- Scholieren.com

advertisement
Hoofdstuk 9: De tijd van de wereldoorlogen
De tijd van de wereldoorlogen is de tijd van 1900 tot 1950.
9.1 De Eerste Wereldoorlog
Op 4 augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. Directe aanleiding was de moord op
Franz-Ferdinand (de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins).
In de aanloop naar de 1e WO:
 In Europa waren twee machtige groepen bondgenoten ontstaan:
Duitsland-Oostenrijk en Rusland-Frankrijk-Engeland.
 Er was een wapenwedloop aan de gang, ieder land maakte veel wapens, omdat elk
land voldoende wilde hebben om zich te verdedigen (uit nationalistische gevoel)
Veel politici en generaals dachten dat een oorlog onvermijdelijk was en vonden het een
geschikt middel om hun (nationale) zaak te dienen. Het begin van de oorlog werd met
gejuich ontvangen.
Grote Europese landen deden mee, later alle Europese landen, behalve Nederland en
Spanje en wat kleinere landen. Die bleven neutraal, omdat ze dachten dat ze dan geen last
van de oorlog zouden hebben.
Duitsers begonnen met een snelle opmars, maar moesten stoppen boven Parijs.
Russen, Britten en Serven vochten in het Zuiden, maar kwamen bij Turkije tot stilstand.
In eind 1914 waren er al meer doden gevallen dan in alle oorlogen daarvoor samen.
Kenmerken 1e WO:
 Loopgravenoorlog (verdedigingslinies)
 Gebruik nieuwe wapens (tanks, duikboten, gifgas, gevechtsvliegtuigen)
Nw. wapens nog niet goed ontwikkeld (vliegtuigen en tanks). Gifgas had iedereen
(+gasmaskers) dus ook weinig effect meer. Duitse duikboten wel succesvol. Amerikaanse
schepen werden aangevallen.
Gevolg: VS bij de oorlog betrokken (1917).
In 1917 ook vredesverdrag Duitsland-Rusland (na de Russische Revolutie). Daardoor kon
Duitsland zich helemaal richten op West-Europa en konden ze wat gebied winnen.
Toen de Amerikanen kwamen was het snel gedaan met de oorlog.
De Duitse koning vluchtte (naar Nederland). De socialisten riepen de Republiek uit.
De vrede werd getekend op 11-11-1918 met het Verdrag van Versailles.
Dit verdrag hield in:
 Duitsland moest herstelbetalingen doen aan de landen die beschadigd waren
 Duitsland mocht geen leger meer hebben
 Duitsland mocht geen wapens meer produceren
 Duitsland moest land teruggeven aan Frankrijk
1
9.2 De economische wereldcrisis
In 1929 grote economische crisis die vele jaren zou duren. Begon in de VS.
Oorzaak: Door de goede economische ontwikkelingen in de VS was men optimistisch.
Mensen leenden veel geld voor aankoop van huizen, auto’s en aandelen. Banken leenden te
gemakkelijk geld. Roaring Twenties: alles kon! Niemand verwachtte dat het mis kon gaan.
Op Black Thursday (24 okt. 1929) brak er paniek uit op de Amerikaanse beurs.
Aandelen werden massaal verkocht en de prijzen kelderden. Gevolg:
 Spaargeld van miljoenen Amerikanen verdween/verdampte
 Mensen konden hun leningen niet meer terug betalen aan de banken
 Duizenden banken gingen failliet
 Landbouw en industrie hadden geen kopers meer voor hun producten
 Boeren vervielen in armoede
 Fabrieken sloten en veel mensen werkeloos.
 Er was geen stelsel van sociale zekerheid, dus enorme armoede
Er ontstond een sneeuwbaleffect over de hele wereld. Alle economieën waren met elkaar
verbonden, omdat er over de hele wereld met elkaar handel gedreven werd.
In koloniën was het extra zwaar, want de koloniale machthebbers sloten de grenzen voor
producten uit die landen en begonnen die producten in eigen land te maken om daar de
economie draaiende te houden.
