Structuur eindverslag project Probleemgedrag

advertisement
“Omgaan met onbegrepen gedrag”
Implementatie in 3 verzorgingshuizen
Project verslag Zorggroep Oude en Nieuwe Land
Augustus 2011
Anja Bosman
Projectleider
2
Inhoudsopgave
Inleiding
3
Opzet project
4
Uitvoering project
4
Materialen
5
Scholing
6
Resultaten:



voor bewoners
voor medewerkers
voor multidisciplinaire samenwerking
7
9
10
Onderzoek
11
Borging
11
Bijlagen:
1. Scholingsevaluatie
2. Teamevaluatie
3. onderzoeksverslag iBMG
12
14
17
3
Inleiding
Een opname in een instelling stelt hoge eisen aan het aanpassingsvermogen van een
bewoner. De zorgzwaarte op een afdeling of in een team is soms zo hoog geworden, dat
aandacht voor het behoud van zelfwaarde, zelfredzaamheid en zelfzorg van de patiënt tekort
kan schieten. In de wisselwerking tussen de patiënt en de instelling als zijn directe omgeving
kan gemakkelijk probleemgedrag ontstaan. Er zijn veel factoren van invloed op dit gedrag.
Typerend voor probleemgedrag is het feit dat het in een context plaatsvindt, waarbij juist de
interactie tussen de patiënt en zijn omgeving tot problemen leidt. Dat maakt dat
probleemgedrag situationeel gebonden, persoonsgebonden en multicausaal van aard is.
Daarnaast is probleemgedrag niet meer iets dat de psycholoog maar moet oplossen, maar
een samen gedragen multidisciplinaire verantwoordelijkheid van alle betrokkenen.
Probleemgedrag is het probleem niet
Probleemgedrag is zelden een keuze van de cliënt. Het is te vergelijken met „koorts‟; het is
een symptoom van een ander onderliggend probleem, bijvoorbeeld een psychische stoornis,
pijn of verveling. Probleemgedrag zelf is dus niet direct te behandelen.
Ondanks dat het woord “Probleemgedrag” feilloos aangeeft waar het om gaat, hebben we
gekozen voor een nieuwe term. Reden hiervoor was dat de medewerkers in de
communicatie met bewoners en familie met deze term niet uit de voeten konden. Het plakt
een stempel “ u heeft probleemgedrag” en dat lokt handelingsverlegenheid uit. In
gezamenlijkheid met de verzorgenden in het verzorgingshuis is gekozen voor de term
“Onbegrepen gedrag”. Dit is uit te leggen: “Uw vader of moeder gedraagt zich zus of zo en
wij begrijpen niet waarom ze dit doet. Hier willen we graag aandacht aan geven, zodat we
het kunnen begrijpen en er misschien iets mee kunnen doen, zodat hij of zij zich prettiger
voelt in het contact en wij ook.” Uiteindelijk is het dus geworden: “Omgaan met onbegrepen
gedrag!”. In deze notitie zal ik beide termen gebruiken, aangezien naar de buitenwereld toe
probleemgedrag een geaccepteerde term is.
Uitrol over meerdere instellingen
In 2009 is in verzorgingshuis Golfslag het project „Probleemgedrag‟ gestart, waarbij de
bewoners en de medewerkers stil hebben gestaan bij het gedrag van de individuele bewoner
of medewerker in relatie tot de omgeving. Door inhoudelijke regie te nemen en volgens een
methodiek te werken, komt er zicht op het gedrag en op de mogelijkheden om dit te
verminderen. Dit project heeft goede resultaten opgeleverd en heeft in combinatie met een
uitgebreide scholing de medewerkers meer zicht gegeven op de individuele bewoner en zijn
gedrag en de mogelijkheden hier als persoon of team veranderingen in teweeg kunnen
brengen. Deze resultaten vroegen om verspreiding van het project, zodat bij meerdere
instellingen van Zorggroep Oude en Nieuwe Land volgens een vaste methodiek zorg
genomen kan worden.
De implementatie van het project “Omgaan met onbegrepen gedrag” heeft plaatsgevonden
in 3 verzorgingshuizen van Zorggroep Oude en Nieuwe Land, te weten: Hof van Smeden in
Emmeloord, de Markehof in Marknesse en in Nieuw Clarenberg in Vollenhove.
