Onderwijspsychologie, Woolfolk Hoofdstuk 1, Teachers, Teaching

advertisement
Onderwijspsychologie, Woolfolk
Hoofdstuk 1, Teachers, Teaching and Educational Psychologie
Educational psychology: gaat over een breed gebied van training en werk van educatie psychologen
die psychologische theorieen, onderzoek en technieken toepassen voor kinderen en jong
volwassenen met mogelijk leermoeilijkheden, emotionele en gedragsmatige moeilijkheden.
Educational psychologists:
- Werken met kinderen en jong volwassenen met moeilijkheden.
- Worden inhehuurd door locale educatie autoriteiten, of werken zelfstandig.
- Werken meestal samen met ouders, leraren ed.
In contrast staat de psychology of education: een discipline die zich bezig houdt met onderwijzen en
leerprocessen. Ze passen de methoden en theorieën toe was de psychologie om te onderwijzen en
te leren en hebben ook hun eigen methoden en theorieën.
Een positieve relatie van leraar met leerling is een krachtige kracht voor leerlingen. Leerlingen met
problemen hebben het meeste baad bij goed onderwijzen.
Een mening is dat onderwijzen een op theorie gebaseerde wetenschap is. Anderen zeggen dat
onderwijzen reflective is: bedachtzaam en inventief, deze denken terug over de situaties en denken
aan wat ze gedaan hebben en waarom en zich afvragen hoe ze dat kunnen verbeteren, met respect
voor plaats, tijd en taak.
Expert teachers: ervaren, effectieve leraren die oplossingen hebben ontwikkeld voor veel
voorkomende klasproblemen. Hun kennis over onderwijsprocessen en uitvoering is goed en goed
georganiseerd. Ze hebben systemen van kennis voor het begrijpen van problemen. Er zijn 7
gebieden van professionele kennis:
1
hun kennis is diep en interverbonden
2
algemene onderwijsstrategieen die opgaan voor ieder onderwerp
3
ze kennen het curriculum materiaal en programma’s
4
ze kennen onderwijsafhankelijke kennis
5
ze kennen de karakteristieken en culturele achtergronden van leerlingen
6
ze kennen de settings waarin leerlingen leren (paren, kleine groepen, klassen ed)
7
ze kennen de doelen wat het onderwijs
wat ze ook moeten kennis is zichtzelf, hun eigen bias, sterkte en zwaktepunten.
Om iets te weten over de psychologie van de educatie moet je kennis hebben over de pupillen, leren
en motivatie en teaching en assessing.
Educational psychologie ontstond in de mid 1900’s. in ’40 en’50 concentreerde het zich op de
individuele verschillen, assessment en leergedrag. In de ’60 en ’70 veranderde dit naar een richting
van cognitieve ontwikkeling en leren, hoe leren individuen concepten en onthouden deze. Nu wordt
er gekeken wat het effect is op het leren bij culturele en sociale factoren.
Educational psychology is een discipline met zijn eigen theorieën, onderzoeksmethoden, problemen
en technieken. Vroeger en nu bestuderen ze nog steeds leren en onderwijzen. Er zijn twee grote
taken in de educational psychology: 1) onderzoek uitvoeren om mogelijke relaties te onderzoeken.
2) combineren van resultaten en theorieën.
Descritive studies: studies die gedetailleerde informatie verzamelen over specifieke situaties waarbij
ze vaak observeren, survey’s gebruiken, interviews afnemen of een combinatie van deze. Ze
beschrijven gebeurtenissen. Een benadering daarbij is klas ethnography: focust op het leven binnen
een groep en probeert de betekenis van gebeurtenissen te begrijpen. Ze richten zich hierbij op de
natuurlijke gebeurtenissen.
Soms wordt er gebruik gemaakt van participant observation: een methode waarin de onderzoeker
een participant wordt om zo een beter zicht te krijgen op het leven in een groep. Ook kan er gebruik
worden gemaakt van een case study: een uitgebreide studie van 1 persoon of 1 situatie,
bijvoorbeeld hoe een leraar een les plant.
Correlation study: vaak worden de resultaten van een beschrijvend onderzoek vertaald naar
correlaties. Correlaties is een statistische beschrijving van hoe nauw twee variabelen met elkaar
gerelateerd zijn. Het gaat om de sterkte en de richting van de relatie. Het gaat van 1.00 tot -1.00.
Positieve correlatie: een relatie tussen twee variabelen bij welke meer of minder worden tegelijk.
Negative correlatie: een relatie tussen twee variabelen waarbij een vergroting van de ene
geassocieerd wordt met een verlaging van de ander.
Correlatie is geen causatie! (figuur 1.1, blz 17)
Een ander soort onderzoek is het experiment: een onderzoeksmethode waarbij variabelen worden
gemanipuleerd en de effecten beschreven worden. Participanten/subjects: mensen of dieren die
bestudeerd worden. Om mensen te selecteren is een manier: Random: selectie zonder zichtbaar
patroon die geen regels volgen. Als resultaten statistically significant zijn dan is het niet
waarschijnlijk dat ze bij andere omgevingen en gebeurtenissen veranderen.
In veel gevallen gaan descriptieve en experimentele onderzoeken samen.
Single-subject experimental design: systematische interventies om het effect te bestuderen op 1
persoon, vaak door het toe te passen en in te trekken van een behandeling. Bijvoorbeeld een ABAB
experiment.
Microgenetic study: gedetailleerde observatie en analyse van veranderingen in een cognitief proces
over een aantal dagen of een week. Dus het bestuderen van cognitieve veranderingen in een
periode van verandering.
Action research: systematische observaties of testen van methoden uitgevoerd door de leraar om
het onderwijs te verbeteren. Principle: een aangenomen relatie tussen factoren. Theory: een
geïntegreerde uitspraak van principes die uitleg geven aan een fenomeen en voorspellingen doet.
Samenvattingstabel op blz 23.
Hoofdstuk 2, Cognitive development and language
Development: ordelijke aanpassende veranderingen die we doormaken van geboorte tot de dood.
Deze ontwikkeling gaat in op een aantal aspecten:
- physical development: veranderingen in lichaamsstructuur en functie na verloop van tijd.
- Personal development: veranderingen in persoonlijkheid die plaatsvinden als je groeit.
- Social development: veranderingen in de tijd in onze relatie met anderen.
- Cognitive development: graduele ordelijke veranderingen waarin mentale processen
complexer en toegespitster worden.
Veel veranderingen zijn een vorm van groei en maturation: genetisch geprogrammeerd, ze
gebeuren natuurlijk in de tijd.
Principes van ontwikkeling:
1
mensen ontwikkelen zich in verschillende sterkten (rates): het ene kind leest sneller dan
de andere.
2
Ontwikkeling is relatief ordelijk: je kunt eerst zitten voor je kunt lopen ed.
3
Ontwikkeling gaat geleidelijk: veranderingen gaan zelfden in 1 dag.
Cerebellum (kleine hersenen): coördinatie en het gladjes verlopen van bewegingen.
Hippocampus: zit in de temporale lobe, belangrijk voor het ophalen van nieuwe informatie en
recente ervaringen.
Amygdala: sturen van emoties.
Thalamus: betrokken bij het leren van nieuwe dingen. Deze laatste twee liggen diep in de hersenen.
Formatio reticularis: is een deel van de hersenstam, speelt een rol bij attentie en arousal.
Corpus callosum: stuurt informatie van de ene kant van de hersenen naar de andere.
Cerebrale cortex: grootste buitenste plaat van de hersenen gaan over complexe problemen en taal.
Dit deel is bij mensen groter dan bij de lagere dieren. Deze ontwikkeld zich het laatst. Hier zitten ook
de meeste neuronen: zenuwcellen die informatie opslaan en doorsturen.
1 maand na bevruchting beginnen de hersenen te ontwikkelen. Neuronen leggen synapsen aan:
kleine ruimten tussen neuronen, er worden chemische berichten overgegeven tussen deze ruimten.
Bij de geboorte hebben we alle neuronen die we ooit zullen hebben. Het aantal synapsen neemt toe
in de eerste levensjaren. Alleen de neuronen die gebruikt worden overleven. Dit proces heet pruning
(collegeaantekeningen).
Er zijn twee soorten overproductie en pruning. De ene is experience-expectant: (ontwikkeling)
synapsen worden over geproduceerd en wachten op stimulatie. Deze vorm is erg belangrijk in grote
delen van de hersenen. De tweede is experience-dependent: (leren) ‘use it or lose it’, hier worden
synapsen gevormd die gebaseerd zijn op de individuele ervaringen. Wordt gebruikt bij individueel
leren, zoals het leren uitspreken van een vreemde taal.
Bij beide is stimulatie belangrijk.
Als er schade optreed hebben de hersenen in ieder geval nog hun plasticity: kwaliteit van de
hersenen om in zekere zin het aanpassingsvermogen en flexibiliteit te behouden. Een andere factor
die van belang is bij het leren en denken is myelination: het proces waarbij neuronen worden omvat
met wattige scheden welke myeline heet. Hierdoor gaat berichttransfers efficiënter.
De cerebrale cortex ontwikkeld zich langzamer dan de rest van de hersenen. Eerst komt het gebied
van de fysieke motor-movements, dan komt zicht en gehoor en als laatst de frontale lobe welke de
denkprocessen beheerst. De temporale lobe waarin emoties en taal zitten ontwikkelen zich zelfs tot
in de basisschool/begin middelbare school.
Lateralisation: de specialisatie van de twee hemisferen van de hersencortex.
Sommige leerstoornissen hebben een neurologische basis.
Piaget’s Theory of Cognitive Development
Kinderen denken volgens hem anders dan volwassenen. Kinderen weten nog geen concepten van
elkaar de onderscheiden en bij elkaar onder te brengen. De manier van denken veranderd radicaal
maar langzaam. 4 factoren:
1
biological maturation (rijping): het uitvouwen van genetische geprogrammeerde
veranderingen.
2
activity
3
social experiences: ook wel het leren van anderen.
4
equilibration (evenwicht/balans): het zoeken naar mentale balans tussen cognitieve
schema’s en informatie uit de omgeving. Hierdoor komen de daadwerkelijke
veranderingen in het denken. Disequilibration: dit is in de theorie van Piaget de staat
van het uit balans zijn wanneer een persoon er achter komt dat zijn bestaande manier
van denken niet werkt bij het probleem oplossen of een oplossing begrijpt.
Twee basis tendencies van Piaget:
- Organisation: het continue proces van het omzetten van informatie en ervaringen in
mentale systemen en categorieën. Schemes: mentale systemen of categorieën van
perceptie of ervaring. Deze tijd de bouwstenen van denken.
- Adaptation: aanpassing aan de omgeving. Er zijn twee processen in betrokken:
o Assimilation: nieuwe informatie inpassen in bestaande schema’s. mensen gebruiken
hun bestaande schema’s om sense te maken van de wereld.
o Accommodation: het wijzigen van bestaande schema’s of het creëren van nieuwe
als reactie op nieuwe informatie.
stadia van cognitieve ontwikkeling
1
sensorimotor – 0-2 jaar (betrekking op sensorische en motorische activiteit)
a. begin van denken, geheugen en immitatie
b. begin met de gedachte dat objecten niet helemaal weg zijn als ze verborgen zijn
(object permanence)
c. het gaan van reflex naar doelgericht: goal-directed actions
2
preoperational – 2-7 jaar
a. graduele ontwikkeling van taal en symbolisch denken (semiotic function: de
mogelijkheid om symbolen, taal, foto’s en tekens te gebruiken)
b. mogelijkheid tot het overdenken van acties = operations
c. moeilijkheden met het begrijpen van een zichtpunt van een ander.
Het is moeilijk om reversible thinking te doen: achteruit denken.
Decentring: het focussen op meer dan 1 ding tegelijk. Ook hebben de kinderen in
deze fase de gevoeligheid om egocentric te zijn: de aanname dat mensen de wereld
waarnemen zoals jij dat doet. Ook hebben ze Collective monologue: vorm van
praten waarin kinderen in een groep praten maar niet echt een interactie of
communicatie hebben.
3
Concrete operational – 7-11 jaar
a. Mogelijkheden tot het oplossen van concrete problemen (Concrete operations)
b. Begrijpt de wetten van concervatie (principe dat sommige karakteristieken van een
object veranderen terwijl ze wel hetzelfde blijven) en kan classificeren
c. Het begrijpen van omkeerbaarheid (reversibility)
Volgens Piaget zijn er 3 basisaspecten van redeneren om conservation problemen op
te lossen:
 Identity: principe dat een persoon of een object het zelfde blijft als de tijd
verstrijkt.
 Compensation: principe dat verandering in 1 dimensie een verschuiving kan
zijn van een verandering in een andere dimensie.
 Reversibility: de mogelijkheid om te denken voor een aantal stappen en dan
terug te gaan over die stappen en te komen bij het beginpunt, dit heet ook
wel reversibily thinking.
Ook in deze fase: classification: het groeperen van objecten in categorieën.
Seriation: het zetten van objecten in een bepaalde volgorde zoals grootte/gewicht
ed.
4
Formal operational – 11-volwassen leeftijd Formal operations: mentale taken met
betrekking op het abstracte denken en coördineren van een aantal variabelen. Hier
komen de veranderingen van ‘wat is’ naar ‘wat zou het zijn’.
a. Mogelijkheid tot het oplossen van abstracte problemen
b. Ze worden meer wetenschappelijk in het denken
c. Ontwikkeling van zorgen over sociale onderwerpen en identiteit
De adolescent heeft de hypothetico-deductive reasoning: een formal-operation
probleem oplossings strategie waarbij een individu begint met het identificeren van
alle factoren die met het probleem te maken kunnen hebben en dan systematisch
verschillende oplossingen evalueerd.
Een andere karakteristiek is de adolescent egocentrism: de aanname dat iedereen
jou gedachten, gevoelens en zorgen deelt.
Sieghler’s benadering: = ‘rule assessment’: terwijl kinderen ouder worden ontwikkelen ze steeds
betere regels en strategieën om problemen op te lossen en logisch te denken. Het focust op begrip,
uitdaging en het veranderen van de regels.
Er zijn de neo-Piagetian theories: ze houden de ontwikkelfases vast, maar voegen bevindingen over
de information-processing van de rol van attentie, geheugen en strategieën toe.
Problemen van de Theorie van Piaget:
- Problemen met fases: door het ontbreken van consistentie in het denken van kinderen zijn
de fases niet hard te onderscheiden.
- Onderschatten van de mogelijkheden van kinderen: deze onderschatte Piaget.
- Cognitieve ontwikkeling en cultuur: deze theorie kijkt niet naar de cultuur en de sociale
omgeving van kinderen.
Vygotsky’s Sociocultural Perspective
Cultuur vormt de cognitieve ontwikkeling van een kind.
Sociocultural theory: benadrukt de rol in ontwikkeling van kinderen bij coöperatieve dialogen en
met mensen die meer kennis hebben in de gemeenschap. Kinderen leren over de cultuur van de
gemeenschap.
Hij geloofde dat menselijke activiteit plaats vind binnen een culturele setting en dat deze niet
begrepen kunnen worden zonder deze setting. Omdat onze mentale structuren en processen
getraceerd kunnen worden door onze interacties met anderen.