Overal hield men zich nog vast aan de politiek van vrijhandel en staatsonthouding (de
liberale economische politiek), maar het werd juist nog erger. In 1932 leek de hele
wereldeconomie tot stilstand te komen.
Oplossing in zicht
Amerikaanse president Roosevelt begon in 1933 zijn new deal uit te voeren. Dit is een
programma waarbij de overheid op grote schaal ingrijpt in de economie. Er kwamen sociale
uitkeringen en openbare werken (overheid investeert in wegenbouw, bouw van
overheidsgebouwen, scholen etc.) → meer mensen aan het werk → konden weer meer
kopen → stimulering van de economie. Dit ging wel langzaam.
De Sovjet-Unie had als enige geen werkloosheid (en geen wereldkapitalisme). De staat had
daar de leiding over de economie in handen genomen en daardoor groeide de economie
sterk (planeconomie).
In Nederland
Na de oorlog vergrootte de overheid de greep op de economie en er kwam een uitgebreid
stelsel van sociale zekerheid.
Minister-president Colijn leidde 5 kabinetten in de crisisjaren en werd gezien als de sterke
man. Hij bestreed de crisis met ouderwets liberalisme. Hij vond dat iedereen moest
bezuinigen en werken voor zijn geld, uitkeringen waren karig.
Later kreeg hij een slechte naam, men vond hem een hardvochtige kapitalist.
2
9.3 De totalitaire systemen
Er ontstonden 3 totalitaire ideologieën: het communisme, het fascisme en het
nationaalsocialisme.
Communisme:
Een politieke stroming waarbij productiemiddelen gemeenschappelijk
bezit of staatsbezit zijn (idee van Marx, Lenin voerde het uit,
staatsgreep 1917: Russische revolutie, tsaar vermoord)). Vanaf 1922
heette Rusland de Sovjet-Unie en was een communistisch land.
Fascisme:
Een extreem nationalistische stroming die de nadruk legt op krachtig
leiderschap en geweld ziet als iets goeds (Mussolini in Italie). Droom
van een machtig Italië, dat heerste over de Middellandse zee.
Beweging van soldaten uit 1e WO, zwarthemden. Vanaf 1922 Mussolini
regeringsleider → hij vestigde een totalitaire dictatuur.
Nationaalsocialisme: Ook wel het nazisme genoemd. Het is een variant van het fascisme,
maar hier wordt de rassenleer vooropgesteld in plaats van de
staatsmacht (Hitler, vanaf 1933 regeringsleider met de NSDAP) → hij
greep de alleenheerschappij.
Verschil tussen de 3 systemen:
Communisme:
ras en natie doen er niet toe, alles is gemeenschappelijk bezit
en iedereen is gelijk, klasseloze maatschappij, arbeiders aan de
macht (via leider).
Nat.soc. en fascisme:
extreem nationalistisch (staat is het belangrijkste), verheerlijking
van geweld. Alleen fascisme had geen rassenleer.
Rassenleer: Duitsers voerden een strijd op leven en dood met minderwaardige rassen,
zoals slaven en joden. Hun rijk zou een Germaans rijk moeten zijn, van zuiver Germaans
bloed.
Overeenkomsten van de 3 systemen:
 Ze behoorden tot het totalitarisme (totale controle van de maatschappij en het denken
en voelen van alle mensen).
 Eén partij, één leider (Hitler führer, Stalin vozjd)
 Verzet en kritiek werden zwaar gestraft met martelingen en moord.
 Er was geen individuele vrijheid meer, de staat bepaalde alles. Iedereen moest
gehoorzamen. Befehl ist befehl.
 Veiligheidsdiensten kregen onbeperkte bevoegdheden.
Symbolen:
hakenkruis bij Duitsland
Hamer en sikkel bij de Sovjet-Unie
Groot verschil tussen Duitsland en de Sovjet-Unie:
 Duitsland was al een industriestaat, maar Rusland was eerst een agrarisch land dat
onder dwand veranderde in een industriestaat.
