat nou in de praktijk?
In komend hoofdstuk wil ik een beschrijving geven van een gewenste situatie. Het betreft hier
het community intervention project ‘Zon aan de Zeekant’ en dan specifiek gericht op de
gewenste invulling daarvan door de SPV.
Om het overzicht te behouden maak ik eveneens gebruik van de 4 middelen;
Algemene publieksvoorlichting
Dit begint met bekendheid in de wijk te creëren. De SPV spreekt in het beginsel de werkgroep
aan die verantwoordelijk is voor de publieksvoorlichting, zo nodig participeert de SPV daarin.
Aangezien de SPV een breed hulpverlenersnetwerk heeft spreekt zij deze aan om bekendheid te
verwerven over het project. Zij verwijst naar de folder en legt uit wat het project inhoud.
Voorlichting over het project dient verstrekt te worden aan de hulpverleners die werkzaam zijn in
de wijk, maar ook aan het brede publiek.
Eveneens is het ook de taak van de SPV om direct informatie te verstrekken, gevraagd en
ongevraagd, over depressie bij ouderen. Er is dan tevens de mogelijkheid te signaleren of de
hulpverleners over voldoende kennis beschikken om de signalerende functie naar de depressieve
oudere naar behoren kunnen doen.
Door veelvuldig in de wijk aanwezig te zijn is de SPV op de hoogte van zowel formele als
informele gemeenschappelijke ruimten. De daarbij behorende sleutelfiguren (eveneens formeel en
informeel) zijn bekend en zijn op de hoogte van de werkzaamheden van de SPV. Vooralsnog is
grotendeels sprake van ‘netwerken’. De SPV heeft een regisseurrol t.a.v. de organisatie van
cursussen en voorlichtingsbijeenkomsten. Weet deze vervolgens van inhoud te voorzien of treed
in contact met bijvoorbeeld afdeling Preventie of het Consultatieteam om deze bijeenkomsten
verder te ontwikkelen.
Kerneigenschap van de SPV is dat zij zelf andere mensen benaderd en enthousiasmeert voor het
project, hiermee staat of valt het middel ‘algemene publieksvoorlichting’.
Deskundigheidsbevordering
Ook hier heeft de SPV een voortrekkersrol in. D.w.z. zij dient haar hulpverlenersnetwerk aan te
spreken om zicht te krijgen op het kennisniveau van de hulpverleners. In Fort Zeekant/Glacis
zijn een flink aantal thuiszorgorganisaties actief. De SPV heeft in zijn reguliere werk al nauw
contact met de zorgmanagers van deze organisaties. Het is in de nieuwe werkwijze van belang om
ook de verzorgende te spreken die bij de cliënten thuis komt. Zo kan in gesprek getoetst worden
of er sprake is van voldoende kennis. Zo niet, kan ad hoc informatie gegeven worden. Ander
voordeel is de herkenning. Voor de verzorgende is er nu een gezicht bij de SPV die werkzaam is
in de wijk. Daardoor verlaagt de SPV de drempel om in contact te komen met haar. Dit is ook
van toepassing bij buurtmedewerkers, er is in de wijk sprake van een buurtagent, ouderenwerk en
informele buurtmedewerkers. Centraal zijn zij verenigd in een gemeenschapshuis, dit zijn er 2 in
de wijk. De oude kerk en het steunpunt ‘aen de Fonteijne’ welke een spilfunctie heeft. Voor de
SPV is van belang dat zij hier een werkruimte heeft, een plaats waar zij gemakkelijk te bereiken is
voor alle deelnemers (zowel buurtbewoners als hulpverleners).
Als de hulpverleners eenmaal bereikt zijn dient in onderling overleg met de betrokken organisatie
(zij het een thuiszorg dan wel een verzorgingshuis of andere instelling) in de vorm van de
zorgmanager of leidinggevende af te stemmen welke hulpverleners als eerste geschoold kunnen
worden. Het aanbod dient door de SPV uitgelegd te worden en het is ook haar taak de
meerwaarde van de scholing aan te geven. Het betreft een vorm van verkopen.