Hij dacht dat elke culturele ontwikkeling twee keer voorkwam. 1 keer op sociaal niveau en 1 keer op
individueel niveau, eerst tussen mensen (interpsychological) en dan binnenin het kind
(intrapsychological). Dus hogere mentale processen zijn eerst co-constructed: een sociaal proces
waarin mensen interacteren en overleggen om zo begrip te krijgen of om zo een probleem om te
lossen. Het eindproduct wordt gevormd door elke participant.
Ze vonden beiden interactie belangrijk, alleen Piaget zag die in een andere rol. Piaget dacht dat
interactie zorgde voor een ontwikkeling door het creeeren van disequilibrium (cognitieve conflict).
Dus interactie was volgens Piaget het beste tussen peers, omdat die gelijken zijn.
Vygotsky benadrukte het belang van Tools, cultural tools: de echte tools (computers, schalen en
regels) en het symbolische systeem (nummers, taal en grafieken), deze staan mensen in een
gemeenschap toe om te denken, communiceren, kennis te vergaren en problemen op te lossen.
Taal is belangrijk voor cognitieve ontwikkeling.
Private speech: children’s self-talk, die hun gedachten en acties geleiden. Vygotsky zei dat dit kwam
door self-regulation en Piaget zei dat het kwam door egocentric speech. (blz 55).
Zone of proximal development (ZPD): is de ruimte tussen de huidige ontwikkeling van een kind
(door te kijken naar het onafhankelijk oplossen van een probleem) en de mate van ontwikkeling die
haalbaar is voor een kind. Dus: fase in welke een kind een taak kan volbrengen indien genoeg
support en hulp wordt aangeboden.
Maar Vygotsky legde niet uit wat die cognitieve processen dan zijn. Piaget was meer geïnteresseerd
in de gedachten van kinderen dan het helpen van de leraren.
Er zijn 3 manieren waarop iets doorgegeven kan worden op een ander:
- Imitative learning: de ene doet de ander na.
- Instructed learning: leerlingen volgen instructies op en gaan daarna over op zelfregulatie.
- Collaborative learning: wanneer een groep peers ernaar streeft om elkaar te begrijpen en
leren komt voort uit dat proces.
Vygotsky ging het meest naar instructive learning door directe les of gestructureerde ervaringen. Hij
dacht dat cognitieve ontwikkeling kwam door de omgang met beterwetenden uit een gemeenschap.
De meeste begeleiding komt vanuit de taal (in westerse gemeenschappen in ieder geval).
In sommige culturen is observeren van iemand die een moeilijke handeling uitvoert gebruikelijk.
Bruner noemde dit laatste scaffolding: steun om te leren en om problemen op te lossen. Deze steun
kunnen zijn: hints, herinneringen, aanmoediging, probleem verdelen in kleinere stukken, een
voorbeeld laten zien of wat dan ook die een leerling laat groeien in onafhankelijkheid.
Assisted learning: bieden van strategische hulp in de verschillende fases van leren/ontwikkeling.
Deze hulp neemt gestaag af terwijl de leerling meer zelfstandigheid ontwikkeld. Strategieen van
assisted learning in tabel 2.3, blz 62.
Ontwikkeling van taal
Biologische en experimentele factoren spelen een rol bij de taalontwikkeling.
- Bij 1 jr: 1 a 2 woorden zeggen, namen herkennen
- 1 – 2 jr: 5 tot 20 woorden, 2 woord zinnen, zwaaien
- 2 – 3 jr: herkent lichaamsdelen, zegt ‘ik’ tegen zichzelf, combineren van werkwoorden
- 3 – 4 jr: kan verhaal vertellen, zinnen van 4 a 5 woorden, kent 1000 woorden, kent
achternaam basis voor taal is hier gelegd
- 4 – 5 jr: kan in verleden spreken, kent 1500 woorden, herkent kleuren en vormen, vraagt
vaak ‘waarom’ en ‘hoe’
- 5 – 6 jr: zinlengte van 5 a 6 woorden, kent 10000 woorden, herkent objecten door gebruik
Er zijn 3 benaderingen voor taal:
1
behavioural theories (nurture): deze waren populair in het midden van de 20e eeuw.
Kinderen leren taal hier door reinforcement (skinner).
2
nativist theories (nature): kinderen zijn biologisch geprogrameerd om taal te
ontwikkelen (chomsky). Lenneberg geeft aan dat er een ‘critical period’ is waarin
mensen taal ontwikkelen.
3
social interactionist theories (combination of nurture and nature): Bruner.
Wat er overblijft voor de schoolleer:
- uitspraak
- grammatica
- vocabulair en betekenis
- Pragmatics: de regels van wanneer en hoe je taal moet gebruiken om een effectieve
communicator te worden in een bepaalde cultuur
-
Metalinguistic awareness: begrip van diens eigen gebruik van taal.
Het is een misvatting dat kinderen een tweede taal makkelijker leren dan adolescenten of
volwassenen. Zelfs gaan ouderen sneller door de verschillende fases van het leren door. Vor
uitspraak echter is er wel een kritische periode. Hoe eerder je begint met een tweede taal, des te
beter is de uitspraak.
Voordelen van tweetalige opvoeding: correlationeel verband met verhoogde cognitieve
mogelijkheden zoals conceptformatie, creativiteit en cognitieve flexibiliteit.
Cultuuronderzoek laat zien dat Piaget accuraat was met zijn verschillende fases.
Vergelijkbaarheden in ontwikkeling van taal:
- Cognitieve ontwikkeling vereist zowel fysieke als sociale stimulatie
- Om het denken te ontwikkelen moeten kinderen mentaal, fysiek en linguïstisch actief zijn, ze
moeten ermee experimenteren. Maar ze hebben ook baad bij leskrijgen, leiden, voordoen
ed.
- Spelen speelt een rol. Het is een manier waarop kinderen hun denken nuitproberen.
- Iets proberen te leren wat kinderen al weten is saai en iets leren waar een kind nog niet aan
toe is frustrerend en ineffectief.
- Uitdaging met begeleiding is stimulerend.
Hoofdstuk 3, Personal, Social and Emotional Development
Fysieke ontwikkeling
- Pre-schooljaren: kinderen worden zeer actief. Hun spieren worden groter en balans wordt
beter. Ook de fijne motoriek verbeterd.
- Vroege schooljaren: fysieke ontwikkeling gaat gestaag door.
- Adolescenten: puberty: de fysiologische veranderingen tijdens de adolescentiefase die
leiden tot de mogelijkheid van voortplanting. Het is het begin van seksuele rijping. Kinderen
kunnen in deze tijd ook problemen met de identiteit krigjen. Bulimia: een eetstoorlis die
gekarakteriseerd wordt door overeten en het dan kwijt raken door een vinger in de keel of
laxeermiddelen (ookwel binge eating). Anorexia nervosa: eetstoornis door veel te weinig
voeding binnen te krijgen (self-starvation). Beide zijn meer bij vrouwen dan bij mannen.
- Ontwikkeling van adolescent en hersenen: ze leren om het gedrag te beheersen, meer
doelgerichter te zijn en meer georganiseerd. Soms lijken adolescenten volwassen maar zijn
dit nog niet, de hersenen zijn zich nog steeds aan het ontwikkelen.
Freud: fases van individuele ontwikkeling
Beschrijving van de persoonlijkheid door middel van:
- Id: de instinctieve behoeftes en verlangens die aanwezig zijn vanaf de geboorte. Ookwel het
minimax principe: maximaal plezier en minimale pijn. De persoonlijkheid van een
pasgeborene bestaat alleen hieruit.
- Ego: verantwoordelijk voor het handelen met de realiteit en het zorgt voor de voldoening
van de behoeftes van de id in een sociaal acceptabele manier.
- Superego: behoud alle morele principes en ideeën die aangeleerd zijn door ouders en
gemeenschap. Het is opgebouwd uit het conscience: informatie die gezien worden als slecht
gestraft door schuld, en het ego-ideal: standaard van het goede wat beloond wordt door het
gevoel van trots.
Freud zei dat ontwikkeling gaat door een aantal psychoseksuele stages: die zijn predetermined en
differentiated. Elke fase bestaat uit een conflict tussen id/ego en superego. Als dit niet gebeurt raakt
de persoon fixated: een persoon blijft steken op een zekere psychoseksuele fases en dit is terug te
zien in de persoonlijkheid van iemand. Ook komt er dan regress: een persoon keert terug naar een
eerdere fase van ontwikkeling in stressvolle situaties.
Deze fases van Freud gaan om de vroege ontwikkeling van een kind.
Er is ook kritiek op Freud, mn doordat het geen wetenschappelijke legitimiteit heeft. 4 categorieen:
1
theorie is untestible
2
geen empirical evidence (experimental data)
3
het heeft geen predictive value
4
het is gebasseerd op zijn eigen subjective analysis
Attachment theory
Attachment: de emotionele band tussen het kind en de verzorgende. Dit gebeurt in het eerste
levensjaar en is belangrijk voor de rest van het leven. O.a. door Bowlby: de behoefte aan attachment
is een intrinsieke biologische behoefte.
Ainsworth kwam met verschillende bindingstypen:
1
Angstig/negeren: het kind is niet gestresst als de moeder weggaat en negeert of keert
de rug toe als ze terug komt.
2
Veilig gebonden: het kind is gestresst als de moeder weggaat en makkelijk te kalmeren
als ze terug komt.
3
Angstig/gehard (resistent) (anxious/ambivalent): het kind is in eerste instantie erg
plakkerig en daarna erg gestresst wanneer de moeder weggaat. Wanneer ze terug komt
is het kind zowel aanhalig als afstand nemend.
Kinderen die veilig gebonden zijn maken eerder vrienden, zullen eerder een probleem oplossen en
zijn sociaal en cognitief beter.
Verzorgenden moeten zorgen voor een secure base: zorgen voor een veilige basis om vandaaruit het
kind de wereld te laten ontdekken. Sensitive responsiveness: de mogelijkheid van een
moeder/verzorgende om accuraat, direct en juist te reageren op de behoeften van een kind.
Erikson: The Individual and Society
Erikson’s psychosocial theorie: beschrijft de relatie tussen de emotionele behoeften van een
individu en de sociale omgeving. Deze heeft veel weg van de psychoseksuele theorie van Freud,
alleen is seksuele vervangen door sociale. Erikson benadrukt de zoektocht naar identiteit, de ‘ik’, de
relatie met anderen en de cultuur. Ook heeft hij gemeen met freud dat mensen een developmental
crisis krijgen: een specifiek conflict van welke de oplossingen zorgen voor de weg naar de volgende
fase.
In de preschool fase is de basis van conflict de trust vs mistrust. De tweede fase is die van autonomy
(onafhankelijkheid) vs schaamte en twijfel. Deze tweede fase is het begin van zelfcontrole en
zelfverzekerdheid. Ouders moeten hier beschermend zijn, maar niet te. De derde fase is die van
initiative (de bereidheid om nieuwe activiteiten en nieuwe richtingen te beginnen) vs schuld. De
uitdaging in deze periode is om enthousiast te blijven voor activiteit.
Als kinderen naar school gaan heb je een hele nieuwe fase: industry (begeerte om betrokken te zijn
bij productief werk) vs inferiority.
Identity: het complexe antwoord op de vraag: ‘wie ben ik’. Dus identity vs role confusion.
Marcia vind date r 4 alternatieven zijn voor adolescenten afhankelijk van of ze opties onderzocht
hebben en commitments gemaakt hebben:
1
Identity diffusion: gespreidheid, verwarring over wie men is en wat men wil. Dit gebeurt
wanneer mensen geen opties willen ontdekken en er ook geen commitment is voor
enige actie. Ze komen niet tot het beantwoorden van de vraag. Deze mensen kunnen
apathisch zijn en hebben weinig hoop voor de toekomst. Ze gaan vaak mee met de
meerderheid (drugsgebruik).
2
Identity foreclosure: acceptatie van de ouderlijke keuzes in het leven zonder opties te
overwegen. Ze experimenteren niet met verschillende identiteiten. Deze mensen zijn
rigide, intolerant, dogmatisch en verdedigend.
3
Moratorium: Identiteitscrisis, het uitstellen van keuzes door het gestruggel. Het is een
soort vertraging naar het goede. Dit komt vaak voor en is in zekere zin ook wel gezond.
4
Identity achievement: Sterk gevoel van commitment met de levenskeuzes na het vrij
overwegen van de verschillende opties. Weinigen hebben dit bereikt als ze van school af
gaan als ze 16 jaar zijn.
Allebei moratorium en identity achievement zijn gezond.
Na school zijn er ook nog dingen waar mensen tegenaan kunnen lopen, zoals relaties. Intimacy vs
isolation. Daarna volgt generativity (gevoel van zorgen over toekomstige generaties) vs stagnation.
De laatste fase van Erikson is integrity (gevoel van zelfacceptatieen vervullendheid) vsespair.
Bronfenbrenner: The Social Context for Development
Hij bedacht het bioecological model: deze theorie beschrijft de genestelde sociale en culturele
contexten die de ontwikkeling vormen. Elk persoon ontwikkeld zich binnen een microsysteem,
binnen een mesosystem en en daar weer binnen in een exosystem.
Deze zijn allemaal gevat binnen een macrosysteem.
Deze theorie heeft 2 lessen voor leraren:
1 invloeden vanuit sociale systemen zijn reciproque.
2 er zijn veel dynamische krachten die interacteren om een context te creëren voor de individuele
ontwikkeling.
Blended families: ouders, kinderen en stiefkinderen samengenomen in een familie door te
hertrouwen.
Baumrind gaf 4 soorten parenting styles: de manier van interactie met en het disciplineren van
kinderen:
1
Autoritarian parents: weinig warmte en veel controle. De kinderen moeten doen wat de
ouders zeggen. Er wordt weinig gesproken over emoties. Straf is strikt maar er wordt
geen misbruik van gemaakt. Ouders houden van kinderen maar zijn niet openlijk
affectief.
Deze kinderen voelen meer schuld en zijn vaker gedeprimeerd.
2
Autoritative parents: veel warmte en veel controle. Duidelijke grenzen en groot
verwacht gedrag. Ze luisteren naar bezorgdheden en leggen dingen uit. Minder strikt
gestraft en meer begeleiding. Ouders helpen kinderen denken.
Deze kinderen zijn gelukkig naar zichzelf en anderen.
3
Permissive parents: veel warmte en weinig controle. Ouders zijn warm en zorgzaam
maar met weinig regels en ze verwachten weinig wat betreft gedrag.
Deze kinderen hebben meer moeite met de interactie met peers.
4
Rejecting/neglecting parents: weinig warmte en weinig controle. Het lijkt alsof ze het
niks uitmaakt en geven niks om controle, communicatie en zorg voor de kinderen.
Bij scheiding zijn de eerste twee jaar voor jongens en meisjes het moeilijkst. Zonen van gescheiden
ouders hebben een hogere score in gedragsmatige en interpersoonlijke problemen thuis en op
school. Meisjes hebben moeite met mannen, ze worden meer seksueel actief en hebben moeite
mannen te vertrouwen.
Er zijn verschillende vormen van agressie. De meest voorkomende is instrumental aggression: sterke
acties gericht op het claimen van een object, plaats of privilege, niet bedoeld om iemand zeer te
doen, maar daar kan het wel toe leiden. De tweede is hostile aggression: brutale, directe actie die
bedoeld is om iemand iets aan te doen, dus ongeprovoceerd gedrag. Hieronder kan ook overt
aggression vallen: dit is een fysieke aanval. Ook valt hieronder: relational aggression: verbale
aanvallen en andere acties erop gericht om een sociale relatie kwaad te doen.
