Hoofdstuk 1: Kopen is kiezen

advertisement
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Hoofdstuk 3: Marktwerking
Concept: Markt
Introductie
1
Met ‘een markt’ bedoelt Jorts moeder de afzetmogelijkheden: kan Jort zijn ijsjes
wel verkopen.
2
Nee, je rekent de stad op 30 kilometer afstand niet tot Jorts markt, omdat de
afstand te groot is om deze met een ijscokar te overbruggen.
3
Hoorntje = € 5 : 100 =
Twee bolletjes = (€ 2,90 : 12) × 2 =
Totale kosten
4
€ 0,05
€ 0,48
------- +
€ 0,53
Meerdere antwoorden zijn mogelijk. Houd er rekening mee dat Jort zijn vader en
zijn oom moet terugbetalen. Daarnaast moet hij ook zijn uurloon meerekenen.
Voorbeeldantwoord: Jort heeft in totaal € 750 (van zijn vader) + € 500 (spaargeld)
+ € 500 (van zijn oom) geïnvesteerd. Dat is € 1.750 in totaal. Neem aan dat hij dit
bedrag helemaal heeft gebruikt voor de aanschaf van de ijscokar. Die ijscokar heeft
geen oneindige levensduur, dus Jort houdt er rekening mee dat hij de ijscokar maar
een paar jaar kan gebruiken. Stel dat Jort de ijsverkoop maar een paar jaar,
bijvoorbeeld 2 jaar wil doen en daarna de ijscokar wil doorverkopen. Hij schat in
dat hij dan nog € 1.000 voor de kar kan krijgen. Hij moet dus in twee jaar tijd
€ 750 terugverdienen. Dat is € 375 per jaar.
Daarnaast moet Jort schatten hoeveel ijsjes hij denkt te verkopen. Stel dat hij bij
een aantal evenementen ijsjes kan verkopen en tijdens de zomer in de buurt van
het zwembad. Hij denkt in totaal 400 tot 500 uur met ijsverkoop bezig zal zijn. Met
een ander baantje kan hij € 4,50 per uur verdienen en omdat hij vindt dat hij als
ondernemer meer moet verdienen, rekent hij € 5 per uur als arbeidsloon. Hij schat
het op 450 x 5 = € 2.250 aan arbeidsloon per jaar.
Gemiddeld denkt Jort 10 ijsjes per uur te verkopen. Dat is in totaal 450 x 10 =
4 500 ijsjes per jaar.
Voor zijn kostprijsberekening per ijsjes gaat Jort uit van de kostprijs van twee
bolletjes in een hoorntje: € 0,53 per ijsje. Hij besluit om geen bakjes aan te bieden.
Als de ijscokar een brommer heeft, moet je met benzinekosten en onderhoud en
dergelijke rekening houden, maar in deze uitwerking nemen we aan dat het een
fietskar is. Jort verzekert de kar niet, omdat hij er tijdens werkuren de hele tijd bij
is, en de kar buiten werktijden in de garage van zijn ouders mag staan.
Het plaatje ziet er dan als volgt uit:
Omzet 4 500 ijsjes x verkoopprijs
Kostprijs 4 500 x 0,53 =
Brutowinst
Bedrijfskosten:
Waardedaling ijscokar
Arbeidsloon
Nettowinst
€ 2.385
€ 375
€ 2 250
Jort heeft geen nettowinst bij een verkoopprijs van (€ 2.385 + € 375 + € 2.250) :
4 500 = € 1,11 (afgerond) per ijsje. Dit bedrag is naar beneden afgerond, dus hij
moet ten minste € 1,12 per ijsje (bakje met twee bolletjes) vragen om 'quite' te
spelen. Hij heeft dan een arbeidsloon van € 5 per uur.
Jort moet ook zijn vader en zijn oom aflossen, dus een hogere prijs is beter. De
nettowinst gebruikt hij dan om de investering met geleend geld om te zetten naar
een investering met eigen geld. Zo wordt de ijscokar helemaal zijn eigendom en is
de opbrengst bij verkoop ook voor hem.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Jort denkt dat hij meer omzet als hij een lagere prijs vraagt dan de ijssalon en
vraagt daarom € 1,40 per ijsje. Het plaatje komt er dan als volgt uit te zien:
Het plaatje ziet er dan als volgt uit:
Omzet 4 500 ijsjes x € 1,40
Kostprijs 4 500 x 0,53 =
Brutowinst
Bedrijfskosten:
Waardedaling ijscokar
Arbeidsloon
Nettowinst
€ 6.300
€ 2.385
€ 3.915
€ 375
€ 2 250
€ 1.290
Jort kan dan na één jaar zijn oom én zijn vader terugbetalen.
