Nederland langs de Europese meetlat 2016

advertisement
Nederland langs de
Europese meetlat 2016
Hoofdstuktitel
3
Nederland langs de
Europese meetlat 2016
Verklaring van tekens
Niets (blanco) Een cijfer kan op logische gronden niet
voorkomen
. Het cijfer is onbekend, onvoldoende
betrouwbaar of geheim
* Voorlopige cijfers
** Nader voorlopige cijfers
2014–2015 2014 tot en met 2015
2014/2015 Het gemiddelde over de jaren 2014 tot en
met 2015
2014/’15 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz.,
beginnend in 2014 en eindigend in 2015
2012/’13–2014/’15 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2012/’13 tot en met 2014/’15
In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven
totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.
Colofon
Uitgever
Centraal Bureau voor de Statistiek
Henri Faasdreef 312, 2492 JP Den Haag
www.cbs.nl
Prepress: Centraal Bureau voor de Statistiek, Studio BCO
Druk: Tuijtel, Hardinxveld-Giessendam
Inlichtingen
Tel. 088 570 70 70
Via contactformulier: www.cbs.nl/infoservice
Bestellingen
Nederland langs de Europese meetlat 2016
is verkrijgbaar via www.cbs.nl.
Prijs: € 10,00 (exclusief verzendkosten)
ISBN 978-90-357-1666-7
Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire, 2016.
Verveelvoudiging is toegestaan, mits CBS als bron wordt vermeld.
Voorwoord
In Nederland wordt ‘Europa’ steeds belangrijker
voor politici, beleidsmakers, wetenschappers,
producenten en consumenten. Samen met
Eurostat en de Europese zusterorganisaties
spant CBS zich in om de onderlinge cijfers
vergelijkbaar te maken en zo te komen tot een
consistent Europees statistisch systeem.
Tegen de achtergrond van de recente crisis in
Griekenland, de vluchtelingenstromen en de
toegenomen terreurdreiging in Europa neemt
Nederland op 1 januari 2016 het voorzitterschap
van de Raad van de Europese Unie over van
Luxemburg. Dit zal een extra impuls betekenen
voor de informatiehonger naar gegevens over
de EU-lidstaten.
In deze publicatie laat CBS zien hoe de situatie
in Nederland op een aantal terreinen zich
verhoudt tot die in de andere EU-landen.
Waarin lopen we voorop? Op welk gebied zitten
we in de achterhoede, of zijn we een
‘gemiddelde lidstaat’? Zo blijkt de Nederlandse
bevolking de gelukkigste van Europa te zijn. En
Nederlanders hebben meer dan alle andere
Europeanen vertrouwen in de medemens. We
3
zijn ook een van de rijkste landen van Europa,
hoewel in 2014 de economische groei lager
was dan gemiddeld in de EU. Op de Europese
ranglijst staat Nederland in twee gebieden
onderaan: het heeft het laagste aandeel
afgestudeerden in exacte studierichtingen en
het zit ver in de achterhoede wat betreft het
aandeel hernieuwbare bronnen in de
energievoorziening.
Op alle beschreven terreinen zijn er binnen de
EU interessante verschillen te zien tussen
landen en regio’s, maar ook tussen de nieuwe
en de oudere lidstaten. Tenzij anders vermeld,
zijn de cijfers in dit boek afkomstig van CBS en
Eurostat.
Ik wens u veel leesplezier toe en nodig u graag
uit op www.cbs.nl voor nog veel meer
informatie.
Directeur-Generaal
Dr. T.B.P.M Tjin-A-Tsoi
Den Haag/Heerlen/Bonaire, januari 2016
Europese begrippen en instanties
Europese Unie. In 1958 richtten zes landen,
waaronder Nederland, de Europese Economische
Gemeenschap op. Sinds de ondertekening van
het verdrag van Maastricht in 1992 heet dit
verbond de Europese Unie, ofwel EU. De EU
wordt bestuurd door het Europees Parlement,
de Europese Raad en de Europese Commissie.
Eurozone. In 2002 werd in twaalf landen van
de toenmalige EU de euro ingevoerd als
nationaal betaalmiddel. Sindsdien zijn daar
zeven landen bijgekomen. Per 1 januari 2015
bestaat de eurozone uit: België, Duitsland,
Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk,
Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg,
Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië,
Slowakije en Finland.
4
EU-15. Van 1995 tot 2004 bestond de Europese
Unie uit vijftien landen: België, Denemarken,
Duitsland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk,
Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk,
Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd
Koninkrijk. Samen heten deze landen de EU-15.
EU-25, EU-27, EU-28. In 2004 traden er tien
nieuwe landen toe tot de Europese Unie:
Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen,
Hongarije, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije.
Samen vormen deze de EU-25. Toen in 2007
Bulgarije en Roemenië volgden werd het EU-27,
en sinds de toetreding van Kroatië in 2013
spreken we van de EU-28.
Europa 2020. Voor de periode 2010–2020
heeft de EU een groeistrategie bepaald. Hierin
zijn doelen gesteld voor het jaar 2020 op het
gebied van werkgelegenheid, innovatie,
onderwijs, sociale samenhang en klimaat. Elk
EU-land heeft deze vertaald naar nationale
doelstellingen. De Nederlandse doelen zijn:
minstens 80 procent arbeidsparticipatie,
2,5 procent van het bbp naar onderzoek en
ontwikkeling, hoogstens 8 procent voortijdige
schoolverlaters, 40 procent hoogopgeleiden,
100 duizend minder mensen in huishoudens
met een lage werkintensiteit en 16 procent
minder uitstoot van broeikasgassen.
5
Eurostat. In Luxemburg staat het kantoor van
Eurostat, sinds 1959 het statistiekbureau van de
Europese Unie. Eurostat verzamelt nationale en
regionale statistieken van de lidstaten, berekent
zo mogelijk een Europees totaal of gemiddelde,
en publiceert deze cijfers op haar website en via
persberichten en publicaties. In samenwerking
met de nationale statistiek-bureaus zorgt Eurostat
dat de cijfers de nieuwe ontwikkelingen volgen,
en goed vergelijkbaar zijn tussen landen.
Bovendien bewaakt Eurostat de kwaliteit van
statistieken, en samen met de lidstaten geeft
het statistisch advies aan en organiseert het
trainingen voor nieuwe en kandidaatlidstaten.
Europese Unie
EU
EU/Eurozone
BE
BG
CY
DK
DE
EE
FI
FR
EL
HU
IE
IT
HR
LV
LT
LU
MT
NL
AT
PL
PT
RO
SI
SK
ES
CZ
UK
SE
België
Bulgarije
Cyprus
Denemarken
Duitsland
Estland
Finland
Frankrijk
Griekenland
Hongarije
Ierland
Italië
Kroatië
Letland
Litouwen
Luxemburg
Malta
Nederland
Oostenrijk
Polen
Portugal
Roemenië
Slovenië
Slowakije
Spanje
Tsjechië
Verenigd Koninkrijk
Zweden
FI
SE
EE
LV
DK
LT
IE
UK
NL
PL
DE
BE
LU
CZ
SK
AT
FR
IT
HU
SI HR
RO
BG
PT
6
EL
ES
MT
CY
Inhoud
1 Vertrouwen 9
2 Geluksgevoelens 13
3 Toerisme en vakanties 17
4 Asielverzoeken 21
5 Internationale studenten 25
6 Vrouwen in bètastudies 29
7 Goederenbalans 33
8 Goederenoverslag 37
9 Broeikasgassen 41
10 Biologische landbouw 45
11 Milieubelastingen 49
12 Jeugdwerkloosheid 53
13 Arbeidsmarkt 57
14 Arbeidsdeelname ouderen 61
15 Armoederisico 65
16 Economische groei 69
17 Brood- en voedingsprijzen 73
18 Huizenprijzen 77
19 Overheidsfinanciën 81
20 Uitgaven gezondheidszorg 85
21 Sterfte aan hartziekten 89
22 Bron: CBS 93
7
Vertrouwen in het
Europees Parlement, 2012
47%
in België
18%
van de bevolking
van de bevolking
in het Verenigd Koninkrijk
Percentage bevolking dat aangeeft
mensen te vertrouwen, 2012
1. Vertrouwen
78,5
DK
74,4
FI
Het vertrouwen in de medemens en in maatschappelijke
en politieke instituties is een belangrijke graadmeter
voor de sociale cohesie in de samenleving. Nederland
64,2
NL
62,5
SE
48,3
48,1
47,5
47,4
45,9
44,1
EE
LT
IE
UK
BE
ES
40,5
39,9
39,2
DE
IT
HU
34,7
33,2
SI
CZ
27,6
26,1
FR
PL
24,2
SK
21,3
20,2
CY
PT
18,4
BG
scoort binnen Europa hoog op het vertrouwen. Hoe is
het in andere Europese landen gesteld met het
vertrouwen?
9
De Nederlandse bevolking heeft veel vertrouwen
in de medemens en in gezaghebbende
instituties. Twee op de drie personen hebben
vertrouwen in de medemens en het rechtssysteem, ruim drie kwart vertrouwt de politie.
De verschillen tussen de landen van de Europese
Unie (EU-24) zijn groot. In Noord-Europa is het
vertrouwen het grootst, gevolgd door landen in
West-, Zuid- en Oost-Europa. In Denemarken en
Finland heeft zo’n drie kwart vertrouwen in de
medemens. Nederland completeert de top drie.
In onze buurlanden België en Duitsland is het
onderlinge wantrouwen beduidend groter. Het
laagst is het vertrouwen in de medemens in
Bulgarije: minder dan een op de vijf stelt
vertrouwen in andere mensen.
1.1 Aandeel bevolking dat vertrouwen heeft in het
Europees Parlement, 2012
Niet bekend
Minder dan 20%
20 tot 30%
30 tot 40%
40% en meer
Vertrouwen in rechtssysteem
In slechts zes landen heeft een meerderheid van
de bevolking vertrouwen in de rechtssysteem.
Naast Nederland is dat het geval in Scandinavië,
Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Vooral in
de Oost-Europese landen is er weinig vertrouwen
in het functioneren van de rechterlijke macht,
maar dat geldt ook in Portugal en Spanje. Het
vertrouwen in de politie laat een vergelijkbaar
patroon zien. Vooral in Bulgarije en Slowakije
10
1.2 Aandeel bevolking dat aangeeft vertrouwen te hebben
in het nationaal parlement, 2012
geniet de politie weinig vertrouwen van de
burgers.
Vertrouwen in de politiek is een belangrijke
graadmeter voor het democratische gehalte in
de samenleving. De helft van de Nederlandse
bevolking heeft vertrouwen in politici. Daarmee
loopt Nederland voorop in Europa. In veel
landen is het vertrouwen in politici laag. Minder
dan een op de tien inwoners van Bulgarije,
Cyprus, Spanje, Portugal, Polen en Slovenië
vertrouwt zijn volksvertegenwoordigers. Net als
in Nederland heeft ook ruim de helft van de
bevolking van de drie Scandinavische landen
vertrouwen in het parlement.
Denemarken
Finland
Zweden
Nederland
België
Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Hongarije
Frankrijk
Estland
Spanje
Ierland
Vertrouwen in EU
Tsjechië
In geen enkel land is een meerderheid te
vinden die vertrouwen stelt in het Europees
Parlement. In België is dit vertrouwen nog het
grootst (47 procent), op de voet gevolgd door
Denemarken, Nederland en Finland.
Cyprus
Italië
Litouwen
Slowakije
Slovenië
Polen
Portugal
Bulgarije
0
20
40
60
80
100
%
Vertrouwen (score 6–10)
Weinig of geen vertrouwen (score 0–5)
11
Bevolking EU, 2013
60%
(bijna) altijd gelukkig
13%
zelden of nooit gelukkig
Percentage bevolking dat
zich (bijna) altijd gelukkig voelt, 2013
2. Geluksgevoelens
82,2
Nederlanders zijn de gelukkigste mensen in Europa.