Dit verslag geeft de implementatie weer in 3 verzorgingshuizen. Implementatie van het
Stappenplan rondom gedrag van bewoners wat niet begrepen wordt.
leeswijzer
Deze notitie wordt begonnen met een verkorte weergave van de opzet van het project, en de
uitwerking van het projectplan. Hierin zijn de materialen meegenomen die gedurende het
project zijn ontwikkeld. Daarnaast aandacht voor de uitgebreide scholing die aan alle
medewerkers in de instelling gegeven is. Vervolgens de resultaten van dit project in de
instellingen, gevolgd door het onderzoek wat is uitgevoerd door iBMG. Als afsluiting de
realisatie van de borging en de bijlagen.
4
Opzet project
Het project is volgens plan opgezet. Dit zogenaamde verspreidingsplan1 is geschreven nadat
het project “Gedrag” is afgesloten in de Golfslag en heeft als basis gediend voor de
subsidieaanvraag voor ZonMw2. Deze aanvraag maakte dat het tijdsbestek van het
verspreidingsplan is ingekort van 1 jaar naar 9 maanden.
Uitvoering project
Het project is geheel volgens aanvraag uitgevoerd. Gedurende het project zijn de materialen
aangepast en is de naam probleemgedrag veranderd in “Omgaan met onbegrepen gedrag”.
Voorbereidingen
Het bestuur van de Zorggroep en de managers van de 3 betreffende instellingen waren de
initiators om te starten met dit project. In de 2 andere instellingen was de tijd nog niet rijp om
te beginnen. Zij volgen later. In iedere instellingen is een verbeterteam samengesteld. Deze
bestonden uit 2 of 3 verzorgenden van de afdelingen en iemand van de afdeling welzijn/
aktiviteitenbegeleiding. Eén van hen heeft de rol van kartrekker van het verbeterteam
gekregen. Zij was de spil binnen het project in het eigen huis en tevens aanspreekpunt voor
de projectleider tussen de vergaderingen door. De managers van de instellingen waren
voornamelijk ondersteuners van het verbeterteam en faciliterend in het proces. Eén manager
is bij alle vergaderingen met de verbeterteams betrokken geweest. Zij was ook bij de inhoud
betrokken.
Startbijeenkomsten
In iedere instelling is een startbijeenkomst gehouden voor de bewoners. Hierin heeft iedere
instelling een eigen Motto gepresenteerd om uiting te geven aan het doel van het project en
om het bespreekbaar te maken voor de bewoners onderling.
Instelling
Hof van Smeden
Markehof
Nieuw Clarenberg
Motto
Ieder mens is uniek!!!”
een sleutelhanger met het
motto erop
“Ongewoon gewoon”
attentie
Verschillende soorten bonbons
Ieder mens is bijzonder”
Een plak ontbijtkoek verpakt met de
tekst: ” Niemand is gesneden koek”
De cliëntenraden zijn mondeling geïnformeerd.
Actieperiode 1.2 en 3
De 3 actieperiodes zijn redelijk volgens plan verlopen. Echter de eerste actieperiode heeft
meer tijd gekost doordat het belang van de eerste drie stappen, (inventariseren van het
probleem, informatie verzamelen bij iedereen) dermate belangrijk is, dat de verzorgenden
regelmatig teruggeroepen moesten worden omdat zij al bij de interventies zaten.
Verklaarbaar omdat verzorgenden iets willen doen, gewend zijn om oplossingen te
bedenken. Ook werd er vaak iets “aangenomen” dat het zo was, in plaats van het te
onderzoeken. De term bemoeizorg is vaak de revue gepasseerd. Hoe snel bedenken we
oplossingen vóór de bewoner, in plaats van te vragen wat voor de bewoner belangrijk is. In
deze 3 stappen van de methodiek zit met name de meerwaarde.