Let op: In deze uitwerking zijn niet alle bedrijfskosten meegenomen. Zo is
bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de energiekosten van de accu waarmee
het ijs gekoeld wordt.
5
Gezien de prijs zal de vraag naar Jorts ijsjes kleiner zijn dan de vraag naar jouw
ijsjes. Je gaat er dan vanuit dat ijsjes een 'normaal' goed zijn en dat dus de vraag
hoger is, naarmate de prijs lager is.
Toch zal in de praktijk een prijsverschil van € 0,10 per ijsje geen grote rol spelen.
Het weer speelt een grote rol bij de verkoop van ijsjes, en zolang de prijs redelijk
is, zal een ijscokar bij warm weer ijsjes verkopen.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
3.1 De vraag
6
Stappenplan tekenen vraagcurve:
1
Teken een assenstelsel. Zet op de y-as de prijs en op de x-as de gevraagde
hoeveelheid.
2
Bereken de snijpunten met de assen door qv te berekenen voor p=0 en door p
te berekenen voor qv=0.
3
Teken deze punten in de grafiek.
4
Trek een rechte lijn tussen deze punten.
7
De betalingsbereidheid van Hans is ten minste € 45. Misschien was de bereidheid
wel hoger, maar bij deze veiling hoefde hij niet hoger in te zetten.
8a
b
Naarmate de prijs stijgt, daalt de vraag. Bij een prijs van € 20 is de vraag 0.
9
qv = -0,5p + 1 000  indien qv = 0, dan is 0,5p = 1 000, dus p = 2 000
indien p = 0 dan qv = 1 000
De maximale waarde van qv op de x-as is 1 000, je kunt hiervoor de schaal 1 cm
= 100 treinabonnementen gebruiken.
De maximale waarde van p op de y-as is 2 000, je kunt hiervoor de schaal 1 cm is
200 gebruiken.
Opmerking:
In de opgave staat niet of de gevraagde hoeveelheid in aantal treinabonnementen
is of in bijvoorbeeld 1 000 treinabonnementen. In het laatste geval is de maximale
gevraagde hoeveelheid 1 miljoen treinabonnementen.
In de opgave staat ook niet of de prijs in euro's of in eenheden van bijvoorbeeld 10
eurocent is. In het laatste geval is de maximale prijs voor een treinabonnement
€ 200.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
10 Uitwerking voor de andere vraagfactoren:
 De prijs van cd's stijgt. Dit is een verschuiving langs de vraagcurve.

De prijs van substitutie goederen, bijvoorbeeld mp3 downloads daalt, hierdoor
neemt de vraag naar cd's bij iedere prijs af. De vraagcurve verschuift naar links
(zie grafiek hierboven).
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking

De prijs van complementaire goederen, zoals een cd-speler, daalt, hierdoor
neemt de vraag naar cd's bij iedere prijs toe. De vraagcurve verschuift naar
rechts.

De vragers zijn overgestapt op mp3 en mp4 downloads. De vraag naar cd's
neemt bij iedere prijs af. De vraagcurve verschuift naar links (zie grafiek).

Het aantal vragers neemt af. De vraagcurve verschuift naar links (zie grafiek).
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
11
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Bijvoorbeeld thee en suiker of contactlenzen en bijbehorende vloeistoffen.
12a Door het gevoel dat illegaal downloaden van muziek legaal is, worden er minder
muziek-cd’s verkocht.
b
De vraag naar cd's neemt bij iedere prijs af:
13
Verandering in de vraag = 10 : 44 × 100% = 22,7%. Sefanja geeft € 54 aan
kleding uit, € 10 meer dan het afgelopen jaar.