Ze zijn ook het meest tevreden. Letten en Grieken
zijn het minst gelukkig. Hoe gelukkig en tevreden zijn
mensen eigenlijk met het leven dat zij leiden?
En hoe groot zijn de verschillen hierin tussen inwoners
van de verschillende lidstaten van de Europese Unie?
13
59,5
NL
77,3
FI
75,2
75,2
75,1
IE
LU
DK
72,6
71,3
BE
AT
68,6
68,5
67,6
67,6
65,4
UK
SE
MT
PL
SI
63,2
62,4
62,0
ES
FR
DE
59,0
EU-28
SK
57,0
HU
51,4
PT
49,8
48,0
CY
LT
45,3
44,6
44,3
CZ
EE
IT
39,1
RO
37,9
HR
34,6
BG
31,6
31,3
EL
LV
Inwoners van Nederland (16-plus) zijn gelukkiger
dan de gemiddelde Europeaan. In 2013 geven
bijna zes op de tien EU-burgers aan dat zij zich
de afgelopen vier weken altijd of bijna altijd
gelukkig hebben gevoeld. In Nederland zeggen
acht op de tien mensen dat. Het aandeel
gelukkige mensen is in Nederland het hoogste
van de Europese Unie. Inwoners van Letland en
Griekenland voelen zich het minst vaak gelukkig.
In beide landen geeft 31 procent aan (bijna)
altijd gelukkig te zijn.
Tevredenheid
Ruim één op de vijf EU-burgers geeft een 9 of
een 10 voor de mate waarin zij tevreden zijn
met hun leven. Een even grote groep geeft een
score van 0 tot en met 5. In Nederland is het
aandeel mensen met een hoge score iets hoger
dan het EU-gemiddelde. Het aandeel mensen
met een score van 5 of lager is in Nederland
slechts 6 procent. Bulgaren zijn het minst
tevreden met hun leven; maar liefst 64 procent
geeft een lage score voor tevredenheid met het
leven. Daarmee zijn ze duidelijk veel minder
tevreden dan andere Europeanen.
Het meest tevreden zijn Europeanen over hun
persoonlijke relaties, gevolgd door de woning,
2.1 Frequentie van geluksgevoelens, 2013
%
100
90
80
70
60
50
40
30
20
10
0
Europese Unie
Altijd gelukkig
Zelden gelukkig
Meestal gelukkig
Nooit gelukkig
Soms gelukkig
14
Nederland
2.2 Tevredenheid met het leven, 2013
de woonomgeving en de tijdsbesteding. Het
minst tevreden zijn ze met hun financiële
situatie. In Nederland is de rangorde gelijk,
maar het tevredenheidsniveau ligt voor al deze
onder-delen hoger. Denen, Zweden, Finnen en
Oostenrijkers behoren, net als Nederlanders, tot
de meest tevreden EU-burgers. Bulgaren zijn
juist op alle gebieden het minst tevreden.
Europese Unie
Denemarken
Finland
Oostenrijk
Zweden
Ierland
Polen
Verenigd Koninkrijk
Luxemburg
Nederland
Slowakije
Duitsland
Malta
Tsjechië
België
Slovenië
Roemenië
Litouwen
Spanje
Frankrijk
Kroatië
Portugal
Cyprus
Estland
Italië
Griekenland
Letland
Hongarije
Bulgarije
0
20
40
60
80
100
% bevolking
Hoge score (9–10)
Lage score (0–5)
Midden score (6–8)
15
Porehenis sunt. Nis re ne volorum quiae
1©
Vakanties, 2013
39%
lorum Ipsum
22%
lorum Ipsum
17%
met 1 baby
75%
in eigen land
97%
van Europeanen
van Luxemburgers
naar het buitenland
Aantal vakanties per inwoner, 2013
3. Toerisme en vakanties
8,62
LU
6,87
DK
4,33
3,77
3,49
3,49
3,34
3,32
3,25
3,10
3,03
FR
LU
CZ
DE
ES
CY
IE
NL
AT
UK
2,63
2,60
2,54
2,52
EU-28
SI
EE
LV
HR
1,89
1,72
1,67
1,51
1,46
1,44
1,05
1,03
HU
LT
PT
SK
MT
BE
RO
IT
0,63
0,60
BG
EL
Ruim acht op de tien Nederlanders gaan op vakantie.
De korte vakanties worden vooral in eigen land
doorgebracht. Van de lange vakanties brengen
Nederlanders bijna twee derde in het buitenland door.
Waar brengen andere Europeanen hun vakantie door:
blijven ze in eigen land of gaan ze naar het
buitenland?
3,11
2,75
17
Zes op de tien inwoners van de Europese Unie
gaan op vakantie. Drie kwart van alle
Europeanen die op vakantie gaan, doet dat in
eigen land. Inwoners van kleine landen gaan
relatief vaak naar het buitenland, terwijl
bewoners van grotere landen vaker in het eigen
land vakantie vieren. Van de Fransen en
Spanjaarden bijvoorbeeld blijven negen op de
tien vakantiegangers in eigen land.
Nederlanders brengen hun lange vakantie
(vier nachten of langer) graag in Duitsland of
Frankrijk door en hun korte vakantie (één tot
drie nachten) in Nederland. De vakantiebestemming hangt ook samen met het welvaartsniveau. Inwoners van rijkere landen kunnen
zich veroorloven naar het buitenland te gaan. Zij
kunnen ook meerdere vakantietrips per jaar
maken.
3.1 Aandeel vakanties in eigen land, 2013
Niet bekend
Minder dan 30%
30 tot 60%
60 tot 80%
80% en meer
Korte en lange vakanties
Van alle vakanties in de Europese Unie is
57 procent kort en 43 procent lang. In
Nederland en Duitsland zijn korte vakanties iets
minder populair. In de Scandinavische landen
en enkele Baltische landen is het omgekeerd:
ongeveer drie kwart van alle vakanties is kort.
Het aantal overnachtingen van toeristen in de
18
3.2 Overnachtingen naar soort logiesaccommodatie, 2013
verschillende logiesaccommodaties stijgt al een
aantal jaren. Dit bevestigt het beeld dat toerisme
wereldwijd een groeiende sector is. In Nederland
steeg het aantal overnachtingen in 2013 sterk
en ook in 2014 zet de groei door.
Twee derde van alle overnachtingen in de
Europese Unie zijn hotelovernachtingen.
Kamperen is in de meeste Europese landen niet
erg populair, behalve in Nederland en enkele
andere Noord-Europese landen. Huisjesparken
en appartementen hebben een aandeel van
20 procent in alle overnachtingen.
Europese Unie
Cyprus
Malta
Bulgarije
Roemenië
Portugal
Estland
Ierland
Finland
Letland
Hongarije
Oostenrijk
Griekenland
Tsjechië
Spanje
Duitsland
Slowakije
Italië
3.3 Aantal overnachtingen
Slovenië
2004=100
125
Luxemburg
Zweden
België
120
Litouwen
115
Polen
110
Frankrijk
Denemarken
105
Nederland
100
Kroatië
95
Finland
0
20
2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
40
60
80
100
%
Hotels en dergelijke
Kampeerterreinen
Nederland
Vakantiehuisjes en -appartementen
19
Europese Unie
Asielzoekers in de EU
2 691 000
aangekomen van januari 2014 tot juli 2015
3,2%
komt naar Nederland
Asielzoekers per 1 000 inwoners, 2014
en eerste helft 2015
4. Asielverzoeken
10,82
10,42
HU
SE
6,18
AT
4,69
4,04
3,29
2,79
2,55
2,50
2,01
MT
DE
DK
LU
CY
BG
BE
EU-28
NL
IT
FR
EL
FI
UK
IE
PL
LV
SI
ES
EE
RO
CZ
LT
HR
PT
SK
In Nederland dienden in 2014 bijna 22 duizend
mensen een asielverzoek in en in de eerste helft van
2015 nog eens 9 duizend.
Hoe verhoudt het aantal asielverzoeken in Nederland
zich tot dat in andere EU-landen? Welke landen nemen
de meeste asielzoekers op? Wat zijn de belangrijkste
herkomstlanden?
1,90
1,81
21
1,54
1,34
1,20
1,11
0,73
0,63
0,26
0,26
0,23
0,21
0,20
0,17
0,15
0,11
0,10
0,08
0,06
In 2014 kwamen 562 duizend asielzoekers naar
één van de landen van de Europese Unie, ruim
40 procent meer dan in 2013. In de eerste helft
van 2015 zet de stijgende trend door en zoeken
399 duizend mensen hun toevlucht in de
Europese Unie. Sinds 1994 zijn er niet zo veel
asielzoekers naar de Europese Unie gekomen.
Duitsland heeft de meeste asielzoekers
opgenomen, een derde van het Europese totaal.
4.1 Asielzoekers per 1 000 inwoners, eerste helft 2015
Minder dan 0,2
0,2 tot 0,6
0,6 tot 1
1 tot 4
4 en meer
Grootste asielstroom in Hongarije
Afgezet tegen de bevolking heeft Hongarije van
januari 2014 tot en met juni 2015 de hoogste
instroom, met bijna 11 asielzoekers per duizend
inwoners. Ook Zweden en, in mindere mate,
Oostenrijk ontvangen naar verhouding veel
asielzoekers. Duitsland ontvangt 4 asielzoekers
en Nederland ontvangt 2 asielzoekers per
duizend inwoners. Het EU-gemiddelde is
1,1 asielzoeker. Het aantal asielzoekers in de
Oost-Europese landen en in Spanje en Portugal
is relatief laag.
Syrië is tegenwoordig het belangrijkste herkomstland van asielzoekers die naar Europa komen.
Ruim 20 procent van de asielzoekers uit 2014
en de eerste helft van 2015 heeft de Syrische
22
4.2 Asielzoekers in de Europese Unie, meest voorkomende
herkomstlanden
Syrië
Kosovo
Afghanistan
Eritrea
Albanië
Irak
Pakistan
Servië
Nigeria
Oekraine
0
40
80
120
160
nationaliteit, en ook de 2,0 procent staatlozen
zijn vooral Palestijnen uit Syrië. Sinds eind 2014
vragen ook veel Kosovaren asiel aan in Europa,
en dan vooral in Hongarije. Nederland neemt
vooral veel Syriërs (36 procent) en Eritreeërs
(22 procent) op.
200
x 1 000
2014
2015, 1e halfjaar
4.3 Asielverzoeken in Nederland en de Europese Unie
per 1 000 inwoners
4,0
3,5
3,0
2,5
2,0
1,5
1,0
0,5
0
1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Europese Unie (28 landen)1)
Nederland2)
Bron: IND, Eurostat, UNHCR
1)
2)
Exclusief Oostenrijk
Vanaf 2007 eerste aanvragen; in 2013 en 2014 exclusief nareizigers.
23
Buitenlandse studenten in
Nederland, 2013/’14
54 621
40 769
totaal
uit EU-landen
Percentage buitenlandse studenten, 2012/'13
5. Internationale studenten
43,5
LU
17,5
16,8
14,9
UK
AT
CY
NL
DK
CZ
FR
BE
FI
DE
EU-28
IE
SE
HU
MT
SK
BG
PT
LV
RO
EE
ES
SI
LT
PL
Internationalisering is een belangrijk onderdeel van
een studie in het hoger onderwijs. Studenten worden
aangemoedigd om buiten hun eigen landsgrenzen te
kijken voor een deel van hun studie of zelfs een complete
studie. Een buitenlandervaring draagt bij aan de
persoonlijke en professionele ontwikkeling van de
student en aan de inzetbaarheid op een in toenemende
mate internationaal georiënteerde arbeidsmarkt.
10,2
7,1
25
10,1
9,8
9,4
9,2
7,1
7,1
6,5
5,8
5,8
5,1
4,9
4,1
3,9
3,7
3,5
2,9
2,9
2,6
2,5
1,5
In het studiejaar 2013/’14 zijn ruim 54 duizend
studenten vanuit het buitenland naar Nederland
gekomen om te studeren in het hoger onderwijs.
