B1-checklist

advertisement
B1-checklist
A.
Doel van de tekst
Bepaal altijd eerst het doel van je tekst. Wat moet je
lezer doen als hij je tekst heeft gelezen?
Zet het doel van je tekst vooraan.
B.
Korte teksten
C.
Korte alinea’s
D.
Tussenkopjes
E.
Korte zinnen
F.
G.
Persoonlijk
Concrete zinnen en
woorden
H.
Signaalwoorden
I.
Actieve zinnen &
directe taal
Veelgebruikte
woorden
Eenduidige taal
Schrijf kort. Laat weg wat niet bijdraagt aan het
bereiken van je doel.
Maximaal 6 regels per alinea. Behandel één
onderwerp per alinea.
Gebruik bij langere teksten tussenkopjes. Hiermee
structureer je je tekst.
Tussen de 10 en 15 woorden per zin. Schrijf één
boodschap per zin.
Schrijf persoonlijk. Richt je tot de lezer.
Schrijf concreet. Gebruik concrete woorden. Gebruik
geen abstracte woorden of verzachtende
uitdrukkingen.
Gebruik signaalwoorden om samenhang tussen zinnen
duidelijk te maken.
Zorg dat duidelijk is wie wat moet doen. Schrijf direct.
J.
K.
L.
M.
N.
O.
P.
Figuurlijke,
symbolische taal
Vaktaal
Formele taal
Dubbele ontkenning
Consistentie
Q.
Begrijpelijk
Gebruik alleen woorden die veel voorkomen in onze
taal.
Gebruik eenduidige taal. Gebruik geen
dubbelzinnigheden. Zorg dat je lezer de tekst maar op
1 manier kan opvatten.
Gebruik geen figuurlijke of symbolische taal.
Gebruik geen vaktaal.
Gebruik geen formele taal. Vermijd ambtelijke taal.
Gebruik geen dubbele of meervoudige ontkenning.
Gebruik consequent hetzelfde woord voor hetzelfde
ding.
Zorg dat je zelf snapt waar je het over hebt. Als je iets
goed begrijpt kun je het ook eenvoudig uitleggen.
Toelichting B1-checklist
 A.
Het doel van je tekst zorgt altijd voor actie of bepaald gedrag bij de lezer. Wat moet de lezer
doen nadat hij je tekst heeft gelezen? Het doel van je tekst komt overeen met de taak
waarvoor een lezer op de gemeentewebsite is. Voorbeelden van taken: ‘paspoort
aanvragen’, ‘melden verhuizing’, ‘rijbewijs aanvragen’, ‘bijstand aanvragen’.
Voorbeeld
Bij de taak ‘paspoort aanvragen’ beschrijf je wat de lezer moet doen om een nieuw paspoort
te krijgen. Hoe vraagt hij het aan? Wat heeft hij daarvoor nodig? Wat moet hij betalen?.
Het doel schrijf je op aan het begin van de tekst. Bijvoorbeeld aan het einde van de eerste
alinea of kort daarna. Maar houd het kort! Bijvoorbeeld: “U vraagt het paspoort aan bij de
gemeente”.
 B.
Een lezer is vaak niet zo lang geïnteresseerd in een tekst. Schrijf daarom je teksten zo kort
mogelijk. Laat weg wat niet bijdraagt aan het bereiken van je doel. Schrijf niet alles op wat je
weet.
In het volgende voorbeeld draagt de 2e zin niet bij aan het bereiken van je doel. Deze zin
kan dus uit de tekst gelaten worden.
Voorbeeld
“Bent u geslaagd voor uw rijexamen? Dan voert het Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) in het register uw gegevens in, zodat de gemeente deze
digitaal kan inzien. U kunt dan bij de gemeente uw eerste rijbewijs aanvragen.”
 C.
Schrijf alinea’s van maximaal 6 regels. Behandel 1 onderwerp per alinea.
Voorbeeld
Beschrijf je in een alinea waar de lezer het paspoort kan aanvragen? Beschrijf dan in
dezelfde alinea niet ook wat hij moet meenemen bij zijn aanvraag.
‘waar aanvragen’ en ‘wat meenemen’ zijn 2 verschillende onderwerpen.
 D.
In korte teksten gebruik je geen tussenkoppen. Bij langere teksten kan het gebruik van
tussenkoppen de tekst toegankelijker en leesbaarder maken.
Een veelgebruikte tussenkop is bijvoorbeeld: Bezwaar maken
 E.
Schrijf zinnen van maximaal 15 woorden. Maximaal 1 komma per zin.
Behandel 1 boodschap per zin:
Niet
Geef uw verhuizing uiterlijk binnen 5 dagen nadat u bent verhuisd door aan de gemeente.