1
2
Verspreidingsplan “Gedrag” Zorggroep Oude en Nieuwe Land juni 2010 / Anja Bosman
Implementatieproject Zorg voor Beter, ZonMw 12 juli 2011
5
Vragenlijst Team
De verbeterteams hebben voor de start van het traject en na afloop vragenlijsten ingevuld
over wat ze willen leren / ontwikkelen en cijfers gegeven over hoe de kennis, vaardigheden,
houding en attitude
Overleggen en Werkbijeenkomsten
1. Iedere maand is in iedere instelling een overleg geweest met het verbeterteam en de
projectleider. Inhoud van dit overleg was casuïstiekbespreking en de stand van zaken
rondom het stappenplan en het betrekken en begeleiden van de EAV‟ ers die in actieperiode
2 en 3 in beeld kwamen. Het MDO werd hierin voor- en nabesproken.
2. Tussen deze overleggen was er telefonisch contact tussen de projectleider en de
kartrekker van de instelling. Doel hiervan was een vinger aan de pols te houden voor de
projectleider en ruimte te creëren voor vragen tussendoor. De eerste periode is dit zinvol
gebleken. Wat later in het project werden de vragen minder en werden de verbeterteams
zelfstandiger.
3. Elke 3 maanden zijn er werkbijeenkomsten gehouden. Dit waren overleggen met de
managers en de kartrekkers van de huizen, waarbij er een gezamenlijk overlegdeel was,
maar ook een apart overleg tussen tussen de kartrekkers met elkaar en de managers. De
kartrekkers kregen veelal een opdracht mee als middel om met elkaar ervaringen te delen.
Met de managers waren veelal organisatorische zaken aan de orde.
Slotbijeenkomst en follow up
Er is uiteindelijk gekozen om geen slotbijeenkomst te organiseren. Reden hiervoor is dat het
project misschien wordt afgesloten in de praktijk, maar de werkzaamheden, MDO‟s en
overleggen van de verbeterteams lopen door, zij het zonder projectleider.
Wel is er overleg met PR om te kijken hoe we extra aandacht kunnen geven aan de
werkwijze van “ omgaan met onbegrepen” gedrag binnen de instellingen maar ook
daarbuiten. De follow up komt aan de orde onder het kopje Borging.
Materialen
In het eerste project Gedrag in de Golfslag hebben we een
werkboek ontwikkeld met de materialen die gedurende het traject
met de bewoner gebruikt kon worden. De informatie rondom het
stappenplan was toen nog als los materiaal. Deze materialen zijn
in het vervolgproject samengevoegd tot een werkboek en
stappenplan “Omgaan met onbegrepen gedrag!” en er is een 10e
stap aan toe gevoegd rondom de borging.
Dit werkboek is in een ringband verwerkt en er zijn losse
aanvullingen te bestellen.
Dit werkboek is inmiddels opgestuurd naar Vilans en is geplaatst
op Projectnet van ZonMw.
Daarnaast wordt het geplaatst op het intranet van Zorggroep Oude
en Nieuwe Land, zodat ook de afzonderlijke documenten goed te
gebruiken zijn in de praktijk.
6
Scholing
Doel van de scholing
De medewerkers van de zorginstellingen voelen zich na de scholing voldoende toegerust om
bewoners met onbegrepen gedrag te begeleiden.
Scholing
Het scholingstraject is opgesplitst in 3 modulen en zijn gegeven op de verschillende locaties.
Deelnemers waren: alle verzorgenden van de instellingen, restaurantmedewerkers,
receptiemedewerkers, welzijn en huishoudelijke zorg. In totaal zijn er 260 medewerkers
geschoold.
Onderwerp
Tijdsbesteding
Module 1:
Het verbetertraject “Omgaan met onbegrepen gedrag”
1.5 uur
Gegeven door: Anja Bosman: Projectleider
Kwaliteit van leven bij ouderen
1.5 uur
Gegeven door: Frans Hoogeveen: Lector Psychogeriatrie
Module 2:
Anatomie en fysiologie rondom gedragsveranderingen
Vormen van Dementie, neurofysiologie en gedrag
3
3
uur
uur
3
3
uur
uur
Gegeven door: Andries Reijnders: Specialist Ouderengeneeskunde
Module 3:
Communicatie en Beroepshouding
Vervolg beroepshouding na een paar maanden
Gegeven door: Marianne van Heerde: Afd. Opleidingen
Totaal
15 uur
Evaluatie van de scholing:
De scholing van de Golfslag is uitgebreid geëvalueerd na 1 jaar. Het verslag hiervan is te
lezen in de bijlage3
De scholing van de 3 verzorgingshuizen is nog niet geëvalueerd. Dit zal in een later traject
plaatsvinden door de afdeling opleidingen. Vanuit mondelinge gesprekken met de
medewerkers kwam naar voren:
 interessante opener van Frans van Hoogeveen, goeie verhalen over mensen met
dementie.
