Duurzame inzetbaarheid van oudere medewerkers in de VVT

advertisement
Duurzame inzetbaarheid van oudere
medewerkers in de VVT-sector
Master Thesis
Erasmus Universiteit Rotterdam
Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg (iBMG)
Master Health Care Management
Student
Student nummer
Studie
Afstudeerbegeleider
Meelezer
Datum
Sanne Huisman
378372
Health Care Management
Kees van der Lee
Jeroen van Wijngaarden
Augustus 2015
Voorwoord
In de periode maart-augustus 2015 heb ik met veel plezier en enthousiasme gewerkt aan
mijn masterthesis, geschreven in het kader van de master „Health Care Management‟ aan de
Erasmus Universiteit Rotterdam. In deze master thesis wordt onderzoek verricht naar de
manier waarop organisaties in de Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg sector
(VVT) duurzame inzetbaarheid van medewerkers van 55 jaar en ouder realiseren.
Mijn interesse voor dit onderwerp is tot stand gekomen tijdens het vak “Organisational
Behaviour”. Gedurende dit vak zijn verschillende HRM gerelateerde onderwerpen aan bod
gekomen, waar mijn interesse door werd gewekt. Daarnaast zijn “vergrijzing” en “duurzame
inzetbaarheid” actuele thema‟s waar organisaties op in moeten spelen, vooral in de
zorgsector waar hoofdzakelijk fysiek werk moet worden verricht. Door deze interesse en het
brainstormen in de scriptiebegeleidingsbijeenkomsten is dit onderwerp tot stand gekomen. Ik
wil met mijn onderzoek een bijdrage leveren aan de wetenschappelijke literatuur en
praktische handvatten bieden aan bestuurders en managers in zorgorganisaties hoe HRbeleid op gebied van duurzame inzetbaarheid verbeterd kan worden.
Ik wil graag de volgende mensen bedanken voor het mede tot stand komen van deze master
thesis. Mijn scriptiebegeleider Kees van der Lee, voor de adviezen en feedback omtrent de
inhoud van het afstudeerproject. Door zijn behulpzame, kritische en vaak “out of the box”
benadering was ik in staat op een andere manier naar mijn onderzoeksgegevens te kijken
waardoor mijn thesis meer diepgang heeft gekregen. Tevens wil ik de meelezer van mijn
thesis, Dhr. van Wijngaarden, bedanken voor de feedback en eindbeoordeling.
Daarnaast wil ik beide zorgorganisaties bedanken voor de mogelijkheid om onderzoek te
verrichten binnen hun instelling. In het bijzonder wil de locatiemanagers, teamleiders, HRadviseurs en medewerkers bedanken voor het beschikbaar stellen van hun tijd en
enthousiasme gedurende de interviews. Zonder hen zou dit onderzoek er niet zijn geweest.
Als laatst wil ik graag mijn familie, vriend en (studie-)vrienden bedanken. Zij stonden altijd
voor mij klaar gedurende deze drukke periode en hebben me gesteund en goede adviezen
gegeven voor het behalen van de eindstreep.
Sanne Huisman
Amsterdam, augustus 2015
2
Samenvatting
Doelstelling
Door een toenemende vergrijzende samenleving en de fysieke en mentale verzwaring van
werkzaamheden in de zorgsector zal het duurzaam inzetten van medewerkers steeds
urgenter worden. De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek was: “Hoe realiseren
organisaties in de VVT-sector duurzame inzetbaarheid van medewerkers van 55 jaar en
ouder?” Middels dit onderzoek wordt inzicht verkregen in de manier waarop organisaties in
de VVT-sector kunnen komen tot duurzaam inzetbaar beleid door onder andere HRactiviteiten van het AMO-model (Appelbaum 2000) in te zetten op gebied van ontwikkeling,
motivatie en participatiemogelijkheden voor medewerkers van 55 jaar en ouder. Op die
manier kan aan bestuurders en managers in zorgorganisaties advies worden gegeven hoe
zij hun HR-beleid op dit punt kunnen verbeteren en op die manier een hoger rendement uit
hun medewerkers en organisatie kunnen behalen.
Methode
Door het open karakter van de centrale onderzoeksvraag is een kwalitatief onderzoek
verricht met een multiple case study als grondvorm. Hierbij fungeerden twee vergelijkbare
zorgorganisaties in de VVT-sector als studieobjecten. Data voor dit kwalitatieve onderzoek
zijn verzameld door per case vijf interviews af te nemen en document analyse te verrichten.
De validiteit van het onderzoek is vergroot door het verrichten van een mutiple case study en
door gebruik van data triuangulatie en een member check. De betrouwbaarheid van het
onderzoek is vergroot door het gebruik van een vragenprotocol bij elke respondent en door
in de rapportering duidelijkheid te scheppen over het verloop van het onderzoeksproces.
Resultaten
Aan de hand van het verrichte onderzoek kan geconcludeerd worden dat de onderzochte
zorgorganisaties nog geen preventief beleid of visie hebben ontwikkeld, leidend tot
duurzame inzetbaarheid. Huidige interventies op dit gebied zijn individueel en curatief van
aard. Hierdoor wordt het probleem van het toenemen van een verouderd personeelsbestand
en toename van uitval van medewerkers niet bij de kern aangepakt. Daarnaast sluiten de
HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden niet of
te weinig aan bij de specifieke wensen en behoeften van oudere medewerkers.
Aanbevelingen
Aanbevelingen voor de praktijk zijn allereerst het opstellen een preventieve visie of beleid op
op het gebied van duurzame inzetbaarheid, in samenspraak met medewerkers. Vervolgens
moeten de HR-activiteiten van het AMO-model op het gebied van ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkehden aansluiten op de specifieke wensen en behoeften van de oudere
medewerkers. Tot slot is het van belang meer bewustzijn bij medewerkers te creëren op het
gebied
van
duurzame
inzet,
bijvoorbeeld
door
loopbaanontwikkeling
en
gezondheidsmanagement.
Aanbevelingen voor de wetenschap zijn het toespitsen van de elementen van het nu nog te
generieke AMO-model (Appelbaum 2000) op specifieke doelgroepen medewerkers om op
die manier tot gerichtere HR-activiteiten voor verschillende type medewerkers te kunnen
komen.
Keywords: Duurzame inzetbaarheid, VVT-organisaties, 55+ medewerkers, AMO-model,
HR-activiteiten voor ontwikkeling, participatiemogelijkheden, motivatie
3
Summary
Purpose
Due to an increasing aging population and the physical and mental aggravation of work in
healthcare sector the sustainable use of employees will become more urgent.
The central research question of this study was: "How do organizations is the eldery sector
achieve sustainable employability of employees aged 55 and older?" This study provides
insight into how organizations in the eldery-sector can achieve sustainable employable policy
by using HR-activities of the AMO-model (Appelbaum 2000) focusing on the abillity/skillls,
motivation and opportunities to participate for employees aged 55 and older. In this way
advice can be given to executives and managers in healthcare organizations how to improve
their HR policy at this point to achieve a higher return on their employees and organization.
Methods
Because of the open character of the central research question a qualitative research is
conducted with a multiple case study as basic form. Two similar healthcare organizations in
the eldery -sector acted as study objects. Data for this qualitative research was collected by
taking five interviews per case and perform document analysis. The validity of the research is
enhanced by the provision of a multiple case study and by using data triuangulatie and a
member check. The reliability of the research is enhanced by the use of a questions protocol
to ask each respondent and to clarify the reporting on the progress of the research process.
Results
Based on the research can be concluded that the investigated organisations have no
preventive policy or vision developed leading to sustainable employability. Current
interventions in this area are individually and curative. The problem of an increasing and
outdated workforce and increase loss of employees is not addressed in the core. Additionally
the HR activities in the fields abillity/skillls, motivation and opportunities to participate are not
that few of the specific wishes and needs of older employees.
Recommandations
Recommendations for practice are first preparing a preventive vision or policy in the field of
sustainable employability in consultation with employees. Then need to connect the HR
activities of the AMO-model in the field of abillity/skillls, motivation and opportunities to
participate on the specific needs of older employees. Finally, it is important to raise
awareness among staff in the field of sustainable use, for example through career
development and health management.
Recommendations for science are the focus of the elements of the still too generic AMO
model (Appelbaum 2000) at specific audiences staff to realize in this way more focused HR
activities for different types of employees.
Keywords: Sustainable employability, eldery-organizations, 55+ employees, AMO-model,
HR-activities for abillity/skillls, motivation and opportunities to participate
4
Inhoudsopgave
Voorwoord................................................................................................................. 2
Samenvatting ............................................................................................................ 3
Summary ................................................................................................................... 4
1. Inleiding .............................................................................................................. 8
1.1
Aanleiding .............................................................................................................. 8
1.2
Probleemstelling ................................................................................................... 9
1.3
Doelstelling ...........................................................................................................10
1.4
Vraagstelling.........................................................................................................10
1.4.1 Deelvragen ...........................................................................................................10
1.5
Theoretische relevantie .......................................................................................11
1.6
Maatschappelijke relevantie ................................................................................11
1.7
Leeswijzer .............................................................................................................11
2. Theoretisch kader ............................................................................................ 12
2.1
HRM en organisaties ............................................................................................12
2.2
HRM en prestaties ................................................................................................12
2.3
HPWS ....................................................................................................................14
2.4
De oudere medewerker ........................................................................................14
2.5
Interventies voor duurzame inzet ........................................................................15
2.6
Toenemende en afnemende capaciteiten oudere medewerker .........................15
2.7
Duurzame inzetbaarheid ......................................................................................16
2.8
Operationaliseren van Duurzame Inzetbaarheid – AMO model ........................17
2.9
Lerend vermogen van organisaties ....................................................................21
2.10
De cirkel doorbreken............................................................................................22
2.11
Conceptueel model ..............................................................................................22
2.12
Verwachte resultaat van het onderzoek .............................................................23
3. Methodologie .................................................................................................... 24
5
3.1
Onderzoeksopzet .................................................................................................24
3.2
Dataverzameling ...................................................................................................24
3.3
Onderzoekspopulatie ...........................................................................................25
3.4
Operationalisatie ..................................................................................................26
3.5
Dataverwerking ....................................................................................................27
3.6
Validiteit ................................................................................................................27
3.7
Betrouwbaarheid ..................................................................................................28
4. Onderzoeksresultaten ..................................................................................... 29
4.1
Onderzoeksgroep .................................................................................................29
4.2
Beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid ........................................................30
4.2.1 Visie duurzame inzetbaarheid .............................................................................30
4.2.2 Regelingen en interventies op het gebied van duurzame inzetbaarheid .........32
4.2.3 Overkoepeld beeld deelvraag 1...........................................................................34
4.3.
HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling, motivatie en ...........................35
participatiemogelijkheden ....................................................................................35
4.3.1 HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling..................................................35
4.3.2 HR-activiteiten op het gebied van motivatie .......................................................37
4.3.3 HR-activiteiten op het gebeid van participatiemogelijkheden ...........................39
4.3.4 Overkoepeld beeld deelvraag 2 ..........................................................................40
4.4
Mogelijkheden en beperkingen voor beleid leidend tot duurzame
inzetbaarheid ........................................................................................................41
5
4.4.1
Mogelijkheden...................................................................................................41
4.4.2.
Beperkingen ......................................................................................................42
4.4.2
Overkoepelend beeld deelvraag 3 ...................................................................43
Conclusie en Discussie ................................................................................... 45
5.1
Beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid ........................................................45
5.2
HR activiteiten op het gebied van Ontwikkeling, Motivatie en
Participatiemogelijkheden ..................................................................................47
6
5.3
Mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot duurzame inzetbaarheid ..47
Conclusie ……...………………………………………………………………………… 47
5.4
Reflectie op het onderzoek ................................................................................. 49
6. Aanbevelingen.................................................................................................. 50
6.1.
Aanbevelingen voor de praktijk ..........................................................................50
6.2.
Aanbevelingen voor de wetenschap ...................................................................51
7. Literatuur .......................................................................................................... 52
8. Bijlage ............................................................................................................... 56
Bijlage 1 Topic list ..........................................................................................................56
Bijlage 2 Vragenprotocollen ...........................................................................................57
Bijlage 3 Operationaliseringsschema............................................................................64
7
1. Inleiding
1.1 Aanleiding
Vergrijzing
De demografische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zijn aan het veranderen. Een
typerende tendens is de toename van het aandeel ouderen binnen de potentiële
beroepsbevolking (vergrijzing) en een afname van het aandeel jongeren binnen de potentiële
beroepsbevolking (ontgroening) (Garssen 2003; Theeuwes 2001). Tussen 1990 en 2012 is
de gemiddelde leeftijd van de werkzame beroepsbevolking gestegen van 36,2 naar 41,4 jaar.
De vergrijzing is een gevolg van de veroudering van de gehele bevolking, maar vooral ook
van de flink toegenomen arbeidsparticipatie van ouderen. Zo werkte in 1990 slechts 35
procent van de 50- tot 65-jarigen. In 2012 was dat 62 procent. (figuur 1). (CBS 2015)
Figuur 1: Jaarlijkse netto arbeidsparticipatie 50 - 65 jaar (CBS)
Tussen 2001 en 2012 is het aandeel werkenden onder 55- tot 65-jarigen verdubbeld en
onder 60- tot 65-jarigen zelfs verdrievoudigd. Onder 65- tot 70-jarigen en onder 70- tot 75jarigen is de arbeidsdeelname eveneens toegenomen. Daarnaast is de gemiddelde
pensioenleeftijd fors gestegen. In de periode 2000 tot en met 2006 was deze 61 jaar en in
2012 was deze 63,6 jaar.
De afgelopen zes jaar is bijna een verdrievoudiging zichtbaar van het percentage
werknemers dat op het moment van pensionering 65 jaar of ouder is: van 15% in 2006 naar
42% in 2012 (figuur 2). Gelijktijdig is het percentage werknemers dat jonger is dan 60 jaar bij
pensionering juist sterk gedaald. In 2006 was 28% van de werknemers jonger dan 60 jaar
wanneer zij stopten met werken, in 2012 was dit slechts 5% (RIVM 2014).
Figuur 2: Trend in pensioenleeftijd van werknemers 2000-2012 (RIVM)
8
De vergrijzing is ook goed zichtbaar in de zorgsector. Wanneer specifiek wordt gekeken naar
de personeelskenmerken in de zorg- en welzijnsector wordt duidelijk dat met name in de
Verpleeg- en Verzorgingshuiszorg en Thuiszorg sector (hierna te noemen: VVT-sector) het
grootste aandeel 55+ medewerkers en het laagste aandeel medewerkers van 35 jaar en
jonger werkzaam is (tabel 1). Daarnaast is de gemiddelde leeftijd in deze sector het hoogst,
namelijk 42,7 jaar.
Sector
Academische ziekenhuizen
Algemene en overige
ziekenhuizen
Geestelijke gezondheidszorg
Verpleging en verzorging /
Thuiszorg
Gehandicaptenzorg
Overige zorg
Welzijn en maatschappelijke
dienstverlening (WMD)
Jeugdzorg
Kinderopvang
Totaal (Zorg & WJK)
man vrouw Werknemers gem. Werknemers
Werknemers
[%] [%]
leeftijd [jaar]
>=55 jaar [%]
<35 jaar [%]
31,0
69,0
40,3
15,6
37,9
17,6
82,4
41,7
16,4
30,6
27,6
7,9
72,4
92,1
41,9
42,7
19,0
19,9
32,4
27,4
17,7
22,2
26,7
82,3
77,8
73,3
39,7
41,2
42,5
14,6
15,4
20,4
38,7
33,0
30,0
24,3
4,7
16,0
75,7
95,3
84,0
39,6
34,1
41,0
13,4
6,9
16,7
40,0
58,7
33,8
Tabel 1: Kerngegevens personeel sector zorg en welzijn Nederland (AZW)
Veranderende zorgsector
De verschuiving van intramurale naar extramurale zorg in Nederland heeft eveneens een
negatieve invloed op de vergrijzende beroepsbevolking in de zorgsector. Er moet met minder
medewerkers en financiële middelen meer zorg geleverd worden. Door de verschuiving van
de cliëntvraag zullen de werkzaamheden van verplegend en verzorgend personeel fysiek en
mentaal zwaarder worden. Vooral voor ouder personeel zal dit extra belastend zijn (Actiz
2014).
1.2 Probleemstelling
De beschreven ontwikkelingen tonen dat medewerkers gedurende langere periode voor de
arbeidsmarkt behouden moeten blijven. Doorwerken tot minimaal het 65ste levensjaar wordt
gewoon. Hierdoor zullen organisaties relatief meer oudere werknemers in hun
personeelsbestand krijgen. Veel organisaties zijn zoekende hoe ze hier het beste mee om
kunnen gaan en ervaren een uitdaging om te blijven werken aan de ontwikkeling van
vaardigheden en de inzetbaarheid van oudere werknemers zonder dat de motivatie,
gezondheid en capaciteit van deze medewerkers in de loop der jaren verminderd
(Zinsmeister et. al. 2007). Ook binnen de gezondheidszorg wordt al langere tijd geworsteld
met de vraag hoe de problematiek rondom inzetbaarheid van ouder personeel opgelost kan
worden.1 In de zorgsector, waar het fysieke werk van verpleegkundig personeel steeds
zwaarder wordt in vergelijking met andere sectoren, is het op een duurzame manier inzetten
van personeel nog relevanter. Veel organisaties ontzien hun oudere werknemers door ze
1
Parallel aan de vergrijzende arbeidsmarkt is nog een beweging gaande binnen de zorgwereld; door
bezuinigingen wordt veel personeel in de zorg ontslagen. (Asscher e.a. 2014) Zorgorganisaties verkeren om die
reden in een lastige tweestrijd, enerzijds moeten zij proberen ouder personeel langer werkzaam te houden en
anderzijds moeten zij door bezuinigingen saneren in het personeel en wordt er weinig nieuw en jong personeel
aangenomen. Dit zijn twee ontwikkelingen die elkaar (negatief) beïnvloeden.
9
vervroegd te laten uittreden. Hiermee verschuiven ze echter het probleem naar de oudere
medewerker welke lastig een nieuwe baan kan vinden en waarbij de
pensioenpositie uiteindelijk zal verslechteren. Een organisatiecultuur waarbij (arbo) beleid
wordt toegepast, toegespitst op de specifieke, oudere medewerker, is een andere
mogelijkheid om met het verouderde personeelsbestand om te gaan (Nauta et. al. 2004).
Werkgevers zullen oudere werknemers duurzaam in moeten gaan zetten, waarbij zoveel
mogelijk rekening gehouden wordt met de specifieke omstandigheden en wensen van
medewerkers in de verschillende fasen van hun leven en loopbaan. “Duurzame
inzetbaarheid houdt medewerkers langer betrokken, gemotiveerd, gezond, competent en
productief. Voor organisaties is het belangrijk dat alle medewerkers goed inzetbaar blijven,
gezien dit leidt tot beter kunnen schakelen bij aanpassing van het takenpakket, loopbaan
veranderingen en organisatie ontwikkelingen.” (SER 2005). Dit zal uiteindelijk resulteren in
beter functionerende en productievere medewerkers waardoor betere organisatie prestaties
ontstaan. De vraag blijft echter hoè deze duurzame inzetbaarheid van ouder personeel door
zorgorganisaties het best vorm gegeven kan worden. In de literatuur komt naar voren dat het
creëren van bepaalde HR activiteiten voor medewerkers een belangrijke bijdrage levert aan
het functioneren en de houding en het gedrag van medewerkers en daarmee ook aan het
(duurzaam) inzetten van medewerkers. Hierdoor zullen organisatie prestaties vergroten.
(o.a. Paauwe & Richardson 1997; Boselie & Paauwe, 2004b).
Volgens Appelbaum et. al. (2000) en Boxall & Purcell (2003) zorgen HR activiteiten op
gebied van motivatie, ontwikkeling en participatiemogelijkheden voor de beïnvloeding van
discretionair gedrag bij medewerkers. Het is interessant te onderzoeken hoe
zorgorganisaties invulling geven aan deze HR-activiteiten om duurzame inzetbaarheid te
creëren. Aangezien in de VVT-sector de vergrijzing en ontgroening het hoogst is (figuur 3),
gaat voorkeur uit naar onderzoek in deze sector. Aan de hand van de gegeven informatie
zijn de volgende doelstelling, vraagstelling en deelvragen opgesteld.
1.3 Doelstelling
Inzicht krijgen in de manier waarop organisaties in de VVT-sector kunnen komen tot
duurzaam inzetbaar beleid door onder andere HR-activiteiten op gebied van ontwikkeling,
motivatie en participatiemogelijkheden in te zetten voor medewerkers van 55 jaar en ouder,
ten einde bestuurders en managers in zorgorganisaties advies te geven hoe zij hun HRbeleid op dit punt kunnen verbeteren en op die manier een hoger rendement uit hun
medewerkers en organisatie kunnen behalen.
1.4 Vraagstelling
Hoe realiseren organisaties in de VVT-sector duurzame inzetbaarheid van medewerkers van
55 jaar en ouder?
1.4.1 Deelvragen
1. 1.1 Welke visie of beleid hebben organisaties in de VVT-sector op het gebied van
duurzame inzetbaarheid?
1.2 Welke regelingen en interventies worden er gebruikt binnen zorginstellingen
in de VVT-sector om 55+ medewerkers duurzaam in te zetten?
2. Hoe opereren VVT-organisaties met de inzet van HR-activiteiten op het gebied
van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden bij 55+ medewerkers?
3. Waar vinden organisaties in de VVT-sector dat mogelijkheden en beperkingen in
duurzame inzetbaarheid liggen voor oudere werknemers?
10
1.5 Theoretische relevantie
Op wetenschappelijk gebied is het doel van dit onderzoek kennis te ontwikkelen omtrent
HR- activiteiten op het gebied van duurzame inzetbaarheid en voor het realiseren van
ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden voor oudere medewerkers binnen
zorgorganisaties. Het onderwerp is vanuit wetenschappelijk oogpunt interessant, aangezien
er nog veel onduidelijkheid is over de invloed van HR-activiteiten op medewerkers in de
organisatie en de invloed van HR-activiteiten op duurzaamheid. Daarnaast is er ook nog veel
onduidelijk over de link tussen HR-activiteiten en de prestatie van de organisatie. Met behulp
van dit onderzoek wordt een start gemaakt met het creëren van meer verduidelijking omtrent
deze onderwerpen
1.6 Maatschappelijke relevantie
HRM kan een grote invloed hebben op medewerkers in de organisatie, waardoor het voor
organisaties van belang is dat de HR- activiteiten zorgvuldig worden gekozen en op elkaar
worden afgestemd. Dit onderzoek kan organisaties meer inzicht geven in de manier waarop
zij bepaalde HR-activiteiten kunnen kiezen om ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkheden bij oudere medewerkers te realiseren. Dit kan van invloed zijn op
de houding en het gedrag van oudere medewerkers in hun dagelijkse werkzaamheden en
uiteindelijk ook op de organisatie en zijn prestaties. Door de toenemende vergrijzing zullen
veel zorgorganisaties te maken hebben met een verouderend personeelsbestand. Het
praktische doel van dit onderzoek is zorgorganisaties te adviseren op het gebied van HRbeleid om ouder personeel op een goed functionerende manier werkzaam te houden in een
vergrijzende arbeidsmarkt om op die manier een hoger rendement uit werknemers en uit de
organisatie te kunnen halen. Advies zal zich richten op de keuze van HR-activiteiten
(ontwikkeling van het beleid) en de gevolgen van deze activiteiten voor oudere medewerkers
op de werkvloer.