Deze internationaal-mobiele studenten vormen
bijna 8 procent van alle ingeschrevenen in het
hoger onderwijs in dat jaar. Een internationaalmobiele student is een student die zijn of haar
vooropleiding in het buitenland heeft gedaan.
Het is een student die speciaal naar Nederland
is gekomen om hier een volledige bachelor- of
masterstudie te doen en niet de Nederlandse
nationaliteit heeft. Studenten die weliswaar
hun vooropleiding in het buitenland hebben
gedaan, maar ook de Nederlandse nationaliteit
hebben, vormen een aparte groep studenten
die de homecoming nationals wordt genoemd.
5.1 Internationale studenten in Nederland naar land van
vooropleiding, 2013/'14
17%
8%
42%
Meeste buitenlandse studenten uit EU
Drie kwart van de internationaal-mobiele
studenten komt uit een EU-lidstaat. Ruim
40 procent van deze groep komt uit Duitsland.
De nummers 2 en 3 zijn België en Griekenland
met zo’n 4 procent van het totaal aantal
internationaal mobiele studenten. Van de
studenten van buiten de Europese Unie zijn de
Chinezen met bijna 8 procent goed vertegenwoordigd. Ook veel studenten uit Indonesië en
24%
4%
4%
Duitsland
Griekenland
China
België
Overig EU-28
Overig niet-EU
26
5.2 Internationale studenten in Nederland, 2013/'14
India volgen onderwijs aan Nederlandse
universiteiten en hogescholen.
%
100
Weinig Chinezen kiezen gezondheidszorg
90
Studenten uit de verschillende landen kiezen
voor uiteenlopende studierichtingen. Zo kiest
bijna één op de vijf studenten uit Duitsland
voor een studie in de richting ‘Gezondheidszorg
en welzijn’, terwijl studenten uit China en
Griekenland deze richting juist relatief weinig
doen. Zij kiezen vooral voor de exacte studierichtingen ‘Natuurwetenschappen, wiskunde en
informatica’ en ‘Techniek, industrie en bouwkunde’. Van de Duitse studenten volgt nog geen
4 procent een exacte studie.
80
70
60
50
40
30
20
10
0
Europese Unie
Duitsland
Griekenland
China
Taalwetenschappen, geschiedenis, kunst
Sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten
Natuurwetenschappen, wiskunde en informatica
Techniek, industrie en bouwkunde
Gezondheidszorg en welzijn
Overige richtingen
27
Exacte richtingen hoger onderwijs, 2012/’13
20%
techniekdiploma’s
in Nederland voor vrouwen
75%
studenten gezondheid
in EU is vrouw
Vrouwelijke afgestudeerden in bètastudies
(% van vrouwelijke afgestudeerden), 2012/'13
6. Vrouwen in bètastudies
In de afgelopen tien jaar is het aandeel vrouwen met
een afgeronde bèta-opleiding in de Europese Unie
40,4
40,4
RO
IT
39,6
PT
38,6
38,3
38,1
CY
BG
EL
37,3
37,1
UK
EE
36,2
SK
35,3
DK
34,0
HR
32,8
32,2
CZ
EU-28
SE
31,4
30,8
30,8
30,3
LU
SI
LV
FR
29,3
ES
28,6
MT
28,0
27,4
27,1
HU
DE
FI
26,7
LT
25,2
24,6
AT
BE
NL
23,6
IE
vrijwel gelijk gebleven rond een percentage van 32. In
Nederland is het aandeel vrouwen in exacte richtingen
in diezelfde periode gestegen van 18,4 procent (2002/’03)
naar 24,4 procent (2012/’13). Ondanks de stijging is
het aandeel bètavrouwen in ons hoger onderwijs nog
32,4
altijd relatief gering.
24,4
29
In Nederland studeren relatief weinig jongeren
af in een exacte studierichting inhet hoger
onderwijs (hbo/wo). Dit aantal is slechts zo’n
14 procent van het totaal aantal afgestudeerden.
Ons land staat hiermee in Europa onderaan de
ranglijst. Gemiddeld haalt in Europa bijna een
kwart van de studenten een diploma in de
exacte richtingen ‘Natuur-wetenschappen,
wiskunde, en informatica’ (Natuur) en ‘Techniek,
industrie en bouwkunde’ (Techniek). In
Duitsland is het aandeel exacte studenten met
een derde het hoogste van Europa.
In Europa wordt het meest gekozen voor een
studie in de ‘Sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten’. Ruim een derde van de
diploma’s in 2012/’13 valt onder deze richting.
6.1 Afgestudeerden naar studierichting in het hoger
onderwijs, 2012/'13
Europese Unie1)
Duitsland
Griekenland
Oostenrijk
Finland
Slovenië
Portugal
Zweden
Roemenië
Verenigd Koninkrijk
Spanje
Estland
Frankrijk
Malta
Italië
Tsjechië
Kroatië
Litouwen
Ierland
Slowakije
Denemarken
Bulgarije
Cyprus
Letland
Hongarije
België
Polen1)
Luxemburg
Nederland
Kwart Nederlandse bèta’s is vrouw
In alle Europese landen hebben in het studiejaar 2012/’13 meer vrouwen dan mannen een
diploma gehaald in het hoger onderwijs. In de
28 landen van de Europese Unie bedraagt het
percentage vrouwelijke afgestudeerden
gemiddeld bijna 59. In Nederland ligt het nog
iets lager op 57 procent.
Het aandeel vrouwen in de exacte studierichtingen is in heel Europa relatief laag. In
0
20
40
Natuurwetenschappen, wiskunde en techniek
Gezondheidszorg en welzijn
Sociale wetenschap, bedrijfskunde en rechten
Onderwijs, taal, geschiedenis en kunst
Overige richtingen
1)
2011/'12.
30
60
80
100
%
6.2 Aandeel vrouwelijke afgestudeerden per studierichting
(hbo/wo), 2012/'13
Europa is 40 procent van de vrouwelijke
bachelors en masters afgestudeerd in de
richting Natuur. In Nederland is dat niet meer
dan 28 procent. In Techniek is 27 procent van
de afgestudeerden in Europa een vrouw, in
Nederland een op de vijf. Nederland laat
hiermee in Europa alleen Ierland en Duitsland
nog iets achter zich. Dat Duitsland hier
achterloopt bij Nederland is opvallend
aangezien het aandeel exacte studenten in
Duitsland juist het hoogste van Europa is.
Europese Unie1)
Nederland
België
Oostenrijk
Denemarken
Frankrijk
Studierichtingen waar juist relatief veel
vrouwen voor kiezen vallen onder ‘Gezondheidszorg en welzijn’. EU-breed zijn drie op de
vier afstudeerders in deze richting vrouwen.
Ook in Nederland kiezen vrouwen vaker dan
mannen voor een studie in deze richting.
Duitsland
Zweden
Finland
Verenigd Koninkrijk
Portugal
Roemenië
0
20
40
60
80
100
%
Gezondheidszorg en welzijn
Natuurwetenschappen, wiskunde en informatica
Techniek, industrie en bouwkunde
1)
2011/'12
31
€ 62 700 000 000
handelsoverschot goederen
€ 10 000 000 000
handelstekort minerale brandstoffen
Handelsbalans
Nederland, 2014
Goederenbalans (miljard euro), 2014
219,8
7.Goederenbalans
DE
Nederland exporteerde in 2014 voor 62,7 miljard euro
meer goederen naar het buitenland dan het importeerde
uit andere landen. In 2014 heeft in de Europese Unie
alleen Duitsland een groter overschot in de goederenhandel. Waar komt dit grote overschot vandaan?
33
98,1
62,7
EU-28
NL
42,9
34,8
15,6
12,6
8,7
4,5
3,3
1,5
1,3
–1,5
–1,7
–1,8
–2,3
–2,4
–2,8
–2,9
–3,7
–4,1
–5,7
–6,0
–6,7
–10,7
–20,8
–25,3
–71,6
IT
IE
CZ
BE
DK
HU
SK
SI
SE
LT
EE
FI
LV
PL
AT
MT
CY
BG
LU
RO
HR
PT
GR
ES
FR
–139,5
UK
De omvang van de goederenhandel van een
land hangt samen met de omvang van de
economie van het land. Daarom is het goed om
de handelsbalans als percentage van het bruto
binnenlands product (bbp) te berekenen. Met
die maatstaf zijn er twee landen in de Europese
Unie met een groter handelsoverschot dan
Nederland: Ierland en Tsjechië. Duitsland, met het
grootste overschot in euro’s, zakt dan van plaats
één naar plaats vier.
Nederland is concurrerend op de wereldmarkt
met bijvoorbeeld relatief lage landbouwprijzen
en relatief hoge high-tech-kwaliteit. Ook de
aanwezigheid van aardgas draagt bij aan het
Nederlandse handelsoverschot. Ierland is een
belangrijke exporteur van medicijnen en
Tsjechië exporteert veel auto’s en -onderdelen.
Cyprus en Malta zijn als kleine eilanden weinig
zelfvoorzienend en importeren relatief veel uit
het buitenland. Dit verklaart de relatief hoge
handelstekorten.
7.1 Goederenbalans (% bbp) 2014
Meer dan 15% negatief
15 tot 5% negatief
5% negatief tot 5% positief
5 tot 15% positief
Meer dan 15% positief
Nederlands tekort voor brandstoffen
In de handel met EU-landen heeft Nederland
een fors handelsoverschot, en in de handel met
niet-EU-landen juist een groot handelstekort.
Doorvoerstromen spelen hierbij een belangrijke
34
7.2 Nederlandse goederenbalans naar regio
% bbp
40
30
20
10
0
–10
–20
–30
2005
2006
2007
2008
2009
Binnen de Europese Unie
2010
2011
2012
2013
2014
Totaal
Buiten de Europese Unie
7.3 Nederlandse goederenbalans naar producttype, 2014
Chemie
Voeding
Machines en vervoermaterieel
Grondstoffen
Dranken en tabak
Industriële producten
Oliën en vetten
Minerale brandstoffen
–15
–10
–5
0
5
10
15
20
25
30
x miljard euro
35
rol. Denk bijvoorbeeld aan smartphones die uit
China worden gehaald en via Nederland worden
doorgevoerd naar het Europese achterland.
Het grootste overschot heeft Nederland in de
handel in chemische producten (zoals kunststofproducten en medicijnen), voeding (groenten,
kaas en babymelkpoeder) en machines en
vervoermaterieel (chipsmachines en trekkers).
In de handel in minerale brandstoffen heeft
Nederland een fors tekort. De waarde van de
ruwe aardolie en aardolieproducten die
Nederland importeert is circa 10 miljard euro
hoger dan de exportwaarde van aardgas of
aardolieproducten.
Zeehavens Nederland, 2014
9%
groei containeroverslag
71%
van goederenoverslag is invoer
Aan- en afgevoerde goederen in zeehavens (mln ton), 2013
8. Goederenoverslag
In 2013 bezochten ruim 2 miljoen zeeschepen de
558
NL
503
UK
457
IT
404
ES
304
297
FR
DE
228
BE
162
161
SE
EL
105
88
78
67
64
47
44
43
40
29
19
17
7
3
FI
DK
PT
LV
PL
IE
RO
EE
LT
BG
HR
SI
CY
MT
havens van de Europese Unie. Daarbij is 3,7 miljard ton
goederen overgeslagen. Bijna 15 procent daarvan is in
Nederlandse havens verwerkt.
Sinds 2010 worden in Nederlandse zeehavens de
meeste goederen overgeslagen van alle EU-landen.
37
In 2013 deden bijna 34 duizend zeeschepen
Nederlandse havens aan en is 558 miljoen ton
goederen overgeslagen. Voorheen werden de
meeste goederen verwerkt in de havens van het
Verenigd Koninkrijk. Het aandeel van Nederland
in de EU-zeevaart groeit gestaag. De afgelopen
tien jaar is dit aandeel toegenomen tot bijna
15 procent in 2013.
