doorbraaktechnologieën, de conjunctuurcyclus en het monetaire

advertisement
DOORBRAAKTECHNOLOGIEËN,
DE CONJUNCTUURCYCLUS EN HET MONETAIRE BELEID
Afstudeerscriptie Algemene Economie
Faculteit der Economische Wetenschappen
Universiteit van Tilburg
M.A.J.A. van Oijen
Haarsteeg, november 2002
Examencommissie
Prof. dr. J.J. Sijben (voorzitter)
Universiteit van Tilburg
Dr. R.J. Berndsen
De Nederlandsche Bank
Drs. B.H.J. Buitenkamp
De Nederlandsche Bank
Dr. G.P.L. van Roij
Universiteit van Tilburg
Voorwoord
De scriptie die voor u ligt, vormt de afsluiting van mijn studie Algemene Economie aan de
Universiteit van Tilburg, die ik ruim vijf jaar geleden ben begonnen. Van dit voorwoord wil ik
gebruik maken om mijn dank uit te spreken voor de hulp die ik van verscheidene personen
heb gehad bij het schrijven van deze scriptie.
In de eerste plaats ben ik de volgende drie personen, die mij bij deze scriptie hebben
begeleid, erg dankbaar. Prof. dr. Jacques Sijben (Universiteit van Tilburg) heeft mij op het
spoor van het onderwerp gezet en uitgebreid commentaar geleverd op de hoofdstukken. Drs.
Bouke Buitenkamp (De Nederlandsche Bank) was mijn eerste aanspreekpunt en mijn vragen
kwamen dus in veel gevallen bij hem terecht. Bovendien heeft hij mijn scriptie zeer uitvoerig
van kritische noten voorzien. Tot slot heeft dr. Ron Berndsen (De Nederlandsche Bank) mij de
mogelijkheid geboden om stage te lopen op de afdeling Monetair en economisch beleid en
daarnaast heeft hij enkele hoofdstukken becommentarieerd.
Vervolgens wil ik zowel mijn begeleiders als dr. Ger van Roij (Universiteit van Tilburg)
danken voor hun bereidheid om plaats te nemen in de examencommissie. De volgende
mensen ben ik eveneens dank verschuldigd voor de rol die zij hebben gespeeld bij de
totstandkoming van mijn scriptie: Martin Admiraal, dr. Ronald Albers, Henk van Kerkhoff, ir.
Carry Mout, drs. Ard den Reijer en drs. Cees Ullersma. Daarnaast gaat mijn dank uit naar de
medewerkers van de afdeling Monetair en economisch beleid van De Nederlandsche Bank
voor de leuke tijd die ik daar heb mogen doorbrengen. Met name wil ik hierbij Cees Ullersma
(nogmaals) noemen, die mij gedurende vier maanden tegenover zich heeft moeten dulden, en
met wie ik vele leuke en leerzame gesprekken heb gevoerd.
Ten slotte ben ik veel dank verschuldigd aan mijn ouders. In de eerste plaats hebben zij
mij in staat gesteld mij onbekommerd aan mijn studie te wijden en daarnaast is hun steun
gedurende de hele studie van onschatbare waarde geweest.
Martin van Oijen
Inhoudsopgave
Voorwoord
5
Inhoudsopgave
7
1 Inleiding
9
2 Doorbraaktechnologieën
11
2.1 Inleiding
11
2.2 Het begrip "doorbraaktechnologie" in de literatuur
11
2.3 Het begrip "doorbraaktechnologie" in dit werkstuk
14
2.4 Doorbraaktechnologieën vanaf 1750
17
2.4.1 De stoommachine
17
2.4.2 Elektriciteit
18
2.4.3 De verbrandingsmotor
19
2.4.4 De kunststoffen
20
2.4.5 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
20
2.5 Samenvatting
3 Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
22
23
3.1 Inleiding
23
3.2 Doorbraaktechnologieën en verwachtingen
25
3.2.1 Verwachtingen als gevolg van een nieuwe doorbraaktechnologie
25
3.2.2 Verwachtingen en de reële economie
28
3.3 De stabiliteit van de conjunctuurcyclus
30
3.3.1 Is de conjunctuur dood?
30
3.3.2 Doorbraaktechnologieën en de stabiliteit van de conjunctuurcyclus
31
3.4 Samenvatting
4 Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
34
35
4.1 Inleiding
35
4.2 Empirische methodiek
35
4.3 De maatschappelijke invloed van doorbraaktechnologieën
38
4.4 Empirische resultaten
42
4.4.1 De stabiliteit van de conjunctuurcyclus: de literatuur
42
4.4.2 Doorbraaktechnologieën en de stabiliteit van de conjunctuurcyclus
45
4.5 Samenvatting
5 Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
5.1 Inleiding
49
51
51
8
5.2 Doorbraaktechnologieën en inflatie
51
5.3 Doorbraaktechnologieën en het monetaire beleid
53
5.3.1 De nieuwe economie
54
5.3.2 De transitiefase
55
5.3.3 Monetaire stabiliteit versus financiële stabiliteit
57
5.3.4 Discussie
63
5.4 Samenvatting
65
6 Samenvatting en conclusies
69
Bibliografie
77
1 Inleiding
De afgelopen jaren is veel aandacht besteed aan de invloed van de "Nieuwe Economie" op de
groei van de arbeidsproductiviteit. Uit verscheidene onderzoeken bleek dat deze, als gevolg
van het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT), structureel was
toegenomen. Het economische belang van een dergelijke ontwikkeling wordt geïllustreerd
door Meyer (2000), wanneer hij stelt dat "in the case of a sustained increase in productivity
growth, it is obvious that the long-run effects include a higher sustainable rate of growth in
output."1 Aan ICT werd bovendien (een deel van) de toegenomen stabiliteit van de
conjunctuurcyclus toegeschreven. Zo hebben meerdere personen beweerd dat de conjunctuur
dood zou zijn. In dit verband merkt Friedman op: "Within our lifetimes the death of the
business cycle has been foretold as often as the coming of the messiah (perhaps because, in
so many people's minds, the two are identical)."2 Omtrent de eventuele stabilisering van de
conjunctuurcyclus zijn derhalve in het verleden reeds vaker uitspraken gedaan. Bovendien
wordt een stabiele economische ontwikkeling als positief beschouwd.
De stabilisering in de jaren negentig werd vooral aan de specifieke eigenschappen van
ICT (zoals een verbeterd voorraadmanagement) toegeschreven, terwijl de toename van de
arbeidsproductiviteit meer als een eigenschap van doorbraaktechnologieën in het algemeen
werd beschouwd. Dit doet echter wel de vraag rijzen of een stabilisering van de conjunctuur,
zoals die in het verleden al meer werd gesignaleerd, wellicht iets met doorbraaktechnologieën
in het algemeen van doen heeft. Deze vraag vormt het eerste deel van de vraagstelling van
deze studie.
De vele verschillende economische effecten die door een doorbraaktechnologie in gang
worden gezet, maken het voor een centrale bank moeilijker om goed monetair beleid te
voeren. Deze economische effecten werken namelijk niet altijd in dezelfde richting, zodat het
totaaleffect op de grootheden waarop een centrale bank haar beleid afstemt, zoals de inflatie,
niet altijd duidelijk is. Bovendien heeft een doorbraaktechnologie invloed op de verwachtingen
ten aanzien van de toekomst en daarmee op de activaprijzen. Hierbij kunnen echter
overreacties optreden, waardoor het vaststellen van de monetaire beleidskoers nog complexer
wordt. De vraag hoe de monetaire beleidsvoering moet worden afgestemd op de komst van
een nieuwe doorbraaktechnologie vormt het tweede hoofdonderdeel van deze studie. De
vraagstelling luidt nu als volgt.
Welke invloed heeft een doorbraaktechnologie op de stabiliteit van de conjunctuurcyclus
en welke implicaties heeft een dergelijke technologie voor het monetaire beleid?
1
L.H. Meyer (2000: p. 2).
2
B. Friedman (2001: p. 170).
10
Hoofdstuk 1
Om deze vraagstelling te beantwoorden is deze studie op de hiernavolgende wijze ingedeeld.
Allereerst wordt het begrip "doorbraaktechnologie" gedefinieerd. De bestaande literatuur,
waarvan in hoofdstuk 2 een overzicht wordt gegeven, dient hiervoor als basis. Vervolgens
worden, aan de hand van de gekozen definitie, doorbraaktechnologieën geselecteerd uit de
periode van 1750 tot nu. Tot slot zal in hoofdstuk 2 een beschrijving worden gegeven van de
ontstaansgeschiedenis en de verdere ontwikkeling van de geselecteerde technologieën.
In het derde hoofdstuk worden theorieën besproken die betrekking hebben op de relatie
tussen doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus. Allereerst komt hierbij de invloed
van doorbraaktechnologieën aan de orde die via verwachtingseffecten inwerkt op de economie
en vervolgens zal de meer structurele invloed op de conjunctuur worden besproken. Bij dit
laatste onderdeel zal worden bekeken of vanuit een theoretisch gezichtspunt kan worden
verwacht
dat
een
doorbraaktechnologie
invloed
uitoefent
op
de
stabiliteit
van
de
conjunctuurcyclus.
In hoofdstuk 4 zal vervolgens empirisch worden onderzocht of de in hoofdstuk 3
besproken invloed van doorbraaktechnologieën op de stabiliteit van de conjunctuurcyclus in
de praktijk kan worden waargenomen. Hierbij zullen macro-economische data worden
gebruikt die betrekking hebben op de conjuncturele ontwikkelingen in de Verenigde Staten
gedurende de afgelopen 125 jaar. De invloed van een doorbraaktechnologie op de stabiliteit
van de conjunctuurcyclus zal vervolgens zowel in termen van de amplitude van de cyclus als
in termen van de lengte van de cyclus worden onderzocht.
In hoofdstuk 5 zullen de implicaties van doorbraaktechnologieën voor het monetaire
beleid aan de orde worden gesteld. Gezien de huidige beleidsdoelstellingen van de meeste
centrale banken, waarin een lage en stabiele inflatie een prominente plaats inneemt, zal in dit
hoofdstuk
worden
begonnen
met
een
uiteenzetting
van
de
invloed
van
doorbraaktechnologieën op de inflatie. Op basis hiervan zal vervolgens aandacht worden
besteed aan de gewenste monetaire beleidskoers. Verder zal in dit hoofdstuk worden bekeken
of de centrale bank bij het bepalen van de monetaire beleidskoers rekening zou moeten
houden met de implicaties die een doorbraaktechnologie kan hebben voor de financiële
stabiliteit. Deze studie zal in hoofdstuk 6 worden afgesloten met een samenvatting en
conclusies.
2 Doorbraaktechnologieën
2.1 Inleiding
De hoofdstukken 3 en 4 behandelen de relatie tussen doorbraaktechnologieën en de
conjunctuurcyclus. Met name voor het empirische gedeelte (4) is het noodzakelijk om de
doorbraaktechnologieën van de afgelopen eeuwen te identificeren. Daartoe zullen in paragraaf
2.2 enkele benaderingen uit de literatuur worden beschreven, waarna in paragraaf 2.3 zal
worden uiteengezet wat in dit werkstuk onder een doorbraaktechnologie wordt verstaan. Aan
de hand van de onderscheiden kenmerkende eigenschappen van een dergelijke technologie
zullen
vervolgens
de
doorbraaktechnologieën
van
de
afgelopen
250
jaar
worden
geïdentificeerd. De ontwikkeling van deze technologieën zal in paragraaf 2.4 worden
beschreven, waarna het hoofdstuk in paragraaf 2.5 zal worden afgesloten met een korte
samenvatting.
2.2 Het begrip "doorbraaktechnologie" in de literatuur
In
de
economische
literatuur
bestaat
geen
eenduidige
definitie
van
een
doorbraaktechnologie3. Er zijn in de literatuur vier benaderingen te onderscheiden. Freeman
en Perez (1988)4 suggereren een hiërarchische ordening van innovaties. Deze hiërarchie
bestaat uit vier lagen, te weten incrementele innovaties, radicale innovaties, verandering van
het technologische systeem en verandering van het techno-economic paradigm, ook wel
technologische revolutie genoemd. De eerste categorie betreft innovaties die nagenoeg
continu in vrijwel iedere sector plaatsvinden en het gevolg zijn van learning by doing of
learning by using. De radicale innovaties zijn daarentegen meestal het gevolg van
doelbewuste investeringen in R&D. Hoewel deze innovaties tot structurele veranderingen
leiden, hebben ze relatief weinig en relatief lokaal invloed op de gehele economie. De derde
trede in de hiërarchie, een verandering van het technologische systeem, behelst vergaande
technologische veranderingen met invloed op verscheidene delen van de economie die leiden
tot het ontstaan van geheel nieuwe sectoren (bijvoorbeeld de petrochemische industrie als
gevolg van de uitvinding van de petrochemie). Een dergelijke verandering van het
technologische systeem is gebaseerd op zowel incrementele en radicale innovaties, als op
breed gedragen organisatorische en management-innovaties. Tot slot betreft een verandering
van het techno-economisch paradigma een verandering van het technologische systeem met
een zeer grote invloed op de gehele economie. Hierbij is sprake van vele incrementele en
radicale innovaties. Een nieuw paradigma kan uiteindelijk meerdere nieuwe technologische
3
De Engelse term voor "doorbraaktechnologie" is "general purpose technology" ("GPT").
4
C. Freeman en C. Perez (1988: p. 45-48).
12
Hoofdstuk 2
systemen (dat wil zeggen, innovaties op een lager niveau van de hiërarchie) met zich
meebrengen.
Het belangrijkste kenmerk van een verandering van het techno-economisch paradigma
is dat de effecten ervan algemeen worden verspreid in de gehele economie. Een dergelijke
verandering leidt niet alleen tot nieuwe producten, diensten, systemen en sectoren, maar
heeft daarnaast – direct dan wel indirect – ook invloed op nagenoeg iedere andere sector. Een
nieuwe doorbraaktechnologie maakt niet alleen deel uit van een nieuw techno-economische
paradigma, maar is bovendien de drijvende kracht achter het ontstaan van een nieuw
paradigma. De bovenstaande beschrijving van een techno-economisch paradigma geeft
derhalve een indicatie van de maatschappelijke invloed die een doorbraaktechnologie heeft.
Mokyr (1990)5 bekijkt technologische veranderingen vanuit een theorie over de biologische
evolutie. Analoog aan het onderscheid binnen deze biologische theorie tussen micro- en
macro-mutaties
onderscheidt
hij
bij
technologische
veranderingen
micro-
en
macro-
uitvindingen. Mokyr definieert micro-uitvindingen als de kleine, incrementele stappen die
bestaande technologieën verbeteren, aanpassen en stroomlijnen. Macro-uitvindingen zijn
uitvindingen waarbij een radicaal nieuw idee, zonder duidelijk precedent, min of meer vanuit
het niets ontstaat. Hij geeft een drietal voorwaarden voor de levensvatbaarheid van een
macro-uitvinding, namelijk praktische bruikbaarheid, economische haalbaarheid en een
sociaal welwillende omgeving. De directe maatschappelijke invloed van een macro-uitvinding
kan beperkt zijn, maar zij verhoogt wel het marginale product van daaropvolgende microuitvindingen en kan zo indirect een grotere invloed hebben.
Bresnahan en Trajtenberg (1992)6 stellen, evenals Freeman en Perez (1988), dat de
technologieën gerangschikt zijn in een hiërarchisch patroon. In de eenvoudigste vorm omvat
dit
concept
een
tweetal
lagen,
namelijk
de
toplaag
met
ten
hoogste
een
paar
doorbraaktechnologieën en in de tweede laag een groot aantal technologieën die gebruik
maken van de doorbraaktechnologie(en). Volgens Bresnahan en Trajtenberg heeft een
doorbraaktechnologie een drietal karakteristieke eigenschappen7. Allereerst wordt een
doorbraaktechnologie gekenmerkt door "general purposeness": de technologie levert een
bepaalde generieke functie, die cruciaal is voor het functioneren van een groot aantal
producten en/of productiesystemen (de tweede laag) die van de doorbraaktechnologie
gebruik
maken.
Daarnaast
vertoont
een
doorbraaktechnologie
een
grote
mate
van
technologische dynamiek. Voortdurende pogingen tot innovatie en het daarmee verbonden
leerproces leiden tot een toename van de efficiëntie van de generieke functie die door de
doorbraaktechnologie
wordt
geleverd.
De
laatste
kenmerkende
eigenschap
van
een
doorbraaktechnologie is de aanwezigheid van de zogenaamde innovational complementarities,
5
J. Mokyr (1990: p. 13 en p. 289-293).
6
T.F. Bresnahan en M. Trajtenberg (1992: p. 4-5).
7
N. Rosenberg en M. Trajtenberg (2001: p. 6) noemen dezelfde drie kenmerken.
13
Doorbraaktechnologieën
waarbij een doorbraaktechnologie de efficiëntie van verdere innovaties verhoogt. Bovendien
leidt
innovatie
en
de
daarmee
samengaande
toenemende
efficiëntie
van
de
doorbraaktechnologie tot een toename van het aantal gebruikers. Beide ontwikkelingen
maken het verder verbeteren van de doorbraaktechnologie aantrekkelijker. Als gevolg van
deze continue wisselwerking kan de trendmatige groei van de economie worden verhoogd.
Lipsey et al. (1998)8 starten met een lijst van technologieën die volgens hen zeker als een
doorbraaktechnologie dienen te worden gekwalificeerd. Vervolgens geven zij, mede aan de
hand van de definities van andere auteurs (waaronder de in deze paragraaf genoemde), de
volgende definitie van een doorbraaktechnologie. "A GPT is a technology that initially has
much scope for improvement and eventually comes to be widely used, to have many uses,
and to have many Hicksian and technological complementarities."
Deze definitie bevat een viertal kenmerken. In de eerste plaats betreft het de
aanwezigheid van een groot potentieel voor verbeteringen in het beginstadium van de
technologie. Hierbij kan worden gedacht aan een verbetering van de technologie, een afname
van de gebruikskosten in bestaande toepassingen, een waardetoename als gevolg van nieuwe
ondersteunende technologieën en een toename van het aantal toepassingen tezamen met een
vergroting van de variëteit van de toepassingen. Hiermee is de tweede kenmerkende
eigenschap genoemd: de toepassingen van een doorbraaktechnologie zijn zeer gevarieerd,
aangezien zij op vele verschillende wijzen kan worden aangewend. Een derde karakteristieke
eigenschap van een doorbraaktechnologie is dat zij wordt gebruikt in een groot deel van de
productieve activiteiten binnen een economie, oftewel, dat zij op vele plaatsen in de economie
wordt toegepast. Het verschil tussen het tweede en het derde kenmerk kan aan de hand van
het voorbeeld van de gloeilamp worden geïllustreerd. Deze kan weliswaar op vele plaatsen in
een economie worden gebruikt (heeft een breed toepassingsgebied en voldoet dus aan
kenmerk 3), maar heeft slechts één toepassing, namelijk het produceren van licht (en voldoet
derhalve niet aan kenmerk 2, heeft niet vele toepassingswijzen).
De laatste kenmerkende eigenschap volgens Lipsey et al. is een grote complementariteit
met bestaande of potentieel nieuwe technologieën. Zij onderscheiden twee typen van
complementariteit, namelijk "Hicksiaanse" en "technologische". Hicksiaanse complementariteit
betreft de invloed van een verandering van de kosten van een productiefactor (technologie)
op de hoeveelheden van de verschillende productiefactoren. Er is sprake van Hicksiaanse
complementariteit tussen productiefactor x en productiefactor y wanneer een kostendaling
van productiefactor x – die tot een toename van de hoeveelheid van productiefactor x leidt –
er eveneens toe leidt dat de hoeveelheid van productiefactor y stijgt. Wanneer bijvoorbeeld
de prijs van elektriciteit afneemt, zullen er meer elektrische apparaten worden gebruikt. Van
technologische complementariteit is sprake wanneer een technologische verandering van een
productiefactor noopt tot een herontwikkeling van een of meerdere andere productiefactoren.9
8
R.G. Lipsey, C. Bekar en K. Carlaw (1998: p. 38-43).
9
Zie R.G. Lipsey, C. Bekar en K. Carlaw (1998: p. 41-42) voor meer details over beide typen complementariteit.
14
Hoofdstuk 2
Elektriciteit maakte bijvoorbeeld de afzonderlijke aandrijving van machines in fabrieken (met
behulp van kleine elektromotoren) mogelijk, terwijl zelfs een zeer forse kostendaling van de
stoommachine dit niet zou hebben kunnen bewerkstelligen. Een doorbraaktechnologie dient
volgens Lipsey et al. te beschikken over zowel uitgebreide technologische als Hicksiaanse
complementariteiten.
2.3 Het begrip "doorbraaktechnologie" in dit werkstuk
In deze paragraaf zal in de eerste plaats de literatuur, die hiervoor aan bod is gekomen,
nader worden besproken. Deze literatuur dient als basis voor het opstellen van de definitie
van een doorbraaktechnologie die in dit werkstuk zal worden gehanteerd. Ten slotte zal een
twaalftal potentiële doorbraaktechnologieën van 1750 tot heden aan deze definitie worden
getoetst.
Het belangrijkste kenmerk van een verandering van het techno-economische paradigma
is volgens Freeman en Perez (1988) het genereren van breed verspreide effecten in de gehele
economie, de maatschappelijke invloed. Een verandering van het techno-economisch
paradigma wordt (mede) veroorzaakt door een nieuwe doorbraaktechnologie. Het nieuwe
paradigma omvat vervolgens naast die nieuwe doorbraaktechnologie ook andere innovaties,
zoals nieuwe organisatievormen en managementtechnieken. Dit maakt de theorie van
Freeman en Perez minder geschikt als definitie van het begrip "doorbraaktechnologie". Het
onderscheid dat Mokyr (1990) maakt tussen micro- en macro-uitvindingen sluit aan bij de
incrementele respectievelijk de radicale innovaties van Freeman en Perez. Een macrouitvinding vertoont weliswaar overeenkomsten met een doorbraaktechnologie, maar heeft
niet noodzakelijkerwijs een grote invloed op de maatschappij, hetgeen daarentegen juist een
kritische voorwaarde is voor een doorbraaktechnologie.
De criteria van Bresnahan en Trajtenberg (1992) zijn – in tegenstelling tot die van
Freeman en Perez en Mokyr – volledig toegespitst op het begrip doorbraaktechnologie. Deze
criteria zijn tevens geheel terug te vinden bij Lipsey et al. (1998). Een belangrijke toevoeging
van de laatstgenoemde auteurs is dat een doorbraaktechnologie niet alleen op vele
verschillende plaatsen in de economie wordt aangetroffen, maar ook op vele verschillende
manieren kan worden toegepast (dynamo versus gloeilamp).
Een algemeen probleem bij het definiëren van het begrip doorbraaktechnologie is dat
het niet mogelijk is om een bepaalde kwantitatieve grens aan te geven. Een deel van de
criteria is überhaupt niet te kwantificeren (denk aan het potentieel voor verbetering) en bij a
wide range of use is het bijvoorbeeld niet redelijkerwijs mogelijk om te stellen dat er vanaf
een x-aantal toepassingen sprake is van een doorbraaktechnologie en beneden dat aantal
juist niet. Verder is het aggregatieniveau waarop de criteria worden toegepast ook van
belang. Een wide range of use dient bijvoorbeeld te worden gerelateerd aan de gehele
economie of een bepaalde sector. Zo is het mogelijk dat een technologie binnen een bepaalde
sector wel als een doorbraaktechnologie wordt gekwalificeerd, maar binnen de gehele
15
Doorbraaktechnologieën
economie niet. Bij wide variety of uses geven Lipsey et al. het voorbeeld van de dynamo om
het belang van het aggregatieniveau aan te geven. Op een hoog aggregatieniveau is de
dynamo te beschouwen als alleen maar een krachtbron en dus als niet beschikkend over een
grote variety of uses. Op een lager aggregatieniveau kan de dynamo daarentegen worden
aangemerkt als de leverancier van energie voor vele verschillende toepassingen, zoals
bijvoorbeeld elektrische motoren, verlichting, radio, televisie et cetera.
Om een beter beeld te krijgen van definities van doorbraaktechnologieën is het nuttig
om na te gaan welke doorbraaktechnologieën de auteurs zelf op basis van hun criteria
onderscheiden. Helaas geven alleen Lipsey et al. een lijst met technologieën10 die volgens hen
voldoen aan hun criteria. Deze lijst is tamelijk lang en David en Wright (1999) merken
hierover op: "One has only to consider the length of such proposed lists of GPTs to begin to
worry that the concept may be getting out of hand".11 In het kader van dit werkstuk is zowel
de definitie van Lipsey et al. als hun interpretatie van die definitie te ruim.
De criteria van Lipsey et al., die ook door het Centraal Planbureau (2000)12 worden gebruikt,
dienen echter wel als basis voor de criteria die in dit werkstuk worden gehanteerd bij het
identificeren van doorbraaktechnologieën. Met betrekking tot de te ruime definitie stellen
David
en
Wright
dat
sommige
technologieën
die
volgens
Lipsey
et
al.
een
doorbraaktechnologie zijn, wellicht beter kunnen worden beschouwd als subcategorieën van
grotere, conceptuele doorbraken. Een tweede mogelijkheid is volgens deze auteurs dat
bepaalde historische episoden worden beschouwd als perioden waarin interacties tussen
meerdere doorbraaktechnologieën plaatsvonden die zich voorheen onafhankelijk van elkaar
ontwikkelden. In deze studie wordt de eerste methode gehanteerd. Het gevolg hiervan is
bijvoorbeeld dat het internet, het motorvoertuig en de spoorwegen als onderdeel dan wel als
afgeleide worden gezien van respectievelijk ICT, de verbrandingsmotor en de stoommachine.
Omdat in deze studie de gevolgen van doorbraaktechnologieën op geaggregeerde macroeconomische
variabelen
worden
bekeken,
is
ervoor
gekozen
om
de
lat
voor
doorbraaktechnologieën hoger te leggen dan Lipsey et al. (en dus de definitie enger te
interpreteren),
waardoor
de
laser
bijvoorbeeld
niet
als
doorbraaktechnologie
wordt
geaccepteerd. Daarnaast worden, in tegenstelling tot Lipsey et al, (bedrijfs-)organisatorische
doorbraken (zoals massaproductie) niet als technologieën beschouwd.
De in deze studie gehanteerde criteria voor doorbraaktechnologieën kunnen als volgt
worden samengevat. In de eerste plaats moeten zij – in het beginstadium – worden
gekenmerkt door een groot potentieel voor verbeteringen, waarvan in paragraaf 2.2 enkele
voorbeelden zijn genoemd. Daarnaast moet een doorbraaktechnologie op vele plaatsen in de
economie worden toegepast. Een derde criterium is dat een doorbraaktechnologie op vele
10
Zie R.G. Lipsey, C. Bekar en K. Carlaw (1998: p. 21-30 en p. 44-46). Als voorbeelden van doorbraaktechnologieën
noemen zij onder andere de laser en meerdere organizational technologies. Overigens pretenderen zij niet een
uitputtend overzicht van doorbraaktechnologieën te geven.
11
P.A. David en G. Wright (1999: p. 10).
12
Centraal Planbureau (2000: p. 163-164).
16
Hoofdstuk 2
manieren
wordt
toegepast.
Het
tweede
en
derde
criterium
impliceren
dat
een
doorbraaktechnologie een groot maatschappelijk belang dient te hebben. Vervolgens moet
een
doorbraaktechnologie
innovational
complementarities
(zowel
Hicksiaanse
als
technologische) hebben met de sectoren die er gebruik van maken. In het geval van een
cluster van gerelateerde technologieën, dient het ten slotte de grote, conceptuele doorbraken
binnen die groep te betreffen. Belangrijke technologieën die sterk gerelateerd zijn aan een
andere technologie en daaraan bovendien ondergeschikt zijn, worden derhalve als onderdeel
of afgeleide van die andere technologie beschouwd. Deze vijf criteria monden uit in de
onderstaande definitie.
Een doorbraaktechnologie is een technologie die een groot potentieel biedt voor
verbetering, vele verschillende toepassingen kent op vele plaatsen in de economie,
uitgebreide innovationele complementariteiten heeft en geen directe afgeleide is van
een andere technologie.
In Tabel 2.1 zijn potentiële doorbraaktechnologieën van na 1750 getoetst aan de hand van de
criteria uit de bovenstaande definitie.