1.7 Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk wordt het theoretisch kader besproken, waarin dieper wordt
ingegaan op verschillende theorieën en waarin de basis wordt gevormd voor het conceptueel
model. Hoofdstuk 3 bevat de beschrijving van de onderzoeksmethodologie, waarop in
hoofdstuk 4 de onderzoeksresultaten beschreven staan. In hoofdstuk 5 worden de discussie
en conclusie weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt afgesloten met aanbevelingen voor de
praktijk en de wetenschap.
11
2. Theoretisch kader
In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de theoretische inbedding van het onderzoek.
Er wordt ingegaan op de begrippen HRM, HRM en prestaties, het High Performance Work
System. Deze onderwerpen hebben betrekking op HRM op organisatieniveau. Vervolgens
zal worden ingegaan op relevante literatuur op het gebied van HRM in relatie tot de oudere
medewerker en het AMO model. Er wordt afgesloten met een conceptueel model gebaseerd
op de beschreven literatuur.
2.1 HRM en organisaties
Buiten het feit dat de mens bij Human Resource Management (HRM) centraal staat, kent
HRM geen eenduidige definitie. Boselie (2002) maakt onderscheidt in de drie termen van
Human Resource Management. De term „Human‟ verwijst naar de medewerker in de
werkrelatie met de werkgever. De term „Resource‟ verwijst naar menselijk vermogen; een
medewerker als middel om organisatorisch succes te behalen door middel van kennis,
vaardigheden en competenties. „Management‟ verwijst naar de activiteiten om medewerkers
te laten handelen op een gewenste manier om organisatie succes te bereiken.
Samenvattend is HRM het aansturen of managen van medewerkers, waardoor een
gewenste houding en gedrag van medewerkers leidt tot
het behalen van
organisatieprestaties (Boselie, 2002). Hierbij wordt aangesloten bij de Resource-BasedTheory, waarin de onderneming wordt beschouwd als een verzameling van immateriële en
materiële bronnen zoals technologie, financiën en mensen. Deze bronnen liggen ten
grondslag aan het behalen van organisatie succes. (Boselie & Paauwe, 2002). Vanaf de
jaren tachtig wordt personeelsmanagement aangeduid als “Human Resource Management”
(HRM). Sindsdien ontstond besef dat mensen een belangrijke waarde voor de organisatie
zijn, aangezien ze gemanaged of gestuurd kunnen worden en op die manier een significante
bijdrage aan de prestaties van organisaties kunnen leveren. (Schuler & Jackson 1999). HRM
gaat om beslissingen van het management met betrekking tot het beleid en de praktijk die
samen de arbeidsverhouding vormgeven en zijn gericht op het bereiken van individuele,
organisatorische en maatschappelijke doelstellingen (Boselie et. al. 2009). De toegevoegde
waarde van HRM staat steeds meer centraal en HRM wordt steeds meer gezien als
beslissende factor voor organisatieprestaties (Boselie 2002; van Loo en de Grip 2002). Er is
een ontwikkeling zichtbaar naar een integraal HRM-beleid, waarbij HRM-beleid en
organisatie strategieën steeds nauwer met elkaar verweven worden (van Loo en de Grip
2002).
2.2 HRM en prestaties
De afstemming van het HRM- beleid op de organisatie strategie wordt aangeduid als
Strategisch Human Resource Management (SHRM) (Boselie 2014; Schuler & Jackson
1999). SHRM gaat ervan uit dat door het managen van medewerkers, organisaties
effectiever kunnen werken.
HRM-strategie en HR-activiteiten worden afgestemd op de organisatie strategie wat leidt tot
passend gedrag van medewerkers. Hiermee worden competenties, gewenst niveau en
motivatie bij medewerkers gecreëerd, waardoor medewerkers beter ingezet worden en
beoogde prestaties voor de organisatie behaald kunnen worden (Schuler & Jackson 1999).
Er zijn verschillende manieren om naar HR-praktijken en prestaties te kijken. Guest (1997)
heeft een conceptueel model opgesteld om de relatie tussen HRM en organisatieprestaties
te verhelderen (figuur 3). Hierbij is de HRM strategie als vertrekpunt genomen omdat deze
leidend is voor het kiezen van HRM activiteiten of praktijken. Vervolgens zullen de HRM
12
praktijken leiden tot bepaalde HRM uitkomsten als commitment bij medewerkers, kwaliteit
van medewerkers en een flexibel personeelsbestand. Dit leidt vervolgens tot bepaalde
prestatie uitkomsten en financiële uitkomsten (Guest 1997).
Figuur 3: Relatie tussen HRM en prestatie, Guest 1997)
Pauwe en Richardson (1997) hebben eveneens een model opgezet voor de relatie tussen
HRM-activiteiten en prestaties, waarbij prestaties zijn onderverdeeld in HRM-uitkomsten en
organisatieprestaties. (Figuur 4)
HRM-activiteiten
HRM-uitkomsten
Organisatieprestatie
Werving & Selectie
Socialisatie
Personeelsplanning
Beloning
Participatie
Afstemming HRMactiviteiten
Decentralisatie
Training
Interne promotiekansen
Autonomie
Coaching
Tevredenheid
Motivatie
Behoud
Aanwezigheid
Sociaal klimaat
Betrokkenheid
Toewijding
Vertrouwen
Loyaliteit
Productiviteit
Kwaliteit product/dienst
Onderzoek &ontwikkeling
Klanttevredenheid
Toekomstige
investeringen
Omzetgroei
Marktaandeel
Winst
Marktwaarde
Figuur 4: Relatie tussen HRM en prestatie, Pauwe en Richarson (1997)
Er is een veelheid aan wetenschappelijk bewijs om vast te stellen dat HRM een belangrijke
bijdrage levert aan het behalen van (organisatie)prestaties (o.a. Paauwe & Richardson 1997;
Guest 1997; Boselie & Paauwe 2004b) De modellen van Guest (2007) en van Pauwe en
Richardson (1997) geven mogelijkheden hoe de relatie tussen HRM en organisatie
prestaties kan verlopen. Echter geven deze modellen geen eenduidig antwoord hoe deze
relatie exact verloopt. Er bestaat binnen HRM al langere tijd een discussie via welke
specifieke mechanismen of via welke onderdelen wordt gezorgd voor de relatie tussen HRM
activiteiten en prestaties. Dit wordt het zogenaamde „Black box issue‟ genoemd (Boselie et.
al 2005).
13
Figuur 5: Black box issue
In de volgende paragraaf wordt middels de inzet van een High Performance Work System
(HPWS) getracht de relatie tussen HRM activiteiten en organisatie prestatie te verhelderen.
Uit onderzoek (o.a. Huselid 1995; Appelbaum 2000; Boselie & Paauwe 2004) blijkt dat de
relatie tussen HRM en prestatie kan worden gerealiseerd door het instellen van een HPWS.
2.3 HPWS
Een HPWS kan worden gekarakteriseerd als een bundel van HR-activiteiten, welke worden
ingezet om werknemers aan te sturen in de richting van organisatiesucces (Huselid 1995).
Met een HPWS zullen betere prestaties van zowel de individuele medewerker als de
organisatie ontstaan in vergelijking met het niet toepassen van dit systeem (Steijn 2003). Met
de ontwikkeling van een HPWS kunnen medewerkers gemanaged worden in het leveren van
een gewenste houding en gedrag voor de organisatie. Een voorbeeld is het ontwikkelen van
een HPWS waardoor werknemers meer autonomie verkrijgen. Hierdoor zullen zij meer
betrokkenheid voelen bij de organisatie en meer tevredenheid over hun werk uitstralen. Dit
zal leiden tot een betere inzet van de werknemer om organisatie prestaties te bereiken (van
Loo en de Grip 2002).
In het kader van de toegenomen vergrijzing en het daarmee gepaarde verouderde
personeelsbestand van veel zorgorganisaties, richt dit onderzoek zich specifiek op de oudere
werknemer. Het is voor organisaties van belang te ondervinden welke HR-activiteiten bij
deze specifieke doelgroep het best passend zijn in het realiseren van een HPWS. Daarvoor
is in eerste instantie inzicht in deze doelgroep vereist.
2.4 De oudere medewerker
Leeftijd is een breed begrip, er is geen eenduidige definitie voor „de oudere medewerker‟,
zoals deze voor bijvoorbeeld jongeren wel wordt gegeven. De World Health Organisation
definieert een medewerker vanaf 45 jaar als „oudere medewerker‟. Vanaf die leeftijd is
vermindering zichtbaar van fysieke en sociale capaciteiten (Ybema et. Al 2009). Het CBS
definieert „de oudere medewerker‟ in strategische notities en publicaties pas vanaf de leeftijd
van 50 of van 55 jaar en ouder (Otten en Sierman 2009). Gelijktijdig is het ongefundeerd om
groepen in leeftijdscategorieën in te delen. Zinsmeister et. al. (2009) beschrijven onderscheid
in de kalenderleeftijd als statistische discriminatie.
Dit onderscheid is gebaseerd op gemiddelden en houdt geen rekening met spreiding, welke
juist toeneemt bij een hogere leeftijd. Oudere medewerkers kunnen wel gezien worden als
één categorie, echter moet hierbij in acht worden genomen dat binnen deze categorie veel
variatie is tussen individuen. Het is voor organisaties van belang rekening te houden met het
gedifferentieerde verloop van het proces van ouder worden. In dit onderzoek is om
praktische redenen wel een keuze gemaakt voor onderscheid in kalenderleeftijd, waarbij de
leeftijdsgrens van 55 jaar is toegepast. In veel non-profitorganisaties worden werknemers tot
“ouderen” gerekend vanaf de leeftijd van 55 jaar. Vanaf het 55ste levensjaar gaan
werknemers uitzien naar het pensioen, waardoor de oriëntatie op het werk verandert.
Daarnaast kan rond 55 jaar een toename van lichamelijke klachten ontstaan en werknemers
boven de 55 jaar wisselen minder vaak van baan (Zinsmeister et. al. 2007).
14
2.5 Interventies voor duurzame inzet
In de VVT-sector worden „oudere medewerkers‟ eveneens als één categorie beschouwd.
In het verleden zijn specifieke cao- regelingen ingegaan voor medewerkers vanaf 55 jaar,
zoals VUT, Prepensioen (Rijksoverheid 2006), de mobiliteitsbonus voor ouderen en de Noriskpolis WW (Werff et. al. 2012). Deze maatregelen zorgden voor het stimuleren en het
aantrekkelijker maken van vervroegd uittreden van oudere medewerkers. Momenteel zijn
een aantal andere regelingen geldig voor medewerkers die de leeftijd van 55 jaar hebben
bereikt; ze hoeven niet meer te werken tijdens nachtdiensten en krijgen extra bovenwettelijke
vakantie uren (CAO VVT 2014-2016). Deze regelingen zijn ingezet vanwege het fysiek
zware werk in de zorgsector, welke kan leiden tot ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
Uit gegevens van het CBS blijkt dat het ziekteverzuim in de zorgsector relatief hoog is, in
vergelijking met het gemiddelde ziekteverzuim. Het gemiddelde ziekteverzuim in het vierde
kwartaal van 2014 was 4%, het ziekteverzuim in de gezondheids- en welzijnszorgsector was
in diezelfde periode 4,8% (CBSb 2015). Deze sector bevat veel grote instellingen en relatief
veel oude werknemers (CBSb 2015). Het is een gegeven dat fysieke capaciteiten van
werknemers zullen verminderen naarmate de leeftijd vordert en de hersteltijd na inspanning
toeneemt (CBSb 2015; Ilmarinen 1999). Langdurige fysiek belastend werk zonder specifieke
maatregelen, kan op langere termijn voor lichamelijke klachten zorgen aan nek, schouders,
gewrichten en rug, waardoor verzuim toeneemt (Ilmarinen 1999). Verzuim heeft een negatief
effect op de houding en gedrag van medewerkers en uiteindelijk op organisatie prestaties
De fysieke capaciteiten kunnen op oudere leeftijd op peil worden gehouden door frequente
lichaamsbeweging en verzorging van het lichaam. Preventief beleid en aandacht voor
hersteltijd en de duur van fysieke arbeid zijn om die reden zeer relevant (Ilmarinen 2001).
Door de getroffen cao-regelingen wordt getracht deze hersteltijd te creëren en het werk
lichter te maken om op die manier verzuim en uitval te reduceren en medewerkers duurzaam
binnen de organisatie werkzaam te houden. Er moet in acht worden genomen dat vanaf
2017 de regeling met betrekking tot extra bovenwettelijke uren voor 55+ medewerkers weer
zal worden teruggedraaid, waardoor alle werknemers een gelijk aantal bovenwettelijke
vakantie uren krijgen (CAO VVT 2014-2016).
Naast de cao- regelingen, zijn voor duurzame inzet en het borgen van de gezondheid en
veiligheid van medewerkers ook praktijkrichtlijnen ingevoerd. Hiermee wordt de fysieke
belasting zoveel mogelijk beperkt en worden zo min mogelijk gevaren met zich meegebracht
bij fysieke handelingen. Praktijkrichtlijnen vormen de basis voor effectief preventiebeleid in
zorginstellingen (Arbocatalogus VVT 2015).
2.6 Toenemende en afnemende capaciteiten oudere medewerker
Wanner verder wordt ingegaan op de oudere medewerker, is opvallend dat er een negatief
beeld van oudere werknemers heerst. Zij worden gezien als star, niet vernieuwend en
inflexibel (van Daalen et al. 2007). Daarnaast is het een gegeven dat naast de fysieke
capaciteiten, de cognitieve functies van oudere werknemers eveneens zullen verminderen.
Hierbij kan gedacht worden aan beslissingssnelheid, aandacht, korte termijn geheugen en
ruimtelijke visuele functies (Raz 2000; Cremer 1995). Tevens wordt informatieverwerking
trager en zullen oplossingen minder snel, efficiënt en creatief gevonden worden (Jelicic &
Houx 2001). Fysieke en cognitieve veroudering is onvermijdelijk, echter kan deze versneld
of vertraagd worden door werkbelasting en kwaliteit van arbeid (aanwezigheid van
autonomie) (Zinsmeister et. al. 2009). Baltes (1997) geeft eveneens aan dat de biologische
15
veroudering kan worden uitgesteld door de hersenfuncties te blijven prikkelen. Hier ligt een
mogelijkheid voor organisaties.
Tegenover de fysieke en cognitieve verslechtering die gepaard gaat met het
verouderingsproces, staat een compensatie van mentale groei die oudere personen
doormaken waardoor een toename ontstaat van kennis, ervaring en motivatie (Ilmarinen
1999). Hierdoor zullen capaciteiten als scherpzinnigheid, vermogen om te kunnen
overwegen, inzicht en redeneren, verbaal begrip, controle over het leven,
verantwoordelijkheid, loyaliteit aan de werkgever, werkervaring en motivatie om nieuwe
kennis op te doen in de loop der jaren toenemen (Ilmarinen 2001).
Scholten (2005) ziet 55-plussers als belemmering of als aanwinst binnen een organisatie. De
vijftiger is in staat om met een helikopterview naar kwesties te kijken en daardoor geschikt
voor beleidsdenken. Daarnaast zijn vijftigers en zestigers goede leiders, ze kunnen jongeren
inspireren en tot handelen aanzetten. Een 55-plusser kan ook een belemmering binnen de
organisatie zijn, doordat hij zich door de vitalere, hoger opgeleide en jongere medewerker
bedreigd voelt, waardoor een negatieve uitstraling naar de omgeving kan ontstaan.
Daarnaast hebben oudere werknemers meer moeite met organisatie veranderingen,
waardoor in sommige gevallen weerstand zal ontstaan (Scholten 2005).
2.7 Duurzame inzetbaarheid
Uit de literatuur blijkt dat oudere medewerkers een veelheid van capaciteiten bezitten die
zeer nuttig zijn voor organisaties. Voor organisaties is het van belang om hier op een
adequate manier mee om te gaan zodat de capaciteiten daadwerkelijk benut worden en
benut blijven in de praktijk. Om optimaal gebruik te blijven maken van het menselijk kapitaal
binnen organisaties, is het van belang medewerkers op een duurzame manier in te zetten.
Duurzame inzetbaarheid kan als volgt worden gedefinieerd:
“Duurzame inzetbaarheid betekent dat medewerkers in hun arbeidsleven doorlopend over
daadwerkelijk realiseerbare mogelijkheden alsmede over de voorwaarden beschikken om
in huidig en toekomstig werk met behoud van gezondheid en welzijn te (blijven)
functioneren. Dit impliceert een werkcontext die hen hiertoe in staat stelt, evenals de
attitude en motivatie om deze mogelijkheden daadwerkelijk te benutten.”
(van der Klink 2010).
De Sociaal Economische Raad (SER) onderscheid drie pijlers in duurzame inzetbaarheid:
1. Workability heeft betrekking op de gezondheid van medewerkers; het fysieke,
psychische en sociale arbeidsvermogen
2. Employability zijn de capaciteiten en competenties die mensen hebben om te kunnen
werken bijvoorbeeld door scholing, beloning en doorstroom mogelijkheden
3. Vitaliteit heeft betrekking op motivatie en energie (SER 2009).
Employability is een belangrijk onderdeel van duurzame inzetbaarheid. Door de dynamiek
binnen de gezondheidssector, wordt verwacht dat medewerkers flexibel en veerkrachtig
binnen de organisatie kunnen zijn. Zowel de medewerker als de leidinggevende spelen bij
het realiseren van duurzame inzetbaarheid een significante rol, beide zijn verantwoordelijk
voor de gezondheid van de werknemer.
16
Het management en de ondersteunende afdelingen en diensten, zoals HRM, kunnen sturing
aan deze samenwerking geven (Arbokennisnet 2011).
Om de inzetbaarheid van medewerkers te verhogen kunnen verschillende interventies
worden ingezet, onderverdeeld in onderstaande categorieën (Ouweneel et. al. 2009).
1. Preventie; voorkomen van verminderde inzetbaarheid van medewerkers, door
schadelijke gevolgen van problemen, stoornissen en aandoeningen te beperken,
probleemoplossend vermogen van medewerkers versterken (coping) en
psychosociale risicofactoren in het werk verminderen.
2. Curatie; behandelen van verminderde inzetbaarheid, door medewerkers met
problemen, stoornissen en aandoeningen te behandelen.
3. Ampliatie; bevordering van positieve toestanden door inzetbaarheid bij gezonde
medewerkers te verhogen door hun psychisch welbevinden te verbeteren,
bijvoorbeeld door gerichtheid op bevlogenheid.
2.8 Operationaliseren van Duurzame Inzetbaarheid – AMO model
Zorgorganisatie zoeken naar een manier van inrichting van de eerder genoemde High
Performance Work System (HPWS) waardoor de juiste houding en gedrag wordt veroorzaakt
bij oudere medewerkers om vervolgens tot wenselijke organisatie prestaties te kunnen
blijven komen in een vergrijzende beroepsbevolking. De invulling van HR-praktijken in
zorgorganisaties is een belangrijke manier om duurzame inzetbaarheid te operationaliseren.
Voor de inrichting van deze HR-praktijken kan het model van Appelbaum et. al. (2000)
worden gebruikt. Bij dit model worden Ability (A), Motivation (M) en Opportunity to
participate (O) gezien als belangrijke elementen van een High Permformance Work System.
Wanneer er op een adequate manier invulling wordt gegeven aan HR-activiteiten op alle drie
de elementen, kan dat leiden tot effect op de inzet van medewerkers doordat zij effectief,
discretionair gedrag gaan vertonen. Dit zal uiteindelijk weer kunnen leiden tot een bijdrage
aan het behalen van organisatie prestaties (Appelbaum et al 2000). Zie figuur 6 voor een
weergave van het AMO-model.
HPWS
 Ability/Skills
 Motivation/
Incentives
 Opportunity to
participate
Effective
Discretionary Effort
Firm performance
Figuur 6: AMO model (Apelbaum 2000)
Discretionair gedrag is niet verplicht en kan eveneens niet worden afgedwongen, het komt uit
medewerkers zelf. Het gedrag wordt uitgelokt door bepaalde factoren die medewerkers ertoe
aanzetten, overtuigen of overhalen om harder te werken dan ze normaal zouden doen
(Purcell 2004).
Volgens Appelbaum et. al. (2000) en Boxall & Purcell (2003) zorgen drie elementen samen
voor de beïnvloeding van discretionair gedrag bij medewerkers. Medewerkers zullen beter
presteren indien ze de juiste kennis en vaardigheden bezitten of de mogelijkheid hebben om
deze te ontwikkelen (Ability/Skills), als ze op een goede manier geprikkeld en gestimuleerd
worden (Motivation) en als ze de mogelijkheid hebben om te participeren en inspraak te
17
hebben bij bijvoorbeeld besluitvorming (Opportunity to participate). De inzet van HRpraktijken op deze drie elementen heeft een positieve uitwerking op de inzet van
medewerkers en zal verband hebben met duurzame inzetbaarheid en het creëren van een
High
Performance
Work
System
dat
organisatieprestatie
verbeterd.
Daarnaast kunnen de termen van het AMO- model gekoppeld worden aan de drie pijlers van
duurzame inzetbaarheid (SER 2009). Ability/Skills hebben verband met Employability.
Motivation heeft verband met Vitaliteit en Opportunity to participate staat in relatie met
Workability. In onderstaande tekst en in figuur 7 worden de drie HR-praktijken van het AMO
model toegelicht (Subramomy 2009).
De inhoud van HRM praktijken
Empowerment – Enhancing Bundles
Employee involvement in influencing work
process.outcomes
Formal grievance procedure and complaint resolution
systems
Job enrichment (skill flexibility, job variety,
responsibility)
Self-management or autonomous work groups
Systems tot encourage feedback from employees
Motivation Enhancing Bundles
Formal performance appraisal process
Incentive plans (bonuses, profit-sharing, gain-sharing
plans)
Linking pay to performance
Opportunities for internal career mobility and
promotions
Health care and other employee benefits
Skill Enhancing Bundles
Job description/requirements generated through job
analyses
Job-based skill training
Recruiting to ensure availability of large applicant pools
Structured and validated tools/procedures for
personnel selection
Figuur 7: De inhoud van HRM praktijken (Subramomy 2009)
Ontwikkeling
In het AMO model heeft „Ability‟ (Kennis/Kunde) betrekking op activiteiten op het gebied van
persoonlijke ontwikkeling. Gedacht kan worden aan training, cursussen, opleidingsniveau en
senior coaching. Duurzame inzetbaarheid is afhankelijk van de kennis, vaardigheden,
competenties en ervaringen van werknemers (SER 2009). Continue ontwikkeling op deze
onderdelen zal derhalve noodzakelijk zijn om de duurzame inzet van oudere medewerkers te
vergroten.