Je kunt voorkomen dat kinderen eenzaam worden. Hierbij spelen leraren een belangrijke rol. Er zijn
voor hen een aantal mogelijkheden:
- Zorg voor social skill training voor iedere student.
- Creer interactiemogelijkheden door samenwerkingsopdrachten.
- Richt je bij eenzame studenten op de talenten en sterke punten.
- Creeer een geaccepteerde klas-gemeenschap.
- Geef les in adaptieve coping strategieën.
- Vergroot het self-esteem door verantwoordelijkheid te geven in de klas.
Zelf-concept: Begrijpen van onszelf
Self-concept: De kennis en overtuigingen van individuen over zichzelf,hun eigen ideeen, gevoelens,
attituden en verwachtingen.
Self-esteem: de waarde die we onszelf geven over onze eigen karakteristieken, mogelijkheden en
grdragingen. Het is dus een affectieve reactie. Dit wordt soms gezien als evaluerende deel van het
self-concept.
Diversity and identity
Vertrouwen en prestatie zijn reciproque gerelateerd. Ze hebben allebei invloed op elkaar. Voor de
meeste groepen geld dat mannen meer vertouwen hebben in wiskunde en wetenschap. Verschillen
tussen mannen en vrouwen zijn klein maar wel consistent over verschillende studies.
Als etnische minderheid jeugd kunnen er 4 dingen gebeuren in de zoektocht naar identiteit: 1)
assimilatie (volledig overnemen van waarden en gedrag van meerderheid). 2) separated ( alleen
maar omgaan met mensen van je eigen etniciteit). 3) marginality (leven in een meerderheid maar je
daar onprettig voelen en deels jezelf blijven). 4) biculturalisme (ookwel integration genoemd, in
beide culturen blijven).
Emotional and Moral Development
Bij twee a drie jaar oud beginnen kinderen de theory of mind te ontwikkelen: het begrip dat andere
mensen ook mensen zijn met hun eigen gedachten, geheugen, gevoel, geloof, verlangens en
percepties. Een uitleg aan autisme is dat ze deze theorie missen.
Perspective-taking ability: het begrip dat anderen andere gevoelens en ervaringen hebben. Dit
ontwikkeld zich als de kinderen de theory of mind ontwikkelen.
Terwijl ze de theory of mind ontwikkelen, ontwikkelen ze ook de moral reasoning: het denkproces
wat betrokken is bij beoordelen over goed/fout vraagstukken. Een van de eerste zaken is de
distributive justice: gedachten over hoe het verdelen van materialen of privileges op een eerlijke
manier gaat binnen leden van een groep. Dit volgt de delen: equality (eerlijke verdeling), merit
(kinderen die harder werken verdienen ook meer, hier komen kinderen naarmate de ontwikkeling
volgt achter) en benevolence (dit ontwikkeld zo rond een jaar of 8, kinderen hebben dan door dat
kinderen soms meer krijgen omdat ze extra behoeften hebben).
Moral realism: fases in ontwikkeling waren kinderen regels als absoluut zien. Als kinderen
interacteren met anderen krijgen ze een morality of cooperation: fases in ontwikkeling waarin
kinderen zich realiseren dat mensen regels maken en dat die ook te veranderen zijn.
Kohlberg introduceerde de moral dilemmas: situaties waarin keuzes niet duidelijk zijn en ook niet
o9nvoorwaardelijk goed.
Hij verdeelde morele ontwikkeling in 3 levels:
1
preconventional: wanneer een besluit alleen gemaakt wordt voor eigen behoeften en
percepties.
2
Conventional: wanneer de verwachtingen van een gemeenschap en het recht in acht
worden genomen.
3
Postconventional: wanneer een beoordeling gebaseerd is op een abstract, meer
persoonlijk principe van recht die niet noodzakelijk in de gemeenschapswetten staan.
Een van de sterkste tegengeluiden is dat deze faes uit de westerse mannenwereld komt die
individualistisch is.
Social conventions: goedgekeurde regels en manieren om dingen te doen in een bepaalde situatie.
Internalise: gedrag waarbij kinderen externe standaarden overnemen als zijnde hun eigen.
Hoofdstuk 4, Learner differences and Learning needs
Individual differences in Intelligence
Als mensen een disability hebben, bijvoorbeeld dyslexie, dan is het belangrijk om de person-first
language te hebben, dus: de jongen met dyslexie en niet de dyslexier.
Disorder: een brede term waarmee bedoeld wordt de disbalans in fysiek en mentaal functioneren.
Disability: de onmogelijkheid om iets specifieks te doen zoals lopen of horen.
Handicap: een nadeel in een bepaalde situatie, soms veroorzaakt door een disability.
Het is geen discussie dat mensen varieren in intelligence: de mogelijkheid of mogelijkheden om
kennis op te doen en te gebruiken om problemen op te lossen en het aan te passen voor de wereld.
Er zijn vroege theorieën over de natuur van intelligentie, het gaat hierover:
- Capaciteit om te leren
- De totale kennis van een persoon
- De mogelijkheid om je aan te passen aan nieuwe situaties en de omgeving in het algemeen.
Spearman was de eerste die wetenschappelijk onderzoek deed naar intelligentie. Hij zei dat er 1
mentale atribuut is: de G. (general intelligence). Ook de kijk van Cattell-Horn is blijven bestaan: Fluid
intelligence: mentale efficiëntie, non-verbale mogelijkheden die de grondslag geven voor
hersenontwikkeling. Deze groeit tot de adolescentie. Deze vorm is gevoelig voor ongelukken. In
tegenstelling tot crystallised intelligence: de mogelijkheid om cultureel beproefde probleem
oplossingsmethoden toe te passen. Deze vorm groeit het hele leven.
Tegenwoordig is intelligentie net zoals het self-concept een vorm met vele facetten en met een
hiërarchie. (Figuur 4.1, blz 134).
Gardner’s theory of multiple intelligences: hierin hebben pesonen 8 gescheiden mogelijkheden:
- Logical-mathematical
- Linguistic
- Musical
- Spatial
- Bodily-linestetic
- Interpersonal (anderen begrijpen)
- Intrapersonal (jezelf begrijpen)
- Naturalist (observeren en begrijpen van natuurlijke en menselijk gemaakte systemen)
Bewijs hiervoor kreeg hij door mensen met hersenschade. Volgens hem heeft intelligentie een
biologische basis. Kritiek is dat het hier gaat om talenten en persoonlijkheidseigenschappen.
Emotional Intelligence (EQ): de mogelijkheid om emotionele informatie accuraat en efficiënt te
processen. Je hebt 4 mogelijkheden hiermee:
1
perceiving (gewaarworden, waarnemen)
2
integrating (integreren)
3
understanding (begrip)
4
managing emotions (emoties managen)
Sternberg’s Triarchic theory of successful intelligence: een driedelige beschrijving van de mentale
mogelijkheden (denk processen, coping met nieuwe ervaringen, adapteren naar een context) die
leiden naar een meer of minder intelligent gedrag.
Successfun intelligence is volgens hem: de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor succes in het
leven volgens zijn/haar eigen definitie van succes en in diens eigens socoiculturele context. Drie
delen:
- analytische kanten (mentaal proces wat leidt tot meer of minder creatief gedrag, dit bestaat
uit een aantal componenten)
- creatieve kanten (omgaan met nieuwe ervaringen. Intelligent gedrag heeft 2 kenmerken: 1)
insight: de mogelijkheid om effectief om te gaan met nieuwe situaties, en 2) automaticaly:
het leren een bepaald gedrag zo uit te voeren of om op zo’n manier te denken dat het
uitgevoerde automatisch gaat en het geen inspanning kost)
- praktische kanten (her kiezen om in een situatie te gaan werken/leven waarin succes
behaald kan worden.
Praktische intelligentie is vooral gebaseerd op tacit knowledge: kennis die je leert door het leven
heen, gewoon door te leven, in plaats van scholing.
Binet’s testen zorgde ervoor dat de mentale leeftijd onderzocht kon worden: een intelligentietest
waarbij je een score hebt tegenover het gemiddelde van mogelijkheden van leeftijdsgenoten.
Intelligence quotient (IQ): een score voor het vergelijken van mentale en chronologische leeftijd.
Deviation IQ: score gebaseerd op een statistische vergelijking van de performance van een persoon
met de gemiddelde performance van anderen van die leeftijd.
Flynn effect: door een betere gezondheid, kleinere families, verhoogde omgevingscomplexiteit en
meer en betere scholing stijgen de IQ scores langzaam maar zeker.
Ability differences and teachong
Streaming or between-class ability grouping: wanneer de klassen worden gevormd gebaseerd op de
mogelijkheden die ze hebben.
Within-class ability grouping: systeem van groepen maken waarin binnen een klas 2 of 3 subgoepjes
zijn gebaseerd op de mogelijkheden en dus de individuele verschillen.
Learning styles and preferences
Learning styles: de karakteristieke benaderingen voor leren en studeren. Grofweg in 2 delen:
- deep-processing approach: een manier van loeren waarbij je de achterliggende concepten
en betekenissen probeert te begrijpen.
- Surface processing approach: zorgen dat ze het te leren materiaal in het geheugen krijgen,
ze hoeven het niet te begrijpen.
Learning preferences: geprefereerde manier van studeren en leren, zoals het gebruik van foto’s ipv
tekst, alleen werken ipv samen, leren in gestructureerde omgeving of andersom ed. preferences is
een meer accuraat label dan style en is dus iets anders.
Indeling volgens Mayer:
Cognitive ability
- High spatial ability: goede mogelijkheden om te creeren, onthouden en plaatjes te
manipuleren en voor spatiele informatie.
- Low spatial ability: weinig mogelijkheden voor deze bovenstaande mogelijkheden.
Cognitive style
- Visualiser: denken gaat via visuele plaatjes en visuele informatie.
- Verbaliser: denkt door gebruik van woorden en verbale informatie.
Learning preference
- Visual learner: heeft het liefste instructie door middel van plaatjes
- Verbal learner: heeft het liefst instructie door middel van woorden
Inclusion
Inclusion: her integreren van alle leerlingen, inclusief degenen met mindere mogelijkheden, in
gewone klassen. In de Code of Practice staat dat kinderen met mindere mogelijkheden gewone
educatie moeten krijgen met misschien wat extra aandacht.
Ieder kind die in het register staat van School Action (school moet familie inlichten en actie
ondernemen omdat het kind een lage SEN heeft) krijgt een individual education plan (IEP):dit wordt
gemaakt/gevolgd door het curriculum heen door een leerling met leermoeilijkheden en disabilities
en geeft een strategie er die ingaat op de individuele behoeften van de leerling.
The most common challenges
Learning difficulty/disability: problemen met het opdoen en gebruik van taal, ook kan dat
moeizaam lezen, schrijven, redeneren en wiskunde zijn.
Learned helplessness: de verwachting, gebaseerd op eerdere ervaringen van te weinig controle, dat
alle wil van een persoon leidt tot falen. Dit is een krachtig geloof die sommige kinderen kunnen
hebben.
Op blz 156 staat een schema van hoe je werkt met kinderen met een leerprobleem.
ADHD: een term voor een ontwrichtende gedragsstoornis gekenmerkt door overactiviteit,
ongelofelijk veel moeilijkheid om de aandacht vast te houden of impulsiviteit. Jongens lijden hier
meer aan dan meisjes. Onderzoek laat eigenlijk zien dat de oorzaak biologisch is: een onbalans van
chemicaliën. Genen zijn sterk betrokken.
Dyslexia: een leermoeilijkheid waarbij het gaat om taal. 2 tot 15% van de mensen heeft het. Hier zijn
hersengebieden bij betrokken. Wat kan helpen is kinderen individuele geluiden te laten
identificeren. Voor werken met dyslexie kijk op blz 160.
Dyscalculia: de conditie waarin er moeilijkheden zijn met arithmetical vaardigheden. Werken
hiermee op blz 162.
Intellectual disabilities: het significant onder het gemiddelde zijn van intellectueel en adaptief
sociaal gedrag, dit moet voor de 18e optreden. Het is een alternatieve naam voor learning
difficulty/disability. Meestal wordt 70 op een IQ score genomen als grens van leermoeilijkheden of
intellectual disabilitie.
Emotional and behavioural disorders: gedrag en emoties die zo erg van de norm afwijken dat ze het
groeien en ontwikkelen van het kind in de weg staan of het leven samen met anderen in de weg
staan: ongepast gedrag, ongelukkig zijn of depressie, angst of boosheid en problemen met een
relatie.
Vaak gebruiken mensen met een emotie of gedragsstoornis drugs, maar dit hoeft niet altijd zo te
zijn. Ook ‘gezonde’ mensen gebruiken drugs.
Less prevalent problems and more severe disabilities
Cerebral palsy: aandoening waarbij een range van motor of coördinatie problemen zich voordoen
met als oorzaak hersenschade. Dit wordt gekarakteriseerd door spacticity: buitengewoon
gespannen of gevoelige spieren. Vaak hebben ze ook nog secundaire problemen. Hier kunnen
leraren wel mee helpen, zoals spraakproblemen, visuele handicap of een minder IQ.
Een seizure is een combinatie van gedrag in respons op abnormale neurochemische activiteit in de
hersenen.
Epilepsy: aandoening welke gekenmerkt is door seizure en veroorzaakt door abnormale elektrische
ladingen in de hersenen. Niet alle seizures worden veroorzaakt door epilepsie, hoge koorts of
infectie zou ook kunnen.
Absence seizure: (ook wel partial seizure) een seizure van een klein deel van de hersenen, een kind
raakt hierdoor slechts kort het contact kwijt. Terwijl generalised or tonic-clonic seizure: een seizure
van een groot deel van de hersenen. Vaak zijn het oncontroleerbare bewegingen die twee tot vijf
minuten duren. Na ‘ontwaken’ is de persoon vaak verwart en moe.
Blinde mensen zijn her grootste percentage van de mensen met een handicap op school.
Vijf op de 1000 kinderen hebben een ernstige leerstoornis. En veel van deze kinderen hebben
autisme of ASD (autistic spectrum disorder).
Autism spectrum disorders: ontwikkelingsstoornis die significant de verbale en non-verbale
communicatie en sociale interactie stoort, vaak uitkomend voor een leeftijd van 3 jaar en heeft een
mogelijkheid van mild tot erg. Ze hebben moeite met connecties met anderen, hebben vaak geen
oogcontact en geven geen uiting aan gevoelens. Verandering in omgeving is erg moeilijk voor ze.
Asperger syndrome: heeft veel van de karakteristieken van autisme, maar de grootste problemen
liggen op het gebied van de sociale relaties. Dit valt binnen het autistisch spectrum. Mensen met
autisme scoren vaak onder het gemiddelde van IQ, maar kinderen met asperger hebben vaak een
gemiddelde of een bovengemiddelde IQ.
Vroege interventies gericht op communicatie en sociale vaardigheden zijn belangrijk.
Een verklaring voor deze aandoeningen kan zijn dat ze geen theory of mind hebben: het besef dat zij
en andere mensen een gedachte, geloof en emoties hebben.
Learners who are gefted and talented
Gifted and talented learners: een erg slimme, creatieve en getalenteerde student (pupil).
het is zowel een kwestie van gedrag/nurture en talent en genen/nature.