8.1 Aandeel aanvoer in overslag van zeehavens, 2013
Geen zeehaven
Minder dan 50%
50 tot 60%
60 tot 70%
70% en meer
Meeste goederen naar landen buiten EU
Van alle in de EU overgeslagen goederen heeft
64 procent als herkomst of bestemming een
plaats buiten de EU. In landen met een lange
kustlijn of met veel eilanden, zoals Griekenland
en Italië, varen relatief veel schepen met
goederen tussen de nationale zeehavens. Dat is
binnenlands vervoer. Dit binnenlandse vervoer
met zeeschepen is omvangrijk: 22 procent in
zowel Griekenland als Italië. Vanwege het
intercontinentale karakter van de Nederlandse
zeehavens, met name van Rotterdam, is het
aandeel goederen dat van en naar landen buiten
de Europese Unie wordt vervoerd groot, namelijk
72 procent in 2013.
In de meeste EU-landen worden in de zeehavens
meer goederen aangevoerd dan afgevoerd.
Malta en Nederland hebben het hoogste
38
8.2 Overgeslagen goederen naar regio van herkomst of
bestemming, 2013
aandeel geloste goederen, respectievelijk
92 procent en 71 procent. De uitvoer van olie
zorgt in de Baltische staten voor een hoog
aandeel uitvoer in hun zeevaartcijfers.
De groei van zeevaart en overslag in Nederland
zit de laatste jaren in het containervervoer. In
2014 is dit vervoer goed voor bijna 20 procent
van het over zee vervoerde gewicht. Voor de
Duitse en Belgische zeevaart is het aandeel van
het containervervoer een stuk hoger,
respectievelijk 44 procent en 40 procent.
Roemenië
Bulgarije
Slovenië
Nederland
Spanje
België
Kroatië
Italië
Portugal
Duitsland
Rotterdam is de grootste containerhaven van
Europa. De overslag van containers in de
Rotterdamse haven is in 2014 met 9 procent
gestegen tot 108 miljoen ton brutogewicht. De
afgelopen vijftien jaar zijn Antwerpen en
Hamburg als zeehavens gegroeid, maar
Rotterdam is nog altijd de nummer één.
Griekenland
Cyprus
Frankrijk
Litouwen
Polen
Verenigd Koninkrijk
Estland
Malta
Finland
Letland
Denemarken
Ierland
Zweden
0
20
40
60
80
100
%
Buiten de EU
Binnen de EU
Binnenlands
Onbekend
39
Uitstoot broeikasgassen, 2013
9%
hoger in Spanje dan in 1990
23%
lager in EU dan in 1990
Toe- of afname broeikasgasemissies
(% ten opzichte van 1990), 2013
43
CY
35
MT
12
PT
25 procent lager is dan in 1990. Ligt Nederland op
9
ES
koers? Welke landen zijn de grote uitstoters van
2
2
1
IE
AT
GR
9. Broeikasgassen
Op 24 juni 2015 heeft de rechter beslist dat de
Nederlandse overheid ervoor moet zorgen dat de
uitstoot van broeikasgassen in 2020 ten minste
broeikasgassen? Naast allerlei andere maatregelen
helpt het overschakelen op hernieuwbare energie
om de uitstoot te verlagen. Wat is het aandeel
hernieuwbare energie in Nederland en in de rest
van Europa?
41
–10
–23
–23
–26
–30
NL
SI
FR
LU
FI
IT
BE
HR
DE
SE
EU-28
DK
UK
PL
–35
CZ
–40
SK
–48
–50
HU
EE
–57
–58
–59
–61
BG
LV
LT
RO
–11
–13
–13
–15
–15
–20
–22
–23
–23
In 2013 is de uitstoot van broeikasgassen in
Nederland 10 procent lager dan in 1990.
De 28 landen van de Europese Unie hebben
gezamenlijk een reductie bereikt van 23 procent,
net zoveel als de daling in Duitsland. Opvallend
is de grote afname in alle Oost-Europese landen,
tussen 30 en 61 procent. Het gaat in vergelijking
met andere Europese landen hier echter om
kleine absolute dalingen. Na de val van de
Berlijnse muur (1989) zijn in deze landen veel
vervuilende industrieën verdwenen of
gemoderniseerd.
9.1 Uitstoot broeikasgassen per inwoner
(CO2-equivalenten), 2013
Minder dan 6 ton
6 tot 9 ton
9 tot 12 ton
12 tot 15 ton
15 ton of meer
Meer inwoners, grotere uitstoot
Hoe meer inwoners een land heeft, hoe groter
de uitstoot van broeikasgassen is. Nederland
draagt 4 procent bij aan de uitstoot van de
Europese Unie, Duitsland als grootste uitstoter:
21 procent. De uitstoot per inwoner verschilt
per land. Een Nederlandse inwoner veroorzaakt
30 procent meer uitstoot dan de gemiddelde
Europeaan. Slechts vijf EU-landen doen het op
dit punt slechter dan Nederland. Dit hangt
samen met de relatief grote omvang van de
Nederlandse economie per inwoner.
Nederland hoort bij de landen met een lage
emissie-intensiteit, mede door energie42
9.2 Aandeel hernieuwbare energie in eindverbruik, 2013
besparingen, hoge import van elektriciteit en
een steeds grotere dienstensector. De emissieintensiteit geeft aan hoeveel broeikasgassen er
worden uitgestoten per euro van het bruto
binnenlands product. Bulgarije, Estland en
Tsjechië hebben een energievoorziening waarbij
relatief veel broeikasgassen worden uitgestoten.
Oostenrijk en Zweden produceren relatief veel
hernieuwbare energie waardoor hun economie
niet zo emissie-intensief is. Frankrijk produceert
veel nucleaire energie waarbij geen broeikasgassen vrijkomen. De Nederlandse emissieintensiteit is in 2012 slechts 2 procent verbeterd
ten opzichte van 2008. Dit is veel minder dan de
daling in Europa van 9 procent.
Europese Unie
Zweden
Letland
Finland
Oostenrijk
Denemarken
Portugal
Estland
Roemenië
Litouwen
Slovenië
Bulgarije
Kroatië
Italië
Spanje
Griekenland
Frankrijk
Duitsland
Tjechië
Weinig hernieuwbare energie in Nederland
Polen
Slowakije
Hongarije
Cyprus
België
Ierland
Verenigd Koninkrijk
Nederland
Malta
Luxemburg
0
10
20
30
40
50
60
%
Hernieuwbaar (onder doelstelling 2020)
Hernieuwbaar (boven doelstelling 2020)
Nog nodig voor doelstelling 2020
43
In Nederland komt 5 procent van alle energie
uit hernieuwbare bronnen, bij koploper Zweden
is dit 52 procent. Alleen Malta en Luxemburg
scoren lager dan Nederland. De lage score van
Nederland heeft diverse oorzaken: weinig
waterkracht, ruime beschikbaarheid van aardgas
waardoor huishoudens weinig hout verstoken,
en minder overheidssteun voor hernieuwbare
energie dan in andere EU-landen.
Biologische
appelteelt, 2013
5 770 ha
in Frankrijk
35 923 ha
in Polen
Biologische melkkoeien
(% van alle melkkoeien), 2013
10. Biologische landbouw
18,1
AT
13,9
SE
11,1
DK
Nederlandse boeren leggen in 2013 met de biologische
teelt van gewassen beslag op 2,7 procent van de landbouwgrond. Van alle Nederlandse melk-koeien wordt
1,5 procent biologisch gehouden, van de varkens
0,5 procent. De biologische landbouw heeft een flink
aandeel in Tsjechië en Oostenrijk, waar extensieve
veeteelt op grasland plaatsvindt. In Nederland met zijn
intensieve veeteelt speelt de biologische landbouw
een vrij kleine rol.
3,3
1,5
45
7,4
LV
6,7
UK
3,7
3,3
3,3
SI
DE
FR
EU-28
LT
EL
BE
EE
FI
IT
CZ
SK
NL
HR
LU
HU
RO
PL
ES
IE
BG
CY
MT
3,2
2,7
2,4
2,4
2,2
2,2
1,9
1,7
1,3
1,2
0,9
0,9
0,8
0,4
0,2
0,2
0,0
0,0
In de afgelopen dertig jaar is de biologische
landbouw in Nederland ongeveer viermaal zo
groot geworden, maar de groei wordt minder.
De laatste jaren neemt de biologische veeteelt
nog wel toe, maar de teelt van gewassen blijft
op hetzelfde niveau. Het aantal biologisch
gehouden melkkoeien steeg in tien jaar met
een derde, maar de productie van de biologische
melk blijft nog steeds achter bij de vraag in
Nederland.
10.1 Aandeel biologische landbouwgrond, 2013
Minder dan 2%
2 tot 4%
4 tot 8%
8 tot 12%
12% en meer
Vooral granen en fruit
In de rest van de Europese Unie groeit de
biologische landbouw de laatste tien jaar door,
maar niet in elk land even snel. De toename
van biologische landbouwgrond vindt vooral
plaats in de EU-15-landen, de landen die voor
1 mei 2004 al lid waren van de Europese Unie.
In 2013 beslaat de biologische teelt van
gewassen 5,6 procent van de beschikbare
landbouwgrond in de Europese Unie. Van alle
melkkoeien wordt 3,3 procent biologisch
gehouden, van de varkens 0,6 procent. Een
beperkende factor bij de veeteelt kan de
beschikbaarheid van voldoende biologische
diervoeders zijn. Het aantal biologische
landbouwbedrijven in de Europese Unie steeg
46
10.2 Aandeel biologische varkens, 2013
in tien jaar tijd met meer dan 50 procent tot
250 duizend in 2013, terwijl het aantal reguliere
bedrijven in deze periode flink bleef dalen.
De biologische teelt van gewassen verschilt
sterk van land tot land. In de 28 landen van de
Europese Unie hebben vooral granen
(16 procent) en blijvende teelt (11 procent)
grote aandelen. In Nederland liggen de aandelen
aardappelen (3 procent), groenten (11 procent)
en blijvend grasland (58 procent) aanzienlijk
boven het EU-gemiddelde. De aandelen granen
(8 procent) en blijvende teelt (1 procent) liggen
onder het EU-gemiddelde.
Europese Unie
Oostenrijk
Denemarken
Frankrijk
Letland
Zweden
Luxemburg
Slowakije
Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Nederland
Italië
Griekenland
Finland
Estland
10.3 Verdeling biologisch geteelde gewassen, 2013
België
Hongarije
%
100
Tsjechië
Overige gewassen
Kroatië
Blijvend grasland
80
Polen
Litouwen
Blijvende teelt
Verse groenten
60
Ierland
Aardappelen
Spanje
40
Granen en rijst
Slovenië
Roemenië
20
Bulgarije
0
Cyprus
Europese Unie
Malta
0
1
2
3
% van alle varkens
47
Nederland
Inkomsten uit
transportbelastingen, 2013
1,3%
van EU
belastinginkomsten
2,6%
van Nederlandse
belastinginkomsten
Aandeel milieubelastingen en -heffingen
(% totaal belastingen en sociale premies), 2013
11. Milieubelastingen
Het aandeel van de milieubelastingen in de totale
inkomsten uit belastingen en sociale premies komt
in 2013 in Nederland uit op 9 procent. Alleen in
9,00
Griekenland, Kroatië, Bulgarije en Slovenië is het
percentage hoger. Het gemiddelde voor de Europese
10,46
SI
10,21
BG
9,58
9,42
HR
EL
8,93
NL
DK
8,61
LV
8,43
IE
8,18
8,11
8,03
MT
IT
EE
7,50
7,48
7,47
PL
RO
UK
6,69
6,62
FI
SK
Unie ligt op 6,3 procent. Vergeleken met andere
EU-landen zijn de milieubelastingen en -heffingen in
Nederland dus relatief hoog.