Loopbaan- en opleidingsbeleid vormen belangrijke onderdelen binnen organisaties om dit te
realiseren. Er zijn verschillende denkbeelden over de manier van ontwikkeling en opleiding.
Opleiding en ontwikkeling moet vooral leiden tot vorderen en handhaven van motivatie
binnen de bestaande functie en in mindere mate tot functie- en salarisgroei. Het verbreden
van de ontwikkeling van de medewerker zal zowel in belang van werkgever als werknemer
zijn, aangezien op die manier de inzetbaarheid wordt vergroot. Bij ontwikkeling zal niet alleen
naar formele opleidingen en cursussen gekeken moeten worden, het is ook interessant om
18
andere leervormen te ontplooien, zoals coaching, functieroulatie, traineeships, intervisie en
bijdrage aan projecten. De opbrengst van deze leeractiviteiten hangt grotendeels af van de
leervoorkeur en de manier waarop een leeractiviteit hierbij aansluit (Ruijters 2010). Om
medewerkers duurzaam in te zetten is het van belang dat zowel door werkgever als
werknemer de loopbaan bespreekbaar moet worden gemaakt. Hiermee worden positieve
voorwaarden gesteld voor de leerwaarde van de functie. Loopbaangesprekken moeten
voornamelijk gericht worden op de toekomstige ontwikkeling van de medewerker. Dergelijke
gesprekken onderscheiden zich van functionerings-en beoordelingsgesprekken, welke vooral
gericht zijn op huidige werkzaamheden, functie-inschaling, salariëring en promotie (Boerlijst
et. al. 1994). Baltes (1997) geeft aan dat de biologische veroudering kan worden uitgesteld
door de hersenfuncties te blijven prikkelen. Hier ligt een mogelijkheid voor organisaties.
Oude werknemers hebben andere capaciteiten dan jongere werknemers en vergen daarmee
een andere benadering in de organisatie. Uit de literatuur blijkt dat de kracht van de oudere
medewerker ligt bij het vermogen om met complexe situaties om te gaan. Oudere
werknemers zullen een andere manier van leren hebben. Er zal concreet aangesloten
moeten worden bij de reeds aanwezige kennis en ervaring. Abstracte, context loze kennis
die op een klassikale manier wordt aangeboden is derhalve niet passend bij deze doelgroep
(Nauta 2004).
Motivatie
Het tweede onderdeel van het AMO model welke invloed heeft op inzet en houding en
gedrag van medewerkers is „motivatie‟ om te werken. Motivatie heeft betrekking op
arbeidsvoorwaarden, baanzekerheid, manier van belonen en de balans tussen werk en
privé. Hierbij gaat het om aspecten die werknemers van belang achten in hun werk en die
hen motiveert zich in te blijven inzetten voor de organisatie. Hierbij kan gedacht worden aan
intrinsieke factoren (tevredenheid, commitment, betrokkenheid, verbondenheid), extrinsieke
factoren (extra‟s, beloningsregelingen), doorgroei- en promotiemogelijkheden en sociale- en
gemaksfactoren (van Hoof et. al. 2002). Volgens Bontekoning (2014) kan motivatie worden
gestimuleerd door voor elke generatie medewerkers rekening te houden met werk energie
opwekkende en werk-energie belemmerende factoren (tabel 2).
19
Generatie
Werk- energie
opwekkend
Actief blijven meedoen
Ervaringskennis/wijsheid
benutten en overdragen
Passie (her)vinden
Loslaten verouderde
patronen
Coachen
Baas over eigen werk
zijn
Werk-energie
belemmerend
Bureaucratie
Command & Control
Samen resultaten
boeken
Diversiteit constructief
benutten
Tussen de mensen
staan, gelijkwaardig
Coachen
Luisteren en dialoog
Top-down sturing
Dichtgeregeld
Pragmatische
generatie
(1970-1985)
Nieuwe generatie
medioren
30-45 jaar
Snelle-concreteinteractieve
besluitvorming
Vlot concrete resultaten
Eigen
verantwoordelijkheid
nemen
Trage bureaucratie
Hiërarchie
Authentieke
generatie Y
(1985-2000)
Nieuwe generatie
junioren
15-30 jaar
Creatieve ruimte/vrijheid
direct veranderen
Authentiek + positieve
directe feedback
Open, gelijkwaardig,
informeel
Formaliteiten
Vaste procedures
Protest generatie
(1940-1955)
Nieuwe generatie
senioren
60-75 jaar
Verbindende
generatie
(1955-1970)
Nieuwe generatie
leiders
45-60 jaar
Interventies
-
-
-
-
-
Rijke expertise bewust benutten
Intuïtie (=onbewuste
ervaringskennis) laten werken
Passie hervinden en verzuring
wegwerken
Loslaten ongewild overgenomen
verouderde patronen
Hiërarchisch formeel gedrag,
door leiderschap van thuis –
coachend, gelijkwaardig
persoonlijk – transporteren naar
werk.
Regie nemen
Stop met klagen, draai klachten
om en organiseer interactief
ondersteuning
Aannames checken
Extra steun van ervaren collega‟s
Samenwerken met senioren van
protestgeneratie; innovatieve
kracht; mits klik
Tabel 2: Generaties en werkenergie (Bontekoning 2014)
Bontekoning (2014) geeft aan dat het vooral van belang is jonge en oude medewerkers te
combineren op de werkvloer waardoor complementariteit en kennisoverdracht tussen
generaties wordt gestimuleerd.
Op die manier kan elke medewerker met eigen kennis en ervaring een toegevoegde waarde
leveren aan de organisatie, dit zal een bijdrage leveren aan de motivatie.
Diehl (2007) geeft aan dat de invulling van werk eveneens verandert naarmate de leeftijd
vordert.
Medewerkers vanaf vijftig jaar hechten steeds meer waarde aan zingeving en zinvolle arbeid
en hebben de wens om kennis en ervaring over te dragen. Wanneer niet aan deze wens
tegemoet gekomen wordt, bestaat kans op vastroesten, motivatiegebrek en gevoel van
zinloosheid.
20
Wanneer generaties echter ondersteunt worden in werk energie opwekkende factoren, zal dit
leiden tot een duurzame inzet van medewerker, waardoor een stijging in stemming,
optimisme en werknemerstevredenheid zal ontstaan. Daarnaast zal hierdoor een bijdetijdse
organisatiecultuur ontstaan (Figuur 8, Bontekoning 2014).
Werkenergie
opwekkend
werken
bevordert
duurzame
inzet
Stijging
stemming,
optimisme en
werknemerstevredenheid
Zorgt voor
bijdetijdse
Organisatie
cultuur
Figuur 8: invloed werkenergie opwekkend werken
Participatiemogelijkheden
In het AMO model heeft „Opportunity to participate‟ betrekking op betrokkenheid bij
besluitvorming. Fysieke en cognitieve veroudering is onvermijdelijk, echter kan deze
versneld of vertraagd worden door kwaliteit van arbeid (Zinsmeister et. al. 2009). Hierbij kan
gedacht worden aan inspraak op beleid van dagelijks werkzaamheden, betrokkenheid bij
strategie van de organisatie, wijze waarop beleid wordt geïmplementeerd en mate waarin
medewerkers autonoom en zelfstandig zijn in het uitvoeren van hun functie en aanwezigheid
van baanverrijking (Appelbaum 2000). Ouderen hebben een onbenut potentieel aan kennis
en ervaring, waar zij op eigen manier invulling aan willen geven (de Boer 2006). Oudere
werknemers hebben veel levenservaring, welke verwant is aan het vermogen tot zelfsturing.
Wanneer de omgeving voldoende uitdagingen en mogelijkheden biedt en door inspanning of
eigen investering in persoonlijke groei wordt dit vermogen zoveel mogelijk geoptimaliseerd
(Houben 2002). De mate waarin de kracht van oudere werknemer tot zijn recht komt is
daarmee afhankelijk van de context, het zal ondergeschikt zijn aan de werkplek inrichting en
het organisatie beleid.
2.9 Lerend vermogen van organisaties
De manier waarop organisaties interventies op de drie onderdelen van het AMO-model
toepassrn om inzetbaarheid van medewerkers te verhogen, wordt mede bepaald door hun
lerend vermogen.
In de theorie van Argyris (1976) zijn er twee manieren waarop organisaties kunnen leren.
Single loop learning waarbij een organisatie zich eenzijdig richt op het oplossen van
toenemende ontwikkelingen en problemen die daardoor ontstaan. Er wordt hierbij
voorbijgegaan aan de oorzaak van het probleem. Een organisatie zal bij het oplossen van
problemen handelen zoals deze altijd heeft gehandeld; routinematig en binnen de bestaande
gegevens (Argyris 1976). Toegespitst op de theorie van Ouweneel (2009) zal deze manier
van leren leiden tot curatieve interventies.
Double loop learning is een vorm van leren waarbij dieper op de oorzaak van het probleem
wordt ingegaan en waar vanuit kritische reflectie op de bestaande manier van handelen
wordt gekozen voor aanpassing van het handelingsrepertoire. Welke afwegingen in beleid
hebben managers gemaakt en wat waren plus- en verbeterpunten? Toegespitst op de
theorie van Ouweneel (2009) zal deze manier van leren leiden tot preventieve en ampliatieve
21
interventies. In relatie tot duurzame inzetbaarheid en voor vernieuwing wordt het meeste
perspectief geboden indien organisaties double loop learning toepassen, waarbij het
opstellen van een preventief beleid van belang is.
2.10
De cirkel doorbreken
Wanneer negatieve effecten van het ontbreken van een duurzaam inzetbaar beleid nog
weinig gevoeld worden, zal de kans klein zijn dat organisaties een dergelijk beleid opstellen.
Organisaties zullen blijven doorgaan met de huidige manier van werken en duurzame
inzetbaarheid zal als onderwerp blijven liggen bij HR managers, terwijl het juist een
onderwerp van strategisch beleid hoort te zijn. Om uit het bestaande stramien te kunnen
komen en verandering te realiseren heeft inzicht van het probleem en begrip hoe de situatie
in stand gehouden wordt door managers de eerste prioriteit (Ardon 2011). Ilmarinen (2002)
geeft eveneens aan dat voor het verwezenlijken van succesvol beleid een helder
beleidskader noodzakelijk is, gebaseerd op zowel kwantitatieve als kwalitatieve management
informatie. Indien lijnmanagers goed inhoudelijk over het beleidskader zijn geïnformeerd, zal
dit een aanknopingspunt bieden voor dagelijkse beleidsinterventies. Minimale informatie over
strategische prioriteiten, perspectieven en beweegredenen zal daarentegen leiden tot te veel
discretionaire ruimte van lijnmanagers, waardoor persoonlijke voorkeuren domineren (Leisink
2004). Vervolgens is voor het realiseren van succesvolle veranderingen communicatie naar
en met medewerkers essentieel. In het gehele proces van probleemdefinitie tot
implementatie en evaluatie, dienen zoveel mogelijk actoren uit de hele organisatie betrokken
te worden, inclusief de Ondernemingsraad. (Schoemakers en Koopmans 2008).
Dit sluit aan bij de visie van Ardon (2011) welke aangeeft dat na inzicht in het probleem door
managers, het onderwerp bespreekbaar gemaakt moeten worden waarbij een klimaat
moeten worden gecreëerd waarin samen, open wordt geleerd en effectief wordt verandert.
Alleen op die manier zal de vicieuze cirkel worden doorbroken (Ardon 2011).
2.11
Conceptueel model
Zorgorganisaties zullen steeds meer te maken krijgen met een verouderd
personeelsbestand. Het zal om die reden voor organisaties steeds meer van belang zijn om
deze groep medewerkers op een duurzame manier in te zetten. Door HR beleid op een
bepaalde manier vorm te geven kan duurzame inzetbaarheid gerealiseerd worden. In de
literatuur komt naar voren dat het creëren specifieke HR activiteiten op het gebied van
ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden een belangrijke bijdrage levert aan de
houding en gedrag en het functioneren van medewerkers en daarmee aan de inzet van
medewerkers (o.a. Paauwe & Richardson 1997; Boselie & Paauwe, 2004b). De verwachting
is dat dit positief effect zal hebben op het duurzaam inzetten van personeel en uiteindelijk zal
leiden tot betere organisatie prestaties, waardoor een High Performance Work System kan
ontstaan. Toegespitst op het onderzoek en de literatuur is onderstaand conceptueel model
(figuur 9) opgesteld. De elementen van het AMO-model (Appelbaum et al 2000) zijn op de
volgende manier vertaald in het conceptuele model; ontwikkeling (ability/skills), motivatie
(motivation) en participatiemogelijkheden (opportunity to participate)
22
Figuur 9: Conceptueel model
2.12
Verwachte resultaat van het onderzoek
Binnen het onderzoek wordt onderzocht welke HR-activiteiten op het gebied van
ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden van medewerkers van 55 jaar en ouder
kunnen worden ingezet om oudere medewerkers op een duurzame manier inzetbaar te
houden binnen de organisatie.
Beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid en HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling,
motivatie en participatiemogelijkheden van oudere medewerkers zijn de onafhankelijke
variabelen. Hierover wordt de voorspelling gebaseerd dat indien er bepaalde HR-praktijken
zijn die zorgen voor het vergroten van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden
deze zullen leiden tot een bepaalde houding en gedrag van oudere medewerkers en
uiteindelijk tot een bepaalde organisatie prestatie. De organisatie prestatie is de afhankelijke
variabele.
Door het sterk toegenomen vergrijzende personeelsbestand van veel zorgorganisaties, is de
verwachting dat zorgorganisaties een visie of beleid hebben opgesteld om medewerkers op
een duurzame manier in te kunnen zetten om op die manier mentale en fysieke uitval te
kunnen reduceren. De vergrijzing zal toekomstig steeds verder toenemen waardoor de
urgentie voor organisaties, om hier adequaat op in te spelen, hoog is. Daarnaast wordt
verwacht dat organisaties bezig zijn met het ontwikkelen van specifieke HR-praktijken op het
gebied van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden voor oudere medewerkers,
waarin organisaties mogelijk in een experimentele fase zitten met het implementeren van de
beoogde HR-praktijken.
23
3. Methodologie
Dit hoofdstuk beschrijft de gehanteerde onderzoeksmethoden voor het verzamelen van
gegevens ter beantwoording van de onderzoeksvraag en deelvragen. Hiertoe zijn
onderzoeksopzet, de onderzoekspopulatie en de dataverzameling beschreven. Tevens is
operationalisatie van de variabelen en de dataverwerking toegelicht. Tot slot worden
betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek verhelderd.
de
de
de
de
3.1 Onderzoeksopzet
Onderzoek kan gekarakteriseerd worden als kwalitatief of kwantitatief of een combinatie van
beide. Bij een kwantitatieve onderzoeksopzet gaat om het opstellen van hypothesen en het
toetsen van theorieën met behulp van gesloten vragen (Mortelmans 2013).
Onderzoeksmethoden die hierbij gebruikt worden zijn enquêtes en experimenten waarmee
met cijfermatig gegevens statistische data wordt verkregen (Baarda 2014). Een kwalitatieve
onderzoeksopzet wordt gekenmerkt door het beschrijven en interpreteren van problemen in
en van situaties, gebeurtenissen en personen. Bruikbare onderzoeksmethoden zijn open
interviews, analyseren van bestaande documenten en/of participerende observaties om
belevingen, ervaringen en betekenis verleningen te kunnen achterhalen. Bij kwalitatief
onderzoek gaat het vooral om het verkrijgen van inzichten en minder om harde,
getalsmatige, onderbouwde feiten (Baarda 2014). In de inleiding staat beschreven dat
zorgorganisaties geconfronteerd worden met de vergrijzing en ontgroening als
maatschappelijk probleem en daarom zoekende zijn in het omgaan met hun verouderde
personeelsbestand. Daarnaast wordt de uitdaging voor organisaties beschreven om te
blijven werken aan de ontwikkeling van vaardigheden en de inzetbaarheid van oudere
werknemers zonder dat de motivatie, gezondheid en capaciteit van deze medewerkers in de
loop der jaren verminderd. In dit onderzoek is onderzocht hoe organisaties inspelen op
duurzaam inzetbaar beleid. Tevens gaat het in dit onderzoek om het achterhalen van keuzes
in HR- activiteiten en het begrijpen en interpreteren waarom deze keuzes worden gemaakt
en hoe deze vervolgens worden ontvangen bij medewerkers. Er kan verondersteld worden
dat binnen dit onderzoek sprake is van een probleem-georiënteerd perspectief. Het
uitgangspunt is het verkrijgen van inzichten en door het open karakter van de
onderzoeksvraag en deelvragen is een kwalitatief onderzoek passend. Daarnaast is voor
deze benadering gekozen omdat de beoogde resultaten lastig te verkrijgen zijn in een
kwantitatief onderzoek, middels enquêtes kan minder diepgang worden gecreëerd. De
grondvorm van dit kwalitatieve onderzoek bestaat uit een multiple case study, waarbij twee
VVT-instellingen waar het onderzoek wordt verricht als studieobjecten fungeren. De kern van
deze casestudy is het verkrijgen van een gedetailleerd inzicht van de case in de manier
waarop bevraagde processen zich voltrekken in de praktijk (Mortelmans 2013). Dit
onderzoek betreft een collectieve casestudy waarbij de case bestudeerd wordt om
uitspraken te kunnen doen over een groep of klasse van cases (Mortelmans 2013). De
gegevens die binnen de onderzochte organisaties naar voren komen, kunnen een bijdrage
leveren aan ervaringen binnen andere zorginstellingen in dezelfde sector.
3.2 Dataverzameling
Data voor dit kwalitatieve onderzoek zijn op meerdere manieren verzameld. Enerzijds zijn
interviews met diverse medewerkers van beide zorginstellingen gehouden om inzichten te
verkrijgen in het onderwerp. Daarnaast is document analyse toegepast, waarbij
verscheidene, relevante organisatie stukken zijn geraadpleegd. Interviews hebben
betrekking op menselijk handelen en interpretaties en documenten zorgen voor een
24
vergroting en bevestiging voor het bewijs uit andere bronnen (Yin 2003). Door gebruik te
maken van verschillende databronnen, wordt data triangulatie toegepast. Hierdoor wordt
getracht meer diepgang in het onderzoek te creëren (Mortelmans 2013).
Documentanalyse
Documenten zijn een belangrijke en zeker niet te verwaarlozen bron van informatie voor de
onderzoeker (Mortelmans 2013). De zorgorganisaties die hebben deelgenomen aan het
onderzoek hebben inzage verleend in relevante documenten als meerjarenplannen,
jaarverslagen, sociale plannen, arbobeleidsplannen, notities en andere beleidsdocumenten.
Op basis van deze stukken is gekeken hoe beleid en HR-beleid voor (oudere) werknemers
georganiseerd is en daarnaast hoe wordt omgegaan met duurzame inzetbaarheid. De
beleidsstukken zijn gebruikt als achtergrondinformatie en verdieping en om vragen te
verhelderen gedurende de interviews.
Interviews
Naast bronnenonderzoek zijn bij elke organisatie meerdere interviews afgenomen.
Een aantal dagen voorafgaand aan de interviews hebben de respondenten een topic list
ontvangen van de onderzoeker (bijlage 1). De topic list bevat een opeenvolging van de
dimensies die gerelateerd zijn aan de onderzoeksvragen. Hiervoor is gekozen om het
interview gestructureerd af te nemen en om kadering te bieden bij het analyseren van de
interviews. Aan de hand van de dimensies benoemd op de topic list zijn de interview vragen
gevormd. Door voorafgaand aan het interview de topic list toe te sturen, heeft de respondent
de kans om zich inhoudelijk gedegen voor te bereiden op het interview. Gedurende de
interviews is het vragenprotocol (bijlage 2) door de onderzoeker gebruikt. Vragen staan
helemaal uitgeschreven en naast de hoofdvragen zijn ook de onderwerpen die bij elke
hoofdvraag aan bod moeten komen in vraagvorm uitgeschreven. Op deze manier is zo sterk
mogelijk een kader meegegeven voor het interview (Mortelmans 2013).
Het vragenprotocol was voor elke organisatie en respondent gelijk, echter had het
vragenprotocol voor 55+ medewerkers bij sommige onderwerpen iets meer
verdiepingsvragen. Om sociaal wenselijke antwoorden te voorkomen, waren de
respondenten voor afname van het interview niet bekend met de interviewvragen. Verspreid
over een periode van twee-drie maanden zijn de interviews afgenomen, waarbij de
onderzoeker naar de vestiging is toegegaan waar de desbetreffende respondent werkzaam
was. De interviews duurden gemiddeld één uur. Om te kunnen komen tot goede analyse
mogelijkheden zijn alle interviews digitaal opgenomen, alle respondenten hebben hiervoor
toestemming verleend. Er is eveneens toestemming verkregen van alle respondenten voor
het geanonimiseerd publiceren van de data uit de interviews. Gedurende het interview zijn
aantekeningen gemaakt. Hierbij zijn verbale uitingen en, indien aanwezig, non-verbale
opvallendheden genoteerd.
3.3 Onderzoekspopulatie
Selectiestrategie
De onderzoeksvraag is specifiek gericht op de VVT-sector. De zorgorganisaties zijn
geselecteerd door gebruik te maken van criterion-based selection. Bij deze strategie worden
voor het verkrijgen van data de setting, personen en activiteiten weloverwogen geselecteerd
(Maxwell 1996).
De setting waar het onderzoek heeft plaats gevonden zijn zorginstellingen in de VVT-sector.
Voorwaarde voor deelnemende organisaties was dat ze relatief groot zijn (minimum van
1500 medewerkers) en dat beide zorgaanbieders verzorgenden en verpleegkundigen van 55
25
jaar en ouder in dienst hebben. De functie die de respondenten bekleden wordt ook
meegenomen in de selectiestrategie. Bij elke organisatie gaat het om:
1. personen die deel uit maken van het management en die op strategisch niveau
beslissingen nemen (Locatiemanagers of MT-leden)
2. personen die beslissingen nemen op gebied van HR-beleid (HR- of P&O adviseurs)
3. personen die betrokken zijn bij de implementatie van het beleid (teamleiders) en
4. medewerkers die HR-activiteiten op een bepaalde manier ontvangen (55+
medewerkers)
Tot slot is bepaald welke activiteiten van de onderzochte organisaties als studieobject
fungeren; de wijze waarop de organisaties strategisch HRM beleid formeren.