Mensen met uitzonderlijk talent, mn meisjes-adolescenten hebben vaker last van depressie en
andere sociale en emotionele problemen dan gemiddeld.
Leraren zijn maar in 10 tot 50% van de gevallen succesvol in het identificeren van getalenteerde
kinderen.
Hoofdstuk 5, Culture and Diversity
Today’s diverse classrooms
Mensen die in de 20e eeuw naar het westen kwamen warden verwacht te assimileren. Het werd een
melting pot: een metafoor voor de absorptie en assimilatie van immigranten in de meerderheid van
de gemeenschap zodat etnische verschillen verdwijnen.
Aan de andere kant staat integratie waarin zowel de meerderheid als de etnische minderheid meer
op elkaar proberen te lijken. Multiculturalisatie is het proces waarin de integratie verschillend werkt
voor verschillende groepen.
Cultural deficit model: een model die een verklaring geeft voor prestatieproblemen voor etnische
minderheden door ervan uit te gaan dat hun cultuur inadequaat is en ze niet klaar maakt voor
succes op school.
Multicultural education: scholing die gelijkheid promoot voor alle pupillen. Er is echter geen ‘beste’
aanpak.
Banks zei dat multicultureel onderwijs 5 dimensies heeft:
1
content integration: gebruik voorbeelden uit alle verschillende culturen.
2
the knowledge Construction process: het begrip helpen te krijgen dat culturele
aannamen de kennis bepaald.
3
An equity pedagogy: lesstijlen aanpassen op leerstijlen.
4
Prejudice reduction: de karakteristieken van de leerlingen’s raciale attituden leren
kennen.
5
An empowering school culture and social structure: hou alles in de gaten en zorg voor
een goede school.
Multiculti scholing verwerpt het idee van een melting pot.
Culture: de kennis, waarden, attituden en tradities die het gedrag van een persoon of een groep
leiden en ze in staat stelt problemen in het leefomgeving op te lossen.
Economic and social class differences
Sociologen en psychologen combineren rijkdom, macht ed in een index die socioecomomic status
(SES) heet: de relatieve stand binnen een gemeenschap gebaseerd op inkomen, macht, achtergrond
en prestige.
Mensen zijn zich wel bewust van hun sociale klasse maar vaak niet van hun SES. Er zijn 4 graden van
SES:
1
upper class
2
middle class
3
working class
4
lower class
kinderen die opgroeien in arme buurten hebben viezere lucht, viezer water en het is waarschijnlijk
dat zij ook veel meer lood in de omgeving hebben. Je krijgt stress en van stress komt geweld en dat
heeft een erg groot effect op fysiek en mentaal opgroeien.
Arme kinderen worden vaak geen vragen gesteld tijdens de lessen om ze niet voor gek te zetten en
daardoor gaan de kinderen denken dat ze niet goed zijn in schoolwerk. Dus lage verwachtingen
zorgen voor een laag zelfbeeld.
Resistance culture: groepswaarden en geloven die weigeren het gedrag en de attituden van de
meerderheid over te nemen. Dit kan ook een reden zijn van lagere ontwikkeling bij lage SES.
Een andere is streaming: het groeperen naar mogelijkheden voor het schoolrooster en daardoor
bloot stellen aan andere academische ervaringen. Dit is iets anders dan setting: groeperen naar
mogelijkheden op een bepaald onderdeel (bijvoorbeeld een vak).
Het helpt om arme kinderen preschooltraining te geven. Hierdoor komen ze beter mee.
Ethnic and racial differences
Ethnicity: een cultuurgoed (heritage) die gedeeld wordt met een groep mensen. Race: een groep
mensen die een biologisch kenmerk deelt die wordt gezien als self-defining door mensen van die
groep. Sociologen gebruiken soms de term minority Group: een groep mensen die en sociaal nadeel
hebben (niet altijd een minority in aantallen).
Cultuurconflicten gaan vaak over kleine verschillen die onder de oppervlakte liggen.
Prejudice is dicht gerelateerd tot prejudge. Prejudice: irrationeel generaliseren van een hele
categorie mensen. Dit komt door geloof, emoties en gevoeligheden voor bepaalde acties. Er zijn
twee geloven: dat kinderen ‘kleurenblind’ zijn in het beoordelen van mensen en dat kinderen niet
gebiased zijn in het vooroordelen van mensen en dat ze dat geleerd hebben van ouders. Dit is niet
bewezen. Bij 5 jaar kunnen kinderen al racistische opmerkingen maken.
Prejudice is niet alleen een vorm van ingroup, self-justification of een emotionele reactie, maar het
is ook een culturele waarde.
Stereotype: een schema die de kennis of percepties organiseert over een bepaalde categorie. Zo
maak je ook als kind een schema over bijvoorbeeld buitenlanders. En die schema’s gebruiken we om
betekenis te geven aan de wereld.
Discrimination: het behandelen of oneerlijk/ongelijke behandelen van een bepaalde categorie
mensen.
Stereotype threat: het risico van het bevestigen van een negatief stereotype verwachting van een
bepaalde groep.
Mocht het leren niet goed gaan dan hebben studenten een zelfverdedigingsmechanisme. Ze zeggen
dat het ze niet interesseert, wiskunde is voor nerds ed. dit heet: disidentify. Mn zwarte mannelijke
studenten hebben dit.
Girls and boys: differences in the classroom
Sexual identity: een complexe combinative van het geloof over en orientatie op geslachtsrollen en
seksuele orientatie. Het gaat dus over: geslachtidentiteit (de zelfidentificatie van een persoon als
man of vrouw), geslachtsrol gedrag (is dat gedrag die de cultuur vind passen bij het geslacht) en
seksuele orientatie (de keus van de persoon voor een sekspartner).
De overgang naar homoseksualiteit is meestal: feeling different, feeling confused and acceptance.
Maar kritiek hierop is dat de fases niet zo vast liggen en dat oriëntatie in het leven kan wisselen.
Gender-role identity: geloof over karakteristieken en gedragingen wat geassocieerd is met een
bepaalde sekse zoals gedacht door de ander. Het is een deel van het self-concept.
Door interactie met peers, familie en leraren ontwikkelen kinderen gender schemas: georganiseerde
netwerken over wat het betekend om jongen of meisje te zijn. Zo heb je ook een gender schema
theory:
Geloof van mensen in
Behandeling man/vrouw
gender schema
invloed van processing van sociale info
zoals attentie, geheugen ed.
Of
Invloed van self-esteem
Gender biases: andere kijk om meisjes en jongens, vaak het ene geslacht favoriet boven het andere.
Dit wordt vaak gevoed door scholen. Leermiddelen moeten gecheckt worden op stereotypen.
In de eerste jaren van het leven zijn er in mentale mogelijkheden weinig verschillen te vinden tussen
jongens en meisjes. Maar bij 8-9 jarigen lezen meisjes beter dan jongens.
Language differences in the classroom
Dialect: rechts-geregelde variatie op een taal die gesproken wordt door een bepaalde groep. Dit is
een onderdeel van een collectieve identiteit van een groep.
Disidentification: recognition of a subpersona of self-image, which may of may not be used
according to social context.
Homonyms: als de uitspraak anders is zoals bij dialecten kunnen woorden wel hetzelfde klinken
maar hebben ze een andere betekenis. Code-switching: het succesvol omwisselen/switching tussen
culturen in taal, dialect of non-verbaal gedrag om binnen een situatie te passen.
Bilingualism: twee talen vloeiend spreken. Maar het is meer, het gaat niet alleen om taal maar ook
om de hele culturele achtergrond. Hier zijn 3 termen mee geassocieerd:
1
English language learners (ELL): leerlingen waarvan de primaire taal niet Engels is.
2
Emglish as a second language (ESL): graad voor programma’s en klassen om Engels te
leren aan studenten die niet van nature Engels spreken.
3
English as a additional language (EAL): graad voor programma’s en klassen om Engels te
leren aan mensen die het niet spreken van nature en ook nog andere talen kunnen
spreken.
Semilingual: niet erg bekwaam in elke taal, spreekt 1 of meer talen inadequaat.
Creating culturally responsive schools
Culturally responsive schools: scholen die ervoor zorgen dat de culturele diversiteit gelijk verdeeld is
en toegankelijk is in het leraar-leerling proces. Ze willen racisme, seksisme en klassisme elimineren.
Culturally relevant pedagogy: perfect lesgeven voorleerlingen van ethnische minderheden met
academisch succes, ontwikkeling, cultuur behouden en een nieuwschierige status quo creeren.
Leerlingen moeten:
- academisch succes ervaren
- ontwikkelen van en behouden van de culturele competence
- ontwikkelen van een kritische nieuwschierigheid
Resilience: de mogelijkheid nemen/hebben om je succesvol te ontwikkelen ondanks de moeilijke
omstandigheden en gevaren. ze moeten:
- stabiele en continue zorg krijgen
- snel leren lezen
- aanmoediging krijgen van ouders
- vrienden hebben die het goed doen op school
Diversity in learning
Vier waarden van blz 228:
- familie loyaliteit
- religieuze verplichtingen (obligation)
- verwachting van gemeenschap
- culturele tradities
Sociolinguistics: de studie naar de formele en informele regels van het hoe, wat, wanneer, tegen wie
en hoe lang te spreken te spreken in conversaties binnen culturele groepen.
Pragmatics: de regels van het hoe en waneer taal te gebruiken om een effectieve communicator te
zijn in een bepaalde cultuur.
Participation structures: de formele en informele van hoe je deel moet nemen bij een bepaalde
activiteit.
Digital device: de verschillen in het bereiken van technologie tussen arm en rijk.
Hoofdstuk 6, Behavioural views of learning
Een van de eerste uitleggen van leren was van Aristoteles, 384 BC. Hij zij dat we dingen herinnneren
door:
1
als ze op elkaar lijken
2
wanneer ze contrasteren
3
wanneer ze contiguous zijn (samen optreden)
Contiguity: associatie tussen twee gebeurtenissen omdat ze zich in paren herhalen.
Stimulus: gebeurtenis die een gedrag activeert. Response: observeerbare reactie van een stimulus.
Contiguity speelt ook een grote rol bij een andere manier van leren, namelijk klassieke
conditionering.
Classical conditioning: (associatie van automatische responsen met een nieuwe stimulus) geeft een
uitleg aan hoe we deze responsen geleerd hebben en focust op het leren van involuntary
(willekeurig) emotioneel of fysiologische responsen zoals angst, verhoogde spierspanning of zweten.
Deze worden soms respondents (responsen, automatisch of onwillekeurig) uitgelokt door specifieke
stimuli) genoemd omdat ze automatische responsen zijn op stimuli. Door klassieke conditionering
kunnen mensen of dieren getraind worden om onwillekeurig op een stimulus te reageren die
voorheen geen effect had.
Neutral stimulus: een stimulus die niet verbonden is met een respons.
Unconditioned stimulus (US): een stimulus die automatisch een emotionele of een fysiologische
respons produceerd.
Unconditioned response (UR): natuurlijk gebeurende emotionele of fysiologische respons.
Conditioned stimulus (CS): een stimulus die een emotionele of een fysiologische respons
veroorzaakt na conditionering.
Conditioned respons (CR): een aangeleerde respons op een eigenlijke neutrale stimulus.
Verhaal op blz. 247.
Operant conditioning: trying new responses
Het meeste gedrag zijn geen onwillekeurige responsen. Operants: vrijwillig (en over het algemeen
doelgerichte) gedrag gedaan door een mens of dier.
Operant conditioning: het leren waarbij het vrijwillige gedrag wordt versterkt of verzwakt door
consequenties of antecedenten.
B.F. Skinner wordt gezien als grondlegger in 1953. Veel menselijk gedrag zijn operanten en geen
respondenten. Antecedents: gebeurtenissen die voorafgaan aan een actie. Consequences:
gebeurtenissen die volgen op een actie. Deze relatie kan gezien worden als een antecedentbehaviour-consequence (of A-B-C) relatie. Het type en timing van een consequensie kan zowel het
gedrag versterken of verzwakken.
Een reinforcement (het gebruik van conequentoes om het gedrag te versterken) wordt vaak gezien
als een beloning. Een reinforcer (elke gebeurtenis die volgt op een gedrag en de waarschijnlijkheid
dat een gedrag nogmaals vertoont wordt verhoogt) is elke consequentie die ervoor zorgt dat het
gedrag versterkt. Dus per definitie is de frequentie vaker of de duur langer bij gereinforced gedrag.
Er zijn twee manieren van reinforcement:
- positive reinforcement: het gedrag versterken door een gewilde stimulus te geven na het
gedrag. Voorbeeld: pikken op een rode sleutel om zo voedsel te krijgen voor een dier of een
nieuwe outfit aan hebben geeft veel complimentjes. Dit kan ook voorkomen als het gedrag
niet positief is.
- Negative reinforcement: het gedrag versterken door een aversive (irritante of onplezierige)
stimulus weg te halen als het gedrag wordt getoond. Voorbeeld: het tikken in de auto als de
gordel nog niet om is, als je die om doet is het getik weg.
Positieve of negatieve reinforcement is er altijd om het gedrag te versterken. Punishment: is er altijd
om gedrag te verzwakken of te onderdrukken.
Ook punishment is er in twee vormen:
- Presentation (or positive) punishment: Type 1 straffen: de kans dat het gedrag getoond
wordt verkleinen door een aversive stimulus te geven nadat het gedrag vertoond wordt.
Voorbeeld: bij leraren door het nablijven of extra werk ed.
- Removal (or negative) punishment: Type 2 straffen: de kans dat het gedrag getoond wordt
verkleinen door een prettige stimulus weg te halen nadat het gedrag vertoond wordt.
Als er aan kinderen iets geleerd wordt, leren ze sneller als ze gereinforced worden voor elke correcte
respons. Dit is een continuous reinforcement schedule: een reinforcer geven na elke goede respons.
Dan, als een gedrag goed aangeleerd is, gaan we over tot een intermittent reinforcement schedule:
een reinforcer geven na sommige goede responsen, maar niet allemaal.
Hier zijn ook weer twee typen:
- Interval schedule: lengte van de tijd tussen de reinforcers
- Ratio schedule: reinforcement die gegeven wordt aan de hand van het aantal responsen.
Zie tabel 6.1 blz 253.
Extinction: het verdwijnen van een aangeleerde response.
Stimulus control: capaciteit van de aan- of afwezigheid van antecedenten die het gedrag
veroorzaken.
Cueing: het geven van een stimulus die het goede gedrag triggert. Dus een antecedent stimulus
aanbieden net voor het gewenste gedrag. Dit is handig als het gedrag binnen een bepaalde tijd moet
maar wordt snel vergeten.
Prompt: de herinnering die een cue volgt om zeker te weten dat een persoon op de cue reageert.
Applied behaviour analysis
Applied behaviour analysis: het toepassen van gedragsleerprincipes om gedragsverandering te
begrijpen. Soms wordt deze methode behavioural modification genoemd: systematisch toepassen
van antecedenten en consequenties om gedrag te veranderen. Dit wordt vaak gezien als negatief.
Om dit toe te passen is veel specificatie nodig.
Er zijn veel manieren om bestaand gedrag te behouden of nieuw gedrag aan te leren: praise,
premack principle, shaping en positive practice.
