christus op aarde

advertisement
CHRISTUS OP AARDE
Hoofdstuk 1: De bronnen voor de beschrijving van Jezus’ levensgeschiedenis
1.1.1
Niet omstrden dat er ooit een man met de naam Jezus geleefd heeft. Aanvankelijk hadden
christenen het - op details na - wel ongeveer hetzelfde beeld van Zijn levensgang op aarde.
Schets v verschillende opvattingen over Jezus in “moderne theologie”. Zijn de historische bronnen
dan zo onduidelijk dat zij ruimte laten voor deze grote diversiteit?
1.1.2 Distantie vd evangeliën
Tegenwoordig: afstand nemen om de eigenlijke Jezus te ontdekken. Begon oa bij Reimarus: beeld v
een bijna Zelotische Jezus, dat later nog herhaaldelijk zal terugkeren.  hist-kritische benadering.
Later: literaire kritiek ( synoptici gaan terug op 1 bron en verwerken die; laag eronder
ontdekken). Volgt schets van bronnentheorie.
Roept op om terug te gaan naar de bronnen en failliet te aanvaarden van het onderzoek naar de
echte Jezus.
1.2 Bronnen buiten de Bijbel
Weinig buitenbijbelse gegevens. Disproportie. Evangeliën kunnen daarom vertekenen (daar worden
ze in ieder geval van beschuldigd: ze retoucheren het beeld v Jezus als magiër en vullen het aan).
1.2.1 Heidense auteurs
Keizerlijke archieven met bijv. rapporten v Pilatus zijn verloren gegaan. We missen documentatie
uit de 1e eeuw. Plinius de Oudere had meer oog voor aardrijkskundige en natuurkundige dan
geschiedkundige aspecten.
2e eeuw: Suetonius en Tacitus (slechts: “onder Tiberis rust!” – dus itt Reimarus: Jezus niet op de
rand vh Zelotisme) beschrijven Romeinse geschiedenis.
Gallio (broer v Seneca), proconsul van Achaja, krijgt met Paulus van doen. Maar hij interesseert
zich er niet voor, omdat het de orde in het Rom. rijk niet bedreigt: laten ze het zelf maar uitzoeken.
Citaat bij Tacitus nav brand Rome, waarin hij en passant beschrijft dat “hun naamgever Christus
onder keizer Tiberius door de stadhouder Pontius Pilatus ter dood was gebracht”. Uit het citaat
blijkt ook (zie blz 26).
1.2.2 Joodse bronnen
Josefus: een keer noemt hij Jezus in het voorbijgaan, nl. wanneer hij vertelt over de steniging van
Jakobus: hij was “de broer van Jezus die Christus wordt genoemd”.
Bespreking Testimonium Flavianum  geen reden om er een toevoeging v Christenen in te zijn en
juist weglatingen. Ook niet een heel licht christelijk sausje. vB exegetiseert test flav. zdd het een
“normale” verklaring krijgt en past binnen het geheel v de tekst. “De Christus” is geen geloofsuiting
v Josefus, maar vergelijkbaar met ons gebruik van de naam “Boeddha”.
Rabbijnse geschriften: heel weinig. Lijkt beeld te bevestigen dat Jezus buitenechtelijk kind was van
een Romeinse soldaat (Panthera – lijkt veel op parthenos=maagd!). Ook uit evangelien blijkt hoe
men Jezus zag. Dus geen tegenstrijdigheden op dit punt, maar je moet partij kiezen.
1.2.3 Christelijke overlevering
Vier Evangeliën: logisch dat historische gegevens te vinden zijn in de chr. gemeenschap. Maar 4
evangelien wel als 4 hoge bergen in een eenzaam laagland. Zijn andere overleveringen onderdrukt?
Er moet meer zijn geweest. Er was langdurige navraag, bijv. Papias. Bovendien blijkens Lucas
verschillende pogingen geweest om een ev te schrijven.
1.2.3.2 Traditiegegevens
Soms citaten bij kerkelijke schrijvers die we niet uit de Bijbel kennen. Idem met
papyrusfragementen. Schaarste is niet vreemd, want:
- generatie v oor- en ooggetuigen op een gegeven moment gestorven en de vervolging vd
gemeente te Jeruzalem heeft hun aantal vrij snel doen afnemen.
- er moet niet alleen schriftelijke overlevering zijn, maar deze moet ook uitgegeven en
geconserveerd worden. Vgl. Teofilus: hij was op de hoogte, maar daarvan weten wij alleen
wat Lucas voor hem op papier heeft gezet.
- spoedig slijtage in mondelinge traditie (vgl correctie van Joh: “Jezus heeft niet gezegd, maar
...”)
- vanwege slijtage staat men kritisch to wat niet is gefixeerd in de oudste en op de apostelen
of hun leerl teruggaande bronnen.
- in 2e en 3e eeuw wordt deze kritische houding gestimuleerd door opkomen legendeorming
en ketterse evangeliën.
Het weinige dat er te vinden is zijn zgn agrafa – de niet (in de evangelien) geschreven woorden van
Jezus. Probleem is dat deze altijd zonder context overgeleverd zijn en dus lastig te exegetiseren.
Een uitzondering: papyrusfragement. (blz 39/40)
Op grond van dit papyrusfragment en andere fragmenten, wel verondersteld dat er meer Griekse
evangelien bestaan hebben. Maar kerkelijke schrijver geven hierover geen informatie, terwijl ze dat
wel doen mbt apocriefe ev. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de gevonden fragmenten tot
dergelijke apocriefe documenten behoren.
Maar proloog Lucas dan?  niet schriftelijk. Daarin voorziet Lucas.
1.2.3.4 Het ev naar de Hebreeën
Conclusie (pag 44, lees event nogmaals 41-44):
- er was bij de Nazareners te Berea nog een ev naar Mattheus in de oospr taal aanwezig.
- ev naar de Hebreeen is een Ebionitische bewerking hiervan. Door de meeste Nazareners (de
grieks-sprekenden) werd deze beschouwd als de oorspronkelijke Matteus.
- sommige dingen hierin wellicht betrouwbaar, maar verdacht zodra ze verband houden met
de afwijkende opvattingen vd Ebonieten (HG als moeder v Chr(?), Jozef en maria kind v
Jozef en Maria)
- er zijn geen sporen van andere of oudere Joodschristelijke evangeliën.