Wel
Geef uw verhuizing door aan de gemeente. Doe dit uiterlijk 5 dagen nadat u bent verhuisd.
 F.
Schrijf altijd persoonlijk. Schrijf ‘u’ (of ‘jij’, als de hele tekst gericht is op een jongere).
 G.
1. Schrijf concreet. De volgende zin stond in een tekst over onroerendezaakbelasting:
“De WOZ-waarde geldt als uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van
gemeentelijke belastingen.”
Beter zou zijn:
“De gemeente gebruikt de WOZ-waarde om te bepalen hoeveel belasting u moet betalen.”
2. Gebruik concrete woorden. Zeg bijvoorbeeld niet zorginstelling, maar wel verpleeghuis.
> Vermijd abstracte woorden. Zoals: uitkeringsgerechtigde, voorzieningen, betrokkene,
dienstverband, woorden met -plicht (inburgeringsplicht, verwijderingsplicht, inschrijfplicht),
enz.
> Gebruik gewone voorzetsels:
Niet
met betrekking tot
als gevolg van
Wel
over
door
> Gebruik geen verzachtende uitdrukkingen:
Niet
visuele beperking
Wel
slecht zien of blind
 H.
Het is belangrijk om de samenhang tussen zinnen duidelijk te maken. Gebruik hiervoor
verbindingswoorden of signaalwoorden.
Voorbeelden
maar, daarna, ook, want, daarom, toch, verder
 I.
Schrijf actief. Maak altijd duidelijk wie wat doet of moet doen. Vermijd daarom de
werkwoorden ‘zullen’ en ‘worden’.
Niet
De beslissing wordt aan u toegestuurd.
Wel
De gemeente stuurt u de beslissing.
Schrijf direct. Gebruik werkwoorden in plaats van de naamwoordstijl of omslachtige
omschrijvingen. Vermijd zelfstandige naamwoorden die van een werkwoord zijn afgeleid.
Niet
een toewijzing doen
een beroep doen op
het indienen van uw aanvraag doet u bij…
Wel
toewijzen
aanvragen
dien uw aanvraag in bij…
 J.
Gebruik alleen woorden die veel voorkomen in onze taal. Het is niet altijd makkelijk te
bepalen of een woord een veelgebruikt woord is. Probeer uit te gaan van verzorgde
spreektaal.
Vermijd zoveel mogelijk de volgende soort woorden:
o ambtelijke taal (bv: beschikking)
o vaktaal (bv: uitkeringsgerechtigde)
o imponeerwoorden (‘dure’ woorden)
o
o
o
o
ouderwetse woorden (bv: reeds, dienen, mits, hoogstens, indien, omtrent, voorts, inzake,
verstrekken, enz.)
lange woorden (meer dan 4 lettergrepen)
symbolische taal (bv: aan de hand van)
afkortingen (afkortingen van woorden altijd voluit schrijven; namen niet)
Op www.zoekeenvoudigewoorden.nl kun je controleren of je een woord kunt gebruiken in je
tekst. Dit is een zoekmachine van een taalbureau, die aangeeft of een woord taalniveau B1
is.
 K.
Gebruik eenduidige taal. Vermijd daarom woorden die een dubbele betekenis kunnen
hebben. En schrijf zinnen die maar op 1 manier opgevat kunnen worden.
 L.
Vermijd figuurlijke taal en symbolische taal. Zoals:
‘aan de hand van’, ‘in het geding zijn’.
 M.
Vermijd vaktaal of jargon. Zoals:
‘inrichting’/‘bedrijfsinrichting’, ‘uitkeringsgerechtigde’, ‘inburgeringsvoorziening’,
‘kennisgevingsformulier’.
 N.
Vermijd formele taal en ambtelijke taal. Na de omschrijvingen bij eerdere punten, mag
duidelijk zijn wat hiermee bedoeld wordt. Zie ook J., L., M.
 O.
Gebruik geen dubbele of meervoudige ontkenning. Bijvoorbeeld 2 keer ‘niet’ in een zin. Of:
“U kunt niet bouwen zonder vergunning”.
 P.
Blijf consistent in woordgebruik. In een tekst over een vrijstelling op een gemeentelijk verbod
kwam ik de volgende woorden tegen om dit te omschrijven: ‘vrijstelling’, ‘toestemming’ en
‘ontheffing’.
Kies daarom 1 woord dat het beste omschrijft wat je wil zeggen. En blijf dat woord
consequent gebruiken in je tekst.
 Q.
Begrijp wat je wil vertellen. Zeg wat je bedoelt. Leg het uit zoals je het uit zou leggen aan
iemand die niets van het onderwerp weet.
Download