Tabel 2.1: Toetsing van potentiële doorbraaktechnologieën van 1750 tot heden
Technologie
Groot
Vele
Toepassingen
Innovationele
Geen
potentieel voor
verschillende
op vele
complemen-
directe
verbetering
toepassingen
plaatsen
tariteiten
afgeleide
Elektriciteit
√
√
√
√
√
√
Gloeilamp
√
--
--
√
--
√
ICT
√
√
√
√
√
√
Internet
√
--
√
√
√
--
Kunststoffen
√
√
√
√
√
√
Laser
√
--
√
√
--
√
Massaproductie
--
--
√
√
√
√
Motorvoertuig
√
√
√
√
--
--
Spoorwegen
√
√
--
√
--
--
Staal
√
--
√
√
√
--
Stoommachine
√
√
√
√
√
√
Verbrandingsmotor
√
√
√
√
√
√
De metallurgie is een voorbeeld van een sector waarmee de stoommachine innovational
complementarities had. Deze sector realiseerde namelijk grote verbeteringen in het
produceren van sterke materialen, die door de hoge-drukstoommachine werden vereist. De
verscheidene algemene krachtbronnen in bovenstaande tabel – de stoommachine, elektriciteit
en de verbrandingsmotor – hebben met elkaar gemeen dat ze energie lever(d)en voor vele
verschillende toepassingen. De verbrandingsmotor is bijvoorbeeld de krachtbron van vele
verschillende vervoermiddelen, waarmee hij bovendien zowel Hicksiaans als technologisch
complementair is. Het potentieel voor verbetering en de innovationele complementariteiten
Doorbraaktechnologieën
17
van kunststoffen komen bijvoorbeeld tot uitdrukking in de zoektocht naar nieuwe materialen
die de voor een bepaalde toepassing gewenste eigenschappen hadden en de nieuwe
producten die door kunststoffen mogelijk werden – en nog steeds worden – gemaakt.
Uit de tabel komt naar voren dat de volgende vijf doorbraaktechnologieën worden
toegelaten: de stoommachine, elektriciteit, de verbrandingsmotor, de kunststoffen en
informatie- en communicatietechnologie. De historische ontwikkeling van deze technologieën
zal in de volgende paragraaf worden besproken.
2.4 Doorbraaktechnologieën vanaf 1750
2.4.1 De stoommachine
Het idee dat stoom kan worden gebruikt als energiebron dateert uit de Griekse Oudheid, maar
pas aan het einde van de zeventiende eeuw werd de ontwikkeling ervan gestimuleerd en
gefaciliteerd door de sociale en economische omstandigheden. De ontwikkeling van de
stoommachine werd vooral gedreven door de zoektocht naar een krachtige machine om
kolenmijnen leeg te pompen en zo diepere mijnen te kunnen realiseren. De eerste voor de
verkoop bestemde stoommachine werd in 1698 ontworpen door Thomas Savery. Deze
machine was echter niet krachtig genoeg om mijnen leeg te pompen. De eerste voor dit doel
bruikbare stoommachine werd in 1712 door Thomas Newcomen ontworpen. Buiten GrootBrittannië werd de machine van Newcomen achtereenvolgens in Oostenrijk (1723), Frankrijk
(1732), Zweden (1734) en de Verenigde Staten (1753) in gebruik genomen. In 1769
patenteerde James Watt zijn verbeterde versie van de stoommachine. Zijn aanpassingen
zorgden voor een forse afname van de benodigde hoeveelheid brandstof en leidden ertoe dat
de machine een breder toepassingsgebied kreeg.
De stoommachines van Newcomen en Watt werkten met een lage stoomdruk. Rond
1800 bouwden Richard Trevithick in Engeland en Oliver Evans in de Verenigde Staten
stoommachines die onder hoge druk werkten. In 1804 demonstreerde Trevithick de eerste
stoomlocomotief, waarvoor een hoge-drukstoommachine een voorwaarde was. In 1845
perfectioneerde John McNaught de in 1781 door Jonathan Hornblower uitgevonden compound
engine, een machine die dezelfde stoom in meerdere cylinders gebruikte. De mate van
innovatie kan worden afgeleid aan de hand van de brandstof-efficiëntie: de stoommachine
van Newcomen had een efficiëntie van minder dan 1%, terwijl Watt ongeveer 4,5%
realiseerde. Een compound engine uit het begin van de negentiende eeuw bereikte een
efficiëntie van 7,5% en de complexe Corliss compound engine uit 1878 meer dan 17%.
In 1825 werd op initiatief van George Stephenson op de Stockton and Darlington
Railway in de buurt van Newcastle voor het eerst gekozen voor een stoomlocomotief in plaats
van trekpaarden als aandrijver van een trein. Zestien jaar later bedroeg het aantal kilometers
spoor waarop stoomtreinen reden in Groot-Brittannië ongeveer 2500. In de Verenigde Staten
reed de eerste stoomtrein in 1829 en binnen acht jaar werd op 2300 kilometer spoor gebruik
18
Hoofdstuk 2
gemaakt van stoomlocomotieven. In 1838 waren er in de Verenigde Staten 3010
stoommachines, waarvan er 800 werden gebruikt op stoomboten, 350 in locomotieven en
1860 in fabrieken en openbare werken. De achttiende-eeuwse stoommachine had onder
andere de volgende effecten.13 Allereerst maakte de stoommachine het fabriekssysteem
mogelijk, waarbij de activiteiten werden geconcentreerd in één gebouw rond één centrale
krachtbron. Het fabriekssysteem zorgde bijvoorbeeld voor meer geografische flexibiliteit, een
niet door de krachtbron beperkte productiecapaciteit en geringere vervoerskosten (alle
productie-activiteiten op één locatie). Voorts was de stoommachine een vele malen betere
krachtbron voor transport dan de krachtbronnen waarover men voorheen beschikte.
2.4.2 Elektriciteit
De eerste theoretische behandeling van elektriciteit dateert uit 1600, toen William Gilbert zijn
boek "De Magnete" publiceerde. Zoals de titel doet vermoeden, behandelde Gilbert
voornamelijk magnetisme, maar daarnaast besprak hij ook de relatie met elektriciteit. In
1746 vond Pieter van Musschenbroek in Leiden de zogenaamde "Leidse fles" uit, waarmee
elektriciteit kon worden opgeslagen. Ruim een halve eeuw later (1800) publiceerde
Alessandro Volta een artikel waarin hij uiteenzette dat elektriciteit kan worden opgewekt
"door aanraking tussen geleiders van verschillende samenstelling", hetgeen later zou leiden
tot de batterij-cel. In 1820 stuitte Christian Oersted op elektromagnetisme, waarmee hij
aantoonde dat elektrische stroom en magnetisme als één fenomeen moeten worden
beschouwd. Zo creëert een elektrische stroom in een geleider een cirkelvormig magnetisch
veld rondom die geleider. Vervolgens toonde Michael Faraday in 1831 aan dat er stroom kan
worden opgewekt wanneer de geleider en de magneet ten opzichte van elkaar bewegen:
elektromagnetische inductie, oftewel het principe van de dynamo. Er waren nu twee bronnen
van elektrische energie: de elektrochemische batterij-cel (Volta) en de elektromagnetische
generator (Faraday).
Thomas Edison vond in 1879 de (buiten het laboratorium bruikbare) gloeilamp uit. Hij
ontwierp naast de lamp ook het gehele systeem om de lamp te laten branden, waaronder
bijvoorbeeld de bedrading in huizen, het ondergrondse kabelsysteem voor de straten en de
generator. Een andere toepassing die gebruik maakte van elektriciteit was de elektrische
motor. Tot aan 1887 werden alleen gelijkstroommotoren ontwikkeld. In 1888 stelde Nikola
Tesla een andersoortige motor voor, de wisselstroommotor (ook wel inductiemotor genoemd).
Het voordeel van elektrische motoren ten opzichte van stoommachines was een praktische:
fabrieken konden lager worden14. Het was namelijk niet langer nodig om alle machines
dichtbij de krachtbron te hebben; er waren nu meerdere, los van elkaar opererende
13
14
E.S. Ferguson (1967: p. 261-262).
Bij de stoommachine was een fabriek met meerdere etages het meest efficiënt, omdat de toepassingen op die
manier het dichtst bij de krachtbron konden worden geplaatst.
19
Doorbraaktechnologieën
krachtbronnen mogelijk. Daarnaast was het niet meer nodig een fabriek dichtbij een
watervoorziening te plaatsen.
In 1890 ontstond de discussie of wisselstroom dan wel gelijkstroom moest worden
gebruikt als transmissiesysteem voor elektriciteit tussen een elektriciteitscentrale in Niagara
en Buffalo (New York), een veelbelovende industriële locatie. Het voordeel van wisselstroom
was de hogere efficiëntie, maar daarvan was alleen sprake wanneer de generatoren en
transformatoren continu op de volledige capaciteit draaiden. Bovendien was de snelheid van
de gelijkstroommotor gemakkelijker aanpasbaar. In die tijd werd het overgrote deel van de
vraag naar elektriciteit bepaald door verlichting, hetgeen een over een etmaal sterk
schommelende elektriciteitsvraag impliceerde. Onder deze omstandigheden was gelijkstroom
derhalve veruit het meest efficiënt. Edison adviseerde om gelijkstroom te gebruiken, ook
vanwege de vermeende veiligheidsrisico's van wisselstroom. Uiteindelijk werd echter gekozen
voor wisselstroom. Nadien werd de juistheid van deze keuze bevestigd doordat veel meer
toepassingen werden ontwikkeld die gebruik maakten van elektriciteit, zodat de vraag naar
elektriciteit veel minder fluctueerde.
2.4.3 De verbrandingsmotor
De eerste ideeën voor de verbrandingsmotor ontstonden reeds in de zeventiende eeuw, maar
pas twee eeuwen later slaagde men erin om de hoge temperaturen en de hoge druk in de
hand te houden. De eerste "serieuze" verbrandingsmotoren werden rond 1860 onafhankelijk
van elkaar gebouwd door Pierre Hugon en Étienne Lenoir. De beslissende doorbraak vond
plaats in 1876 toen Nicolaus Otto een goede manier uitvond om het brandbare mengsel
samen te persen. De resulterende "Otto Silent Engine" die werkte in de zogenaamde four
stroke cycle was ongeveer twee maal zo efficiënt als een vergelijkbare stoommachine. Tegen
het einde van de negentiende eeuw waren er ongeveer 200.000 Otto-motoren in gebruik
(voornamelijk in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland).
De
eerste
verbrandingsmotoren
werkten
op
gas.
Om
voertuigen
met
een
verbrandingmotor aan te drijven, was het echter nodig om vloeibare brandstof te kunnen
gebruiken. Het belangrijkste werk voor de ontwikkeling van een betrouwbare kleine
benzinemotor
werd
onafhankelijk
verricht
door
Karl
Benz
en
Gottlieb
Daimler
in
samenwerking met Wilhelm Maybach. De eerste automotor in de jaren tachtig van de
negentiende eeuw woog 50 tot 100 kilogram en leverde één pk. De eerste Mercedes uit 1901
maakte gebruik van een motor die ongeveer 250 kilogram woog en maar liefst 35 pk leverde.
De auto had een maximumsnelheid van ongeveer 85 kilometer per uur. De eerste dieselmotor
werd in 1897 door Rudolf Diesel gebouwd en had een efficiëntie van ongeveer 26 procent,
ongeveer twee maal de efficiëntie van de Otto-motor uit die tijd.
Ondanks het feit dat de automobiel een Europese uitvinding was, nam het gebruik
ervan in de Verenigde Staten vele malen sneller toe dan in Europa. In 1900 werden in de
Verenigde
Staten
1681
automobielen
geproduceerd
die
werden
aangedreven
door
20
Hoofdstuk 2
stoomkracht, 1575 die gebruikmaakten van elektriciteit en 936 die werden voortgestuwd door
verbrandingsmotoren. Binnen vijf jaar was de benzinemotor echter de dominante krachtbron
voor automobielen. De eerste diesellocomotieven werden in de Verenigde Staten rond 1925
ingezet. De stoomlocomotieven werden echter pas in de periode 1945-1960 op grote schaal
vervangen door diesellocomotieven. Vóór de Tweede Wereldoorlog was het gebruik van de
dieselmotor in het wegvervoer echter zelfs nog geringer dan in het treinvervoer.
2.4.4 De kunststoffen
In het algemeen zijn kunststoffen (plastics15) organische polymeren. Deze grote moleculen
worden verkregen door het onderling verbinden van kortere ketens door een chemische
reactie met de naam "polymerisatie". Het eerste plastic werd in 1862 geïntroduceerd door
Alexander Parkes, die het materiaal Parkesine noemde. Enkele jaren later (1866) ontdekte
John Hyatt de thermoplast celluloid, het materiaal dat onder andere wordt gebruikt in
fotografie en film. Vijftien jaar na celluloid werd rayon (kunstzijde) ontwikkeld door Louis
Bernigaut, Graaf van Chardonnet. Deze eerste drie kunststoffen waren alle afgeleid van het
natuurlijke materiaal cellulose en waren derhalve niet volledig synthetisch (niet volledig
kunstmatig samengesteld). In 1907 werd door Leo Baekeland het eerste volledig synthetische
materiaal uitgevonden en hij noemde het materiaal bakeliet. Zes jaar na bakeliet werd
cellofaan uitgevonden door Jacques Brandenberger. Vervolgens werd in 1926 PVC (gebruikt in
bijvoorbeeld elektriciteitsbuizen) en in 1933 polyethyleen (plastic zakken) uitgevonden. Twee
jaar later werd nylon uitgevonden door Wallace Carothers van Du Pont. In 1939 werd de
nylon kous geïntroduceerd en nog in hetzelfde jaar werden er 34 miljoen paren verkocht.
Hoewel plastics reeds tamelijk lang vóór de Tweede Wereldoorlog bestonden, kwam de groei
pas rond 1940 echt op gang. Tussen 1939 en 1946 was er sprake van een vervijfvoudiging
van de productie van plastics.
2.4.5 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Het begin van de hedendaagse computer kan worden toegeschreven aan Charles Babbage. In
de eerste helft van de negentiende eeuw ontwierp hij een computer die hij Analytical Engine
noemde. Hoewel hij de machine nooit heeft gebouwd, bevatte het ontwerp de basiselementen
van een moderne computer: invoer van data (met behulp van geperforeerde kaarten), een
geheugen om data op te slaan, een processor om instructies in iedere gewenste volgorde uit
te voeren en uitvoer van data. In de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft
van de twintigste eeuw werden vervolgens verscheidene computers gebouwd, met als
belangrijkste onderdelen grote aantallen elektronenbuizen. Deze elektronenbuizen waren
tamelijk omvangrijk, waardoor deze computers zeer grote machines waren.
15
"Plastics" is afgeleid van het Griekse "plastikos" ("πλαστικος"), hetgeen "geschikt voor vormgeving" betekent.
21
Doorbraaktechnologieën
Een belangrijke stap in de richting van de moderne (kleine en goedkope) computer
werd eind 1947 gezet door John Bardeen, Walter Brattain en William Shockley van Bell
Telephone Laboratories (Bell Labs). Zij vonden namelijk de transistor uit en deze kon de
functie van de elektronenbuizen overnemen. Vervolgens vond Jack Kilby (Texas Instruments)
in 1958 de IC (integrated circuit, geïntegreerde schakeling) uit. Een IC is een plaatje van
silicium waarop verschillende componenten (zoals transistors) worden geïntegreerd. De
microprocessor, een IC die bruikbaar is voor verschillende toepassingen, werd in 1971
uitgevonden door Robert Noyce, de oprichter van Intel. De eerste personal computers werden
medio jaren '70 ontworpen door onder andere Apple en Commodore. Pc's werden echter in
het bedrijfsleven nog niet echt serieus genomen, totdat IBM in 1981 zijn eerste pc op de
markt bracht. In hetzelfde jaar werd het modem, dat reeds in 1960 door Bell Labs was
uitgevonden, door Hayes Micromodem op de markt gebracht. In 1984 bracht Apple de
Macintosh op de markt: een pc die radicaal anders was dan de IBM-pc en leidde tot een
tweedeling in de computerwereld met enerzijds de pc en anderzijds de "Mac". De Macintosh
onderscheidde zich onder meer door een zogenaamde Graphic User Interface (GUI), die
enkele jaren later ook bij IBM-compatible pc's zou worden geïntroduceerd in de vorm van het
besturingssysteem Microsoft Windows.
In 1965 voorspelde Gordon Moore dat het aantal transistoren per IC ieder paar jaar zou
verdubbelen. "Moore's Law" blijkt nog steeds op te gaan. De eerste processor van Intel, de
4004 uit 1971, bevatte 2250 transistoren. De Pentium-processor uit 1993 bevatte 3,1 miljoen
transistoren terwijl de in 2000 ontworpen Pentium 4 over maar liefst 42 miljoen transistoren
beschikte (zie Figuur 2.1).
Figuur 2.1: Aantal transistors per processor
100
Pentium 4
Pentium III
Miljoenen
10
Pentium II
Pentium
1
486 DX
386
0,1
286
8086
0,01
8080
4004
0,001
1965
1970
8008
1975
1980
1985
1990
1995
2000
2005
Jaar
Bron: Intel (2002)
Het eerste gedistribueerde computernetwerk werd in 1969 opgezet door het Amerikaanse
leger onder de naam Arpanet. In 1973 werd door de U.S. Defense Advanced Research
Projects Agency (DARPA) een onderzoeksproject gestart naar netwerktechnologieën. Het
netwerksysteem dat uit het onderzoek voortvloeide was een fusie van Arpanet en Milnet en
kreeg de naam "Internet". Het internetprotocol dat destijds werd geïntroduceerd, genaamd
TCP/IP, is anno 2002 nog steeds het dominante internetprotocol.
22
Hoofdstuk 2
2.5 Samenvatting
De doelstelling van dit hoofdstuk is het identificeren van doorbraaktechnologieën met het oog
op het vervolg van dit werkstuk, waarin de relatie tussen doorbraaktechnologieën en de
conjunctuurcyclus zal worden onderzocht. Omdat de literatuur geen eenduidige definitie van
een doorbraaktechnologie verschaft, is hier een definitie opgesteld. Deze luidt als volgt:
Een doorbraaktechnologie is een technologie die een groot potentieel biedt voor
verbetering, vele verschillende toepassingen kent op vele plaatsen in de economie,
uitgebreide innovationele complementariteiten heeft en geen afgeleide is van een
andere technologie.
Aan de hand van deze definitie zijn vijf doorbraaktechnologieën geïdentificeerd voor de
afgelopen 250 jaar, te weten de stoommachine, elektriciteit, de verbrandingsmotor, de
kunststoffen en informatie- en communicatietechnologie (ICT).
3 Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zullen een aantal theorieën met betrekking tot de relatie tussen
doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus (in reële termen) aan de orde worden
gesteld. Verscheidene theorieën belichten de rol van technologie(en) als de oorzaak van de
conjunctuurcyclus, de opwaartse en neerwaartse bewegingen van de economische activiteit
binnen een cyclus van ten hoogste ongeveer twaalf jaar. Zo beschouwen Schumpeter en de
"Real Business Cycle School" in hun conjunctuurtheorieën de technologische ontwikkeling als
de (belangrijkste) oorzaak van de conjunctuurbeweging. Doorbraaktechnologieën passen
echter op het eerste gezicht niet in een dergelijk raamwerk, omdat deze technologieën slechts
enkele malen in een eeuw ontstaan en meer een lange-termijninvloed uitoefenen. Daarom
bieden
zij
geen
verklaring
voor
iedere
op-
en
neergaande
beweging
binnen
een
conjunctuurcyclus, zoals minder belangrijke technologieën volgens bovengenoemde theorieën
wel doen. Doorbraaktechnologieën kunnen daarentegen wel worden verondersteld een
vergelijkbare rol te spelen binnen een lange golfbeweging, zoals de 40- tot 60-jarige
Kondratieff-cyclus.16 Een dergelijke golfbeweging heeft namelijk meer van doen met de
trendmatige
economische
arbeidsproductiviteit
dan
groei
met
en
daarmee
met
conjunctuurbewegingen.
de
Het
structurele
is
groei
tegenwoordig
van
de
tamelijk
gemeengoed dat deze lange-termijngrootheden invloed ondervinden van de komst van een
nieuwe doorbraaktechnologie.17
In Figuur 3.1 zijn de mogelijke economische effecten van een doorbraaktechnologie
weergegeven.
De
daadwerkelijke
economische
ontwikkeling
wordt
(schematisch)
weergegeven door achtereenvolgens de blauwe, rode en groene lijnen. Hierbij wordt
verondersteld dat de doorbraaktechnologie in het midden van de grafiek, bij de overgang van
de blauwe lijn naar de rode en groene lijnen, (een significante) economische invloed gaat
uitoefenen. Overigens is het niet noodzakelijk dat de rode en groene lijnen op hetzelfde
moment aanvangen.
16
J.A. Schumpeter (1939: p. 168-169); hij stelt dat "[the long wave] cannot be linked to a particular type of
innovations as against other types carried out during the same epoch, but is the result of all industrial and commercial
processes of that epoch." Deze industriële en commerciële processen zijn vergelijkbaar met de resultaten die
samengaan met en/of in gang worden gezet door doorbraaktechnologieën zoals deze in hoofdstuk 2 zijn gedefinieerd.
17
Zie voor kwantificering van de invloed van ICT op (de verschillende componenten van) de groei van de
arbeidsproductiviteit bijvoorbeeld R.J. Gordon (2002), D.W. Jorgenson M.S. Ho en K.J. Stiroh (2002) en S.D. Oliner en
D.E. Sichel (2002).
24
Hoofdstuk 3
Figuur 3.1: Een doorbraaktechnologie en de conjunctuur
trend
Referentieperiode
Verwachtingseffectenperiode
GPT-periode
De zwarte lijn geeft de ontwikkeling van het trendniveau aan. De effecten van een
doorbraaktechnologie op de trendmatige ontwikkeling worden in deze studie, op een korte
passage in paragraaf 4.3 na, niet nader behandeld. Een stijging van de trendmatige groei uit
zich in de grafiek in een op elk tijdstip hoger (en steiler) pad van het trendniveau.
De theoretische beschouwingen in dit hoofdstuk zijn voornamelijk gericht op de relatie
tussen doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus in het algemeen. Hierbij wordt een
tweetal
invloeden
onderscheiden.
doorbraaktechnologie
In
tot eenmalige
de
eerste
plaats
conjuncturele
kan
het
ontstaan
van
een
effecten (korte-termijnvraageffecten)
leiden. Zo kan een doorbraaktechnologie (wellicht irreële) verwachtingen wekken die tot
uitdrukking komen in de bestedingen van economische actoren. Deze korte-termijninvloed
van doorbraaktechnologieën op de conjunctuurcyclus, in Figuur 3.1 weergegeven door de
rode lijn, zal in paragraaf 3.2 worden besproken.
Eén van de verwachtingen die door een doorbraaktechnologie kan worden gewekt, is
dat
de
economie
niet
meer
onderhevig
is
aan
periodieke
schommelingen:
de
conjunctuurcyclus zou dood zijn. Als gevolg van de eerder genoemde toename van de
trendmatige groei kan het namelijk lijken alsof de opgaande conjuncturele fase langer duurt
en daarmee een stabieler verloop kent. Zo meende Fisher in oktober 1929 enkele dagen voor
de beurscrash dat "stock prices have reached what looks like a permanently high plateau".18
Terwijl in paragraaf 3.2 de eenmalige, kortstondige invloed van een doorbraaktechnologie op
de conjunctuurcyclus via verwachtingseffecten aan bod komt, zal de specifieke verwachting
met
betrekking
uitgewerkt.
tot
Daar
de
zal
"conjunctuur-is-dood"-these
dieper
worden
ingegaan
in
op
paragraaf
de
vraag
3.3
in
verder
worden
hoeverre
een
doorbraaktechnologie zal zorgen voor een structureel stabielere conjunctuurcyclus. In termen
van Figuur 3.1 wordt de ontwikkeling van de groene lijn vergeleken met de blauwe lijn.
18
R.J. Shiller (2000: p. 106).
25
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
3.2 Doorbraaktechnologieën en verwachtingen
Doorbraaktechnologieën hebben, zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, een grote invloed op de
economie en de maatschappij. Deze invloed kan bijvoorbeeld tot uiting komen in een (forse)
toename van de groei van de arbeidsproductiviteit en de economische activiteit. In de
beginfase
van
deze
groeitoename
is
de
onzekerheid
omtrent
de
veranderde
arbeidsproductiviteitsontwikkeling moeilijk in te schatten, omdat de precieze mogelijkheden
van een nieuwe en baanbrekende technologie (positieve aanbodschok) onbekend zijn. De als
gevolg van deze technologie ontstane verwachtingen kunnen echter ook een positieve
vraagschok teweegbrengen, die vooruitloopt op de – nog ongewisse – realisatie van (het
grootste deel van) de
positieve aanbodschok. In deze
paragraaf zal bovenstaande
ontwikkeling nader worden belicht. In de eerste plaats zal daartoe in paragraaf 3.2.1 het tot
stand komen van dergelijke verwachtingen aan bod komen en vervolgens zal in paragraaf
3.2.2 de invloed van deze verwachtingen op de reële economie worden besproken.
3.2.1 Verwachtingen als gevolg van een nieuwe doorbraaktechnologie
Een nieuwe doorbraaktechnologie kan, zoals eerder is aangegeven, via verwachtingseffecten
inwerken
op
de
conjunctuurcyclus.
De
verwachtingen
die
als
gevolg
van
een
doorbraaktechnologie tot stand kunnen komen, worden in deze paragraaf nader belicht.
Shiller (2000) beschrijft verscheidene oorzaken van de speculative bubble (als gevolg
van irrational exuberance – irrationele uitbundigheid) op de aandelenbeurzen in de tweede
helft van de jaren '90 en bespreekt deze tevens in een historisch perspectief. Hij noemt
daarbij "new era economic thinking" als één van deze oorzaken: "stock market expansions
have often been associated with popular perceptions that the future is brighter or less
uncertain than it was in the past. The term "new era" has periodically been used to describe
these times."19 Shiller stelt dat de new era-theorieën in het algemeen ontstaan als reactie op
een moeilijk verklaarbare hausse op de aandelenbeurzen. Het opkomen van dergelijke
theorieën zal vervolgens de ontwikkelingen op de beurzen versterken en een eventuele
bubble verder opblazen. Het feit dat new era-theorieën vooral tot stand komen in samenspel
met een aandelenhausse verklaart hij door te wijzen op het verschijnsel dat stijgingen op de
aandelenbeurzen meer in het oog springen bij het grote publiek dan bijvoorbeeld een
toename van de BBP-groei. In tegenspraak met Shillers stelling dat new era economic
thinking pas ná deze koersstijgingen tot stand komt, kan de initiële stijging van de
beurskoersen – zeer wel gebaseerd zijn op new era economic thinking. De professionals die
op de beurs actief zijn, kunnen deze (optimistische) opvattingen namelijk in hun gedrag en
inschattingen van de winstgevendheid van bedrijven tot uiting doen komen.
Shiller beschrijft een viertal perioden waarin sprake was van new era economic thinking.
Allereerst beschouwt hij (de jaren rond) 1901 en vervolgens de jaren '20. Verder gaat hij in
19
R.J. Shiller (2000: p. 96).
26
Hoofdstuk 3
op het optimisme van de jaren '50 en '60 en ten slotte bespreekt hij de bull market van de
jaren '90. Deze perioden komen duidelijk naar voren in Figuur 3.2, die de ontwikkeling van de
koers-winstverhouding van de S&P-index weergeeft.
Figuur 3.2: Koers-winstverhouding S&P Composite Index
Koers-winstverhouding
45
40
35
30
25
20
15
10
5
0
1881
1891
1901
1911
1921
1931
1941
1951
1961
1971
1981
1991
2001
Jaar
Bron: R.J. Shiller (2002).
In 1901 bereikte de gemiddelde koers-winstverhouding van de S&P Composite Index een top
van 25,2, maar liefst 43% hoger dan een jaar eerder. In juni 1920 hadden de beurskoersen
echter weer ongeveer 67% van hun reële waarde verloren. De grootste daling vond plaats in
de jaren 1915-1920 (ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, hoewel de Verenigde Staten daarin
geen actieve rol speelden). In september 1929 bereikte de gemiddelde koers-winstverhouding
vervolgens opnieuw een piek, met een hoogste waarde van 32,6. In drie jaar tijd verloor de
S&P-index vervolgens maar liefst 80,6% van zijn reële waarde. Pas in december 1958 zou de
piek van 1929 (in reële termen) weer worden geëvenaard. De derde top werd in januari 1966
bereikt, waarbij de koers-winstverhouding toenam tot 24,1. Na enkele jaren werd weer een
daling ingezet, waarna in december 1974 het dieptepunt werd bereikt (56% lager dan de top
in 1966). Pas in mei 1992 werd de top van 1966 weer geëvenaard. Uit dit historisch overzicht
blijkt ook de hoge koers-winstverhouding tijdens de ICT-bubble. In december 1999 werd de
meest recente piek bereikt, waarbij deze verhouding op 44,2 uitkwam, veel hoger dan
eerdere toppen.