 Het leven in Duitsland ging redelijk gewoon door na 1933 (macht van Hitler). In de
Sovjet-Unie veranderde alles, iedereen moest zijn land afgeven
3

In Duitsland werden 1000- en tegenstanders vermoord en naar kampen gebracht.
In de Sovjet-Unie werden miljoenen mensen vermoord of naar werkkampen gestuurd.
Niemand was hier veilig door onzinnige beschuldigingen over verraad en
samenzweringen.
Stalin: was wreed en achterdochtig en genoot van het lijden van mensen, vanaf 1929 de
absolute macht in de Sovjet-Unie. Bijnaam: vadertje Stalin. Hij was populair, want de
mensen dachten dat zijn ondergeschikten alle gruweldaden zelf bedachten.
9.4 Propaganda en communicatie
Een prima middel om de massa voor je te winnen en mensen enthousiast te krijgen voor je
zaak. Propaganda bestond al in de 16e eeuw.
Kenmerk: verheerlijking leiders en eigen ideologie en tegenstanders zwart maken.
Propaganda komt voort uit democratie: iedereen mag proberen zijn ideeën zo goed mogelijk
te ‘verkopen’.
De Eerste Wereldoorlog betekende een impuls voor de staatspropaganda (er werd
veelvuldig gebruik van gemaakt).
De propaganda werkte beter dan ooit doordat hij werd gecombineerd met onderdrukking.
Het effect van de propaganda werd verder vergroot door het gebruik van nieuwe
communicatiemiddelen (vrnl. radio en film → toespraken op radio, propagandafilms in
bioscopen).
Stalin: veel beelden en poster van hem (bijnamen: zon der mensheid, gids naar de
toekomst, geniale geleerde of bescheiden man van het volk)
Hitler: werd in Duitsland als afgod vereerd
Belangrijk voor de totalitaire regimes waren ook de massaorganisaties (organisatie waarbij
grote massa’s mensen aangesloten zijn). Mensen en kinderen werden overal
geïndoctrineerd: sportverenigingen, Hitlerjugend/Komsokol, vakbonden in Duitsland waren
Arbeidsfront geworden, waarvan alle arbeiders verplicht lid waren, ook vakbonden in SU.
Hitler: tot de 1e WO een mislukkeling, kreeg fanatiek doel hierna voor Duitsland (revanche)
en kwam in 1933 aan de macht. Groot talent: propagandist, met geweldige toespraken
mensen opzwepen. Pleegde zelfmoord voor de capitulatie van Duitsland.
9.5 Verzet tegen het imperialisme
Tussen de wereldoorlogen groeide in de koloniën het verzet tegen het Europese
imperialisme (overheersing). De Nederlandse regering was zelf niet van plan hieraan toe te
geven in zijn koloniën.
India
Kolonie van Groot-Brittannië. Mahatma Ghandi was de leider van het Indiase verzet. Hij
streefde naar de vestiging van een nationale staat, met gelijke rechten voor iedereen.
Zijn middel van geweldloos protest:
4



koop geen Britse producten meer
gehoorzaam bevelen en opdrachten van de Britten niet meer
help de Britten niet meer
Strijd niet geheel geweldloos, want hij kon de Islamieten niet onder controle houden.
Resultaat: India kreeg van de Britten een grote mate van zelfbestuur.
Nederlands-Indie
Door invloeden communisten werd het ook hier onrustig en dreigde er een opstand. Lenin
(voorganger van Stalin) beloofde de communisten te helpen de koloniale overheersers eruit
te gooien. Werd door Nederlandse koloniale troepen de kop ingedrukt.
→ het Indonesisch nationalisme kwam op. Kleine groep mensen wilde alle verschillende
volken van Indonesië als een volk zien. Zagen dat Nederland geen macht af wilde staan en
keerden zich tegen Nederland en wilden onafhankelijkheid. Gandhi was voorbeeld en ze
pasten wat van zijn manieren toe.