1.3.1 Geschiedenis van Jezus en de kerkelijke traditie
Buiten evangelieen weinig bronnen mbt Jezus’ leven op aarde. In de evangelien des te meer.
Kerk heeft gedurende de eeuwen vertrouwd op de juistheid van de verslagen vd evangelien, maar in
de laaste eeuw juist categorische twijfel op dit punt: men ziet de evangelien als geredigeerde en
theologisch georienteerde neersalg van het geloof in de oudste chr gemeenten en van de
uiteenlopende legendevorming rond de persoon van Jezus. Deze kritische houding is een
samengesteld verschijnsel. vB noemt een aantal punten
 De visie op de ev wordt mede bepaald door de wil of onwil om het daarin beschrevene te
aanvaarden als de inhoud van het geloof. Wie zich daaraan wil onttrekken zal gauw geneigd
zijn de ev in een kwaad daglicht te stellen. Uiteraard is argument en contra-argument van
belang, maar de praktijk bewijst dat iemands keuze op dit punt door meer dan argumenten
wordt bepaald.
 Zgn. Literaire kritiek: ev ontmanteld en teruggegaan op meer primaire bronnen daarachter.
vB: als aanname al klopt, dan zegt dit op zich niets over betrouwbaarheid: want ook langs
die weg kan een betrouwbaar verslag tot stand komen. Bij de exegese is dit eventueel wel
van belang (niet zozeer voor de levensbeschrijving vlgs vB) vanwege de vraag hoe een boek
gelezen wil worden: integere textproduktie of een compositie met meerdere lagen, waarbij
het erom gaat hoe een ouder gegeven van nieuw commentaar wordt voorzien.
(dit punt zou moeilijker zijn geweest als de zgn tweebronnentheorie overtuigend bewezen zou zijn. Dit is
echter niet het geval)

De historische kritiek (vaak vermengd met literaire kritiek) neemt aan dat de vier
evangelisten de hekkesluiters zijn geweest van de kerkelijke legendevorming rond Jezus. De
ev weerspiegelen dan de traditie van de gemeente. Maar zo’n gemeentetraditie is ons
onbekend, we treffen juist van begin af aan gemeenten aan die de ev als gedenkschriften van
de apost in ere houden en schrijvers die er met eerbied uit citeren. Het is merkwaardig dat
men de niet bekende gemeentetraditie (die dus in door moderne critici bedoelde zin volgens
vB niet bestaan heeft) hoog waardeert, terwijl de bekende traditie met minachting wordt
behandeld. vB: “want men vandaag immers als traditie aanneemt is vaak het spiegelbeeld
van de moderne theologie.”
Daarom moeten we – per evangelist - nagaan wat de waarde is van de in de handschriften tot
uitdrukking gebrachte traditie over de autuers
1.3.2 Matteus
Unanieme traditie 1e eeuwen: apostel M schrijver eerste evangelie. Via een citaat bij Eusebius blijkt
deze traditie te herleiden tot een schrijver in het begin van de tweede eeuw, een zekere Papias van
Hierapolis (begin 2e eeuw), die nog persoonlijk contact heeft gehad met leerlingen vd apostelen en
mogelijk met Johannes. Hij deed navraag naar wat de apostelen en de Heer zelf hadden gezegd. Hij
vermeldt dat Matteus in het Hebreeuws een stileerd verslag maakte van de verhalen. (itt Markus die
sterk reproduktief was tov prediking v Petrus)
NB. Papias’ werk over de evangelien is verloren gegaan, citaten via Eusebius
-
Papias gaat gewoonweg uit van dit feit (alsof het algemeen bekend was)
Matteus geen bekende in Griekse wereld (M richtte zich op het Oosten voor zover bekend):
geen reden om hem tot auteur te bombarderen van iets waarvan hij de auteur niet was.
- Goed grieks laat alleen maar zien dat er een goed vertaler aan het werk is geweest ! Zou
minder gauw vertaald zijn als er meer evangelien in omloop zouden zijn geweest.
Dit evangelie richt zich zeker ook tot mensen die bekend zijn met het Joodse leven. Velen nemen
aan dat het geschreven is voor de christenen uit de Joden. Ook dan is een griekse vertaling niet
vreemd.
Noot: in 20e eeuw was men geneigd traditie v Hebreeuws origineel af te wijzen, waarbij men veel werk besteedde aan
de ontzenuwing van Papias. Maar er is nog een afzonderlijke bron voor een Hebreeuwse versie: Hieronymus vertelt dat
de bieb van Cæsarea er eentje had en zelf had hij een exemplaar aangetroffen (en overgeschreven) bij de Nazereners in
Berea. Pantaenus vermeldt dat hij een exemplaar vond bij christenen in India, achtergelaten door Barthelomeus.
Datering
Papias ging eenvoudigweg uit van M als auteur  men was in de tijd voor P al algemeen van
overtuiging dat M dit evangelie schreef  brengt ouderdom tot 2e helft 1e eeuw.
Vanwege de snelle vertaling in het Grieks kan worden aangenomen dat het een van de eerste
evangelien is geweest.
1.3.3 Marcus
Marcus, neef van Barnabas = degene die niet met Paulus meewilde en die Paulus later niet meer
mee wilde hebben (Hand. 13:13 en 15:37-38). Onwaarschijnlijke auteur, ook al omdat hij niet wordt
gerekend tot de leerlingen van Jezus. vB: “de onwaarschijnlijkheid van de naam pleit voor de
echtheid van de traditie”.
Traditie vermeldt Marcus ook onbetwistbaar als auteur. Citaat v dezelfde Papias waarin een zekere
“oudste” Johannes (zoniet de apostel, dan toch zeker een vd leerlingen van Jezus) zegt dat Marcus
alles optekende uit de mond van Petrus – niet meer en niet minder. Daarom dus ook niet gestileerd
etc.
Noot: Petrus noemt Marcus zijn zoon (1 Pet 5:13)
Datering
Wordt niet door vB in deze paragraaf genoemd.
1.3.4 Lucas
Unanieme traditie mbt Lucas’ auteurschap, maar niet zo oud als bij Matteus en Marcus: voor het
eerst bij Ireneaus (2e helft vd 2e eeuw) vinden we Lucas genoemd – op een manier die duidelijk
maakt dat dit algemeen aanvaard was.