-
-
-
-
Praise: het accentueren van het goede terwijl negatief gedrag geignored wordt. Een
strategie is: differential reinforcement: het negeren van ongepast gedrag maar zogauw
gepast gedrag wordt vertoond dit belonen.
Praise and ignore approach: lost niet alle klasproblemen op, nagatief gedrag gaat vaak door
als alleen van deze strategie gebruik gemaakt wordt. Om effectief te zijn moet je: 1)
consequent zijn voor positief gedrag, 2) dit gedrag specificeren, 3) geloofwaardig zijn.
Premack principle: leuke dingen zijn een goede reinforcer voor dingen die niet zo leuk zijn.
Dit heet ook wel ‘oma’s regel’: eerst moet je doen wat ik zeg en daarna mag je doen wat je
wilt. Om effectief te zijn met dit principe moet eerst het gedrag worden gedaan wat niet zo
leuk is.
Shaping: elke kleine stap belonen/reinforcen in de progressie naar het uiteindelijk verlangde
doel. Dit heet ook wel Successive approximations: kleine componenten die samen een
complex gedrag maken. Een benadering die kleine stappen identificeert is de task analysis:
ontworpen door Miller: systeem die een taak hierarchisch afbreekt in basishandelingen en
sub-basishandelingen.
Positive practice: het oefenen van correcte responsen direct nadat het fout is gegaan. Dit is
erg geschikt voor academische errors.
Een andere manier om slecht gedrag te stoppen is satiation: de persoon het gedrag moeten laten
herhalen tot het moment van interesse en motivatie voorbij is.
Ook kan dat door middel van reprimands: kritiek op slecht gedrag, berisping. Soft en kalm is hierbij
veel beter dan hard en luid.
- Response cost: straffen door reinforcers weg te halen. De leraar geeft een streepje achter
de naam en bij zoveel streepjes wordt een privilege weggehaald.
- Social isolation: weghalen van de onrustgevende persoon voor 5 of 10 minuten. Dit is erg
controversieel. Deze methode heet ook wel time out: het weghalen val alle reinforcements,
het weghalen van een persoon uit een klas.
Straffen alleen leidt niet tot positief gedrag. Als leraren dit gebruiken moet het onderdeel zijn van
een tweeluik.
Positive behavioural supports (PBS): ontworpen om het probleemgedrag te verwisselen met nieuwe
acties die hetzelfde doel hebben voor de leerling. Het proces van het begrijpen van het
probleemgedrag heet functional behavioural assessment (FBA).
Behavioural approaches to teaching and management
Good behavior game: het verdelen van de klas in verschillende teams waarbij elke groep punten
krijgt voor goed gedrag of punten worden weggehaald voor slecht gedrag. Group consequences: het
belonen of straffen van een hele klas bij goed of verkeerd gedrag. Alleen is het vaak moeilijk om alle
kinderen een beloning te geven. Wat kan helpen hierbij is token reinforcement system: systeem
waarbij punten die verzameld zijn voor het goede gedrag ingewisseld kunnen worden voor iets wat
ze graag willen. Echter, deze manier is wel gecompliceerd en neemt veel tijd in beslag. Ze moeten
alleen in 3 situaties gebruikt worden: 1) om leerlingen die totaal ongeïnteresseerd zijn en waarbij
iets anders niet werkt gemotiveerd te maken, 2) om leerlingen die geen vooruitgang boeken aan te
moedigen, 3) om te dealen met een klas die out of control is.
Contingency contract: een contract tussen een leraar en een leerling waarin staat wat de leerling
moet doen om een privilege of een beloning te krijgen.
Observational leraning and cognitive behaviour modification: thinking about behavior
Social learning theory: theorie die zegd dat leren komt door het observeren van anderen. Dit wordt
gezien als een neobehaviourist benadering. Bandura had het verschil tussen: verkrijgen van kennis
(leren) en observeerbaar gedrag gebaseerd op kennis (gedrag). Hij zei dat we allemaal meer weten
dan dat we ons gedragen.
Social cognitive theory: een theorie die ook cognitieve factoren toevoegt zoals geloof, self-perceptie
en verwachtingen aan de sociale leer theorie.
- Enactive learning: leren door de doen en het ondergaan van de consequenties van je acties.
- Vicarious learning: leren door anderen te observeren.
Observational learning: leren door het observeren en imiteren van anderen. Deze heeft volgens
Bandura 4 elementen:
- Attentie hebben
- Behouden van informatie en impressies
- Gedrag vertonen
- Gemotiveerd zijn
Vicarious reinforcement: de kans vergroten dat we het gedrag herhalen door te kijken naar een
persoon die gereinforced wordt bij dat gedrag.
Self-reinforcement: je eigen reinforcers controleren. Dit is belangrijk voor leraren en leerlingen
Self-efficacy: het geloof van een persoon dat deze effectief een taak kan volbrengen.
Ripple effect: aanstekelijke spreiding van gedraag door middel van imitatie.
Modelling: Verandering in gedrag, denken of emoties die komen door het observeren van een ander
persoon – een model.
Self-management: gebruik van gedragsleerprincipes om je eigen gedrag te veranderen.
Cognitive behaviour modification: een procedure gebaseerd op zowel gedragsmatige als cognitieve
principes om je eigen gedrag te veranderen door gebruik te maken van self-task en zelfinstructie.
Self-instruction: jezelf door een taak heen praten, stappen hierbij:
- Cognitive modelling
- Externe begeleiding
- Zelf begeleiding hardop
- Zelf begeleiding zacht
- Zelf begeleiding door alleen denkprocessen
Hierbij is belangrijk: luisteren, plannen, werken en checken
Hoofdstuk 7, Cognitive views of learning
Elements of the Cognitive Perspective
Tegenwoordig is er nieuwe interesse in het begrip leren, denken en probleem oplossen. Cognitive
view of learning: een algemene benadering die leren ziet als een actief mentaal proces van
verkrijgen, onthouden en het gebruiken van kennis. Mentale processen bestaan, ze zijn
wetenschappelijk te onderzoeken en dat mensen actieve participanten zijn in hun eigen cognitie.
Zowel behaviourist- als cognitive theorists geloven dat reinforcement belangrijk is in het leren, maar
op een verschillende manier. Behaviourists denken dat reinforcements responsen versterken.
Cognitivisten zien reinforcements als bron van informatie die zorgt voor feedback van wat er zou
gebeuren als het gedrag aanhoud of veranderd. Die laatste zien leren als een uitbreiding en een
transformatie van wat we al weten en niet zomaar als een tabula rasa. Leren is een actieve
bezigheid.
Behaviouristen hebben als methode meer het gebruik van dieren in gecontroleerde laboratoria.
Cognitivisten hebben een wijdere range van situaties. Ze kijken meer individueel en zijn minder bezig
met algemene wetten.
Kennis betekend in het cognitieve perspectief zowel onderwerp-specifiek (wiskunde, geschiedenis,
sport) als algemene cognitieve mogelijkheden (plannen, probleemoplossen).
Domain-specific knowledge: informatie die bruikbaar is in een bepaalde situatie of die ingaat op 1
onderwerp. Aan de andere kant heb je general knowledge: informatie die bruikbaar is in veeol
verschillende situaties, informatie bruikbaar voor heel onderwerpen.
The information processing model of memory
Information processing: de activiteit van het menselijk geheugen van zowel het tot je nemen, het
opslaan en het terughalen van informatie. Ze gebruikten de computer als model. Encoding: het tot je
nemen van informatie en dit goed organiseren met wat we al weten. Storage: informatie
vasthouden. Retrieval: informatie terughalen wanneer het nodig is. Het hele systeem wordt geleidt
door control processes: belist wanneer en hoe informatie door het systeem gaat.
Sensory memory: systeem die sensorische informatie erg kort vasthoudt. De capaciteit ervan is erg
groot en kan meer informatie aan dan dat we erin kunnen krijgen. Het houdt het slechts 1 tot 3 sec.
vast. De inhoud van de informatie is hetzelfde als het orgineel.
Perception: de interpretatie van sensorische informatie.
Veel van onze huidige kennis is gebaseerd op de Gestalt: Duits voor patroon of geheel. Gestalt
psychologen zeggen dat mensen hun percep0ties organiseren door er coherente gehelen van te
maken. Gestalt principes: figure-grouns, proximity, similarity en closure (zie figuur 7.2, blz 299).
Feature analysis of Bottom-up processing: het verkrijgen van informatie als gescheiden delen en die
tot een herkenbaar geheel maken. Prototype: het beste voorbeeld of beste representatie van een
categorie.
Top-down processing: waarnemen gebaseerd op de context en patronen die je verwacht te
gebeuren in die situatie.
Attention: focussen op een stimulus. Attentie is selectief. Na oefening kun je een aantal dingen
tegelijk. Automaticity: de mogelijkheid om geleerde taken tegelijk uit te voeren zonder dat het veel
mentale energie kost. Dit is echter in mate van hoeveel. We doen niks helemaal automatisch.
De eerste stap in leren is attentie richten.
Working memory: de informatie waar je op focust op een bepaald moment. Waar nieuwe
informatie tijdelijk blijft en gecombineerd wordt met informatie uit het lange termijn geheugen. Dit
is het geheugen van waaraan je denkt, of ‘bewustzijn’.
Short-term memory: een component van het geheugensysteem die informatie voor ongeveer 20
seconden vasthoud. Dit is een wat oudere term voor het kortere termijn geheugen.
Deze twee dingen zijn niet helemaal hetzelfde. Het werkgeheugen bevat zowel tijdelijke opslag en
actieve processing. Korte termijngeheugen is vaak alleen tijdelijke opslag. Vaak heeft deze de ‘Miller
magic 7’.
Het werkgeheugen heeft 3 componenten:
1
central executive: Dat deel van het werkgeheigen die verantwoordelijk is voor het in de
gaten houden en richten van attentie en andere mentale bronnen. Ook richt het zich op
taalbesef, redeneren en transfer van informatie naar lange termijn geheugen.
2
Phonological loop: een geheugen rehearsal systeem voor verbale en geluid informatie
van 1.5 tot 2 seconden.
3
Visuospatial sketchpad: een vasthoud systeem voor visuele en spatiele (ruimtelijke)
informatie.
Je kunt nummer 2 en 3 tegelijk gebruiken, alleen zijn ze dat beide langzamer en zitten ze snel vol. Er
is individueel verschil in deze delen. Informatie blijft in het werkgeheugen als er activiteit is, en
activiteit krijg je door te focussen. Is er geen attentie dan vergaan dingen snel uit het werkgeheugen.
Figuur 7.3 en 7.4, blz 303 en 305.
Er zijn twee typen rehearsal:
- Maintenance rehearsal: het houden van de informatie in het werkgeheugen door in jezelf te
herhalen. Bijvoorbeeld het onthouden van een telefoonnummer.
- Elaborative rehearsal: het houden van informatie in het werkgeheugen door het te
associëren met iets anders wat je al weet.
De capaciteit van het werkgeheigen kan iets vergroot worden door chunking: het groeperen van
individuele deeltjes informatie in grotere units.
Informatie kan vergeten worden door interference: nieuwe informatie raakt in de war met oude
informatie. Ook kun je vergeten door decay: het verzwakken of verdwijnen door de tijd.
Long term memory: the goal of teaching
Long-term memory: permanente opslag van kennis. De capaciteit is bijne onbeperkt en de input is
relatief langzaam. Ook gaan er gedachten op van een long-term working memory: houd de
strategieën voor het krijgen van lange termijn informatie naar het werkgeheugen.
Declarative knowledge: verbale informatie, feiten, weten dat… . Procedural knowledge: kennis die
gepresenteerd wordt als we een taak uitvoeren, dus het weten hoe.. . dus het niet alleen beniemen,
maar ook uitvoeren. Conditional knowledge: het weten ‘wanneer en waarom’, om het procedureel
endeclaratieve geheigen te gebruiken.
Dit zijn de delen van het langer termijn geheugen.
Paivio vond dat informatie het best te onthouden is als het zowel visueel als verbaal wordt
opgeslagen.
De meeste psychologen vinden dat het langer termijn geheugen uit de volgende onderdelen bestaat:
- Explicit memory: bewust geheugen
o Episodic memory: je eigen ervaringen. Als het dramatische of emotionele
gebeurtenissen zijn heten ze: flashbulb memories: heldere, levende herinnering van
een emotioneel belangrijke gebeurtenis in je leven.
o Semantic memory: geheugen van betekenis; feiten en algemene kennis
- Inplicit momory: kennis die we niet bewust kunnen terughalen, maar toch beïnvloed het
onze gedachten en gedrag.
o Classical conditioning effects: geconditioneerde emotionele reacties
o Procedural memory: motor-vaardigheden, gewoonten, stille regels. Dus het langer
termijn geheugen voor hoe je dingen moet doen. Deze worden vaak gezien als
productions: regels van welke acties gevolgd moeten worden in bepaalde
omstandigheden.
o (het laatste deel van het impliciete geheugen is priming: het activeren van een
concept of een verspreiding van activatie van het ene concept op het andere.
Een proposition is de kleinste unit van kennis die als waar/onwaar bestempeld kan worden.
Propositional network: set van interverbonden concepten en relaties waarin lange termijn kennis
wordt vastgehouden. Images: representaties die gebaseerd zijn op fysieke attributen – dus het
verschijnen – van informatie. Schemas: Basisstructuren voor het organiseren van informatie,
concepten. Story grammer: typische structuur of organisatie voor een categorie verhalen. Script:
schema of een verwacht plan voor de volgorde van stappen in een veelvoorkomende gebeurtenis
zoals het gaan naar een restaurant.
Door gebruik te maken van de volgende onderdelen kun ej zorgen dat informatie in het langer
termijn geheugen komt:
- Elaboration: het toevoegen en het breder maken van de betekenis door nieuwe informatie
te verbinden aan informatie die je al hebt.
- Organisation: een geordend logisch netwerk van relaties.
- Context: de fysieke en emotionele achtergrond die geassocieerd wordt met een
gebeurtenis.
Levels of processing theory: (craik & lockhart) de theorie dat recall van informatie gebaseerd is op
hoe diep het geprocessed is. Dit is een alternatief voor lange en korte termijn geheugen. Dus het
gaat erom hoe goed informatie geanalyseerd is en verbonden is met andere informatie.
Spreading activation: retrieval van stukjes informatie gebaseerd op hun relatie met andere stukjes.
Het herinneren van een klein stukje informatie activeert/stimuleert recall van andere stukjes info.
Dus Retrieval is het zoeken naar en het vinden van informatie in het langer termijn geheugen. Als er
geen informatie gevonden wordt is er altijd nog reconstruction: het recreëren van informatie door
gebruik te maken van herinneringen, verwachtingen, logische en bestaande kennis. Soms is dit
echter incorrect.
Metacognition
Metacognition: kennis van ons eigen denkproces. Deze heeft ook betrekking op de volgende delen:
declaratief, procedurele en conditionele kennis. Dit wordt gebrujikt om denkprocessen en
leerprocessen te reguleren. Hiervoor zijn 3 dingen belangrijk: planning, monitoring en evaluating.
Becomming knowledgeable: some basic principles
Mnemonics: technieken om iets te herinneren, ook wel de kunst van het onthouden. Dit zijn
systematische procedures. Het maken van connecties tussen woorden die onthouden moeten
worden, door bijvoorbeeld tussenwoorden of plaatjes. Loci method: techniek van het associeren van
items met specifieke plaatsen. Dus door je huis lopen en op die dingen komen bijvoorbeeld. Pegtype mnemonics: een systeem van het associeren van items met cue woorden.