Maart 2007
22
De rol van de SPV in een community-intervention project
De inhoud van het scholingstraject kan uitbesteed worden aan het Consultatieteam of afdeling
Preventie, zij zijn immers beter uitgerust om dergelijke trainingen te verzorgen.
Na het scholingstraject blijft het de rol van de SPV om haar adviesfunctie gevraagd en
ongevraagd te vervullen naar de hulpverleners.
Speciale aandacht dient er te zijn voor 2 groepen te weten; de ‘poortwachter’, namelijk de
huisartsen die actief zijn in die wijk en de mantelzorgers.
De huisartsen ontvangen, evenals in de reguliere werkwijze, consultatie van de SPV. Het is
gewenst ze zoveel mogelijk te betrekken bij het project. Het is bekend dat huisartsen het erg druk
hebben, door te benadrukken dat het project hen werk uit handen kan nemen
(signaleringsfunctie, snellere doorverwijzing, lagere drempel tot de GGZ) zien zij ook voordelen
en zijn eerder bereid gebruik te maken van de SPV. In de wijk Fort Zeekant / Glacis zijn 2
huisartsen actief en 1 praktijkondersteuner.
De mantelzorgers is een aanzienlijk grote groep die niet altijd onderkend word. De SPV dient
deze groep te onderkennen en te erkennen in hun werkzaamheden. Cursussen met daarin simpele
handvatten, hoe om te gaan met een sombere oudere kan de signaleringsfunctie en kwaliteit van
informele zorg bevorderen.
Samenwerking
In het voorgaande gedeelte is al gesproken over samenwerken en het nut van het
hulpverlenersnetwerk van de SPV. De SPV dient op de hoogte te zijn van de gemaakte afspraken
in het convenant, zodat zij ook andere instellingen kan wijzen op eventuele
verantwoordelijkheden. Op microniveau dient de SPV samen te werken met hulpverleners in de
directe zorg. Op mesoniveau is sprake van samenwerking met zorgmanagers en teamleiders. Op
macroniveau is het voor de SPV noodzakelijk samen te werken met project- en stuurgroepleiders,
en eventueel contact met de wethouder van de gemeente. Ook in ‘Zon aan de Zeekant’ kan de
SPV deze spilfunctie hebben.
De rol van SPV in het afstemmingsoverleg is vaak consultatief en adviserend. Deelname hieraan
is noodzakelijk om goed op de hoogte te zijn van cliënten uit de buurt die ook bij andere
zorgverleners in beeld zijn.
Totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen
De SPV is op de hoogte van de voorzieningen in de wijk. Zij zijn bekend van de formele en
informele functie van die voorzieningen. Door veelvuldig aanwezig te zijn (‘je gezicht laten zien’)
verwerf je bekendheid. In ‘Zon aan de Zeekant’ is een bestaande voorziening vernieuwd, dit
steunpunt ‘aen de Fonteijne’ is nauw verbonden aan het verpleeg- en verzorgingshuis
Stuijvenburg. Het is wenselijk dat er veelvuldig een SPV aanwezig is in dit steunpunt om zo als
laagdrempelige voorziening te fungeren. Het voordeel is dat er niet alleen een ruimte is voor de
SPV, eveneens werkt de ouderenadviseuse daar. Afstemming van cliënten die gezien zijn door 1
van beide kan dan efficiënt plaatsvinden. De SPV dient veel tijd aanwezig te zijn in de wijk, dan
wel in het steunpunt. Het is tevens de ruimte waar de SPV haar screening kan doen en cliënten
die binnenwandelen of doorverwezen zijn te spreken. Echte diagnostiek is in deze context niet
gewenst, wanneer sprake is van een ernstig psychiatrisch probleem is het, op verzoek van de SPV,
aan de huisarts om door te verwijzen naar de GGZ. Lichte, of milde klachten kunnen in nauwe
samenwerking behandeld worden binnen het steunpunt. Ook advisering en consultatie kan vanuit
het steunpunt makkelijk gedaan worden.