Shiller noemt bij elke van de genoemde perioden technologieën als onderdeel van het
new era economic thinking. Het jaar 1901 haalt hij aan als een jaar waarin sprake was van
een groot optimisme over de toekomstige technologische vooruitgang. Shiller citeert hierbij
een artikel uit de Boston Post van Nieuwjaarsdag 1901, waarin wordt gesteld dat "trains [will
be] running at 150 miles per hour, … newspaper publishers will press the buttons and
automotive machinery will do the rest, … phonographs salesmen will sell goods in the big
stores while automatic hands will make change."20 In de jaren '20 werd het optimisme gevoed
door
20
de
wijde
verspreiding
R.J. Shiller (2000: p. 100).
van
belangrijke
technologieën
als
elektriciteit
en
de
27
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
verbrandingsmotor. Daarnaast beschouwt hij de ontwikkeling van de radio21 als een
belangrijke factor in deze beurshausse. Televisie speelde een vergelijkbare rol in de jaren '50
en '60 en de auteur noemt internet als de technologie die in de jaren '90 zorgde voor new era
economic thinking. Overigens noemt Shiller bij iedere periode nog meerdere andere factoren
die bijdroegen aan het new era economic thinking, zoals new century optimism (1901 en
jaren '90), een sterk groeiende belangstelling voor aandelen(beurzen), betere planning door
ondernemingen, een beter macro-economisch beleid en de baby boom (jaren '50/'60 (hogere
bestedingen in verband met grotere gezinnen) en '90 (veel personen tussen 35 en 55 die veel
geld besteden aan zowel goederen als aandelen)).22
Zoals de term new era economic thinking al aangeeft, werd verondersteld dat onder invloed
van (onder andere) de bovengenoemde factoren een nieuw tijdperk was aangebroken. Men
verwachtte dat de toekomst onder invloed van deze factoren wezenlijk anders (en beter) zou
zijn dan het verleden. Hiermee zouden de hoge beurskoersen verklaarbaar en rationeel zijn.
Het nieuwe tijdperk zou bijvoorbeeld worden gekenmerkt door een hogere (trendmatige) en
stabielere economische groei dan voorheen. Deze hogere trendmatige groei was dan te
verklaren door de structureel hogere groei van de arbeidsproductiviteit, een ontwikkeling die
op haar beurt werd toegeschreven aan de genoemde technologieën.
De verwachtingen die bij mensen bestaan, kunnen evenwel irreëel zijn. New era
economic thinking komt in het algemeen op in tijden van ingrijpende en positieve
veranderingen. Deze overgang naar een nieuwe situatie schept een verwachtingspatroon,
maar vanwege de omvang van de veranderingen en de daarmee samengaande grotere
onzekerheid is moeilijk in te schatten hoe groot de effecten daadwerkelijk zullen zijn en in
hoeverre de veranderingen structureel van aard zijn. Voorts heeft het publiek de neiging –
mede onder invloed van media en financiële analisten – om in een dergelijke situatie eerder
té optimistisch dan té pessimistisch te zijn over de huidige en de te verwachten toekomstige
ontwikkelingen. Zo stelt Greenspan (2002): "But as history attests, investors then too often
exaggerate the extent of the improvement in economic fundamentals."23 Té optimistische
verwachtingen kunnen
een zogenaamde asset price
bubble tot gevolg hebben. De
beurswaarde van een onderneming (beurskoers maal aantal uitstaande aandelen) behoort
volgens de theorie gelijk te zijn aan de verdisconteerde verwachte toekomstige winst van de
onderneming. Wanneer de toekomstige winstontwikkeling te rooskleurig wordt ingeschat,
zullen de aandelen te hoog worden gewaardeerd, zodat de koers-winstverhouding toeneemt
(zie Figuur 3.2). In het geval van een nieuwe (doorbraak)technologie zal dit proces met name
van toepassing zijn op de aandelen van bedrijven die (sterk) van deze technologie gebruik
maken. Om de hoge koersen te rechtvaardigen, worden vervolgens onorthodoxe argumenten
21
Radio is – evenals televisie – een techniek die in deze studie wordt gezien als voortbordurend op de introductie van
elektriciteit.
22
Zie R.J. Shiller (2000: p. 99-114) voor meer factoren van new era economic thinking in de genoemde perioden.
23
A. Greenspan (2002: p. 4).
28
Hoofdstuk 3
niet geschuwd. Zo werd door nieuwe-economie-aanhangers in de jaren '90 bijvoorbeeld
gesteld dat "in this new world of rapid technological change, old methods of share valuation
have become irrelevant."24
Een
bubble
kan
een
eigen
dynamiek
ontlokken,
waarbij
deze
door
rationele
overwegingen verder wordt opgeblazen. Gegeven het heersend optimisme is het, ondanks de
overwaardering, zeer goed mogelijk dat het kopen van meer aandelen (hoge) koerswinst
genereert. Dit kan worden verklaard met behulp van de "greater fool"-theorie. Volgens deze
theorie onderkennen de meeste beleggers wel degelijk dat (bepaalde) aandelen (veel) te duur
zijn, maar besluiten zij die aandelen toch te kopen, in de verwachting dat er altijd wel een
greater fool (dan zij zelf) zal zijn, die nog meer voor de aandelen wil betalen. Dit drijft de
beurskoersen echter verder op. Reeds in 1983 beschreef Dornbusch deze theorie: "A bubble
exists when holders of an asset realize that the asset is overpriced but are nevertheless
willing to hold it, since they believe there is only a limited risk of a price collapse during a
given holding period; therefore, asset holders expect to be able to sell eventually at a price
that will provide them with sufficient capital gains to compensate them for running the risk of
a collapse."25
Aangezien de fundamentele waarde van een aandeel onmogelijk (exact) is vast te
stellen, kan een dergelijke overwaardering langere tijd blijven bestaan. Het risico van een
(abrupte en forse) marktcorrectie stijgt echter wel met het verstrijken van de tijd en het
toenemen van de overwaardering. Greenspan (2002) merkt in dit verband het volgende op.
"Certainly, a bubble cannot persist indefinitely. Eventually, unrealistic expectations of future
earnings will be proven wrong. As this happens, asset prices will gravitate back to levels that
are in line with a sustainable path for earnings."26 In dergelijke situaties is echter vaak
opnieuw sprake van een neiging tot overreactie, waarbij overdreven optimisme omslaat in
overdreven pessimisme. Het belang van beurskoersen voor de reële economie impliceert wel
dat een forse marktcorrectie ook de reële economie negatief zal beïnvloeden. Een dergelijke
overgang van een overdreven optimisme naar een overdreven pessimisme met negatieve
overloopeffecten naar de reële economie heeft bijvoorbeeld bij de neergang na het barsten
van de ICT-bubble een rol gespeeld. In de volgende paragraaf zal onder andere deze relatie
tussen beurskoersen en de reële economie aan bod komen.
3.2.2 Verwachtingen en de reële economie
De optimistische verwachtingen als gevolg van een nieuwe (doorbraak)technologie werken op
verschillende manieren in op de economie. In de eerste plaats leidt de verwachting dat het
inkomen in de toekomst significant en structureel hoger zal liggen dan in het heden tot een
intertemporeel substitutie-effect. Het verwachte hogere inkomen in de toekomst leidt reeds in
24
The Economist (2000: p. 21).
25
R. Dornbusch (1983: p. 20); de term "greater fool" wordt door hem overigens niet genoemd.
26
A. Greenspan (2002: p. 4).
29
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
het heden tot hogere consumptieve bestedingen. Dit kan worden verklaard met behulp van de
"Life Cycle Hypothesis of Saving" van Modigliani en Brumberg. Deze hypothese wordt door
Modigliani (1986) kernachtig samengevat, wanneer hij stelt dat "the resources that a
representative consumer allocates to consumption at any age, t, will depend only on his life
resources (the present value of labour income plus bequests received, if any) and not at all on
income accruing currently."27 Wanneer het verwachte toekomstige inkomen stijgt, zullen de
life resources toenemen, waardoor in het heden meer kan worden geconsumeerd. Bij de
investeringen is de werking van een vergelijkbaar effect mogelijk. De positieve verwachtingen
ten aanzien van de toekomst betreffen onder andere dat het verwachte reële rendement van
investeringen
is
gestegen.
ondernemingen
hun
Om
te
profiteren
investeringen
van
uit,
de
met
(op
hogere
rentabiliteit,
termijn)
een
breiden
grotere
kapitaalgoederenvoorraad en productiecapaciteit tot gevolg.
Vervolgens zijn er twee effecten die via de beurskoersen (en andere activaprijzen)
werken.28 Optimistische verwachtingen zullen leiden tot een stijging van de beurskoersen. Als
gevolg
van
deze
stijging
zal
het
vermogen
van
consumenten
toenemen
en
via
vermogenseffecten zullen de consumptieve bestedingen stijgen. Aan het einde van de jaren
'90 werd in verschillende onderzoeken de elasticiteit van de consumptieve bestedingen ten
aanzien van de net stock market wealth in de Verenigde Staten geschat op 0,03 tot 0,07. Dit
impliceert dat van iedere verdiende dollar op de beurs ongeveer 3 tot 7 dollarcent werd
geconsumeerd.29 Overigens dient hierbij te worden opgemerkt dat deze effecten bij eerdere
doorbraaktechnologieën geringer zullen zijn geweest. Het aandelenbezit van het publiek was
destijds namelijk aanzienlijk kleiner. Het tweede effect dat via de beurskoersen werkt, is het
zogenaamde cost-of-capital channel. Een stijging van de beurskoersen zorgt voor een grotere
waarde van Tobin's Q.30 Hierdoor wordt het voor ondernemingen aantrekkelijker (goedkoper,
de cost of capital daalt) om te investeren, waardoor de kapitaalgoederenvoorraad en de
productiecapaciteit zullen toenemen.
Ten slotte kunnen verwachtingen ook een invloed uitoefenen op de reële economie via
de omvang van de kredieten. In optimistische tijden zullen banken bereid zijn meer krediet te
verschaffen en de kredietvoorwaarden te versoepelen. Zij schatten namelijk de toekomstige
winsten
en
inkomens
hoger
in,
zodat
de
terugbetaalcapaciteit
van
de
potentiële
kredietnemers eveneens hoger wordt geraamd. Bovendien neemt de waarde van de activa op
de bankbalans toe, waardoor de solvabiliteit verbetert. Dientengevolge zijn de banken in staat
meer
kredieten
te
verstrekken
en
desondanks
toch
te
voldoen
aan
de
minimum
solvatibiliteitseis van de toezichthouder. Door de toenemende kredietverstrekking en de
27
F. Modigliani (1986: p. 299).
28
Hier zal de invloed worden besproken van een toename van de beurskoersen op de reële economie. Een daling van
de beurskoersen heeft een tegengestelde invloed, waardoor de beschrijving in deze paragraaf tevens van toepassing is
op de marktcorrectie waaraan in paragraaf 3.2.1 werd gerefereerd.
29
30
International Monetary Fund (2000: p. 98); dit vermogenseffect werkt na één tot drie jaar.
Tobin's Q is gelijk aan het quotiënt van de marktwaarde van de activa (de marktkapitalisatie of beurswaarde) en de
vervangingswaarde van de activa. Een quotiënt groter dan één betekent dat investeringen aantrekkelijk zijn, omdat de
marktwaarde van de activa dan groter is dan de prijs die de onderneming voor nieuwe kapitaalgoederen moet betalen.
30
Hoofdstuk 3
versoepelde voorwaarden zullen zowel de consumptieve bestedingen als de particuliere
investeringen stijgen. Daarnaast speelt het "financiële-acceleratoreffect" (ook wel "balance
sheet channel" genoemd)31 een rol. Als gevolg van het toegenomen optimisme ten aanzien
van de toekomst zullen de activaprijzen stijgen. Dit impliceert een toename van de waarde
van de activa op de balans van ondernemingen, waardoor de agency-kosten en de
risicopremie dalen. Vervolgens zal de bereidheid van banken om krediet te verstrekken
toenemen, hetgeen zich zal uiten in soepelere kredietvoorwaarden en ruimere kredieten,
waardoor de economische opgang wordt versterkt.
Samenvattend kan worden gesteld dat de optimistische verwachtingen ten aanzien van de
toekomst zullen leiden tot zowel een toename van de macro-economische bestedingen als een
stijging van de productiecapaciteit. De vraag welke van beide het eerst en/of het sterkst zal
optreden is van groot belang voor het monetaire beleid en hierop zal in hoofdstuk 5, waar het
monetaire beleid centraal staat, dieper worden ingegaan. Een eventuele asset price bubble en
de daarmee samengaande excessieve bestedingsontwikkelingen vergroten de volatiliteit. In
eerste instantie wordt door de opwaartse invloed van een bubble op de bestedingen namelijk
de opwaartse conjunctuurbeweging versneld en vergroot. Wanneer op een gegeven moment
de zeepbel barst, zal, zoals eerder is aangegeven, de neiging bestaan tot een neerwaartse
overreactie. De reële economie zal hierdoor ook neerwaarts worden beïnvloed. Op deze wijze
kunnen verwachtingseffecten zorgen voor een – kortstondige – toename van de conjuncturele
volatiliteit. Dit correspondeert met de grotere uitslagen van de rode lijn in Figuur 3.1 in
vergelijking met de blauwe en groene lijnen.
3.3 De stabiliteit van de conjunctuurcyclus
In deze paragraaf zal de relatie tussen doorbraaktechnologieën en de structurele stabiliteit
van de conjunctuurcyclus worden belicht. Eén van de verwachtingen die namelijk bij new era
economic thinking kunnen ontstaan, is dat de economie zich veel stabieler zal gaan
ontwikkelen. Op meerdere momenten in de geschiedenis is zelfs gesteld dat de conjunctuur
"dood" zou zijn.
3.3.1 Is de conjunctuur dood?
In de inleiding van dit hoofdstuk is reeds aandacht besteed aan de uitspraak van Fisher in
oktober 1929, dat de aandelenprijzen permanent op het bereikte hoge niveau zouden blijven.
Wanneer dit letterlijk wordt geïnterpreteerd, stelt Fisher eigenlijk dat de conjunctuur dood is:
de ontwikkeling van de economie is volkomen stabiel (er bestaat geen cyclische ontwikkeling
meer). Het is echter onwaarschijnlijk dat deze uitspraak zo letterlijk mag worden
31
Dit "financiële-acceleratoreffect" is afkomstig uit de theorie over de rol van het zogenaamde kredietkanaal in de
monetaire transmissie. Zie B.S. Bernanke en M. Gertler (1995), M. Gertler en S. Gilchrist (1993) en J.J. Sijben (1997).
31
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
geïnterpreteerd en dat hij economische schommelingen (geheel) heeft willen uitsluiten. Hij zal
namelijk hebben beoogd aan te geven dat de beurskoersen – ondanks de hoge koerswinstverhoudingen – niet overgewaardeerd waren. Dit wordt geïllustreerd door een andere
uitspraak van Fisher uit september 1929: "Stock prices are not too high and Wall Street will
not experience anything in the nature of a crash."32
In 1967 werd in Londen een conferentie georganiseerd met de titel "Is the Business
Cycle Obsolete?". Bij deze conferentie ging het om "the possible obsolescence of the 10-year
business cycle and the various patterns of long-and-short-term fluctuations that have
characterized capitalistic economic life."33 In de eerste paper uit de bundel van deze
conferentie geeft Gordon (1967) aan dat de vraag uit de titel van de conferentie niet al te
letterlijk diende te worden genomen. "What was obsolete, most economists believed, was not
the business cycle in any form, but serious depressions," aldus Gordon.34
In de jaren '90 zijn opnieuw uitspraken gedaan waarin wordt beweerd dat de
conjunctuurcyclus dood zou zijn. Een "flitsende" titel als "The End of the Business Cycle?"
refereert daar direct aan. Het onderwerp dat echter in het desbetreffende artikel door Weber
(1997) wordt behandeld is "the dampening of the business cycle" en daarmee minder
extreem dan de titel doet vermoeden. Hij stelt dat "those fundamental forces of the business
cycle have not gone away. They will, however, be less important in a more flexible and
adaptive economy that adjusts to shocks more easily and with less propensity for sparking a
new cycle."35 Uit het voorgaande komt naar voren dat in het verleden (in het algemeen) niet
letterlijk sprake is geweest van (serieuze) claims dat de conjunctuur dood zou zijn. Het betrof
namelijk de meer genuanceerde stelling dat de economische ontwikkeling stabieler zou zijn
geworden. In paragraaf 3.3.2 zal hierop dieper worden ingegaan.
3.3.2 Doorbraaktechnologieën en de stabiliteit van de conjunctuurcyclus
Doorbraaktechnologieën hebben het potentieel om een stabiliserende invloed op de
conjunctuurcyclus
uit
te
oefenen.
Vanwege
bepaalde
–
overigens
meestal
technologiespecifieke – kenmerken hebben deze technologieën namelijk het vermogen om bij
te dragen aan een flexibilisering van de productie. Als gevolg hiervan kan het aanbod beter
worden afgestemd op de vraag. Doordat de discrepanties tussen vraag en aanbod
dientengevolge zowel minder snel en vaak zullen optreden als kleiner zullen zijn, zal de
volatiliteit van de economische ontwikkeling worden gedempt. Hierbij dient wel te worden
aangetekend dat een flexibelere productie vooral stabiliserend zal werken in de opgang van
de conjunctuur. Een door een dalende vraag geïnduceerde neergang kan juist sneller en
scherper verlopen als gevolg van een flexibelere productie. Wanneer de vraag daalt, zijn
32
G. Pavanelli (2001: p. 5); het oorspronkelijke citaat is afkomstig uit de New York Times van 5 september 1929.
33
M. Bronfenbrenner (1969: p. v).
34
R.A. Gordon (1969: p. 4).
35
S. Weber (1997: p. 71).
32
Hoofdstuk 3
producenten namelijk gemakkelijker in staat om hun productie neerwaarts aan te passen,
zodat hun inkoopvraag ook sneller zal afnemen. Tevens zal de werkgelegenheid als gevolg
van de inkrimping van de productie afnemen, hetgeen de consumptieve bestedingen (verder)
zal afremmen. In het vervolg van deze paragraaf zullen de specifieke flexibiliserende
eigenschappen van de geselecteerde doorbraaktechnologieën nader worden belicht.
De stoommachine zorgde, zoals reeds in hoofdstuk 2 is gesteld, voor een flexibilisering van de
productie. In de eerste plaats kon zij meer energie leveren dan de krachtbronnen die
voorheen beschikbaar waren. Hierdoor konden sommige werkzaamheden (gemakkelijker)
worden uitgevoerd (denk bijvoorbeeld aan het leegpompen van de kolenmijnen). Daarnaast
was men voor de energievoorziening niet langer gebonden aan de voorwaarde van de
nabijheid van stromend water, zoals dat bij het waterrad nog het geval was. Tevens was de
stoommachine een betere krachtbron voor transportmiddelen dan de krachtbronnen die
eerder beschikbaar waren.
Elektriciteit (in de vorm van de elektromotor) was een flexibelere krachtbron dan de
stoommachine,
waardoor
een
verdere
flexibilisering
van
de
productie
kon
worden
bewerkstelligd. Elektromotoren konden meer energie leveren dan een stoommachine van
dezelfde omvang. Door de geringere omvang stelde de krachtbron minder eisen aan de
inrichting van de productie-omgeving. Bovendien kon de opgewekte energie over grote
afstanden worden getransporteerd, hetgeen de locatie-afhankelijkheid nog verder deed
afnemen.
De verbrandingsmotor, evenals de elektromotor een krachtbron die met een relatief
kleine omvang een aanzienlijk vermogen kon leveren, vond zijn belangrijkste toepassing in
vervoermiddelen. Zo worden de automobiel en het vliegtuig aangedreven door een of meer
verbrandingsmotoren. Met behulp van deze nieuwe vervoermiddelen werd het transport van
zowel personen als goederen vele malen flexibeler, gemakkelijker en sneller. Dit had een
flexibilisering van de productie tot gevolg.
Ook de kunststoffen beschikten over het potentieel om bij te dragen aan een vergroting
van de stabiliteit van de conjunctuur via een flexibilisering van de productie. In de eerste
plaats was dit te danken aan de flexibiliteit van het productieproces van de kunststoffen zelf.
Door de karakteristieken van dit proces was namelijk zeer gemakkelijk over te schakelen naar
een ander product (met zowel een andere vorm als een andere samenstelling). Tevens
vergemakkelijkten de kunststoffen de productie en het gebruik van andere producten. Hierbij
moet worden gedacht aan de veelheid van mogelijke vormen en andere kenmerken die
kunststoffen kunnen hebben. Zo zijn kunststoffen goede elektrische isolatoren, waardoor
elektrische stroom beter hanteerbaar werd.
Tot slot heeft ook ICT eigenschappen die de flexibiliteit van de productie en daarmee de
stabiliteit van de conjunctuurcyclus kunnen verhogen. Zo wordt vaak gesproken van een
verbetering van het voorraadmanagement die als gevolg van het gebruik van ICT zou hebben
plaatsgevonden. In wezen stoelt deze verbetering van het voorraadmanagement op een
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: theorie
33
flexibilisering van de productie en de daarmee samengaande betere afstemming van het
aanbod op de vraag. Volgens het IMF (2001) kan ICT op ten minste twee manieren bijdragen
aan deze verbetering van het voorraadmanagement. In de eerste plaats kan de kwaliteit van
de door ondernemingen gebruikte informatie en de snelheid waarmee zij die informatie
ontvangen, worden verhoogd. Daarnaast kunnen kapitaalgoederen met behulp van "computer
aided design" ("CAD") sneller en gemakkelijker worden geproduceerd. Hierdoor worden de
insteltijden van machines verkort en kan de stimulans om grote hoeveelheden te produceren
worden verkleind. Gemakkelijker en dus goedkoper design verlaagt namelijk de vaste kosten.
Het zijn deze vaste kosten die het produceren van grote hoeveelheden aantrekkelijk c.q.
noodzakelijk maken. Het is echter wel de vraag in hoeverre deze theoretische mogelijkheid in
de praktijk opgeld doet. Verder kunnen voorraden kleiner worden gehouden, omdat ICT het
mogelijk maakt inkooporders sneller af te stemmen op de verkoopontwikkelingen. Op deze
wijze kunnen kleinere voorraden worden aangehouden en kunnen onverkochte voorraden
efficiënter worden gebruikt als buffer tegen schommelingen in de verkopen.
Het IMF plaatst echter ook enkele kanttekeningen bij de invloed van een efficiënter
voorraadmanagement. In de eerste plaats kan – in overeenstemming met de eerder in deze
paragraaf geplaatste kanttekening bij de stabiliserende werking van een flexibilisering van de
productie – de hogere reactiesnelheid van ondernemingen ook leiden tot een toename van de
volatiliteit van het bbp. Wanneer de vraag afneemt, kunnen zij namelijk de productie snel
verlagen, hetgeen de bestedingen nog sneller en verder zal doen dalen. Enerzijds zal de
productieverlaging namelijk leiden tot een afname van de inkoopvraag (naar halffabrikaten en
grondstoffen) van de ondernemingen en anderzijds zal de werkgelegenheid dalen. Bovendien
leidt de afnemende inkoopvraag tot het oplopen van de voorraden van andere bedrijven
(toeleveranciers), die vervolgens op dezelfde manier (kunnen) reageren. Zo is de neergang
na de ICT-bubble mede veroorzaakt door een sterk oplopen van de voorraden, waarna
ondernemingen hun productie sterk terugbrachten, hetgeen bovendien gepaard ging met vele
ontslagen. Zoals eerder is gesteld, is dit effect waarschijnlijk eerder van toepassing op de
neergaande fase van de conjunctuurcyclus dan op de opgaande fase.
Bovendien tekent het IMF aan dat de ervaringen van Japan in de jaren '90 erop duiden
dat de mogelijkheid om voorraden als buffer te gebruiken tegen schommelingen in de
verkopen niet zo zeer samenhangt met het voorraadmanagement. De voorraadinvesteringen
wogen namelijk in het genoemde decennium, ondanks een toenemend gebruik van ICT, niet
in dezelfde mate als voorheen op tegen schommelingen in de verkopen en de macroeconomische volatiliteit van de Japanse economie nam toe.36
36
International Monetary Fund (2001: p. 120-123).
34
Hoofdstuk 3
3.4 Samenvatting
In dit hoofdstuk is de relatie tussen doorbraaktechnologieën en de conjunctuur besproken. In
de eerste plaats is de korte-termijninvloed van deze technologieën besproken, die zich via
verwachtingseffecten manifesteert. Als gevolg van new era economic thinking (men is van
mening dat een nieuw tijdperk is aangebroken) worden de verwachtingen ten aanzien van de
toekomst positiever. Via verscheidene kanalen kunnen deze optimistische verwachtingen de
reële economie beïnvloeden, waarbij zowel de bestedingen als de productiecapaciteit een
opwaartse impuls krijgen. De timing van deze vraag- en aanbodeffecten is van groot belang
voor het monetaire beleid en in hoofdstuk 5 zal hierop dieper worden ingegaan. De
toegenomen onzekerheid en de menselijke neiging tot overoptimisme kunnen echter leiden
tot extreem positieve verwachtingen, waardoor een asset price bubble kan ontstaan. Met het
verstrijken van de tijd en het toenemen van de overwaardering van aandelen en andere
activa neemt de kans op een (abrupte en forse) marktcorrectie toe. Zoals van optimisme een
positieve invloed uitgaat op de reële economie, zal een dergelijke marktcorrectie – waarbij
eveneens sprake kan zijn van een (neerwaartse) overreactie – de reële economie negatief
beïnvloeden. Vanwege de in eerste instantie positieve en vervolgens negatieve invloed op de
reële economie van een asset price bubble zorgt een dergelijke zeepbel (op korte termijn)
voor een toename van de volatiliteit van de economie.
Doorbraaktechnologieën
kunnen
echter
ook
structureel
de
stabiliteit
van
de
conjunctuurcyclus beïnvloeden. Dergelijke technologieën hebben namelijk een positieve
invloed op de flexibiliteit van de productie. Daardoor kan het aanbod beter worden afgestemd
op de vraag. De volatiliteit van de economische ontwikkeling zal vervolgens afnemen doordat
discrepanties tussen vraag en aanbod minder snel en vaak zullen optreden. Bovendien zullen
deze discrepanties kleiner worden. Overigens zullen deze stabiliserende effecten vooral in de
opgang van de economie tot uiting komen. In het geval van een neergang zal een meer
flexibele productie namelijk ertoe leiden dat producenten hun aanbod sneller aanpassen aan
de gedaalde vraag. Hierdoor wordt het effect van die vraagafname versneld en versterkt. De
inkrimping van de productie zal namelijk leiden tot een verdere afname van de vraag naar
grondstoffen en halffabrikaten. Bovendien zal de werkgelegenheid afnemen met een (verdere)
daling van de consumptieve bestedingen tot gevolg.
4 Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
4.1 Inleiding
Zoals in paragraaf 3.3 is aangegeven, is in het verleden meermalen beweerd dat de
conjunctuurcyclus stabieler is geworden. In dit hoofdstuk zal aan de hand van data voor de
Verenigde Staten worden onderzocht in hoeverre de stabiliteit van de conjunctuurcyclus
structureel is veranderd ten gevolge van de komst van doorbraaktechnologieën. In termen
van Figuur 3.1 (zie het vorige hoofdstuk) zal derhalve worden onderzocht of de stabiliteit van
de groene lijn afwijkt van de blauwe lijn. Allereerst zal hiertoe in paragraaf 4.2 de empirische
methodiek worden beschreven die in dit hoofdstuk wordt gehanteerd. In de daaropvolgende
paragraaf worden gegevens gepresenteerd met betrekking tot de maatschappelijke invloed
van doorbraaktechnologieën ten behoeve van de empirische analyse van de ontwikkeling van
de stabiliteit van de conjunctuurcyclus die in paragraaf 4.4 is opgenomen. Hierbij wordt
tevens ingegaan op de gerelateerde empirische literatuur. Paragraaf 4.5 besluit met een
samenvatting.
4.2 Empirische methodiek
De conjunctuurcyclus is de ontwikkeling van de (geaggregeerde) economische activiteit
gedurende een bepaalde periode, rondom een trend. Er bestaat echter geen consensus
omtrent de keuze van variabele(n), die deze geaggregeerde economische activiteit weergeeft
(weergeven). Zo hanteert het Business Cycle Dating Committee van het National Bureau of
Economic Research (NBER) een mix van vier variabelen, te weten de werkgelegenheid, het
reëel persoonlijk inkomen minus overdrachten, de reële verkopen van de verwerkende
industrie en de groot- en detailhandel en ten slotte de industriële productie. Aan de hand van
het totaalbeeld van deze indicatoren stelt het comité (vaak met een zeer lange vertraging)
vast wanneer er een piek (en de aanvang van een recessie) dan wel een dal (en de start van
een expansie) van de economische activiteit is opgetreden.37 Veelal wordt echter voor het
bepalen van de conjunctuurcyclus het reële bruto binnenlands product (het reële bbp)
gehanteerd. Een recessie wordt dan in het algemeen gedefinieerd als twee opeenvolgende
kwartalen van negatieve kwartaal-op-kwartaalgroei. Beide methoden leiden vaak, maar niet
noodzakelijkerwijs altijd, tot dezelfde conclusie.
In deze studie is gekozen voor het reële bbp en de industriële productie als indicatoren
van de conjunctuurcyclus.38 De ontwikkeling van de industriële productie vertoont veel
gelijkenis met die van het reële bbp. Het gebruik van de industriële productie vergt
37
National Bureau of Economic Research Business Cycle Dating Committee (2002, p. 1-2). Zie voor meer informatie de
website: <www.nber.org/cycles/recessions.html>.