Acronym: techniek om namen, zinnen of stappen te herinneren door elke eerste letter van een
woord te gebruiken om een nieuw te onthouden woord te onthouden.
Chain mnemonics: geheugenstrategie die een element in een serie te verbinden met volgende
elementen: TVTAS.
Keyword method:systeem van associeren van nieuwe woorden of concepten met hetzelfde
klinkende cua woorden en beelden.
Rote memorising: het onthouden van informatie door te herhalen zonder dat het nodig is om het te
begrijpen.
Serial-position effect: de gevoeligheid om het begin en het einde van een lijst te onthouden maar
niet het middendeel.
Part learning: het breken van een lijst van rote-learning in kleinere delen.
Distributed practice: het oefenen/doornemen voor een korte periode met een rustperiode ertussen.
Massed practice: het oefenen/doornemen voor een lange periode achter elkaar.
Automated basic skills: skills die toegepast worden zonder echt bewuste gedachten.
Domain-specific strategies: bewust uitgevoerde handelingen om een doel te bereiken in een
bepaald probleemgebied.
Hoofdstuk 8, Complex cognitive processes
Learning and teaching about concepts
Concept: een algemene categorie van ideeën, objecten, mensen of ervaringen waarvan de leden een
zeker verband hebben. Deze bestaan niet in de echte wereld. In de vroege wetenschap deelden
concepten een set defining attributes: afzonderlijke kenmerken die gedeeld worden door leden van
een bepaalde categorie. In ons hoofd hebben we een prototype van een concept: de beste
representatie van een object.
Categorieën hebben geen duidelijke grenzen. Ook kunnen we concepten uitleggen aan de hand van
exemplars: en specifiek voorbeeld van een bepaalde categorie die wordt gebruikt om een item te
classificeren, bijvoorbeeld onze herinnering over een bepaalde vogel. Ook kennis is belangrijk.
Undergeneralisation: het uitsluiten van een echt lid van een bepaalde categorie, waardoor het
concept beperkt blijft. Overgeneralisation: betrekken van onechte leden bij een categorie waardoor
een concept te ver uitgerekt wordt. Concept mapping: het begrip van kinderen of ze het concept
begrijpen.
Volgens Bruner moeten kinderen actief zijn in het leren en niet klakkeloos iets aannemen van de
leraar. Dit proces heet discovery learning: kinderen werken hierbij dus zelf om te ontdekken. Hij
vind dat leren in de klas moet door middel van inductive reasoning: formuleren van principes
gebaseerd op kennis van voorbeelden en details. Dit vereist intuitive thinking: aannamen
doen/gokken gebaseerd op incomplete voorbeelden en die moet je systematisch aan gaan nemen of
afwijzen. Het is niet verkeerd om verkeerd te gokken, zo kunnen kinderen in hun learning zone
komen: een deel van een les of activiteit wanneer een kind open staat om nieuw te leren, meestal is
de motor hiervoor dat kinderen iets niet begrijpen. Je kunt puur ontdekken hebben of je hebt
guided discovery: een aanpassing in het discovery learning waarin de leraar wat richting geeft.
In tegenstelling tot Bruner, geloofde Ausubel dat leren alleen een vorm is van aannamen. Dingen
worden geleerd door deductive reasoning: het maken van conclusies door regels en principes aan te
reiken, deze gaan van algemeen naar specifieke principes. Hij had het volgende model: expository
teaching: ‘ausibel’s method’: leraren presenteren het materiaal in complete, georganiseerde vorm,
van brede naar meer specifieke concepten. Hierdoor krijg je meaningful verbal learning: gefocuste
en georganiseerde relaties tussen ideeen en verbale informatie.
Deze strategie begint altijd met een advance organiser: begint met een inleidend statement (‘in de
moderne geschiedenis’) breed genoeg dat het alle informatie die volgt omvat. Daarna komt een
opsomming van alles wat volgt. In expository learning geef je de leerlingen de nieuwe informatie
allemaal, dus gefinished.
Analogical instruction: het laten leren van nieuwe concepten door verbindingen te maken
(analogieen) met informatie die de student al weet.
Problem solving
Problem: elke situatie waarin je een doel probeert te bereiken en je middelen moet zoeken om deze
te bereiken. Problemen kunnen varieren van well-structured (som) tot ill-structured (studie kiezen).
Problem solving: nieuwe oplossingen creeeren voor problemen. Bransford en Stein hebben de
volgende fases: IDEAL
I
Identify problemen en mogelijkheden
D
Define doelen en definieer het probleem
E
Explore mogelijke strategieën
A
Anticipate op de uitkomen en Act.
L
Look terug en Learn
Schema-driven problem solving: herken het probleem als een verkapte versie van een oud
probleem waar je al een oplossing voor hebt gevonden. Je hebt de Schema-activated route: je gaat
direct naar de oplossing. En de search-based route: als je geen bestaande en directe oplossingen
hebt.
Algorithm: stap voor stap procedure om een probleem op te lossen, een voorschrift van
oplossingen. Het is meestal domeinspecifiek. Een correct antwoord is gegarandeerd. Alleen worden
ze vaak niet systematisch uitgevoerd.
Heuristic: een algemene strategie om een probleem op te lossen. Je hebt er een aantal:
- Means-ends analysis: hierbij is het doel verdeeld in een aantal subdoelen. Hierbij is distance
reduction mogelijk: een pad nemen die direct naar het doel gaat.
- Working-backward strategy: je start met het doel en je werkt achteruit om het probleem op
te lossen. Dit vaak bij geometrische problemen.
- Analogical thinking: het zoeken naar oplossingen wordt hier beperkt door alleen naar
situaties te gaan die vergelijkbaar is met het huidige probleem.
Handig kan zijn om verbalisation te doen: het probleemoplossingsplan om te zetten in woorden en
ook de logica ervan.
Mensen falen vaak om problemen op te lossen omdat ze gefixeerd zijn op conventionele materialen.
Dit heet functional fixedness: de onmogelijkheid om objecten op een nieuwe manier te gebruiken.
Een andere vorm van fixatie is response set: rigiditeit, de gevoeligheid om op de meest bekende
manier te reageren.
Representativeness heuristics: de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis beoordelen op basis van
hoe goed ze bij je prototype past, dus wat jij denkt dat representatief is voor de categorie.
Availability heuristic: als de beoordeling gebaseerd is op informatie in ons geheugen. Belief
perseverance: de gevoeligheid om bij je geloof te blijven, zelfs als het bewijs tegen spreekt.
Confirmation bias: het zoeken van informatie die ons huidige beeld bevestigd.
Insight: het in eens realiseren van de oplossing.
Creativity and creative problem solving
Een aantal fabels over creativiteit:
- Mensen zijn creatief geboren
- Creativiteit gaat samen met andere negatieve kwaliteiten
- Creativiteit is een onduidelijk, soft construct
- Creativiteit wordt versterkt binnen een groep
Creativity: fantasierijk, origineel denken of probleemoplossen
Creatieve mensen moeten hebben:
- Domijnrelevante skills
- Creativiteit relevante processen (karaktertrekken)
- Intrinsieke taak motivatie
Restructuring: opdelen van een normale set van een probleem in andere delen zodat je het
probleem ook op een andere manier kunt zien. Dit is vaak noodzakelijk voor creativiteit, ook moet je
veel kennis over het onderwerp hebben.
Hoofdstuk 9, Social cognitive and constructivist views of learning
Social cognitive theory
Bandura gaf aan in 1960 dat kinderen kunnen leren door observatie van anderen. Zijn social learning
theory: leren door observatie van anderen. Later had hij meer aandacht voor cognitieve facoren en
zijn huidige idee is de social cognitive theory: deze voegt de volgende zaken toe aan het social
learning model: cognitieve factoren zoals geloof, zelf perceptie en verwachtingen.
Reciprocal determinism: een uitleg van gedrag door te kijken naar het gemeenschappelijk
beïnvloeden van individu en omgeving.
Bandura gaf ook aan dat geloof in jezelf belangrijk is. Self-efficacy: het geloof van een persoon dat
hij/zij effectief met een probleem/taak om kan gaan. Deze is toekomst georiënteerd. Het verschil
met self-esteem is dat self esteem meer gaat over de beoordeling van je eigenwaarde en selfefficacy meer een beoordeling is van eigen capaciteiten.
Mastery experiences: onze eigen directe ervaringen, de meest krachtige bron van efficacy
informatie. Arousal: fysieke en psychologische reacties wat maakt dat de persoon alert,
opgewonden of gevoelig is.
Vicarious experiences: een prestatie die gemodelleerd is door iemand anders. Modelling:
verandering in gedrag, denken of emoties die komen door het observeren van een andere persoon –
een model.
Social persuation: een pep-talk of specifieke performance feedback – een bron van self-efficacy.
Applying social cognitive theory
Er is bewijs date en hogere self-efficacy ook een grotere motivatie geeft.
Teachers sense of efficacy: het geloof van de leraar dat hij/zij zelfs de meest moeilijke leerlingen kan
bereiken en ze iets kan leren.
Self regulation: een proces van het activeren en het houden van gedachten, gedrag en emoties om
een doen te bereiken. Volition: wilskracht/zelfdiscipline/werkstijl die kansen beschermt om doelen
te bereiken.
Self-regulated learning: leren als een combinatie van academische leervaardigheden en zelfcontrole.
Agency: de capaciteit om leervaardigheden, motivatie en emotie te coördineren om je doel te
bereiken.
De cirkel van self-regulated learning:
- Analyse van leertaak
- Doelstellen en plan maken
- Strategieen geven om taak te volbrengen
- Reguleren van leren.
Cognitive and social constructivism
Constructivism: een kijk die een actieve rol van de leerling benadrukt in het zorgen voor begrip van
informatie.
Radical constructivism: kennis wordt gezien als de constructie van de individu en kan niet
beoordeeld worden als goed of fout.
‘first wave’ constructivism: dit is meer de piaget vorm: focus op individuele bronnen van kennis.
‘second wave’ constructivism: dit is meer vygotsky: het leren in een sociale en culturele context
zetten.
Community of practice: een sociale situatie waarin ideeen bruikbaar of als waar worden
beoordeeld.
Situated learning: het idee dat vaardigheden en kennis aan een situatie is gebonden waarin ze zijn
geleerd en moeilijk over te brengen zijn in andere situaties.
Complex learning enviroments: constructivisten geloven niet in een georganiseerde manier van
problemen en oplossingen voorleggen maar om dat te doen in een complexe omgeving. De wereld
buiten school heeft weinig hapklare problemen.
Social negotiation: vygotsky, aspecten van het leerproces die berusten op onderhandeling met
anderen met respect voor andere perspectieven. Intersubjective attitude: het aangaan van
gezamenlijke meningen.
Multiple representations of content: het overwegen van problemen door gebruik te maken van
verschillende analogieen, voorbeelden en metaforen. Bruner’s spiral curriculum: een vorm van les
geven waarin in het begin van het schooljaar alle basissen van problemen gegeven worden en dan
worden de problemen steeds verder uitgediept.
Enquiry learning: een aanpak waarbij een leraar een probleem voorlegt en de leerling moet het
probleem op lossen door data te verzamelen en de conclusies te testen. Figuur 9.3, blz 420.
Problem based learning: methode waarbij leerlingen realistische problemen krijgen die geen
duidelijk ‘goed’ antwoord hebben.
Instructional conversations: leerlingen leren bij deze aanpak door middel van interactie met leraren
en peers.
Cognitive apprenticeship: een relatie waarbij een minder ervaren leerling kennis en vaardigheden
vergaart onder begeleiding van een expert. Deze hebben 6 kenmerken:
- Leerlingen observeren expert
- Leerlingen krijgen support door coaching
- Leerlingen krijgen een conceptuele stellage
- Leerlingen brengen hun kennis onder woorden
- Leerlingen reflecteren hun vooruitgang
- Leerlingen ontdekken nieuwe wegen
Stand-alone thinking skills programmes: programma’s waarbij denkvaardigheden direct
overgebracht worden zonder dat er de noodzaak is van uitgebreide kennis.
Critical thinking: het evalueren van conclusies door logisch en systematisch het probleem, het
bewijs en de oplossing te onderzoeken.
Hoofdstuk 10, Motivation in learning and teaching
What is motivation
Motivation: een interne staat die zorgt voor de arousal voor, richting gevend aan en het behouden
van gedrag. Daarbij is er een verschil tussen intrinsic motivation: motivatie voor activiteiten voor je
eigen prijs/beloning. En extrinsic motivation: motivatie gecreëerd door externe factoren zoals
beloning en straf.
Locus of causality: de locatie –dus intern of extern – van de oorzaak van gedrag.
Er zijn verschillende benaderingen voor motivatie:
De eerst was Freud: psychoanalytic theory: deze is gebaseerd op het werk van Freud.
Gedragsmatige benadering: watson, skinner en pavlov. Reward: een aantrekkelijk object of
gebeurtenis die gegeven wordt als consequentie op het gedrag. Incentive: een object of gebeurtenis
die het gedrag aanmoedigt of ontmoedigt.
Humanistische benadering: Rogers. Humanistic interpretation: een benadering die de persoonlijke
vrijheid en keuze benadrukt en het streven naar persoonlijke groei.
Hierarchy of needs: Maslow’s model van de levels van human needs, van basis fysiologische
behoeften tot self-actualisatie. Self-actualisation: het potentiaal vervullen van een persoon.
Deficiency needs: De 4 lagere levels van maslow’s behoeften die eerst vervult moeten worden.
Being needs: het top-level van maslow’s behoeften die ook wel groei-behoeften heten.
Zie figuur 10.1, blz 442, duidelijk plaatje.
Cognitieve benaderingen: hier worden mensen gezien als actief en benieuwd, zoekende naar
informatie. Deze benadrukken intrinsieke motivatie.
Expectancy D7 value theories: uitleg van motivatie die de individuele verwachtingen voor succes
gecombineerd met het vervullen van het doel benadrukken.
Sociocultural views of motivation: een perspectief die participatie, identiteit en interpersoonlijke
relaties binnen een gemeenschap benadrukt.
Legitimate peripheral participation: het echt betrokken zijn bij het werk van een groep, zelfs al zijn
je mogelijkheden onderontwikkeld en je bijdragen zijn klein.
Needs: competence, automomy and relatedness
Need for autonomy: het verlangen om onze eigen wensen te hebben en niet alleen maar externe
beloningen of druk die onze acties prikkelen.
Cognitive evaluation theory: tijdens een schooldag krijg je van alles: complimenten, straf, cijfers,
waardeling ed. deze theorie legt uit dat deze gebeurtenissen invloed hebben op de intrinsieke
motivatie door invloed te hebben op de zelfbeschikking en bekwaamheid.
Goal orientation and motivation
Goal: waarnaar een persoon streeft en bereikt. Als mensen ergens naar streven hebben ze
doelgericht gedrag.
Volgens Locke en latham zijn er 4 redenen waarom doelstellen prestatie verbeterd:
- Dirigeert onze attentie
- Geeft energie aan krachtsinspanning, hoe meer uitdagend hoe meer inspanning
- Verhoogd de volharding (persistence)
- Zet aan tot ontwikkeling van nieuwe kennis en strategieën.