Maart 2007
23
De rol van de SPV in een community-intervention project
Hoofdstuk 6
Conclusies en Aanbevelingen
Dit laatste hoofdstuk betreft enerzijds het beschrijven van de conclusies die ik getrokken heb uit
deze literatuurstudie en anderzijds de aanbevelingen die daaruit voort komen.
§3.1
Conclusies
1. De prevalentie van minor depression in Nederland bij ouderen in de leeftijd van 55 tot 85
jaar is 12,9%. De prevalentie van major depression is 2.0%.Depressie bij ouderen is
veelvoorkomend en er is nog steeds sprake van een ondersignalering en
onderbehandeling van depressieve klachten in deze doelgroep. Oorzaak hiervan kan zijn
dat ouderen meer nadruk leggen op somatische klachten waardoor een depressie vaak
vergeten wordt.
2. Het ‘Regionaal Zorgprogramma Stemmingsstoornissen bij Ouderen’, geeft goede
handvatten in de multidisciplinaire behandeling en begeleiding van depressie bij ouderen.
Als dit zorgprogramma vergeleken wordt met het Beroepsprofiel van de SPV uit 2005
kan geconcludeerd worden dat de SPV, in de reguliere werkwijze, een aanzienlijk aandeel
heeft in de signalering, begeleiding en behandeling van ouderen met depressieve klachten,
zowel in de curatieve als in de preventieve sfeer.
3. In de reguliere werkwijze van de SPV is met name het ‘Zorgvragergebonden
taakgebied’ dominant t.o.v. de andere taakgebieden. De activiteiten in dat
taakgebied hebben betrekking tot de directe begeleiding en behandeling van de
depressieve oudere cliënt.
4. De ‘community-intervention’ aanpak betreft een integrale aanpak gericht op de Openbare
gezondheidszorg en kenmerkt zich door het in samenhang inzetten van 4 middelen te
weten; algemene publieksvoorlichting, deskundigheidsbevordering, samenwerking en
totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen. Het uiteindelijke doel is om de
einddoelgroep, de oudere met depressieve klachten, eerder te signaleren en te motiveren
tot gedragsverandering.
5. Het opzetten en implementeren van een dergelijk project gebeurt middels de handleiding
genaamd; ‘Preventie van depressie bij ouderen; draaiboek voor een community
intervention’ opgesteld door het Trimbos Instituut in 2003. Zij benadrukken dat het
project staat of valt bij het juist toepassen van 7 kenmerken te weten; Multi-interventiestrategie, beïnvloeding van de omgeving, intersectorale samenwerking, multimedia en
multi-methode strategie, sociale netwerkstrategie, doelgroepparticipatie en aansluiting
vinden bij de bestaande lokale situatie.
6. T.a.v het middel ‘algemene publieksvoorlichting’ heeft de SPV een duidelijke rol en
takenpakket. Met name het organisatiegebonden taakgebied wordt aangesproken in de
vorm van preventieve activiteiten als het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten en
organisatie van preventieve cursussen voor de einddoelgroep en de mantelzorgers. Ook
bekendheid verwerven bij inwoners en hulpverleners van de verschillende mogelijkheden
binnen het project zijn taken voor de SPV.
7. T.a.v. het middel ‘deskundigheidsbevordering’ ligt de nadruk van de rol van de SPV ook
op het organisatiegebonden taakgebied. In het oude beroepsprofiel betroffen dit de
domeinen; ‘preventie en consultatie’ en ‘deskundigheidsbevordering en coaching’. Doel
van de werkzaamheden van de SPV is gericht op het bevorderen van de deskundigheid
van de grote groep hulpverleners die ook actief is in de community om zo de
vroegsignalering te bevorderen en het omgaan met de depressieve oudere te verbeteren.
Dit gebeurt middels de consultatiefunctie, het spreekuur en het organiseren van
trainingen.
Maart 2007
24
De rol van de SPV in een community-intervention project
8. De SPV blijkt een grote rol te hebben bij de invulling aan het middel ‘samenwerking’ in
een community-intervention project. Het voordeel van de SPV is een groot professioneel
netwerk met persoonlijke bekendheid van veel sleutelfiguren in de community. Wel is er
in het projectvoorstel van het Trimbos-insitituut maar weinig ruimte gelaten voor
deelname van SPV’en in de projectgroep. Ook dit middel bestrijkt naast het
‘professiegebonden taakgebied’ grotendeels het vlak van het ‘organisatiegebonden
taakgebied’.