38
J.H. Stock en M.W. Watson (1999: p. 15) merken in dit verband op: "Although the business cycle technically is
defined by comovements across many sectors and series, fluctuations in aggregate output are at the core of the
business cycle so the cyclical component of real GDP is a useful proxy for the overall business cycle."
36
Hoofdstuk 4
desondanks enige uitleg. Immers, het aandeel van de verwerkende industrie is gedurende de
twintigste eeuw fors afgenomen. Deze sector blijkt evenwel nog steeds de belangrijkste bron
van cyclische volatiliteit te zijn. De industriële productie vertoont normaliter heviger
schommelingen dan het reële bbp, zodat zij een duidelijker beeld van de op- en neergangen
van de economische activiteit kan verschaffen.39 Een belangrijk voordeel van de industriële
productie is het feit dat deze als maandreeks beschikbaar is, terwijl het reële bbp slechts een
kwartaalreeks is. Nadeel van de industriële productie is dat de reeks in 1919 aanvangt, terwijl
de bbp-reeks voor de VS reeds in 1877 begint.
Om de invloed van de doorbraaktechnologieën op de conjunctuurcyclus te kunnen analyseren,
dienen de tijdstippen te worden geïdentificeerd waarop deze technologieën voldoende
belangrijk werden om een invloed te hebben op de economie.40 De invloed van een
technologie op het bbp of de industriële productie is echter niet (altijd) eenvoudig te
kwantificeren. Daarom zijn ook andere concepten gebruikt om de invloed van een
doorbraaktechnologie op de maatschappij weer te geven. Hier is gekozen voor het aandeel
van een technologie in bepaalde activiteiten.
Nadat
omslagpunten
zijn
geïdentificeerd,
worden
perioden
vóór
(de
41
"referentieperioden") en ná (de "GPT-perioden" ) deze omslagpunten met elkaar vergeleken.
Gezien de lengte van een cyclus (minimaal anderhalf jaar) is het weinig zinvol om daarbij
perioden van slechts enkele jaren te hanteren. Het aantal cycli is in een periode van een
dergelijke lengte namelijk te klein om zuivere resultaten te krijgen. Bovendien is het doel van
dit hoofdstuk het analyseren van structurele veranderingen van de stabiliteit van de
conjunctuurcyclus (de groene versus de blauwe lijn in Figuur 3.1). Het is echter niet goed
mogelijk om in de periode direct na het omslagpunt onderscheid te maken tussen de kortetermijnimpuls (rode lijn) en de lange-termijneffecten (groene lijn). Door een langere periode
te onderzoeken wordt het aandeel van de rode lijn in de totale ontwikkeling verkleind, zodat
de vergelijking tussen de groene en de blauwe lijn betrouwbaarder wordt. Als basisvariant
wordt voor zowel de referentieperioden als de GPT-perioden een periodelengte van dertig jaar
gehanteerd. Daarnaast is ter vergelijking een lengte van vijftien jaar onderzocht. De
vijftienjaars periode is bij ICT juist wel de basisvariant, omdat deze technologie zodanig
recent is dat de beschikbare GPT-periode duidelijk korter is dan dertig jaar.
Bij de analyse van de conjunctuurcyclus gaat het om de fluctuaties van macro-economische
variabelen rond een lange-termijntrend. Deze afwijkingen van de trend komen overeen met
de output gap. Het hanteren van dit zogenaamde groeicyclus-concept impliceert het
39
Zie B.H.J. Buitenkamp en M.C.J. van Rooij (2001: p. 587) voor meer informatie over de rol van de industrie in de
economie.
40
In het vervolg van deze studie zal worden gesproken van omslagpunten. Overigens is er in werkelijkheid uiteraard
geen eenduidig te bepalen "omslagpunt" waarop een doorbraaktechnologie voldoende belangrijk werd/wordt.
41
"GPT" is de afkorting van "general purpose technology", de Engelse term voor "doorbraaktechnologie" (zie hoofdstuk
2).
37
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
identificeren van de cyclische component van de datareeks. Hiertoe worden zowel de
trendmatige component als de seizoens- en erratische componenten uit de geaggregeerde
cijfers gefilterd. Voor dit doel kunnen verscheidene statistische methoden worden toegepast,
zoals het schatten van een lineaire trend in een voor seizoensinvloeden gecorrigeerde
cijferreeks of het toepassen van een filter zoals dat van Hodrick en Prescott.42
In dit werkstuk is gekozen voor het zogenaamde band-pass filter van Christiano en
Fitzgerald (1999).43 Een band-pass filter verwijdert alle datacomponenten die buiten een
gespecificeerde frequentieband vallen. Hierbij wordt aangenomen dat de totale beweging (y)
de
som
is
van
de
trend
(t),
de
conjunctuur
(c)
en
de
korte-termijnfluctuaties
(seizoensinvloeden en incidentele effecten, k), zodat geldt y = t + c + k. De trend heeft een
lage frequentie (een lange cyclus) en de korte-termijnfluctuaties hebben juist een hoge
frequentie (een korte cyclus). De frequentie van de conjunctuur bevindt zich hier tussenin.
Met het band-pass filter worden de trend en de korte-termijnfluctuaties verwijderd, zodat de
conjunctuurcyclus resteert. Hiertoe dienen de onder- en bovengrens te worden gespecificeerd
van de toe te laten cycluslengte. Stock en Watson (1999), Christiano en Fitzgerald (1999) en
Baxter en King (1999) gebruiken in hun analyses 1,5 jaar en 8 jaar als de grenzen van de
conjunctuurcyclus.44 In deze studie wordt nog een drietal andere specificaties van het filter
gehanteerd, namelijk 1,5-12 jaar, 3-8 jaar en 3-12 jaar. Deze varianten dienen als
vergelijkings- en toetsingsmateriaal ten behoeve van de basisvariant (1,5-8 jaar). Vervolgens
wordt de conjunctuurcyclus genormeerd door de cyclische waarde voor ieder kwartaal (bbp)
dan wel iedere maand (industriële productie) te delen door de trendwaarde (crel = c / t).
De centrale aandacht in deze studie gaat uit naar de stabiliteit (of volatiliteit) van de
conjunctuurcyclus, welke wordt opgevat als bestaande uit een tweetal componenten, te weten
de amplitude en de lengte van de cyclus. De amplitude is gelijk aan de grootte van de
uitslagen, terwijl de lengte van de cyclus het "spiegelbeeld" is van de frequentie, die een maat
is voor het aantal cycli (en derhalve het aantal pieken en dalen) in een bepaalde tijdspanne.
Een grotere amplitude impliceert een grotere volatiliteit en voor een hogere frequentie
(kleinere cycluslengte) geldt hetzelfde.
De amplitude wordt gemeten met behulp van de variantie van de output gap. Met een
standaard F-toets wordt vervolgens onderzocht of de variantie toe- of afneemt rondom het
begin van een doorbraaktechnologie. De voorwaarde van normaliteit, waaraan bij deze Ftoets moet zijn voldaan, wordt getoetst met behulp van de Kolmogorov-Smirnov-toets. Voor
42
Zie Canova (1998: p. 479-486) voor een overzicht van detrending-methoden.
43
L.J. Christiano en T.J. Fitzgerald (1999: p.1); zie p. 11-27 voor een vergelijking van hun filter met onder andere de
filters van Hodrick en Prescott en van Baxter en King. Christiano en Fitzgerald merken overigens op dat voor de
frequentie van de conjunctuurcyclus de uitkomsten voor de perioden van anderhalf jaar aan zowel het begin als het
einde van de reeks minder betrouwbaar zijn. Overigens geldt dit probleem ook voor de andere filtermethoden.
44
J.H. Stock en M.W. Watson (1999: p. 11), L.J. Christiano en T.J. Fitzgerald (1999: p. 5) en M. Baxter en R.G. King
(1999: p. 575).
38
Hoofdstuk 4
het bepalen van de lengte van de cyclus wordt de methode van Bry en Boschan (1971)45
gehanteerd. Deze methode komt neer op het bepalen van toppen en dalen, waarbij enkele
aanvullende voorwaarden worden opgelegd. In de eerste plaats dient ieder regime (expansie
of recessie) minimaal driekwart jaar te duren. Daarnaast dient de amplitude minimaal een
kwart van de standaarddeviatie te bedragen. Deze standaarddeviatie wordt vastgesteld aan
de hand van een voortschrijdende periode van twintig jaar. Bij ieder extremum (piek of dal)
wordt vervolgens bekeken hoeveel tijd deze vóór het volgende gelijksoortige extremum ligt.
Deze waarden (top-top en dal-dal) zijn per definitie gelijk aan de lengte van de cyclus en zij
worden per technologie gemiddeld. Ten slotte worden de veranderingen van de gemiddelde
cycluslengte op statistische significantie onderzocht. Gezien de kleine hoeveelheid gegevens
per periode, wordt hierbij gebruikgemaakt van de Mann-Whitney-toets46. Voorwaarde voor de
toepasbaarheid van deze toets is dat de steekproeven onafhankelijk zijn. Dit komt erop neer
dat verondersteld wordt dat de lengte van een cyclus onafhankelijk is van de lengte van
andere cycli.
4.3 De maatschappelijke invloed van doorbraaktechnologieën
Het bepalen van de perioden in het verleden waarin een doorbraaktechnologie voldoende
maatschappelijke invloed kreeg, brengt noodzakelijkerwijs enige subjectiviteit met zich mee.
Deze invloed wordt beoordeeld aan de hand van indicatoren die weergeven hoe wijdverbreid
de technologie wordt toegepast. Voor iedere technologie is in beginsel een scala van
indicatoren toepasbaar, waarbij deze indicatoren niet (geheel) hetzelfde verloop zullen
kennen. Daarnaast is het, met het oog op de beschikbaarheid van data en de verschillen
tussen de indicatoren, niet mogelijk om een algemene regel voor alle indicatoren op te stellen
(bijvoorbeeld één uniforme penetratiegraad47) voor iedere doorbraaktechnologie. In de
verschillende onderdelen van Figuur 4.1 wordt de maatschappelijke invloed van de
doorbraaktechnologieën weergegeven, welke vervolgens wordt gehanteerd om de perioden te
kiezen.
In 1753 werd reeds de eerste stoommachine in de Verenigde Staten in gebruik genomen. In
Figuur 4.1 (a) is de ontwikkeling van het gebruik van de stoommachine weergegeven met
behulp van het aandeel in de primaire krachtcapaciteit in de verwerkende industrie. Deze
grafiek begint echter pas in 1879, waardoor een belangrijk deel van de ontwikkeling van de
45
Zie Table 1 van G. Bry en C. Boschan (1971: p. 21); de specifieke voorwaarden die hier worden gesteld, zijn niet per
se exact dezelfde als in het werk van Bry en Boschan.
46
De Mann-Whitney-toets toetst of twee steekproeven afkomstig zijn uit populaties met een identieke verdeling, of dat
de verdeling van de ene populatie ten opzichte van de andere naar links of naar rechts is verschoven. Met behulp van
deze toets, die equivalent is aan de Wilcoxon-Rank-Sum-toets, kan derhalve worden getoetst of de gemiddelden van
twee populaties aan elkaar gelijk zijn. De belangrijkste reden om deze toets te gebruiken is gelegen in het feit dat geen
voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de verdeling van de populaties (zoals normaliteit). Daarom is deze toets
ook bij kleine steekproeven toepasbaar.
47
Bij sommige indicatoren is zelfs het begrip ‘penetratiegraad’ moeilijk hanteerbaar.
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
39
stoommachine ontbreekt. Er is echter wel te zien dat de stoommachine haar piek in de
verwerkende industrie rond de eeuwwisseling bereikte en enkele decennia later die positie
weer had verloren aan elektriciteit. Verder blijkt uit de grafiek dat de verbrandingsmotor nooit
van groot belang is geweest als krachtbron in fabrieken. In het treinvervoer bleef de
stoommachine echter nog lange tijd de enige krachtbron van betekenis. Pas in de vijftien jaar
na de Tweede Wereldoorlog werd de stoomlocomotief vervangen door de diesellocomotief (zie
Figuur 4.1 (b)). De opvallend geringe toepassing van elektrische locomotieven (in vergelijking
met de Nederlandse situatie) kan onder andere worden verklaard door de uitgestrektheid van
de Verenigde Staten (het aanleggen van vele kilometers stroomvoorziening is niet efficiënt)
en het kleinere aandeel van de trein in het personenvervoer. Waarschijnlijk ligt het
omslagpunt van de stoommachine in de periode 1860-1870. Het probleem is echter dat voor
de referentieperiode geen macro-economische data beschikbaar zijn. Derhalve zal de
stoommachine in het vervolg van deze studie niet of nauwelijks meer aan bod komen.
Elektriciteit nam de rol als belangrijkste krachtbron in de verwerkende industrie in het
begin van de jaren '20 over van de stoommachine (Figuur 4.1 (a)). In deze figuur zijn echter
alleen primaire elektrische motoren opgenomen. In Figuur 4.1 (c) wordt de ontwikkeling
hiervan vergeleken met de elektrificatie van de mechanische aandrijving, waar zowel primaire
als secundaire elektrische motoren deel van uitmaken.48 Uit beide figuren komt naar voren
dat de toepassing van elektriciteit vanaf 1905-1910 tot aan de Grote Depressie sterk toenam.
Het percentage woningen dat was aangesloten op het elektriciteitsnet49 vertoonde een
vergelijkbare ontwikkeling. Het belang van elektriciteit was rond 1915 op een voldoende hoog
niveau aangeland om dat jaar als omslagpunt te hanteren.
De toename van het gebruik van dieselmotoren na de Tweede Wereldoorlog kan niet
alleen worden waargenomen bij locomotieven (Figuur 4.1 (b)), maar ook bij andere
voertuigen, zoals shovels en graafmachines.50 De dieselmotor brak echter duidelijk later door
dan de benzinemotor, hetgeen blijkt uit het aantal registraties van motorvoertuigen per hoofd
van de bevolking (Figuur 4.1 (d)). Daarom geeft de ontwikkeling van de benzinemotor meer
informatie omtrent de ontwikkeling van de verbrandingsmotor dan de ontwikkeling van de
dieselmotor. In de figuur is duidelijk te zien dat het relatieve aantal registraties van auto's tot
aan het einde van de jaren '20 sterk toenam. Vervolgens zorgden de Grote Depressie en de
Tweede Wereldoorlog voor een meer gematigde ontwikkeling, waarna de groei wederom
toenam. Op basis van Figuur 4.1 (d) is gekozen voor 1920 als omslagpunt van de
verbrandingsmotor.
48
Primaire elektrische motoren worden gevoed met gekochte elektriciteit, terwijl secundaire elektrische motoren
gebruik maken van elektriciteit die binnen de fabriek is opgewekt.
49
Zie Table 3 van P.A. David (1991: p. 327).
50
Zie Figure 8.8 van S.H. Schurr, C.C. Burwell, W.D. Devine Jr. en S. Sonenblum (1990: p. 197).
40
Hoofdstuk 4
Figuur 4.1: De diffusie van de doorbraaktechnologieën
(a) Krachtbronnen in de verwerkende industrie
(b) Locomotieven in gebruik
100%
Aandeel in totaal aantal
locomotieven
Aandeel in primaire
krachtcapaciteit
100%
80%
60%
40%
20%
0%
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950
1960
1970
Stoomturbine
Waterwielen en -turbines
Primaire elektrische motoren
60%
40%
20%
0%
1910
Jaar
Stoommachine
80%
1950
1960
1970
1980
Elektrisch
Diesel
(d) Aantal registraties van motorvoertuigen per hoofd
van de bevolking
0,6
Aantal registraties per
hoofd
Aandeel in totaal*
1940
Stoom
100%
80%
60%
40%
20%
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950
1960
1970
Primaire elektrische motoren
0,5
0,4
0,3
0,2
0,1
0,0
1890
Jaar
1910
1920
1930
1940
1950
1960
1970
1980
Jaar
(f) Particuliere vaste investeringen in ICT-componenten
ten opzichte van het BBP
2,0
ICT-investeringen ten
opzichte van het BBP*
1,2
1,0
0,8
0,6
0,4
0,2
0,0
1950
1900
Mechanische aandrijving (zowel primaire als secundaire motoren)
(e) Relatieve industriële productie van synthetische
materialen
Relatieve* industriële
productie
1930
Jaar
(c) Het aandeel van elektriciteit in de primaire
krachtcapaciteit en in de mechanische aandrijving
0%
1870
1920
Verbrandingsmotor
1960
1970
1980
1990
Jaar
Synthetische Materialen
2000
1,5
1,0
0,5
0,0
1945
1955
1965
1975
1985
1995
2005
Jaar
Trend*
* Noten bij grafieken:
(c): aandeel in primaire krachtcapaciteit c.q. in totale mechanische aandrijving;
(e): de hoeveelheidsindex van de industriële productie van synthetische materialen is gedeeld door de
hoeveelheidsindex van de totale industriële productie (beide: 1992 = 100); de trend is een zesdegraads
polynoom;
(f): het hoeveelheidsindexcijfer van de particuliere vaste investeringen in information processing equipment and
software is gedeeld door het hoeveelheidsindexcijfer van het BBP (beide: 1996 = 100).
Bronnen:
(a) Table 1 van R.B. Du Boff (1966: p. 427); (b) Series Q295-Q298 van U.S. Bureau of the Census (1975: p. 727728); (c) Table 1 van R.B. Du Boff (1966: p. 427) en Table 3 van P.A. David (1991: p. 327); (d) Series Q152-Q155
van U.S. Bureau of the Census (1975: p. 716); (e) Tables 1 and 2, Federal Reserve Board (2002: SIC (Standard
Industrial Classification) 282); (f) Table 7.1 en Table 7.6, U.S. Bureau of Economic Analysis (2002).
In
Figuur
4.1
(e)
is
een
index
weergegeven
waarmee
de
ontwikkeling
van
de
hoeveelheidsindex van de industriële productie van synthetische materialen is gerelateerd aan
de hoeveelheidsindex van de totale industriële productie. Beide indexcijfers hebben 1992 als
basisjaar. De grafiek laat zien dat de industriële productie van synthetische materialen relatief
snel toenam tussen het begin van de jaren '60 en medio jaren '70. De gevolgen van de
oliecrises zijn in de figuur, met enige vertraging, duidelijk zichtbaar: rond 1975 en rond 1980
daalde de relatieve industriële productie van synthetische materialen fors. Omstreeks 1995 is
een – moeilijk verklaarbare – daling van de relatieve industriële productie van deze
materialen ingezet. Het omslagpunt voor de kunststoffen wordt gelegd in 1960.
41
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
In Figuur 4.1 (f) is de relatieve ontwikkeling van de investeringen in hard- en software
ten
opzichte
van
het
bbp
weergegeven.
In
beide
gevallen
gaat
het
om
hoeveelheidsindexcijfers met 1996 als basisjaar. Vanaf 1990 is in deze grafiek een acceleratie
waar te nemen, waarna in het begin van 2001 een abrupte neergang werd ingezet. Deze
plotselinge daling kan worden toegeschreven aan het einde van de ICT-hype. Als omslagpunt
van ICT is gekozen voor 1990. Hierbij dient te worden aangetekend dat intuïtief 1985 wellicht
als omslagpunt in aanmerking komt. De beroemde uitspraak van Solow – "you can see the
computer age everywhere but in the productivity statistics"51 – dateert bijvoorbeeld uit 1987.
Bij de bespreking van de resultaten zal op deze kwestie nader worden ingegaan door de
resultaten van omslagpunt 1985 te vergelijken met de resultaten van omslagpunt 1990.
In Figuur 4.2 is de keuze van het omslagpunt en de daaruit voortvloeiende GPT-periode voor
de vijf onderscheiden doorbraaktechnologieën nog eens samengevat.
Figuur 4.2: De GPT-periode per doorbraaktechnologie
Verbrandingsmotor
Stoommachine
ICT
Elektriciteit
1900
Kunststoffen
1950
2000
In Tabel 4.1 is de ontwikkeling van de gemiddelde trendmatige groei, die wordt gegenereerd
met
behulp
van
een
zogenaamd
low-pass
filter52,
voor
de
onderscheiden
doorbraaktechnologieën weergegeven. Hierbij is, zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven, een
onderscheid gemaakt tussen een referentieperiode (vóór het omslagpunt) en een GPT-periode
(ná het omslagpunt). Voor de lengte van deze perioden zijn de in paragraaf 4.2
aangekondigde waarden aangehouden: 30 jaar voor elektriciteit, de verbrandingsmotor en de
kunststoffen en 15 jaar voor ICT.
Tabel 4.1: De gemiddelde trendmatige groei
Omslagpunt
Referentieperiode
GPT-periode
Elektriciteit
1915
3,34
3,75
Verbrandingsmotor
1920
3,23
3,63
Kunststoffen
1960
4,27
3,30
ICT
1990
2,72
2,87
Noot: weergegeven is de gemiddelde procentuele trendmatige groei van het bbp over perioden van 30 jaar (met
uitzondering van ICT: 15 jaar).
Bron (originele data): N.S. Balke en R.J. Gordon (1986: p. 789-794) (1877-1928); Bureau of Economic Analysis
(http://www.bea.gov) (1929-heden).
51
52
R.M. Solow (1987: p. 36).
Een low-pass filter is sterk gerelateerd aan het in paragraaf 4.2 besproken band-pass filter. In het geval van een
low-pass filter worden de gegevens met een lage frequentie (hoge cycluslengte) door het filter toegelaten. Hier is, in
overeenstemming met de gehanteerde basisvariant van het band-pass filter, gekozen voor een grens van acht jaar.
42
Hoofdstuk 4
Uit de tabel blijkt dat, met uitzondering van kunststoffen, iedere technologie een – overigens
tamelijk bescheiden – toename van de trendmatige groei vertoont. Wanneer bij kunststoffen
naar vijftienjaars perioden wordt gekeken, verandert de waarde voor de GPT-periode
nauwelijks, maar de gemiddelde trendmatige groei voor de referentieperiode bedraagt dan
slechts 2,56%. Dit kan worden toegeschreven aan het tamelijk sterke en langgerekte herstel
na de Grote Depressie (hetgeen niet vreemd is, gezien de diepte van deze depressie), dat
door het filter als trendmatig wordt bestempeld. Daarnaast werd de economie in de 30 jaar na
het omslagpunt van de kunststoffen geteisterd door twee oliecrises. De opgang na de Grote
Depressie
speelt
uiteraard
bij
de
dertigjaars
perioden
van
elektriciteit
en
de
verbrandingsmotor ook een rol, maar de invloed hiervan wordt gecompenseerd door de
neergang van de Grote Depressie, die zich ook in deze perioden bevindt.
4.4 Empirische resultaten
De theoretische beschouwingen in het voorgaande hoofdstuk scheppen de verwachting dat
doorbraaktechnologieën een afname van de conjuncturele volatiliteit zullen veroorzaken als
gevolg van hun positieve invloed op de flexibiliteit van de productie. Hierdoor kan het aanbod
zich namelijk sneller en beter aanpassen aan de vraag en zullen minder snel destabiliserende
vraag- dan wel aanbodoverschotten ontstaan.
Bij het vergelijken van de conjunctuurbewegingen in verschillende perioden, zoals dat
verderop in dit hoofdstuk zal worden gedaan, moeten enkele kanttekeningen worden
geplaatst. Walsh (1999) geeft een aantal redenen waarom het vergelijken van de
conjunctuurcyclus over de tijd moeilijk is. In de eerste plaats is de kwaliteit van economische
gegevens in de afgelopen 100 jaar sterk verbeterd. Grotere meetfouten kunnen bijvoorbeeld
fluctuaties laten zien die enkel te wijten zijn aan de ruis in de gemeten productiegegevens. Op
deze manier kan een eerdere periode een grotere volatiliteit laten zien. Vervolgens wijst
Walsh op het feit dat de dienstensector – waarvan de productiviteit moeilijk te meten is –
steeds belangrijker wordt.53
4.4.1 De stabiliteit van de conjunctuurcyclus: de literatuur
In
de
literatuur
op
het
gebied
van
de
volatiliteit
van
de
economie
ontbreken
doorbraaktechnologieën als algemene verklaring van veranderingen in de conjunctuurcyclus,
wellicht met uitzondering van ICT. Zarnowitz (1992) vergelijkt de volatiliteit van de
conjunctuur (zowel de amplitude als de cycluslengte) in de decennia vóór de Eerste
Wereldoorlog met die in het interbellum en met die in de periode na de Tweede Wereldoorlog.
Zijn resultaten (op basis van meerdere variabelen) geven aan dat de volatiliteit tussen de
twee wereldoorlogen groter was dan vóór de Eerste Wereldoorlog. De volatiliteit van de
53
C.E. Walsh (1999: p. 3).
43
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
laatstgenoemde periode was op haar beurt weer groter dan de volatiliteit na de Tweede
Wereldoorlog. Zoals echter eerder in deze paragraaf is aangegeven, dienen vergelijkingen als
deze (over een grote tijdspanne en met name tussen perioden vóór en ná de Tweede
Wereldoorlog) voorzichtig te worden geïnterpreteerd. Zarnowitz geeft overigens aan dat "no
systematic changes over time can be detected in the total duration of business cycles."54 Alle
(structurele) volatiliteitsontwikkelingen die hij beschrijft zijn derhalve terug te voeren op
veranderingen van de amplitude.
De lagere volatiliteit na de Tweede Wereldoorlog wordt door Zarnowitz aan een scala
van factoren toegeschreven. In de eerste plaats wijst hij op de verschuiving van de
werkgelegenheid naar minder cyclische sectoren (grotendeels de dienstensector) en naar de
in omvang toegenomen a-cyclische overheidssector.55 Voorts speelden de automatische
stabilisatoren ten aanzien van de overheidsfinanciën vooral in de jaren '50 en '60 een
belangrijke rol bij de afname van de volatiliteit. Ook Blanchard en Simon (2001) wijzen erop
dat de variantie van de overheidsbestedingen na de Koreaanse Oorlog (1950-1953) snel
afnam en dat deze sindsdien laag is gebleven.56 Daarnaast is het financiële systeem soepeler
gaan functioneren.57 Tot slot hebben economische actoren de stabilisatie ook opgemerkt,
hetgeen hun vertrouwen heeft versterkt en daarmee een verder stabiliserende rol heeft
gespeeld.58 Daar staat echter tegenover dat een té sterk toegenomen vertrouwen via het
ontstaan van een bubble juist kan leiden tot een afname van de stabiliteit (zie paragraaf 3.2).
Diebold en Rudebusch (1992) vergelijken in hun onderzoek onder andere de lengte van
de cyclus vóór en ná de Tweede Wereldoorlog. In de door hen onderscheiden varianten vóór
de Tweede Wereldoorlog (verschillende perioden, exclusief en inclusief oorlogen) varieert de
lengte van de cyclus van 36,8 tot 47,9 maanden. De varianten ná de Tweede Wereldoorlog
(exclusief en inclusief oorlogen) hebben een gemiddelde lengte van respectievelijk 53,3 en
60,6 maanden. Diebold en Rudebusch geven echter aan dat de verschillen tussen de voor- en
naoorlogse varianten statistisch niet significant zijn.59
Blanchard en Simon alsmede Dalsgaard et al. (2002) vinden een afname van de amplitude in
de jaren '50 en '60, een stijging in de jaren '70 en vervolgens weer een afname vanaf de
jaren '80. Blanchard en Simon interpreteren deze resultaten als een "trend decrease in output
volatility,
temporarily
interrupted
by
an
increase
in
inflation
volatility.
Under
that
interpretation, the sharp decline in output volatility in the 1980s appears to be associated
54
V. Zarnowitz (1992: p. 83).
55
Overigens wordt deze vaak genoemde stabiliserende uitwerking van compositie-effecten (zoals een groter aandeel
van de dienstensector) door zowel J.H. Stock en M.W. Watson (2002: p. 23) als O. Blanchard en J. Simon (2001: p.
160-162) voor de periode vanaf omstreeks 1960 niet van belang geacht.
56
O. Blanchard en J. Simon (2001: p. 156).
57
Het IMF geeft echter aan dat "recent international evidence does not suggest that financial crises are becoming less
frequent or less severe" (International Monetary Fund, 2002: p. 52).
58
V. Zarnowitz (1992: p. 123-124); overigens loopt zijn onderzoek tot en met 1983.
59
F.X. Diebold en G.D. Rudebusch (1992: p. 1002).
44
Hoofdstuk 4
with a sharp decline in inflation volatility at that time."60 De lengte van de cyclus (van het
bbp) is volgens Dalsgaard et al. sinds 1970 nauwelijks veranderd.61 Een trendmatige
volatiliteitsafname, zoals die volgens Blanchard en Simon na de Tweede Wereldoorlog is
ingezet, wordt betwist door Stock en Watson (2002), die stellen dat een abrupte afname
vanaf het begin van de jaren '80 waarschijnlijker is.62 Onder andere Taylor (2001), Kahn et al.
(2002) en Dalsgaard et al. richten zich eveneens op een breekpunt in plaats van een
trendmatige volatiliteitsdaling.