6,32
49
EU-28
6,13
6,08
CZ
LT
5,70
5,65
5,64
5,51
5,38
AT
ES
LU
SE
DE
4,53
4,47
BE
FR
De overheid zet verschillende middelen in om
milieuverontreiniging te voorkomen of te
beperken. Belastingmaatregelen en het toekennen van milieusubsidies zijn daar voorbeelden
van. De regering streeft naar een ‘groene groei’
van de economie. Of de economie van een land
daadwerkelijk groener is geworden, wordt
afgemeten aan de ontwikkeling van een breed
scala aan indicatoren. Het aandeel van de
milieubelastingen en -heffingen in de totale
opbrengsten van belastingen en sociale premies
is daar één van.
11.1 Milieubelastingen en -heffingen (% bbp), 2013
Niet bekend
Minder dan 2%
2 tot 2,5%
2,5 tot 3%
3% tot 5%
Energiebelasting
In alle EU-landen is het leeuwendeel van de
milieubelastingen en -heffingen gerelateerd
aan het verbruik van energie. In Nederland
hebben deze belastingen een aandeel van
5,3 procent in het totaal van belastingen en
sociale premies (2013). Dit bezorgt Nederland
een positie in de middenmoot van Europa. Het
aandeel van belastingen op transport, zoals de
motorrijtuigenbelasting, komt op 2,6 procent,
goed voor een vierde plaats in Europa. Met
de belastingen en heffingen op vervuilende
activiteiten en grondstoffen, zoals de waterverontreinigingsheffing en de grond- en leiding50
11.2 Milieubelastingen en -heffingen, 2013
waterbelasting, is Nederland een koploper in
Europa. Hoewel deze heffingen slechts
1,2 procent bijdragen, scoort Nederland hier
een derde plaats, achter Kroatië en Slovenië.
Nederland behoort ook tot de koplopers in de
verhouding tussen de opbrengst van milieubelastingen en -heffingen in relatie tot het
bruto binnenlands product (de ‘groene
belastingdruk’). De opbrengst van milieubelastingen en -heffingen bedraagt in
Nederland 3,3 procent van het bbp. Het
Europese gemiddelde is 2,5 procent.
Europese Unie
Slovenië
Bulgarije
Kroatië
Griekenland
Nederland
Denemarken
Letland
Ierland
Malta
Italië
Estland
Polen
Roemenië
11.3 Milieubelastingen en -heffingen, Nederland
Verenigd Koninkrijk
Finland
% totale belastingen en sociale premies
12
Slowakije
Tsjechië
10
Litouwen
8
Oostenrijk
Spanje
6
Luxemburg
4
Zweden
2
Duitsland
0
België
1995
Frankrijk
0
Energie
2
Transport
4
1997
1999
2001
2003
2005 2007
2009
6
8
10
12
% totale belastingen en sociale premies
Overig
Energie
51
Transport
Overig
2011
2013
Werkloosheid 15- tot 25-jarigen, 2014
53%
35%
in Spanje
in Portugal
Werkloosheid jongeren 15 tot 25 jaar (%), 2014
12. Jeugdwerkloosheid
In de 28 landen van de Europese Unie is in 2014 de
werkloosheid onder 15- tot 25-jarigen 22 procent. In
53,2
52,4
ES
EL
45,5
HR
42,8
IT
Nederland is dat bijna 13 procent. Ook in Duitsland,
Oostenrijk, Malta en Denemarken blijft de jeugdwerkloosheid ruim onder het gemiddelde van de
36,0
CY
34,8
PT
29,7
24,2
24,0
24,0
23,9
23,8
23,2
22,8
22,6
SK
FR
RO
IE
PL
BG
BE
SE
LU
EU-28
FI
HU
SI
LV
LT
Europese Unie.
22,2
12,7
53
20,5
20,4
20,2
19,6
19,3
16,9
UK
15,9
15,0
CZ
EE
12,6
11,8
NL
DK
MT
10,3
AT
7,7
DE
Hoge werkloosheidspercentages komen vooral
in Zuid-Europese landen voor. Bovenaan staat
Spanje, waar de helft van de jongeren werkloos
is. In Portugal, Cyprus, Italië, Kroatië en
Griekenland heeft meer dan één op de drie
jongeren geen werk.
12.1 Werkloosheid jongeren 15 tot 25 jaar die geen
onderwijs volgen, 2014
Europese Unie
Griekenland
Spanje
Kroatië
Italië
Schoolverlaters vaker werkloos
Drie kwart van alle werkloze jongeren in
Nederland zit nog op school of studeert. Dit
aandeel is drie keer zo groot als gemiddeld in
de 28 landen van de Europese Unie. Ook in de
Scandinavische landen is een groot deel van de
werkloze jongeren nog scholier of student. In
Finland is het 54 procent, in Zweden 55 procent
en in Denemarken 62 procent. De werkloosheid
onder jongeren (15 tot 25 jaar) die nog onderwijs
volgen is veel lager dan onder schoolverlaters.
In Europa zijn deze percentages 16 en 25. In
Zweden en Portugal is het aandeel schoolgaande
werkloze jongeren juist veel hoger dan het
aandeel schoolverlaters, te weten 16 en 11
procentpunten hoger. In Nederland verschilt de
werkloosheid in beide groepen weinig. In 2014
is 13 procent van de scholieren en studenten en
11 procent van de schoolverlaters werkloos.
Cyprus
Portugal
Slovenië
Slowakije
Frankrijk
Ierland
Polen
Bulgarije
Roemenië
België
Luxemburg
Litouwen
Letland
Hongarije
Finland
Estland
Zweden
Tsjechië
Verenigd Koninkrijk
Denemarken
Oostenrijk
Malta
Duitsland
Nederland
60
%
54
50
40
30
20
10
0
12.2 Werkloosheid jongeren 15 tot 25 jaar die onderwijs
volgen, 2014
In de landen met hoge werkloosheidspercentages
ligt het aandeel werkloze jongeren dat nog
onderwijs volgt in het algemeen ver onder het
EU-gemiddelde van 24 procent. Uitzonderingen
zijn Spanje en Portugal waar 29 procent en
23 procent van de werklozen onderwijs volgt. In
Kroatië, Italië, Griekenland en Cyprus ligt dit
aandeel nog weer een stuk lager. In Kroatië is
het bijna 5 procent.
Europese Unie
Spanje
Griekenland
Portugal
Cyprus
Italië
Zweden
Slowakije
Roemenië
Kroatië
Finland
Luxemburg
België
Verenigd Koninkrijk
Hongarije
Polen
Tsjechië
Bulgarije
Ierland
Letland
Nederland
Litouwen
Denemarken
Frankrijk
Estland
Malta
Slovenië
Oostenrijk
Duitsland
0
10
20
30
40
50
60
%
55
Werkende vrouwen in
Nederland, 2014
60%
van vrouwen werkt
75%
werkt in deeltijd
Arbeidsparticipatie vrouwen (15 tot 75 jaar)
ten opzichte van mannen (mannen=100), 2014
13. Arbeidsmarkt
Steeds meer vrouwen in Nederland zijn de afgelopen
decennia aan het werk gegaan. Het gaat meestal om
deeltijdwerk en mede daardoor werken Nederlandse
vrouwen relatief weinig in managementfuncties. Hoe
is dit in de andere Europese landen?
57
85
83
95
FI
93
SE
92
LT
90
89
88
88
87
87
87
87
87
86
86
86
82
82
DK
LV
FR
CY
PT
AT
EE
DE
BG
BE
UK
SL
NL
IE
ES
EU-28
HR
LU
79
HU
78
PL
77
SK
76
76
RO
CZ
70
IT
69
GR
64
MT
83
83
Bijna nergens in de Unie werken relatief zoveel
mensen als in Nederland: bijna 65 procent van
alle 15- tot 75-jarigen in ons land is aan het
werk (2014). Alleen in Zweden hebben meer
mensen een baan. In alle lidstaten van de
Europese Unie hebben meer mannen dan
vrouwen betaald werk. In Nederland werkt
70 procent van de mannen van 15 tot 75 jaar en
bijna 60 procent van de vrouwen. In de gehele
Europese Unie is dat 63 procent en 52 procent.
In Finland, Litouwen en Zweden daarentegen
werken vrouwen bijna net zo vaak als mannen.
13.1 Deeltijdwerkers , 2014
Mannen
Vrouwen
Europese Unie
Nederland
Duitsland
Oostenrijk
Verenigd Koninkrijk
België
Zweden
Denemarken
Luxemburg
Ierland
Italië
Frankrijk
Malta
Spanje
Nummer 1 in deeltijdwerk
Nederland is de absolute nummer 1 als het gaat
om deeltijdwerk. In 2014 werkt de helft van
alle werkenden in deeltijd. In andere EU-landen
is dit aandeel veel kleiner. Van de Nederlandse
vrouwen heeft ruim drie kwart een deeltijdbaan.
Gemiddeld in de EU heeft iets minder dan een
derde van de werkende vrouwen parttimewerk.
Met ruim een kwart is het aandeel Nederlandse
mannen dat in deeltijd werkt aanzienlijk lager
dan het aandeel vrouwen. Maar er werken
evengoed veel meer Nederlandse mannen in
deeltijd dan in welk ander EU-land ook.
Finland
Cyprus
Slovenië
Portugal
Griekenland
Estland
Roemenië
Litouwen
Polen
Tsjechië
Letland
Hongarije
Kroatië
Slowakije
Bulgarije
40
20
0
0
% werkenden 15 tot 75 jaar
58
20
40
60
80
13.2 Relatief aandeel vrouwen in managementfunctie,
2014
Voltijd en deeltijd
Alleen voltijd
Europese Unie
Zweden
Polen
Hongarije
Nederland
Slovenië
Verenigd Koninkrijk
Letland
België
Ierland
Duitsland
Malta
Oostenrijk
Bulgarije
Frankrijk
Litouwen
Spanje
Italië
Roemenië
Portugal
Finland
Griekenland
Slowakije
Estland
Tsjechië
Denemarken
Luxemburg
Kroatië
Cyprus
100
80
60
40
20
0
0
20
40
60
80
100
Aandeel mannen in managementfunctie=100
59
Vrouwen geven veel minder vaak dan mannen
leiding aan een bedrijf of een bedrijfsonderdeel.
In 2014 is gemiddeld in de EU 7,4 procent van
de werkende mannen en 4,2 procent van de
vrouwen manager.
In Nederland is die man-vrouwverhouding een
stuk schever: werkende mannen zijn er
tweeënhalfmaal zo vaak manager als vrouwen.
Dit hangt samen met het werken in deeltijd. Het
aandeel managers is lager naarmate de
arbeidsduur korter is. Onder voltijders loopt het
aandeel managers tussen mannen en vrouwen
in Nederland veel minder sterk uiteen dan in
andere landen.
Pensioenleeftijden, 2015
62
jaar
in Malta
67
jaar
in Griekenland
Arbeidsparticipatie 55- tot 65-jarigen (%), 2014
74,0
SE
65,6
DE
64,0
EE
63,2
DK
61,0
UK
59,1
NL
FI
vervroegde pensionering of arbeidsongeschiktheid.
56,4
56,2
LV
LT
Deze ontwikkeling kan niet los gezien worden van de
54,0
53,0
CZ
IE
14. Arbeidsdeelname ouderen
In Nederland is de arbeidsparticipatie van 55- tot
65-jarigen sinds de jaren negentig opgelopen. Dit
komt mede door de instroom van jongere generaties
vrouwen, die steeds vaker werken. Ook stromen steeds
minder mannen tussen 55 en 65 jaar uit vanwege
voortschrijdende vergrijzing in Nederland. In andere
Europese landen zijn vergelijkbare ontwikkelingen
zichtbaar.