1927 Indonesische PNI opgericht, leider Soekarno. Werd enthousiast ontvangen.
1933 nam geweld toe en Nederland sloeg hard terug,.leiders werden verbannen.
Onderdrukking door strenge censuur en ruime bevoegdheden voor politie. Alles werd weer
rustig. Maar Nederland onderschatte de nationalistische gevoelens van de Indonesiërs bleek
na de 2e WO.
Soekarno: westers opgeleid, diepe afkeer van kolonialisme. Richtte de nationalistisch partij
PNI op. Verbannen in 1933. Riep direct na de 2e WO in 1945 de Republiek Indonesië uit.
9.6 De Tweede Wereldoorlog
Reden Hitler: revanche voor de 1e WO.→ Duitsland zou overwinnen en over Europa
heersen.
Begin van de oorlog: spectaculaire successen voor Duitsland: Blitzkrieg
 1939 Polen onder de voet gelopen
 1940 Nederland bezet, België en Frankrijk
 Luchtaanvallen (luchtoorlog) op Engeland – o.a. Londen (the battle of Britain → op
het nippertje geen bezetting van Engeland)
 Verovering Balkan
Hitler had in 1939 (voor de inval in Polen) een niet-aanvalsverdrag gesloten met Rusland
(Stalin), zodat hij niet in het Oosten hoefde te vechten en zich kon richten op het westen.
Toen half Europa in zijn macht was, lapte hij dit verdrag aan zijn laars en begon aanvallen op
Rusland: Operatie Barbarossa (22-6-1941). Veel doden, Duitsers voor Moskou
teruggeslagen.
Keerpunt in de oorlog:
Bondgenoot Japan valt Amerikaanse vloot Pearl Harbor aan (juni 1941)→ Hitler blij en
verklaart de VS de oorlog. Dit is een cruciale fout, die hem de overwinning gaat kosten later.
5
Duitsland behaalt eerst nog succes in Zuid-Rusland, dan volgt de slag om Stalingrad (1 milj.
doden), deze verliest Duitsland in 1943.
Hierna was een Duitse nederlaag onvermijdelijk geworden, want Hitler kon niet tegen de
gecombineerde kracht op van de VS, Rusland en Groot-Britannie. Maar Hitler wilde strijden
tot het bittere einde geen herhaling van 1918, ‘volk strijdend ten onder!’).
Rusland sloeg de Duitsers steeds verder terug richting Berlijn, in Normandie kwamen de
geallieerden aan land en rukten op naar Berlijn.Berlijn viel op 2 mei 1945. Hitler had
zelfmoord gepleegd.
Verschil 1e en 2e WO: 1e WO: alle slachtoffers militairen
2e WO: helft slachtoffers burgers
Totale oorlog
Waarom werd de 2e WO zo genoemd?
 De helft van de slachtoffers waren burgers (in de 1e WO waren alle slachtoffers
militairen), het dodental was 6x hoger dan in de 1e WO
 De hele economie draaide om de oorlog (wapenproductie veel hoger dan in 1e WO)
 De ‘achterblijvers’ moesten hiervoor hard werken in fabrieken (in Duitsland werden
dwangarbeiders uit bezette landen hiervoor gebruikt)
 In Duitsland moest iedere man tussen 16 en 60 jaar meevechten.
Onbeperkt geweld (tegen burgerbevolking)
Door alle partijen:
 Duitsers: vernietigingsoorlog in het Oosten (Rusland). Oorlogsvoering gericht om
zoveel mogelijk burgerslachtoffers te maken. Om plaats te maken in de veroverde
gebieden voor Germanen, moesten alle andere (niet Germaanse)volken verdwijnen.
Speciale commando’s moesten tegenstanders vermoorden → massale slachtpartijen.
Ook op krijgsgevangen. Russische steden werden belegerd (hongerdoden). En als
laatste de moord op alle Joden in Europa.
