groep 4 woordpakket

advertisement
Week 1 net-als-woord: poes
mk, km en mkm woorden
Doe-woorden
Ik pak
Hij eet
Hij bijt
De bek
Dik
Dun
Het hok
De kip
De mol
De neus
De poes
De uil
De boom
De haas
Laat
mee
De muur
Het dier
De koe
De muis
luisterwoorden
Tip:luister goed naar het woord
en schrijf het zoals je het hoort!
Week 2 net-als-woord: draak
Twee medeklinkers vooraan (twee grijze letters aan het begin)
Doe-woorden
De bloem
De draak
De fluit
Het gras
De slak
luisterwoorden
Bruin
Groen
Knap
Smal
Stil
Drie
twee
Tip:luister goed naar
het woord …
De snuit
De spin
De stal
De troep
Ik klap
Ik krijg
Ik plaag
Hij praat
en schrijf het zoals je
het hoort!
Week 3 net-als-woord: muts
Twee medeklinkers achteraan (twee grijze letters aan het eind)
Het beest
De buurt
De heks
De laars
De lamp
De mens
De mist
De muts
luisterwoorden
Als
Haast
Juist
Kort
Meest
Naast
Niets
Ons
Paars
soms
Tip:luister goed naar het woord
en schrijf het zoals je het hoort!
Doe-woorden
Hij loopt
Hij woont
Week 5 net-als-woord: wolk
Moeilijke duo’s (de l en de r willen je foppen)
Met l
De film
De melk
Degolf
De wolf
Het kalf
De wolk
Elf
Ik help
half
Tip: aan het eind van
het woord hoor je /u/
maar die schrijf je niet!
Met r
De arm
De berg
Het dorp
De jurk
Erg
warm
wolluk / wolk etc
De kerk
Het park
Ik durf
Ik merk
Ik werk
Week 6 net-als-woord: krant
Mmkmm-woorden (woorden met 2 grijze letters aan het begin en aan het eind)
Doe-woorden
Dwars
De klant
Hij bromt
Sterk
De krant
Hij brult
Trots
De kwast
Hij gromt
Twaalf
De plant
Hij knikt
De prins
Hij krijgt
De slurf
Hij snapt
De staart
Hij speelt
De grens
Ik klets
luisterwoorden
Tip:luister goed naar
en schrijf het zoals je
het woord …
het hoort!
Week 7 net-als-woord: schaap
Sch- / schrDe schaal
De schaar
De schat
De schoen
De school
De schelp
Tip: hoor je na een /s/
een /g/?
Scheef
Scherp
Schoon
De schoot
De schurk
De schuur
Schrijf dan /ch/ en
nooit /g/
Het schrift
Het schaap
Het schip
Doe-woorden
Ik schaats
Hij schiet
Hij schopt
Hij schrikt
Hij schrijft
Week 9 net-als-woord: feest / vier
Woorden met f of v
Fris
Vaak
Vast
Veel
Vier
Vies
vlug
Tip: leg je vinger op je keel:
Het feest
De fiets
De fles
De friet
De boef
De vis
De brief
De /v/ voel je trillen, de /f/ niet.
Week 10 net-als-woord: smoes / ziek
Woorden met s of z
s
z
Slim
Zes
Snel
Ziek
Stom
Zoet
Eens
Zuur
Vals
Zwart
De smoes
Zwaar
De spin
De zon
Tip: leg je vinger op je keel:
De /z/ voel je trillen, de /s/ niet.
Doe-woorden
Hij fluit
Hij fopt
hij vliegt
Hij voelt
Hij vraagt
Ik beef
Doe-woorden
Ik slaap
Ik snap
Hij snikt
Zij zegt
Hij ziet
Hij zoekt
Week 11 net-als-woord: de strip
Woorden met 3 grijze letters aan het begin of aan het eind
De straat
De strip
De struik
De arts
De worst
De helft
De herfst (LET OP: 4 grijze!)
De kunst
De markt
Tip: luister goed of je alle letters
hoort!
Strak
Turks (LET OP: hoofdletter!)
zelfs
En schrijf het zoals je hoort.
Doe-woorden
Hij spreekt
Hij botst
Hij danst
Hij harkt
Hij helpt
Hij schaatst
Hij werkt
Hij zorgt
Week 13 net-als-woord: slang
Woorden met ng
Bang
Eng
Jong
Lang
Slang
langs
Bang voor de slang?