61
59,9
51,8
EU-28
50,0
BG
47,8
47,0
46,9
46,2
45,1
44,8
44,3
43,1
42,7
42,5
42,5
41,7
PT
FR
CY
IT
AT
SK
ES
RO
BE
LU
PL
HU
37,7
MT
36,2
35,4
HR
SI
34,0
EL
In de Europese Unie werkt in 2014 iets meer
dan de helft van de 55- tot 65- jarigen. Dat is
11 procent meer dan in 2004. In Zweden is de
arbeidsparticipatie van ouderen het hoogst
(74 procent). In Duitsland is de afgelopen
tien jaar de arbeidsparticipatie het meest
toegenomen. Ook in Nederland is de arbeidsparticipatie meer dan gemiddeld gestegen. In
Griekenland en Portugal daalt de arbeidsparticipatie juist. Daar is de hoge werkloosheid
als gevolg van de economische crisis mede
debet aan.
14.1 Aantal 65-plussers per honderd 20- tot 65-jarigen, 2014
Minder dan 22%
22 tot 25%
25 tot 28%
28 tot 31%
31% en meer
Oplopende grijze druk
De stijgende arbeidsparticipatie houdt verband
met de vergrijzing in Europa. Het aantal ouderen
ten opzichte van het aantal 20- tot 65-jarigen
neemt toe (grijze druk). De betaalbaarheid van
sociale zekerheid en pensioen-voorzieningen
kan daardoor onder druk komen te staan. In de
Europese Unie is de grijze druk gestegen van
24 procent in 2004 naar 28 procent in 2014. In
Nederland is deze grijze druk ruim 26 procent,
onder het EU-gemiddelde. Duitsland,
Griekenland en Italië zitten ruim boven het
EU-gemiddelde, in Polen en Ierland is de grijze
druk relatief laag. In deze landen is de vrucht62
14.2 Groei arbeidsparticipatie 55- tot 65-jarigen, 2004–2014
baarheid lang hoog gebleven, met een
gunstiger grijze druk als bijeffect.
Europese Unie
Pensioenleeftijden omhoog
Duitsland
Ter vermindering van de oplopende druk op
de sociale zekerheid zijn in Nederland de
afgelopen jaren tal van maatregelen genomen
om de arbeidsparticipatie van ouderen te
verhogen, onder meer door de vervroegde
uitstroom te beperken. In 2006 is de fiscale
bijdrage aan VUT- en prepensioenregelingen
afgeschaft, en vanaf 2013 gaan de AOW- en
pensioengerechtigde leeftijd versneld omhoog
tot 67 jaar in 2021. Ook andere EU-landen
voeren een dergelijk beleid. In Duitsland zijn
maatregelen genomen waardoor doorwerken
tot 67 jaar gestimuleerd wordt. In België ligt de
pensioenleeftijd lager dan in Nederland, maar
ook daar zijn maatregelen getroffen waardoor
de pensioenleeftijd omhoog schuift.
Oostenrijk
Slowakije
Bulgarije
Polen
Italië
Nederland
België
Luxemburg
Tsjechië
Estland
Hongarije
Letland
Frankrijk
Litouwen
Finland
Slovenië
Roemenië
Malta
Kroatië
Zweden
Verenigd Koninkrijk
Ierland
Spanje
Denemarken
Portugal
Cyprus
Griekenland
–10
–5
0
5
10
15
20
25
%
63
Risico op armoede, 2013
10%
van de Nederlanders
16%
van de Europeanen
Aandeel bevolking met risico op armoede
of sociale uitsluiting (%), 2013
48,0
BG
40,4
RO
een kwart van de bevolking. In Nederland is dit
35,7
35,1
EL
LV
16 procent. Hoe verschillen armoederisico’s en
33,5
HU
32,6
HR
30,8
30,0
LT
IE
28,4
27,8
27,4
27,3
IT
CY
PT
ES
25,8
PL
24,8
24,0
23,5
UK
EU-28
MT
EE
20,8
20,4
20,3
19,8
19,0
18,9
18,8
18,1
BE
SI
DE
SK
LU
DK
AT
FR
16,4
16,0
SE
FI
NL
CZ
15. Armoederisico
Een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie
is het terugdringen van armoede en sociale uitsluiting.
In 2013 liepen circa 123 miljoen inwoners van de
Europese Unie het risico hiermee te maken te krijgen,
sociale uitsluiting in de landen van de Europese Unie?
24,5
65
15,9
14,6
Personen in een huishouden met een inkomen
onder de Europese armoedegrens – een inkomen
lager dan 60 procent van het doorsnee huishoudensinkomen in het desbetreffende land –
lopen een armoederisico. Van sociale uitsluiting
is sprake als de huishoudensleden die kunnen
werken grotendeels economisch inactief zijn
(lage werkintensiteit), of als er financiële
beperkingen zijn. Volgens deze drie criteria heeft
in Nederland bijna één op de zes personen een
risico op armoede of sociale uitsluiting.
Armoedeverschillen relatief klein
Het percentage inwoners met een armoederisico
varieert in 2013 van 8,6 procent in Tsjechië tot
ruim 23 procent in Griekenland. Nederland kent
met 10,4 procent risico-armen het op één na
laagste percentage. De verschillen tussen de
lidstaten zijn relatief gering, omdat de armoedegrens per land wordt vastgesteld en afhangt van
het welvaartsniveau. Met ruim 9 procent heeft
Nederland een gemiddeld aandeel inwoners met
een lage werkintensiteit. Financiële beperkingen
zoals niet jaarlijks een week op vakantie kunnen
gaan of achterstanden hebben bij de betaling van
de maandelijkse woonlasten komen in Nederland
bij 2,5 procent van de bevolking voor. In de
15.1 Aandeel bevolking met risico op armoede of sociale
uitsluiting (%), 2013
Tsjechië
Risico op
armoede
Ernstige
financiële
beperkingen
In huishouden
met lage
werkintensiteit
8­,6
6­,6
6­,9
Nederland
10­,4
2­,5
9­,3
Finland
11­,8
2­,5
9­,0
Zweden
14­,8
1­,4
7­,1
Frankrijk
13­,7
5­,1
7­,9
Oostenrijk
14­,4
4­,2
7­,8
Denemarken
12­,3
3­,8
12­,9
Luxemburg
15­,9
1­,8
6­,6
Slowakije
12­,8
10­,2
7­,6
Duitsland
16­,1
5­,4
9­,9
Slovenië
14­,5
6­,7
8­,0
België
15­,1
5­,1
14­,0
Estland
18­,6
7­,6
8­,4
Malta
15­,7
9­,5
9­,0
Verenigd Koninkrijk
15­,9
8­,3
13­,2
Polen
17­,3
11­,9
7­,2
Spanje
20­,4
6­,2
15­,7
12­,2
Portugal
18­,7
10­,9
Cyprus
15­,3
16­,1
7­,9
Italië
19­,1
12­,4
11­,0
23­,9
Ierland
14­,1
9­,9
Litouwen
20­,6
16­,0
11­,0
Kroatië
19­,5
14­,7
14­,8
12­,6
Hongarije
14­,3
26­,8
Letland
19­,4
24­,0
10­,0
Griekenland
23­,1
20­,3
18­,2
Roemenië
22­,4
28­,5
6­,4
Bulgarije
21­,0
43­,0
13­,0
66
15.2 Gemiddeld inkomen1) en inkomensongelijkheid2), 2013
x 1 000 euro
35
rijkste 20% : armste 20%
7
30
6
25
5
20
4
15
3
10
2
5
1
0
0
CZ FI NL SI SK SE BE MT AT HU DK FR IE DE LU UK CY PL HR EE IT PT LT LV ES BG EL RO
Gemiddeld inkomen (linkeras)
1)
2)
Inkomensongelijkheid (rechteras)
Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, gecorrigeerd voor nationale verschillen in
koopkracht (PPP).
Verhouding tussen rijkste 20% en armste 20% van de bevolking.
67
lidstaten varieert het aandeel van 1,4 procent in
Luxemburg tot 43 procent in Bulgarije.
In landen waar veel mensen onder de armoedegrens leven en sociaal uitgesloten zijn, is de
inkomensongelijkheid vaak groot. In Nederland
heeft de hoogste 20 procent inkomensgroep
gemiddeld ruim 3,5 keer zoveel inkomen als de
laagste 20 procent. Alleen in Tsjechië is de
ongelijkheid nog iets minder. Ook in Slovenië,
Slowakije en de Scandinavische lidstaten Zweden
en Finland is betrekkelijk weinig ongelijkheid. In
andere lidstaten, vooral in het oosten en in het
zuiden van Europa, zijn de inkomensverschillen
naar verhouding groot.
In lidstaten met verhoudingsgewijs lage
gemiddelde inkomens – zoals de voormalige
Oostbloklanden en de Zuid-Europese landen –
zijn de inkomensverschillen doorgaans groot.
Uitzonderingen zijn Tsjechië, Slovenië en
Slowakije, met zowel geringe inkomens als een
lage inkomensongelijkheid. Van de oude lidstaten
hebben de Angelsaksische landen relatief hoge
inkomens. Maar er zijn ook grote verschillen
tussen rijk en arm vanwege een sober vangnet
aan uitkeringen, zoals in het Verenigd Koninkrijk.
4%
aandeel in bbp EU
7e
economie van de EU
Nederlandse economie, 2014
Bbp per hoofd van de bevolking (x 1 000 euro), 2014
16. Economische groei
74
LU
36
27
26
23
23
23
23
21
21
20
20
20
19
19
18
15
IE
NL
AT
SE
DE
DK
BE
FI
UK
FR
EU-28
IT
ES
CY
MT
CZ
SI
PT
SK
EE
LT
EL
PL
HU
LV
RO
12
BG
Nederland is één van de rijkste landen in de Europese
Unie. Toch hebben we de laatste jaren niet zo goed
gepresteerd vergeleken met andere Europese landen.
In de periode 2008–2014 is de Nederlandse economie
gekrompen. Een aantal grote economieën – Duitsland,
het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Zweden – groeide in
deze periode wel. Hoe heeft de Nederlandse economie
zich ontwikkeld sinds de crisis in 2008?
36
27
69
35
34
34
34
33
30
30
29
Nederland is de zevende economie van de
Europese Unie gemeten naar de omvang van
het bruto binnenlands product en draagt ruim
4 procent bij aan het Europese bbp. Duitsland
is met een aandeel in het Europese bbp van
20 procent de grootste economie, gevolgd door
Frankrijk (14 procent) en het Verenigd Koninkrijk
(13 procent).
16.1 Bbp EU naar landen, 2013
14%
20%
14%
Nederland één van de rijkste landen
Het bbp per hoofd van de bevolking in de later
toegetreden landen ligt nog steeds veel lager
dan in de oudere EU-landen. Bulgarije en
Roemenië staan het laagst op de ranglijst van
het bbp per hoofd. De Oost-Europese landen
met de hoogste inkomens per hoofd zijn
Tsjechië (plaats 16) en Slovenië (17), beide
staan nog boven Portugal (18).
Het Nederlandse bbp per hoofd van de bevolking,
36 duizend gestandaardiseerde euro’s (2014), is
een van de hoogste van de EU. In Ierland is het
welvaartsniveau net zo hoog. Het Luxemburgse
bbp per hoofd – met 74 duizend euro het
hoogste van de EU – is meer dan tweeënhalfmaal het gemiddelde van de EU (27 duizend
euro). De hoge positie van Luxemburg komt
voornamelijk door het aantrekkelijke (fiscale)
13%
4%
9%
14%
12%
Duitsland
Italië
Overig EU-15
Verenigd Koninkrijk
Spanje
Overig EU-27
Frankrijk
Nederland
70
16.2 Gemiddeld jaarlijkse economische groei, 2008–2014
Europese Unie
Polen
Malta
Luxemburg
Slowakije
Zweden
Verenigd Koninkrijk
Duitsland
Estland
België
Oostenrijk
Frankrijk
Litouwen
Bulgarije
Ierland
Tsjechië
Roemenië
Hongarije
Nederland
Letland
Denemarken
Finland
Spanje
Slovenië
Portugal
Italië
Cyprus
Kroatië
Griekenland
–6
–4
–2
0
2
4
% verandering bbp
71
vestigingsklimaat voor financiële instellingen
en het grote aantal mensen dat in Luxemburg
werkt, maar daar niet woont.