Zorginstellingen
Mutiple cases dragen meer informatie aan dan single cases en worden daarom
geprefereerd. (Mortelmans 2013). Dit leidt tot een grotere externe validiteit (Verschuren &
Doorewaard 2010).
Bij het beslissen over het aantal op te nemen cases in een onderzoek, is replicatielogica
(theoretische generalisatie) een belangrijk uitgangspunt. Deze logica gaat er in een multiple
case study van uit dat elke case meehelpt om de resultaten te repliceren. Er wordt
onderzocht of de sociale fenomenen van het onderzoek in gelijke mate voorkomen in elk van
de cases. Elke case kan beschouwt worden als een single case onderzoek, waarna aan het
einde van de studie een vergelijkende fase ontstaat (Mortelmans 2013). De deelnemende
organisaties vormen de cases, dit onderzoek bevat twee cases; twee zorginstellingen in de
VVT-sector. Beperking van het onderzoek tot twee organisaties binnen dezelfde zorgsector,
leidt tot een afbakening van het onderzoek. Daarnaast dient het empirische onderzoek
binnen een relatief kort tijdsbestek uitgevoerd te worden, door het aantal cases te beperken
kan efficiënter gewerkt worden. De betrokken organisaties dienden te voldoen aan de criteria
omschreven in de selectiestrategie. Vervolgens zijn interviews afgenomen en is
bronnenonderzoek verricht. Binnen elke instelling zijn vijf respondenten geïnterviewd, zodat
per case meer diepgang gecreëerd is en ter vergroting van de interne validiteit. De
respondenten bekleden verschillende functies binnen de organisatie, op die manier is het
onderwerp van verschillende zijden belicht en kan inzicht worden verkregen hoe het HRM
beleid door wordt vertaald binnen de organisatie. In paragraaf 4.1 wordt een toelichting op de
cases en respondenten gegeven.
3.4 Operationalisatie
De onderzoeksvraag van dit onderzoek is als volgt: “Hoe realiseren VVT-organisaties
duurzame
inzetbaarheid
van
medewerkers
van
55
jaar
en
ouder?”
De afhankelijke variabele in dit onderzoek is de organisatie prestatie van
ouderenzorgorganisaties. De onafhankelijke variabelen of dimensies zijn beleid leidend tot
duurzame inzetbaarheid, ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden. In paragraaf
2.9 is uitgelegd dat aan de hand van het AMO-model deze operationalisatie tot stand is
gekomen. Voor het meetbaar maken van de variabelen en om tot een weergave te kunnen
komen die leidt tot beantwoording van de onderzoeksvraag, zijn de variabelen
geoperationaliseerd tot indicatoren (bijlage 3). De indicatoren zijn vervolgens gekoppeld aan
de vragen in het vragenprotocol (bijlage 2).
26
3.5 Dataverwerking
Om tot een goede data analyse te kunnen komen zijn zowel de uitgewerkte interviews als de
documenten kritisch beoordeeld in relatie tot de onderzoeksvraag. Creswell (2013)
onderscheidt zes stappen voor het analyseren van data, welke alle zes in dit onderzoek zijn
doorlopen.
1. Onderzoeksgegevens ordenen en prepareren voor analyse: de ontvangen documenten
van de organisaties zijn gestructureerd, de opgenomen interviews zijn getranscribeerd en
geordend tot een gespreksverslag.
2. Algemene indruk van het onderzoeksmateriaal verkrijgen: om een eerste algemene
indruk van alle verzamelde data te krijgen en om in te schatten in hoeverre de informatie
relevant is, heeft de onderzoeker het onderzoeksmateriaal op een globale manier
gelezen.
3. Detail analyse: Door het coderen van zowel de interviews als de tekstfragmenten uit de
documenten, heeft de onderzoeker de belangrijkste thema‟s gefilterd om een goed beeld
van alle data te krijgen.
4. Verdieping van de detail analyse: door verkregen data met elkaar te vergelijken en door
de data te verifiëren met de literatuur wordt gepoogd betekenis te geven aan de
gecodeerde data.
5. Resultaten weergeven: de resultaten worden per case beschreven en geordend op basis
van de concepten uit het conceptueel model.
6. Interpretatie van de analyse: in de laatste fase worden de onderzoeksresultaten getoetst
met de probleemstelling, de onderzoeksvraag en deelvragen en de literatuur (Creswell
2013)
3.6 Validiteit
De mate waarin de interpretatie en analyse van de data geloofwaardig zijn en de mate
waarin de onderzoeker in staat wordt gesteld geldige conclusies te trekken, bepalen de
validiteit van kwalitatief onderzoek. Er wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe
validiteit (Mortelmans 2013).
Interne validiteit representeert in hoeverre de resultaten van het onderzoek geldig zijn voor
de onderzochte populatie. Om de interne validiteit van dit onderzoek te vergroten is gebruik
gemaakt van triangulatie, het onderzoeksresultaat wordt immers krachtiger naarmate het van
verschillende zijden wordt bekeken (Mortelmans 2013). Data triangulatie wordt toegepast
door het gebruik van verschillende databronnen. Naast het gebruik van interviews worden
ook documentanalyse toegepast door het gebruik van informatie uit beleidsstukken van de
instelling om op die manier een zo breed mogelijke kijk op het onderwerp te krijgen.
Daarnaast is de member check toegepast. Na de analyse hebben de bevraagde
respondenten de resultaten van het onderzoek voorgelegd gekregen. Op die manier is
nagegaan of de resultaten door de betrokkenen zelf als geloofwaardig beoordeeld werden.
(Mortelmans 2013).
Externe validiteit heeft betrekking op overdraagbaarheid of generaliseerbaarheid van de
onderzoekresultaten naar een vergelijkbare context of populatie (Mortelmans 2013). Door
het geringe aantal cases die betrokken zijn bij dit onderzoek, is de externe validiteit in
mindere mate aanwezig. Echter, door keuze te maken voor een mutiple case study in plaats
van een single case study, wordt de externe validiteit bevorderd. Door het onderzoek in twee
vergelijkbare instellingen uit te voeren, zal de externe validiteit worden vergroot indien beide
cases overeenkomstige conclusies bevatten.
27
3.7 Betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid is eveneens een belangrijke kwaliteitsindicator van onderzoek. Er wordt
onderscheid
gemaakt
tussen
interne
en
externe
betrouwbaarheid.
Interne betrouwbaarheid zegt iets over de mate waarin invloeden van de individuele
onderzoeker zijn meegenomen in het onderzoek, waardoor vertekening van de resultaten
kan ontstaan (Plochg & van Zwieten 2007). Bij het bronnenonderzoek zal een geringe kans
zijn op deze vertekening, aangezien de informatie reeds was opgesteld zonder
betrokkenheid van de onderzoeker. Bij het afnemen van de interviews, heeft de onderzoeker
wel een rol gespeeld. Door elk interview op dezelfde manier voor te bereiden en door bij elk
interview gebruik te maken van het vragenprotocol, is getracht de interviews zo objectief
mogelijk af te nemen.
Externe betrouwbaarheid geeft informatie over de mate waarin de studie als geheel
repliceerbaar is. Dit kan worden aangetoond door in de rapportering duidelijkheid te
scheppen over het verloop van het onderzoeksproces, bijvoorbeeld door middel van
zelfreflectie en een audit trail (Mortelmans 2013).
Een audit trail leidt tot methodologische duidelijkheid door een gedetailleerde beschrijving
van het verloop van het onderzoek (Mortelmans 2013). In de paragrafen 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5
is de wijze van dataverzameling, onderzoekspopulatie operationalisatie en dataverwerking
uitvoerig beschreven. Daarnaast zijn alle interviews digitaal opgenomen en getranscribeerd
in gesprekverslagen. Dit leidt tot de mogelijkheid voor andere onderzoekers om inzicht te
krijgen in het onderzoeksproces en de verkregen data. De positie van de onderzoeker is
nooit helemaal neutraal, dit kan van invloed zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek.
Door zelfreflectie wordt de verhouding van de onderzoeker tot het onderzoek verheldert
(Mortelmans 2013). In hoofdstuk 6 (discussie) wordt deze zelfreflectie en een kritische
reflectie tot het onderzoek toegelicht.
Er moet in acht worden genomen dat exacte reproduceerbaarheid van kwalitatief onderzoek
niet reëel is. Elk onderzoek wordt in een bepaalde context uitgevoerd en is in die zin uniek
(Mortelmans 2013). Indien een andere onderzoeker de interviews af zou nemen, is het
aannemelijk dat er andere antwoorden volgen. Er kan het beste een oordeel over externe
betrouwbaarheid worden gegeven door te bepalen of instabiliteit over de tijd heen is ontstaan
door een reële sociale verandering of door onzorgvuldige, methodologische beslissingen of
niet goed uitgevoerde analyses (Mortelmans 2013).
28
4. Onderzoeksresultaten
In dit hoofdstuk worden de resultaten besproken van het bronnenonderzoek en de
afgenomen interviews. De resultaten worden besproken en geanalyseerd door
beantwoording van de opgestelde deelvragen, weergegeven in paragraaf 1.3.1 Deze
deelvragen worden beantwoord in paragraaf 4.2 tot en met 4.4 waarbij de concepten uit het
conceptuele model worden toegepast en per organisatie worden besproken.
4.1 Onderzoeksgroep
Voor dit onderzoek zijn twee zorgorganisaties in de VVT-sector benaderd, die bereid waren
deel te nemen aan het onderzoek. In paragraaf 3.3 zijn de selectiecriteria benoemd. Voor het
verrichten van een vergelijkbaar onderzoek is het van belang dat beide organisaties
vergelijkbaar qua grootte zijn en dat beide zorgaanbieders verzorgenden en
verpleegkundigen van 55 jaar en ouder in dienst hebben. De gegevens van de organisaties
zijn geanonimiseerd weergegeven in tabel 3.
Case
Werkgebied
A
NoordHolland
Brabant 20
B
Aantal
Verzorgen
Verpleeg
huizen
18
Aantal
medewerkers
2015
Aantal 55+
medewerkers
2015
Percentage 55+ Percentage 55+
medewerkers
medewerkers
2015
2010
3258
934
28,6%
19,96%
3477
776
22,3%
14,2%
Tabel 3: Beschrijving cases
Er is uitgegaan van minstens vijf respondenten per case die vergelijkbare functies bekleden
binnen de organisatie. Tabel 4 weergeeft het overzicht van de functies van de respondenten
per organisatie.
Case
A
B
Respondent
A1
A2
A3
A4
A5
B1
B2
B3
B4
B5
Functie van de respondent
Locatiemanager
Teamleider
HR-business partner
55+ medewerker (Niveau 3)
55+ medewerker (Niveau 4)
Locatiemanager
Teammanager
P&O-adviseur
55+ medewerker (Niveau 3)
55+ medewerker (Niveau 4)
Tabel 4: Respondenten per case
29
4.2 Beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid
4.2.1 Visie duurzame inzetbaarheid
Bij beide organisaties zijn een aantal onderdelen in gang gezet verwant aan het onderwerp
duurzame inzetbaarheid. Beide organisaties hebben nog geen overkoepelende visie of
beleid opgesteld met betrekking tot duurzame inzetbaarheid.
Organisatie A
Organisatie A beschrijft in het Koersplan voor 2014-2016 het volgende over duurzaamheid:
“Om duurzaam de nieuwe generatie ouderen tegemoet te zien, een duurzaam
personeelsbeleid te voeren, duurzaam het digitale tijdsperk te omarmen en duurzaam om te
gaan met middelen die ons ter beschikking worden gesteld, zijn onderlinge balansen nodig.
Het duurzaam voortbestaan van de organisatie, betekent een ideaal evenwicht tussen de
belangen van de cliënt (en diens omgeving) en het voor medewerkers en faciliteiten
beschikbare geld, rekening houdend met grondslagen, zoals wet- en regelgeving.”
De drie pijlers; medewerker, cliënt en organisatie moeten hiervoor in evenwicht zijn.
Ingezoomd op de medewerker betekent dit het volgende:
“Duurzaam omgaan met het voor medewerkers beschikbare geld, betekent dat continue
gezocht wordt naar methoden om het talent voor medewerkers optimaal te benutten voor de
belangen van de cliënt” (Koersplan 2014-2016).
De volgende uitgangspunten zijn
geformuleerd en liggen vast:
-
Vakkundig, zelf organiserend en met plezier
Integraal management en coachend leiderschap
De functie teamleider zal anders worden ingevuld, à la profiel van de coach in de
wijkzorg
Zorgmedewerkers werken in teams met rollen en verantwoordelijkheden
Investeren in het opleiden en bijscholen van medewerkers blijft nodig
Innovatie, vernieuwing en doorontwikkeling zijn continue nodig. De eigen
medewerkers zijn een bron van innovatieve ideeën. Door prikkelende acties worden
medewerkers aangejaagd om ideeën uit te werken en te delen.
Binnen de organisatie zijn drie verzuimspecialisten en een arbo adviseur in dienst die
worden ingezet op het gebied van verzuim en inzetbaarheid. Daarnaast is een werkgroep
binnen de organisatie in een beginfase om het onderwerp duurzame inzetbaarheid te
bespreken en onderzoeken. Door organisatie veranderingen van afgelopen jaren is de
organisatie er tot heden niet in geslaagd een beleid rond dit onderwerp te formuleren en
implementeren. HR-business partner (Respondent A3): “We hebben nog niet echt een
uitgewerkte visie. Dat heeft te maken met de fusies die wij hebben doorlopen. Bij de één na
laatste fusie hadden we een collega die een stuk duurzame inzetbaarheid had opgepakt en
daar ook haar onderzoek en scriptie voor had geschreven. Toen gingen wij weer fuseren en
waren we van plan om het te gaan uitvoeren, maar toen kregen we te maken dat je eerst
weer één moet gaan worden en dat je processen moet gaan harmoniseren voordat je daar
daadwerkelijk nieuwe beleidsvoering kan gaan bekijken. En voordat we weer zover kwamen,
kwam de volgende fusie.”
Bij de verschillende geïnterviewde actoren binnen de organisatie heerst het besef dat er
actie op dit onderwerp moet worden uitgezet, startend bij het opstellen van een visie of
30
beleid. Een concrete voorstelling hoe dit het best gerealiseerd kan worden is er nog niet.
HR-business partner (Respondent A3): “We hebben zeker behoefte aan een visie of beleid.
Als je kijkt naar het personeelsbestand dan scoren wij zeer hoog vanaf 40 jaar en ouder. Dat
is onze piek. Ik was laatst bezig met strategische personeelsplanning van een locatie en dan
breng je eerst in kaart hoe de locatie eruit ziet. En dan zie je dat 57,14% van die locatie 45
tot 55 jaar is. En 14,29% is 55 jaar en ouder. Onder de 45 jaar is 0%. En dat is eigenlijk
representatief voor alle afdelingen.”
Teamleider (Respondent A2): “Er is vanuit de organisatie niet echt een heel duidelijk beleid
op duurzame inzetbaarheid. Het kwam er nooit echt van om hier echt iets mee te gaan doen,
het bleef een beetje hangen bij; dat er iets mee moest gebeuren en een onderwerp waar we
het over moeten gaan hebben.(…) Ik prijs me nu gelukkig dat mijn team in die zin gezond is.
Maar ik vrees natuurlijk wel, want het blijft natuurlijk niet zo. De kans dat er mensen gaan
uitvallen juist doordat het te zwaar wordt, die kans is er zeker. (…) “Misschien dat het
ontbreken van beleid ook heeft het maken met het toch onbewust op de lange baan
schuiven, want het is best een ingewikkeld vraagstuk en we weten eigenlijk niet zo goed wat
we ermee moeten.”
Locatiemanager (Respondent A1): “Ik weet van deze locatie dat er een zorgafdeling is, waar
één jonkie inzit en de rest is of in de 50 of zelfs boven de 55, dus ik weet van die afdeling dat
we daar iets mee moeten, anders krijgen we daar een probleem. Maar vervolgens
functioneert iedereen daar wel gewoon goed, dus wat doe je dan? Ga je dan wachten tot de
klap valt? Of gaat straks iedereen om en om vallen? Maar je moet er wel op voorbereid zijn.
Dus ik vind het zelf lastig. Je kan er heel actief op gaan acteren, maar mensen functioneren
prima en hebben het goed naar hun zin. Dan moet je mensen dan nu al gaan zeggen dat ze
misschien een ander vak moeten gaan kiezen, terwijl ze het misschien wel gewoon
volhouden tot hun 67ste. Dus het is best wel complex”
Organisatie B
Organisatie B beschrijft in het Arbobeleidsplan te streven naar “een gezonde organisatie,
waarbij een prettig werkklimaat heerst en waar tevreden mensen werken. Goede
arbeidsomstandigheden dragen bij aan arbeidsmotivatie, tevredenheid en behoud en werken
preventief op verzuim. Hierbij wordt als doelstelling geformuleerd dat de organisatie voor
optimale arbeidsomstandigheden voor medewerkers zorgt, om op die manier een optimale
en voortdurende inzet te krijgen bij het uitoefenen van hun functie. Dit betekent dat de
organisatie
zorgt
voor
maatregelen
om:
De
grootst
mogelijke
veiligheid
van
medewerkers
te
garanderen
- Te komen tot een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid van medewerkers
- Het welzijn van de medewerkers in hun arbeid zoveel mogelijk te bevorderen”
(Arbobeleidsplan 2008).
Binnen de organisatie zijn twee Verzuimcoaches en twee Arbo coördinatoren bezig met het
onderwerp duurzame inzetbaarheid. Er zijn binnen twee vestigingen pilots waarin door
middel van vitaliteitsgesprekken over het de relatie tussen individuele, organisatorische en
sociale dimensies van werkvermogen met medewerkers worden besproken. Een specifiek
beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid van medewerkers ontbreekt binnen Organisatie B
eveneens.
Verschillende actoren binnen de organisatie geven aan hier wel behoeft aan te hebben, het
31
wordt gezien als een hiaat dat er nog geen beleid is ontwikkeld. Daarnaast is hetgeen wat
voorhanden is op dit gebied te versnipperd waardoor het nog niet leidt tot het gewenste
resultaat.
P&O-adviseur (respondent B3): “Er worden binnen de organisatie wel heel veel dingen
afgesproken of gedaan, maar het is heel veel individueel gericht en een echt beleid op dit
onderwerp is er eigenlijk nog niet. Ik schaam me er een beetje voor, wij zijn eigenlijk
helemaal niet concreet bezig hiermee. Wel met pilots nu, maar het zijn allemaal losse
dingen” (…) Veel verschillende partijen en groepen zijn bezig met het onderwerp duurzame
inzetbaarheid, maar in hoeverre men daar ook naar elkaar toe van op de hoogte wordt
gehouden en feedback gegeven wordt, ik heb het idee dat dat nog niet optimaal is.
Locatiemanager (Respondent B1): “Die oudere medewerker blijft straks over. (…) Dus het is
eigenlijk een manco dat de organisatie daar nog niks over op papier heeft gezet. We hebben
eind vorig jaar ook een externe audit gehad, want we zijn Prezo gekeurmerkt (…) en daar
kwam dit dus ook naar voren dat we iets moeten met de opbouw van leeftijd van
medewerkers die we hebben. We roepen het allemaal wel en de P&O‟ers roepen het wel,
maar het is er nog steeds niet.”
Teamleider (Respondent B2): “Het duurzaam inzetten van medewerkers is iets wat heel erg
leeft en waar heel erg behoefte aan is, en zeker met het verplicht doorwerken tot je 67 ste.
Hoe ga je dat oplossen? De zorg en met name de care poot is in het verleden altijd ingevuld
geweest door met name vrouwen en de meeste vrouwen werken parttime en de meeste
vrouwen in Nederland zijn gewend om hun baan maar aan te passen op privé situatie en op
wat kan ik? Daardoor wordt er van bovenaf vaak nog zo geredeneerd; als het niet meer gaat
dan moeten ze maar stoppen. (…) of minder gaan werken en dat daarbij inkomstenderving
gepaard gaat moeten maar voor lief genomen worden want die vrouw zal toch maar een
bijbaantje hebben voor de extra luxe. Terwijl de Nederlandse maatschappij er nu inmiddels
anders uitziet, het is een conservatieve gedachte.”
4.2.2 Regelingen en interventies op het gebied van duurzame inzetbaarheid
Beide organisaties hanteren regelingen en interventies wanneer het gaat over duurzame
inzetbaarheid van medewerkers, hierbij kan gedacht worden aan de praktijkrichtlijnen en
cao-regelingen die van toepassing zijn voor de oudere medewerker. Daarnaast worden
individuele regelingen toegepast bij medewerkers indien zij uitvallen of dreigen uit te vallen
ten gevolge van mentale of psychische klachten.
Organisatie A
Binnen de organisatie worden praktijkrichtlijnen gehanteerd, zodat het fysieke werk tot de
pensioengerechtigde leeftijd kan worden uitgevoerd. Hierbij kan gedacht worden aan het
gebruik van tilliften en advies voor transfers van patiënten door de fysiotherapeut. Enerzijds
ligt de verantwoording van het hanteren van deze praktijkrichtlijnen bij de medewerker,
anderzijds vervullen teamleiders en tilspecialisten binnen de teams hierin een rol. In praktijk
blijkt dat deze richtlijnen niet altijd even consequent worden ingezet door medewerkers.
Enerzijds omdat er weinig op wordt gestuurd vanuit de organisatie, anderzijds omdat ze niet
ondersteunend werken en medewerkers liever zelf ervaren wat effectief werkt.
55+ Medewerker (Respondent A4): “Werken met tilliften daar heb ik mijn eigen manieren
voor door mijn heup. En cliënten helpen douchen ook, dat doe je op je eigen manier omdat
bewoners ook zwaar kunnen zijn, dus dan ga je zelf zoeken wat het beste is. (…) Het gaat
32
meer op ervaring en niet hoe het in de praktijkrichtlijnen staat. (…) Ik doe het op mijn eigen
manier, je voelt zelf wat je wel en niet kan.”
Daarnaast gelden binnen de organisatie cao regelingen voor 55+ medewerkers als het niet
hoeven draaien van nachtdiensten en het krijgen van extra bovenwettelijke vakantie- uren.
Binnen de organisatie wordt echter geconstateerd dat een aanzienlijk aantal oudere
medewerkers het draaien van nachtdiensten prefereert, gezien deze diensten rustiger zijn
omdat er geen familiebezoek is en bewoners slapen. Hierdoor is de werkdruk en fysieke
belasting lager, waardoor andere taken opgepakt kunnen worden als medicijnkasten
controleren en voorraden van het verpleegkundig magazijn bestellen.