Verandering in inkomen = (223 – 178) : 178 × 100% = 25,3%
Inkomenselasticiteit van de vraag = 22,7% : 25,3% = 0,9
14
Daalt met 11%. Alleen in dit geval is de prijselasticiteit kleiner dan nul:
-11 : 17 = -0,6
14 : 17 = 0,8 (= normaal goed)
19 : 17 = 1,1 (= luxe goed)
15a 15 : – 20 = – 0,75; De prijselasticiteit is tussen de – 1 en 0: de vraag naar Lego is
prijsinelastisch. Je kon dat ook zien aan het feit dat de afzet in procenten minder
steeg, dan de prijs in procenten daalde.
b De omzet van de winkelier is gedaald, aangezien de korting in procenten groter is
dan de stijging van de afzet in procenten.
16
stijgt
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
17a
b
Hoofdstuk 3 Marktwerking
daalt
daalt
stijgt
Verandering in de vraag
= (232 − 71) : 71 × 100
= –226,8%
Verandering in de prijs
= (10 – 12,50) : 12,50× 100
= 20%
Prijselasticiteit van de vraag = – 226,8 : – 20 = – 11,3 (prijselastisch)
c Bij een dalende prijs en een prijselastische vraag stijgt de omzet. Je kunt dit zien
aan de percentages hierboven: de prijs daalt in procenten minder dan de afzet in
procenten stijgt. De omzet moet dus wel stijgen.
Berekening:
in de oude situatie was de omzet
71 × € 12,50 = € 887,50.
in de nieuwe situatie is de omzet
232 × € 10 = € 2.320.
d In de tekst staat dat over het algemeen de vraag naar normale goederen
inelastischer is dan de vraag naar luxe goederen. De vraag naar cd's in dit
voorbeeld zijn erg elastisch. Dat wijst er op dat bespeelde cd’s luxe goederen zijn.
e (b)Verandering in de vraag = (321 − 232) : 232 × 100
= 38,4%
Verandering in de prijs
= (7,5 – 10) : 10 × 100
= – 25%
Prijselasticiteit van de vraag = 38,4 : – 25 = – 1,5
f
(c) De prijs daalt in procenten minder dan dat de afzet stijgt. De omzet stijgt dus.
Berekening:
in de oude situatie is de omzet
232 × € 10 = € 2.320.
in de nieuwe situatie wordt de omzet
321 × € 7,50 = € 2.407,50.
(d) Het betreft hier luxe goederen, aangezien de vraag prijselastisch is: de afzet
stijgt meer dan de prijs daalt.
Met segmentelasticiteit wordt bedoeld dat de prijselasticiteit bij iedere
prijsverandering een andere waarde heeft.
18a Om de inkomenselasticiteit te berekenen heb je de percentuele verandering van het
inkomen en de vraag nodig. De percentuele verandering van het inkomen is
gegeven (+ 20%). Voor de percentuele verandering van de vraag, moet je eerst de
vraag bij een prijs van € 12,50 berekenen aan de hand van de vraagfuncties voor
en na de inkomensverandering:
Voor: qv = -28p + 480 = -28 × 12,50 + 480 = 130
Na: qv = -22p + 500 = -22 × 12,50 + 500 = 225
De percentuele verandering van de vraag is: (225 – 130) : 130 x 100% = 73,1%
De inkomenselasticiteit is 73,1% : 20% = 3,7
b Bespeelde cd’s zijn luxe goederen, aangezien ze meer gekocht worden naarmate
het inkomen stijgt.
c De vraagcurve verschuift dan naar rechts.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
3.2
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Het aanbod
19a De totale kosten zijn opgebouwd uit een variabel deel, € 164q (miljoen) en uit een
vast deel, € 500 (miljoen). De variabele kosten per smartphone bedragen € 164.
b Variabele kosten, aangezien de totale variabele kosten van geheugenkaarten en
touchscreens afhankelijk zijn van de omvang van de productie, iedere smartphone
heeft immers een geheugenkaart en een touchscreen
20a
b
De TO-functie luidt TO = p x q, oftwel: TO = 300q
21
q
TVK
0
25
50
100
0
11,25
22,50
45
TCK
× 1 000
50
50
50
50
TK
TO
GVK
50
61,25
72,50
95
--50
100
200
--0,45
0,45
0,45
GCK
--2
1
0,50
GTK
GO
--2,45
1,45
0,95
--2
2
2
22
De totale constante (of vaste) kosten zijn niet afhankelijk van de productieomvang.