In maar liefst dertien EU-landen, waaronder
Nederland, is de gemiddelde economische groei
in de periode 2008–2014 negatief. Griekenland
presteert het slechtst, met een krimp van
4,2 procent per jaar. De grootste groeier is Polen,
met een economische groei van 3,2 procent per
jaar. Naast enkele Oost-Europese landen en Malta
zijn er ook enkele rijkere landen die relatief
weinig last van de crisis lijken te hebben gehad,
zoals Luxemburg en Zweden.
In 2014 noteren de meeste EU-landen weer
positieve economische groeicijfers. De
Nederlandse economische groei komt in 2014
met 1,0 procent onder het EU-gemiddelde van
1,4 procent uit. De economieën van Luxemburg
en Ierland groeien in 2014 het snelst.
Broodprijzen,
2002–2014
2,8%
gemiddelde
jaarlijkse stijging in EU
6,6%
gemiddelde
jaarlijkse stijging in Letland
Prijzen brood en graanproducten (EU=100), 2014
17. Brood- en voedingsprijzen
De prijzen van brood en graanproducten lopen in
Europa fors uiteen. In het duurste land (Denemarken)
is een brood bijna driemaal zo duur als in het
goedkoopste land (Roemenië). In Nederland zijn brood
en graanproducten relatief goedkoop. Het prijsniveau
ligt 11 procent onder het Europees gemiddelde. In
welke landen zijn brood en voedsel het goedkoopst?
En hoe zijn deze prijzen veranderd sinds het begin van
deze eeuw?
100,0
89,4
73
155,8
DK
140,3
AT
133,2
FI
128,8
SE
120,0
118,5
LU
CY
114,7
111,3
110,1
107,3
106,8
106,1
104,8
102,1
98,5
97,8
95,6
IT
ES
BE
DE
EL
IE
FR
SK
EU-28
PT
MT
HR
92,6
UK
85,9
EE
83,9
80,4
SI
LV
77,7
LT
69,0
CZ
67,8
HU
58,8
58,5
58,2
PL
BG
RO
NL
In Nederland zijn niet alleen brood en graanproducten relatief goedkoop. Over het algemeen
is voedsel in Nederland 3 procent goedkoper
dan gemiddeld in Europa. Alleen vlees is hier
bijna 20 procent duurder. Het goedkoopste is
Oost-Europa. In Polen, Roemenië en Bulgarije
zijn brood en graanproducten maar liefst
40 procent goedkoper dan in Europa. In
Denemarken zijn deze echter ruim de helft
duurder en Oostenrijkers betalen 40 procent
meer voor brood en granen. In Frankrijk en
Duitsland is voedsel iets duurder dan in
Nederland. In Spanje is het brood duurder,
maar het vlees goedkoper.
17.1 Prijs van voeding ten opzichte van EU-gemiddelde, 2014
Minder dan 20% lager
10 tot 20% lager
0 tot 10% lager
0 tot 15% hoger
15% hoger en meer
Prijsverschillen kleiner geworden
Nederland was niet altijd goedkoop. In 2003
waren brood en granen nog 5 procent duurder
dan het Europees gemiddelde. Bovendien was
voedsel in Oost-Europa destijds relatief goedkoper. In de meeste Oost-Europese landen
(behalve Slovenië en Kroatië) waren brood en
granen toen de helft goedkoper dan in Europa.
In 2014 zijn deze prijsverschillen een stuk
kleiner. Zo zijn brood, granen, maar ook veel
andere voedingsmiddelen in Slowakije en de
Baltische staten nog maar 10 tot 20 procent
74
17.2 Relatieve prijs van voedingsmiddelen
(EU-gemiddelde=100), 2014
160
140
120
100
80
60
40
20
0
Polen
Spanje
Nederland
Frankrijk
Duitsland
Brood en graanproducten
Melk, kaas en eieren
Vlees
Fruit, groente en aardappelen
Denemarken
17.3 Prijzen brood en graanproducten
2002=100
220
200
180
160
140
120
100
80
2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Nederland
Europese unie (28 landen)
Laagste (Nederland, Ierland) tot hoogste (Roemenië, Letland)
75
goedkoper. Geld besparen op eten tijdens een
vakantie in Oost-Europa wordt daarmee steeds
lastiger.
Behalve prijsverschillen tussen landen zijn ook
prijsverschillen in de tijd interessant. In
Nederland zijn brood en graanproducten maar
beperkt in prijs gestegen. Ten opzichte van
2002, het eerste jaar van de euro, zijn brood en
granen 17 procent duurder. Dat is een prijsstijging van gemiddeld 1,3 procent per jaar.
Alleen in Ierland is de gemiddelde prijsstijging
lager, 0,6 procent per jaar. Gemiddeld is de prijs
van brood en graanproducten in Europa met
40 procent gestegen (2002–2014). In vijf
Oost-Europese landen zijn de prijzen van brood
en graan zelfs verdubbeld.
Eigenwoningen Nederland,2014
€ 650 000 000 000
totale hypotheekschuld
67%
huishoudens heeft eigen woning
Aandeel huishoudens
met eigen woning (%), 2013
18. Huizenprijzen
52,6
DE
57,3
AT
63,0
64,3
64,6
DK
FR
UK
69,6
69,9
SE
IE
EU-28
72,3
73,0
73,0
73,6
74,0
74,2
75,8
76,6
77,7
BE
IT
LU
FI
CY
PT
EL
SI
ES
80,1
80,3
81,1
81,2
83,8
CZ
MT
EE
LV
PL
85,7
BG
88,5
HR
89,6
90,5
HU
SK
92,2
LT
95,6
RO
In Europa heeft 70 procent van de huishoudens een
eigen woning, in Nederland zijn twee op de drie
huishoudens woningeigenaren. Sinds de crisis van
2008 zijn veel huizen in waarde gedaald. In 2014 ligt
de waarde van een huis in de Europese Unie nog
4 procent onder het niveau van 2008. In Nederland is
het waardeverlies 19 procent.
77
67,1
70,0
NL
In 2014 zijn de huizenprijzen in Nederland voor
het eerst sinds 2008 weer gestegen, al liggen de
prijzen nog lang niet op het niveau van voor de
crisis. Niet overal in Europa zijn de prijzen gedaald.
In bijvoorbeeld België en Duitsland zijn de huizenprijzen ook tijdens de crisis gestegen.
Door fiscale stimuleringsmaatregelen (de aftrek
van hypotheekrente) was het voor Nederlandse
huishoudens jarenlang aantrekkelijk om hoge
hypotheken af te sluiten en de aflossing uit te
stellen. Hierdoor is de hypotheekschuld naar
grote hoogtes gestuwd. In 2012 hadden
Nederlandse huishoudens een hypotheekschuld
van 671 miljard euro, het hoogste niveau ooit.
Sindsdien is deze schuld met ruim 3 procent
afgenomen. Nederlandse huishoudens hebben
relatief hoge hypotheekschulden vergeleken met
hun inkomens. In 2013 is deze schuld 2,2-maal
het inkomen. In Denemarken is dit zelfs 2,6-maal
het inkomen, de hoogste verhouding van alle
Europese landen. Voor de Nederlandse situatie
geldt dat tegenover de hoge schuld spaar- en
beleggingsdepots staan. Voor de aflossing van de
hypotheek aan het einde van de looptijd kan
worden gespaard, zonder dat de schuld (en dus
de renteaftrek) minder wordt.
18.1 Aandeel bevolking met achterstand huur of hypotheek,
2013
Minder dan 2 %
2 tot 4%
4 tot 6%
6 tot 10%
10% en meer
78
18.2 Schuld van huishoudens , 2013
Hoewel Nederlandse huishoudens een erg hoge
hypotheekschuld hebben, zijn er relatief weinig
mensen die de hypotheek of huur niet op tijd
betalen. De meeste Nederlandse huishoudens
voldoen dus netjes aan hun betalingsverplichtingen.
Met name in Zuid-Europese landen hebben veel
mensen betalingsachterstanden op huur of
hypotheek. In deze landen zijn de huizenprijzen
na 2008 het sterkst gedaald. In Oost-Europa zijn
naar verhouding veel minder mensen met een
betalingsachterstand, terwijl hier de huizenprijzen
ook zijn gedaald. Wel steken Oost-Europeanen
zich in verhouding tot hun inkomen veel minder
diep in de schulden.
Denemarken
Nederland
Verenigd Koninkrijk
Frankrijk
Duitsland
Italië
Polen
Litouwen
0
50
100
150
200
250
300
% van inkomen
18.3 Prijzen van bestaande en nieuwe koopwoningen
% mutatie
40
30
20
10
0
–10
–20
–30
–40
IE
BG
ES
HR
LV
Mutatie 2008-20131)
1)
LT
SI
RO
CY
NL
SK
HU
IT
PT
2013–2014
Voor Italië, Oostenrijk en Roemenië vanaf 2010 in plaats van 2008.
79
DK
CZ
EE
FR
MT
BE
UK
FI
DE
LU
AT
SE
EU
Belastingdruk, 2013
47,6%
in Denemarken
26,9%
in Litouwen
Overheidssaldo (% bbp), 2014
19. Overheidsfinanciën
1,5
DK
1,4
0,7
LU
EE
0,3
DE
–0,7
LT
–1,4
–1,5
–1,7
–1,9
–2,1
–3,1
–3,3
–3,3
–3,6
–3,9
–3,9
RO
LV
SE
CZ
MT
NL
HU
AT
SK
IT
EU-28
BE
PL
FI
GR
IE
FR
–5,0
SI
–5,6
–5,7
–5,8
–5,9
HR
UK
BG
ES
–7,2
PT
–8,9
HR
In 2014 is het overheidstekort van de 28 landen van de
Europese Unie 3 procent van het bruto binnenlands
product (bbp). De schuld van deze landen komt uit op
86,8 procent van het bbp. Dit komt overeen met meer
dan 12 biljoen euro. De tekorten en schulden van de
diverse Europese landen verschillen echter enorm.
Welke overheden hebben een overschot en welke een
tekort? En welk land heft de meeste belasting?
81
–2,4
–3,0
–2,5
–2,7
–2,8
–3,0
Van alle lidstaten hebben dertien landen een
tekort boven de 3 procent van het bbp. In
Nederland ligt in 2014 het tekort voor het
tweede jaar op rij onder de 3 procent. Het
tekort verbeterde vooral doordat de overheid
meer inkomsten kreeg uit belastingen en premies.
19.1 Overheidschuld (% bbp), 2014
Minder dan 50%
50 tot 70%
70 tot 100%
100 tot 150%
150% en meer
1)
Eurolanden die voldoen aan
EU-norm (60% bbp)
Belasting- en premiedruk neemt toe
De belasting- en premiedruk in ons land is in
2013 opgelopen tot 37,2 procent van het bbp.
In 2009 was dit nog 35,4 procent. In Europees
perspectief zit Nederland nog ruim onder het
EU-gemiddelde van 38,8 procent van het bbp. In
Denemarken is de premie- en belastingdruk het
hoogst (47,6 procent), in Litouwen het laagst
(26,9 procent). Doorgaans is de belasting- en
premiedruk in voormalige Oostbloklanden laag
in verhouding tot de rest van Europa.
1)
1)
1)
1)
1)
1)
Overheidsschuld
1)
1)
De omvang van de overheidsschuld loopt in de
lidstaten erg uiteen. In zestien landen is de
schuld in 2014 meer dan 60 procent van het
bbp. Voormalige Oostbloklanden hebben
doorgaans een lage schuld omdat ze na de
afsplitsing van de Sovjet-Unie met een schone
lei zijn begonnen. Andere landen hebben juist
82
19.2 Belastingen en sociale premies, 2013
een hoge schuld, zoals Griekenland (178,6 procent
van het bbp). Nederland zit met een schuld in
2014 van 68,2 procent van het bbp ruim onder
het Europees gemiddelde van 86,8 procent. De
schuld in ons land is ook lager dan in Duitsland.