Een andere cao regeling die van toepassing is op de oudere medewerker is het verkrijgen
van extra, bovenwettelijke vakantie uren. Deze uren worden echter niet altijd doelgericht
ingezet, hier valt winst te behalen binnen de organisatie. Teamleider (Respondent A2): “Ik
denk dat bovenwettelijke uren iets is waar we op moeten coachen en waar we gesprekken
op moeten voeren en dat gebeurt nu ook wel, maar dan pas op het moment dat het mis
dreigt te gaan. Dan merken we op dat een oudere werknemer, weinig vakantie opneemt of
het steeds voor zich uit schuift. Dan denk ik; hier hadden we gewoon hele concrete
afspraken over moeten maken (…) Dus ik denk dat daar voor ons winst is te behalen, dat is
dan natuurlijk ook winst voor de medewerkers zelf. Dat is voor ons een actie om die sturing
te geven en zelfs dat je zover moet gaan om het te verplichten, zeker bij de mensen
waarmee het mis gaat of mis dreigt te gaan.”
Daarnaast wordt maatwerk geleverd in de vorm van individuele regelingen bij oudere
medewerkers indien zij uitvallen of dreigen uit te vallen ten gevolge van mentale of
psychische klachten. In dergelijk geval wordt het sporenbeleid ingezet en worden
medewerkers begeleid in hun verzuim door verzuimspecialisten, arbo- en HR-adviseurs. Dit
beleid is echter reactief van aard, er wordt geacteerd op het moment dat medewerkers
uitvallen, waardoor ze een bepaalde functie niet meer kunnen bekleden. Binnen de
organisatie is het besef aanwezig dat er meer preventief op duurzame inzetbaarheid van
medewerkers gestuurd moet worden. Dit zou gerealiseerd kunnen worden door de mate van
inzetbaarheid en houding van medewerkers eerder bespreekbaar te maken en hierin
ondersteuning te bieden als organisatie, door gesprekken met medewerkers aan te gaan
over functioneren, motivatie en op wat voor wijze een medewerker zich wil ontwikkelen
binnen de organisatie. Voor medewerkers is het lastig om hier over na te denken.
Locatiemanager (Respondent A1): “Het zit ook niet echt in het systeem van de medewerkers
zelf om er over na te denken wanneer degene uitvalt en de organisatie als werkgever is ook
te weinig bezig om naar de lange termijn te kijken wat er gebeurt als er iemand uitvalt. En
dan nog is er niet altijd wat van te zeggen, we hebben hele fitte zestigers die aan het bed
staan en we hebben mensen die met 40 jaar uitvallen. Dus het verloop is ook niet helemaal
in te schatten.”
Organisatie B
Binnen organisatie B worden dezelfde cao- regelingen en praktijkrichtlijnen gehanteerd als
Organisatie A. Binnen deze organisatie is tevens het besef dat er beter op moet worden
toegezien dat de praktijkrichtlijnen worden nageleefd. P&O adviseur (Respondent B3): De
vraag is of er aan de praktijkrichtlijnen wordt gehouden en of er ook genoeg op wordt
gestuurd en over gecommuniceerd en of mensen worden aangesproken als ze het niet
33
doen? (…) Wanneer iemand 30 jaar lang roofbouw op zijn lichaam heeft gepleegd komt
diegene daar nu mee in problemen.
Binnen de organisatie wordt getracht dit proces in goede banen te leiden door het aanstellen
van ergo-coaches op elke afdeling, die opgeleid zijn om mensen aan te spreken en
hulpmiddelen doelbewust in te zetten en fysieke belasting te verminderen.
Met betrekking tot het werken gedurende nachtdiensten heerst een vergelijkbaar beeld
binnen organisatie B en organisatie A; oudere medewerkers hebben geen bezwaar met het
draaien van nachtdiensten en geven hier vaak de voorkeur aan. Echter, wanneer een
afdeling bestaat uit veel oudere medewerkers en zij zouden van deze diensten afzien, zou
een capaciteitsprobleem op de afdeling ontstaan. In dergelijke gevallen wordt het gesprek
met medewerkers aangegaan en wordt gekeken wat mogelijkheden bij andere locaties of
afdelingen zijn. Medewerkers vinden deze roulatie vaak lastig en zien daar liever van af.
Organisatie B geeft eveneens aan dat er meer gestuurd moeten worden op adequater
inzetten van extra bovenwettelijke vakantie uren door leidinggevenden. Locatiemanager
(Respondent B1): “Een ander stukje is “het verlofmandje” zoals dat binnen de organisatie
heet, waarmee de oudere natuurlijk veel meer verlofdagen hebben. Wat we wel merken is
dat we daar als leidinggevende echt op moeten sturen dat die verlofdagen ook daarvoor
worden ingezet waar ze voor bedoeld zijn; om meer spreiding in het dienstrooster aan te
brengen. Dus dat is ook iets dat vanuit de leidinggevende heel duidelijk besproken moet
worden met de medewerker, vooral als medewerkers klachten hebben. Eigenlijk sparen ze
de dagen het liefst op en willen ze ze dus geclusterd opnemen. Maar daar zijn ze dus niet
voor bedoeld.”
Binnen deze organisatie wordt eveneens individueel, reactief beleid toegepast indien
medewerkers uitvallen, door op casusniveau te acteren en te kijken waar mogelijkheden voor
re-integratie liggen. De team manager heeft hierin een signalerende en begeleidende functie
en hierdoor is het beleid mede afhankelijk van de manier waarop de team manager handelt
in dergelijke situaties. Hierdoor kan veel variatie ontstaan in binnen de organisatie.
4.2.3 Overkoepeld beeld deelvraag 1
Samenvattend zijn beide organisaties bezig met het onderwerp duurzame inzetbaarheid, er
zijn een aantal onderdelen in gang gezet verwant aan dit onderwerp.
Wanneer echter kritisch naar de definities van duurzaamheid wordt gekeken, valt op dat er
algemene, globale terminologie is gebruikt, welke niet concreet toepasbaar is.
Daarnaast hebben beide organisaties nog geen specifiek, preventief beleid opgesteld met
betrekking tot duurzame inzetbaarheid, een overkoepelende visie ontbreekt en wordt nog
niet uitgedragen naar medewerkers. De voornaamste reden die voor deze manco wordt
aangedragen door de respondenten is uitstel door onwetendheid. Het beleid is nu reactief
van aard, waardoor organisaties bij het uitvallen van medewerkers voortdurend achter de
feiten aan lopen. Het probleem van het toenemen van een verouderd personeelsbestand en
toename van uitval van medewerkers wordt hierdoor niet bij de kern aangepakt.
Het ontbreken van preventief beleid om medewerkers duurzaam in te zetten, is opvallend en
verontrustend, gezien de forse stijging van het aantal oudere medewerkers van de afgelopen
vijf jaar in beide zorgorganisaties zoals zichtbaar in tabel 3. Het toenemende verouderde
personeelsbestand is geen nieuw verschijnsel, waardoor de verwachting werd gewekt dat
34
organisaties hier actie op uitgezet zouden hebben in een verder gevorderd stadium dan nu
het geval is. De respondenten geven aan dat ze zich hier bewust van zijn, maar blijven
gelijktijdig op dezelfde voet verder gaan. Indien binnen beide organisaties niet op korte
termijn verandering ontstaat, is de kans groot dat er problemen zullen ontstaan. Enerzijds
met betrekking tot capaciteit, vanwege de grote kans op uitval van medewerkers. Anderzijds
met betrekking tot financiën, gezien het ontstaan van een hoge kostenpost aan
verzuimbegeleiding.
4.3. HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkheden
4.3.1 HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling
Organisatie A
In het Koersplan van Organisatie A wordt aangegeven dat de organisatie heeft gekozen voor
het professionaliseren van het personeelsbestand. Door de verzwaring van de zorg is
behoefte aan hoger gekwalificeerde medewerkers. Zorgmedewerkers die alleen lichte zorg
kunnen geven en medewerkers in de ondersteunende diensten zullen minder nodig zijn. De
verhouding in het deskundigheidsniveau verandert ten gunste van niveau drie en hoger
(Koersplan 2014-2016). Hierdoor heeft de organisatie veel medewerkers intern opgeleid om
ze te kunnen behouden. Daarnaast zijn er trainingen en kortdurende opleidingen voor
medewerkers die zich willen specialiseren en is het verplichte aanbod van bijscholing in
verpleegkundige handelingen voor behoud van BIG-registratie. Directe coaching en
feedback op de werkvloer wordt continue gegeven door de teamleider. Tot slot wordt op
individueel niveau gekeken wat de opleidings- en ontwikkelbehoefte van de medewerker is
en wat is nodig vanuit het functioneren. Vanuit de werkgever komt dit één keer per jaar
tijdens het functioneringsgesprek aan bod, opleidingsbehoeften van werknemers kunnen
tussentijds worden aangekaart aan teamleiders. Teamleiders en locatie managers
constateren dat ontwikkeling vaak inherent is aan opleidingsniveau. Vaak zijn het de
verpleegkundige, vanaf niveau 4, die interesse hebben in extra opleiding en bijscholing.
Niveau 3 en niveau 2 verpleegkundigen zijn daar minder mee bezig, die richten zich enkel op
de uitvoerende taken. Er wordt binnen de organisatie weinig gebruik gemaakt van een
persoonlijk ontwikkelplan, bijvoorbeeld door middel van loopbaangesprekken of Persoonlijk
Ontwikkel Plan- (POP) gesprekken. Dit wordt pas ingezet wanneer medewerkers uitvallen of
uit dreigen te vallen om op die manier te onderzoeken waar mogelijkheden liggen voor de
medewerker en de organisatie, bijvoorbeeld op gebied van omscholing. Ook op dit gebied
wordt reactief geacteerd. Hier liggen mogelijkheden binnen de organisatie, echter weet
organisatie A niet hoe medewerkers hier het best in ondersteund kunnen worden om het op
goed te doen. Locatiemanager (Respondent A1): “Ik vind dat je een functionering gesprek èn
een POP- gesprek moet hebben. En dat zijn twee verschillende dingen. (…) Maar
medewerkers vinden het zelf heel moeilijk om een POP te maken. Dus het wordt vaak
enthousiast genoemd dat ze er iets mee willen doen. Maar dan bloedt het weer een beetje
dood, omdat medewerkers er niet verder mee komen. (…) Ik denk toch dat het veel meer
aandacht zou moeten hebben omdat dan werknemer en werkgever veel pro-actiever
worden.”
35
55+ medewerker (Respondent A5): “Voor mij hoeft een POP-gesprek nu niet meer zo, maar
voor medewerkers die nieuw in dienst komen zou het wel fijn zijn. Die POP-gesprekken zou
je kunnen linken aan over hoe sta je in de organisatie en hoe beweeg je op jouw pad binnen
de organisatie. Want we doen allemaal hetzelfde werk en iedereen heeft andere kwaliteiten.
(…) Ik denk dat daar veel meer aandacht aan besteed kan worden in een persoonlijk
ontwikkelplan. En bewustwording creëren waarom je bepaalde dingen doet en waar dat
vandaan komt.”
Organisatie B
Binnen organisatie B kan een vergelijkbaar beeld worden geschetst als binnen organisatie A.
Er is zijn een aantal vaardigheden en scholingen die vanuit de organisatie verplicht worden
gesteld en daarnaast zijn er bijscholings-en specialisatie mogelijkheden op verzoek van
medewerkers en tijdens de functioneringsgesprekken die jaarlijks gehouden worden.
Ook binnen deze organisatie merken P&O-adviseurs, teamleiders en locatiemanagers op dat
de opleidingsbehoefte onder een grote groep medewerkers laag is.
Locatiemanager (Respondent B1): “Veel medewerkers van niveau 3 en lager hebben zoiets
van ik kom hier mijn werk doen en dan ga ik naar huis en dan is het wel goed. Wij vinden
bijvoorbeeld ook dat mensen hun verplichte opleidingen in hun eigen tijd moeten doen, dat
vinden ze heel vervelend, omdat zij het als verplichting van de werkgever zien. Terwijl in hun
functieomschrijving staat dat er verwacht wordt van dat ze op de hoogte blijven van alle
nieuwe ontwikkelingen. Want er veranderd veel in de zorg. Maar dat is dus wel iets waar je
dus met deze groep medewerkers te maken krijgt.”
55+ medewerker (Respondent B4):
“Ik zit prima hier, ik zit goed op mijn plek en dat is het belangrijkste. Ik heb de behoefte ook
niet meer om mezelf nog meer te ontwikkelen.” „
Van de huidige verpleegkundigen en verzorgenden wordt een steeds zelfstandigere manier
van werken verwacht. Oudere werknemers zijn dit in mindere mate gewend. Deze manier
van werken, vraagt ook een andere manier van ontwikkelen, waarbij meer aangesloten dient
te
worden
bij
de
beleefwereld
van
de
oudere
medewerker.
P&O adviseur (Respondent B3): “Er wordt van oudere medewerkers meer zelfstandigheid
verwacht, maar ook van cliënten. Het lijkt mij heel mooi als je bepaalde trainingen of
opleidingen hebt, waarbij duidelijk wordt wat de nieuwe manier van werken en zorgverlenen
specifiek betekent. Ik denk dat je zeker bij lagere niveaus gewoon heel duidelijk moet zijn,
dat dit op langere termijn de visie is die moet je heel duidelijk moet uitspreken wat betekent
het nou op korte termijn en in de dagelijkse werkzaamheden voor jou als medewerker.”
Organisatie B is in een verder gevorderd stadium dan organisatie A bezig met het opzetten
van Persoonlijke Ontwikkel Plannen (POP). Alle teamleiders en locatiemanagers zijn sinds
korte tijd verplicht een POP bij te houden en met hun leiding gevende te bespreken en bij
medewerkers wordt gestart met ontwikkelgesprekken, waardoor medewerkers zelf meer
verantwoordelijkheid krijgen en meer worden gestimuleerd tot nadenken over hun loopbaan.
In een notitie van P&O adviseurs aan de Raad van Bestuur wordt hierover het volgende
geschreven: Van onze medewerkers wordt verwacht dat zij zich continu actief bezig houden
met hun professionaliteit. Zelf regie voeren over je eigen ontwikkeling als professional, leren
terwijl je werkt en op een manier die past bij jouw leerbehoeften en leerstijl. Zo ziet de
organisatie de ideale leer- en ontwikkeling voor medewerkers. Werkplekleren, leren van én
met elkaar is een belangrijke manier om te werken aan je persoonlijke ontwikkeling en
professionaliteit. Daarnaast is het ook van belang om hierover met elkaar en met je
36
leidinggevende in gesprek te gaan. Om dit te kunnen bereiken worden ontwikkelgesprekken
geïmplementeerd. Doel van het gesprek is het maken van concrete afspraken waardoor de
professionaliteit,
vitaliteit
en
inzetbaarheid
wordt
vergroot.
P&O adviseur (Respondent B3): “Ontwikkelgesprekken zijn een stap in de goede richting op
die manier stimuleer je meer bewustzijn en stuur je ook meer op de vitaliteit van de
medewerker en wat diegene wil bereiken binnen zijn of haar loopbaan.”
Daarnaast is de organisatie bezig met het ombuigen van functieprofielen naar
competentieprofielen Deze worden vooral gebruikt door leiding gevende om te toetsen waar
werknemers nog op gecoacht en bijgeschoold moeten worden. Door potentiele medewerkers
vooraf te testen kan selectie op basis van competentieprofielen ontstaan door vergelijking te
trekken het geschetste profiel.
Op die manier kan de toekomstige selectiestrategie van de organisatie worden aangepast.
Uitrol en ontwikkeling staat nog in de kinderschoenen.
4.3.2 HR-activiteiten op het gebied van motivatie
Organisatie A
Door HR- businesspartner, locatiemanager en teamleider wordt aangegeven een
gemotiveerd medewerkersbestand te hebben. De intrinsieke motivatie wordt volgens de
organisatie voornamelijk getriggerd door de overgang op zelf organiserende teams,
waardoor medewerkers meer verantwoordelijkheid krijgen over hun eigen werkzaamheden.
Daarnaast tonen medewerkers veel commitment, verbondenheid en betrokkenheid bij de
afdeling waar ze werken.
De locatie manager en teamleider van de organisatie geven aan dat aanwezigheid van deze
betrokkenheid enerzijds fijn is, anderzijds kan het een valkuil zijn. Medewerkers zitten
vastgeroest, willen niet meer veranderen van werkomgeving, denken minder na over andere
mogelijkheden en zijn daardoor minder flexibel waardoor weinig verloop ontstaat en er lastig
geschoven kan worden tussen afdelingen en locaties met medewerkers.
Medewerker 55+ (Respondent A4): “Je blijft ook wel hangen op een gegeven moment want
je bouwt een band op met mensen en dan ga je ook niet zo snel weg. Dus de verbondenheid
krijg je niet zo zeer door de organisatie maar meer door de mensen, de bewoners en
collega‟s.”
(…) “Ik heb er een hekel aan om dan te veranderen, je kent dan de mensen niet, je kent het
ritme niet. Ik hou er gewoon van dat er een bepaald systeem is dat je gewoon alles weet,
dan loopt het gewoon veel soepeler. Dus ik zou het ook niet fijn vinden om naar een andere
locatie te gaan, dan ken je het huis niet, dan moet je weer helemaal opnieuw beginnen.”
Het triggeren van motivatie door middel van extrinsieke factoren als bonussen,
salarisverhoging of het koppelen van salaris aan prestaties is binnen de organisatie niet
mogelijk. Enerzijds doordat de organisatie gebonden is aan de cao-regelingen, met
betrekking tot salarisschalen, anderzijds vanwege het ontbreken van een winstoogmerk
binnen een zorgorganisatie. Door bezuinigingen zouden bonussen voor medewerkers
tegenstrijdig zijn.
Het vergroten van motivatie bij medewerkers door doorgroei- en interne promotie
mogelijkheden is door reorganisatie en afname in managementlagen verminderd.
Medewerkers geven aan hier ook geen behoefte aan te hebben. 55+medewerker
(Respondent A4): “Doorgroeien binnen mijn functie hoeft niet, of je nu verpleegkundige bent
of VIG-er, je doet allemaal hetzelfde. Dus wat win ik daarmee? Salaris, maarja, ik werk 26
37
uur.” (…) Doorgroeien binnen de organisatie naar een andere functie hoeft van mij ook niet,
ik vind het gewoon prettig om met mensen te werken.”
Medewerkers geven aan dat tevredenheid kan worden gestimuleerd wanneer leiding
gevende complimenteren en waardering uiten voor hun werkzaamheden en inzet. Daarnaast
wordt motivatie gestimuleerd wanneer oudere medewerkers vanuit eigen ervaring en
verantwoordelijkheid activiteiten kunnen oppakken en hierin gefaciliteerd worden. 55+
medewerker (Respondent A5): “Ik zou het fijn vinden als er ruimte was om je in te zetten in
de vorm van activiteitenbegeleiding voor bewoners, dat je even wat los kan laten omdat de
zorg fysiek steeds zwaarder wordt. Dus meedoen aan een activiteit of een activiteit
organiseren. Dat neemt even de mentale en fysieke druk weg. En dan kom je in een ander
energieveld. Het zou leuk zijn als daar meer mogelijkheden in zijn.”
Organisatie B
Ook binnen organisatie B heerst veel commitment van medewerkers, medewerkers voelen
zich verbonden met de organisatie. Teammanager (Respondent B2): “Het is een
familiecultuur. En soms te, want daarom gaan medewerkers zich ook heel erg beperken en
muurtjes om zich heen bouwen, waardoor ze met moeite nog over de muur heenkijken en
weten wat er buiten de organisatie gebeurd. Je moet ook wel de beperkingen vanuit die
cultuur in de gaten houden.”
Locatiemanagers en teamleiders proberen de intrinsieke motivatie van medewerkers te
stimuleren door het inzetten van specifieke kwaliteiten van medewerkers zodat deze ten
gunste komen aan bewoners het waarde toevoegt aan de bewoners en aan het team.
Waardoor medewerkers een gevoel van toegevoegde waarde krijgen en arbeidsvreugd
toeneemt.
Binnen de organisatie wordt gewerkt met verbeterborden uit de LEAN-methodiek, waarbij de
teamleider aanstuurt op inbreng van de oudere medewerker, die met kennis en expertise de
jongere medewerker kan inspireren.
Oudere medewerkers geven eveneens aan motivatie te verkrijgen uit het overbrengen van
kennis.
55+ medewerker (Respondent B5): “Wij hebben een hoop kennis en ervaring die we kunnen
overbrengen op de jeugd en dat hoeft niet allemaal exact zoals wij het zien, maar dan creëer
je wel een dialoog. Wij moeten wij ons bijscholen op verplicht technische handelingen en dat
gaat per computer nu. En dat is eigenlijk jammer, want voorheen zat je met een groep bij
elkaar, en dan leerde je van elkaar waardoor die kennisoverdracht meer aanwezig was.”
Waar oudere werknemers aangeven motivatie te verkrijgen uit het vervullen van een
coachende of begeleidende rol, wordt dit niet door alle leiding gevende binnen de organisatie
ondersteund.
P&O adviseur (Respondent B3): “Op die manier wordt een oude manier van zorg verlenen
aangeleerd aan jongeren die de nieuwe zorg moeten gaan verlenen: meer ontzorgen en
“zorgen voor” in plaats van “zorgen dat” Het is niet altijd gewenst dat deze manier van
zorgverlenen wordt overgebracht op jongeren. Aan de andere kant zijn er ook heel veel
afdelingshoofden die er wel heel positief tegenover staan, echter is hier geen formatie voor,
er kan geen aparte functie voor worden gemaakt.”
Door de toegenomen zorgzwaarte en vermindering in personeel is de werkdruk hoog,
waardoor minder motivatie en een negatieve stemming onder veel medewerkers heerst.
Binnen de LEAN methodiek, waar meerdere keren per week met het team besprekingen uit
voortvloeien geven medewerkers tevens hun gevoelstoestand weer, waardoor mate van
motivatie bespreekbaar wordt gemaakt.
38
4.3.3
HR-activiteiten op het gebeid van participatiemogelijkheden
Organisatie A
De organisatie verkeerd in een transitie naar zelf organiserende teams. In het Koersplan
wordt daarover het volgende geschreven: “Door het opnieuw inrichten van processen en de
verdere introductie van zelforganisatie hebben medewerkers meer regie, meer
ontplooiingsmogelijkheden en meer plezier in het werk” (Koersplan 2014-2016).
De organisatie is in een omslag van een top-down naar een bottem-up cultuur.
Teamleider (Respondent A2): “In het verleden was de inspraak van medewerkers minimaal,
dan was het toch wel vaak de leiding gevende en de locatiemanager die zaken bepaalden,
meer het top-down effect. En nu in het toewerken naar de zelfsturing en de
zelfverantwoordelijkheid, wordt dat echt een heel ander verhaal en wordt dat ook meer van
medewerkers verwacht. (…). Wij zorgden voor heel veel zaken, wij namen heel veel uit
handen en we regelden heel veel. En dan neem je mensen ook echt simpelweg zelf het werk
uit de handen en moet je niet vreemd op staan te kijken als medewerkers zeggen: ik weet
het niet, doen jullie het maar. Pas op het moment dat je die verantwoordelijkheid teruggeeft,
is de voorspelling dat mensen daarin heel veel plezier ervaren. Maar we zijn daar nog niet
nu. Dat zal de toekomst uit gaan wijzen of dat inderdaad het effect heeft wat de organisatie
voor ogen heeft.”