Lucas was in het gevolg van Paulus en had via hem onmiddellijk toegang tot oor- en ooggetuigen
(waarvan Paulus ook gebruik maakt “Want zelf heb ik bij overlevering ontvangen ...”; Pls ook via
Petrus/Kefas)
Noot: niet uitgesloten dat L nog veel dichter bij de feiten heeft gestaan en juist daarom een waardevolle reisgenoot en
informant voor Paulus kon zijn. vB bespreekt dit in par. 1.3.6
Over L is weinig bekend. Niemand had er belang bij hem naar voren te schuiven als auteur. vB: de
traditie lijkt hier authentiek.
Noot: vB lijkt als principe te hanteren dat “waar niemand belang bij heeft”, maar toch zo overgeleverd is,
waarschijnlijk authentiek is.
Datering
Traditie is minder oud: voor het eerste bij Irenaeus (2e helft 2e eeuw) op een manier die duidelijk
maakt dat L in die tijd algemeen als auteur werd beschouwd. Volgens I schreef L van Mat en
Marcus.
Saillant detail: Marcion wordt als indirect bewijs opgevoerd. Waarom zou hij, als fanatiek volgeling van Paulus, alleen
Lucas’ ev overgehouden hebben als hij er niet van overtuigd was dat L auteur was. L bevond zich immers in gezelschap
Paulus. Ander had Marcion Marcus wel genomen waarin voor hem veel minder storende verwijzingen naar het OT
stonden!
1.3.6 De proloog van Lucas
Oude traditie: de vier evangelisten waren mannen van het eerste uur of behoorden tot het gevolg
van oor- en ooggetuigen. Maar op grond van Lucas 1:1-4 wordt dit door sommigen van tafel
geveegd! vB brengt in:
 Veel mondelinge traditie, maar juist nauwelijks of geen schriftelijke. Theofilus kent wel het
evangelie uit prediking en onderricht, maar heeft het juist nog niet in schriftelijke vorm 
Lucas.
 Als er vele evangelien waren (van het eerste uur, zeg maar) waarom zou Lucas er dan nog
eentje schrijven en ook nog alles weer zelf nagaan? Had hij dan nog andere bronnen die
boven de mensen vh eerste uur uitgingen?
 Als je aanneemt dat Lucas alleen mondelinge bronnen had, kun je tot een andere visie op de
opbouw van Luc. 1:1-4 komen.
o Het gaat in vs 1 en 2 niet over de evangelieschrijvers enerzijds en hun bronnen
anderzijds. vB stelt ze zelf gelijk aan elkaar: “het gaat in de verzen 1-2 over dezelfde
mensen.” (Voor zijn betoog is dit m.i. overigens geen noodzakelijke aanname MvL)
Deze mensen schreven dus niet (vertaling schrijven in vs 1 dan dus niet adequaat),
maar componeerden een verhaal gebaseerd op “de ooggetuigen en dienaren”.
o Lucas neemt uitgangspunt in situatie Theofilus: door prediking is hij in aanraking
gekomen met het evangelie. Veel vertellers (ooggetuigen en dienaars)  het krijgt in
mij een schrijver (want ook ik heb alles gevolgd vanaf het begin)
o vB wijst erop het het ww dat doorgaans met nagaan wordt vertaald ook met bijwonen
of meemaken kan worden vertaald. Bijvoorbeeld als “volgeling vanuit de verte”. Hij
hoorde in z’n omgeving de verhalen, bijv. over Johannes’ geboorte die in het hele
district Judea werden besproken (Luc 1:65), en zo ook de zaken rond Jezus’
geboorte: de herders vertelden hun verhaal maar al te graag steeds opnieuw (Luc
2:20). En zo geeft vB meer voorbeelden.
1.3.5 Johannes
Unanime kerkelijke traditie, in overeenstemming met het opschrift vh evangelie in alle
handschriften. Hij presenteert zich in het evangelie als een ooggetuige (19:35)en indirect duidt hij
zichzelf aan als apostel (21:20-23, 24). De leerling die zich aan Jezus’ borst heeft geworpen (13:2326), heeft nog heel lang geleefd na Pinksteren. De traditie zegt dat hij op hoge leeftijd te Efeze was.
Evangelie gericht op de bestrijding van inmiddels opgetreden dwaalleraars (20:31).
Datering
Zegt vB niets over.
Zie echter JP Versteeg, Evangelie in viervoud, waar als algemeen aanvaarde datering 90-100 na Chr
wordt gegeven.
1.3.7 Vier kroongetuigen
Betrouwbare auteurs. Mat, Petr (door Marcus) en Johannes uit de kring vd 12. Eén is door Jezus de
rots genoemd. Lucas bevestigt het getuigenis vd apostelen.
Waarom niet 3 of 5 evangelisten? Had gekund, historisch gewoon zo gegaan. Lucas was één van
mogelijke buitenstaanders die door de gang van zijn leven dit het eerst kon doen. Daarmee viel
tegelijk voor anderen de noodzaak weg (door Teofilus’ publikatie mogelijk en verbreiding door
samenwerking Lucas-Paulus).
De Joods-Chr gemeenschap had de verstellers in huis. Wellicht pas toen Mat afscheid nam vd
broeders kwam gedachte aan schriftelijke fixatie op ??  Mat schreef evangelie ...
Petrus kwam ver buiten palestina terecht, waar hij ook Rots voor de kerk kon zijn  logisch dat
men behoefte voelde zijn prediking op te schrijven. Johannes had een specifieke aanleiding, maar
voor de andere apostelen was daarmee de noodzaak om zelf ook een ev te schrijven vervallen.
Niet dat het niet anders had kunnen gaan, maar zo wel inzichtelijk hoe het zich op deze manier heeft
kunnen ontwikkelen.
De kerk heeft er altijd Gods hand in gezien dat er 4 evangelien zijn: “verplichtend extra”. Ook al las
men in de ene kerkprovincie ’t ene ev vaker dan ’t andere, altijd alle 4 in ere. Tatianus 
Diatessaron (samenvattend verhaal, 2e eeuw). Irenaeus: 4 windstreken, 4 dieren voor de troon van
God.
Johannes  Leeuw. Eeuwige woord vanaf het begin
Lucas  Rund
Matteus  Mens
Marcus  Adelaar
CHRISTUS OP AARDE – Hoofdstuk 2
Vier Evangelien: een geschiedenis?
inleiding / 2.1 Harmonisatie?