 Russen: op hun weg naar Berlijn plunderingen, moorden en verkrachtingen van het
Duitse volk (wraak op hun ellendige jaren in Rusland)
 Geallieerden (vrnl. Britten): voortdurende bombardementen op Duitse steden, werden
steeds succesvoller door betere machines en bommen.
 Amerikanen: door de beide atoombommen op Japan, toen gewone bombardementen
op Japanse steden niet hielp (=afrekening met Japan na de capitulatie met
Duitsland).
Winston Churchill: (minister-president Groot-Brittannië) werd symbool van de Britse
onverzettelijkheid. Hij was een felle tegenstander van Duitsland en vooral zijn radiopraatjes
om het moreel op te peppen van het Britse volk waren erg populair.
9.7 Genocide
2e WO was de eerste kennismaking van het westen met de genocide (volkerenmoord) op de
joden. De Holocaust herinnert eraan waartoe racisme en discriminatie kunnen leiden.
6
Oorzaken ongekende Jodenhaat: Verbittering en frustratie over de Joden, die opgepept werd
door Hitler, was voedingsbodem voor antisemitisme (vijandigheid tegen joden).
Geweld tegen Joden kwam al voor, maar barstte echt pas los in de Kristallnacht. Vernietiging
van Joodse bezitttingen en 100-en Joden vermoord.
Vanwege afkeuring onder de Duitsers gaf Hitler het anti-Joodse beleid in handen van de
organisatie van de Nazi-beweging → Joods probleem in het geheim en systematisch
oplossen.
Eerste ideeën: Joden naar andere landen verbannen, Joden op Madagaskar om daar uit te
sterven. Uiteindelijk resulteerde dit in de Endlösung (eindoplossing).
Start in Polen, waar de grootste groep Joden was bijeengedreven in de getto’s.
Begin 1942 ook Endlösung in Europa, alle landen moesten worden uitgekamd om alle Joden
naar het Oosten te sturen om daar vernietigd te worden in de gaskamers (zuurgas Zyklon-B).
Eind dat jaar al 4 miljoen Joden vermoord.
9.8 De bezetting
10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Nederland had gehoopt weer neutraal te
blijven. Nederland capituleerde op 15 mei. Regering en koningin Wilhelmina vluchtten naar
Engeland. Hitler stelde Seys-Inquart aan als hoogste machthebber, rijkscommissaris.
Eerste tijd invloed Duitsers niet echt merkbaar. Duitsers vonden dat Nederlanders met hen
verbonden waren door het Germaanse bloed. Leven ging gewoon door. Wel eisten de
Duitsers loyale uitvoering van hun maatregelen. Nederlandse regering had opgeroepen zich
hiertegen niet te verzetten in de hoop dat er dan voor het land niet zoveel zou veranderen.
1940: Oprichting Nederlandse Unie. Duitsers wilden de Nederlanders via deze organisatie
bekeren tot het nationaalsocialisme. Dat lukte niet.
De haat tegen de moffen groeide → onderdrukking en terreur namen toe → Joden werden
weggevoerd → bezetting werd onaangenamer (Duitsers gedroegen zich slechter):
 mensen moesten hun huis uit voor de verdegingslinies,
 mannen moesten als dwangarbeider naar Duitsland,
 auto’s-fietsen-radio’s in beslag genomen
 tekorten aan alledaagse artikelen
Sept. 1944: bevrijding door de geallieerden van het zuiden tot aan de grote rivieren.
Daarboven (in Holland en Utrecht) brak de hongerwinter aan, want vanuit het zuiden was
geen aanvoer meer van goederen.
Mei 1945: bevrijding van Nederland, maar het land was geruïneerd:
 kwart van alle huizen verwoest
 60% van het land onder water gezet
7



250.000 Nederlanders gedood
Vrijwel geen rails meer (hout gebruikt in hongerwinter), alle treinen ingepikt
Havens en fabrieken verwoest
8
Download