 Info over project: helder en duidelijk verhaal, nog even afwachten hoe in de praktijk
 Informatie over ziektebeelden en gedrag daar was iedereen zeer enthousiast over.
Helder verhaal, veel praktijkvoorbeelden en prettig dat ze de SO ook tegenkomen in de
praktijk
 Beroepshouding, een goeie opfrisser voor de een, nieuwe info voor de ander. In de
praktijk brengen is soms lastiger.
 Het gegeven dat er meerdere disciplines meededen aan de scholing werd als
meerwaarde gezien.
3
Bijlage 1: Evaluatie Scholingstraject “Omgaan met onbegrepen gedrag”2009 -2011”
7
Resultaten
De resultaten van het project zijn onder te verdelen in 3 groepen te weten bewoners,
medewerkers en multidisciplinaire samenwerking. Deze resultaten zijn per groep
weergegeven, aangevuld met cijfermateriaal wat gedurende het project is verzamelend.
1. Resultaten voor de bewoners:
De belangrijkste resultaten zijn die van de bewoners. Voor hen zijn we met zijn allen bezig
om de kwaliteit van leven en welzijn binnen de instellingen zo hoog mogelijk te laten zijn.
Deze resultaten zijn de volgende:
a. Meer aandacht voor de bewoner als persoon
Het in kaart brengen van de achtergronden en de levensgeschiedenis van de bewoner in de
eerste 4 stappen gaf de bewoner (en zijn familie) al extra tijd en aandacht wat mogelijk al
positieve resultaten gaf. De extra aandacht waarbij de verzorgenden zijn eigen oordelen,
meningen en adviezen t.a.v. het verhaal van de bewoner thuis moet laten en zich moet
richten op luisteren, samenvatten en doorvragen heeft veel tijd gevraagd van de
verzorgende, maar heeft soms al snel resultaat opgeleverd, en kan als zodanig ook als
interventie worden gezien.
b. Sterker begrip voor de situatie van de bewoner
De informatie die de verzorgende verzamelde zorgde eigenlijk altijd voor een sterker begrip
voor de situatie. Dit begrip is één van de belangrijkste effecten van de methodiek en maakte
vaak dat het gedrag beter te begrijpen en te dragen was, maar ook dat het mogelijkheden
bood om acties te ondernemen ter verbetering die aansloten bij het daadwerkelijke probleem
dat achter het gedrag lag.
c. Beoordeling van het gedrag
Verschillende verzorgenden zijn zich bewuster geworden van hun eigen oordeel over het
gedrag van de bewoners. Immers als je je bewust bent van je eigen aandeel in het contact
met de bewoner en dat zijn of haar reactie ook met jou te maken kan hebben en hoe jij als
verzorgende iets doet, kan er een verandering optreden in de houding van de verzorgende
naar de bewoner toe. Deze verandering in houding en daarmee ook een verandering in de
beoordeling van het gedrag van de bewoner geeft een positief resultaat in het contact
bewoner – verzorgende. B.v. als je weet dat een bewoner zijn dag goed begint als hij zelf de
gordijnen open kan doen op zijn tijd, dan zul je zijn gemopper als jij bij binnenkomst de
gordijnen vrolijk open slingert anders beoordelen als je dit weet.
d. Richten op kwaliteit van leven en welzijn “de Betrokken Zorg”
Het project “Omgaan met onbegrepen gedrag” lijkt een goed instrument te zijn om handen
en voeten te geven aan de visie van Zorggroep Oude en Nieuwe Land, te weten: Betrokken
zorg leveren. Het vraagt een omslag in het denken, uitgaan van wie de bewoner is en wat
zijn bronnen van geluk zijn. Betrokken zorg geeft mensen wat ze zouden hebben
gevraagd als ze over de kennis en mogelijkheden van de medewerkers zouden beschikken.