Reimarus: apostelen gefraudeerd  datering niet genoeg om kritiek te weerleggen.
Idd, 4 evangelien lopen niet gelijk, stemmen wel in veel overeen. Tegenstrijdigheden  bewijs
voor onbetrouwbaarheid?
Dergelijke vragen rijzen bij Bijbellezers, maar ook bij “critici”. Augustinus vond het nodig een
volledige behandeling vd verschillen te geven. (Hij neemt aan de ev. elkaars werk kenden en dat
Marcus een verkorte weergave is van Matt.)
Gerson schrijft zijn Monotessaron: in feite een harmoniserende synopsis in 1 kolom.
Osiander (1537): veel strenger dan Aug. en Gerson. Elk verschil is verschil in gebeurtenis: #feiten
breidt zich flink uit! Weinig navolging.
Wieseler (19e eeuw): invalshoek chronologie.
Harmonisatie negatieve klank. Hist. krit. methode is de Bijbeluitleg en het is een paradigma
geworden dat er niet te harmoniseren valt.
2.2.1 Biografie?
Enerzijds wel, anderzijds niet ...
Gaat uiteindelijk niet om de persoon, maar om zijn woorden en daden.
2.2.2 geschiedenis van een begin
2.2.3 Terugblik met verlichte ogen
Evangelisten geven aan dat hun geloof veranderde tussen Pasen en Pinksteren (contra: later beeld
opgepoetst van ‘loser’ naar meer positieve offerterminologie etc.). Geen latere interpretatie vd
feiten, maar hun ogen werden door de HG geopend.
Dus of historische waarheid of bewuste vervalsing.
2.2.4 Beschrijving met een eigen doelstelling
Heeft de schrijver een specifieke doelstelling. Vertoont werk bepaalde tendensen en is deze
ondergeschikt gebleven aan de beschrijving vd feiten?
Bij Johannes duidelijke persoonlijke doelstelling: “Jezeus heeft nog vele andere tekenen gedaan ....
opdat u gelooft dat Jezus is de Christus ....” verlangen extra goede documentatie van wie Jezus is.
Ook ivm reeds opkomende miskenning vd Christus (zie brieven J.). Johannes biedt combinatie van
algemene (redevoeringen) en bijzondere (dagboekdetails?): historische getuige  onderstreept
betrouwbaarheid. (NB: Joh. schreef na andere ev.  kon hun verhaal bekend veronderstellen)
Bij andere evangelisten doelstelling minder duidelijk: schrijven onafh v elkaar een verslag dat in
hun kring als eerste schriftelijke verslag moest dienen:
- bij de toehoorders v Petrus
- in de kringen v Theofilus
Vastlegging mondelinge traditie. “Algemene doel had voorrang”. Wel accenten:
- Mattheus: veel aandacht voor Jezus als vervulling OT profetie. Geeft ook zelf
vervullingscitaten (dus niet alleen uit Jezus’ mond)
- Marcus: Petrus’ prediking. Details in beschrijving en verkorte weergave redevoeringen
logisch.
- Lucas: typerend is zijn aandacht voor Christus’ barmhartigheid (maar dat vinden we ook bij
M&M)
In 20e eeuw wil men vaak theologische concepten koppelen aan de Evangelien: maar hoe zou dat
kunnen bij zoveel overeenstemming?
Men zoomt dan in op verschillen: bijv.
- Marcus heeft geboortegeschiedenis niet, maar niet bewezen dat dit vanwege eoa theologisch
concept v Marcus ook niet zou kunnen. Veeleer te verklaren uit het feit dat hij (via Petrus)
Jezus’ publieke optreden weergeeft.
- Lucas: korter over “Galilea”, maar uitvoerig verslag over periode na vertrek uit Galilea en
voor de eerste lijdensweek. Wellicht heeft hij periode na Galilea van meer nabij
meegemaakt?
Of gaat inzoomen op gemeenschappelijke passages en probeert verschil in formulering tot verschil
in theologie op te blazen  vB: dat gaat niet als je steeds het geheel van een evangelie beschouwt.
2.3.2 Een overvloed aan geschiedenis
Evangelien bieden selectie ve 3-jarige periode waarin hetzelfde onderwijs keer op keer werd
gegeven  vrijwel gelijkluidende woorden kunnen in verschillend verband voorkomen. Vb:
- het onze Vader (bij Mat in bergrede, bij Lucas later: Luc 11: kennelijk werd dit onderwijs
later herhaald)
- idem lamp onder korenmaat: waarom zou Jezus dat beeld maar een keer hebben gebruikt?
- Uitzending vd 70: als Lucas ook niet de uitzending vd 12 had beschreven (Luc 9) zou je
misschien kunnen denken dat L een heel andere kijk had op de uitzending vd 12 dan de
anderen! Maar er zijn dus 2 uitzendingen. Er is bij de tweede een “intensivering”.
- Herhaling aankondigingen: binnen de afzonderlijke evangelien is sprake van meerdere.
Waarom zouden ook andere dingen niet herhaald zijn?
2.3.3 Het perspectief vd verteller
Vergelijking fotograaf: uitsnede uit de werkelijkheid  evangelieschrijver idem. Bij verschillende
uitsnedes is er maar gedeeltelijk overlap  het kan lijken alsof vertellingen maar gedeeltelijk
harmonieren. Vb:
- Vertelperspectief: Genezing bezetene land vd Gadarenen. Vlgs Mat 2 bezetenen, vlgs Luc en
Marc 1 (maar sluiten geen 2e uit ...) Luc en Marc laten vertellen uitlopen op prediking vd
gebeurtenis in Dekapolis en wellicht is alleen de hoofdpersoon (de ene genezene)
meegegaan. Mat vertelt verder niets over de afloop van die dag. Bij L&M valt 2e man buiten
hun “lijst v aandacht”.
- Techniek vd verteller: Lucas vertelt eerst het verhaal over Joh de Doper helemaal uit (tot zijn
arrestatie) en gaat dan terug in de tijd naar Jezus’ doop door Johannes (voor zijn arrestatie).
Zalving door Maria te Betanie. Mat geeft dit een plaats ah begin lijdensgesch. Naar Jezus’
eigen woorden dat “overal waar over lijden en sterven gesproken zal worden, zal ook tot
haar gedachtenis gesproken worden”. Johannes heeft gebeurtenis echter wel op de
chronologische plaats.