Het ding
Het kreng
De gang
De kring
De long
De ring
De slang
De tang
De tong
De wang
Tip: /ng/ wat klinkt dat raar?
Doe-woorden
Hij brengt
Hij hangt
Hij springt
Hij zingt
De /n/ en /g/ horen bij elkaar.
Week 14 net-als-woord: bank
Woorden met nk
Flink
Links
De bank
De dank
De klank
De /n/ en /k/ zitten samen op de
bank.
De pink
De plank
De stank
De vink
De inkt
De /g/ mag daar niet tussen,
Week 15 net-als-woord: wolk
Moeilijke duo’s met l en r (zie week 5)
r
l
Arm
Elk
Erg
Half
Sterk
De elf
Warm
De film
De berg
De golf
Het dorp
Het kalf
De dwerg
De melk
De jurk
De twaalf
De slurf
Tip: aan het eind van het woord maar die schrijf je niet!
hoor je /u/
Doe-woorden
Hij denkt
Hij drinkt
Hij schenkt
Het klinkt
Het stinkt
anders kunnen ze niet kussen!
Doe-woorden
Hij durft
Hij werkt
Hij helpt
wolluk / wolk etc
Week 17 net-als-woord: ei
Woorden met ei
Het ei
Het plein
Het feit
Het zeil
Mei
klein
Tip: ken je de woorden uit het
ei-verhaal?
De reis
De trein
De eik
De geit
De wei
De kei
De hei
De klei
Die schrijf je met /ei/ allemaal.
Doe-woorden
Zij breit
Week 18 net-als-woord: ijs
Woorden met ij
Bij
Blij
Fijn
Hij
Jij
Kwijt
Mijn
Zij
zijn
Tip: Alle andere woorden waar
je een /ij/ hoort,
Het ijs
De pijn
De rij
Rijk
Vijf
Vrij
Wij
wijs
Doe-woorden
Hij blijft
Hij krijgt
Hij kijkt
schrijf je met een /ij/
Week 19 net-als-woord: schaap
Woorden met sch- / schrScheef
Het schrift
De schaal
De schaar
De schaats
De schat
Tip: hoor je na een /s/ een /g/?
De schoen
De school
De schort
Schrijf dan /ch/ en nooit /g/
Doe-woorden
Hij schenkt
Hij schept
Hij schuift
Hij schijnt
Hij schroeft
Hij schrijft
Week 21 net-als-woord: mooi
Woorden met aai / ooi / oei
aai
Saai
De kraai
Het waait
Hij aait
Hij draait
Hij kraait
Hij zwaait
Tip: hoor je /aai/ /ooi/ /oei/ in
een woord?
ooi
Mooi
Nooit
Ooit
Het hooit
De kooi
Hij gooit
Hij strooit
Schrijf dan niet de /j/ die je
hoort!
oei
Oei
Zij loeit
Hij bloeit
Hij groeit
Hij knoeit
Hij roeit
Week 22 net-als-woord: pech, lucht
Woorden met –ch / -ucht
Ach
Toch
Zich
De pech
Weetwoorden:
De bocht
Dicht
Het licht
De lucht
De nacht
De tocht
Ik heb de /ch/ woorden uit
mijn hoofd geleerd,
Acht
Echt
Recht
slecht
daarom schrijf ik ze
niet verkeerd.
Week 23 net-als-woord: strip
Woorden met meer medeklinkers (3 grijze letters aan het begin of aan het eind)
Doe-woorden
Laatst
straks
Hij fietst
Langs
De sproet
Hij kletst
Links
De sprong
Hij verft
Rechts
De straat
Hij springt
De angst
De straf
De borst
De streep
De helft
De strik
De kunst
De stroom
luisterwoorden
Tip:luister goed naar het woord
en schrijf het zoals je het hoort!
Doe-woorden
Ik lach
Hij bracht
Hij lacht
Hij wacht
Hij zucht
Week 25 net-als-woord: beer
Woorden met eer / oor / eur
eer
Eerst
Keer
Meer
Neer
De beer
De veer
Het weer
Hij leert
Tip: pas op voor de
plaagletter /r/!
oor
Door
Voor
De koorts
Het oor
De soort
Het spoor
Hij hoort
eur
De beurt
De kleur
De deur
Hij scheurt
Hij zeurt
de /ee/ /oo/ en /eu/ klinken er
anders door.