Als de productieomvang stijgt, dalen de constante kosten per product, de
gemiddelde constante kosten (GCK).
De totale variabele kosten zijn afhankelijk van de productieomvang, als de
productieomvang stijgt, nemen de totale variabele kosten toe, maar de variabele
kosten per product, de gemiddelde variabele kosten (GVK) blijven gelijk.
23
GVK = TVK : q = $ 117.000.000 : 5.200.000 = € 22,50
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
24
q
0
2
4
6
TVK
TCK
TK
× 1 000 000
0
420
50
328
420
748
656
420
1076
984
420
1404
TO
GVK
GCK
GTK
GO
--600
1200
1800
--164
164
164
--210
105
52,5
--374
269
216,5
--300
300
300
Je vult in de tabel eerst de bekende gegevens in:
 TCK is 420 miljoen, dit lees je af uit de TK-functie en dit geldt bij iedere
productieomvang. Nu kun je de GCK uitrekenen met TCK : q.
 GVK is 164, dit lees je af uit de TK-functie en dit geldt bij iedere productie
omvang. Nu kun je de TVK uitrekenen met GVK x q.
 De GO is 300, dit lees je af uit de TO-functie, dit geldt bij iedere afzet. De TO
reken je uit met GO x q.
 De TK zijn gelijk aan TVK + TCK.
 De GTK zijn gelijk aan GVK + GCK of aan TK :q.
25 In de grafiek zie je dat Pear bij een productieomvang van 5,2 miljoen smartphones
winst maakt. Immers, de GO-lijn ligt boven de GTK-curve. Het verschil is de
gemiddelde winst per product bij deze productieomvang.
26
het
het
De winst maakt deel uit van het inkomen van de ondernemer
Door een deel van de winst te reserveren en in het bedrijf te investeren, blijft
bedrijf voortbestaan.
Door een deel van de winst in het bedrijf te investeren, stijgt de waarde van
bedrijf.
27
Het break-evenpoint is het punt waarin de ondernemer winst noch verlies maakt. In
de grafiek kun je aflezen dat dit is bij een productieomvang van 4 000 t-shirts:
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
TO en TK-functies van t-shirts
70000
opbrengst en kosten
60000
50000
40000
30000
20000
10000
0
0
1.000
2.000
3.000
4.000
5.000
6.000
productie
TK=9q + 12.000
TO=12q
28a p x 4.000 = 42 x 4.000 + 84.000 => p x 4.000 = 252.000 => p = 63
De break even prijs is € 63.
b 70 x q = 42 x q + 84.000 ==> 28 x q = 84.000 ==> q = 3.000
De break even afzet is 3.000 stuks.
29
Gemiddelde variabele kosten = marginale kosten.
Marginale kosten
SW= 2,80
NE = 2,40
EW = 3,20
30a
$ 16
SW
NE
EW
Bezette zitplaatsen
0,5 x 110 = 55
0,5 x 120 = 60
0,5 x 100 = 50
Omzet
55 × $ 16 = $ 880
60 × $ 16 = $ 960
50 × $ 16 = $ 800
Totale kosten
$ 2,80 × 55 + $ 668 = $ 822
$ 2,40 × 60 + $ 704 = $ 848
$ 3,20 × 50 + $ 672 = $ 832
Resultaat
$ 880 – $ 822 = $ 58
$ 960 – $ 848 = $ 112
$ 800 – $ 832 = – $ 32
$ 20
SW
NE
EW
Bezette zitplaatsen
0,5 x 110 = 55
0,5 x 120 = 60
0,5 x 100 = 50
Omzet
55 × $ 20 = $ 1.100
60 × $ 20 = $ 1.200
50 × $ 20 = $ 1.000
Totale kosten
$ 2,80 × 55 + $ 668 = $ 822
$ 2,40 × 60 + $ 704 = $ 848
$ 3,20 × 50 + $ 672 = $ 832
Resultaat
$ 1.100 – $ 822 = $ 278
$ 1.200 – $ 848 = $ 352
$ 1.000 – $ 832 = $ 168
$ 22
SW
NE
EW
Bezette zitplaatsen
0,5 x 110 = 55
0,5 x 120 = 60
0,5 x 100 = 50
Omzet
55 × $ 22 = $ 1.210
60 × $ 22 = $ 1.320
50 × $ 22 = $ 1.100
Totale kosten
$ 2,80 × 55 + $ 668 = $ 822
$ 2,40 × 60 + $ 704 = $ 848
$ 3,20 × 50 + $ 672 = $ 832
Resultaat
$ 1.210 – $ 822 = $ 388
$ 1.320 – $ 848 = $ 472
$ 1.100 – $ 832 = $ 268
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
b
c
d
31a
b
c
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Eastwest maakt bij een prijs van $ 16 een verlies van $ 32.