 Letten op vertelperspectief en techniek voorkomt poneren tegenstrijdigheden.
2.3.4 Het blikveld vd lezer
Afstand v 2000 jaar maakt dat bepaalde achtergrondkennis wegvalt die bij de eerste lezers wel
aanwezig was. Vb.
- Simon v Cyrene’s zonen worden genoemd om hem nader te identificeren
- Was men werkelijk gewend zich te wassen wanneer men van de markt kwam? Is wel van
belang voor goed begrip v Jezus’ confrontatie met wetgeleerden.
 Niet erg als het maar geen regel wordt. Niet verbaasd zijn als sommige zaken voor ons
onopgehelderd blijven.
 Latere lezers heeft soms vragen die auteur helemaal niet wilde beantwoorden. Bijvoorbeeld de
precieze chronologie. Betekent niet dat de evang de last v “navraag” niet zouden kunnen dragen.
Ook al berust christelijk geloof op feiten, het blijft wel geloof (vgl wegmoffeling v feit vd
opstanding – willens en wetens).
CHRISTUS OP AARDE – Hoofdstuk 3
De perioden van Jezus’ leven op aarde
3.1 Nut v periodisering
- elke evangelist geeft wel periode aanduidingen.
- voorkomt illegitieme identificatie v verhalen, als je weet dat periodes niet overeenstemmen.
Betrekkelijk groot gevaar omdat Jezus woorden & wonderen herhaalde.
- Geeft indruk eigen kenmerk v elk evangelie, kan helpen doelstellingen schrijver op het
spoor te komen.
- Maar ook: Knelpunten komen aan het licht.
3.2 van geboorte tot doop
Alleen Mat en Luc vermelden geboorteverhaal Jezus. (Marc en Joh gaan wel uit van menswording,
M 1:1 en J 1:14). Is men later de geschiedenis v kruis etc gaan opsieren met ‘leuke’ details?
Te verklaren uit optreden Jezus: vroeg geen aandacht voor ‘eigen biografie’: Hem geloven ahv
prediking en wonderen. Geen beroep op engelenzang ... Dus evangelieen die hun uitgangspunt
nemen in onderwijs Jezus hebben geboortegesch logischerwijs niet  Marcus. Geldt ook in zekere
zin voor Johannes: vermeldt hoe hij zich herinnert dat Jezus zich openbaarde. Geen oor- of
ooggetuige geboorte, ook nog geen openbaring van Jezus zelf.
Anders bij Mat en Luc.
Matteus: voor christenen uit de Joden, terug naar begin (1:1 en 1:18), selectie bepaald door
voorkeur voor elementen die de vervulling vd Schrift aangeven, ook in begin v Jezus’ leven.
Lucas: ook vanaf begin (1:3), ruimer blikveld dan Mat, incl. Joh de Doper, aandacht gebeurtenissen
rond en na geboorte. Feiten die in ruimere kring bekend waren. Bijv. Zacharias en de herders. Ook:
weer profetie: Simeon en Anna die aan alle gelovigen in Jeruzalem het bericht van Jezus’
beloftevolle geboorte brengt.
Ong 30 jaar verloopt: gebeurtenissen wellicht vergeten.
- Lucas kan er bijv via zijn ouders weet van hebben, of via anderen en van Maria, event via
derden.
- Matteus: besloten fam geschiedenis bekendheid gekregen in de gemeente door aanwezigheid
moeder Maria en broer Jakobus (details: engelenverschijningen en vlucht naar Egypte).
Wellicht heeft Jezus zelf eea in familiekring uitgelegd, zodat vervullingscitaten
herinneringen van Jakobus zijn? Matteus immers apostel en heeft te Jeruzalem verm nauwe
contacten gehad met familieleden v Jezus.
vB: Periode geboorte/jeugd op zelfde niveau als daarop volgende tijdvakken in Jezus’ leven. Maar
Kerstpreken pas na Pasen: Mat en Luc laten zien dat ook dat allereerste begin ‘gepland’ was.- waar
Jezus zelf over zweeg vanwege aandacht lijden ter verzoening.
3.3 tussen Jezus’ doop en Johannes’ arrestatie
Eerste drie evangelisten geven aan dat er een zekere periode zat tussen doop van Jezus (+
verzoeking in woestijn die alle drie direct daarna plaatsen) en arrestatie Johannes, maar niet hoe
lang en of hierin “iets van belang” gebeurde. Ze merken wel op dat Johannes in gevangenis zit als
“al deze dingen” zich afspelen  er is dus een “naad” (vB).
Uit Johannes kunnen we dit wel afleiden: tijdvak van enige lengte (vB: ongeveer 10 maanden). (1e
discipelen – Joh 1, Bruiloft Kana en 1e tempelreinigign – Joh 2, gesprek met Nikodemus – Joh 3
vallen hierin oa in). In Joh 3:22vv (“getuigenis v Joh over Jezus) komen we Johannes weer tegen –
voor zijn arrestatie (vs 24).
vB veronderstelt dat Jezus’ terugkeer naar Gallilea in H4 ingegeven is door dat men opmerkte dat
Jezus meer aanhangers kreeg dan Johannes  Joh moest wel een gevaarlijk persoon zijn  moet
rond tijdstip zijn waarop Johannes de D gearresteerd was. In Joh 5 spreekt Jezus vervolgens over
Johannes in de verleden tijd ...
Optiek andere evangelisten: overbruggingsperiode. Optiek Johannes: periode waarin Jezus in de
schaduw v Joh optrad geeft latere beeld meer kracht.
3.4 De Galilese periode en het evangelie naar Johannes
Bij eerste drie evangelisten: duidelijke markeringen wanneer periode in G begin en weer is
afgelopen. Heel anders bij Johannes: daar treffen we Jezus veel vaker in Jeruzalem aan (Joh 5 en 710 bijna geheel in Jer!). Echter, Johannes is zich terdege ervan bewust dat Jezus veel in Gallilea
was. Het zijn met name “feestreizen” die hij beschrijft. Joh vertelt selectief en heeft voorkeur voor
Jeruzalem en de confrontaties die Jezus daar had met de hoogste leiders en hoe Hij van zichzelf
getuigde in de hoofdstad.