Echter, in Nederland is de schuld sinds de
financiële crisis alleen maar toegenomen,
terwijl de schuld in Duitsland na aanvankelijke
stijgingen in 2009 en 2010 nu al twee jaar
afneemt.
Europese Unie
Denemarken
Frankrijk
België
Finland
Italië
Zweden
Oostenrijk
Luxemburg
Hongarije
Duitsland
Nederland
Slovenië
Kroatië
Tsjechië
Griekenland
Portugal
Verenigd Koninkrijk
Malta
Spanje
Estland
Polen
Cyprus
Slowakije
Ierland
Bulgarije
Letland
Roemenië
Litouwen
0
10
20
30
40
50
% van bbp
83
Kosten gezondheidszorg in Nederland, 2014
€ 4 297
per persoon
0,4%
voor preventie
Uitgaven aan gezondheidszorg (% bbp), 2012
20. Uitgaven gezondheidszorg
11,0
De uitgaven in de gezondheidszorg zijn hoog en
10,8
10,8
10,8
NL
SE
FR
DE
10,4
DK
10,2
10,1
BE
AT
9,5
MT
9,3
9,1
PT
EL
8,9
8,8
8,7
ES
IT
SI
8,5
8,5
UK
FI
EU-28
8,1
IE
7,9
BG
7,7
7,5
SK
HU
7,1
7,0
CZ
HR
6,7
6,6
CY
LU
6,3
6,3
LT
PL
5,8
EE
5,4
5,4
LV
RO
nemen elk jaar toe. In Nederland is de druk van de
gezondheidszorg op het inkomen het hoogst van alle
Europese landen. Economische groei, bevolkingsgroei
en vergrijzing zijn belangrijke factoren voor de groei
van de uitgaven aan gezondheidszorg. Waar zitten de
verschillen tussen de landen van de Europese Unie,
8,3
waar is de groei zichtbaar, en welke ontwikkelingen
zetten een rem op die groei?
85
Bron: Eurostat, OESO, WHO
Nederland geeft in 2012 meer van het bruto
binnenlands product uit aan gezondheidszorg
dan andere Europese landen, te weten 11 procent.
Een groep landen uit Noordwest-Europa volgt
met een aandeel van de gezondheidszorg in het
bbp van ook bijna 11 procent. Het laagst is de
druk van de gezondheidszorg op het bbp in
Oost-Europese landen. Het aandeel van de
gezondheidszorg in het bbp in de 28 landen
van de Europese Unie is 8,4 procent.
20.1 Zorguitgaven naar type zorg, 2012
Europese Unie1)
Nederland
Zweden
Frankrijk
Duitsland
Denemarken
België
Oostenrijk
Portugal
Griekenland
Spanje
Dure langdurige zorg
De relatief hoge Nederlandse uitgaven komen
vooral door hoge uitgaven aan langdurige zorg.
Voor de vergelijking met andere landen mogen
daarvan verblijf, behandeling, verpleging en
persoonlijke verzorging bij worden geteld.
Daarmee is in Nederland 2,8 procent van het
bbp gemoeid. Alleen in Zweden is het percentage
bijna net zo hoog. De uitgaven aan genees- en
hulpmiddelen zijn in Nederland juist relatief erg
laag.
Nederland telt meer artsen, fysiotherapeuten
en verpleegkundigen dan in 2000. Waren er in
2000 nog 438 mensen op 1 arts, in 2013 is dit
aantal 304. De ontwikkeling is in de meeste
Europese landen vergelijkbaar. De Nederlandse
Slovenië
Finland
Bulgarije
Slowakije
Hongarije
Tsjechië
Kroatië
Cyprus
Luxemburg
Litouwen
Polen
Estland
Letland
Roemenië
0
2
4
6
8
10
12
% bbp
Langdurige gezondheidszorg
Genees- en hulpmiddelen
Geneeskundige zorg
Preventie, volksgezondheid en beheer
Bron: Eurostat, OESO, WHO
1)
Exclusief Ierland, Italië, Malta en Verenigd Koninkrijk.
86
20.2 Aantal (para)medici in de gezondheidszorg, Nederland
per 1 000 inwoners
14
12
10
8
6
4
2
0
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013
Arts
Fysiotherapeut
Verpleegkundige
20.3 Gemiddelde opnameduur bij hart- en vaatziekten
dagen
14
12
10
8
6
4
2
0
2004
2005
2006
2007
2008
Duitsland
België
Verenigd Koninkrijk
Frankrijk
2009
2010
2011
2012
2013
Nederland
87
zorguitgaven zijn afgeremd door ontwikkelingen
in de wijze waarop de gezondheidszorg wordt
verleend, bijvoorbeeld door meer dagbehandelingen en een kortere opnameduur in
ziekenhuizen. In Nederland is de gemiddelde
opnameduur in een ziekenhuis voor bijvoorbeeld een behandeling bij hart- en vaatziekten
tussen 2004 en 2012 afgenomen van 8 dagen
naar 6 dagen. In andere Europese landen is een
zelfde ontwikkeling te zien, maar de daling van
het aantal ligdagen is daar minder groot.
Alleen in Frankrijk blijft het aantal dagen rond
de 7 liggen.
Overleden aan hart- en
vaatziekten
38 000
Nederlanders in 2014
1 900 000
mensen in de EU in 2012
Overledenen aan hart- en vaatziekten
(per 100 000 inwoners), 2012
1 168
BG
1 039
RO
921
901
LV
LT
779
HU
Europa? In welk land overlijden de minste mensen aan
745
EE
hart- en vaatziekten? En hoe doet Nederland het op
712
704
691
SK
CZ
HR
652
PL
519
462
450
448
412
404
402
287
285
271
MT
SI
AT
GR
FI
DE
CY
EU-28
SE
IE
IT
LU
PT
BE
NL
DK
UK
ES
221
FR
21. Sterfte aan hartziekten
Lang was de sterfte aan hart- en vaatziekten de
belangrijkste doodsoorzaak in Nederland. Dat is het al
jaren niet meer. Al sinds 2008 is dat kanker. In
Nederland is ruim een kwart van de sterfte toe te
schrijven aan hart- en vaatziekten. Hoe is dat in
het gebied van roken en overgewicht, risicofactoren
voor hart- en vaatziekten?
394
289
89
371
351
344
332
324
309
In Nederland overleden in 2012 289 mensen per
100 duizend inwoners aan hart- en vaatziekten.
Nederland behoort daarmee tot de landen met
de laagste sterfte aan deze ziekten. In
Nederland overlijden meer mannen dan vrouwen
aan hart- en vaatziekten. Dat was ook zo in de
gehele Europese Unie, waar 462 mannen per
100 duizend inwoners tegen 340 vrouwen per
100 duizend inwoners overleden.
21.1 Dagelijkse rokers (15 jaar en ouder), 20141)
Vrouwen
Mannen
Zweden
Luxemburg
Finland
Denemarken
Nederland
Portugal
België
Slowakije
Italië
Verenigd Koninkrijk
Roemenië
Sterfte aan hartinfarcten
Aan het acuut hartinfarct, één van de belangrijkste hartvaatziekten, overleden in Nederland
45 mensen per 100 duizend inwoners. In
Frankrijk overleden de minste mensen aan een
acuut hartinfarct, in Oost-Europa en Finland de
meeste mensen. Malta is met 142 sterfgevallen
per 100 duizend inwoners het land met de
hoogste sterfte aan een acuut hartinfarct. Het
gemiddelde voor de EU is 53 sterfgevallen per
100 duizend inwoners.
Roken en ernstig overgewicht zijn twee van de
belangrijkste risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Op deze terreinen doen Nederlanders
het beter dan vele andere Europeanen. Bijna
één op de vijf Nederlanders rookt dagelijks en
bijna één op de acht Nederlanders heeft ernstig
Slovenië
Duitsland
Litouwen
Tsjechië
Oostenrijk
Polen
Spanje
Ierland
Frankrijk
Cyprus
Estland
Hongarije
Kroatië
Bulgarije
Malta
Letland
Griekenland
40
20
0
0
20
40
%
%
Bron: OESO, behalve Kroatië (WHO), Bulgarije, Cyprus, Malta, Oostenrijk en Roemenië (Eurostat).
1)
60
Bulgarije, Cyprus, Malta, Oostenrijk en Roemenië: 2008.
90
21.2 Personen (20 jaar of ouder) met ernstig overgewicht1)
Niet bekend
Minder dan 13%
13 tot 17%
17 tot 21%
overgewicht. Dat is veel minder dan gemiddeld
in de Europese Unie.
Obesitas is vooral een probleem in Letland en
het Verenigd Koninkrijk. Onder Roemenen komt
ernstig overgewicht het minst vaak voor.
21 tot 26%
1)
Cijfers voor verschillende jaren
21.3 Overledenen aan acuut hartinfarct,
2012
Europese Unie
Malta
Roemenië
Duitsland
Polen
Verenigd Koninkrijk
Nederland
Spanje
Frankrijk
0
20 40 60 80 100 120 140 160 180 200
per 100 000 inwoners
Mannen
91
Vrouwen
105 080
volgers op Twitter
3 800
datasets in StatLine
50
video’s op CBS-YouTube
22. Bron: CBS
In deze publicatie laat CBS zien hoe Nederland ervoor
staat in Europa. Daarvoor gebruiken we naast cijfers
van Eurostat ook veel cijfers van CBS zelf. De grafieken,
tabellen, kaarten en teksten in dit boek vormen slechts
de etalage: er is nog veel meer te krijgen.
93
www.cbs.nl
opendata.cbs.nl/dataportaal/portal.html
CBS publiceert dagelijks informatie over wat er
feitelijk gebeurt in Nederland. Het geeft een
beeld van hoe we in Nederland leven: het werk
dat we doen, de zorg die we delen en wat er in
onze boodschappenkar zit. Cijfers en publicaties
zijn te vinden op www.cbs.nl. Daar is ook
Nederland langs de Europese meetlat 2016 als
PDF te downloaden.
CBS lanceerde medio 2014 de Open data-portal,
waarin alle 3 800 dataverzamelingen uit de
CBS-databank Statline als open data vrij
beschikbaar zijn.
@statistiekcbs en
facebook.com/statistiekcbs
Om zijn cijfers nog toegankelijker te maken,
verspreidt CBS ze ook via social media. Iedereen
die altijd de laatste cijfers bij de hand wil hebben,
kan CBS volgen op Twitter. Via @statistiekcbs
twittert CBS eigen nieuws, cijfers bij de actualiteit
en leuke weetjes.
Ook op Facebook (facebook.com/statistiekcbs)
staat actuele informatie.
Youtube.com/statistiekcbs
Op dit YouTube-kanaal staan zo’n vijftig filmpjes
met onder meer uitleg over statistische begrippen
zoals inflatie en maatschappelijke ontwikkelin­
gen zoals vergrijzing. Daarnaast zijn er ook
video­­­registraties van persconferenties te vinden.
94
opendata.cbs.nl/dataportaal/index.html
Inmiddels is er ook een webapp voor StatLine
op basis van Open data beschikbaar. Dit is een
applicatie die alle tabellen uit StatLine in
grafiek- of kaartvorm laat zien. Met twee
klikken krijgen gebruikers een grafiek op hun
scherm, maar de webapp kan uiteraard ook
cijfers in tabelvorm tonen.
www.corporate.cbs.nl
Op CBS corporate nieuws publiceert CBS actuele
artikelen over onder andere nieuwe dienstverlening, nieuwe producten, internationale
ontwikkelingen en evenementen van CBS. De
webapp is gemaakt voor de externe relaties van
CBS, waaronder bedrijven, overheid, journalisten,
studenten en ieder ander die geïnteresseerd is
in nieuws over CBS. Artikelen zijn makkelijk te
filteren, te doorzoeken en te delen.
506 847 612 G
g
16 900 726 B
b
inwoners EU op 1 januari 2014
inwoners Nederland op 1 januari 2015
Voor wat er feitelijk gebeurt
9 789035 716667
1
Trends in Nederland 2015
Download