Goal orientation: patronen in het geloof in doelen gerelateerd met de resultaten op school. Hier zijn
4 mogelijkheden voor:
- Mastery goal: persoonlijke intentie om vaardigheden en leren te verbeteren. Het maakt
hierbij niet uit hoe de uitvoering is. Task involved learners: leerlingen die gefocust zijn op
het oplossen van een taak of probleem.
- Performance goal: een persoonlijke intentie om competent te lijken en goed te handelen in
de ogen van anderen. Ego envolved learners: leerlingen die erop focussen hoe goed ze het
doen en hoe ze beoordeeld worden door anderen.
Deze staan ook in tabel 10.2, blz 450.
Work-avoidant learners: leerlingen die niet willen leren en ook niet slim willen lijken maar gewoon
het werk willen vermijden.
Social goals: een grote variatie in behoeften en motieven die in verbinding staan met anderen of
deel van een groep.
Interest and emotion
Persoonlijke interesses zijn langdurig en situationele interesse is kortdurend.
Gemotiveerd zijn voelt aroused. Arousal: fysieke en psychologische reacties die ervoor zorgt dat een
persoon alert, attentie heeft en wakker is.
Anxiety: algemene verontrusting, een gespannen gevoel hebbend.
Beliefs and self-schemas
Entity view of ability: deze geloven dat ability (mogelijkheid/vaardigheden) een gefixeerde
karakteristiek is die niet veranderd kan worden. Sommige mensen hebben nou eenmaal meer
mogelijkheden/vaardigheden dan anderen. Deze mensen zoeken plaatsen waar ze slim lijken.
Incremental view of ability: ze geloven dat ability (mogelijkheid/vaardigheid) een set skills zijn die
veranderd kunnen worden. Het steeds groter en meer worden van skills en kennis.
Atribution theories: beschrijvingen van hoe de uitleg, motivatie en excussen van een persoon hun
motivatie en gedrag beïnvloeden. 3 dimensies:
- Locus
- Stability
- Controllability
Learned helplessness: de verwachting, gebaseerd op eerdere ervaringen bij verlies van controle, dat
alle moeite van een persoon leidt tot falen.
Mastery-oriented learners: leerlingen die gefocust zijn op leerdoelen omdat ze prestatie waarderen
en ze zien de mogelijkheid om te verbeteren.
Failure-avoidance learners: leerlingen die willen voorkomen om te falen door vast te houden aan
wat ze al weten door geen risico te nemen of door te beweren dat prestatie ze niks uit maakt.
Failure-accepting learners: leerlingen die denken dat hun falen komt door lage
mogelijkheden/vaardigheden en dat ze daar weinig aan kunnen doen.
Motivation to learn in school
Motivation to learn: de gevoeligheid dat je academische activiteiten waardevol vind en de moeite
waard vind en dat je daarvan wilt profiteren.
Academic tasks: het werk die een pupil (leerling) moet volbrengen
Termen van afgelopen pagina Tabel 10.5, blz 469
Importance or attainment value: het belang om het goed te doen bij een taak, hoe het succes van
een taak nader komt tot persoonlijke behoeften.
Intrinsic or interest value: het genot/vreugde die iemand krijgt van een taak.
Utility value: de bijdrage die een taak heeft bij de doelen van iemand.
Authentic task: een taak die een binding heeft met een probleem uit het dagelijks leven die de
leerlingen tegen komen buiten het klaslokaal.
Problem-based learning: methode die leerlingen realistische problemen geeft die niet noodzakelijk
een goed antwoord heeft.
Goal structure: de manier waarop leerlingen gerelateerd zijn tot anderen die ook naar een bepaald
doel streven.
Hoofdstuk 11, Engaged learning: cooperation and community
Als leerlingen engaged (betrokken ed) zijn bij de school en het leren presteren ze beter en vallen ze
minder snel uit.
Er zorgen veel factoren voor betrokkenheid bij het leren waaronder: attentie, prestatie,
enthousiasme en doorzettingsvermogen. Het kan ook komen door andere factoren zoals
vriendschap met peers en leraren, deelname aan sportverenigingen en deelname aan extra
activiteiten op school.
Social processes in learning
De invloed van peergroen is groot. Dit kan goede of slechte invloed zijn. Vooral jongens gaan in
tegen leraren, laten de attentie op zich richten en doet lijken alsof het werk hem niet interesseert.
De stijl van de ouders is van invloed op de prestaties van de leerlingen. Sterke psychologische
controle mn van de moeder is van invloed op probleemgedrag bij kinderen. Het negeren van
kinderen door ouders is ook erg slecht voor de leerlingen.
Collaboration and cooperation
Collaboration: samen werken en parallel werken met anderen om een gezamenlijk doel te bereiken.
Cooperation: een manier om om te gaan met mensen die verschillen respecteren, autoriteit delen
en bouwen aan gezamenlijke kennis van zichzelf en anderen. Dus het samen werken met mensen
met een gezamenlijk doel.
Cooperative learning: een afspraak/organisatie waarin leerlingen in een groep werken en maken
met het leren winst op basis van het succes van de groep.
Het verschil hierin van de aanpak van Piaget/Vygotski in tabel 11.1, blz 488.
Er zijn ook nadelen in het leren binnen een groep of met groepen:
- Vaak maken mensen het werk snel af, te snel zonder goed na te denken.
- Misverstanden worden vaak gesteund en niet opgelost.
- Het gaat vaak meer over de interpersoonlijke relatie dan het leren.
- Mensen laten de ’expert’ in de groep vaak het werk doen, en zijn zelf passief.
- Statusverschillen worden vaak vergroot ipv verkleind.
Het aanmoedigen van interactie kan door een aantal technieken:
- Reciproque vraagspelling (uitwisselen van vragen stellen).
- Reciproque lesgeven (ook een uitwisseling van samenvattingen en uitleg)
- Pair-share: met paarleren die begrip delen
- Jigsaw: wanneer iemand van de groep in een andere klas komt en meedenkt en mee
conclusies maakt.
Een echte coöperatieve groep heeft een aantal kenmerken:
o Interacteren face-to-face
o Positieve interdependance
o Individueel verantwoordelijk
o Collaboratieve skills
o Houden zicht op groepsproces.
Reciprocal questioning: een aanpak waarbij groepen van 2 of 3 leerlingen het vragen naar en het
beantwoorden van elkaars vragen na een les of presentatie.
Scripted cooperation: een leerstrategie om en om materiaal samenvatten en de samenvatting
bekritiseren.
Jigsaw: een coöperatieve structuur waarin ieder lid van een groep verantwoordelijk is voor het
uitleggen/lesgeven van andere groepsgenoten over een stukje van het materiaal.
Leraren onderschatten het aantal bullying gevallen op school.
Een onderhandelstrategie voor leerlingen van 5 stappen:
1
samen het conflict definiëren
2
uitwisselen van posities en interesses
3
reverse perspectives
4
kom tot ten minste 3 overeenkomsten waarbij er een win-win situatie is
5
kom tot een integratieve overeenkomst
Violence
Dit hoeft helemaal niet extreem te zijn. Scholen zijn veilige plaatsen en geweld komt slechts zelden
voor.
Preventie is het beste antwoord.
Community service learning: een benadering die een combinatie maakt tussen het academisch
leren en persoonlijke en sociale ontwikkeling.
Hoofdstuk 12, Creating learning environments
The need for organisation
De eerste paar weken geeft al een beeld voor beoordeling voor het hele studiejaar. Het milieu in de
klas is er een met veel factoren. Het is erg belangrijk voor de leraar om orde en harmonie in de klas
te brengen door het verkrijgen en het vasthouden van de samenwerking (cooperatie) binnen een
klas. Dit is veel meer dan alleen verkeerd gedrag bestraffen.
Vier algemene stadia van klas-management:
- de eerste jaren van school is direct lesgeven van regels en procedures belangrijk.
- Midden in de basisschooltijd: basisregels zijn routinematig, maar nieuwe dingen moeten
actief onderwezen worden. Monitoren en volhouden is belangrijk.
- Eind van de basisschool: autoriteit wordt soms op de proef gesteld. Hier moet de leraar
productief mee omgaan en pupillen moeten gemotiveerd worden.
- Einde van de middelbare school: een curriculum moet gemanaged worden en academisch
materiaal moet aansluiten op de interesse van de leerling.
Classroom management: technieken die gebruikt worden om een veilige en positieve leeromgeving
te creëren en te behouden, en die relatief vrij zijn van gedragsproblemen.
Allocated or available time: tijd die aan de kant wordt gezet voor het leren. Wat hierbij kan helpen
is het e-learning. Engaged time: tijd die gespendeerd wordt als je actief met een taak bezig bent, of
het praten en luisteren met/naar anderen. Dit laatste heet ook wel time on task.
Maar alleen tijd besteden aan een taak garandeert niet dat je aan het leren bent. Veel onderzoek is
erop gericht om het successful learning time te verbeteren: de tijd waarin leerlingen daadwerkelijk
succesvol zijn in een leertaak.
Een tweede doel van klas-management is om kinderen actief betrokken te houden.
Vaak is er sprake van participation structures: regels die vertellen hoe men zich moet participeren in
verschillende activiteiten, dus de regels van: wanneer je mag praten, tegen wie, wanneer en voor
hoe lang. Leerdingen moeten deze structuur begrijpen. De sleutel is dat kinderen moeten weten wat
de regels zijn en wat er van ze verwacht wordt.
Een derde diel van het managementsysteem is dat kinderen hunzelf beter moeten managen. Selfmanagement: management van je eigen gedrag en het accepteren van verantwoordelijkheid voor
de eigen acties. Dit kost tijd.
Creating a positive learning environment
De affective teaching manier moedigt leerlingen aan en zorgt voor nog meer positieve effecten.
Procedures: voorgeschreven stappen voor een activiteit. Deze heten ook vaak routines.
Rules: statements die de verwachtingen en verboden gedragingen specificeren. Kortom: de do’s en
dont’ts. In tegenstelling tot procedures worden regels vaak wel opgeschreven. Regels moeten
positief en observeerbaar zijn. Om er een paar op te schrijven (5 of 6) is beter dan een hele lijst van
alles.
Natural or logical consequences: in plaats van straf laat je het de leerlingen nog een keer doen, laat
ze het repareren of laat de leerlingen de consequenties ondergaan die volgt op hun actie.
Een aantal dingen zijn daar belangrijk voor:
- Het probleem is het gedrag, niet de leerling
- Laat de leerling weten dat hij/zij de keus heeft om hun acties te kiezen
- Moedig zelf-evaluatie aan
- Help leerlingen de keuzes te verwoorden van wat ze volgende keer kunnen doen.
Rogers kwam met een code van the 4 Rs: een goedgekeurde (agreed) code van:
- Rights
- Responsibilities
- Rules
- Routines
Voordat je deze als leraar opstelt moet je misschien even wachten tot er een vorm van community is
in de groep.
Tafels op een rij is goed voor het individueel werken, het samenwerken met z’n tweeën. Voordeel
van tafels in een ronde is de groepsinteractie.
Wat belangrijk is zijn de eerste paar weken van een schooljaar. Bij een effectieve leraar ziet dat er als
volgt uit (deze voorbeelden gaan uit van een basisschool)
- Eerste dag goed georganiseerd
- Er lagen naambordjes klaar
- Elke leerling had meteen iets interessants te doen
- Materialen lagen klaar
- Alles was goed gepland
- Duidelijkheid geven over de verwachtingen
- De paar regels werden meteen verteld
Een ineffectieve manier zou alles omgekeerd hebben.
Bij een middelbareschool ziet het er ongeveer ook zo uit. De eerste dat worden de regels,
procedures en de verwachtingen duidelijk en dit wordt duidelijk aangehouden de eerste paar
weken.
Maintaining a good environment for learning
Het is bewezen dat een goede start als leraar erg helpt, maar het is slechts een begin.
Withitness: volgens Kounin is dit het bewust zijn van alles wat er in een klas gebeurt. Dit
communiceer je ook naar de leerlingen toe. Ze scannen altijd de hele klas en maken oogcontact met
individuen. Ze maken geen timing-errors: te lang wachten om in te grijpen. Ook maken ze geen
target-errors: de verkeerde de schuld geven.
Overlapping: supervisie houden over verschillende activiteiten tegelijkertijd
Group focus: de mogelijkheid om zo veel mogelijk leerlingen tegelijkertijd betrokken te houden bij
de activiteit.
Movement management: de les en de groep gemotiveerd houden in een goede en flexibele
snelheid, met kleine veranderingen en variatie. Slowdown: te veel tijd nemen om een nieuwe
activiteit te starten.
Om positief gedrag op school aan te moedigen moeten leraren:
- Het eens zijn over de aanpak van positief gedrag en het corrigeren van problemen.
- Ontwikkelen van enkele positief geformuleerde specifieke gedragsverwachtingen en de
procedures om dit de leerlingen te leren.
- Het integreren van ‘the behavioural support plan procedures’ binnen de school.
Precorrection: een vorm van preventieve strategie. Een manier om serieuze gedragsproblemen te
voorkomen van leerlingen die worden gezien als risico door de leerlingen te leiden naar meer goede
gedragingen.
The need for communication
Het eerste principe van communicatie is dat mensen reageren op wat zij denken dat het bedoeld of
gezegd wordt en niet alleen op de woorden die er gesproken worden. Een manier om te controleren
of het bericht juist opgevat is is de paraphrase rule: een aanpak waarbij de luisteraars een accurate
samenvatting moeten geven van wat de spreker gezegd heeft voordat de luisteraar pas reageert.
Gordon vind dat een goede leraar-leerling verhouding komt wanneer:
- Waarom wordt de leraar geïrriteerd door een bepaald gedrag?
- Wie is het probleem?
Empathetic listening¨de bedoeling en de emotie horen achter hetgeen gezegd wordt en dit terug
parafraseren.
Sokolove heeft 4 componenten van actief luisteren:
- Alle externe stimuli blokkeren.
- Aandachtig luisteren naar zowel verbale als non-verbale berichten.
- Scheiding maken tussen de intellectuele en emotionele componenten van het bericht.
- Interfereren van de gevoelens van de spreker.
‘I’ message: een helder, niet-beschuldigende stelling van hoe iets invloed op jou heeft.
Assertive discipline: duidelijk, niet echt vriendelijke responsstijl.
Hoofdstuk 13, Teaching for learning
The First step: planning
Planning beïnvloed wat leerlingen zullen leren. Hierbij is tijd essentieel. Een planning maken voor het
volgende schooljaar is ook erg belangrijk. Plannen worden in termijnen onderverdeeld en termijnen
in units. Ten derde helpen plannen bij het redden van onzekerheid maar het haalt ze niet helemaal
weg. Er is dus wel wat flexibiliteit nodig.
Een samenwerkingsbenadering voor plannen in Japan heet Kenshu: mastery through study: er wordt
met een kleine groep leraren een planning gemaakt. De eerste les wordt opgenomen en dan met de
hele groep teruggekeken.
Lesson study: leraren ontwikkelen, testen en verbeteren als een groep lessen tot ze tevreden zijn
met de laatste en goede versie van die les.
Maakt niet uit hoe leraren plannen, ze moeten altijd de learning objectives in gedachten houden:
duidelijke statements over wat de leerlingen moeten leren.