Zijn “feestreizen” in andere evangelien afwezig? Luc 13:34: Jezus heeft Jer dikwijls bezocht. Geen
vermelding bij Mat en Marcus, maar waarom zou Jezus niet gedaan hebben wat elke gelovige
Gallileeer deed?  Moet periode in G wel minsten 1 jaar zijn geweest  klopt met
tijdsaanduidingen: minsten 1.5 jaar. Uit Johannes een beter beeld: ook daar 1 jaar en 9 a 10
maanden, mogelijk meer.
3.5 De reis van Galilea naar Jeruzalem
Mat en Marcus vertellen in 1 vers dat Jezus v Galilea naar Judea reisde. Bij Lucas is er echter
sprake van een uitgebreid reisverslag (9:51-14:35 = >1/3 deel van Lucas).
Door Lucas zo geconstrueerd? Sommigen menen van wel omdat sommige gebeurtenissen bij Lucas
tijdens die reis plaatsvinden die bij andere evangelisten in de Galilese periode te vinden zijn.
Mogelijkheid bestaat dat Lucas niet (alles) chronologisch/topologisch weergeeft. Echter:
- groot deel uitspraken (o.a. vele gelijkenissen) uniek voor Lucas.
- Kleiner deel komt wel voor bij andere evangelisten. Maar Jezus herhaalde ook. Luc kan
latere versie v dat onderwijs genomen hebben, juist omdat hij korter is geweest over de
Galilese periode.
- Gebeurtenissen in reisverhaal zonder parallel in andere ev.
- Uitspraken v Jezus in reisverhaal vormen eenheid met gebeurtenissen (bijv “aan tafel”)
- Geen motief waarom Lucas stof zou zo ordenen.
 moet wel echt zijn. Voor de apostelen een onbegrepen “tunnel” was voor de omstanders
indrukwekkend. Buitenstaander Lucas geeft daarom veel meer over deze periode.
Bij Johannes geen reisbeschrijving, wel notie van het feit dat er enige tijd tussen de Galilese periode
en Judea/Jeruzalem zit. Bovendien vermeldt Joh verblijf v Jezus in “Betanie over de Jordaan” voor
en na bezoek aan Tempelwijdingsfeest (niet genoemd in andere ev.) en de reis naar “Betanië in
Judea” waar Hij Lazarus opwekt (ook bij geen vd andere ev.). Retraite in de stad Efraim, waarna
Hij “opgaat” naar Jeruzalem voor het Pascha. Tijdens dit opgaan vermeldt Joh een bezoek aan
Betanië (in Judea), waar de zalving door Maria plaatsvindt, die we ook bij de andere ev vinden.
vB doet poging om beschrijving v Luc en Joh in elkaar te vlechten
3.6 Sterven, opstanding hemelvaart
Duidelijk te onderscheiden periode in alle 4 evangelien.
3.7 Periodisering en chronologie
Vaststellen jaartellen: combinatie van heel veel puzzelstukjes.
Evangelie in viervoud (JP Versteeg – hoort niet bij tentamenstof)
Hoofdstuk 1 Het woord “evangelie”
In de lijn van Psalm 96 en Jesaja 40: de heilbode.
Woord Evangelie in NT gebruikt om het in het OT in het voortuizicht gestelde aan te duiden.
Op vraag Joh de Doper: “bent u het die komen zou?” antwoordt Jezus “ ... armen ontvangen het
Evangelie”.
Later werd het ww “het evangelie verkondigen” een zendingsterm (apostelen).
In Hellinistische tijd: woord evangelie ook betrekking op keizer (alleen zijn geboorte al was een
‘evangelie’). Dus antithetisch: tegenover een veelheid van evangelien brachten de apostelene het
ene evangelie. Pas later kreeg het woord de betekenis van ‘evangelie-boek’ Bij vroege kerkvaders
sloeg het nog steeds op de inhoud vd boodschap. Geschreven evangelie gaat terug op verkondigd
evangelie (Marcus vlgs prediking Petrus, Lucas vlgs prediking Paulus)
Geen biografie, maar gericht op geloof in Jezus. Geen enkel genre in wereldliteratuur komt overeen
met ‘genre’ evangelie.
Hoofdstuk 2 Het Evangelie naar Matteus: ev vd Messias v Israel
Onmiskenbaar Joods karakter: blijkt oa uit zaken die door Mat bekend worden verondersteld (“het
goede”, bij Lucas verduidelijkt als “de Heilige Geest”) en typisch Joodse manier van zeggen (en
ook denken) “hemelen” ipv “hemel” dat meer aansluit bij Hellinistische beeld.
Mat kan kort referen aan de overlevering vd ouden, terwijl Marcus dit moet uitleggen (“voor eten je
reinigen als je van de markt komt”). Meer voorbeelden worden genoemd .....
Jezus als de Messias van Israel
Speelt nadrukkelijk een rol bij Matteus. Komt uit door:
- geslachtsregister van Jezus Christus (6x7 geslachten: de volkomen Messias)
- nadruk op vervulling OT. “Opdat vervuld zou worden ... door de profeet, toen hij zei ...” is
een vaak terugkerende ‘formule’.
o Vb: alleen bij Mat vlucht naar en terugkeer uit Egypte: Jezus’ terugkeer definitieve
voltooiing uittocht uit Egypte. (Hier wordt Hos 1:11 vervuld).
- Andere evangelisten veel minder “vervullingscitaten”. Bij Marcus nauwelijks en bij Lucas
en Johannes met name geconcentreerd op lijden, sterven en opstanding. Johannes citeert
veel uit Psalmen, Mat. breder uit OT.
- Kortom: Matteus betrekt veel meer het hele aardse leven van Jezus mbt vervulling OT
profetie  stellig vanwege missionaire bedoeling mbt Joden.
Jezus als de Messias verworpen
M laat deze tragiek scherp uitkomen. Komt meteen al uit bij verhaal vd Wijzen uit het Oosten (het
woordje “zie” geeft bij M iets belangrijks aan). Geen belangstelling bij overpriesters en
schriftgeleerden. Maar kunnen het wel weten, ze geven zelfs de Schriftplaats, maar gaan niet met de
wijzen mee om de Koning der Joden te zien  geen lot, maar schuldige verwerping vd kant v
Israël. Als enige vermeldt M ook de officiele verwerping in een vergadering vh Sanhedrin na de
opstanding (nu zijn de boden soldaten uit het Westen) – willens en wetens (aanvaarden feiten en
geven soldaten geld). Als enige vermeldt M het gerucht dat door Sanhedrin verspreid wordt dat de
discipelen het lichaam v Jezus gestolen zouden hebben  juist voor Joden van belang, omdat dit
gerucht onder hen verspreid werd. Aanklacht = tevens appel!