Als deze maatschappij geen tickets zou verkopen zou het verlies
(0 × 16) – (3,20 × 0 + 672) = − $ 672 zijn.
De dekkingsbijdrage is $ 16 − $ 3,20 = $ 12,80 per zitplaats. Met een bezetting
van 50% dekt Eastwest hiermee $ 12,80 × 50 = $ 640 van de vaste kosten.
Daarom blijft het verlies beperkt tot $ 672 − $ 640 = $ 32.
Het risico op lange termijn voor deze luchtvaartmaatschappij is dat zij failliet gaat,
omdat hij de vaste kosten niet helemaal kan betalen.
De variabele kosten bedragen voor Northeast zijn $ 2,40 per zitplaats. Wanneer het
op het aanbod van de examenklas ingaat, levert iedere leerling een
dekkingsbijdrage van $ 7,60 op. Bij een bezetting van 50% is dit interessant voor
Northeast.
TO = 2,30q, TK = 2q + 1.500
Vanaf een productieomvang van 5 000 maakt de producent winst, als de prijs
€ 2,30 is.
p × 3 000 = € 2 × 3 000 + € 1.500 => p x 3 000 = € 7.500 => p = € 2,50. De
break-even prijs is € 2,50.
De verkoopprijs ligt boven de variabele kosten, hierdoor kan de producent nog
een
gedeelte
van zijn
vaste
kosten
dekken.
32 a/b/c GTK = TK/q = 2 + € 3.200.000/q, GO = TO/q = p = € 10. De productieomvang
van 475 000 scharen wordt in onderstaande grafiek weergeven met de verticale
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
lijn. Je ziet dat bij deze productieomvang de GO hoger is dan de GTK, de
scharenproducent maakt winst:
d
In de grafiek kun je aflezen dat bij een productieomvang van 400 000 scharen GO
en GTK gelijk zijn. Controle: 10q = 2q + 3.200.000 => 8q = 3.200.000 => q =
400 000 scharen.
e De marginale kosten zijn gelijk aan de variabele kosten: € 2
f Economische gezien niet doen: de marginale opbrengst is lager dan de marginale
kosten.
Economisch gezien wel doen: Het verschil tussen marginale kosten (€ 2 x 2 000) en
marginale opbrengst (€ 1 x 2 000) is € 2.000. Wanneer de naam van de producent
opgenomen kan worden in de campagne als sponsor, is dit een goedkope vorm van
reclame.
Niet-economische reden om de scharen wel voor € 1 te leveren is het helpen van
mensen in nood zonder hiervoor iets te vragen.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
3.3
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Vraag en aanbod op de markt
33 qa = 137,5p – 270
Bepaal het snijpunt met de y-as: qa = 0 => 137,5 p = 270 => p = 1,96.
Bepaal nog een punt, bijvoorbeeld als p = 4: qa = 137,5 x 4 – 270 = 280.
Teken door deze twee punten een rechte lijn.
aanbodcurve
Prijs (in euro's)
10
8
6
4
2
0
0
200
400
600
800
1000
1200
aangeboden hoeveelheid
34
De lonen stijgen. Hierdoor stijgen de kosten, waardoor de producenten minder
winst maken. Bij iedere prijs neemt het aanbod af, de aanbodcurve schuift naar
links.
De energiekosten stijgen. Hierdoor stijgen de kosten, waardoor de producenten
minder winst maken. Bij iedere prijs neemt het aanbod af, de aanbodcurve schuift
naar links.
De arbeidsproductiviteit neemt toe. Daardoor dalen de kosten per product,
waardoor de producenten meer winst maken. Bij iedere prijs neemt het aanbod toe,
de aanbodcurve schuift naar rechts.