Binnen de teams kunnen de aandachtsgebieden worden verdeeld, waardoor medewerkers
zich op bepaalde taken naast de zorg kunnen richten, zoals roosteren. Teams zullen op
langere termijn ook meer verantwoording af moeten leggen over verzuimgegevens en
cliënttevredenheid.
Werknemers werken steeds meer zelfstandig en zijn betrokken bij het beleid rondom hun
dagelijkse werkzaamheden. Ze krijgen meer regie over eigen werkzaamheden, hun eigen
rooster en stemmen werkzaamheden af binnen hun team. Oudere medewerkers reageren
verschillend op deze nieuwe manier van werken.
55+ Medewerker (Respondent A5): “Ik voel me heel vrij in mijn werkzaamheden, maar niet
te vrij. Ik probeer zoveel mogelijk zelf te doen en ik probeer zo goed mogelijk met mijn
collega‟s samen te werken waarin we de taken goed verdelen, en waarin ik ook zelf meer
inbreng heb. Ik merk dat door mijn ervaring anderen ook wel makkelijk dingen aan me
vragen of toevertrouwen, dat vind ik fijn. Voor mij geldt, hoe meer zelfstandigheid hoe beter”
Locatiemanager (Respondent A1): “Ik merk wel dat oudere medewerkers wat star worden bij
vernieuwing. Als je op een gegeven moment niet heel veel hebt geswitcht hebt en je zit heel
lang op een afdeling en je hebt altijd zo gewerkt, is het heel moeilijk om vernieuwing door te
voeren. Terwijl medewerkers die meer hebben gezien en in meer organisaties hebben
gewerkt en meer methodieken hebben geprobeerd, daar meer open voor staan.”
Medewerkers worden nog te weinig betrokken op het gebied van algemeen beleid
(organisatie strategie en algemene bedrijfsprocessen). Door de transitie naar zelf
organiserende teams is inzicht in bijvoorbeeld financiële gegevens wel noodzakelijker,
hiermee worden medewerkers verantwoordelijker en bewuster en is meer begrip hoe beleid
samengesteld wordt. Dit vereist betere communicatie.
39
Organisatie B
Organisatie B zit eveneens in de transitie naar een bottem up organisatie door het
implementeren van zelfstandige teams, waardoor de uitvoerende medewerker meer
verantwoordelijkheid krijgt. De organisatie is hierin in een minder ver gevorderd stadium in
vergelijking met organisatie A. Voor veel medewerkers is deze organisatie ontwikkeling een
overstap, ze konden zich tot dusver verschuilen achter de verantwoordelijkheid van de zorg
coördinator, waardoor onzelfstandigheid bij verzorgenden en helpenden werd bewerkstelligd.
Teammanagers zullen dit in de toekomst meer moeten gaan coachen, echter zullen
teammanagers medewerkers tevens moeten faciliteren in eigen initiatief voor meer
zelfstandigheid.
55+ medewerker (Respondent B5): “Ik vind zelfstandigheid fijn en daarnaast vind ik plannen
heel erg leuk. Ik heb al meerdere keren aan de teamleider voorgelegd om ons ons eigen
rooster te maken, per huiskamer. Want het rooster is eigenlijk de basis van het fijne werken,
van je werklust. Maar niemand is er nu tevreden over en er wordt door iedereen geruild
zodra het rooster binnen is.”
Medewerkers worden nog te weinig betrokken bij beleid op het gebied van organisatie
strategie en algemene bedrijfsprocessen. Op intranet zijn beleidsstukken terug te vinden.
Echter zou implementatie van nieuw beleid beter gecommuniceerd moeten worden naar
medewerkers.
Door te werken met de verbeterborden uit de Lean methodiek, worden medewerkers actief
betrokken bij beleid rond hun dagelijkse werkzaamheden. Hierin wordt meer verwacht in het
organiseren van eigen werk en in kritisch kijken naar samenwerking en kwaliteit van zorg.
Locatiemanager (Respondent B1): “Op het moment dat er ideeën zijn om processen beter te
laten verlopen, wordt er echt gevraagd om inbreng van medewerkers.”
Medewerkers kunnen taakverbreding en baanverrijking verkrijgen door zich in te zetten als
aandachtfunctionaris, waardoor vakinhoudelijke kennis bij bepaalde medewerkers wordt
belegd. Door ervaren werkdruk zien medewerkers deze extra taak naast hun gewone
werkzaamheden vaak als ballast. Waardoor wordt gesignaleerd dat bekleding van deze
functies vanuit leidinggevenden gestimuleerd moet worden.
4.3.4 Overkoepeld beeld deelvraag 2
Samenvattend kan gesteld worden dat beide organisaties HR-activiteiten inzetten op het
gebied van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden. Echter lijken deze HRactiviteiten niet aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de oudere medewerkers en
organisaties weten niet hoe ze deze slag moeten maken. Organisaties zijn niet op de hoogte
waar de opleidingsbehoeften van oudere medewerkers liggen omdat hier geen gerichte
navraag naar wordt verricht. Andere leervormen dan formele opleidingen en cursussen
worden nog nauwelijks ingezet binnen de organisaties en er wordt eveneens niet gekeken
naar wat voor manieren het best kunnen worden gebruikt om nieuwe kennis aan te bieden
aan de oudere medewerker. Er liggen mogelijkheden op het gebied van loopbaanbeleid en
ontwikkelgesprekken om medewerkers pro actief na te laten denken over hun carrière pad
binnen de organisatie. Echter dienen organisaties hierin wel op de juiste manier
ondersteuning te bieden voor een effectieve werking. Door verschillende actoren in de
managementlaag wordt aangegeven dat medewerkers gemotiveerd en verbonden met de
40
organisatie zijn. In de praktijk wordt echter een tegenstrijdig beeld gegeven doordat
medewerkers geen behoefte aan scholing lijken te hebben en vastgeroest zitten op de
afdeling waar ze werkzaam zijn.
Op het gebied van motivatie worden eveneens geen adequate HR-activiteiten ingezet. Waar
medewerkers aangeven vooral werkplezier te verkrijgen in het inzetten van ervaring, het
krijgen van verantwoordelijkheden en het overbrengen van kennis, faciliteert de organisatie
medewerkers hier te weinig in.
Bij beide organisaties valt op het gebied van participatiemogelijkheden winst te behalen door
het doorzetten van de transitie naar een bottem up beleid om meer zelfstandigheid,
verantwoordelijkheid en participatiemogelijkheden bij medewerkers te creëren. Medewerkers
zullen in deze transitie goed begeleid moeten worden door hun team managers.
Er lijkt een kloof te zijn tussen wat organisaties denken te realiseren voor medewerkers op
gebied van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden en wat daadwerkelijk wordt
gerealiseerd en waar behoefte ligt in de praktijk voor medewerkers.
4.4 Mogelijkheden en beperkingen voor beleid leidend tot duurzame
inzetbaarheid
De geïnterviewde personen in beide organisaties geven een vergelijkbaar beeld waar de
mogelijkheden en beperkingen liggen voor een beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid.
Om die reden wordt deze onderzoeksvraag geclusterd beantwoord.
4.4.1
Mogelijkheden
-
Visie of beleid over duurzame inzetbaarheid
Beide organisaties geven allereest aan mogelijkheden te zien in het opstellen van een
overkoepelende visie of beleid met betrekking tot duurzame inzetbaarheid. Deze visie zal
moeten leiden tot uniformiteit naar medewerkers en een basis waar leidinggevenden op
kunnen
terugvallen
indien
ze
met
medewerkers
in
gesprek
gaan.
Teamleider (Respondent A2): “Het zou fijn zijn als je ieder geval bepaalde richtlijnen hebt
en je ook uit kan leggen waarom je dingen op een bepaalde manier doet of dat het
gewoon vast ligt als een regeling. (….) Als je dat steeds één op één houdt, dan moet
diegene dat ook maar aannemen. Terwijl als je een soort van visie of beleid hebt, van zo
doen we dit binnen de organisatie, dan kun je daar op terug vallen en creëer je
uniformiteit naar medewerkers.”
De respondenten binnen Organisatie B zijn van mening dat de verantwoordelijkheid voor
het opstellen van een visie allereerst bij de Raad van Bestuur moet liggen.
P&O-adviseur (Respondent B3): “Het onderwerp wordt nu nog onvoldoende uitgedragen,
ook door het MT en de Raad van Bestuur. Dus ergens zou het hoger in de organisatie
opgepakt moeten worden en dat zeggen die verzuimcoaches ook, dat zij het liefst
zouden zien dat de raad van bestuur of het MT het procesmatig zou oppakken en zelf
zo‟n visie over duurzame inzetbaarheid neer zetten. Zolang die visie ontbreekt, kun je
veel nieuwe onderdelen aandragen op het thema, maar die landen niet en zullen geen
draagvlak hebben waardoor ze zullen worden gezien als weer een nieuwe regeling.”
-
Bewustzijn creëren bij medewerkers
De organisaties geven aan dat het creëren van bewustzijn over de inzet en loopbaan bij
medewerkers een tweede mogelijkheid is in het preventief vergroten van duurzame
41
inzetbaarheid. Dit zou gerealiseerd kunnen worden door de mate van inzetbaarheid en
houding van medewerkers eerder bespreekbaar te maken en hierin ondersteuning te
bieden als organisatie, door gesprekken met medewerkers aan te gaan over
functioneren, motivatie en op wat voor wijze een medewerker zich wil ontwikkelen binnen
de organisatie. Organisatie B werkt aan het implementeren van ontwikkelgesprekken en
faciliteert binnen een aantal vestigingen pilots met vitaliteitsgesprekken om in te spelen
op inzetbaarheid van medewerkers.
-
Bewustwording bij medewerkers kan eveneens worden gecreëerd door middel van
workshops over werkdruk of vitaliteitstrainingen. HR-Businesspartner (Respondent A3):
“Laatst is een workshop gegeven over omgang met werkdruk, een week later over
omgang met time management en een week later over nachtrust. Er zijn in totaal iets van
45 medewerkers van deze locatie naar toe geweest en dat is veel. Zij konden zelf
inschrijven wat ze wilden en dat vind ik preventief bezig zijn. Dan maak je een
medewerker ook zelf bewust van hoe ze het beter op kunnen pakken.”
-
Andere mogelijkheden worden gezien in het faciliteren van gezondheidsmanagement,
bijvoorbeeld door het aanbieden van korting op sport abonnementen of yogha of fitness
mogelijkheden voor medewerkers op de werklocatie laagdrempelig aanbieden.
Cursussen en uitleg over pensionering bieden ook toegevoegde waarde voor het creëren
van bewustzijn. Wanneer medewerkers hun pensioensituatie helder hebben, opent dit
vaak perspectieven en een andere mindset.
55+ medewerker (Respondent A5): “Als hier gelegenheid is voor meditatie en
mindfullness of yogha. Dat je even rust hebt en stilte en dat je dan weer energie hebt
voor de rest van je diensten. Dat zou uiteindelijk op langere termijn een goede
investering in je medewerkers zijn en ook preventief. En je gaat weer met opgeladen
energie naar je werk.”
-
Scherper toezien op huidige interventies
De actoren geven aan dat andere mogelijkheden zich richten op het scherper toezien
van de huidige interventies die worden toegepast om duurzame inzetbaarheid te creëren,
zoals het naleven van de praktijkrichtlijnen door medewerkers en het doelmatiger
inzetten van bovenwettelijke vakantie uren.
4.4.2. Beperkingen
-
Veranderingen in cao regelingen
Vanaf 2017 zullen bovenwettelijke vakantie uren voor alle leeftijden gelijk worden
getrokken. De onderzochte organisaties zien dit als een beperking, op die manier hebben
medewerkers minder mogelijkheden om te herstellen voor volgende diensten.
-
Vervroegde pensionering niet aantrekkelijk
Vervroegd op gedeeltelijk met pensioen gaan wordt door medewerkers als niet wenselijk
ervaren, daarnaast worden medewerkers vanuit de overheid gestimuleerd om tot hun
pensioengerechtigde leeftijd door te blijven werken. Medewerkers hebben daardoor niet
de financiële middelen om vervroegd uit te treden.
42
-
Geen instroom van jonge medewerkers
Binnen beide organisaties zijn de bezuinigingen in de zorgsector zichtbaar, met als
gevolg vermindering van managementlagen, ontslagen en weinig nieuw instroom van
personeel. Jongere medewerkers stromen daardoor nauwelijks in, kunnen geen vaste
contracten krijgen en blijven daardoor slechts tijdelijk in dienst. Op langere termijn blijven
daardoor enkel oudere medewerkers met vaste contracten over binnen de organisatie.
Hierdoor worden de organisaties beperkt in het verkrijgen van een complementair
medewerkers bestand. P&O adviseur (Respondent B3): “Dus eigenlijk heb je twee
problemen; naast het feit dat je die oudere medewerker vaste contracten hebben en
langer binnen de organisatie moeten blijven werken, heb je ook nog eens het probleem
dat er geen nieuwe aanwinst van jonge medewerkers is, en als die er is, is die tijdelijk,
omdat er geen vaste contracten aan nieuwe medewerkers worden gegeven.”
-
Beperking in omscholingstrajecten
Oudere medewerkers die nu uitvallen ten gevolge van fysieke of mentale problemen zijn
steeds lastiger te herplaatsen binnen de organisatie. Door bezuinigingen blijven er buiten
de zorg-gerelateerde functies om, weinig functies over waar medewerkers op ingezet
kunnen worden. Vervangende functies als secretariële of plannersfuncties zijn beperkt of
niet
op
basis
van
een
fulltimedienstverband.
HR-Business partner (Respondent A ): “Er is zo weinig nog mogelijk in de
ondersteunende diensten. Stel je hebt een zorgverlener van niveau drie die uitvalt
vanwege fysieke klachten en die zou secretaresse willen worden en ook die capaciteiten
hebben en met een opleiding binnen 1-2 jaar dat zou kunnen. Maar we hebben een
secretaresse op een locatie en die gaat echt niet weg. Dus daar zijn gewoon geen
mogelijkheden voor. En hetzelfde geldt voor een helpende, die kon dan voorheen nog
wel in de functie van gastvrouw, omdat dat fysiek minder belastend was. Maar die functie
is er niet meer. Dus je helpende die het fysiek niet meer redt, dat is een probleem.”
Re-integratie en omscholingstrajecten binnen de organisatie worden hierdoor steeds
beperkter.”
Door deze beperkingen binnen de organisatie worden organisaties gedwongen samen te
werken met outplacementbureaus.
4.4.2 Overkoepelend beeld deelvraag 3
Beide organisaties noemen diverse mogelijkheden om duurzame inzetbaarheid van
medewerkers te kunnen realiseren. Deze mogelijkheden moeten echter aangescherpt
worden, zodat ze ook effectief kunnen worden ingezet. Bij het opstellen van een beleid of
visie met betrekking tot duurzame inzetbaarheid, wordt enkel genoemd dat het van belang is,
dat de Raad van Bestuur hier een standpunt over in neemt. Een belangrijk aandachtspunt
hierbij is dat dit in samenspraak met medewerkers moeten worden verricht. Op die manier
kunnen wensen en behoeften betrokken worden en wordt de kans verminderd dat
medewerkers zich distantiëren van de opgestelde visie. Het betrekken van de
Ondernemingsraad zou ook een toegevoegde waarde kunnen zijn.
Organisaties geven aan dat er scherper moet worden toegezien op het naleven van de
praktijkrichtlijnen en inzetten van bovenwettelijke vakantie uren. Echter zijn de caoregelingen gekoppeld aan een gemiddelde leeftijd en wijst de praktijk uit dat er veel
diversiteit is tussen oudere medewerkers. Er zal om die reden meer winst worden gehaald
door de cao-regelingen gedifferentieerd in te zetten, kijkend naar de behoefte en
mogelijkheden van medewerkers.
43
Organisaties zien beperkingen in de minimale en tijdelijke instroom van jonge medewerkers
waardoor geen complementair medewerkersbestand kan ontstaan. De organisaties nemen
hierin een passieve houding aan en zouden zich meer moeten richten op wat de organisatie
nodig heeft om wel tot een complementair medewerkers bestand te kunnen komen. Waarbij
het nadenken en opstellen van een profiel van nieuwe medewerkers een eerste stap moet
zijn.
44
5. Conclusie en Discussie
In het vorige hoofdstuk is een beschrijving van de resultaten gegeven middels
beantwoording van de deelvragen. In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de centrale
onderzoeksvraag een conclusie gegeven. Daarnaast worden de resultaten bediscussieerd
aan de hand van de literatuur, wordt gereflecteerd op het onderzoek en wordt afgesloten met
aanbevelingen voor de praktijk en de wetenschap.
Aan de hand van het verrichte onderzoek kan geconcludeerd worden dat bij beide
onderzochte organisaties een preventief beleid op het gebied van duurzame inzetbaarheid
ontbreekt. Daarnaast sluiten de HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkheden niet of te weinig aan bij de specifieke wensen en behoeften van
oudere medewerkers. De door organisaties benoemde mogelijkheden om duurzame
inzetbaarheid van medewerkers te kunnen realiseren moeten aangescherpt worden, zodat
deze ook effectief kunnen worden ingezet. De onderzoeksresultaten zullen in onderstaande
paragrafen worden afgezet tegen de bevindingen in de literatuur.
5.1
Beleid leidend tot duurzame inzetbaarheid
5.1.1. Visie
Uit de interviews en het bronnenonderzoek komt naar voren dat zowel organisatie A als
organisatie B een overkoepelend beleid voor duurzame inzetbaarheid van medewerkers
ontbreekt.
Huidige interventies zijn reactief, zodra medewerkers uitvallen of uit dreigen te vallen,
worden acties uitgezet voor verzuimbegeleiding en het behandelen van verminderde
inzetbaarheid. Toegespitst op de theorie van Ouweneel (2009) zijn deze interventies
voornamelijk curatief van aard. De onderzochte organisaties handelen routinematig bij uitval
van medewerkers en richten zich eenzijdig op het oplossen van het probleem. Organisaties
hanteren daarmee “single loop learning”, waar de theorie voorschrijft dat double loop
learning meer perspectief biedt (Argyris 1976). Het vergrijzen van de samenleving en het
verouderen van het personeelsbestand is geen nieuw verschijnsel. Dit is de afgelopen jaren
duidelijk zichtbaar geworden, voornamelijk in de zorgsector. Organisaties weten al langere
tijd dat ze hier op in moeten spelen. Organisaties die preventief bezig zijn met het verkennen
van mogelijkheden die er zijn voor oudere medewerkers, bijvoorbeeld door het opstellen van
een duurzaam inzetbaar beleid, zullen in staat zijn zowel de oorzaak van het probleem
(toenemend vergrijzend personeelsbestand) als het probleem zelf (duurzame inzet van
oudere medewerkers) efficiënt aan te pakken. In praktijk blijkt dit echter lastig te realiseren.
5.1.2. Interventies en regelingen voor duurzame inzetbaarheid
Binnen de literatuur worden verschillende regelingen en interventies aangehaald die kunnen
leiden tot het duurzaam inzetten van oudere medewerkers, zoals het niet hoeven werken van
nachtdiensten, extra bovenwettelijke vakantie uren en inzet van praktijkrichtlijnen.
(Arbocatalogus
VVT
201;
CAO
VVT
2014-2016;
Ilmarinen
2001).
Echter blijken deze regelingen en interventies in beide organisaties pas doelmatig te worden
ingezet wanneer medewerkers uit dreigen te vallen, wat duidt op reactief beleid.
De cao-regelingen die zijn opgesteld voor 55+ medewerkers zijn gekoppeld aan een
gemiddelde leeftijd en zijn daarmee algemeen geldend. Deze regelingen worden eveneens
algemeen toegepast binnen organisaties. Uit de literatuur blijkt echter dat oudere
medewerkers een gedifferentieerd verloop van het proces van ouder worden hebben
45
waardoor meer diversiteit in behoefte ontstaat (Zinsmeister et. Al. 2009). Om cao-richtlijnen
en praktijkrichtlijnen consequent en preventief in te kunnen zetten, is het van belang dat hier
gedifferentieerd mee omgegaan wordt. De behoefte en mate van inzetbaarheid van de
individuele medewerker moeten leidend zijn. Hier zullen teamleiders op moeten sturen en
coachen door preventief gesprekken aan te gaan met medewerkers.
5.2
HR activiteiten op het gebied van Ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkheden
Ontwikkeling
In de literatuur komt naar voren dat de kennis, vaardigheden, competenties en ervaringen
van werknemers en continue ontwikkeling op deze onderdelen noodzakelijk zal zijn om de
duurzame
inzet
van
oudere
medewerkers
te
vergroten
(SER
2009).
Binnen de onderzochte organisaties worden voornamelijk opleidingsmogelijkheden geboden
gericht op promotie en doorgroei- mogelijkheden. Hieruit blijkt dat bij managers het klassieke
beeld heerst dat opleiding moet leiden tot functie-en salarisgroei (Ruijters 2006).
Deze manier van scholing sluit echter niet aan bij de behoeften van het merendeel van de
medewerkers in de ouderenzorgsector, welke geen behoefte lijken te hebben in opleiding en
doorgroeimogelijkheden binnen de organisatie. Het is van belang dat organisatie hun HRactiviteiten voor ontwikkeling vooral richten op handhaven van motivatie van de medewerker
door de loopbaan bespreekbaar te maken. Binnen de literatuur wordt duidelijk dat
loopbaanontwikkelings- en opleidingsbeleid belangrijke onderdelen vormen binnen
organisaties om dit te realiseren (Ruijters 2006). Dit wordt in beide organisaties nog
nauwelijks toegepast. Persoonlijk Ontwikkel Plan (POP)-gesprekken kunnen hierin
ondersteunend zijn. Dergelijke gesprekken moeten worden onderscheiden van
functionerings-en beoordelingsgesprekken. Hierdoor worden medewerkers gedurende hun
hele loopbaan ertoe aangezet na te denken over hun ontwikkelpad, waardoor bewustwording
wordt gestimuleerd. Door de loopbaanontwikkeling van het begin af aan te monitoren, zal de
medewerker vitaler, veerkrachtiger en bewuster in de organisatie kunnen blijven werken. Dat
geeft preventief en pro actief sturing. Voor beide organisatie valt hierin winst te behalen.
Uit de literatuur blijkt dat het bij ontwikkeling van medewerkers van belang is niet enkel naar
formele opleidingen en cursussen gekeken moet worden. Andere leervormen als coaching,
functieroulatie, traineeships en intervisie kunnen ook effectief worden ingezet. (Ruijters
2010). Deze onderdelen worden nog nauwelijks binnen de onderzochte organisaties
gefaciliteerd, terwijl oudere medewerkers aangeven hier wel behoefte aan te hebben.