Blanchard en Simon schrijven de trendmatige afname van de volatiliteit toe aan het
voortdurend stabieler worden van de consumptie en investeringen. Dit neemt niet weg dat zij
ook meer eenmalige63 stabilisaties, zoals die van de overheidsbestedingen in de jaren '50,
signaleren. Zo stellen zij tevens vast dat de variantie van de voorraadinvesteringen in de
jaren '90 tamelijk laag is geweest. Bovendien is de correlatie van de voorraden met de
verkopen
rond
het
midden
van
de
jaren
'80
omgeslagen
van
positief
(de
voorraadinvesteringen waren pro-cyclisch) naar negatief (anti-cyclisch). Deze ontwikkeling
schrijven zij toe aan een verbeterd voorraadmanagement als gevolg van het gebruik van ICT.
Zij voegen echter meteen toe dat "it is clearly one of the factors behind the decrease in
output volatility in the 1980s, although only the last in a long series of structural changes."64
Kahn et al. zijn van mening dat de verbetering van het voorraadbeheer de belangrijkste
oorzaak is van de tamelijk abrupte en forse stabilisatie sinds het begin van de jaren '80. Met
name de duurzame-goederensector zou hiervan hebben geprofiteerd. De productie is volgens
hen
duidelijk
sterker
gestabiliseerd
dan
de
finale
verkopen
(waarin
geen
voorraadinvesteringen zijn opgenomen), hetgeen erop duidt dat de voorraden stabieler zijn
geworden. Volgens Dalsgaard et al. zijn de voorraden niet alleen stabieler geworden, maar
tevens in belang afgenomen.65 Taylor is echter van mening dat de afname van de volatiliteit
vanwege haar abruptheid niet kan zijn veroorzaakt door een verbetering van het
voorraadmanagement, die volgens hem namelijk geleidelijker verloopt. Bovendien is hij,
evenals Stock en Watson, van mening dat de productie niet (per se) meer is gestabiliseerd
dan de verkopen.66 Stock en Watson zijn het wel eens met de constatering dat de duurzamegoederensector minder volatiel is geworden. Daarnaast wijzen zij nog op de vaste
60
O. Blanchard en J. Simon (2001: p. 155); zij onderzoeken de amplitude (variantie) en duiden deze aan met
"volatility".
61
T. Dalsgaard, J. Elmeskov en C.-Y. Park (2002: p. 8-9 en p. 27).
62
J.H. Stock en M.W. Watson (2002: p. 14-15).
63
Hier wordt een eenmalige afname van de volatiliteit bedoeld: de volatiliteit keerde niet terug naar het oude (hogere)
niveau, maar bleef permanent laag. De volatiliteit van de consumptie en de investeringen is juist voortdurend verder
afgenomen.
64
O. Blanchard en J. Simon (2001: p. 160).
65
J.A. Kahn, M.M. McConnell en G. Perez-Quiros (2002: p. 183) en T. Dalsgaard, J. Elmeskov en C.-Y. Park (2002: p.
10-11).
66
J.B. Taylor (2001: p. 282) en J.H. Stock en M.W. Watson (2002: p. 25); Stock en Watson stellen dat deze conclusie
gevoelig is voor de gehanteerde methode, terwijl Taylor concludeert dat de productie en de finale verkopen qua
verloop tamelijk vergelijkbaar zijn.
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
45
investeringen in woningen en de productie van gebouwen als belangrijke componenten van de
stabilisatie van de conjunctuur.
Taylor is van mening dat het vooral het macro-economisch beleid (en in het bijzonder
het monetaire beleid) is geweest dat heeft bijgedragen aan de toename van de stabiliteit. In
dit verband merkt hij op: "It was in the early 1980s that we got inflation down, and since then
there has been a much greater focus on price stability. Monetary policy has been more
responsive to increases in inflation and slowdowns in the economy. Moreover, if you look at
other countries, similar moves toward greater focus on price stability have been followed by
improved cyclical performance."67 Hij acht het overigens wel aannemelijk dat de verbetering
van het monetaire beleid deels het gevolg is van het gebruik van ICT (bijvoorbeeld door
betere econometrische modellen en een snellere gegevensanalyse). Ook Dalsgaard et al.
wijzen op de rol van een lagere en stabielere inflatie en de rol die centrale banken daarbij
hebben gespeeld.68 Stock en Watson schatten de bijdrage van het monetaire beleid aan de
daling van de volatiliteit op 20% tot 30%. Het resterende deel van deze daling schrijven zij
toe aan geluk, waarvan een deel (20%-30% van het totaal) betrekking heeft op
productiviteitsschokken en schokken ten aanzien van goederenprijzen. De overige 40%-60%
kunnen zij niet nader specificeren dan als "other unknown forms of good luck that manifest
themselves as smaller reduced-form forecast errors."69
4.4.2 Doorbraaktechnologieën en de stabiliteit van de conjunctuurcyclus
In Tabel 4.2 zijn cijfers opgenomen omtrent de ontwikkeling van de amplitude van de
conjunctuurcyclus ten tijde van de komst van een nieuwe doorbraaktechnologie. De amplitude
is weergegeven met behulp van de variantie van de genormeerde cyclus (de uitkomsten van
het filter gedeeld door de trend) in procenten. De varianties zijn berekend over perioden van
dertig jaar, met uitzondering van ICT, waar het om perioden van (ten hoogste) vijftien jaar
gaat. De gegeven p-waarden hebben betrekking op een F-toets van varianties en zijn
eenzijdig. Overigens zijn voor elektriciteit en de verbrandingsmotor, in tegenstelling tot de
twee andere technologieën, geen resultaten voor de industriële productie weergegeven,
omdat die reeks pas in 1919 begint.
67
J.B. Taylor (2001: p. 283).
68
T. Dalsgaard, J. Elmeskov en C.-Y. Park (2002: p. 16).
69
J.H. Stock en M.W. Watson (2002: p. 4).
46
Hoofdstuk 4
Tabel 4.2: De amplitude van de conjunctuurcyclus
Omslagpunt
Referentieperiode
GPT-periode
P-waarde
Elektriciteit
1915
0,214
0,360
0,002
Verbrandingsmotor
1920
0,247
0,351
0,028
Kunststoffen
1960
0,245 / 0,979
0,033 / 0,123
0,000 / -
ICT
1990
0,023 / 0,070
0,006 / 0,025
0,000 / 0,000
Noot: weergegeven is de variantie van de genormeerde conjunctuurcyclus in procenten over perioden van 30 jaar
(met uitzondering van ICT: 15 jaar); bij elektriciteit en de verbrandingsmotor betreft het alleen het bbp, bij de
kunststoffen en ICT betreft het, respectievelijk vóór en ná de schuine streep, zowel het bbp als de industriële
productie. De p-waarde is een eenzijdige p-waarde van een F-toets voor varianties; in één geval is geen p-waarde
gegeven, omdat in dat geval niet aan de voorwaarde van normaliteit werd voldaan.
Bronnen (onbewerkte data): N.S. Balke en R.J. Gordon (1986: p. 789-794) (bbp, 1877-1928); Bureau of Economic
Analysis (http://www.bea.gov) (bbp, 1929-heden); Tables 1 and 2, Federal Reserve Board (2002) (industriële
productie, 1919-heden).
Uit de tabel blijkt eenduidig dat bij elektriciteit en de verbrandingsmotor de amplitude na het
omslagpunt (de GPT-periode) hoger lag dan ervoor (de referentieperiode), terwijl de
kunststoffen en ICT juist een tegengesteld beeld te zien geven. Overigens kunnen de eerste
twee technologieën, gezien de overlap van de perioden, niet als afzonderlijke gevallen worden
beschouwd. De p-waarden in Tabel 4.2 geven aan dat de resultaten tevens statistisch
significant zijn. Overigens zijn de resultaten voor elektriciteit en de verbrandingsmotor
duidelijk minder significant dan die voor de twee andere technologieën. Uit de andere
varianten (andere toegelaten cycluslengten en vijftienjaars perioden in plaats van dertigjaars
perioden) die in paragraaf 4.2 zijn besproken, komt in nagenoeg alle gevallen dezelfde
conclusie ten aanzien van de amplitude van de conjunctuurcyclus naar voren: deze nam
tijdens de perioden van elektriciteit en de verbrandingsmotor statistisch significant toe, terwijl
bij zowel de kunststoffen als ICT sprake was van een statistisch significante daling van de
amplitude.
In Tabel 4.3 zijn de resultaten met betrekking tot de lengte van de cyclus weergegeven.
Evenals in Tabel 4.2 is, met uitzondering van ICT, uitgegaan van dertigjaars perioden. De
cycluslengten in de tabel zijn de gemiddelden (in jaren) van de cycli in de desbetreffende
periode. Wederom zijn voor de kunststoffen en ICT, naast cijfers aan de hand van het bbp,
ook cijfers met betrekking tot de industriële productie gegeven. De verschillen tussen de
referentieperiode en de GPT-periode zijn getoetst met behulp van de Mann-Whitney-toets; de
bijbehorende p-waarden zijn in de laatste kolom opgenomen.
47
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
Tabel 4.3: De lengte van de conjunctuurcyclus
Omslagpunt
Referentieperiode
GPT-periode
P-waarde
Elektriciteit
1915
2,90
5,38
0,000
Verbrandingsmotor
1920
2,89
5,60
0,000
Kunststoffen
1960
5,00 / 3,60
4,87 / 3,99
0,920 / 0,131
ICT
1990
5,21 / 3,93
5,42 / 5,42
0,714 / 0,085
Noot: weergegeven is de lengte in jaren van de genormeerde cyclus, gemiddeld over perioden van 30 jaar (met
uitzondering van ICT: 15 jaar); bij elektriciteit en de verbrandingsmotor betreft het alleen het bbp, bij de kunststoffen
en ICT betreft het, respectievelijk vóór en ná de schuine streep, zowel het bbp als de industriële productie. De pwaarde is een tweezijdige p-waarde van een Mann-Whitney-toets.
Bronnen (onbewerkte data): N.S. Balke en R.J. Gordon (1986: p. 789-794) (bbp, 1877-1928); Bureau of Economic
Analysis (http://www.bea.gov) (bbp, 1929-heden); Tables 1 and 2, Federal Reserve Board (2002) (industriële
productie, 1919-heden).
Waar het de lengte van de conjunctuurcyclus betreft, is het beeld minder eenduidig dan bij de
amplitude. Enerzijds geven de verschillende filtervarianten vaker een tegengesteld resultaat
dan bij de amplitude en anderzijds zijn de resultaten vaker niet significant. Het eerste hoeft
niet te verbazen, aangezien het verschil tussen de filtervarianten juist betrekking heeft op de
toegelaten cycluslengte. De lengte van de conjunctuurcyclus nam na de doorbraak van
elektriciteit
en
de
verbrandingsmotor
sterk
toe.
Sindsdien
is
de
lengte
van
de
conjunctuurcyclus volgens de bbp-data blijven schommelen rond 5 jaar. De lengte van de
conjunctuurcyclus lag volgens de industriële-productiedata vóór 1990 duidelijk lager, maar
steeg vervolgens tot een vergelijkbaar niveau. De p-waarden geven aan dat de toename van
de lengte van de cyclus bij de eerste twee doorbraaktechnologieën zeer significant is. De
toename van de cycluslengte in het ICT-tijdperk volgens de industriële-productiedata is niet
zo significant als het verschil tussen de lengte in de referentieperiode en de GPT-periode zou
doen vermoeden. Dit is voornamelijk te wijten aan het lage aantal waarnemingen (drie; bij
sommige filtervarianten zelfs maar één) in de GPT-periode.
Zoals in paragraaf 4.3 is aangekondigd, wordt hier nader bekeken of de resultaten voor ICT
gevoelig zijn voor de keuze van het omslagpunt (1985 of 1990). In Tabel 4.4 is zijn de
resultaten van beide omslagpunten weergegeven. Het betreft zowel de amplitude als de
lengte van de cyclus, zoals die voor omslagpunt 1990 ook in Tabel 4.2 en Tabel 4.3 zijn
weergegeven. Voor een eventuele uitleg bij de tabel zij verwezen naar de uitleg bij de
genoemde tabellen.
48
Hoofdstuk 4
Tabel 4.4: De amplitude en de lengte van de conjunctuurcyclus bij ICT
Omslagpunt
Referentieperiode
GPT-periode
1985
0,050 / 0,202
0,006 / 0,020
0,000 / 0,000
1990
0,023 / 0,070
0,006 / 0,025
0,000 / 0,000
1985
5,50 / 3,86
5,05 / 5,37
0,537 / 0,011
1990
5,21 / 3,93
5,42 / 5,42
0,714 / 0,085
Amplitude
Cycluslengte
P-waarde
Noot: weergegeven zijn de variantie van de genormeerde cyclus in procenten (bij de amplitude) en de lengte van de
genormeerde cyclus in jaren (bij de cycluslengte), beide betrekking hebbend op perioden van 15 jaar en zowel het bbp
als de industriële productie (respectievelijk vóór en ná de schuine streep). De p-waarde bij de amplitude is een
eenzijdige p-waarde van een F-toets voor varianties en de p-waarde bij de cycluslengte is een tweezijdige p-waarde
van een Mann-Whitney-toets.
Bronnen (onbewerkte data): Bureau of Economic Analysis (http://www.bea.gov) (bbp); Tables 1 and 2, Federal
Reserve Board (2002) (industriële productie).
De keuze blijkt weinig invloed te hebben op de resultaten. De belangrijkste verschillen worden
bij de amplitude in de referentieperiode en bij de p-waarden van de cycluslengte
waargenomen. Het verschil in amplitude wordt – gezien het kleine verschil tussen de
amplitudes van beide varianten in de GPT-periode – (voor het overgrote deel) veroorzaakt
door het al dan niet opnemen van de jaren 1970-1975 en niet door de jaren 1985-1990. De
gunstigere p-waarden bij de lengte van de cyclus voor de variant met omslagpunt 1985
kunnen worden verklaard door de aanzienlijk grotere hoeveelheid data bij deze variant
vergeleken met de variant met als omslagpunt 1990.70 Deze grotere hoeveelheid data zorgt
voor een betere toets en een lagere p-waarde.
De
in
hoofdstuk
3
besproken
theorie
duidt
erop
dat
doorbraaktechnologieën
een
stabiliserende invloed kunnen hebben op de conjunctuurcyclus. De resultaten uit Tabel 4.2 en
Tabel 4.3 tonen een trendmatige afname van de volatiliteit van de conjunctuur sinds de
Tweede Wereldoorlog (met een tijdelijke toename in de jaren '70), zoals ook Blanchard en
Simon (2001) aangeven. Deze constatering is te verenigen met de hypothese dat
doorbraaktechnologieën zorgen voor een meer stabiele conjunctuurcyclus. Gedurende de
naoorlogse periode is namelijk een tweetal doorbraaktechnologieën, te weten kunststoffen en
ICT, tot bloei gekomen. In paragraaf 3.3 is aangetoond dat zij beide beschikken over
stabiliserende eigenschappen met betrekking tot de conjunctuur. Beide zorgen namelijk voor
een flexibilisering van de productie, waardoor het aanbod gemakkelijker kan worden
afgestemd op de vraag. De resulterende kleinere en minder vaak voorkomende discrepanties
tussen vraag en aanbod zullen zorgen voor een meer stabiele economische ontwikkeling. De
tijdelijke toename van de amplitude in de jaren '70 kan – voor een deel, want de toename
begon reeds in het begin van de jaren '7071 – worden toegeschreven aan de oliecrises.
70
Bij beide omslagpunten is het aantal waarnemingen erg laag (twee tot vijf voor omslagpunt 1985 en een tot drie
voor omslagpunt 1990), maar voor iedere filtervariant ligt dit aantal bij het eerste omslagpunt anderhalf tot twee maal
zo hoog als bij het tweede.
71
Zie Figure 1 van O. Blanchard en J. Simon (2001: p. 38). Ook J.B. Taylor (2001: p.6) spreekt van een toename van
de volatiliteit die reeds voor de oliecrises begon.
Doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus: empirie
49
Overigens is deze toename tevens zichtbaar in de resultaten van de vijftienjaars perioden.72
Juist de kunststoffen hebben hiervan een invloed ondervonden, aangezien olie daarvoor de
belangrijkste grondstof is.
De resultaten zijn minder duidelijk over de periode vóór de Tweede Wereldoorlog.
Enerzijds nam, zoals ook Zarnowitz (1992) stelt, de amplitude toe, maar anderzijds daalde de
frequentie (de lengte van de cyclus nam toe). Dit betekent echter niet dat de bovenstaande
hypothese dient te worden verworpen, aangezien de desbetreffende periode werd gekenmerkt
door enkele sterk destabiliserende gebeurtenissen. Zo heeft de Grote Depressie hierin een
belangrijke rol gespeeld en zal ook de Tweede Wereldoorlog een destabiliserende invloed
hebben gehad.
4.5 Samenvatting
In dit hoofdstuk is onderzocht of de conjunctuurcyclus stabieler wordt als gevolg van de
komst van een nieuwe doorbraaktechnologie. Hiertoe is zowel de amplitude (variantie) als de
lengte van de genormeerde conjunctuurcyclus onderzocht tijdens de perioden waarin een
doorbraaktechnologie voldoende maatschappelijke invloed uitoefende en tijdens de perioden
waarin dat niet het geval was. Deze genormeerde cyclus werd verkregen door een zogenaamd
band-pass filter (in vier varianten) toe te passen op data met betrekking tot het bbp en de
industriële productie en de cyclische uitkomsten vervolgens te relateren aan de trendmatige
groei. Voor iedere doorbraaktechnologie is een omslagpunt geïdentificeerd aan de hand van
maatstaven voor de maatschappelijke invloed van deze technologieën. Dit omslagpunt is het
tijdstip waarop een doorbraaktechnologie geacht kan worden significante invloed te gaan
uitoefenen op de economie. Het omslagpunt van de stoommachine werd gedateerd omstreeks
1860-1870, in het geval van elektriciteit werd gekozen voor 1915 en de verbrandingsmotor
kreeg een omslagpunt in 1920. De omslagpunten van de kunststoffen en ICT werden
respectievelijk in 1960 en in 1990 gedateerd. Vervolgens zijn voor zowel de perioden vóór als
de perioden ná het omslagpunt de variantie en de gemiddelde cycluslengte berekend. Tot slot
werden de verschillen tussen deze referentieperioden (vóór het omslagpunt) en GPT-perioden
(ná het omslagpunt) getoetst op significantie.
De hypothese uit hoofdstuk 3 – die stelde dat doorbraaktechnologieën zorgen voor een
flexibilisering van de productie, waardoor het aanbod beter kan worden afgestemd op de
vraag – wordt door de empirische resultaten73 ondersteund. Bij de vooroorlogse technologieën
(elektriciteit en de verbrandingsmotor) wordt een toename van zowel de amplitude als van de
lengte van de cyclus waargenomen, zodat het totaalbeeld niet duidelijk is. Vanwege de sterk
destabiliserende effecten van zowel de Grote Depressie als de Tweede Wereldoorlog is het
echter zeer goed denkbaar dat deze technologieën inderdaad een stabiliserende rol hebben
72
Deze periode van stagnatie of toename van de volatiliteit is te kort om in de resultaten van dertigjaars perioden naar
voren te komen.
73
Met betrekking tot de stoommachine was de beschikbaarheid van data onvoldoende om de analyse uit te voeren.
50
Hoofdstuk 4
gespeeld. In de naoorlogse jaren nam de conjuncturele stabiliteit, met uitzondering van de
jaren '70, tamelijk sterk toe. Terwijl de amplitude, met uitzondering van het genoemde
decennium, eenduidig afnam, bleef de lengte van de cyclus volgens de bbp-data gelijk, terwijl
de resultaten voor de industriële productie duiden op een stijging. Waar in de literatuur voor
deze stabilisatie oorzaken als een meer stabiliserend monetair beleid of simpelweg geluk
worden genoemd, blijkt uit dit hoofdstuk dat dit ook kan worden toegeschreven aan de
stabiliserende effecten van de kunststoffen en ICT.
5 Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
5.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de monetaire beleidsimplicaties van een
doorbraaktechnologie. Daartoe wordt in paragraaf 5.2 een beschrijving gegeven van de
invloed van een doorbraaktechnologie op de inflatie. Deze variabele heeft de afgelopen
decennia een steeds prominentere plaats gekregen in de bepaling van de koers van het
monetaire beleid. Een groot deel van de centrale banken in de ontwikkelde landen hanteren
tegenwoordig de inflatie als primaire doelvariabele: de doelstelling ten aanzien van de
inflatoire ontwikkeling heeft prioriteit boven andere beleidsdoelstellingen zoals volledige
werkgelegenheid en bestendige hoge economische groei. In paragraaf 5.3 zal vervolgens
worden ingegaan op de implicaties voor het monetaire beleid. Hierbij wordt zowel de kortetermijnstrategie als de beleidskoers voor de langere termijn besproken. Tevens komt in deze
paragraaf de vraag aan de orde of centrale banken met hun monetaire beleid actief moeten
reageren op ontwikkelingen in activaprijzen. Het hoofdstuk wordt vervolgens in paragraaf 5.4
afgesloten met een samenvatting.
5.2 Doorbraaktechnologieën en inflatie
Economisch gezien kan een nieuwe (doorbraak)technologie worden opgevat als een positieve
aanbodschok, een economische schok die de productiekosten van goederen en diensten
beïnvloedt. Een olieprijsschok (zoals in de jaren '70) is een voorbeeld van een negatieve
aanbodschok. Een nieuwe of verbeterde technologie zorgt voor een toename van de groei van
de arbeidsproductiviteit. Door deze versnelling van de arbeidsproductiviteitsgroei zal zowel de
non-inflationary growth (oftewel potentiële of natuurlijke groeivoet) stijgen als de "NAIRU"74
dalen. De economische groei, die gelijk is aan de som van de arbeidsproductiviteitsgroei en de
werkgelegenheidsgroei, profiteert op lange termijn alleen op directe wijze van de stijging van
de productiviteitsgroei. Op korte termijn heeft de toename van de productiviteitsgroei echter
ook een tijdelijke indirecte invloed op de economische groei via de groei van de
werkgelegenheid.
Zoals
is
aangegeven,
zal
de
NAIRU
namelijk
afnemen,
hetgeen
overeenkomt met een hogere werkgelegenheid. Om op dit hogere niveau te komen, dient de
groei van de werkgelegenheid tijdelijk hoger te zijn. Op zowel korte als middellange termijn
zal
een
productiviteitsstijging
ook
invloed
uitoefenen
op
de
inflatie.
Hierbij
spelen
verscheidene factoren, zowel aan de aanbodkant als aan de vraagkant van de economie, een
74
Non-accelerating inflation rate of unemployment, het werkloosheidspercentage waarbij de inflatie niet toe- of
afneemt. Een toename van de groei van de arbeidsproductiviteit leidt tot een afname van de NAIRU, doordat de
trendmatige economische groei hoger wordt. Bij hetzelfde inflatieniveau kan nu een hogere groei worden bereikt,
waardoor de werkgelegenheid bij die inflatiegraad zal toenemen. Bij een ongewijzigd arbeidsaanbod impliceert dit een
daling van de NAIRU.
52
Hoofdstuk 5
rol. Hieronder worden de effecten van de introductie van een GPT op de inflatie uitgewerkt
voor de korte, middellange en lange termijn.
In eerste instantie zal een toename van de productiviteitsgroei inwerken op het aanbod,
dat als gevolg van lagere loonkosten per eenheid product goedkoper kan worden
geproduceerd. Zo geeft Yellen (2001) naar aanleiding van de ICT-revolutie aan dat "the
improvement in productivity was the single most important supply shock working to keep
inflation low" en "nominal wages escalated less than surging productivity would have allowed.
The growth of unit labor costs consequently declined, reducing inflationary pressure."75
Anders geformuleerd leidt een toename van de productiviteitsgroei tot een verbetering van de
bekende afruil tussen de werkloosheid en de inflatie.
Een kritische voorwaarde is echter wel dat de werknemers de toename van de
productiviteitsgroei niet direct volledig in hun looneisen tot uitdrukking laten komen.
Werknemers stellen hun (nominale) looneisen vast aan de hand van de som van de gewenste
reële loonstijging en de verwachte prijsinflatie. In de steady state is de reële loonstijging
gelijk aan de groeivoet van de productiviteit. In het geval van een stijging van de
productiviteitsgroei zal de evenwichtswaarde van het reële loon derhalve eveneens toenemen.
De werknemers zullen dit echter niet meteen waarnemen, waardoor een te lage reële
loonstijging en een te lage nominale loonsverhoging resulteert. Dientengevolge zal zowel de
werkloosheid als de inflatie76 dalen. Bovendien geven werknemers (met name in de Verenigde
Staten) in sterke mate voorrang aan baanzekerheid (job security) hetgeen ook een
loonmatigend effect heeft (ten tijde van productiviteitsstijgingen die een snellere loongroei
wel rechtvaardigen). Na verloop van tijd zullen de werknemers zich realiseren dat de
productiviteitsgroei is toegenomen en zullen zij vervolgens hun looneisen in opwaartse
richting bijstellen. De werknemers zullen zich derhalve slechts tijdelijk vergissen.77 Ook Meyer
(2000) is van mening dat dit "direct disinflationary effect" slechts tijdelijk werkzaam zal zijn,
want hij merkt op dat "it dissipates gradually once productivity growth stabilizes and nominal
wages catch up to the productivity acceleration."78
Het feit dat werknemers pas na verloop van tijd de stijging van de productiviteitsgroei
in hun looneisen incorporeren, impliceert niet onmiddellijk dat daarmee ook de inflatoire druk
weer zal gaan toenemen. Zoals eerder is opgemerkt, houden zij namelijk tevens rekening met
de (verwachte) inflatie. In eerste instantie zal de toename van de productiviteitsgroei leiden
tot een daling van de inflatie. Wanneer de werknemers vervolgens hun looneisen opwaarts
aanpassen aan de hogere productiviteitsgroei, kan deze aanpassing (nog altijd tijdelijk)
worden gedempt indien de inflatie inmiddels is gedaald. Hierdoor kan het dempende effect
van de toename van de productiviteitsgroei op de inflatie langer voortduren.
75
J.L. Yellen (2001: p. 407).
76
Strikt genomen leidt dit tot een gunstigere afruil tussen de inflatie en de werkloosheid (de "Phillips Curve" verschuift
naar links), waarbij het aannemelijk is dat beide grootheden een daling te zien zullen geven.
77
M.N. Baily (2001: p. 234-235).
78
L.H. Meyer (2000: p. 4).
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
53
Waar in het beginstadium aldus een neerwaartse invloed op de inflatie ontstaat, zal de
productiviteitsstijging binnen afzienbare tijd leiden tot meer optimistische verwachtingen ten
aanzien van de toekomst. Zoals in paragraaf 3.2.2 is beschreven, leiden deze verwachtingen
tot een toename van de consumptieve bestedingen en de particuliere investeringen
(vraageffect). Tevens zal de groei van de werkgelegenheid op korte termijn tijdelijk toenemen
als gevolg van de daling van de NAIRU en op die manier zorgen voor een extra
bestedingsimpuls via de inkomens van gezinshuishoudingen. Deze bestedingstoename zal
juist een opwaartse invloed kunnen gaan uitoefenen op de inflatie. Per saldo is moeilijk te
voorspellen welk effect domineert en of de inflatie op korte termijn zal toe- dan wel afnemen.
Dit hangt van de volgende factoren af. In de eerste plaats zijn de timing en de snelheid van
de toename van de vraag en het aanbod van belang. Daarnaast is de prijselasticiteit van
zowel de vraag als het aanbod van invloed op de feitelijke ontwikkeling van de inflatie.
Op middellange termijn zullen enkele andere factoren eveneens van belang zijn. De
genoemde investeringstoename zal zorgen voor een stijging van de productiecapaciteit,
waardoor een neerwaartse invloed op de inflatie ontstaat. De investeringen kunnen zelfs nog
een grotere en meer langdurige stijging laten zien, doordat de afgenomen loonkosten per
eenheid product kunnen leiden tot een toename van de bedrijfswinsten.79 Deze aanvullende
investeringen (onder andere in de nieuwe technologie) kunnen de productiviteitsstijging
versterken en de transitiefase verlengen. Voorts zullen de werknemers hun looneisen
opwaarts gaan aanpassen aan de toegenomen productiviteitsgroei.
Op lange termijn (in de steady state) speelt echter alleen de eerder beschreven invloed
van doorbraaktechnologieën als positieve aanbodschok op de trendmatige of potentiële
groeivoet een rol. Anders gezegd, de snelheidslimiet van de economie (de groeivoet die kan
worden bereikt zonder dat een te hoge inflatie ontstaat) wordt door de versnelling van de
productiviteitsgroei verhoogd. De inflatie ondervindt in deze dimensie geen invloed van de
technologie: op lange termijn is de inflatie een monetair fenomeen.