9. Het laatste middel; ‘totstandkoming van laagdrempelige voorzieningen’ wordt door de
SPV ingevuld in de vorm van een spreekuur. Hierin vind diagnostiek, ondersteuning en
verwijzing plaats. Allemaal taken op het gebied van het ‘Zorgvragergebonden taakgebied’.
Eveneens de consultatiefunctie en de advisering naar andere hulpverleners kan
plaatsvinden vanuit het spreekuur en bestrijken wederom het ‘organisatiegebonden
taakgebied’. Belangrijk is te weten dat behandeling niet valt onder activiteiten
geëxploiteerd door de SPV binnen het spreekuur, hiervoor is een reguliere verwijzing
nodig naar de GGZ,
Beantwoording van de vraagstelling:
“Is er sprake van een verandering in rollen en takenpakket van de SPV wanneer deze werkzaam is in een
community-intervention project gericht op bestrijding van depressie bij ouderen?”
Kan gezegd worden, een volmondig ja!
Het is duidelijk te zien dat er een verschuiving is van rollen en taken zoals die beschreven staan in
de beide beroepsprofielen (zowel van 2002 als van 2005) van de SPV. Waar in de reguliere
bestrijding, en behandeling van depressie bij ouderen het ‘Zorgvragergebonden taakgebied’
dominant was is dat voor de SPV werkzaam in een community-intervention project het
‘Organisatiegebonden taakgebied’ met al zijn kerntaken en rollen. De nadruk ligt meer op de
consultatiefunctie van de SPV. Deze komt namelijk terug in verschillende uitingsvormen van het
community-intervention project. Eveneens het organiseren van preventieve activiteiten als
voorlichtingsbijeenkomst en preventiecursussen behoort tot het takenpakket van de SPV. Deze
middelen tezamen met het brede hulpverlenersnetwerk zorgen ervoor dat SPV’en noodzakelijk
zijn in de meest brede zin van het project.
§3.2
Aanbevelingen
Microniveau
Deze aanbevelingen zijn gericht aan de SPV die werkzaam is binnen een community-intervention
project.
-
-
T.a.v. scholing aan andere zorgverleners is het raadzaam per opleidingsniveau te scholen.
Dit vergroot de samenwerking omdat hulpverleners van verschillende organisaties bij
elkaar geschoold worden. Zo kan specifiek per niveau getraind worden. Niveau 2 het nietpluis gevoel signaleren. Niveau 3 & 4 trainen om het niet-pluis gevoel beter uit te vragen
wanneer er een vermoeden is van een depressie.
Meer gebruik maken van valide meetinstrumenten om depressiviteit te meten. De SPV
dient kennis te hebben van het afnemen van een MADRS in de praktijk.
Naast andere hulpverleners tevens de grote groep mantelzorgers betrekken bij scholing.
Zij kunnen eveneens in staat zijn niet-pluis gevoel te signaleren.
Huisartsen zijn de poortwachters van de zorg. Het nadrukkelijk betrekken van deze
personen in het project vergroot de bekendheid en de betrokkenheid. Dit geldt ook voor
de praktijkondersteuner.
Maart 2007
25
De rol van de SPV in een community-intervention project
Mesoniveau
Deze aanbevelingen zijn gericht naar de organisatie, bijvoorbeeld de GGZ instelling.
-
-
Omdat scholing en training van andere hulpverleners een wezenlijke taak is voor de SPV
is het vergroten van de presentatievaardigheden een must.
Deelname van SPV’en aan de werkgroepen, met die participatie heeft de SPV goed zicht
op het overstijgende en kan de informatiestroom van top-down en bottom-up
bewerkstelligen.