Week 26 net-als-woord: leeuw
Woorden met uw / eeuw / ieuw
uw
eeuw
De duw
De eeuw
Ruw
De leeuw
Schuw
De meeuw
Uw
De schreeuw
Hij duwt
De sneeuw
Hij schreeuwt
Het sneeuwt
Weetwoorden:
Hoor je aan het eind van een
woord een /w/?
ieuw
De kieuw
Nieuw
Het nieuws
Dan schrijf je daarvoor een
/u/!
Week 27 net-als-woord: ei en ijs
ei
Mei (in de maand mei)
De geit
Het ei
Het sein
De prei
De dweil
kleinst
ijs
Mij (geef dat aan mij)
rijp
stijf
Het krijt
Het lijf
De lijn
De prijs
De rijst
De wijn
Tip: ken je de woorden uit het
ei-verhaal? Die schrijf je met /ei/
allemaal.
Alle andere woorden waar je
een /ij/ hoort schrijf je met een
/ij/
Doe-woorden
Hij zei (gister tegen mij)
Ze reist
Hij dreigt
Hij hijgt
Week 29 net-als-woord: blauw
Woorden met au
Blauw
Gauw
Nauw (de schoen is nauw)
De pauw
Ken je de woorden uit het
au-verhaal?
Au!
De snauw
Flauw (doe niet zo flauw)
De klauw
Die schrijf je met een au,
allemaal!
Doe-woorden
Hij klauwt
Zij snauwt
En hoor je /au/ aan het
eind van een woord? Dan
hoort er een /w/ achter.
Week 30 net-als-woorden: kou
Woorden met ou
Jou ik geef het aan jou)
Nou
Stout
Jouw (dat is jouw boek)
Het hout
Het zout
Het touw
Ken je de woorden uit het
au-verhaal?
De fout
De mouw
De vouw
De vrouw
De kou
De kous
Die schrijf je met een au,
allemaal!
Doe-woorden
Hij bouwt
Hij sjouwt
Hij trouwt
Hij vouwt
Ik hou
Hij wou (gister fietsen)
Hij zou (gister zwemmen)
Alle andere woorden
schrijf je met /ou/
Week 31 net-als-woorden: feest en vier / smoes en ziek
Woorden met f & v / woorden met s & z
f en v
s en z
Lief
De sjaal
Straf
De stem
Het fruit
Hij stopt
Hij geeft
Hij sist
Vals
Zelf
Verf
De zeep
Vlug
De zus
Vuist
De zwaan
De vacht
Hij zegt
Hij vecht
Hij zorgt (voor zijn poes)
Tip: leg je vinger op je keel: de /v/ voel je trillen,
De /f/ niet.
Tip: leg je vinger op je keel: de /z/ voel je trillen,
De /s/ niet.
Week 33 net-als-woord: driehoek
Samenstellingen (plak twee woorden aan elkaar tot 1 groot woord)
Daarin
De afspraak
Opnieuw
Ervoor
De driehoek
Opzij
Hoeveel
De glimlach
Piepklein
Maandag
De onzin
Rechtop
Vrijdag
Het kunstwerk
omhoog
zondag
Tip: luister naar de
stukjes van het woord
Zestien
Zichzelf
Het vierkant
De zijkant
en schrijf ze zoals je
geleerd hebt.
Week 34 net als woord: begin
Woorden met be- / ge- / ver-
BeHet begin
Het bezoek
Hij bedenkt
Hij bedoelt
Hij begrijpt
Hij bekijkt
Tip: in woorden met be- geen ver- hoor je een /u/
GeGemeen
Genoeg
Gewoon
Het gedicht
Het geluk
Het gezicht
Hij gebruikt
Hij geniet
maar je schrijft een /e/
VerHet verdriet
Het verhaal
Het verschil
Hij versiert
Hij vertelt
Hij verzint
Week 35 net-als-woord: beer
Combinaties van eer, oor, eur en samenstellingen
eer
Weer
Alweer
Het geweer
Het verkeer
Het onweer
De heer
De peer
De ijsbeer
Hij smeert
Tip: pas op voor de
plaagletter /r/! de /ee/ /oo/ en
/eu/ klinken er anders door.
oor
Daardoor
waarvoor
Doordat
Vooraan
Vooral
Voorbij
Voordat
De voorpoot
Tip: luister naar de stukjes van
het woord en schrijf ze zoals je
geleerd hebt.
Eur
De voordeur
Het gebeurt
Hij kleurt
Download