5.3 Doorbraaktechnologieën en het monetaire beleid
Zoals in de vorige paragraaf naar voren is gekomen, kan bij het analyseren van de invloed
van een doorbraaktechnologie op de inflatie een onderscheid worden gemaakt tussen
enerzijds de korte en middellange termijn en anderzijds de langere termijn. Voor het
monetaire beleid geldt hetzelfde en derhalve is deze paragraaf opgedeeld in een subparagraaf
over de langere termijn (5.3.1) en een subparagraaf over de korte- en middellange termijn,
de transitiefase (5.3.2). Bovendien is naast de inflatie (monetaire stabiliteit) wellicht ook de
financiële stabiliteit van belang bij de bepaling van de monetaire beleidskoers. In paragraaf
79
Of en in welke mate de afname van de loonkosten per eenheid product zal leiden tot een daling van de inflatie dan
wel een toename van de bedrijfswinsten hangt onder andere af van de mate van competitie op de desbetreffende
markt(en).
54
Hoofdstuk 5
5.3.3 komt de vraag aan de orde welke rol de activaprijzen in het rentebeleid zouden moeten
spelen.
5.3.1 De nieuwe economie
De structurele invloed (op lange termijn) die een doorbraaktechnologie uitoefent op het
renteniveau wordt door Broaddus (2000) treffend omschreven. Hij gaat daarbij uit van een
nieuw neoklassiek synthesemodel80, waarin het reële renteniveau (in het model weergegeven
door één representatieve rentevoet) een centrale, stabiliserende rol speelt. In dit verband
merkt hij op: "Basically, the real rate serves as an intertemporal rate of substitution."81
Anders
geformuleerd:
de
reële
rente
geeft
weer
hoeveel
toekomstige
consumptie
respectievelijk investeringen huishoudens en ondernemingen moeten opgeven, als zij ervoor
kiezen in het heden meer te consumeren respectievelijk te investeren. Het niveau van de
reële rente heeft dientengevolge een directe invloed op de huidige vraag naar goederen en
diensten. Een lagere rente zal namelijk leiden tot een hogere vraag in het heden en
omgekeerd. De aanname van één enkele rente komt in feite neer op de veronderstelling dat
de yieldcurve evenwijdig verschuift bij een verhoging of verlaging van de (korte) rente door
de centrale bank. Bovendien worden de inflatieverwachtingen constant verondersteld. De
investeringen en besparingen hangen namelijk (voornamelijk) samen met de lange reële
rente, terwijl het monetaire beleid alleen de korte nominale (beleids)rente direct kan
beïnvloeden.82
Broaddus constateert dat een nieuwe doorbraaktechnologie een versnelling van de groei
van de arbeidsproductiviteit veroorzaakt. Weliswaar kán deze op korte termijn voor een
prijsdaling zorgen als gevolg van achterblijvende loonkostenstijgingen (zie paragraaf 5.2),
maar vervolgens zal de inflatie als gevolg van vraageffecten gaan toenemen. De hogere
rendementen in de economie vertalen zich namelijk in een hoger verwacht inkomen van
gezinshuishoudingen.83 Huishoudens zullen reeds in het heden een deel van deze toekomstige
inkomensstijging willen consumeren (anticipatie-effect) en om dat te realiseren zullen zij
krediet opnemen. Broaddus merkt vervolgens op: "The problem posed for monetary policy by
all this is that the higher expected future income driving the increased current demand for
goods and services is not yet available in the form of increased current output of goods and
services."84 Om de inflatoire druk te voorkomen en daarmee de expansie te ondersteunen,
80
M. Goodfriend en R.G. King (1997: p. 2) beschrijven deze nieuwe neoklassieke synthesemodellen als een combinatie
van Keynesiaanse en klassieke modellen. Hierbij worden concepten als intertemporele optimalisatie en rationele
verwachtingen (Lucas) systematisch toegepast op de Keynesiaanse prijs- en productiebeslissingen en op de
consumptie-, investerings- en factoraanbodbeslissingen van de klassieke en Real Business Cycle-modellen. De nieuwe
synthese bevat tot slot ook de inzichten van de monetaristen (Friedman, Brunner) met betrekking tot het monetaire
beleid.
81
J.A. Broaddus Jr. (2000: p. 21-22).
82
De yieldcurve geeft de relatie weer tussen het renteniveau en de looptijd van schuldpapier. De nominale rente is
volgens het Fisher-effect gelijk aan de som van de reële rente en de verwachte inflatie.
83
Zie ook paragraaf 3.3.2 met betrekking tot de Life Cycle Hypothesis of Saving van Modigliani en Brumberg.
84
J.A. Broaddus Jr. (2000: p. 24).
55
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
dient de centrale bank de korte-termijn reële rente te verhogen om de gezinshuishoudens en
de ondernemingen ertoe aan te zetten geduldig te zijn en te wachten met het opvoeren van
de bestedingen totdat het hogere verwachte toekomstige inkomen ook daadwerkelijk
beschikbaar is in de vorm van een hogere binnenlandse productie. In dit verband merkt
Broaddus op dat "higher interest rates are required to restore macroeconomic balance and
ensure sustained higher growth over the longer term."85
Broaddus wijst hierbij nog op een aantal uitdagingen voor de centrale bank. De
noodzaak voor renteverhogingen lijkt weliswaar vrij duidelijk, maar dat geldt niet voor de
grootte en de timing van die rentestappen. In de ideale situatie zou de rente moeten worden
verhoogd tot dát niveau waarbij de groei van de totale huidige vraag gelijk is aan de
bestendige groei van de productiecapaciteit. Anders gezegd: "ideally we would like to
establish an equilibrium rate of substitution consistent with aggregate demand-supply
balance."86 Het identificeren van dit evenwichtsniveau is echter zeer moeilijk, omdat de reële
rente
niet
alleen
verandert
in
reactie
op
veranderingen
van
de
trendmatige
productiviteitsgroei, maar ook afhangt van andere economische schokken.
5.3.2 De transitiefase
Met de transitiefase wordt de overgang van het ene lange-termijnevenwicht (vóór de komst
van de nieuwe technologie) naar het andere lange-termijnevenwicht (bij de volledige
integratie van de nieuwe technologie) bedoeld. Indien in eerste instantie de aanbodeffecten
overheersen en zorgen voor een daling van de inflatie, zou de centrale bank, wanneer zij zich
alleen richt op de inflatie, de rente moeten verlagen.87 Door deze renteverlaging worden de
bestedingen gestimuleerd, zodat de vraagcurve (verder en sneller) toeneemt. Omgekeerd zal
een centrale bank met alleen een inflatiedoelstelling de rente moeten verhogen wanneer op
korte termijn de vraageffecten domineren en daarmee een opwaartse invloed op de inflatie
bestaat. Op die manier wordt de vraag- en inflatiestijging afgeremd. Hierbij wordt overigens
opnieuw aangenomen dat de yieldcurve bij een renteverhoging of renteverlaging evenwijdig
verschuift. Zoals in paragraaf 5.3.1 is aangegeven, hangen de investeringen en besparingen
namelijk (vooral) samen met de lange rente, terwijl het monetaire beleid alleen de korte
(beleids)rente direct kan beïnvloeden. De centrale bank kan de beschreven invloed op de
investeringen en besparingen alleen (tamelijk snel) uitoefenen, indien de steilheid van de
yieldcurve niet (veel) verandert als gevolg van een rentewijziging.
Gezien het grote aantal factoren die een rol spelen – de timing en snelheid van de
vraag- en aanbodeffecten, de prijselasticiteit van vraag en aanbod en de omvang van de
toename van de natuurlijke productie – is het voor een centrale bank zeer moeilijk om tijdig
85
J.A. Broaddus Jr. (2000: p. 23).
86
J.A. Broaddus Jr. (2000: p. 25).
87
Overigens reageren centrale banken vaak asymmetrisch op aanbodschokken: negatieve schokken, met een
opwaartse invloed op de inflatie, worden sneller geaccommodeerd dan positieve schokken.
56
Hoofdstuk 5
en adequaat te reageren op de ontwikkelingen van de productie. Volgens Cecchetti (2001) is
bovendien van groot belang of de productiviteitstoename (of, meer in het algemeen, de
productiviteitsschok) permanent dan wel tijdelijk van aard is.88 Hij stelt in dit verband dat "if a
productivity shock is transitory, then policymakers will attempt to stabilize output about its
permanent growth path, allowing prices to deviate somewhat from their long-run target path.
By contrast, if productivity growth shifts […] permanently, then the appropriate policy
response is to stabilize inflation while allowing output to move to its new long-run growth
path."89 Als argument noemt hij het voorbeeld van de neerwaartse productiviteitsschok in de
jaren '70, die door de monetaire autoriteiten ten onrechte als tijdelijk werd beschouwd. Zij
trachtten de economische groei op een té hoog niveau te stabiliseren, waardoor de inflatie
sterk opliep. Hiermee toont Cecchetti echter alleen aan dat in het geval van een permanente
schok zeer ongewenste resultaten zullen ontstaan, wanneer de centrale bank deze schok als
tijdelijk beschouwt en daarom de productie probeert te stabiliseren. Hij geeft hiermee géén
argument waarom men een schok niet altijd als permanent zou moeten beschouwen (en dus,
volgens Cecchetti, altijd de inflatie zou moeten trachten te stabiliseren).
Hatzius (2000) stelt dat wel op de productiviteitsontwikkeling dient te worden
gereageerd en dat het voor de beleidskoers bovendien niet van belang is of deze ontwikkeling
tijdelijk dan wel permanent van aard is. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, hoort bij
een structureel hogere productiviteitsgroei een hoger (reëel) renteniveau. Indien slechts
sprake is van een tijdelijke toename van de groei van de arbeidsproductiviteit, die door de
markt wel als permanent wordt ervaren, ontstaat een investment bubble en deze dient
volgens Hatzius te worden doorgeprikt. Zo merkt hij op: "If it is mainly a new era, then the
equilibrium real interest rate – the rate at which monetary policy neither boosts nor restrains
the economy, will be higher in the future. And if it is mainly an investment bubble, then
monetary policy should be tight enough to restrain investment spending before the bubble
grows further. Either way, an investment boom implies that real interest rates need to rise."90
De lagere inflatie die deze renteverhoging met zich meebrengt, wordt volgens Hatzius
gerechtvaardigd door de toegenomen productiviteitsgroei. In het geval van een permanente
versnelling van de productiviteitsgroei en
de daarmee verbonden toename
van de
trendmatige groeivoet van de economie zijn prijsstijgingen minder nodig om eventueel
benodigde reële loondalingen mogelijk te maken.91 In het geval van een tijdelijke
productiviteitsversnelling kan een inflatiedaling bovendien helpen de investment bubble te
beperken. Doordat werknemers niet meteen de toegenomen productiviteitsgroei in hun
looneisen verwerken (zie paragraaf 5.2), zullen de winsten van de ondernemingen sneller
stijgen. Hierdoor zullen de investeringen verder worden aangewakkerd. Een dalende inflatie
88
Deze vraag heeft dan ook een belangrijke rol gespeeld in de discussie over en het onderzoek naar de invloed van
ICT op de productiviteitsgroei.
89
S.G. Cecchetti (2001: p. 9).
90
J. Hatzius (2000: p. 7).
91
Werknemers accepteren vaak geen nominale loondaling, zodat alleen een positieve inflatiegraad een eventueel
benodigde reële loondaling kan bewerkstelligen.
57
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
zal echter zorgen voor een toename van de reële loonstijgingen waardoor de winsttoename
enigszins wordt beperkt. Hatzius is dan ook van mening dat de centrale bank een
productiviteitstoename altijd gepaard moet laten gaan met een renteverhoging, of deze
toename nu tijdelijk of permanent is.92 Hij huldigt de visie dat de centrale bank reeds op korte
termijn het lange-termijnevenwichtsniveau van de reële rente zou moeten (proberen te)
bewerkstelligen.
Greenspan (2002) is het echter niet eens met de stelling dat de centrale bank in het
geval van een bubble in staat is om deze te binnen de perken te houden. Hij stelt namelijk
dat "nothing short of a sharp increase in short-term rates that engenders a significant
economic retrenchment is sufficient to check a nascent bubble."93 Het is bovendien niet
waarschijnlijk dat een permanente productiviteitsstijging eveneens een dergelijke scherpe
verhoging van de rente zou vereisen. Over de ontwikkelingen vanaf het midden van de jaren
'90 geeft Greenspan aan dat "as events evolved, we recognized that, despite our suspicions, it
was very difficult to identify a bubble until after the fact – that is, when its bursting confirmed
existence."94 Een en ander doet de vraag opkomen in hoeverre de centrale bank zich alleen
met de inflatie zou moeten bezighouden, of dat zij tevens een (meer directe) rol dient te
vervullen bij de handhaving van de financiële stabiliteit. Deze vraag zal in de volgende
paragraaf worden belicht.
5.3.3 Monetaire stabiliteit versus financiële stabiliteit
Sinds de jaren '70 luidt de heersende gedachte dat de centrale bank de beste bijdrage kan
leveren aan financiële stabiliteit95 door te zorgen voor monetaire stabiliteit (lage en stabiele
inflatie). Als gevolg van de ontwikkelingen sinds het midden van de jaren '90 in de Verenigde
Staten kwam echter (opnieuw) de vraag naar voren of de centrale bank niet een grotere
bijdrage zou kunnen (en moeten) leveren aan de financiële stabiliteit. In die jaren stelden
namelijk meerdere waarnemers vast dat ondanks een lage (traditionele) inflatie sprake was
van een bubble. Dit samengaan van (te sterk) toenemende activaprijzen met een lage inflatie
wordt door Borio en Lowe (2002) toegeschreven aan een snellere technologische ontwikkeling
(zoals in het geval van een nieuwe doorbraaktechnologie). Een dergelijke verbetering aan de
aanbodkant
van
de
economie
zorgt
namelijk
via
enerzijds
een
toename
van
de
winstgevendheid van ondernemingen en anderzijds een algemeen optimisme ten aanzien van
92
J. Hatzius (2000: p. 7-8). Hij opteert derhalve voor het wegwerken van het verschil tussen de reële evenwichtsrente
(de natuurlijke interestvoet van Wicksell) en de marktrente. The Economist (2002a: p. 9) merkt in dit verband op dat
"Hayek argued that the natural rate of interest could rise if faster productivity growth increased expectations about
profits and hence investment opportunities." In het geval van een dergelijke ontwikkeling zou de centrale bank de
rente moeten verhogen. Wanneer zij dat niet doet, zal de cost of capital namelijk lager blijven dan het verwachte
rendement. Hierdoor zullen de kredietverstrekking, de activaprijzen en de investeringen te sterk stijgen.
93
A. Greenspan (2002: p. 3).
94
A. Greenspan (2002: p. 3).
95
Volgens de Nederlandsche Bank (2000: p. 6) is sprake van financiële stabiliteit "wanneer een financieel systeem in
staat is om middelen efficiënt te alloceren en schokken goed op te vangen, zodat deze geen ontwrichtende werking
hebben op de reële economie of op andere financiële systemen." Van financiële instabiliteit is onder andere sprake
wanneer "vermogensprijzen ver verwijderd raken van hun intrinsieke waarde" (de Nederlandsche Bank, 2000: p. 6).
58
Hoofdstuk 5
de toekomst (zie paragraaf 3.2.1) voor een toename van de activaprijzen en een excessieve
kredietexpansie. Daarnaast leidt deze toename van de productiviteitsgroei tot een daling van
de inflatie (zie paragraaf 5.2). Zoals eerder is aangegeven, kan in deze situatie gemakkelijk
een overdreven optimisme gaan ontstaan, waardoor de activaprijzen te sterk stijgen en een
asset price bubble zich ontwikkelt.96 Hoewel het dus in eerste instantie slechts een correlatie
betreft tussen een lage inflatie en het ontstaan van een bubble, kan vervolgens ook sprake
zijn van een causaliteit. De lage inflatie stelt de centrale bank namelijk in staat de rente te
verlagen (terwijl de reële interestvoet juist zou moeten toenemen, zie paragraaf 5.3.1) en
daarmee de economie en de activaprijzen extra te stimuleren. Borio en Lowe verwoorden het
hierdoor ontstane dilemma als volgt. "More concretely, is a monetary regime focused
exclusively on controlling short-run deviations of inflation around some desired target level
likely to deliver the right combination of monetary and financial stability?"97
Zij geven vervolgens drie argumenten tegen een meer direct gebruik van het monetaire
beleid ter bevordering van de financiële stabiliteit.98 In de eerste plaats is het de vraag of de
centrale bank financiële onevenwichtigheden voldoende vroeg en met voldoende zekerheid
kan identificeren. Daarnaast is het effect van de beleidsreactie onvoorspelbaar. Greenspan
(2002) merkt in dit verband op: "it was far from obvious that bubbles, even if identified early,
could be preempted short of the central bank inducing a substantial contraction in economic
activity – the very outcome we would be seeking to avoid."99 Het laatste tegenargument dat
door Borio en Lowe wordt gegeven, is dat het "doorprikken" van een bubble, zelfs wanneer
een centrale bank daartoe in staat zou zijn, moeilijk is uit te leggen aan het publiek. In dit
verband merken zij op: "It takes a brave central bank to raise interest rates in the absence of
obvious inflationary pressures, given the risk of being perceived as undermining prosperity.
Moreover, even if the central bank was successful in containing the imbalances, this would
necessarily lead to a slowdown in economic growth. In the absence of any evidence to the
contrary, the central bank could come under heavy criticism for undermining what many
people would have regarded as a strong and sustainable boom."100
Bernanke (2002) is van mening dat het monetaire beleid niet (direct) moet worden
gebruikt ten behoeve van de financiële stabiliteit. Allereerst wijst hij erop dat enkele kleine
incrementele renteverhogingen een bubble hooguit iets zullen afremmen, maar niet
beëindigen. Bernanke merkt in dit verband op: "If a bubble […] is actually in progress, then
investors are presumably expecting outsized returns: 10, 15, 20 percent or more annually. Is
it
plausible
that
an
increase
of
½
percentage
point
in
short-term
interest
rates,
96
C. Borio en P. Lowe (2002: p. 21). Zij noemen nog enkele andere mogelijke oorzaken van het samengaan van een
bubble met een lage inflatie.
97
C. Borio en P. Lowe (2002: p. 22).
98
Borio en Lowe geven weliswaar argumenten tegen een dergelijk monetair beleid, maar zijn zelf voorstander hiervan
(zie verderop).
99
A. Greenspan (2002: p. 3).
100
C. Borio en P. Lowe (2002: p. 25).
59
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
unaccompanied by any significant slowdown in the broader economy, will induce speculators
to think twice about their equity investments? All we can conclude with much confidence is
that the rate hike will tend to weaken the macroeconomic fundamentals through the usual
channels, while the asset bubble, if there is one, may well proceed unchecked."101 Het is zelfs
mogelijk dat dergelijke kleine renteverhogingen de bubble verder doen groeien, doordat het
vertrouwen van beleggers in de economie verder wordt vergroot. In de ogen van de beleggers
verhoogt de centrale bank immers de rente omdat zij van mening is dat de economie zich
dermate voorspoedig ontwikkelt dat enige inflatiedruk kan gaan ontstaan.
Bernanke is van mening dat een bubble alleen kan worden doorgeprikt door een forse
renteverhoging, die de gehele economie aanzienlijk zal afzwakken. In dit verband merkt hij
op: "In short, we cannot practice "safe popping", at least not with the blunt tool of monetary
policy."102 Hij stelt vervolgens dat de situatie nog ingewikkelder wordt wanneer de bubble
slechts één specifiek type activum betreft (zoals gewoonlijk het geval is). Het monetaire
beleid is namelijk onmogelijk in staat dat ene type activum te beïnvloeden zonder een
uitwerking te hebben op de rest van de economie. "One might as well try to perform brain
surgery with a sledgehammer,"103 aldus Bernanke.
Hij is echter niet van mening dat een centrale bank helemaal niets kan doen om een
bubble tegen te gaan. Hij merkt namelijk op dat het gewenste raamwerk voor het monetaire
beleid kan worden samengevat door het adagium "Use the right tool for the job."104 Hij stelt
dat de Federal Reserve twee (brede) taken heeft. Enerzijds moet zij een gezonde economie,
dat wil zeggen maximale bestendige werkgelegenheid, prijsstabiliteit en een gematigde lange
rente, bevorderen. Anderzijds heeft de Federal Reserve de verantwoordelijkheid om de
stabiliteit van het financiële systeem te helpen handhaven. Het middel voor de eerste
doelstelling is het monetaire beleid in enge zin en voor de tweede doelstelling heeft de Federal
Reserve
meerdere
instrumenten
ter
beschikking.
Hiertoe
behoren
onder
andere
de
mogelijkheid tot het opstellen van regelgeving, het uitoefenen van toezicht en een "lender-oflast-resort"-functie (via de zogenaamde discount window). Bernanke is van mening dat de
centrale bank zich ook strikt aan deze verdeling dient te houden: het monetaire beleid moet
worden
gebruikt
voor
de
macro-economische
doelstellingen,
terwijl
de
regulerende,
toezichthoudende en "lender-of-last-resort"-instrumenten moeten worden aangewend ten
behoeve van de financiële stabiliteit. Overigens sluit dit niet uit dat de financiële markten
geen rol spelen bij de bepaling van het monetaire beleid: voorzover (ontwikkelingen in)
activaprijzen een invloed hebben op de (verwachte) inflatie of een indicatie geven van de
101
B.S. Bernanke (2002: p. 6).
102
B.S. Bernanke (2002: p. 6); het betreft hierbij monetair beleid in enge zin: "monetary policy, which today we think
of primarily in terms of setting the overnight interest rate, the federal funds rate" (B.S. Bernanke, 2002: p. 1).
103
B.S. Bernanke (2002: p. 6).
104
B.S. Bernanke (2002: p. 2).
60
Hoofdstuk 5
(verwachte) inflatoire ontwikkelingen, dienen zij wel in het geldpolitieke beslissingsproces te
worden opgenomen.105
Met betrekking tot de financiële stabiliteit is het de taak van de centrale bank om,
tezamen met andere instituten, ervoor te zorgen dat financiële markten en financiële
instellingen goed zijn voorbereid op een eventuele grote schok ten aanzien van de
activaprijzen. Daartoe dienen de financiële instellingen adequaat gekapitaliseerd106 en
gediversifieerd te zijn. Daarnaast moeten zij hun portefeuilles "stress-testen" tegen een
aanzienlijk aantal verschillende scenario's. Tevens kan de centrale bank bijdragen aan het
voorkómen van bubbles door middel van het stimuleren van meer transparante boekhoud- en
verslagleggingsstandaarden en het verbeteren van de financiële kennis en competentie van
beleggers. Tot slot moet de centrale bank, indien het tóch tot een plotselinge correctie van
activaprijzen komt, ervoor zorgen dat de financiële architectuur overeind blijft. Hierbij gaat
het met name om het betalingssysteem en de clearing-systemen voor effecten en andere
financiële instrumenten.
Volgens Bernanke heeft deze benadering een viertal voordelen. In de eerste plaats blijft
het monetaire beleid op deze manier gericht op de juiste variabelen, te weten de economische
activiteit en de inflatie. Daarnaast is dit beleid transparant en goed te communiceren naar het
publiek. Vervolgens vereist deze strategie niet dat de monetaire beleidsmakers systematisch
beter in staat zijn financiële activa te waarderen dan de markt. Hierbij aansluitend wordt
voorkomen dat het oordeel van beleidsmakers ten aanzien van bedrijfsvooruitzichten als
belangrijker wordt gezien dan dat van beleggers. Tot slot is de strategie robuust, omdat zij de
economie beschermt tegen rampzalige uitkomsten, zoals in 1929 en de daaropvolgende
jaren.107
Meerdere auteurs zijn het echter niet (geheel) met Bernanke eens. Volgens Borio en Lowe zijn
de bovenstaande argumenten onvoldoende om het monetaire beleid niet voor bevordering
van de financiële stabiliteit aan te wenden. Zij stellen dat de moeilijkheden bij het
identificeren van financiële onevenwichtigheden kunstmatig worden vergroot door het
probleem te benaderen in termen van asset price bubbles. Bij een dergelijke benadering is
het namelijk noodzakelijk om binnen de stijging van de activaprijzen de fundamentele en
niet-fundamentele componenten te onderscheiden. Het is echter, zoals Bernanke en Gertler
(1999) opmerken, "nearly impossible to know for sure whether a given change in asset values
results from fundamental factors, nonfundamental factors, or both."108 Bernanke en Gertler
105
Zie ook B.S. Bernanke en M. Gertler (1999, p. 18): "policy should not respond to changes in asset prices, except
insofar as they signal changes in expected inflation."
106
Zeker in het geval van een bubble is dit van groot belang. De onderliggende waarde – mits zuiver berekend – van
het onderpand is dan namelijk lager dan de nominale waarde (op basis waarvan de omvang van de kredieten wordt
vastgesteld).
107
B.S. Bernanke (2002: p. 2-3). Verderop in zijn speech gaat Bernanke in op het monetaire beleid in de aanloop naar
de Grote Depressie. Hij is van mening dat het beleid van de Federal Reserve, dat er sterk op was gericht de
(veronderstelde) bubble door te prikken, voor een belangrijk deel verantwoordelijk is geweest voor de ernst van deze
crisis.
108
B.S. Bernanke en M. Gertler (1999: p. 18).
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
61
concluderen hieruit dat de monetaire beleidskoers maar zeer beperkt mag afhangen van de
ontwikkelingen van de activaprijzen. Borio en Lowe zijn echter juist van mening dat
activaprijzen wel degelijk een rol moeten spelen, maar dat daarbij "the more relevant issue is
not whether a "bubble" exists in a given asset price, but rather what combination of events in
the financial and real sectors exposes the financial system to a materially increased level of
risk."109 Zo blijkt uit hun onderzoek dat een combinatie van een sterke kredietgroei, sterk
stijgende activaprijzen en hoge investeringsniveaus steevast leidt tot dergelijke spanningen in
het financiële systeem. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de kredietgroei van
deze drie indicatoren de beste individuele voorspeller is. Met de combinatie van de drie
indicatoren worden weliswaar minder crises voorspeld dan met de kredietgroei afzonderlijk110,
maar wordt wel het aantal foutieve positieve signalen (waarbij de indicatoren een crisis
voorspellen, terwijl die niet ontstaat) verlaagd. Dit doet vervolgens de vraag ontstaan welke
beslissing problematischer is: niet reageren op opkomende kwetsbaarheden of onterecht
ingrijpen omdat de indicatoren een onjuist signaal afgeven?
Hierbij wijzen Borio en Lowe op "the asymmetric nature of the costs of policy errors."111
Wanneer er geen sprake is van een bubble en de boom dus houdbaar is, is het
onwaarschijnlijk dat het monetaire beleid de economie geheel kan doen ontsporen. Níet
ingrijpen bij een bubble zou daarentegen veel schadelijker gevolgen kunnen hebben indien de
zeepbel zou barsten. De angst dat een eventueel ingrijpen onterecht zal blijken te zijn, is
echter voor een centrale bank onnodig groot en leidt tot een te grote terughoudendheid om in
te grijpen. De meeste monetaire beleidsregimes zijn namelijk zodanig ingericht dat de
centrale bank zich alleen op de inflatie en eventueel op de economische groei (zoals de
Federal Reserve) mag richten. Onterecht ingrijpen zal de centrale bank in een dergelijk
beleidsregime zware kritiek opleveren vanwege het afwijken van de normale beleidskoers.
Daarom zijn Borio en Lowe van mening dat een alternatief beleidsregime moet worden
geadopteerd, waarin naast de genoemde macro-doelstellingen ook het handhaven van de
financiële stabiliteit een plaats moet krijgen.112
Cecchetti et al. (2002) zijn ook van mening dat de centrale bank haar monetaire beleid
mede moet laten afhangen van activaprijzen. Overigens geven zij hierbij expliciet aan dat
"central banks can improve macroeconomic performance by reacting to asset price
misalignments. We are not now saying […] that policymakers should target asset prices."113
De belangrijkste reden waarom in het monetaire beleid rekening dient te worden gehouden
met activaprijzen is volgens deze auteurs het feit dat asset price bubbles afwijkingen
veroorzaken in de investeringen en de consumptie, waardoor het nationale inkomen en de
109
C. Borio en P. Lowe (2002: p. 11).
110
Dit is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat sommige van de onderzochte crises niet samengingen met een
(forse) stijging van de beurskoersen.
111
C. Borio en P. Lowe (2002: p. 26).
112
C. Borio en P. Lowe (2002: p. 13-18).
113
S.G. Cecchetti, H. Genberg en S. Wadhwani (2002: p. 2).
62
Hoofdstuk 5
inflatie buitensporig zullen stijgen en dalen. Zij stellen voor om de rentetarieven licht te
verhogen wanneer activaprijzen hoger zijn dan door fundamentals gerechtvaardigde niveaus
en vice versa. Wanneer dit beleid van "leaning against the wind" bovendien bekend is bij het
publiek, kan de kans op het überhaupt ontstaan van bubbles afnemen, omdat overdreven
optimisme minder snel zal ontstaan.