Robert Mager kwam met behavioural objectives: leer objectives die genoemd zijn in termen van
observeerbaar gedrag. Een goede objective bestaat uit 3 delen:
- Hoe de leerling zich zou moeten gedragen/wat moet de leerling doen?
- Het bevat een lijst van de condities waaronder het gedrag moet plaatsvinden/ hoe wordt dit
gedrag herkent en getest?
- Het geeft de criteria voor goed gedrag.
Norman Gronlund kwam met een andere benadering: cognitive objectives: leer objectives die
genoemd zijn in termen van hoger-level denken.
- Eerst moet een objective geformuleerd worden in algemene termen zoals begrijpen,
oplossen ed.
- Dan komt er een lijst met voorbeeldgedragingen.
Taxonomy: dit is een classificatiesysteem van educatieve objectives. Een soort handboek. 6
basisobjectives zijn verschenen in Bloom’s taxonomie van het denken, ofwel: cognitive domain
(geheugen en redeneer-objectives).
- Kennis (later aangepast tot onthouden)
- Besef (later aangepast door understanding (begrip))
- Toepassen
- Analyseren
- Synthesis (later aangepast door creeren)
- Evaluatie
Zo heb je ook objectives in de taxonomie van het affecting domain: objectives die focussen op
attituden en gevoelens:
- Ontvangen
- Responding (reageren)
- Valuing
- Organisatie en karakterisatie
Psychomotor domain: objectives die gaan over de fysieke mogelijkheid en coördinatie.
Planning wordt traditioneel alleen gedaan door de leraar. In de constructivist benaderingen wordt
plannen gedeeld en er wordt over onderhandeld. Leraar en leerling maken samen de beslissingen.
Teaching
Leraren die veel feiten kennen hebben geen leerlingen die meer leren (met wiskunde als
uitzondering). Leraren die een duidelijke presentatie en uitleg geven hebben wel leerlingen die meer
leren. Warmte, vriendelijkheid en begrip correleren het meeste met de attitudes van leerlingen.
In de jaren 80 en 90 is er veel onderzoek gedaan naar lesgeven. Hieruit rolde de whole-class
teaching: lesgeven dat wordt gekarakteriseerd door een hoog level van uitleg, demonstratie en
interactie door de leraar tegenover alle leerlingen tegelijkertijd. Het is daarom een goede manier
voor de basic skills: duidelijk gestructureerde kennis die nodig is voor het vervolg van het leren en
dat stap voor stap verteld kan worden.
Whole-class teaching heeft ook nadelen: de aandacht kan verslappen en je krijgt soms een passieve
positie van de leerling. Scripted cooperation: een leerstrategie waarin twee leerlingen om de beurt
een samenvatting geven en kritiek hebben op die samenvatting. Dit wordt een aantal keren per
college gedaan.
Kritiek is ook dat het uitgaat van de wrong theory, het wordt is segmenten aangeleverd. De leerling
is een lege bak die gevuld kan worden.
Individual classwork: onafhankelijk klaswerk die af moet zijn binnen de les. Om voordeel te hebben
van individual classwork, of huiswerk, moet de leerling betrokken blijven en het werk doen. Dit moet
wel goed in de gaten gehouden worden en er moet hulp komen wanneer dat nodig is.
Over het algemeen gaat het in alle klassen: leraar stelt vraag, student geeft antwoord, dit heet
recitation. Het bestaat uit 3 fasen:
- Initiation (vraag leraar, vaak gesloten)
- Respons (vaak kort)
- Follow-up (leraar geeft wat feedback)
Dit heet de IRF structuur.
Een manier om klasvragen te categoriseren is in termen van convergent question: alleen 1 juist
antwoord. Of divergent question: veel antwoorden mogelijk.
Als leerlingen antwoord geven werkt het vaak het beste voor de kwaliteit van de antwoorden om de
studenten een paar seconden wait time te geven.
Targeting: de manier waarop de leraar een leerling selecteert om antwoord te geven en het
matchen van de vraag bij de leerling.
Als het antwoord snel en correct is: accepteer en ga verder.
Als het antwoord aarzelend is en correct, geef feedback waarom het antwoord goed is.
Als het antwoord eerlijk maar verkeert is, geef hints of vereenvoudig de vraag.
Als de vragen dom zijn, corrigeer en ga verder.
Group discussion: conversatie waarbinnen de leraar geen prominente rol heeft. Leerlingen stellen
en beantwoorden hun eigen vragen. Deze lijken een beetje op recitation maar moet meer
instructureel gaan.
Rosenthal en Jacobson kwamen met het pygmalion effect, een vorm van self-fulfilling prophercy,
exceptionele progressie bij een bepaalde leerling als een resultaat van hoge verwachtingen van de
leraar. Self-fulfilling prophecy: een verwachting (soms ongegrond) dat bevestigd wordt omdat het
verwacht wordt.
Sustaining expectation effect: de prestatie van de leerling blijft op hetzelfde niveau omdat de leraar
de vooruitgang niet herkent.
Pupil-centred teaching
Pupil-centred teaching: zet de leerbehoeften van de leerling in het centrum.
Hoofdstuk 14, Standarised testing
Measurement and Assessment
Measurement: een evaluatie die uitgedrukt wordt in kwantitatieve (statistische) termen. Deze
spelen een grote rol bij het maken van beslissingen in de klas. Assessment: procedures die gebruikt
worden om informatie te verkrijgen over de prestaties van de leerling. Dit is breder dan testen en
meten. Het gaat hier om alle manieren waarop kennis over de leerling verkregen wordt.
Scores moeten vergeleken worden om er betekenis aan te geven. Dit kan door twee manieren:
- Norm-referenced comparison: testen waarbij de scores vergeleken worden met het
gemiddelde van de anderen. Hierbij heb je te maken met een norm Group: een groep
waarbij hun gemiddelde score gezien wordt als een standaard waarmee alle individuele
scores vergeleken worden.
Er zijn 3 soorten vergelijkingsgroepen:
o Klas of school
o Locale autoriteit
o National samples
Deze wordt vooral gebruikt als het over de algemene prestatie van de leerling gaat. Ook
wordt het gebruikt als er maar een paar succesvolle studenten zijn.
Er zijn ook beperkingen: het verteld niet of leerlingen verder kunnen naar een beter niveau.
- Criterion-references comparison: hiermee worden de scores vergeleken met een gefixeerde
standaard die past bij het hiërarchische framework van het curriculum. Deze meten de
prestatie op een specifieke objective, zoals of iemand een rijbewijs krijgt of niet. De uitkomst
moet aangeven wat de leerling wel kan en wat de leerling niet kan.
What do test scores mean
Standardised tests: een test, meestal landelijk gegeven, onder uniforme omstandigheden en waar
gescored kan worden volgens uniforme procedures. Ze worden op een standaard manier
geïnterpreteerd.
Norming sample: een grote sample van leerlingen die als vergelijkingsgroep geldt voor het scoren op
gestandaardiseerde testen.
Frequency distribution: een lijst die laat zien hoeveel scores er in set groups vallen. Hierbij kun je de
resultaten laten zien in een bar chart: grafiek vande frequency distribution waarbij gebruik wordt
gemaakt van horizontale of verticale banen.
Mean: het aritmische gemiddelde. Het gemiddelde uitrekenen is een manier om de central
tendency te meten: een typische of representatieve score voor een groep scores. Twee andere
scores voor de central tendency is het uitrekenen van de median en de mode. Median: de middelste
score in een groep scores. Mode: de meest voorkomende score.
Standard deviation: meting van hoe wijdt de scores varieren vanaf het gemiddelde. Variability:
graden van verschil of de deviatie van het gemiddelde.
Range: afstand tussen de hoogste en de laagste scores binnen een groep. Normal distribution: de
meest veelvoorkomende distribution waarin de scores gelijk verdeeld zijn rond het gemiddelde.
Percentile rank: het percentage van die scores binnen de norm die op of onder de individuele score
scoort.
Level-equivalent score: het meten van het level die gebaseerd is op de vergelijking met de norming
samples van elke leeftijdsgroep.
Standard scores: de scores die gebaseerd zijn op de standard deviation.
Z-score: standaard score die een indicatie geeft voor het aantal standaard deviaties boven of onder
het gemiddelde.
T-score: eens standaard score met een gemiddelde van 50 en een standard-deviation van 10.
Stanine scores: hele nummer scores van 1 tot 9, elk representeerd een wijde range van ruwe scores.
Reliability: de consistentie van testresultaten waarbij gekeken wordt naar de vergelijkbaarheid van
de scores op twee verschillende tijdstippen of van twee dezelfde versies.
Standard error of measurement: een hypothetische schatting van de variatie in de scores als de test
herhaald wordt.
Confidence interval: range van scores waarbinnen het waarschijnlijk is waarbinnen het cijfer van het
individu valt.
True score: de score die de leerling zou hebben als de meting helemaal accuraat is en error-vrij.
Validity: de mate waarin een test meer wat hij moet meten.
Assessment bias: kwaliteit van een assessment (meet) instrument die onterecht een groep
leerlingen op basis van hun geslacht, SES, ras of etniciteit uitsluit. Er zijn een aantal problemen bij
testen:
- Procedural fairness: groepen kunnen niet dezelfde mogelijkheid krijgen om te laten zien wat
ze weten.
- Opportunities to learn: verschillende groepen hebben verschillende mogelijkheden om te
leren.
Culture-fair or culture-free tests: een test zonder culturele bias.
Types of standardised tests
De meest voorkomende is de achievement test: dit zijn gestandaardiseerde testen die meten
hoeveel leerlingen geleerd hebben op een bepaald gebied. Deze zijn er voor individuen en voor
groepen. Ze varieren in betrouwbaarheid en validiteit. Groepstesten kunnen gebruikt worden voor
een screening. Deze testen identificeren zwakte op een academisch gebied.
Diagnostic tests: individueel afgenomen tests om speciale leerproblemen op te sporen. Deze
worden afgenomen door een professional. Deze worden meer op de basisschool gebruikt dan op de
middelbare school.
Aptitude tests: tests die toekomstige prestaties voorspellen. Deze wordt meer gebruikt op de
middelbare school. Een voorbeeld hiervan is de IQ test.
Issues in standardised testing
High-stakes testing: gestandaardiseerde tests waarvan de resultaten een krachtige invloed hebben
wanneer ze gebruikt worden door school managers of anderen die beslissingen nemen.
Accountable: maken leraren en scholen verantwoordelijk voor het leren van leerlingen, meestal
door het leren in de gaten te houden door high-stake tests.
New directions in assessment
Authentic assessment: meting van belangrijke kwaliteiten door gebruik te maken van procedures
die de applicatie simuleren van situaties in het echte leven.
Constructed-response format: assessment procedures die de leerling een antwoord laten creeren in
plaats van een antwoord te laten kiezen uit een set mogelijkheden.
Hoofdstuk 15, Classroom assessment
Formative and summative assessment
Leraren hebben vaak niet erg veel te zeggen over het beoordelingssysteem waarmee scholen
werken. Wel kunnen ze beslissen wanneer, welke en hoe een test gemaakt wordt. Je hebt twee
soorten assessments:
- Formative assessment: onbecijferde (ungraded) testen die gebruikt worden voor of tijdens
het lesgeven om te helpen bij het plannen en diagnosticeren. Het helpt het baseren bij
lesgeven. Als een test voor het lesgeven wordt gegeven heet het een pretest: formatieve
test om te testen op de kennis, geschiktheid en mogelijkheden van de leerling.
Diagnostic test: formatieve test die gebruikt wordt tijdens het lesgeven om te kijken waar de
zwakte ligt en wat de oorzaken daarvan zijn.
- Summative assessmant: een test die volgt op het lesgeven en die test op achievement (dus
wat bereikt is). Dit geeft een samenvatting van wat er al bereikt is. Een klassiek voorbeeld
hiervan is het eindexamen.
Het verschil tussen de twee is hoe de resultaten gebruikt worden. Alle tests kunnen voor zowel
formatieve als summatieve doeleinden gebruikt worden! Het hangt dus af van het doel!
Getting the most from traditional assessment
High-stakes testing: een krachtige test waarvan de resultaten worden gebruikt door
schooladministratie, decanen of andere mensen die invloed hebben.
Volgens Dempster is het volgende belangrijk:
- Vaak testen is effectiever en zorgt voor een betere retentie van informatie.
- Testen zijn vaak effectief net nadat de leerlingen het geleerde geleerd hebben
- Cumulatieve vragen is een sleutel in het effectief leren.
Objective testing: Multiple choice, matchen, waar/niet-waar, korte antwoorden en invultesten. Het
scoren van de antwoorden heeft weinig interpretatie nodig. Multiple-choice wordt het meeste
gebruikt. Ook zijn er geluiden van kritiek bij het gebruik van alleen maar multiple-choice. Deze lijken
namelijk een voordeel te geven aan jongens die aan de onderkant van het kunnen zitten.
Een multiple-choice vraag moet je goed opstellen. Hier zijn aan aantal dingen van belang:
Stem van de multiple-choice vraag: het vragend deel van de miltiple-choice item of dat deel wat het
probleem aangeeft.
Alternatives: alle antwoordmogelijkheden waaronder het goede antwoord.
Distractors: de foute antwoorden die je ook kunt kiezen.
Akternatives to traditional assessments
Authentic assessments: assessmentprocedures die testen op vaardigheid en mogelijkheid als ze
worden uitgevoerd in het echte leven.
Performance assessments: elke vorm van assessment waarin de leerling een activiteit uit moet
voeren of een product moet maken om het leren te demonstreren.
Portfolio: een collectie van het werk van een leerling binnen een gebied om groei, zelf-reflectie en
prestatie te laten zien.
Presentation: een uitvoeringstest of een demonstratie van het leren die publiek gehouden wordt en
heeft meestal voorbereidingstijd nodig.
Dit kun je allemaal beoordelen door middel van een checklijst. Deze kan specifieke elementen
feedback geven. Scoring rubrics: regels die worden gebruikt om de kwaliteit van de prestatie te
beslissen.
Informal assessment: onbecijferde (formatieve) assessments die informatie uit meerdere bronnen
haalt om de leraar te helpen om beslissingen te nemen.
Grading and reporting: nuts and bolts
Criterion-referenced grading: een assessment van de vaardigheden van elke leerling van de
leerobjectives.
Norm-referenced grading: assessment van wat de leerling bereikt heeft ten opzicht van andere
leerlingen. Gradingon the curve: een vorm van norm-referenced grading die de vaardigheden van de
leerlingen vergelijkt met een gemiddeld niveau.
Percentage grading: welk percentage van de kennis heeft de leerling zich eigen gemaakt.
De foundation stage test op 6 gebieden:
- Persoonlijk, sociaal en emotioneel
- Communicatie en taal
- Wiskunde
- Kennis en begrip van de wereld
- Fysieke ontwikkeling
- Creatieve ontwikkeling
Contract system: systeem waarin de leerling werkt voor een bepaald level of een bepaald cijfer aan
de hand van gemaakte afspraken. Rubrics beslissen het niveau.
Revise option: binnen een contract-systeem, de kans om het gemaakte werk weer in te zien of te
verbeteren.
Individual learning expectation (ILE): leerlingen krijgen ‘verbeteringspunten’ als hun gemaakte werk
boven een persoonlijke basis wordt becijferd of gewaardeerd of als ze een perfecte score bereikt
hebben.
Download