35a/b Om de vraagcurve te tekenen bepaal je eerst de snijpunten met de assen:
qv = – 0,05p + 15
Snijpunt x-as, p = 0 => qv = 15 miljard kubieke meter gas.
Snijpunt y-as, qv = 0 => 0,05 p = 15 => p = 300 eurocent per kubieke meter gas.
Om de aanbodcurve qa = 0,08p + 6,5q te tekenen, bepaal je eerst het snijpunt met
de y-as: qa = 0 => – 0,08p = 6,5. Je ziet dat dit een negatieve uitkomst geeft.
Deze aanbodcurve snijdt de x-as en niet de y-as in het eerste kwadrant. Daarom
bepaald je het snijpunt met de x-as: p = 0 => qa = 6,5 miljard kubieke meter.
Tot slot bepaal je het evenwichtspunt: qa = qv => 0,08p + 6,5 = – 0,05p + 15 =>
0,13p = 8,5 => p = 65,4 eurocent per kubieke meter gas.
Controle: qa = 0,08 x 65,4 + 6,5 = 11,73 miljard kubieke meter gas
qv = – 0,05 x 65,4 + 15 = 11,73 miljard kubieke meter gas.
Teken all punten in een assenstelsel, schaal x-as 1 cm = 1 miljard kubieke meter
gas (lengte 15 cm) en schaal y-as 1 cm = 20 eurocent (lengte 15 cm). Teken de
vraag- en aanbodcurve.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Je krijgt dan de volgende grafiek:
c Evenwichtsprijs bepalen:
0,08p + 6,5 miljard = -0,05p + 15 miljard =>
0,13p = 8,5 miljard => p = 65,4 eurocent
Evenwichtshoeveelheid bepalen:
-0,05 × 65 + 15 = 11,73 miljard m3.
0,08 × 65 + 6,5 = 11,73 miljard m3.
36a Er is sprake van een aanbodoverschot:
qv = −0,05 × 100 + 15 = 10 miljard kubieke meter.
qa = 0,08 × 100 + 6,5 = 14,5 miljard kubieke meter.
Het overschot is 4,5 miljard kubieke meter.
b Bij een prijs van 100 eurocent is er een aanbodoverschot. Dat betekent dat
producenten met voorraden blijven zitten of overcapaciteit hebben. Daarom
verlagen ze hun prijzen. Dit proces gaat net zo lang door tot de markt een
evenwicht bereikt.
c Bij een prijs van 40 eurocent is de vraag hoger dan het aanbod. Producenten
moeten ‘nee’ verkopen en zien hierin hun kans: ze verhogen de prijs.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
37a
b Er is sprake van een vraagoverschot, omdat de prijs onder de evenwichtsprijs ligt.
Hierdoor is de vraag groter dan het aanbod.
38
Om deze vraag te beantwoorden moet je de eigenschappen van een markt van
volkomen concurrentie afgaan:

De aanbieders verkopen allemaal hetzelfde product: Ja, er is geen verschil
tussen aardgas van de ene of de andere aanbieder.

Er zijn veel vragers en aanbieders: Nee, er zijn wel veel vragers, maar er zijn
maar een beperkt aantal aanbieders van gas.

Iedereen kan toetreden tot de markt als hij dat wil en uittreden uit de markt als
hij dat wil: Het antwoord op dit onderdeel hangt af van jouw definitie van een
aanbieder:
o
Is dit degene die het gas uit de grond haalt? Deze aanbieders zijn
afhankelijk van natuurlijke hulpbronnen. Je kunt niet toetreden als je niet
over gasbellen beschikt.
o
Is dit degene die het gas naar huishoudens transporteert? Deze
aanbieders moeten grote investeringen doen in de aanleg van een
gasleidingennetwerk. Daarom kun je niet makkelijk toe- of uittreden.
o
Is dit degene die het gas aan jou verkoopt? Deze aanbieders handelen in
gas, maar halen het niet zelf uit de grond en transporteren het ook niet.
Iedereen die in staat is om aardgasbellen, transport en afnemers bij
elkaar te brengen, kan tot deze markt toetreden.