SPV participatie in een community intervention project is gewenst. Het rollen- en
takenpakket is uitgebreid. Om die reden is het aan te bevelen ten minste 1 full-time SPV
te laten participeren in dit project, dit om de continuïteit te waarborgen. I.v.m. de
financiering kan gedacht worden aan een combinatie van regulier werken, maar dan in de
wijk. Een werkplek op locatie.
Wanneer het hulpverlenersnetwerk voldoende geschoold is en de signaleringsfunctie
voldoende aanwezig is bij alle hulpverleners kan gedacht worden aan de uitbreiding van
het takenpakket van de SPV met een behandelfunctie. Hierbij moet gedacht worden aan
een vervolg van de consultatieve functie met een kortdurend behandeltraject. Hiervoor
dient de cliënt wel ingeschreven te worden bij de GGZ.
Macroniveau
Deze aanbevelingen zijn gericht aan de beroepsvereniging en opleidingscentra.
-
-
Betere profilering van de SPV, het is om die reden ook dat SPV’en geen eigen rol hebben
in het project hoewel hun takenpakket wel volledig passend is.
Werken in een dergelijk project vereist kennis en inzicht over onder meer de integrale
aanpak. Deze specifieke kennis dient onderdeel te worden van de opleiding tot sociaal
psychiatrisch verpleegkundige. Mijn voorkeur gaat uit als onderdeel van het vak ‘Sociale
Psychiatrie’.
Advies voor de V&VNSPV is het uitdragen van de meerwaarde van een community
intervention project. Hierdoor kan het belang van een dergelijk project onder meer bij
financiers onder de aandacht gebracht worden. Gedacht kan worden aan een symposium.
Maart 2007
26
De rol van de SPV in een community-intervention project
Literatuur
Beekman, A., Deeg, D., van Tilburg, T., Schroevers, R., Smit, J., Hooijer, C. & van Tilburg W.
(1997), Depressie bij ouderen in de Nederlandse bevolking: een onderzoek naar de prevalentie en risicofactoren.
Tijdschrift voor Psychiatrie, 93 (4) 294-308
Boer de, A.H. (2006), Rapportage Ouderen 2006. Den Haag: Centraal Cultureel Planbureau
Bohlmeijer, E., Cuijpers, P., Smits, C., Wesseling, M., Scheers, H., de Roode, Y. & Beek, A.
(2003). Preventie van depressie bij ouderen, draaiboek voor een community-interventie. Utrecht: Trimbosinstituut
Ciliska D., Hayward, S., Thomas, H., Mitchell, A., Dobbins, M., Underwood, J., Rafael, A. &
Martin, E. (1996). A Systematic Overview of the Effectiveness of Home Visiting as a Delivery Strategy for
Public Health Nursing Interventions. Canadian Journal of Public Health, 87 (3) 193-198
Cuijpers, P., Willemse, G. (2005). Preventie van depressie bij ouderen, een overzicht van interventies.
Utrecht: Trimbos Instituut
Derks, J., Hermanides-Willenborg, L., Morsman, M. & Venneman, B. (2004) Sociaal-Psychiatrisch
verpleegkundige beroepsdeelprofiel. Utrecht:AVVV
Duke, C. (2005). The Frail Elderly Community-Based Case Management Project. Geriatric Nursing, 26
(2), 122-127
Eerland, A. (2006). Ouder worden gaat vanzelf, oud zijn is moeilijk… Afstudeerscriptie MGZ/GGZ.