Overigens stellen Cecchetti et al. dat niet systematisch moet worden gereageerd op alle
veranderingen in activaprijzen. Zij achten het namelijk van groot belang of het fundamentele
of juist niet-fundamentele prijswijzigingen betreft, omdat "it is only the latter that create the
potential for significant future volatility."114 Terwijl Bernanke (en Gertler), zoals eerder is
aangegeven, van mening zijn dat dit zeer moeilijk is waar te nemen, zijn Cecchetti et al.
optimistischer. Bovendien zijn zij van mening dat het schatten van de output gap, hetgeen
noodzakelijk is om de door Bernanke en Gertler gehanteerde Taylor-regel115 te kunnen
hanteren, ten minste even moeilijk is als het schatten van de fundamentele waarde van
activa. The Economist (2002b) deelt de mening van Cecchetti et al. dat centrale banken beter
in staat zijn tot de identificatie van de fundamentele en niet-fundamentele componenten van
een stijging van de activaprijzen dan beleggers. Daar wordt namelijk gesteld dat "central
bankers are less likely to run with the herd. They have longer time horizons and different
incentives, as well as a better understanding of the feedback between the financial sector and
the real economy, so they may respond differently to the same information."116 Overigens zijn
Bordo en Jeanne (2002) juist van mening dat het niet van belang is of de activaprijsstijging
fundamenteel of niet fundamenteel is. Zij stellen namelijk dat ook in het geval van
fundamentele stijgingen plotselinge dalingen kunnen plaatsvinden: "even if asset markets
were completely efficient, abrupt price reversals could occur, and pose the same problem for
monetary authorities as bursting bubbles."117 Aangezien een centrale bank zich moet
bezighouden met financiële stabiliteit, zou het derhalve juist niet van (groot) belang zijn of de
stijging fundamenteel is of niet. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat, zelfs als de stelling van
Bordo en Jeanne juist is, de volatiliteit in het geval van zuiver fundamentele veranderingen in
activaprijzen van eenzelfde omvang zal zijn als bij bubbles.
Ten slotte geeft Bernanke nog een theoretisch argument voor het toepassen van de
"leaning-against-the-bubble"-strategie, waarbij hij stelt dat "it may be worthwhile for the Fed
to take out a little "insurance," so to speak, against the formation of an asset price bubble
and its potentially adverse effects."118 De vergelijking met een verzekering loopt hierbij als
volgt. Het eventueel te verzekeren risico betreft het optreden van financiële instabiliteit. Voor
114
S.G. Cecchetti, H. Genberg en S. Wadhwani (2002: p. 15).
115
De Taylor-regel geeft het verband weer tussen enerzijds de beleidsrente die wordt bepaald door de centrale bank
en anderzijds de output gap, de gemiddelde reële rente op lange termijn en het verschil tussen de daadwerkelijke
inflatie en de inflatiedoelstelling.
116
The Economist (2002b: p. 29).
117
M.D. Bordo en O. Jeanne (2002: p. 5).
118
B.S. Bernanke (2002: p. 3); overigens is hij, zoals eerder al is aangegeven, tegen het toepassen van deze
strategie.
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
63
deze verzekering moet echter wel een premie worden betaald. Deze premie bestaat
bijvoorbeeld uit de verliezen die optreden als de Federal Reserve de situatie verkeerd inschat,
de kosten van een verminderde transparantie van het beleid en een verlaging van de
economische groei. Bernanke merkt vervolgens op dat, "as a matter of theory, it is rarely the
case in economics that the optimal amount of insurance in any situation is zero."119 Gegeven
een bepaald risico en een bepaalde premie om tegen dat risico verzekerd te zijn, is derhalve
enige mate van verzekeren bijna altijd beter dan in het geheel niet verzekeren. Dit betekent
overigens niet dat men zich volledig tegen dat risico zou moeten verzekeren. In het kader van
de vraag of een centrale bank bij de bepaling van de beleidskoers zou moeten reageren op
activaprijzen, betekent dit dat enige mate van reageren altijd gerechtvaardigd is. De optimale
reactie is derhalve groter dan nul, hoewel het verder niet bekend is hóe krachtig de reactie
dan zou moeten zijn.
5.3.4 Discussie
Zoals in de voorgaande drie subparagrafen is gebleken, is de te volgen monetaire
beleidskoers in relatie tot een nieuwe doorbraaktechnologie van vele factoren afhankelijk. De
optimale beleidskoers is derhalve niet eenvoudig te specificeren. Vooral de mate waarin de
centrale bank in haar monetaire beleid rekening moet houden met de ontwikkeling van
activaprijzen (en bijvoorbeeld de kredietgroei) is een bron van veel discussie. In alle
strategieën spelen activaprijzen wel een rol, maar de aanbevolen beleidsreactie varieert van
"alleen reageren op activaprijzen voorzover die invloed hebben op of een indicatie geven van
de toekomstige inflatoire ontwikkelingen" tot "leaning against the bubble".
Met betrekking tot de te volgen monetaire beleidskoers (in enge zin, dat wil zeggen het
rentebeleid) in het geval van een nieuwe doorbraaktechnologie kan het volgende worden
gesteld. In de eerste plaats wijst de theoretische uiteenzetting van Broaddus (2000) uit dat
op den duur de reële rente zal moeten worden verhoogd, zodat – bij constante
inflatieverwachtingen en een constante vorm van de yieldcurve – de centrale bank de
beleidsrente op een gegeven moment zal moeten verhogen. De timing en de omvang van een
dergelijke rentestap hangen onder meer samen met de omvang en de snelheid van de in
paragraaf 3.2 omschreven verwachtingseffecten. Wanneer deze effecten sterker zijn en/of
sneller optreden, zal de rente forser en/of sneller moeten worden verhoogd. In principe wordt
deze overgang naar een nieuwe steady state (met een hoger reëel renteniveau) direct
ingezet, zodat de centrale bank al snel de rente (geleidelijk) zou moeten gaan verhogen.
Naast de inflatoire effecten die van de – realistische – verwachtingen uitgaan, spelen op korte
en middellange termijn echter ook andere invloeden een rol. Deze invloeden, zoals
bijvoorbeeld rigiditeiten, niet-rationele verwachtingen en imperfecte informatie, zorgen
namelijk voor additionele vraag- en aanbodeffecten, waardoor het daadwerkelijk te voeren
119
B.S. Bernanke (2002: p. 3).
64
Hoofdstuk 5
rentebeleid kan afwijken van de opwaartse overgang naar de nieuwe steady state. Gezien de
onzekerheden met betrekking tot deze additionele vraag- en aanbodeffecten kan deze
afwijking echter niet (theoretisch) worden bepaald. Tot slot resteert de vraag of activaprijzen
en meer in het algemeen financiële stabiliteit een directe invloed moeten hebben op het
monetaire beleid.
Voor het toepassen van de "leaning-against-the-bubble"-strategie is in het algemeen
wel wat te zeggen. In de eerste plaats duidt het "verzekeringsargument" (zie paragraaf 5.3.3)
erop dat het in het geheel niet toepassen van een dergelijke strategie waarschijnlijk niet
optimaal is. In verband met de gewenste timing en omvang van de renteverhoging die
Broaddus op een gegeven moment noodzakelijk acht, kan de ontwikkeling van de
activaprijzen (en van de kredietgroei) een indicatie vormen. Wanneer de activaprijzen snel
gaan toenemen is een renteverhoging al vrij snel wenselijk, omdat de verwachtingseffecten
die uit de activaprijsstijging voortvloeien op een gegeven moment zullen zorgen voor een
toename van de inflatoire druk. Bovendien wijst de geschiedenis uit dat in het geval van een
nieuwe
doorbraaktechnologie
vaak
overspannen
toekomstverwachtingen
ontstaan.
De
activaprijzen kunnen hierdoor té sterk stijgen (er ontstaat een bubble), waardoor het risico
van financiële instabiliteit toeneemt. Het waarnemen van dergelijke onevenwichtigheden is
weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk, mede omdat naast de activaprijzen ook andere
indicatoren, zoals de kredietgroei, informatie verschaffen omtrent mogelijke financiële
instabiliteit. Bovendien zal een centrale bank anders reageren dan beleggers op dezelfde
informatie, omdat zij bijvoorbeeld een langere tijdshorizon hebben en andere incentives.
Gezien de sterk negatieve effecten die kunnen uitgaan van een forse correctie van
activaprijzen op de reële economie, is het wenselijk om in te grijpen bij het ontstaan en
toenemen van overwaardering van financiële activa. Een renteverhoging zou wellicht kunnen
helpen bij het enigszins indammen van een opbouw van financiële onevenwichtigheden. Bij
een dergelijke strategie is het belangrijk dat vooral niet te laat wordt begonnen met het
verhogen van de rente, maar ook dat niet wordt geprobeerd een bubble agressief tegen te
gaan. Zeker een combinatie van beide, zoals die in de aanloop naar de Grote Depressie tot
stand werd gebracht, moet te allen tijde worden voorkomen.
Er zijn echter ook goede argumenten tegen het volgen van de bovengenoemde
strategie. In de eerste plaats kan een renteverhoging door de centrale bank indruisen tegen
de enorme rendementsverwachtingen die beleggers in het geval van een bubble meestal
koesteren. Daardoor zal het effect van de rentemaatregelen zeer minimaal zijn. Tevens is een
bubble doorgaans geconcentreerd in één specifiek type activum, terwijl het monetaire beleid
invloed heeft op de gehele economie.120 Dientengevolge is het rentebeleid eigenlijk een te
"lomp" instrument om dergelijke specifieke onevenwichtigheden te bestrijden. Voorts is het,
ondanks methoden zoals die van Borio en Lowe, niet gemakkelijk om al in een vroegtijdig
120
Hoewel de "echte" bubble dus meestal betrekking heeft op één type activum, is het meestal wel zo dat ook de
prijzen van andersoortige activa een (weliswaar meer gematigde) opwaartse invloed zullen ondervinden van de
ontstane positieve verwachtingen.
65
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
stadium met een grote mate van zekerheid het ontstaan van onevenwichtigheden te
identificeren. Dit leidt ertoe dat vroeg ingrijpen erg moeilijk wordt, te meer omdat dergelijke
vroege (pre-emptive) maatregelen zeer moeilijk te communiceren zullen zijn. Meer in het
algemeen geldt reeds dat een "leaning-against-the-bubble"-strategie minder transparant zal
zijn dan een zuivere inflatiedoelstelling. Het publiek (waaronder politici) zal namelijk niet
gemakkelijk begrip kunnen opbrengen voor beleidsstappen die – in de ogen van het publiek –
de groei (ook op lange termijn) ondermijnen. Een centrale bank zal bijvoorbeeld nooit kunnen
aantonen dat de negatieve effecten van het barsten van een bubble door haar beleid kleiner
waren dan het geval zou zijn geweest bij een beleid zonder aandacht voor financiële
stabiliteit. Het vergt zelfs moeite om het publiek ervan te overtuigen dat het barsten van de
bubble ook zou zijn gebeurd zonder ingrijpen van de centrale bank: het is goed mogelijk dat
de monetaire autoriteiten de schuld krijgen van (de ernst van) de economische neergang. Het
is derhalve erg lastig om een "leaning-against-the-bubble"-strategie te voeren, wanneer het
publiek niet kan worden overtuigd dat een dergelijke strategie de totale welvaart op lange
termijn vergroot. De geloofwaardigheid van de centrale bank zal derhalve afnemen, waardoor
zij (veel) meer moeite zal hebben om met haar beleid de gewenste effecten te
bewerkstelligen.
Concluderend lijkt een "leaning-against-the-bubble"-strategie, ondanks de wenselijkheid
ervan, zeer moeilijk uitvoerbaar. Dit neemt niet weg dat een centrale bank ook via andere
kanalen een bijdrage kan leveren aan de financiële stabiliteit. In de eerste plaats is zeker een
rol weggelegd voor de regulerende, toezichthoudende en "lender-of-last-resort"-instrumenten
van de centrale bank. Hierbij dient de centrale bank onder andere toe te zien op een adequate
kapitalisatie
en
diversificatie
van
financiële
instellingen,
transparante
boekhoud-
en
verslagleggingsstandaarden en, in het geval van een plotselinge correctie, het overeind
blijven van de financiële architectuur (betalings- en clearing-systemen). Tot slot kan een
centrale bank door middel van "management by speech" trachten de markten enigszins in
toom te houden. Hierbij past in ieder geval het betrachten van enige voorzichtigheid bij het
erkennen van vermeende structurele verbeteringen in de economie.
5.4 Samenvatting
Een doorbraaktechnologie heeft via meerdere kanalen gevolgen voor het monetaire beleid.
Grofweg betreft dit vraag- en aanbodeffecten, die via de inflatie hun uitwerking hebben op het
monetaire beleid (dat is gericht op een lage en stabiele inflatie). Hoewel deze effecten op
zichzelf reeds tamelijk complex zijn, kan een specifieke factor die hierbij een rol speelt, te
weten de activaprijzen, nog voor aanvullende moeilijkheden zorgen.
In paragraaf 5.2 is de invloed van doorbraaktechnologieën op de inflatie besproken.
Hierbij spelen de genoemde vraag- en aanbodeffecten een rol. Als positieve aanbodschok
zorgt een doorbraaktechnologie via een groeiversnelling van de arbeidsproductiviteit voor een
afname van de inflatoire druk (op zeer korte termijn). Vervolgens zal echter via verschillende
66
Hoofdstuk 5
kanalen ook een positief vraageffect gaan optreden, waardoor juist een opwaartse druk op de
inflatie kan ontstaan. Het totaalbeeld met betrekking tot de inflatie is derhalve theoretisch
onbepaald. Deze ambiguïteit, die betrekking heeft op de korte en middellange termijn, hangt
van de volgende factoren af: de timing en snelheid van de toename van de vraag en het
aanbod en de prijselasticiteit van zowel de vraag als het aanbod.
De genoemde ambiguïteit op korte en middellange termijn werkt ook door in het
monetaire beleid. Tegenwoordig richten de meeste centrale banken zich (voornamelijk) op de
inflatie. Wanneer die strategie strikt wordt toegepast, is het niet mogelijk om de te volgen
monetaire beleidskoers theoretisch te bepalen voor doorbraaktechnologieën in het algemeen.
Gezien de hierboven genoemde tegengestelde en veelal moeilijk te kwantificeren invloeden op
de inflatie zal de situatie voor iedere doorbraaktechnologie namelijk anders zijn en daarom
moet per situatie (per doorbraaktechnologie) worden bepaald of en in hoeverre de
verschillende invloeden een rol spelen. Op basis van de ontwikkelingen in een concrete
situatie is het wel (beter) mogelijk om de te volgen beleidskoers te bepalen.
Op langere termijn dient de reële rente in ieder geval te stijgen, omdat, als gevolg van
de
versnelling
van
de
productiviteitsgroei
die
wordt
veroorzaakt
door
de
doorbraaktechnologie, de bestedingen op een gegeven moment het aanbod zullen gaan
overtreffen. De toename van de productiviteitsgroei resulteert namelijk in een stijging van het
verwachte toekomstige inkomen, waardoor een intertemporeel substitutie-effect in gang
wordt gezet. Doordat de aanbodzijde van de economie deze substitutie op een gegeven
moment niet meer (geheel) kan opvangen, zal dit leiden tot een toename van de inflatoire
druk. Om het intertemporele substitutieproces aan de vraagzijde in goede banen te leiden,
dient de reële rente (de prijs van huidige bestedingen in termen van toekomstig inkomen) te
stijgen. Aangenomen dat de verwachte inflatie niet verandert en de yieldcurve evenwijdig
verschuift, zal de centrale bank op een gegeven moment – bij voorkeur vóórdat de inflatie
ook daadwerkelijk gaat stijgen – de rente moeten verhogen.
Het is echter nog wel de vraag of het voldoende is om alleen naar de inflatie te kijken.
De ontwikkeling van de activaprijzen is wellicht een factor waaraan de centrale bank in haar
beleidsbepaling meer aandacht zou moeten besteden. Deze ontwikkeling vormt in de eerste
plaats een onderdeel van het genoemde intertemporele substitutie-effect en geeft daarvan
ook een indicatie.121 Een (té) sterke stijging van de activaprijzen (en de kredietgroei) kan
echter ook de financiële stabiliteit in gevaar brengen. De onzekerheid die met de komst van
een
doorbraaktechnologie
gepaard
gaat,
kan
namelijk
leiden
tot
té
optimistische
verwachtingen ten aanzien van de toekomst (zie paragraaf 3.2.1). Deze verwachtingen
kunnen vervolgens zorgen voor een stijging van de activaprijzen tot een niveau dat niet meer
wordt gerechtvaardigd door de fundamentele economische veranderingen. Anders gezegd kan
een asset price bubble gaan ontstaan, die, naarmate deze verder wordt opgeblazen, vanwege
de dreigende correctie een steeds groter risico gaat betekenen voor de reële economie.
121
Dit is in overeenstemming met de strategie van Bernanke en Gertler: een centrale bank moet alleen reageren op
activaprijzen voorzover die invloed hebben op of een indicatie geven van de toekomstige inflatoire ontwikkelingen.
67
Doorbraaktechnologieën, inflatie en het monetaire beleid
In verband met de gevaren voor de financiële stabiliteit die een bubble met zich
meebrengt, is het in principe wenselijk dat de centrale bank deze zeepbel via haar monetaire
beleid enigszins probeert af te remmen. Bij de waarneming van dergelijke financiële
onevenwichtigheden zou overigens niet alleen moeten worden gekeken naar de activaprijzen
(en de beurskoersen in het bijzonder) alleen. Zoals onderzoek van Borio en Lowe (2002)
uitwijst, zijn namelijk ook andere variabelen (en dan met name de kredietgroei) goede
indicatoren voor toekomstige financiële instabiliteit. Overigens is het bij een dergelijke
strategie niet de bedoeling dat de centrale bank de zeepbel probeert door te prikken. Zoals
ook in het verleden is gebleken, vereist een dergelijke doelstelling namelijk forse
renteverhogingen, hetgeen onder andere zijn oorsprong vindt in het feit dat een bubble vaak
wordt
gekenmerkt
door
zeer
hooggespannen
rendementsverwachtingen.
Dergelijke
renteverhogingen zullen de reële economische ontwikkeling echter zeer nadelig kunnen
beïnvloeden, waardoor het medicijn erger zou worden dan de kwaal.
De bovenstaande strategie heeft echter ook duidelijke minpunten. Zoals is aangegeven,
is zij namelijk niet in staat een bubble geheel te voorkomen of tijdig door te prikken. In het
licht van de uitzonderlijk hoge rendementsverwachtingen die met een bubble samengaan, kan
het ontstaan en zich ontwikkelen van een zeepbel met een dergelijke strategie namelijk ten
hoogste
worden
afgeremd.
Bovendien
is
het
monetaire
beleid
niet
in
staat
om
onevenwichtigheden in slechts één specifiek type activum te beperken. Rentewijzigingen
hebben namelijk invloed op de gehele economie, terwijl vaak bij slechts één type activum
sprake is van een bubble. Tot slot zullen de communicatie naar het publiek en de
transparantie van een beleid waarin (explicieter) rekening wordt gehouden met activaprijzen
en kredietgroei minder zijn dan bij een beleid dat alleen op de inflatie is gericht. De
geloofwaardigheid van de centrale bank zal hierdoor afnemen, hetgeen ertoe leidt dat zij met
haar beleid moeilijker de gewenste effecten kan bereiken. Al met al is het nog maar de vraag
of een "leaning-against-the-bubble"-strategie de voorkeur verdient boven een zuivere
inflatiedoelstelling.
Onafhankelijk
van
de
gekozen
strategie
met
betrekking
tot
het
rentebeleid, dient de centrale bank in ieder geval de financiële stabiliteit te ondersteunen via
de andere middelen die haar ter beschikking staan, zoals de regulerende, toezichthoudende
en "lender-of-last-resort"-instrumenten. Tevens heeft zij de mogelijkheid van "management
by speech", waarbij vooral ook voorzichtigheid in acht moet worden genomen bij het
erkennen van structurele economische verbeteringen.
6 Samenvatting en conclusies
In dit hoofdstuk zal in de eerste plaats de inhoud van de voorgaande hoofdstukken worden
samengevat. Vervolgens zal worden getracht een bevredigend antwoord op de vraagstelling
uit de inleiding (hoofdstuk 1) te geven. Tot slot volgen nog enkele suggesties voor
vervolgonderzoek.
De definitie van het begrip "doorbraaktechnologie", die in deze studie is gehanteerd, luidt als
volgt. Een doorbraaktechnologie is een technologie die een groot potentieel biedt voor
verbetering, vele verschillende toepassingen kent op vele plaatsen in de economie,
uitgebreide innovationele complementariteiten heeft en geen directe afgeleide is van een
andere technologie. Deze definitie is gebaseerd op een viertal artikelen uit de literatuur. In
het werk van Freeman en Perez (1988) is een doorbraaktechnologie de drijvende kracht
achter een verandering van het techno-economisch paradigma, hetgeen een verandering is
van het technologische systeem met een zeer grote invloed op de gehele economie. Mokyr
(1990) onderscheidt macro- en micro-uitvindingen, waarbij de eerste een radicaal nieuw idee
betreffen, maar niet per se een grote directe invloed hoeven te hebben op de economie.
Volgens Bresnahan en Trajtenberg (1992) hebben doorbraaktechnologieën een drietal
karakteristieke
eigenschappen,
te
weten
general
purposeness,
een
grote
mate
van
technologische dynamiek en innovationele complementariteiten. Tot slot hanteren Lipsey et
al. (1998) vier criteria voor een doorbraaktechnologie, namelijk een groot potentieel voor
verbetering, vele verschillende toepassingen op vele plaatsen in de economie en een grote
mate van complementariteit. Op basis van de gehanteerde definitie zijn de volgende
doorbraaktechnologieën (van de afgelopen 250 jaar) geselecteerd: de stoommachine,
elektriciteit, de verbrandingsmotor, de kunststoffen en informatie- en communicatietechnologie (ICT).
De relatie tussen doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus valt theoretisch uiteen in
de effecten van een doorbraaktechnologie op de conjunctuurcyclus op korte termijn en de
invloed van doorbraaktechnologieën op de structurele ontwikkeling van de conjuncturele
stabiliteit.
De
korte-termijneffecten
werken
hoofdzakelijk
via
verwachtingen.
Een
doorbraaktechnologie kan de verwachtingen ten aanzien van de toekomst namelijk (sterk)
verbeteren. Shiller (2000) bespreekt dit aan de hand van het begrip new era economic
thinking. Hierbij leidt een doorbraaktechnologie ertoe dat men verwacht dat het in de
toekomst beter en/of minder onzeker zal zijn dan in het verleden. Hij beschrijft het new era
economic thinking van een viertal perioden (het begin van de twintigste eeuw, de jaren '20,
de jaren '50 en '60 en de jaren '90) en noemt bij elke periode technologieën als één van de
oorzaken van het tot stand komen van de positieve toekomstverwachtingen. Het is echter
zeer goed mogelijk dat de verwachtingen té optimistisch zijn. De komst van een nieuwe
doorbraaktechnologie behelst namelijk zeer grote (positieve) veranderingen en leidt daardoor
70
Hoofdstuk 6
tot een toename van de onzekerheid. Dientengevolge is het moeilijk om de daadwerkelijke
omvang van deze veranderingen in te schatten en om te bepalen in hoeverre zij structureel
zijn. In een dergelijke situatie is het publiek meestal eerder té optimistisch dan té
pessimistisch. Hierdoor kan een asset price bubble ontstaan, waarbij beurskoersen oplopen
tot hogere niveaus dan door de daadwerkelijke, fundamentele ontwikkelingen uiteindelijk zal
worden gerechtvaardigd.
Overigens hoeft een dergelijke bubble niet volledig het gevolg te zijn van overspannen
en irrationele verwachtingen. De "greater fool"-theorie stelt in dit verband namelijk dat de
meeste beleggers wel erkennen dat (bepaalde) aandelen (veel) te duur zijn. Desondanks
zullen zij die aandelen toch kopen in de verwachting dat er altijd een greater fool zal zijn die
nog meer voor de aandelen zal willen betalen. Hoe langer een bepaalde overwaardering blijft
voortbestaan en hoe groter zij wordt, des te omvangrijker wordt het risico van een correctie.
Overigens is een correctie op den duur onvermijdelijk, omdat irreële verwachtingen op een
gegeven moment altijd onjuist zullen blijken te zijn. Hierbij bestaat vervolgens weer de
neiging tot een overreactie in neerwaartse richting: overdreven pessimisme.
(Positieve) verwachtingen hebben op verscheidene manieren een invloed op de
economie. In de eerste plaats zorgt een toename van het verwachte toekomstige inkomen
volgens de Life Cycle Hypothesis of Saving van Modigliani en Brumberg reeds in het heden
voor een stijging van de consumptieve bestedingen. Daarnaast zal het verwachte rendement
op investeringen toenemen met een stijging van de investeringen tot gevolg. Een volgend
kanaal wordt gevormd door de beurskoersen, die als gevolg van de positieve verwachtingen
zullen stijgen. Deze stijging zal leiden tot een toename van de consumptieve bestedingen als
gevolg van vermogenseffecten. De investeringen zullen eveneens stijgen ten gevolge van een
toename van Tobin's Q. Tot slot hebben de optimistische verwachtingen een invloed op de
reële economie via de kredietverlening. De kredietomvang zal worden vergroot en de
voorwaarden waartegen krediet wordt verstrekt, zullen worden versoepeld. In de eerste
plaats vindt deze ontwikkeling haar oorsprong in de toegenomen winstverwachtingen en de
daardoor grotere verwachte terugbetaalcapaciteit. Daarnaast zal de waarde van de activa op
de balansen van ondernemingen toenemen, waardoor de agency-kosten en de risicopremie
dalen.
Een tweede theoretische relatie tussen doorbraaktechnologieën en de conjunctuurcyclus
betreft de invloed van deze technologieën op de structurele ontwikkeling van de conjuncturele
stabiliteit. In het verleden is meerdere malen gesteld dat de conjunctuur stabieler zou zijn
geworden. Doorbraaktechnologieën kunnen hier, theoretisch gezien, zeer goed aan hebben
bijgedragen. De onderscheiden doorbraaktechnologieën – de stoommachine, elektriciteit, de
verbrandingsmotor, de kunststoffen en ICT – hebben namelijk (technologiespecifieke)
kenmerken waardoor zij zorgen voor een flexibilisering van de productie. Zowel de
stoommachine als de elektromotor was efficiënter dan haar respectievelijk zijn voorganger(s),
zodat de krachtbron minder eisen stelde aan de productieomgeving. De verbrandingsmotor
71
Samenvatting en conclusies
maakte het vervoer gemakkelijker en zorgde er daardoor voor dat geografische locatie van
productieactiviteiten minder belangrijk werd. De kunststoffen zorgden voor een flexibilisering
van de productie door de grote aanpasbaarheid van deze materialen aan het doeleinde
waarvoor ze worden gebruikt. Tot slot zorgde ICT voor een verbetering van het
voorraadmanagement, waaraan een flexibilisering van de productie ten grondslag lag.
Een meer flexibele productie stelt producenten in staat het aanbod beter af te stemmen
op de vraag. Discrepanties tussen vraag en aanbod zullen zich daardoor minder vaak
voordoen en bovendien kleiner zijn. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een meer flexibele
productie
vooral
stabiliserend
zal
werken
in
een
conjuncturele
opgang.
In
een
(vraaggedreven) neergang, zal de toegenomen flexibiliteit namelijk leiden tot een versnelling
van de neerwaartse aanpassing van de productie. Deze zorgt echter via een afname van de
inkoopvraag van ondernemingen en een daling van de werkgelegenheid voor een verdere
bestedingskrimp. Doordat de ondernemingen hun productie sneller kunnen aanpassen, zal de
bestedingskrimp echter ernstiger zijn dan zonder doorbraaktechnologie. Dientengevolge
verloopt de neergang sneller en is bovendien dieper. In de neergang zal een flexibilisering van
de productie derhalve leiden tot een toename van de volatiliteit van de conjunctuurcyclus. Met
betrekking tot de stabiliteit van de gehele cyclus is de vraag van belang of het effect in de
opgang of juist het effect in de neergang overheerst. De hypothese die aan de hand van de
theorie is opgesteld, houdt in dat een doorbraaktechnologie zorgt voor een afname van de
volatiliteit (oftewel toename van de stabiliteit) van de "structurele"122 conjunctuurcyclus
(opgang en neergang tezamen).
De vraag rijst nu of doorbraaktechnologieën ook daadwerkelijk invloed hebben gehad op de
(stabiliteit van de) conjunctuurcyclus. Deze vraag is onderzocht voor de Verenigde Staten
gedurende de afgelopen 125 jaar. Uit dit onderzoek komt naar voren dat na de doorbraak van
elektriciteit en de verbrandingsmotor (die vrijwel gelijktijdig plaatsvond), zowel de uitslag van
de conjunctuurbeweging als de duur van de gemiddelde cyclus statistisch significant toenam.
Het
algehele
beeld
met
betrekking
tot
de
ontwikkeling
van
de
stabiliteit
van
de
conjunctuurcyclus ten tijde van die technologieën is daardoor niet eenduidig. Bij de andere
twee onderzochte doorbraaktechnologieën, de kunststoffen en ICT, nam de volatiliteit van de
conjunctuurcyclus wél significant af. De uitslagen van de conjunctuurcyclus waren ná de
doorbraak van deze technologieën significant kleiner dan ervoor, terwijl de gemiddelde duur
van de cyclus niet significant veranderde. Overigens is de stoommachine niet nader
geanalyseerd vanwege een gebrekkige beschikbaarheid van (macro-economische) gegevens.