Jezus als de Messias vh nieuwe Israel
Nadruk op feit dat Jezus voor Israel kwam. Bij ene uitzondering (genezing v Kananese vrouw)
vermeldt M uitdrukkelijk Jezus’ woorden: “ ... slechts gezonden tot de verloren schapen v Israel”.
Meest expliciet vd evangeliën bij uitzending vd 12: niet naar heidenen, niet naar stad Samaritanen.
Duidelijke notie over de gemeente/kerk (deze 2 woorden alleen bij M):
- Op deze petra: alleen bij M.
- Hoe omgaan met broeder die volhardt in zonde (Mat 18)
- Waar 2 of drie vergaderd zijn in mijn naam
- Blijkt ook uit namen vd vrouwen in geslachtregister: niet de Joodse namen (Sara, Rebekka,
Rachel en Lea), maar “heidense” vrouwen: Tamar, Rachab, Ruth en de vrouw van Uria (die
een Hetiet was en Bathseba wrs dus ook). M laat uitkomen dat God mede de heidenen op het
oog had.
- Zendingsbevel: alle volken.
Hoofdstuk 3 Het Evangelie naar Marcus: ev vd Zoon des mensen
Unanieme traditie mbt Marcus als auteur en verband tussen Marcus en Petrus (bovendien in 1 Pet
5:13 noemt Petr Marcus zijn zoon). Niet unaniem mbt moment van schrijven: tijdens Petrus’ leven
of na zijn dood? Wellicht combinatie van beide. Wrs. geschreven tussen 64 en 70, tijdens of net na
de vervolging door Nero.
Plaats v schrijven lijkt volgens traditie Rome te zijn, waar Petrus (ook weer vlgs traditie) de
kruisdood is gestorven.
- Petrus treedt in dit Evangelie sterk op voorgrond. JPV noemt een aantal details
- M noemt wel de negatieve momenten van Petrus, maar minder de positieve. Hij vermeldt
bijv niet dat
o Petrus ook over het water liep.
o Zaligspreking van Petrus (“petra”).
Marcus benadert zijn evangelieverhaal meteen vanaf het begin vanuit het lijden v Christus. Bij
Marcus Zoon des mensen vaak de titel vd lijdende Christus (beeld komt uit Daniel die “iemand
gelijk een mensenzoon” zag die heerschappij werd gegeven, dus meer de Zoon des mensen in zijn
eschatologische heerlijkheid). Misschien nav “lijdende knecht des Heren” (Jes 53).
JPV wijst op gebruik vh woordje “weg” (parallelle plaatsen bij ‘synoptici’ niet gevonden) dat bij
Marcus dan “lijdensweg”.
De lijdende Zoon des mensen en het “Messiasgeheim”. Gedachte: Jezus heeft zich nooit als Messias
doen kennen. Pas na opstanding “ontwikkeld” (1e eeuw), Hand 2:36 “door de opstanding heeft God
Jezus tot Here en tot Christus gemaakt”. Ook Pls zou niets geweten hebben ve Messiaans
bewustzijn v Jezus  theorie vh Messiasgeheim: alleen aan kleine kring maakte Jezus zich als
Messias bekend, maar zou zich verzet hebben tegen een verder bekend worden daarvan. Marcus zou
deze theorie hebben verwerkt of zelfs hebben bedacht. Men ziet aanwijzingen in bijv M9:9: de
discipelen mochten niemand iets vertellen over de verheerlijking op de berg voordat de Zoon des
mensen was opgestaan uit de doden. JPV geeft meer voorbeelden, o.a. demonen die niet mochten
zeggen wie Jezus was (wat als bewijs zou gelden dat dit niet-historisch is).
JPV betrijdt deze theorie. Merkt op dat er twee lijnen zijn: Jezus die zichzelf als de Messias beleed
en Jezus die ook telkens terughoudend was mbt de titel Messias.
Wel blijft opmerkelijk de onderstreping bij Marcus vh feit dat voor Pasen niet alles van Jezus
gezegd kon en mocht worden. JPV verklaart dit uit de situatie in Rome (vervolging) maar kan ik
niet goed volgen.
Hoofdstuk 4 Het Evangelie naar Lucas: ev vd Heiland vd wereld
Traditie unaniem in auteurschap van de arts Lucas, die reisgezel was van Paulus. Pls zelf duidt
Lucas ook aan als arts. Kleine aanwijzing in Evangelie naar Lucas is een enkel detail mbt medische
beschrijvingen  niet doorslaggevend.
Lucas kwam wellicht uit Antiochie en was een niet-Jood, een christen “uit de heidenen”.
JPV: Theofilus waars nog geen gelovige, maar wel geinteresseerd. Moet een niet-Jood geweest zijn.
Belangrijk: degene aan wie een boek opgedragen was, had ook zorg voor de verspreiding. Lucas
schreef dus zeker niet alleen aan hem. Er is zeker een missioniar motief in Lucas’ evangelie.
Handelingen is vervolg en eindigt in Rome: aanwijzing dat Teofilus waars een aanzienlijk Romeins
burger was aldaar.
JPV: te dateren na het jaar 70, omdat Lucas waars ev. v Marcus heeft gekend als 1 vd in Luc 1.1
genoemde “vele evangelieverhalen”. (NB Zie vB commentaar op de proloog v Lucas in CoA!!).
Mogelijk vinden we in Lucas herinneringen aan de val v Jeruzalem: heel concreet over de
verwoesting vd stad, terwijl Mat en Marc ahv Daniel over de tempel spreken (“gruwel der
verwoesting”)
Paragraaf: Jezus als Heiland in de geschiedenis: kan ik niet zoveel mee. Gaat over de vraag of
Lucas een biografie wilde schrijven... antwoord: nee.... Wil wel historische beschrijving bieden ...
Jezus als Heiland voor de verachten
- herders: alleen in Lucas genoemd. Stonden laag aangeschreven (niet zo nauw mbt mijn en
dijn en ceremoniële wetten), maar worden eerste verkondigers!
- Armen. Nergens in NT (behalve brief Jakobus) zo indringend over problematiek armoede en
rijkdom. Als enige heeft L het magnificat (rijken ledig weggezonden, maar hongerigen met
goederen vervuld etc.