Breda
Gersons, B.P.R. (1978). De Consultatiemethode. Intermediair, 34 (14)
Greenwood, N., Chrisholm, B., Burns, T. & Harvey K. (2000). Community mental health team caseloads and diagnostic case-mix. Psychiatric Bulletin, 24, 290-293
Hughes, C.P. (1992). Community Psychiatric nursing and depression in elderly people. Journal of Advanced
Nursing, 17, 34-42
Kok, R (2006). Regionaal Zorgprogramma Stemmingsstoornissen bij Ouderen, GGZ Regio Midden-Westelijk
Utrecht. Utrecht
Onderwater, K., van der Padt, I., Romme, M., Venneman, B. & Verberk, F. (2005). Sociale
psychiatrie; Visie, theorie en methoden van een maatschappelijk georiënteerde psychiatrie. Utrecht: Lemma BV
Préville, M., Côté G., Boyer, R. & Hébert, R. (2004). Detection of depression and anxiety disorders by
home care nurses. Aging & Mental Health, 8(5), 400-409
Sonneberg, C.M., Beekman, A.T.F., Deeg D.J.H. & van Tilburg, W. (2003). Drug treatment in
depressed elderly in the Dutch community. International journal of geriatric psychiatry, 18, 99-104
Simons, L., Mynors-Wallis, L., Pickering, R., Gray, A., Brookings, J., Thompson, C. & Kendrick,
T. (2001). A randomized controlled trial of problem solving for anxiety, depression and life difficulties by
community psychiatric nurses among general practice patients: background and method. Primary care psychiatry
Maart 2007
27
De rol van de SPV in een community-intervention project
Van Citters, A.D., Bartels, S.J. (2004). A Systematic Review of the Effectiveness of Community-Based
Mental Health Outreach Services for Older Adults. Psychiatric Services, 55 (11) 1237-1249
Venneman, B.J.M. (2002). Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige, profiel 1998. NVSPV, Eindhoven
Internetlinks
http://www.ggznederland.nl/zorg/wat_twee.html
http://www.nphf.nl
http://www.nvspv.nl
http://www.rivm.nl
Maart 2007
28
Bijlage I - Stroomschema RAT Ouderen GGZ WNB
1
Aanmeldingsformu
lier
Beoordelen
aanmelding
Aanmeldrichtlijn
Nee
Ggz-zorg
Retour verwijzer
Ja
2
Registratie in
X/Mcare
Registratie cliënt
3
Intakerichtlijn
Conceptintakeverslag
Toewijzen
behandelaar RAT/
PoliPG
verslaglegging in
EPD
4
Intake
5
Definitief
intakeverslag
Multidiciplinair
overleg
Concept IBP
Concept IBP
6
IBP
Adviesgesprek
Huisartsenbrief
7
Uitschrijven?
Nee
Ja
Uitschrijfbrief
Bijlage I - Stroomschema RAT Ouderen GGZ WNB
Nee
8
IBP
Behandelen
EPD
9
Bijgesteld IBP
Evaluatie
Nee
Uitschrijven?
Ja
10
11
Uitschrijven
Procesevaluatie
Uitschrijfbrief
Verbeterproc
es
Bijlage II – Implementatie community intervention project
Onderstaande tekst beschrijft de opbouw in fasen van een community-intervention traject. Deze
fasen staan beschreven in ‘Preventie van depressie bij ouderen, draaiboek voor een communityinterventie’. Ik heb echter de tekst gewijzigd met een beschrijving van de rol van de SPV in de
betreffende fasen.
Fasen 1&2 Voorbereidingen, analyse en survey
Community-interventies starten met het bijeenbrengen van alle mogelijke betrokkenen
(beleidsmakers, sleutelfiguren, ambtenaren, instellingen, bewoners). Zij moeten al in een vroeg
stadium bij het project worden betrokken om zoveel mogelijk draagvlak te creëren. Uit deze
betrokkenen wordt vervolgens een projectgroep samengesteld en een coördinator aangewezen.
De SPV(en) betrokken bij dit project en die al reeds werkzaam zijn in de betreffende community zijn
op de hoogte van de formele en informele sleutelfiguren. Het netwerk wat de SPV opgebouwd heeft
komt dus uitermate van pas.
In de voorbereidingsfase wordt definitief bepaald welke community of wijk in het project betrokken
wordt. Vervolgens wordt een projectgroep samengesteld waarbij samenwerkingsafspraken tussen de
betrokken partijen in de wijk worden gemaakt, met name over inzet, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden. De kwaliteit van de projectstructuur is een belangrijke succesfactor. In deze
fase worden ook de mogelijkheden om de einddoelgroep bij het project te betrekken onderzocht, in
ieder geval ouderenorganisaties, mogelijk patiëntenorganisaties uit de GGZ en wellicht depressieve
ouderen zelf.