Alle marktdeelnemers hebben dezelfde informatie over de betalingsbereidheid
en de aangeboden en gevraagde hoeveelheden bij verschillende prijzen: Ja, de
aardgasmarkt is één van de wereldgrondstoffenmarkten waarvoor dagelijks
prijzen worden vastgesteld. Bovendien hebben aanbieders inzicht in het
(geschat) gebruik van afnemers van aardgas. Voor jou als vrager is het
lastiger, omdat de prijs die jij betaalt is opgebouwd uit verschillende
componenten, zoals een milieubelasting. Maar er zijn internetsites die jou
helpen om de aanbieder met de laagste aardgasprijs te vinden.
De aardgasmarkt heeft een aantal kenmerken van een markt van volkomen
concurrentie.
39a qa = qv =>120p – 120 = -30p +1530 => 150p = 1650 => p = € 11.
Evenwichtshoeveelheid:
qa = 120p – 120, p=11 => 120 × 11 − 120 = 1 200 (1 200 000 agenda’s)
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
qv = -30p +1 530, p=11 => -30 × 11 + 1530 => -330 + 1530 = 1 200 (1 200 000
agenda’s)
b Nee, de verschillende aanbieders richten zich op verschillende doelgroepen.
40a Om de vraagcurve te tekenen bepaal je de snijpunten met beide assen:
Snijpunt x-as, p = 0, qv = 36 miljoen bioscoopkaartjes.
Snijpunt y-as, qv = 0, 30p = 1 530 => p = 51 euro.
Om de aanbodcurve te tekenen bepaal je het snijpunt met de y-as:
Snijpunt y-as, qa = 0, – 120 p = 120 => p = 1 euro.
En het evenwichtspunt:
qa = qv => 0,9p + 18 = – 1,8p + 36 => 2,7p = 18 => p = 6,67 euro
qa = 0,9 x 6,67 + 18 = 24 miljoen bioscoopkaartjes
qv = – 1,8 x 6,67 + 36 = 24 miljoen bioscoopkaartjes (afgerond)
b De marktomzet is 24 miljoen bioscoopkaartjes x € 6,67 = € 160.080.000.
c Om deze vraag te beantwoorden moet je de eigenschappen van een markt van
volkomen concurrentie afgaan:
 De aanbieders verkopen allemaal hetzelfde product: Nee, bioscopen hebben niet
precies hetzelfde filmaanbod en er zijn verschillen in bioscopen ten aanzien van de
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek



Hoofdstuk 3 Marktwerking
inrichting, de omvang van de zalen, de horecavoorzieningen, de kwaliteit van de
bioscoopstoelen en dergelijke.
Er zijn veel vragers en aanbieders: Nee, er zijn wel veel vragers, maar er zijn
maar een beperkt aantal aanbieders van bioscoopfilms. In grote steden heb je
vaak meerdere aanbieders, maar in kleinere steden blijft het vaak beperkt tot één
of geen aanbieder.
Iedereen kan toetreden tot de markt als hij dat wil en uittreden uit de markt als
hij dat wil: Nee, het is niet mogelijk om een bioscoop te beginnen. De films
worden aangeboden aan groepen bioscopen. Bovendien vraag een bioscoop
investeringen in een gebouw en apparatuur om films te vertonen.
Alle marktdeelnemers hebben dezelfde informatie over de betalingsbereidheid en
de aangeboden en gevraagde hoeveelheden bij verschillende prijzen: Ja, je kunt
als consument de prijzen van een bioscoopkaartje via het internet vergelijken. Als
je voor een andere bioscoop naar een (andere) stad moet, zul je ook rekening
houden met de reiskosten die je moet maken om de prijzen goed te kunnen
vergelijken. In hoeverre aanbieders inzicht hebben in de betalingsbereidheid is
hier niet te zeggen. Het is mogelijk dat ze hier marktonderzoek naar gedaan
hebben of doen.
Alles bij elkaar genomen is de conclusie dat de bioscoopmarkt in een woonplaats
niet voldoet aan de kenmerken van een markt met volkomen concurrentie.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
3.4 Als de markt perfect werkt
41a/b
In de rechtergrafiek is het consumentensurplus oranje weergegeven.
Bij een prijs van € 125 per ticket nemen de gele en de rode groep geen tickets af.
