Begrippenlijst hoofdstuk 2: `Grieken en Romeinen`

advertisement
Begrippenlijst hoofdstuk 2: ‘Grieken en Romeinen’
Begrip H1
Definitie
Bronnen
Dingen die ons iets vertellen over de geschiedenis.
1TL-H
vb. een archeoloog probeert zoveel mogelijk bronnen te verzamelen om een goed beeld te krijgen van
het verleden
Geschreven bronnen
Stukken tekst die ons iets vertellen over de geschiedenis.
vb. het dagboek van Anne Frank is een geschreven bron
Ongeschreven bronnen
Voorwerpen die ons iets vertellen over de geschiedenis.
Cultuur
vb. oude botten, pannen, pijlpunten, enz. zijn ongeschreven bronnen
De manier waarop een volk leeft;
vb. indianen hebben een andere cultuur dan wij
Irrigatie
Systeem om gewassen van voldoende water te voorzien.
Ambacht
Wetten
Ambtenaren
vb. in Mesopotamië kregen boeren een nog grotere opbrengst van hun land door het toepassen van
irrigatie
Werk dat je doet met je handen, op een ouderwetse manier;
vb. manden vlechten is een ambacht
Regels waaraan iedereen zich moet houden;
vb. de koning maakte wetten die ervoor moesten zorgen dat de verdeling van de oogst probleemloos
verliep
Mensen die werken voor een koning;
vb. op het stadhuis werken ambtenaren
§2.1
Bondgenoot
Je bondgenoot is iemand die je helpt. Samen ben je sterker.
Vb. De Romeinen werden bondgenoot met de volken die ze hadden veroverd. Zo konden ze hun
grenzen blijven bewaken.
Romeins Burgerrecht
Het recht jezelf Romein te noemen.
Vb. Mannen die voor het leger hadden gevochten, mochten zich na 25 jaar Romein noemen.
Belangrijke bestuurder van een provincie.
Vb. De gouverneur mag namens de keizer nieuwe wetten aan het volk bekend maken.
Romeinse Gouverneur
Romeins Keizer
Senaat
Senator
Een keizer is een soort koning. Het Romeinse Rijk had een keizer.
Vb. De keizer is de baas van het Romeinse Rijk hij neemt alleen alle beslissingen
De senaat is een raad die advies geeft aan de keizer.
Vb. De mannen in de senaat adviseerden de keizer om een munteenheid in te voeren.
Een senator is een Romeinse man die in de senaat zit.
Vb. De Senator heeft in de senaat vergaderd, ze bedachten een advies voor de keizer.
§2.2
Castellum:
Latijn
Een Romeins fort waar soldaten zijn gelegerd.
Vb. In het Castellum oefenden de soldaten in het vechten.
De taal van de Romeinen.
Vb. De Romeinse wetten waren in het Latijn geschreven.
Legioen
Een legioen was vroeger een deel van het leger van de Romeinen. In een legioen vochten wel 6000 soldaten mee!
Vb. Het legioen slaapt en werkt in het castellum.
Mening:
Je mening is hoe je over iets denkt, wat je ervan vindt.
Vb. ‘ik vind geschiedenis een leuk vak.’ Dit is mijn mening.
Romaniseren is het overnemen van de Romeinse cultuur en taal door mensen die in een gebied wonen
dat was veroverd door de Romeinen.
Vb. Door de romanisering zijn er overal in de wereld badhuizen geboud.
Een gebeurtenis waarvan vast staat dat die ook werkelijk gebeurd is, bijvoorbeeld omdat iemand het
gezien heeft.
Vb. Het is een feit dat de Romeinen in veel delen van de wereld Latijnse teksten hebben achtergelaten.
Romanisering
Feit
§2.3
Polytheïsme
Monotheïsme
Christendom
Een geloof waarin meerdere goden vereerd worden
VB. Het Hindoeïsme is een polytheïstische godsdienst
Een geloof waarin één god wordt vereerd.
Vb. Het Christendom en de Islam zijn monotheïstische godsdiensten.
Het Christendom is het geloof waar bij de mensen in God en Jezus Christus geloven.
Vb. God en Jezus zijn de belangrijkste personen van het Christendom.
Staatsgodsdienst
§2.4
Pax Romana
De officiële godsdienst van een land. Iedereen is verplicht in dit geloof te geloven.
Vb. Het Christendom was in het Romeinse Rijk de staatsgodsdienst.
Lange tijd van vrede in het Romeinse Rijk in de eerste en tweede eeuw na Christus.
Vb. Tijdens de Pax Romana ging het goed met de handelaren in het Romeinse Rijk.
munteenheid
Eén muntsoort waarmee je in het hele land kon betalen.
Vb. De munteenheid van Europa is de Euro.
Eigen moeilijke woorden uit de tekst:
Download
Random flashcards
Create flashcards