Dit is anders dan het nog steeds aanwezige bemoeizorgen voor de bewoners, omdat wij als
professioneel verzorgers en behandelaars denken en aannemen wel weten wat goed voor
de bewoners is.
8
Cijfers aantal bewoners
In totaal zijn de afgelopen 9 maanden 18 bewoners opgenomen in het traject.
Waarvan er 11 met goed resultaat zijn afgesloten, en 2 met gedeeltelijk resultaat.
Bij 5 bewoners was het traject nog niet afgerond.
Conclusie: Van de 13 bewoners waarvan het traject is afgesloten is heeft 85 % goed
resultaat opgeleverd. Van 15 % was dit gedeeltelijk resultaat, een deel van de doelen is
hierbij behaald, maar ook een groot deel (nog) niet.
Wat waren de problemen in de verschillende verzorgingshuizen:
Per bewoner zijn er soms meerdere problemen gescoord.
Méér dan 1 keer benoemd:
Aantal
keren
frequent belgedrag
claimend
boos
agressie
negatief
achterdocht
angstig
dementie
depressief
dwangmatig
1 keer benoemd
6
5
4
3
3
2
2
2
2
2
Bemoeit zich veel met anderen
eenzaamheid
waanideeën
wantrouwend
geen activiteiten
kwetsend naar medebewoners
onrustig
onzeker
provocerend gedrag
verhoogde ziektelast
Wat is er gedaan:
Méér dan 1 keer benoemd:
Aantal
keren 1 keer benoemd
Structuur / uniform werken / duidelijkheid
Rustige benadering
Aandacht gegeven
Afleiding
Inzicht van medewerkers in ziektebeeld
waardoor andere benadering
12
5
4
2
Eigen regie gegeven
Juiste woonomgeving georganiseerd
Meer sociale contacten georganiseerd
Eén taak tegelijk gegeven
2 Complimenten geven
Andere EAV‟er georganiseerd
Wat zien we bij de bewoners:
belgedrag is verminderd
rustiger
vriendelijke vrouw geworden
uiterlijk verzorgd
spraakzaam
positiever
opener in contact
mw. voelt zich erkend in haar ziekte
minder depressief
betere omgang met elkaar
4
3
minder claimend
minder achterdocht
meer van haar kamer
kinderen erg tevreden
je ziet haar genieten
is corrigeerbaar
geen schreeuwen en knijpen meer
eet en drinkt goed
collega's meer begrip
9
2. Resultaten voor de medewerkers:
Op het vlak van de medewerkers zijn er verschillende effecten merkbaar. Mede doordat de
scholing intensief en veel informatie heeft gegeven, maar ook het oefenen met het
stappenplan en hier tijd en ruimte voor nemen leverde veel op. De resultaten bevinden zich
op de volgende gebieden:
a. Stimulans tot kijken en luisteren.
Het stappenplan stimuleerde medewerkers om eerst uitgebreid te inventariseren wie deze
bewoner nu is en vervolgens pas te handelen. Het is namelijk heel verzorgende-eigen om
probleemoplossend te werken. Dus bij alles wat zich voordoet; gelijk actie.
Goed observeren, kijken, voelen, navragen en onderzoeken wat er gebeurt met vooralsnog
de handen op de rug (stap 1 t/m 4), maakte dat het beeld van de bewoner helder werd.
b. Structuur in aanpakken
Het stappenplan geeft structuur in de aanpak van een probleem. De verzorgenden weten
waar te beginnen, het geeft richting aan het denken en handelen en het kan worden
afgesloten en weer terug naar (mogelijk andere) reguliere zorg.
c. Professioneel handelen
Welke rol heb je als zorgverlener. Wat is de bijdrage van jezelf in het contact zorgverlener –
bewoner en wat zijn de eigen kwaliteiten maar ook de punten waar je wat minder mee uit de
voeten kan. Met elkaar hier over in gesprek gaan, zonder oordeel, mening en advies maakt
dat je als verzorgende en als team professioneler kunt werken.
d. Emancipatie van de zorgverlener
De methodiek heeft de verzorgende een tool in handen gegeven die hen emancipeert. Het
geeft richting aan gesprekken met familieleden en disciplines en het lijkt makkelijker om
zaken te bespreken binnen het eigen team en met andere disciplines (huisarts, specialist
ouderen geneeskunde en psycholoog). Het valt binnen het kader van het “Omgaan met
onbegrepen gedrag”, dus het mag er zijn en de verzorgende mag hiermee er dus ook zijn.