Om een helder en objectief beeld te krijgen van de betreffende community wordt er een survey
gehouden. Daartoe worden de volgende stappen ondernomen.
1. Verzameling bevolkingsgegevens: via databestanden van de gemeente, het CBS en andere
beschikbare bestanden (afhankelijk van de regio).
2. Interviews met sleutelfiguren. Er worden tien tot twintig interviews gehouden met sleutelfiguren
uit de groep van ouderen, gezondheidszorg, welzijnswerk en beleidsmakers, om informatie te
verzamelen over de problematiek en behoeften aan ondersteuning als aanvulling op de enquête en
om gegevens te verzamelen die uit de schriftelijke enquête niet naar voren komen. Op basis van deze
informatie wordt een profiel van de wijk samengesteld, met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens
over de omvang van de problematiek, de aard ervan en aangrijpingspunten
voor interventies. Er is dan in kaart gebracht welke risicofactoren een prominente rol spelen in de
gemeenschap (risicoprofiel). Ook staat beschreven welke beschermende factoren in de gemeenschap
van belang zijn, over welke middelen de gemeenschap beschikt en welke voorzieningen ontbreken
Fase 3
Plan van aanpak
Na de analyse stellen de deelnemers het daadwerkelijke plan van aanpak vast. Aan de hand van het
opgestelde risicoprofiel, een inventarisatie van (on)mogelijkheden en de visie van betrokkenen,
worden prioriteiten gesteld. In dit stadium wordt besloten welke risicofactoren zullen worden
aangepakt en welke interventies ingezet. Ook wordt besloten hoe het project te evalueren. Ook in
deze fase kan de SPV een sturende rol hebben. Zijn kennis over de community kan gebruikt worden
bij het beschrijven van risicofactoren, eveneens de kennis over geschikte interventies valt onder zijn
bagage. Deze interventies kunnen in de vorm van activiteiten georganiseerd worden. De exacte
invulling van elke activiteit kan, afhankelijk van de situatie in de wijk en de behoeften van de
betrokkenen, aangepast worden. Eerdere ervaringen met community-projecten in binnen- en
buitenland hebben laten zien dat dit een van de centrale succesfactoren is.
Bijlage II – Implementatie community intervention project
Fase 4
Evaluatie
De laatste stap bestaat uit het uitvoeren en monitoren/evalueren van het project. In deze fase is een
belangrijke rol weggelegd voor procesevaluatie. Door na te gaan of het project gelopen is zoals was
gepland kan worden verklaard hoe een gevonden effect tot stand is gekomen of welke factoren
verantwoordelijk zijn van het uitblijven hiervan. De uitvoering en evaluatie kunnen ook als twee
afzonderlijke fasen worden gezien.
In deze paragraaf is beschreven wat community intervention is en wat het kan inhouden in de
praktijk. Met name de theoretische kaders zijn beschreven, er is stil gestaan bij; de meerwaarde, de
middelen, de kenmerken en uiteindelijk de theoretische uitvoering in 4 fasen. In de volgende
paragraaf wil ik graag de praktische uitvoering beschrijven en dan gelijk de rol van de SPV daarin
meegenomen.
Bijlage III – Gespreksagenda eindgesprek
Gespreksagenda eindgesprek T. Somers
Datum: Donderdag 31 Mei 2007 van 10.00 tot 11.00
Beoordelend docent; J. Bliemer
“De SPV is één van de belangrijkste, zo niet dé belangrijkste factor in een community-intervention
project, zonder SPV’en is een community-intervention project gericht op bestrijding van depressie
bij ouderen nauwelijks voordelig.”
“Het is voor GGZ organisaties financieel niet voordelig om te participeren in een community
intervention project tenzij er meer nadruk ligt op diagnostiek en behandeling.”
“De Wet Maatschappelijke Ondersteuning kan funest zijn voor een community intervention
project.”
“De SPV heeft maar zeer beperkte mogelijkheden als het gaat om begeleiding bij ouderen met een
alcoholafhankelijksprobleem”
“Wachtlijsten bij ambulante teams zijn slechts een gevolg van slecht afbakenen van het
behandeldoel”
Download