Daarnaast wordt bij het aanbieden van nieuwe kennis nog te weinig gekeken op wat voor
manier deze het best aangeboden kan worden aan de oudere medewerker. Er zal concreter
aangesloten moeten worden bij de reeds aanwezige kennis en ervaring (Nauta 2004).
Motivatie
Het AMO-model van Appelbaum (2000) geeft aan dat motivatie bij medewerkers vooral
wordt gerealiseerd door bonussen , winstdeling, het koppelen van loon naar prestatie en
kansen voor interne carrière en promoties. Echter blijkt dat de geïnterviewde, oudere
medewerkers vooral motivatie verkrijgen wanneer zij vanuit eigen ervaring en
verantwoordelijkheid activiteiten kunnen oppakken en wanneer zij kennis en expertise
kunnen overbrengen aan jongeren. Dit sluit aan bij de bevindingen over werkplezier van
oudere medewerker van Bontekoning (2014). Door het ontbreken van bonussen en
beloningsregelingen binnen zorgorganisaties zijn er minder mogelijkheden in het vergroten
46
van de extrinsieke motivatie (van Hoof et. al. 2002). De mogelijkheden voor het vergroten
van de intrinsieke motivatie worden nog te weinig benut en gefaciliteerd en worden nog te
weinig toegespitst op specifieke generaties medewerkers binnen de organisatie zoals
Bontekoning dat beschrijft (2014). Er liggen mogelijkheden voor organisaties in het vergroten
van de motivatie van medewerkers door het faciliteren van coaching-activiteiten, het
vergroten van kennisoverdracht tussen generaties, het creëren van een complementair
medewerkersbestand door het combineren van jonge en oude medewerkers op de werkvloer
en het zelfstandig laten organiseren van activiteiten door medewerkers.
Het niet
ondersteunen van medewerkers in werk energie opwekkende factoren, zal leiden tot
verminderde duurzame inzet van medewerkers, waardoor daling in optimisme en
werknemerstevredenheid zal ontstaan (Bontekoning 2014). Daarnaast bestaat kans op
vastroesten, motivatiegebrek en gevoel van zinloosheid (Diehl 2007).
Participatiemogelijkheden
Uit de literatuur komt naar voren dat oudere werknemers veel levenservaring hebben, welke
verwant is aan het vermogen tot zelfsturing. Dit vermogen wordt zoveel mogelijk
geoptimaliseerd door uitdagingen en mogelijkheden in de werkomgeving. Organisatiebeleid
speelt hierin een belangrijke rol (Houben 2002).
Organisaties zijn zoekende hoe zij de kennis en expertise van oudere werknemers het beste
in kunnen zetten. Door deze groep meer zeggenschap hier over te geven zal dit worden
verwezenlijkt. Momenteel zijn er nog te weinig rollen binnen organisaties waarin de
capaciteiten van ouderen gebruikt kunnen worden. HRM adviseurs moeten naar
arbeidsvermogens van oudere medewerkers kijken en zorgen dat talenten op de juiste
manier worden ingezet in bedrijfsprocessen. Bij beide organisaties valt op dit gebied winst te
behalen door het doorzetten van de transitie naar een bottem up beleid met
zelforganiserende teams, waardoor medewerkers meer autonomie, verantwoordelijkheid en
participatiemogelijkheden in hun dagelijkse werkzaamheden krijgen.
5.4 Mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot duurzame inzetbaarheid
Er zijn diverse mogelijkheden in het duurzaam inzetten van medewerkers. Allereerst door de
vicieuze cirkel van het huidige, reactieve beleid te doorbreken door het procesmatig
opstellen van een preventief beleid met betrekking tot duurzame inzetbaarheid van
medewerkers. De literatuur geeft aan dat duurzame inzetbaarheid een onderwerp van
strategisch beleid is. Dit wordt bevestigd in de praktijk, waarbij verschillende actoren
aangeven dat een helder beleidskader noodzakelijk is zodat aanknopingspunten en
uniformiteit naar medewerkers geboden kunnen worden. Daarnaast zal communicatie met
en naar (oudere) medewerkers essentieel zijn in het opstellen van dit beleid.
Het is daarnaast voor organisaties van belang rekening te houden met het gedifferentieerde
verloop van het proces van ouder worden van medewerkers (Zinsmeister et. al. 2009).
Cao-regelingen zullen om die reden niet algemeen, maar gedifferentieerd moeten worden
toegepast op de behoeften en mogelijkheden van de oudere medewerker.
Conclusie
Door een toenemende vergrijzende samenleving zal het personeelsbestand van veel
organisaties steeds meer bestaan uit oudere medewerkers. Daarnaast zullen door
verzwaring van de cliëntvraag werkzaamheden van verplegend en verzorgend personeel
fysiek en mentaal zwaarder worden. Vooral ouder personeel zal extra worden belast. De
verzuimgegevens in de VVT-sector zijn hoog in vergelijking met andere sectoren, waardoor
47
het duurzaam inzetten van medewerkers urgenter wordt. De centrale onderzoeksvraag van
dit onderzoek was: Hoe realiseren organisaties in de VVT-sector duurzame inzetbaarheid
van medewerkers van 55 jaar en ouder?
Uit beantwoording van de deelvragen is gebleken dat de onderzochte organisaties nog geen
preventief beleid of visie hebben ontwikkeld, leidend tot duurzame inzetbaarheid. Huidige
interventies op dit gebied zijn individueel en curatief van aard, zodra medewerkers ten
gevolge van fysieke of mentale overbelasting uit vallen of uit dreigen te vallen, wordt actie
ondernomen. Hierdoor wordt het probleem van het toenemen van een verouderd
personeelsbestand en toename van uitval van medewerkers niet bij de kern aangepakt.
Wanneer niet op korte termijn actie ondernomen wordt, zullen organisaties vastlopen in de
mogelijkheden van hun personeelsbestand door de toenemende uitval van medewerkers en
zullen kosten aan verzuimbegeleiding hoog oplopen.
De vicieuze cirkel moet doorbroken worden en het management van de organisatie zal hier
in eerste instantie een belangrijke rol in spelen. Het opstellen van een preventieve visie of
beleid met betrekking tot duurzame inzetbaarheid zal in samenspraak met (oudere)
medewerkers opgesteld moeten worden. Dit zal moeten leiden tot uniformiteit naar
medewerkers en een basis moeten vormen waar leidinggevenden op kunnen terugvallen
indien ze met medewerkers in gesprek gaan.
Het AMO-model schrijft voor dat duurzame inzet van medewerkers vergroot kan worden door
inzet van HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkheden. Er lijkt momenteel een kloof te zijn tussen wat organisaties
denken te realiseren voor medewerkers op gebied van ontwikkeling, motivatie en
participatiemogelijkheden en wat daadwerkelijk wordt gerealiseerd en waar behoefte ligt voor
medewerkers. Om duurzame inzetbaarheid te creëren zullen organisaties HR-activiteiten op
deze drie gebieden moeten laten aansluiten op de specifieke wensen en behoeften van de
oudere medewerkers. Er zijn nog te weinig rollen binnen organisaties waarin de capaciteiten
van ouderen gebruikt kunnen worden. HRM adviseurs moeten naar arbeidsvermogens van
oudere medewerkers kijken en zorgen dat talenten op de juiste manier worden ingezet in
bedrijfsprocessen. Wanneer HR-praktijken meer op deze manier worden ingevuld, zal dit op
lange termijn leiden tot een betere houding en gedrag van medewerkers en een duurzame
inzetbaarheid, waardoor uitval van medewerkers wordt gereduceerd en organisatieprestaties
worden vergroot.
Het vergroten van duurzame inzet is niet alleen een actie die bij organisaties moet worden
belegd, er wordt ook van medewerkers verwacht dat zij zich hierin zullen ontwikkelen. Het is
om die reden van belang dat medewerkers meer bewustzijn creëren op het gebied van
duurzame inzet. Enerzijds is dit bewustzijn over loopbaanontwikkeling, anderzijds liggen er
mogelijkheden in het creëren van bewustzijn door gezondheidsmanagement.
Andere mogelijkheden in het duurzaam inzetten van medewerkers richten zich op het
scherper toezien van de huidige interventies die worden toegepast om duurzame
inzetbaarheid te creëren, zoals het naleven van de praktijkrichtlijnen door medewerkers en
het doelmatiger inzetten van bovenwettelijke vakantie uren.
Naast het te kort schieten van organisaties in het realiseren van duurzame inzetbaarheid,
blijkt dat theorieën met betrekking tot dit onderwerp eveneens incompleet zijn.
Het AMO-model van Appelbaum (2000) is gericht op HR-activiteiten op het gebied van
ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden voor medewerkers. Echter blijken deze
HR- activiteiten algemeen geformuleerd te zijn, aangezien in de praktijk veel diversiteit in
48
wensen en behoeften van verschillende groepen medewerkers is en deze wensen en
behoeften niet altijd overeen komen met de beschreven theorie. Het AMO-model schiet
hierin te kort en is te generiek.
5.5 Reflectie op het onderzoek
Er is gekozen om vanuit strategisch human resource management perspectief naar de
problematiek van de vergrijzing in ouderenzorgorganisaties te kijken. Het conceptueel
model, gebaseerd op het AMO-model van Appelbaum (2000), vormde een goede basis voor
het verrichten van het onderzoek.
Gezien de probleemschets is het een opvallend resultaat dat de onderzocht VVTorganisaties nog geen visie of beleid hebben opgesteld om het duurzaam inzetten van
medewerkers te stimuleren.
Door de combinatie van bronnenonderzoek en het afnemen van interviews is de
onderzoeker in staat geweest dieper op de verschillende onderwerpen in te gaan en het
onderwerp via verschillende zijden te belichten. De open en kwalitatieve methodiek van het
onderzoek was om die reden het meest passend. Door deze benadering heeft het
onderzoek geleid tot bruikbare resultaten.
De hoeveelheid vergaarde informatie is voldoende geweest om conclusies te trekken.
Er kan echter een kanttekening worden geplaats bij de geïnterviewde personen per case.
Voor het onderzoek was het een toegevoegde waarde geweest indien de visie van
verzuimcoaches en ergo coördinatoren ook waren meegenomen in het onderzoek.
Daarnaast zijn binnen beide zorginstellingen de actoren geïnterviewd die werkzaam waren
binnen één locatie. Ondanks dat respondenten aangaven dat het geschetste beeld
representatief is voor de gehele organisatie, was het nuttig geweest ook binnen andere
locaties vergelijkbaar onderzoek te doen. Tevens is in beide organisaties de Thuiszorgtak
niet meegenomen, het onderzoek heeft zich beperkt tot de intramurale zorg.
De kwaliteit van het onderzoek en van de getrokken conclusies zijn afhankelijk van de
betrouwbaarheid en de validiteit. Om de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek te
waarborgen is het onderzoek zo zorgvuldig mogelijk volgens de beschreven methode
uitgevoerd.
De betrouwbaarheid van het onderzoek is tevens gewaarborgd doordat de werkwijze
nauwkeurig is vastgelegd en hierdoor controleerbaar en navolgbaar is. Door gebruik te
maken van bronnentriangulatie is de interne validiteit gewaarborgd. Hierdoor zijn de
uitkomsten van het onderzoek geldig voor de onderzochte populatie. Het onderzoek bestaat
uit een klein aantal cases wat de externe validiteit negatief beïnvloed. Door het kleine aantal
cases neemt de generaliseerbaarheid van de conclusies van het onderzoek naar andere
vergelijkbare settings af.
49
6.
Aanbevelingen
Aan de hand van de resultaten van het onderzoek worden in dit hoofdstuk aanbevelingen
gedaan. Enerzijds zullen aanbevelingen voor de praktijk worden verricht, gericht op zowel de
onderzochte VVT-organisaties als op VVT-organisaties in het algemeen. Daarnaast worden
aanbevelingen voor de wetenschap verricht.
6.1.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Aanbevelingen voor de praktijk
Het opstellen van een preventieve visie of beleid met betrekking tot duurzame
inzetbaarheid. Er zal een proces gecreëerd moeten worden, startend bij de Raad van
Bestuur, welke in samenspraak met (oudere) medewerkers tot beleid leidend tot
duurzame inzetbaarheid moeten komen.
Aangezien de diversiteit tussen medewerkers toeneemt naarmate ze ouder worden, zal
in de praktijk gedifferentieerd omgegaan moeten worden met cao- regelingen die op hen
van toepassing zijn. Waarbij door teamleiders preventief moet worden gekeken naar de
specifieke behoeften en mogelijkheden van de medewerker.
Aangezien praktijkrichtlijnen de basis vormen voor effectief preventiebeleid in
zorginstellingen,
zal scherper moeten worden toegezien op naleving van deze
praktijkrichtlijnen. Bijvoorbeeld door effectievere inzet van ergocoaches op de werkvloer.
HR-activiteiten op het gebied van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden
moeten specifieker worden ingezet op de wensen en behoeften van oudere
medewerkers; Mogelijkheden voor HR-praktijken op het gebied van ontwikkeling liggen in
het implementeren van ontwikkel- en vitaliteitsgesprekken voor medewerkers en het
inzetten van andere leervormen dan formele opleidingen en cursussen, als
functieroulatie, traineeships, intervisie en coaching. Hierdoor zullen medewerkers vitaler,
veerkrachtiger en bewuster in de organisatie kunnen blijven werken. Dat geeft preventief
en pro actief sturing.
HR-activiteiten op het gebied van motivatie kunnen worden gerealiseerd door het
faciliteren van coaching-activiteiten, het vergroten van kennisoverdracht tussen
generaties, het creëren van een complementair medewerkersbestand door het
combineren van jonge en oude medewerkers op de werkvloer en het zelfstandig laten
organiseren van activiteiten door medewerkers.
HR-activiteiten op het gebied van participatiemogelijkheden kunnen worden
geoptimaliseerd door levenservaring en het vermogen tot zelfsturing van oudere
medewerkers zoveel mogelijk in te zetten door hun autonomie te vergroten en door
vordering van invoering van zelforganiserende teams.
Er zijn nog te weinig rollen binnen organisaties waarin de capaciteiten van ouderen
gebruikt kunnen worden. HRM adviseurs moeten naar arbeidsvermogens van oudere
medewerkers kijken en zorgen dat talenten op de juiste manier worden ingezet in
bedrijfsprocessen.
Het creëren van bewustzijn bij medewerkers op het gebied van duurzame inzet.
Enerzijds door loopbaanontwikkeling, anderzijds liggen er mogelijkheden in het creëren
van bewustzijn door gezondheidsmanagement door het faciliteren van korting op sport
abonnementen, yogha of fitness mogelijkheden voor medewerkers op de werklocatie
laagdrempelig aanbieden, workshops over vitaliteit en uitleg over pensionering.
Tot slot moeten organisaties zich door het toenemende verouderde personeelsbestand
richten op wat ze nodig hebben om tot een complementair medewerkers bestand te
kunnen komen. Dit start bij het aanpassen van het selectiebeleid, waarbij nagedacht
dient te worden wat voor profiel nieuwe medewerkers zouden moeten hebben en waarbij
50
door HR-activiteiten gestuurd moet worden dat deze nieuwe medewerkers zich
veerkrachtig en flexibel ontwikkelen binnen de organisatie.
6.2.
-
Aanbevelingen voor de wetenschap
De afstemming van het HRM- beleid op de organisatie strategie wordt aangeduid als
Strategisch Human Resource Management en gaat ervan uit dat door het managen van
medewerkers, organisaties effectiever kunnen werken. De elementen van het AMOmodel (Appelbaum 2000) zijn te generiek beschreven, waardoor ze niet aansluiten bij
verschillende doelgroepen in organisaties. De elementen van het AMO-model zullen om
die reden op specifieke doelgroepen medewerkers moeten worden toegespitst. Het
model van Bontekoning (2014) richt zich individueler op verschillende generaties
werknemers. Er moet worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn in het samenvoegen
van het AMO model met het model van Bontekoning om op die manier tot gerichtere HRactiviteiten voor verschillende type medewerkers te kunnen komen.
51
7.
Literatuur
-
-
-
-
-
-
-
Appelbaum, E., Bailey, T., Berg, P. & Kalleberg, A. 2000. Manufacturing advantage:
Why high performance work systems pay off. Ithaca, NY: Cornell University Press.
Argyris, C. 1976. „Single-Loop and Double-Loop Models in Research on Decision
Making‟. Administrative Science Quarterly 21 (3):363-375.
Asscher, L., F., Rijn, van, M.J. 2014. „Stand van zaken arbeidsmarkt zorg.‟
Kamerbrief: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Ardon, A. 2011. Doorbreek de cirkel: Hoe managers onbewust verandering
blokkeren. Tweede druk. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.
Baarda, B. 2014. Dit is onderzoek! Handleiding voor kwantitatief en kwalitatief
onderzoek. Tweede druk. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers.
Baltes, P.B. 1997. „On the incomplete architecture of Human Ontongeny. Selection,
Optimization, and Compensation as Foundation of Developmental Theory.‟ In:
American Psycholoist Volume 52 (4):366-280.
Boer, A.H., de 2006. Rapportage ouderen 2006, veranderingen in de leefsituatie en
levensloop. Den Haag: SCP.
Boerlijst, J.G., Heijden, B.I.J.M., van der, Assen, A. van 1994. Veertig-plussers in de
onderneming. Assen: Koninklijke van Gorcum
Bontekoning, A. 2014. Nieuwe generaties in vergrijzende organisaties. 1ste druk.
Amsterdam: Mediawerf
Boselie, P. 2002. Human resource management, work systems and performance: A
theoretical-empirical approach. Dissertation, Rotterdam, The Netherlands: Erasmus
University.
Boselie, P. & Paauwe, J. 2002. „Het geheim ontrafeld? De bijdrage van Strategisch
Human Resource Management aan prestatieverbetering.‟ M&O, Tijdschrift voor
Organisatiekunde en Sociaal Beleid 56(4): 5-24.
Boselie, P. & Paauwe, J. 2004. „Human resource management en
prestatieverbetering: Een overzicht van 10 jaar onderzoek.‟ Tijdschrift voor HRM
7(2):9-30.
Boselie, P., Dietz, G., & Boon, C. 2005. „Commonalities and contradictions in HRM
and performance research.‟ Human Resource Management Journal 15(3):67–94.
Boselie, P., Brewster, C., & Paauwe, J. 2009. „In search of Balance-Managing the
dualities of HRM: an overview of the issues.‟ Personnel Review 38 (5):461-471.
Boselie, P. 2014. Introduction. In: Strategic Human Resource Management. A
Balanced Approach. McGraw Hill.
Boxall, P. & Purcell J. 2003. Strategy and human resource management.
Basingstoke, UK: Palgrave Macmillan.
CAO VVT. 2014-2016. Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Verpleeg,Verzorgingshuizen en Thuiszorg, Kraam- en Jeugdgezondheidszorg. Publicatie onder
auspiciën van het Sociaal Overleg Verpleeg,- Verzorgingshuizen en Thuiszorg
(SOVVT).
Cremer, R. 1995. „Mentale belastbaarheid en veroudering.‟ In: J.A.M. Winnubst, M.J.
Schabracq, J. Gerrichhausen & A. Kampermann (eds.). Arbeid, levensloop en
gezondheid: 63-82. Maarssen: Elsevier.
Creswell, J.W. 2013. Research design: Qualitative, Quantitative, and Mixed Methods
Approaches. Fourth Edition. Thousand Oaks: Sage Publications.
52
-
-
-
-
-
-
-
-
Garssen, J. 2003. „Demografie van Nederland.‟ Centraal Bureau voor de Statistiek
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2004: 12-30.
Daalen, H. van, Henkens, K. en Schippers, J. 2007. Oudere werknemers door de
lens van werkgevers. Den Haag: NIDI. Rapport no. 74.
Diehl, P.J. 2007. Handboek integraal gezondheidsmanagement. Alphen aan den Rijn:
Kluwer.
Houben, P.P.J. 2002. Levensloopbeleid. Interactief levensloopbeleid ontwerpen in de
tweede levenshelft. Maarsen: Elsevier
Hoof, J.J. van, Bruin, B.E.M., Schoenmaker, M.J.R. & Vroom, A. 2002. Werk(en)
moet wel leuk zijn: arbeidswensen van Nederlanders. Assen: Koninklijke van
Gorcum.
Huselid, M. 1995. „The impact of human resource management practices on turnover,
productivity, and corporate financial performance.‟ Academy of Management Journal
38(3):635-672.
Ilmarinen, J. 1999. Ageing workers in European Union: Status and promotion of work
ability and employment. Helsinki: Finish Institue of Occupational Health, Ministery of
Social Affairs and Health.
Ilmarinen, J.E. 2001. „Ageing workers‟ In: Occupational and Environmental Medicine
58(8):546-552.
Ilmarinen, J. 2002. What social partners can do to improve employment opportunities.
Brussel: Paper 9th EU-Japan Symposium.
Jelicic, M. & Houx, P.J. 2001. „Cognitieve veroudering. Patroon, determinanten en de
Rol van leeftijd.‟ In: Quispel, Y. & Christ, L. Ouder worden: een kwestie van leeftijd?
Theorieën over leeftijd in relatie tot veroudering, levensfasen en levensloop. Utrecht:
LBL.
Klink, van der, J.J.L., Brouwer, S., Bultmann, U., Burdof, L., Schaufeli, W. B., Wilt,
van der, G.J. & Zijlstra, F.R.H. 2010. „Duurzaam inzetbaar: een werkdefinitie.‟ ‟s
Gravenhage: ZonMw.
Leisink, P.T. 2004. Langer doorwerken met beleid: de praktijk van ouderenbeleid in
organisaties. Utrecht: Utrecht Universiteit.
Loo, J. van, Grip, A. de, 2002. Loont HRM? Een literatuurverkenning. Maastricht:
Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, Faculteit der Economische
Wetenschappen en Bedrijfskunde, Universiteit Maastricht.
Maxwell J.A. 1996. Qualitative Research Design. An interactive approach. Thousand
Oaks: Sage Publications.
Mortelmans, D. 2013. Handboek Kwalitatieve Onderzoeksmethoden. Vierde,
herziene druk. Leuven: Acco.
Nauta, A., Bruin, M.R. de, Cremer, R. 2004. De mythe doorbroken. Gezondheid en
inzetbaarheid oudere werknemers. Amsterdam: PlantijnCasparie
Nishii, L.H., & Wright, P. 2008. „Variability at multiple levels of analysis: Implications
for strategic human resource management.‟ In D.B. Smith (Ed.), The people make the
place (225- 248). Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.
Otten, S. & Sierman, C. 2009. „CBS-berichten: Verschuivingen in het
arbeidspotentieel van ouderen.‟ Tijdschrift voor arbeidsvraagstukken 25 (1):38-43.