- Zondaren
- Samaritanen
- Vrouwen: zwaarder accent dan bij andere ev.
Jezus als de Heiland voor de heidenen
Nadruk bij Lucas over universaliteit vh heil. (Niet echt door mij gelezen ...)
Hoofdstuk 4 Het Evangelie naar Johannes: ev vd Zoon van God
Irenaeus “Discipel Johannes heeft evangelie geschreven, terwijl hij in Efeze in Asia verbleef”. Wel
is er feit dat Papias het over 2 Johannessen zou hebben, waardoor er volgens velen ook een
getuigenis uit de oude kerk is dat de discipel Johannes niet de auteur zou zijn.
Belangrijke aanwezing in Joh 21:24. Joh 21 heeft vorm epiloog – waarbij JPV suggereert dat Joh
21:24 een latere toevoeging is door anderen dan de schrijver. Deze toevoeging impliceert ivm het
voorafgaande dat de discipel Johannes de auteur is.
Evangelie naar Johannes neemt geheel eigen plaats in:
- Verschil in beschrijving v Jezus’ optreden. Joh is enige die voetwassing, de verschijning aan
Thomas en aan het meer van Tiberias vermeldt
- De instelling vh Avondmaal ontbreekt.
- Bij Joh heeft “het beslissende” reeds plaatsgevonden, terwijl Jezus bij de “synoptici”
herhaaldelijk wijst naar wat er in de toekomst zal gebeuren.
- Lange redevoeringen en gesprekken
- Jezus is vaker (“expliciet”) in Jeruzalem
Belangrijkste verschil: verschil in beschrijving van Jezus’ persoon. Synoptici zetten in bij zijn
geschiedenis als mens. In de proloog v Johannes gaat het juist om het Woord dat bij God was en
God was. Accent bij Johannes dus op goddelijke heerlijkheid (maar het is wel een accentverschil:
ook bij Joh over Jezus’ mens-zijn).
Wat is de verhouding tussen ev vlgs Joh en synoptici?
JPV bepreekt 4 hypothesen:
- interpretatiehypothese: vanuit synoptische ev heeft Johannes een voor de Hellinistische
wereld aanvaarbare Jezus geconstrueerd en alles wat “aanstootgevend” was omgewerkt. 
onaanvaardbaar, want Joh staat niet in tegenstelling tot de synoptici
-
-
verdringingshypothese: als alternatief voor de synoptici  gaat van zelfde tegenstelling uit
en is te verwerpen.
Aanvullingshypothese: oude papieren voor zover het de opvatting betreft dat Johannes
aanvulling heeft willen geven op wat de synoptici hadden laten liggen. Vandaag: Johannes
wilde aanvulling geven, maar biedt ook eigen verwerking. Hoewel JPV vindt dat er voor de
aanv hypothese veel te zeggen, pleit er – vlgs hem – beslissend tegen dat er geen
aanwijzingen voor aansluiting worden gegeven. Ook wordt het eigen karakter te weinig in
rekening gebracht.
Onafhankelijkheidshypothese: van bedoeling en opzet. Joh heeft wrs wel de andere
evangelien gekend. Volgorde en soms woordelijke overeenstemming met Marcus. Maar ook
wel trekjes v Mat en Luc. Maar toch: eigen bedoeling en opzet: theologische dimensie v
Jezus’ verkondiging laten uitkomen. (Joh 20:31 ... teken zijn geschreven opdat gij gelooft
dat Jezus is de Christus .... en opdat hij, gelovende, het leven hebt in zijn naam”. Primair het
versterken van aangevochten geloof  nadruk op “in Jezus blijven”
o Polemiek met de (ongelovige) Joden
o Polemiek met gnostiserende stromingen. (vlg ook brieven Johannes): sterke nadruk
op Woord dat vlees geworden is. T.o. docetisme (kenmerk v gnosticisme): Jezus wel
echt mens geweest.
Tijd van ontstaan: uiterste grens 1e helft 2e eeuw, na de synoptische evangelien: algemene datering
is dan ook tussen 90 en 100 na Chr. (Irenaeus vermeldt nog dat Johannes geleefd heeft in Efeze tot
de tijd van Trajanus – werd keizer in 98 – kennelijk is hij kort na diens aantreden overleden)
Jezus als de Zoon van God in heerlijkheid
(erg veel aangevoerd door JPV ... hieronder een greep ...)
de proloog: zeer onderscheiden vd andere evangelien, er wordt getekend wie Jezus is in de alles te
boven gaande werkelijkheid van zijn persoon.
Thema’s uit de proloog verder uitgewerkt in de volgende hoofdstukken.
- Woord dat schiep (1:3)  nieuwe schepping (1-4)
- Woord waarin leven was (1:4)  niew leven voor het volk v God (5-6)
- Licht dat in de duisternis schijnt (1:4.5.9)  licht der wereld (7-9)
- Woord niet aangenomen door de zijnen (1:11)  (10-12)
- Woord dat wel aangenomen werd (1:12)  (13-17)
- Genade en waarheid door Jezus gekomen (1:17)  lijden, sterven, opstanding in laatste
hoofdstukken.
 Proloog vormt eenheid met het boek, dus geen overname van eoa hymne. Snijdt de pas af voor
een Logos-theologie. Niet speculatief, maar over de echte heerlijkheid van Jezus. Logos niet
ontleend aan buitenbijbelse wereld, maar aan OT. NB: ook in OT komt “Woord van God” voor.
De “Ik ben” uitspraken nemen in het 4e ev een bijzondere plaats in. Aansluiting bij de OT
openbaringsformule van God zelf.
Jezus als de Zoon van God in het vlees
Nadruk op goddelijke heerlijkheid: nog wel trekken van echt mens? Niet slechts een soort
schijnbestaan, een kleed dat zsm weer werd afgelegd?  is 4e evangelie niet docetisch van aard?
JPV: in Jezus kwam mens-zijn tot vervulling. Hij is de nieuwe mens, de laatste Adam. Als nieuwe
mens hoeft hij niet te wijken voor wat scheiding brengt tussen mensen (zoals gesloten deuren) en
kon Hij lopen over water, maar ook in het Johannes evangelie wordt Jezus getekend als echt mens
aan wie niets menselijks vreemd was – bijv vermoeidheid (4:6), dorst (4:7) en verdriet (11:35
“Jezus weende”, kortste vers in de Bijbel)
Download