De groene en de blauwe groep nemen tickets af. De groene groep is bereidt € 150
per ticket te betalen en heeft een surplus van € 25 per ticket. De blauwe groep is
bereidt € 200 per ticket te betalen en heeft een surplus van € 75 per ticket. Het
totale surplus is 40 scholieren x € 25 + 20 scholieren x € 75 = € 2.500.
42a/b Bij een prijs van € 425 bieden Evert, Koen en Maartje niet aan. Ewout heeft € 400
aan kosten en dus een surplus van € 25.
43a Bereken eerst de snijpunten met de assen en het evenwichtspunt om de grafiek te
tekenen. Teken vervolgens door deze punten de vraag- en aanbodlijn.
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
b
c Met consumentensurplus bedoel je het verschil tussen de betalingsbereidheid van
de vragers die een betalingsbereidheid hebben die groter is dan de evenwichtsprijs,
en de evenwichtsprijs.
44
45
€ 406 miljoen
--------------- × 100% = 14,5%
€ 2,8 miljard
14,0% = 763 000 kijkers => 100% = 763 000/14,0 × 100 = 5 450 000 kijkers
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
46a qa = qv => 17,4p – 4 000 = -15,2p + 33 500 => 32,6p = 37.500 p = € 1.150,31
=> € 1.150
Controle:
qa = 17,4 x 1.150,31 – 4 000 = 16 015 (afgerond)
qv = - 15,2 x 1.150,31 + 33 500 = 16 015 (afgerond)
b
c
Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
d
e
De evenwichtshoeveelheid:
-15,2 ×1 150,31 + 33 500 = 16 015 flatscreens of
17,4 ×1 150,31  4 000 = 16 015 flatscreens
Het marktaandeel van Sony is 16 015 × 0,19 = 3 043 flatscreens
f
Nee. Het producentensurplus geeft aan hoeveel de evenwichtsprijs boven de GTK
ligt van de producenten die bij de evenwichtsprijs aanbieden. Het is de totale winst
voor alle producenten die bij de evenwichtsprijs aanbieden. Hoe deze winst
verdeeld wordt is niet afhankelijk van het aandeel in de afzet van een aanbieder.
Het is afhankelijk van de kostenstructuur van de aanbieders. Als het aandeel van
Philips in de kosten van alle aanbieders samen, hoger is dan 14,6%, is zijn aandeel
in het producentensurplus lager dan 14,6%.
Om deze vraag te beantwoorden moet je de eigenschappen van een markt van
volkomen concurrentie afgaan:
De aanbieders verkopen allemaal hetzelfde product: Nee, er zijn verschillende
flatscreens op de markt met verschillen in het uiterlijk, de afmetingen en de
technische specificaties.
Er zijn veel vragers en aanbieders: Nee, er zijn wel veel vragers, maar er zijn vier
grote aanbieders die samen ruim 50% van de markt in handen hebben.
Iedereen kan toetreden tot de markt als hij dat wil en uittreden uit de markt als
hij dat wil: Nee, om flatscreens te produceren heb je technische know how nodig
en moet je grote investeringen doen in kapitaalgoederen. Dat bemoeilijkt het toeen uittreden.
Alle marktdeelnemers hebben dezelfde informatie over de betalingsbereidheid en
de aangeboden en gevraagde hoeveelheden bij verschillende prijzen: Nee, je hebt
als vrager wel informatie over het aanbod bij verschillende prijzen, maar het is
moeilijk om de flatscreens te vergelijken met elkaar, omdat de prestaties van de
flatscreens niet hetzelfde zijn. Aanbieders kunnen marktonderzoek doen naar de
betalingsbereidheid, maar daarover beschikt alleen de aanbieder die het
onderzoek heeft gedaan. De andere aanbieders beschikken niet over deze
informatie. Daarom beschikken aanbieders niet over dezelfde informatie over
aangeboden en gevraagde hoeveelheden bij verschillende prijzen.
Het model dat je in de opgave hebt gebruikt is een vereenvoudigde weergave van
de werkelijkheid. Je ziet dat in werkelijkheid de markt voor flatscreens geen markt
van volkomen concurrentie is.
g




Pincode Tweede Fase havo
Antwoorden theorieboek
Hoofdstuk 3 Marktwerking
Download