Ouweneel, E., Schaufeli, W., Le Blanc, P. 2009. „Van preventie naar amplitie:
interventies voor optimaal functioneren‟. Gedrag en organisatie 22 (2): 118-135.
53
-
-
-
-
-
-
Paauwe, J. & Richardson, R. 1997. „Introduction special issue on HRM and
performance.‟ The International Journal of Human Resource Management 8(3):257262.
Plochg, T. & M. van Zwieten. 2007. Kwalitatief onderzoek. In: Plochg, T., R.E.
Juttmann, N.S. Klazinga & J.P. Mackenbach (red.), Nederlands Handboek
Gezondheidszorg- onderzoek, 77-93. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Purcell, J. 2004. „Het verband tussen HRM en performance: Waarom, hoe en
wanneer heeft personeelsmanagement invloed op de prestaties van een
organisatie?‟ Tijdschrift voor HRM 7 (2):31-61.
Raad van Bestuur. Naar een duurzaam X: Koers en plan op hoofdlijnen. 2014.
Raz, N. 2000. „Aging of the brain and its impact on cognitive performance: Integration
of Structural and functional findings.‟ In: F.I.M. Craik & T.A. Salthouse (eds.). The
handbook of aging and cognition. 2nd edition. Mahwah New Jersey/London:
Lawrence Erlbaum Associates.
Roekel-Kolkhuis- Tanke, I.R., van, 2008. Competent blijven werken in latere
loopbaanfasen. Delft: Eburon.
Ruijters, M. 2006. Liefde voor leren: Over diversiteit van leren en ontwikkelen in en
van organisaties. Den Haag: Kluwer.
Schoemakers, A.M. en Koopmans, A.J. 2008. Operationeel Personeelsmanagement:
Een praktische handleiding. Houten: Noorhoff Uitgevers
Scholten, A. 2005. Aan de slag met levensfasenbeleid. Apeldoorn: De gezonde
balans.
Schuler, R. and Jackson, S.1999. Strategic human resource management. Oxford,
UK: Blackwell Publishers Ltd.
SER. 2009. „Een kwestie van gezond verstand: Breed preventiebeleid binnen
arbeidsorganisaties.‟ Sociaal-Economische Raad publicatienummer 2.
Steijn, B. 2003. „HRM, arbeidssatisfactie en de publieke sector‟.
Bestuurswetenschappen 20 (4):289-307.
Subramony, M. 2009. „A meta-analytic investigation of the relationship between HRM
bundles and firm performance.‟ Human Resource Management 48(5):745-768.
Theeuwes, J. 2001. Toekomst van de arbeidsmarkt. ‟s-Gravenhage: Elsevier
bedrijfsinformatie.
Verschuren, P.J.M. & J.A.C.M. Doorewaard. 2010. Het ontwerpen van een
onderzoek. Den Haag: Boom Lemma.
Werff, S. van der, Volkerink, M., Heyma, A., Bisschop, P. 2012. „Wat maakt oudere
werknemers aantrekkelijk?‟ SEO Economisch onderzoek, SEO-rapport 2012 (62)
Ybema, J. F., Geuskens, G. en Hengel, K.O. 2009. Oudere werknemers en langer
doorwerken: secundaire analyse van de NEA, het NEA cohortonderzoek en de WEA.
TNO kwaliteit van leven. Arbeid.
Yin, R.K., 2003. Case Study Research: Design and Methods. Fifth edition. Los
Angeles: SAGE Publications.
Zinsmeister, J., Ballafkih, H. en Meerman, M. 2007. „De praktijk van het beleid rond
oudere werknemers. Ouderenbeleid en leeftijdsbewust personeelsbeleid in de regio
Amsterdam.‟ Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken 23 (3):224-237.
54
-
-
-
-
-
-
-
-
Internet publicaties:
(Actiz) 2014. Hervorming Langdurige Zorg. [internet]. Actiz, 10-04-„15 [aangehaald op
01-06-„15]. Bereikbaar op http://www.actiz.nl/website/dossiers/toekomst-langdurigezorg/standpunt-hervorming-langdurige-zorg
(AZW info) 2015. Factsheet personeelskenmerken. [internet]. AZW info
Onderzoeksprogramma arbeidsmarkt zorg en welzijn, 10-04-„13 [aangehaald op 0106-„15]. Bereikbaar op
http://www.azwinfo.nl/jive/jive?presel_code=pk_mv&cat_open_code=nat_pk_gsl
(Arbocatalogus VVT) 2015. Richtlijnen. Arbocatalogus voor Verpleeg,Verzorgingshuizen en Thuiszorg, 2015 [aangehaald op 04-01-„15]. Bereikbaar op
http://www.arbocatalogusvvt.nl/arbocatalogus/fysieke-belasting/richtlijnen
Arbokennisnet 2011.
(CBS)a 2015. Beroepsbevolking in twee decennia ruim 5 jaar ouder. [internet].
Centraal Bureau voor de Statestiek,10-04-„13 [aangehaald op 04-01-„15]. Bereikbaar
op http://www.cbs.nl/nlNL/menu/themas/dossiers/levensloop/publicaties/artikelen/archief/2013/2013-3810wm.htm
(CBS)b 2015. Ziekteverzuim op laagste punt sinds 1996. [internet]. Centraal Bureau
voor de Statistiek, 27-03-„15 [aangehaald op 04-07-„15]. Bereikbaar op
http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-socialezekerheid/publicaties/artikelen/archief/2015/ziekteverzuim-op-laagste-punt-sinds1996.htm
(RIVM) 2014. Arbeidsparticipatie heden, verleden en toekomst; hoeveel mensen
participeren in arbeid? [internet]. Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2306-„14 [aangehaald op 09-01-„15]. Bereikbaar op
http://www.nationaalkompas.nl/participatie/arbeidsparticipatie/omvang/
(Rijksoverheid) 2006. Vraag en antwoord: Wat is VUT en Prepensioen? [internet].
Rijksoverheid. [aangehaald op 01-02-„15]. Bereikbaar op
http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/pensioen/vraag-en-antwoord/wat-is-vut-enprepensioen.html
(SER) 2005. Van alle leeftijden een toekomstgericht ouderenbeleid op het terrein van
werk, inkomen, pensioenen en zorg. [internet]. Sociaal Economische Raad,
Uitgebracht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 21-01-„05 [aangehaald op 0401-„15]. Bereikbaar op
http://www.ser.nl/~/media/db_adviezen/2000_2009/2005/b23361%20pdf.ashx
55
8.
Bijlage
Bijlage 1 Topic list
Topic list onderzoek HRM in de VVT-sector
-
Duurzaam inzetbaar beleid / Leeftijdsbewust personeelsbeleid
Mogelijkheden en beperkingen in duurzaam inzetbaar beleid
HR- activiteiten op gebied van ontwikkeling (voor oudere medewerker)
HR- activiteiten op gebied van motivatie (voor oudere medewerker)
HR- activiteiten op gebied van participatiemogelijkheden (voor oudere medewerker)
56
Bijlage 2 Vragenprotocollen
Vragen HR-adviseurs,
Locatiemanagers, Teamleiders
Introductie afstudeeronderzoek
Mijn onderzoek richt zich op leeftijdsbewust personeelsbeleid in zorginstellingen in de VVTsector.
Door de toenemende vergrijzing en de toegenomen arbeidsparticipatie van 55+
medewerkers zijn veel zorgorganisaties zoekende in hoe ze het beste om kunnen gaan met
hun verouderde personeelsbestand. Sommige organisaties ontzien hun oudere werknemers
door ze vervroegd te laten uittreden of meer vakantiedagen te geven.
Echter kan ook de focus worden gelegd op leeftijdsbewust personeelsbeleid, waarbij zoveel
mogelijk rekening wordt gehouden wordt met de specifieke omstandigheden en wensen van
medewerkers in de verschillende fasen van hun leven en loopbaan.
Mijn onderzoek richt zicht specifiek op de manier waarop zorgorganisaties omgaan met het
realiseren van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden van medewerkers van 55
jaar en ouder. Hiervoor wil ik middels interviews met verschillende actoren binnen de
organisatie (Directeur, Manager, P&O adviseur, Afdelingshoofd, 55+ medewerker) meer
inzicht krijgen in dit onderwerp.
Leeftijdsgrens 55+
Voor de definiëring van de oudere medewerkers wordt in mijn onderzoek leeftijdsgrens van
55 jaar en ouder gehanteerd. In het verleden zijn namelijk veel cao-regelingen ingegaan voor
medewerkers vanaf 55 jaar, zoals VUT, Prepensioen en de mobiliteitsbonus voor ouderen
Vragen over Leeftijdsbewust personeelsbeleid/Duurzaam inzetbaarheid:
Leeftijdsbewust personeelsbeleid is een onderdeel van duurzame inzetbaarheid.







Hoe definiëren jullie leeftijdsbewust personeelsbeleid?
Hoe is deze definitie tot stand gekomen?
Is er binnen jullie organisatie specifiek beleid voor oudere medewerkers?
Hoe ziet dit beleid eruit?
Hoe is dit beleid opgesteld? Door wie, in samenwerking met wie? In hoeverre worden
of zijn oudere medewerkers bij het opstellen van dit beleid betrokken?
Hoe is dit beleid geïmplementeerd?
In hoeverre wijkt dit beleid af van het beleid voor andere medewerkers?
Mijn onderzoek richt zich specifiek op een aantal onderdelen van leeftijdsbewust
personeelsbeleid, zoals ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden. Onderstaande
vragen hebben hier betrekking op.
Ontwikkeling:

Welke activiteiten worden ingezet op het gebied van ontwikkeling bij 55+
medewerkers?
57








Wordt er binnen de organisatie gewerkt met Functiebeschrijvingen /
Competentieprofielen? In hoeverre wordt hier op gestuurd?
In hoeverre is er mogelijkheid voor scholing / cursussen? Hoe kunnen
Opleidingswensen of de mogelijkheid tot ontwikkeling worden aangegeven?
In hoeverre is er mogelijkheid voor omscholing voor oudere medewerkers? (fysiek /
mentaal ontlasten) (bijvoorbeeld meer begeleidende/ coachende functie krijgen en
minder aan het bed staan) Wat zijn hierin stappen?
In hoeverre wordt er gebruik gemaakt van een persoonlijk ontwikkelplan of
persoonlijke leerdoelen ?
Wordt loopbaanontwikkeling voor oudere medewerkers vanuit de organisatie
gestuurd?
In hoeverre is Coaching / Feedback door leiding gevende aanwezig voor oudere
medewerkers?
Hoe worden 55+ medewerkers betrokken bij het beleid rondom hun ontwikkeling?
Hoe worden activiteiten op het gebied van Ontwikkeling geïmplementeerd? (krijgt het
gaandeweg vorm en kan het nog aangepast worden of wordt het van bovenaf
opgelegd; dit is het?)
Motivatie:








Hoe zorgt de organisatie dat oudere medewerkers gemotiveerd blijven in het
uitvoeren van hun functie? (Tevredenheid)
Zijn er bepaalde beloningsregelingen voor medewerkers die langer in dienst zijn?
(bonussen, salarisverhoging, het koppelen van loon naar prestatie)
Zet de organisatie bepaalde extra’s in om oudere medewerkers aan zich te binden?
(bijvoorbeeld een collectieve verzekering)
Hoe typeer je de bedrijfscultuur/organisatiebeleid van de organisatie?
Wat zijn de afspraken rondom functioneringsgesprekken?
In hoeverre zijn er doorgroeimogelijkheden voor oudere medewerkers: kansen voor
interne carrière en promoties?
Hoe stimuleert de organisatie betrokkenheid/commitment van de oudere
medewerkers?
- Hoe zorg je dat een oudere medewerkers een bijdrage wil blijven leveren aan de
organisatie? / Iets extra‟s willen doen?
- Hoe zorg je dat de oudere medewerker verbonden blijft met de organisatie?
Hoe worden 55+ medewerkers betrokken bij het beleid rondom hun motivatie? (wordt
hier wel eens navraag naar gedaan?)
Participatiemogelijkheden:
Oudere werknemers hebben vaak veel ervaring en expertise in hun werkzaamheden
 In hoeverre worden oudere werknemers betrokken bij het beleid rondom hun
dagelijkse werkzaamheden? (micro niveau) (bijv. middels enquêtes of gesprekken
over werkzaamheden, top-down/ bottem-up beleid?)
 In hoeverre hebben ze inspraak op dit dagelijkse beleid?
 In hoeverre worden oudere werknemers betrokken bij de strategie van de
organisatie en de algemene bedrijfsprocessen? (meso niveau) (Aanwezigheid MR)
58





In hoeverre hebben ze inspraak op dit algemene beleid?
Hoe worden zaken over het algemeen geïmplementeerd?
Hoe wordt feedback van medewerkers te gestimuleerd? (Bijv. Medewerkers
tevredenheidsonderzoek en bijsturen van handelen na uitkomsten)
- Hoe wordt er binnen de organisatie omgegaan met klachten van
medewerkers?
- Is er een formele klachtenprocedure en klachtbesluit systeem? Hoe ziet
deze eruit?
Hoe wordt gezorgd voor baanverrijking bij oudere medewerkers? (mate van
flexibiliteit in uitvoering taken, afwisseling in taken en verantwoordelijkheden)
In hoeverre zijn oudere medewerkers autonoom/zelfstandig in het uitvoeren van hun
functie?
(professionele autonomie, werken o.b.v. kennis/ervaring en veel verantwoordelijkheid
zelf krijgen of werken volgens vaste protocollen en alles rapporteren aan leiding
gevende?)
59
Vragen 55+ Medewerkers
Introductie afstudeeronderzoek
Mijn onderzoek richt zich op leeftijdsbewust personeelsbeleid in zorginstellingen in de VVTsector.
Door de toenemende vergrijzing en de toegenomen arbeidsparticipatie van 55+
medewerkers zijn veel zorgorganisaties zoekende in hoe ze het beste om kunnen gaan met
hun verouderde personeelsbestand. Sommige organisaties ontzien hun oudere werknemers
door ze vervroegd te laten uittreden of meer vakantiedagen te geven.
Echter kan ook de focus worden gelegd op leeftijdsbewust personeelsbeleid, waarbij zoveel
mogelijk rekening wordt gehouden wordt met de specifieke omstandigheden en wensen van
medewerkers in de verschillende fasen van hun leven en loopbaan.
Mijn onderzoek richt zicht specifiek op de manier waarop zorgorganisaties omgaan met het
realiseren van ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden van medewerkers van 55
jaar en ouder. Hiervoor wil ik middels interviews met verschillende actoren binnen de
organisatie (Directeur, Manager, P&O adviseur, Afdelingshoofd, 55+ medewerker) meer
inzicht krijgen in dit onderwerp.
Leeftijdsgrens 55+
Voor de definiëring van de oudere medewerkers wordt in mijn onderzoek leeftijdsgrens van
55 jaar en ouder gehanteerd. In het verleden zijn namelijk veel cao-regelingen ingegaan voor
medewerkers vanaf 55 jaar, zoals VUT, Prepensioen en de mobiliteitsbonus voor ouderen
Vragen over Leeftijdsbewust personeelsbeleid/Duurzaam inzetbaarheid:
Leeftijdsbewust personeelsbeleid is een onderdeel van duurzame inzetbaarheid.







Is er binnen uw organisatie leeftijdsbewust personeelsbeleid of duurzaam inzetbaar
beleid?
Is er binnen jullie organisatie specifiek beleid voor oudere medewerkers?
Hoe ziet dit beleid eruit?
Hoe is dit beleid opgesteld? Door wie, in samenwerking met wie? In hoeverre worden
of zijn oudere medewerkers bij het opstellen van dit beleid betrokken?
Hoe is dit beleid geïmplementeerd?
In hoeverre wijkt dit beleid af van het beleid voor andere medewerkers?
Hoe ontvangt u dit beleid?
Mijn onderzoek richt zich specifiek op een aantal onderdelen van leeftijdsbewust
personeelsbeleid, zoals ontwikkeling, motivatie en participatiemogelijkheden. Onderstaande
vragen hebben hier betrekking op.
60
Ontwikkeling:










Welke activiteiten worden ingezet op het gebied van ontwikkeling bij 55+
medewerkers?
Wordt er binnen de organisatie gewerkt met Functiebeschrijvingen /
Competentieprofielen? In hoeverre wordt hier op gestuurd?
In hoeverre is er mogelijkheid voor scholing / cursussen? Hoe kunnen
Opleidingswensen of de mogelijkheid tot ontwikkeling worden aangegeven?
In hoeverre is er mogelijkheid voor omscholing voor oudere medewerkers? (fysiek /
mentaal ontlasten) (bijvoorbeeld meer begeleidende/ coachende functie krijgen en
minder aan het bed staan) Wat zijn hierin stappen?
In hoeverre wordt er gebruik gemaakt van een persoonlijk ontwikkelplan of
persoonlijke leerdoelen ?
Wordt loopbaanontwikkeling voor oudere medewerkers vanuit de organisatie
gestuurd?
In hoeverre is Coaching / Feedback door leiding gevende aanwezig voor oudere
medewerkers?
Hoe worden 55+ medewerkers betrokken bij het beleid rondom hun ontwikkeling?
Hoe worden activiteiten op het gebied van Ontwikkeling geïmplementeerd? (krijgt het
gaandeweg vorm en kan het nog aangepast worden of wordt het van bovenaf
opgelegd; dit is het?)
Hoe ontvangt u het beleid op het gebied van ontwikkeling? (Kan er meer gedaan
worden om U als medewerker te ontwikkelen? Kan dit beleid verbeterd worden?)
Motivatie:








Hoe zorgt de organisatie dat oudere medewerkers gemotiveerd blijven in het
uitvoeren van hun functie? (Tevredenheid)
Zijn er bepaalde beloningsregelingen voor medewerkers die langer in dienst zijn?
(bonussen, salarisverhoging, het koppelen van loon naar prestatie)
Zet de organisatie bepaalde extra’s in om oudere medewerkers aan zich te binden?
(bijvoorbeeld een collectieve verzekering)
Hoe typeert u de bedrijfscultuur/organisatiebeleid van de organisatie?
Wat zijn de afspraken rondom functioneringsgesprekken?
In hoeverre zijn er doorgroeimogelijkheden voor oudere medewerkers: kansen voor
interne carrière en promoties?
Hoe stimuleert de organisatie betrokkenheid/commitment van de oudere
medewerkers?
- Hoe zorg je dat een oudere medewerkers een bijdrage wil blijven leveren aan de
organisatie? / Iets extra‟s willen doen?
- Hoe zorg je dat de oudere medewerker verbonden blijft met de organisatie?
Hoe worden 55+ medewerkers betrokken bij het beleid rondom hun motivatie? (wordt
hier wel eens navraag naar gedaan?)
61
Extra vragen onderdeel motivatie:
 Hoe ontvangt U het beleid het gebied van motivatie? (kan er meer gedaan worden
om U als medewerker te motiveren)
 Zijn er voldoende beschikbare middelen om de functie goed uit te voeren? / Zijn de
randvoorwaarden goed geregeld?
 In hoeverre voelt U zich betrokken tot de organisatie?
 In hoeverre wilt U iets extra‟s doen voor de organisatie?
 Komt deze betrokkenheid voort uit de WIL, de PLICHT, of de NOODZAAK om een
bijdrage te leveren aan de organisatie?
De wil - is het verlangen van een persoon om een bijdrage te leveren aan de doelen
van een organisatie.
De plicht – is de loyaliteit van de medewerker aan de organisatie, bijvoorbeeld omdat
de organisatie zoveel in de medewerkers investeert en het dus oneerlijk zou zijn om
weg te gaan
De noodzaak - is de inschatting dat het verlaten van de organisatie te veel zou kosten
in geld en zekerheden, waardoor je betrokken blijft om dat niet te verliezen
 Zou de organisatie kunnen verbeteren op dit gebied?





Als u een voorstel doet, in hoeverre houd u dan rekening met de organisatiecultuur?
Brengt u uw eigen gedrag in lijn met de cultuur, behoeften, prioriteiten en doelen van
de organisatie?
Hoe staat u tegenover verantwoordelijkheid? Neemt u voor taken zelf
verantwoordelijkheid of laat u deze verantwoordelijkheid liever over aan het hogere
management?
Geeft u wel eens feedback op de plannen en voornemens van het management?
Laat u wel eens blijken of u achter beslissingen staat die voor de organisatie nuttig
zijn, zelfs als ze minder populair of controversieel zijn? Hoe?
Participatiemogelijkheden:
Oudere werknemers hebben vaak veel ervaring en expertise in hun werkzaamheden
 In hoeverre worden oudere werknemers betrokken bij het beleid rondom hun
dagelijkse werkzaamheden? (micro niveau) (bijv. middels enquêtes of gesprekken
over werkzaamheden, top-down/ bottem-up beleid?)
 In hoeverre hebben ze inspraak op dit dagelijkse beleid?
 In hoeverre worden oudere werknemers betrokken bij de strategie van de
organisatie en de algemene bedrijfsprocessen? (meso niveau) (Aanwezigheid MR)
 In hoeverre hebben ze inspraak op dit algemene beleid?
 Hoe worden zaken over het algemeen geïmplementeerd?
 Hoe wordt feedback van medewerkers te gestimuleerd? (Bijv. Medewerkers
tevredenheidsonderzoek en bijsturen van handelen na uitkomsten)
- Hoe wordt er binnen de organisatie omgegaan met klachten van
medewerkers?
- Is er een formele klachtenprocedure en klachtbesluit systeem? Hoe ziet
deze eruit?
 Hoe wordt gezorgd voor baanverrijking bij oudere medewerkers? (mate van
flexibiliteit in uitvoering taken, afwisseling in taken en verantwoordelijkheden)
62

In hoeverre zijn oudere medewerkers autonoom/zelfstandig in het uitvoeren van hun
functie?
(professionele autonomie, werken o.b.v. kennis/ervaring en veel verantwoordelijkheid
zelf krijgen of werken volgens vaste protocollen en alles rapporteren aan leiding
gevende?)
63
Bijlage 3 Operationaliseringsschema
Onafhankelijk
e Variabele
Dimensie
Indicator
Visie / Definitie
Beleid leidend tot
duurzame inzetbaarheid
Realisering
Implementatie
Functiebeschrijvingen/ competentieprofielen
Ontwikkeling
Organisatie
Prestaties
Motivatie
Scholing
Persoonlijk ontwikkelingsplan
Coaching / Feedback
Tevredenheid
Beloningssystemen / Extra‟s
Functioneringsgesprekken
Doorgroeimogelijkheden
Betrokkenheid (affectief, normatief, continuïteit)
Inspraak / participatie bij besluitvorming
Feedback/Klachten van medewerkers
Participatiemogelijkheden
Baanverrijking
Autonomie
Ontstaan nieuw management
Werkomgeving
Operationaliseringsschema
64
Download