De resultaten zijn op de volgende wijze verkregen. In de eerste plaats zijn voor iedere
doorbraaktechnologie omslagpunten geïdentificeerd, dat wil zeggen de momenten waarop de
doorbraaktechnologieën een voldoende grote invloed op de economie gingen uitoefenen. De
volgende omslagpunten zijn gekozen: 1860-1870 (de stoommachine), 1915 (elektriciteit),
122
"Structureel" geeft in dit verband aan dat het gaat om de stabiliteit van de conjunctuurcyclus op lange termijn. Zo
worden bijvoorbeeld verwachtingseffecten (die slechts een tijdelijke invloed hebben) buiten beschouwing gelaten.
72
Hoofdstuk 6
1920 (de verbrandingsmotor), 1960 (de kunststoffen) en 1990 (ICT). Vervolgens is een
zogenaamd band-pass filter in vier varianten toegepast op reeksen van het bbp en de
industriële productie. Dit filter verwijdert enerzijds de seizoens- en erratische componenten
en anderzijds de trendmatige component, zodat de conjunctuurcyclus (de fluctuaties van
macro-economische
variabelen
rond
een
lange-termijntrend)
resteert.
Voor
iedere
doorbraaktechnologie is onderzocht of de volatiliteit van de genormeerde conjunctuurcyclus
(de cyclische waarde gedeeld door de trend) vóór het omslagpunt (de "GPT-periode"123)
verschilde van de volatiliteit ná het omslagpunt (de "referentieperiode"). Hierbij is zowel de
amplitude als de lengte van de cyclus onderzocht. De eerstgenoemde variabele werd bepaald
met behulp van de variantie van de genormeerde cyclus, terwijl de tweede een gemiddelde
was van de lengte van de cycli in de onderzochte periode.
De
uitkomsten
stabiliserende
invloed
ondersteunen
uitoefenen
de
op
hypothese
de
dat
"structurele"
doorbraaktechnologieën
conjunctuurcyclus.
In
een
de
referentieperioden van elektriciteit en de verbrandingsmotor vonden namelijk enkele sterk
destabiliserende gebeurtenissen plaats, te weten de Grote Depressie en de Tweede
Wereldoorlog. Het is meer dan denkbaar dat deze de toename van de amplitude van de
conjunctuurcyclus hebben veroorzaakt. Bij de naoorlogse technologieën, de kunststoffen en
ICT, nam de volatiliteit eenduidig af. De uitkomsten van deze studie liggen in lijn met de
resultaten van verscheidene onderzoeken, waarin de economische stabiliteit in de naoorlogse
periode (vooral de afgelopen twee decennia) aan de orde is gesteld. Volgens de literatuur is
de stabiliteit van de conjunctuurcyclus namelijk in de eerste decennia na de Tweede
Wereldoorlog afgenomen, waarna in de jaren '70 sprake was van een tijdelijke destabilisering.
Vervolgens is de conjunctuurcyclus sinds het begin van de jaren '80 weer stabieler geworden.
In de literatuur worden doorbraaktechnologieën echter niet genoemd als algemene
oorzaak van deze ontwikkeling. Wel wordt aandacht besteed aan ICT als specifieke factor bij
de stabilisering in de afgelopen twee decennia, vanwege de rol die deze technologie heeft
gespeeld bij de verbetering van het voorraadmanagement (Kahn et al. (2002)). Deze
verklaring wordt echter door Taylor (2001) ter discussie gesteld. Hij is van mening dat een
beter macro-economisch beleid (met name monetair beleid) de belangrijkste oorzaak is. Tot
slot zijn Stock en Watson (2002) van mening dat een drietal factoren een rol hebben
gespeeld,
te
weten
het
monetaire
beleid
(20%-30%),
geluk
in
de
vorm
van
productiviteitsschokken en schokken ten aanzien van goederenprijzen (20%-30%) en tot slot
other unknown forms of good luck (40%-60%).
Doorbraaktechnologieën hebben ook implicaties voor het monetaire beleid. Vanwege het
belang dat centrale banken tegenwoordig hechten aan de inflatie, dient eerst de invloed van
een doorbraaktechnologie op die variabele aan de orde te worden gesteld. Deze invloed loopt
via verscheidene kanalen, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen vraag- en
123
"GPT" is de afkorting van "general purpose technology", de Engelse term voor "doorbraaktechnologie".
Samenvatting en conclusies
73
aanbodeffecten. In de eerste plaats leidt een doorbraaktechnologie tot een hogere groei van
de arbeidsproductiviteit (aanbodeffect), hetgeen zich vertaalt in een neerwaartse druk op de
inflatie. Daarnaast zullen vraageffecten optreden als gevolg meer optimistische verwachtingen
ten aanzien van de toekomst. Dit optimisme zorgt voor hogere consumptieve bestedingen en
particuliere investeringen met als gevolg een opwaartse druk op de inflatie. De tegengestelde
invloed van deze beide effecten op de inflatie leidt ertoe dat het totaaleffect op korte en
middellange termijn niet theoretisch te bepalen is. Dit totaaleffect hangt af van de timing en
de snelheid van de toenames van de vraag en het aanbod en van de prijselasticiteit van zowel
de vraag als het aanbod. Samenvattend is voor de korte en middellange termijn niet een
algemeen recept te geven voor de gewenste monetaire beleidsreactie op de komst van een
nieuwe doorbraaktechnologie.
Op den duur zal echter een steady state tot stand komen, waarbij wel een eenduidige
invloed van een doorbraaktechnologie zal uitgaan. In principe speelt dit al vanaf het begin van
de aanwezigheid van de doorbraaktechnologie een rol, maar dan zijn, zoals hierboven is
aangegeven, ook andere effecten van belang, waardoor het totaalbeeld wordt vertroebeld.
Zowel de vraag als het aanbod zal als gevolg van een nieuwe doorbraaktechnologie naar een
nieuw (hoger) groeipad verschuiven. Door de eerder genoemde verwachtingseffecten zal
echter aan de vraagzijde een intertemporeel substitutie-effect optreden, zodat de vraagimpuls
sterker wordt dan de aanbodimpuls. Deze ontwikkeling leidt tot inflatoire druk, die moet
worden tegengegaan door een stijging van de prijs van huidige bestedingen in termen van
toekomstig inkomen, oftewel de reële rente. Aangenomen dat de yieldcurve evenwijdig
verschuift bij een verandering van de (nominale korte) rente door de centrale bank en dat de
verwachte inflatie op de lange termijn geen trend vertoont, zal de centrale bank de rente
moeten verhogen om het intertemporele substitutie-effect in goede banen te leiden.
Naast de inflatoire invloeden die uitgaan van een doorbraaktechnologie kan de komst van een
dergelijke technologie ook leiden tot financiële instabiliteit.124 Zoals eerder is aangegeven kan
namelijk zeer goed een asset price bubble ontstaan, met instabiliteit tot gevolg. Verscheidene
auteurs, zoals Cecchetti et al. (2002) en Borio en Lowe (2002), zijn van mening dat een
centrale bank bij de bepaling van haar monetaire beleidskoers (in enge zin, dat wil zeggen het
rentebeleid) niet alleen naar inflatie zou moeten kijken, maar ook (onder andere) naar
activaprijzen. Wanneer zij (forse) overwaardering waarneemt, zou zij bovendien de rente
moeten verhogen om deze onevenwichtigheden tegen te gaan. Dit kan worden vergeleken
met een verzekering: gegeven een bepaald risico en een bepaalde premie om tegen dat risico
verzekerd te zijn, is de optimale verzekering nagenoeg altijd groter dan nul. In het kader van
het monetaire beleid en activaprijzen zou dit betekenen dat het in enige mate reageren op
fors toenemende activaprijzen beter is dan in het geheel niet reageren. Bovendien is het
124
Financiële stabiliteit betekent dat een financieel systeem in staat is om middelen efficiënt te alloceren en schokken
goed op te vangen, zodat deze geen ontwrichtende werking hebben op de reële economie of op andere financiële
systemen.
74
Hoofdstuk 6
waarnemen van potentiële financiële instabiliteit minder moeilijk dan soms wordt gesteld.
Onderzoek van Borio en Lowe toont namelijk aan dat het gebruik van aanvullende
indicatoren, zoals met name de kredietgroei, de identificatie van mogelijke instabiliteit
vergemakkelijkt.
Hoewel voor een dergelijke "leaning-against-the-bubble"-strategie goede argumenten
zijn, zijn er ook belangrijke argumenten tegen een dergelijke tactiek. In de eerste plaats zijn
de rendementsverwachtingen van beleggers ten tijde van een bubble dermate hoog dat een
kleine renteverhoging daarbij in het niet valt. Een forse renteverhoging is echter niet mogelijk
vanwege de sterk negatieve effecten die daarvan zullen uitgaan op de reële economie.
Bovendien is een bubble meestal geconcentreerd in één type activum, terwijl het monetaire
beleid de gehele economie beïnvloedt en derhalve een te "lomp" instrument is om specifieke
onevenwichtigheden tegen te gaan. Daarnaast is het niet gemakkelijk om potentiële financiële
instabiliteit reeds in een vroeg stadium met voldoende zekerheid te identificeren. Tevens is
een vroeg correctief ingrijpen moeilijk vanwege de hiermee verbonden problemen met
betrekking tot de communicatie met het publiek. Een "leaning-against-the-bubble"-strategie
zal minder transparant zijn dan een zuivere inflatiedoelstelling, omdat het publiek weinig
begrip zal kunnen opbrengen voor een – in de ogen van het publiek – groei-ondermijnend
monetair beleid. Wanneer het publiek er niet van kan worden overtuigd dat een dergelijke
strategie de totale welvaart op lange termijn vergroot, zal de centrale bank bij het
desondanks toch volgen van deze tactiek onvermijdelijk aan geloofwaardigheid inboeten. Dit
zal vervolgens leiden tot een verminderde effectiviteit van het monetaire beleid.
Al met al is een "leaning-against-the-bubble"-strategie waarschijnlijk erg moeilijk
uitvoerbaar. Een centrale bank kan echter ook op andere manieren bijdragen aan de
financiële stabiliteit. Hierbij moet worden gedacht aan haar rol als regelgever, toezichthouder
en lender of last resort. Zij dient toe te zien op een adequate kapitalisatie en diversificatie van
financiële instellingen en transparante boekhoud- en verslagleggingsstandaarden. Voorts
heeft een centrale bank een belangrijke rol bij het overeind houden van de financiële
architectuur. Tot slot kan zij door "management by speech" trachten invloed uit te oefenen op
financiële markten. Daarbij dient een centrale bank in ieder geval terughoudend te zijn bij het
erkennen van vermeende structurele economische verbeteringen.
De
vraagstelling
van
deze
studie
luidde
als
volgt:
welke
invloed
heeft
een
doorbraaktechnologie op de stabiliteit van de conjunctuurcyclus en welke implicaties heeft een
dergelijke technologie voor het monetaire beleid? De volgende conclusie ten aanzien van deze
vraagstelling is uit deze studie naar voren gekomen. Een doorbraaktechnologie leidt tot een
grotere stabiliteit van de conjunctuurcyclus, doordat zij zorgt voor een betere aansluiting van
het aanbod op de vraag. In het empirische deel van deze studie kwam naar voren dat de
onderzochte doorbraaktechnologieën (elektriciteit, de verbrandingsmotor, de kunststoffen en
ICT) inderdaad hebben bijgedragen aan een stabilisatie van de conjunctuurcyclus. Een
(doorbraak)technologie zal overigens niet kunnen zorgen voor een volledig stabiele
75
Samenvatting en conclusies
economische ontwikkeling. Hoewel een technologie kan bewerkstelligen dat het aanbod beter
gaat aansluiten op de vraag, kan zij namelijk niet de erratische schommelingen in de vraag
volledig
uitbannen.
Bovendien
zullen
deze
schommelingen,
gezien
hun
grilligheid,
onvoldoende voorspeld kunnen worden, ondanks een verbetering van de voorspelmethoden.
De implicaties voor het monetaire beleid zijn op de korte en middellange termijn
afhankelijk van het specifieke aanpassingspad van vraag en aanbod. Het is echter wel
eenduidig dat een doorbraaktechnologie op den duur een hogere reële rente vereist. Op
langere termijn zal zij namelijk via een intertemporeel substitutie-effect aan de vraagzijde
van de economie leiden tot inflatoire druk. De vraag of de centrale bank in haar monetaire
beleid actief zou moeten reageren op de ontwikkeling van activaprijzen moet ontkennend
worden beantwoord. Hoewel het zeer wenselijk zou zijn dat een centrale bank de financiële
stabiliteit op deze manier zou kunnen bevorderen, lijken de problemen die met een dergelijke
strategie verbonden zijn te omvangrijk.
Tot slot volgen uit deze studie nog enkele suggesties voor verder onderzoek. In de eerste
plaats is het interessant om de relatie te bestuderen tussen enerzijds doorbraaktechnologieën
en anderzijds de stabiliteit van de opwaartse en neerwaartse bewegingen van de economie
afzonderlijk. Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven, kan vanuit de theorie worden verwacht dat
doorbraaktechnologieën namelijk via een meer flexibele productie een stabielere opgang
veroorzaken, maar tevens leiden tot een snellere en diepere neergang.
Voorts rijst naar aanleiding van deze studie de vraag of doorbraaktechnologieën niet
alleen in de Verenigde Staten, maar ook in andere (industrie)landen invloed hebben
uitgeoefend op de stabiliteit van de conjunctuurcyclus. Vanwege afwijkende ontwikkelingen in
die landen kan het in deze studie gevonden verband derhalve verder worden onderzocht. Bij
een dergelijk onderzoek zou dezelfde methodiek kunnen worden gehanteerd als in deze
studie.
Tot slot kan worden onderzocht in welke mate doorbraaktechnologieën een invloed
hebben uitgeoefend op (de stabiliteit van) andere variabelen, zoals de consumptie, de
investeringen, de rente, de verwachte inflatie et cetera. Door dergelijke variabelen nader te
onderzoeken kan worden bepaald welke verantwoordelijk zijn geweest voor de afname van de
volatiliteit van de gehele economie. Vervolgens dient men zich te richten op de vraag of
sprake is van een theoretisch verband tussen doorbraaktechnologieën en de geïdentificeerde
variabelen. Op deze manier kan de relatie tussen deze technologieën en de stabiliteit van de
conjunctuurcyclus nader worden geduid.
Bibliografie
Baily, M.N. (2001): "Macroeconomic Implications of the New Economy", in: Federal Reserve
Bank of Kansas City (ed.), Economic Policy for the Information Economy: A Symposium
Sponsored by the Federal Reserve Bank of Kansas City, Jackson Hole, Wyoming, August 30September 1, 2001, Kansas City: Federal Reserve Bank of Kansas City, p. 201-268, <www.
kc.frb.org/publicat/sympos/2001/sym01prg.htm>
Balke, N.S. en R.J. Gordon (1986): "Appendix B: Historical Data", in: R.J. Gordon (ed.),
The American Business Cycle: Continuity and Change, Chicago: University of Chicago Press,
p. 781-850
Baxter, M. en R.G. King (1999): "Measuring Business Cycles: Approximate Band-Pass
Filters for Economic Time Series", The Review of Economics and Statistics, vol. 84, nr. 4,
november, p. 575-593
Bernanke, B.S. en M. Gertler (1995): "Inside the Black Box: The Credit Channel of
Monetary Policy Transmission", Journal of Economic Perspectives, vol. 9, nr. 4, herfst, p. 2748
Bernanke, B.S. en M. Gertler (1999): "Monetary Policy and Asset Price Volatility", Federal
Reserve Bank of Kansas City Economic Review, 4e kwartaal, p. 17-51, <www.kc.frb.org/
publicat/econrev/er99q4.htm>
Blanchard, O. en J. Simon (2001): "The Long and Large Decline in U.S. Output Volatility",
Brookings Papers on Economic Activity, nr. 1, p. 135-174
Bordo, M.D. en O. Jeanne (2002): "Boom-Busts in Asset Prices, Economic Instability, and
Monetary Policy", NBER Working Paper, nr. 8966, <papers.nber.org/papers/w8966>
Borio, C. en P. Lowe (2002): "Asset Prices, Financial and Monetary Stability: Exploring the
Nexus", BIS Working Papers, nr. 114, <www.bis.org/publ/work114.htm>
Bresnahan, T.F. en M. Trajtenberg (1992): "General Purpose Technologies: "Engines of
Growth?"", NBER Working Paper, nr. 4148, <papers.nber.org/papers/w4148>
Broaddus,
J.A.
Jr.
(2000):
"Current
Challenges
for
U.S.
Monetary
Policy",
in:
Oesterreichische Nationalbank, Das Neue Millennium: Zeit für ein Neues Ökonomisches
Paradigma?, 28. Volkswirtschaftliche Tagung, Wenen: Oesterreichische Nationalbank, p. 2125, <www.oenb.at/tagung/vowitag2000/index.htm>
78
Bronfenbrenner, M. (1969): Is the Business Cycle Obsolete?: Based on a Conference of the
Social Science Research Council on Economic Stability, New York: Wiley-Interscience
Bry, G. en C. Boschan (1971): "Cyclical Analysis of Time Series: Selected Procedures and
Computer Programs", NBER Technical Paper, nr. 20
Buitenkamp, B.H.J. en M.C.J. van Rooij (2001): "Het Belang van de Industrie",
Economisch Statistische Berichten, vol. 86, nr. 4318, 13 juli, p. 587
Canova, F. (1998): "Detrending and Business Cycle Facts", Journal of Monetary Economics,
vol. 41, p. 475-512
Cecchetti, S.G. (2001): "The New Economy and the Challenges for Monetary Policy", Paper
prepared for the conference on New Technologies: Consequences and Challenges for Central
Banks, Banque de France, 1-9 februari, <www.econ.ohio-state.edu/cecchetti/pub_pol_papers.
shtml>
Cecchetti, S.G., H. Genberg en S. Wadhwani (2002): Asset Prices in a Flexible Inflation
Targeting Framework, Paper prepared for the conference on Asset Price Bubbles: Implications
for Monetary, Regulatory, and International Policies, organized jointly by the Federal Reserve
Bank of Chicago and the World Bank, <www.chicagofed.org/newsandevents/conferences/
index.cfm>
Centraal Planbureau (2000): Centraal Economisch Plan, Den Haag: Sdu Uitgevers
Christiano, L.J. en T.J. Fitzgerald (1999): "The Band Pass Filter", NBER Working Paper,
nr. 7257, <papers.nber.org/papers/w7257>
Dalsgaard, T., J. Elmeskov en C.-Y. Park (2002): Ongoing Changes in the Business Cycle:
Evidence and Causes, OECD Economics Department Working Papers No. 315, <www.oecd.
org/eco>
David, P.A. (1991): "Computer and Dynamo: The Modern Productivity Paradox in a Not-toodistant Mirror", in: Organisation for Economic Co-operation and Development, Technology and
Productivity: The Challenge for Economic Policy, Parijs: Organisation for Economic Cooperation and Development, p. 315-347
David, P.A. en G. Wright (1999): "General Purpose Technologies and Surges in
Productivity: Historical Reflections on the Future of the ICT Revolution", University of Oxford
Bibliografie
79
Discussion Papers in Economic and Social History, nr. 31, <www.nuff.ox.ac.uk/economics/
history>
De Nederlandsche Bank (2000): "Hoedster van Financiële Stabiliteit", De Nederlandsche
Bank Kwartaalbericht, december, p. 5-10, <www.dnb.nl/publicaties/index.htm>
Diebold, F.X. en G.D. Rudebusch (1992): "Have Postwar Economic Fluctuations Been
Stabilized?", The American Economic Review, vol. 82, nr. 4, september, p. 993-1005
Dornbusch, R. (1983): "Flexible Exchange Rates and Interdependence", International
Monetary Fund Staff Papers, vol. 30, p. 3-38
Du Boff, R.B. (1966): "Electrification and Capital Productivity: A Suggested Approach", The
Review of Economics and Statistics, vol. 48, nr. 4, november, p. 426-431
Federal Reserve Board (2002): Federal Reserve Statistical Release G17 – Historical Data,
<www.federalreserve.gov/releases/g17/table1_2.htm>, laatste wijziging 16 april 2002
Ferguson, E.S. (1967): "The Steam Engine before 1830", in: M. Kranzberg en C.W. Pursell
Jr. (eds.), Technology in Western Civilization Volume I: The Emergence of Modern Industrial
Society, Earliest Times to 1900, New York: Oxford University Press, p. 245-263
Freeman, C. en C. Perez (1988): "Structural Crises of Adjustment: Business Cycles and
Investment Behaviour", in: G. Dosi, C. Freeman, R. Nelson, G. Silverberg en L. Soete (eds.),
Technical Change and Economic Theory, Londen: Pinter Publishers, p. 38-66
Friedman, B. (2001): "Comment", in: O. Blanchard en J. Simon, "The Long and Large
Decline in U.S. Output Volatility", Brookings Papers on Economic Activity, nr. 1, p. 165-171
Gertler, M. en S. Gilchrist (1993): "The Role of Credit Market Imperfections in the
Monetary Transmission Mechanism: Arguments and Evidence", Scandinavian Journal of
Economics, vol. 95, nr. 1, p. 43-64
Goodfriend, M. en R.G. King (1997): "The New Neoclassical Synthesis and the Role of
Monetary Policy", Federal Reserve Bank of Richmond Working Paper, nr. 98-5, <www.rich.frb.
org/pubs/wpapers/index.html/paper=131>
Gordon, R.A. (1969): "The Stability of the U.S. Economy", in: M. Bronfenbrenner (ed.), Is
the Business Cycle Obsolete?: Based on a Conference of the Social Science Research Council
on Economic Stability, New York: Wiley-Interscience, p. 3-34
80
Gordon, R.J. (2002): "Technology and Economic Performance in the American Economy",
NBER Working Paper, nr. 8771, <papers.nber.org/papers/w8771>
Greenspan, A. (2002): Economic Volatility, Remarks at a symposium sponsored by the
Federal Reserve Bank of Kansas City, Jackson Hole, Wyoming, 30 augustus, <www.
federalreserve.gov/boarddocs/speeches/2002/20020830/default.htm>
Hatzius, J. (2000): "US: Monetary Policy in an Investment Boom", Goldman Sachs Economic
Weekly, 23 mei, p. 6-8
Intel
(2002):
"Moore's
Law",
Silicon
Showcase,
<www.intel.com/research/silicon/
mooreslaw.htm>, inzage 6 mei 2002
International Monetary Fund (2000): World Economic Outlook: Asset Prices and the
Business Cycle, mei, Washington, D.C.: International Monetary Fund, <www.imf.org/external/
pubs/ft/weo/2000/01/index.htm>
International
Monetary
Fund
(2001):
World
Economic
Outlook:
The
Information
Technology Revolution, oktober, Washington, D.C.: International Monetary Fund, <www.imf.
org/external/pubs/ft/weo/2001/02/index.htm>
International
Monetary
Fund
(2002):
World
Economic
Outlook:
Recessions
and
Recoveries, april, Washington, D.C.: International Monetary Fund, <www.imf.org/external/
pubs/ft/weo/2002/01/index.htm>
Jorgenson, D.W., M.S. Ho en K.J. Stiroh (2002): "Projecting Productivity Growth: Lessons
from the U.S. Growth Resurgence", Paper prepared for the conference on Technology,
Growth, and the Labor Market, sponsored by the Federal Reserve Bank of Atlanta and Georgia
State University, <post.economics.harvard.edu/faculty/jorgenson/papers/papers.html>
Kahn, J.A., M.M. McConnell & G. Perez-Quiroz (2002): "On the Causes of the Increased
Stability of the U.S. Economy", Federal Reserve Bank of New York Economic Policy Review,
mei, p. 183-206, <www.newyorkfed.org/rmaghome/econ_pol/2002/502indx.html>
Lipsey, R.G., C. Bekar en K. Carlaw (1998): "What Requires Explanation?", in: E. Helpman
(ed.), General Purpose Technologies and Economic Growth, Cambridge, MA: The MIT Press, p.
15-54
81
Bibliografie
Meyer, L.H. (2000): The Economic Outlook and the Challenges Facing Monetary Policy,
Remarks at the Century Club Breakfast Series, Washington University, St. Louis, Missouri, 19
oktober, <www.federalreserve.gov/boarddocs/speeches/2000/20001019.htm>
Modigliani, F. (1986): "Life Cycle, Individual Thrift, and the Wealth of Nations", The
American Economic Review, vol. 76, nr. 3, juni, p. 297-313
Mokyr, J. (1990): The Lever of Riches: Technological Creativity and Economic Progress, New
York: Oxford University Press
National Bureau of Economic Research Business Cycle Dating Committee (2002): The
NBER's Business-Cycle Dating Procedure, <www.nber.org/cycles/recessions.html>, laatste
wijziging 7 juni 2002
Oliner, S.D. en D.E. Sichel (2002): "Information Technology and Productivity: Where Are
We Now and Where Are We Going?", Federal Reserve Board Finance and Economics
Discussion
Series,
nr.
2002-29,
<www.federalreserve.gov/pubs/feds/2002/200229/
200229abs.html>
Pavanelli, G. (2001): "The Great Depression in Irving Fisher's Thought", Universitá di Torino
Department of Economics and Finance "Giuseppe Prato" Working Paper, nr. 57, <web.econ.
unito.it/prato/pubblicazioni.html>
Rosenberg, N. en M. Trajtenberg (2001): "A General Purpose Technology at Work: The
Corliss Steam Engine in the Late 19th Century US", NBER Working Paper, nr. 8485, <papers.
nber.org/papers/w8485>
Schumpeter, J.A. (1939): Business Cycles: A Theoretical, Historical, and Statistical Analysis
of the Capitalist Process Volume I, First Edition, Third Impression, New York: McGraw Hill
Book Company
Schurr, S.H., C.C. Burwell, W.D. Devine Jr. en S. Sonenblum (1990): Electricity in the
American Economy: Agent of Technological Progress, New York: Greenwood Press
Sijben, J.J. (1997): "Bankkrediet en Monetaire Transmissie", [niet gepubliceerd]
Shiller, R.J. (2000): Irrational Exuberance, Princeton: Princeton University Press
82
Shiller, R.J. (2000): "Stock Market Data Used in "Irrational Exuberance" updated",
Homepage of Robert J. Shiller, onderdeel "Online Data", <aida.econ.yale.edu/~shiller/data.
htm>
Solow, R.M. (1987): "We'd Better Watch Out", The New York Times Book Review, 12 juli, p.
36
Stock, J.H. en M.W. Watson (1999): "Business Cycles in US Macroeconomic Time Series",
in: J.B. Taylor en M. Woodford (eds.), Handbook of Macroeconomics Volume 1A, Amsterdam:
Elsevier Science, p. 3-64
Stock, J.H. en M.W. Watson (2002): "Has the Business Cycle Changed and Why?", NBER
Working Paper, nr. 9127, <papers.nber.org/papers/w9127>
Taylor, J.B. (2001): "Commentary: Macroeconomic Implications of the New Economy", in:
Federal Reserve Bank of Kansas City (ed.), Economic Policy for the Information Economy: A
Symposium Sponsored by the Federal Reserve Bank of Kansas City, Jackson Hole, Wyoming,
August 30-September 1, 2001, Kansas City: Federal Reserve Bank of Kansas City, p. 279284, <www.kc.frb.org/publicat/sympos/2001/sym01prg.htm>
The Economist (2000): "Bubble.com", Untangling E-conomics: A Survey of the New
Economy, 23 september, p. 21-23
The Economist (2002a): "Of Shocks and Horrors", The Unfinished Recession: A Survey of
the World Economy, 28 september, p. 7-9
The Economist (2002b): "Bubble and Squeak", The Unfinished Recession: A Survey of the
World Economy, 28 september, p. 26-30
U.S. Bureau of the Census (1975): Historical Statistics of the United States: Colonial Times
to 1970, Part 2, Washington, D.C.: U.S. Bureau of the Census
U.S. Bureau of Economic Analysis (2002): National Income and Product Accounts Tables,
<www.bea.gov/bea/dn/nipaweb/index.asp>, inzage 14 juni 2002
Walsh, C.E. (1999): "Changes in the Business Cycle", Federal Reserve Bank of San
Francisco Economic Letter, nr. 16, 14 mei, <www.frbsf.org/econrsrch/wklyltr/wklyltr99/el9916.html>
Bibliografie
83
Weber, S. (1997): "The End of the Business Cycle", Foreign Affairs, vol. 76, nr. 4,
juli/augustus, p. 65-82
Yellen, J.L. (2001): "Overview", in: Federal Reserve Bank of Kansas City (ed.), Economic
Policy for the Information Economy: A Symposium Sponsored by the Federal Reserve Bank of
Kansas City, Jackson Hole, Wyoming, August 30-September 1, 2001, Kansas City: Federal
Reserve Bank of Kansas City, p. 405-412, <www.kc.frb.org/publicat/sympos/2001/sym01prg.
htm>
Zarnowitz, V. (1992): Business Cycles: Theory, History, Indicators, and Forecasting,
Chicago: The University of Chicago Press
Download