Teamevaluatie (0-meting)
De verbeterteams hebben voor de start en ná het project dezelfde teamevaluaties ingevuld4,
welke op verschillende items scoren, zoals kennis, vaardigheden, ervaring en attitude. Deze
teamevaluaties zijn gemaakt door Zorg voor Beter.
Hieronder het verschil tussen de punten waarvan de teams vóór en na het project hebben
gescoord op de onderdelen. (middels rapportcijfers 1-10)
Kennis
Vaardigheden
Ervaring
Attitude
totaal verbeterd
Verbeterd
Nieuw
Clarenberg
3,5
4,5
3
3,5
14,5
Verbeterd Verbeterd Hof
Markehof van Smeden
2,5
1,5
1
2
2
1,5
1,5
1
7
6
Conclusie: de verbeterde cijfers geven globaal weer waar de instellingen zich op verbeterd
voelen. De verschillen tussen de instellingen zijn herkenbaar, maar soms zijn de cijfers
bescheiden ingevuld.
4
Zie bijlage: Team evaluatieformulier
10
3. Resultaten m.b.t. de multidisciplinaire samenwerking
Ook binnen de multidisciplinaire samenwerking zijn verbeteringen zichtbaar geworden. Een
stappenplan wat een kader biedt voor alle medewerkers maakt de aandacht voor de
bewoner helder en gericht door een ieder. De resultaten zijn:
a. Meer en snellere samenwerking verschillende disciplines onderling
Gedurende het project werd er meer samenwerking gezocht in de aanpak van het
“onbegrepen gedrag”. Maandelijks worden de bewoners in het project besproken in het MDO
en wordt er meegedacht en afspraken gemaakt voor een goede aanpak. Eerder gebeurde dit
in een later stadium als b.v. een situatie geëscaleerd was.
b. Iedere discipline is belangrijk
Alle disciplines zijn betrokken in het project, wat betekent dat naast zorg, artsen en
psycholoog ook de huishoudelijke dienst, welzijn, restaurantmedewerkers en
receptiemedewerkers zijn geschoold. Bewoners reageren op de verschillende plaatsen en bij
verschillende medewerkers soms anders, en ieders rol wordt hierin als waardevol gezien.
Uitgaande van de bewoner, worden die medewerkers bij de situatie betrokken die ook
daadwerkelijk met deze bewoner te maken heeft.
c. Andere vragen vanuit de zorg
Doordat de Eerst Aanspreekbare Verzorgende (EAV‟er) degene is die verantwoordelijk is
voor het verloop van het project, komt ze meer van een bewoner te weten. Dit maakt dat ze
vragen aan de specialist ouderengeneeskunde en de psycholoog richt op meekijken en
meezoeken naar oplossingen i.p.v. een oplossing vragen op veelal medicamenteus vlak.
De verzorgenden hebben door de scholing ook een ander zicht gekregen op het werk van de
specialist ouderengeneeskundige, niet alleen een receptenschrijver, maar ook een arts die
breed kijkt, wikt en weegt en niet altijd een pasklare oplossing heeft.
Problemen / belemmeringen onderweg lagen op het vlak van :
Gevoelde werkdruk op de werkvloer, waardoor afspraken soms lastig te maken waren.
Opgelost door:
 Duidelijke en tijdige planning, zodat iedereen het ruim van tevoren weet en het kan
organiseren.
 Mocht het niet lukken om binnen werktijd zaken voor elkaar te krijgen (met name
korte contracten) dan was er een afspraak met het management dat ze tijdelijk extra
uren mochten draaien. Dit moest wel per keer met de manager overlegd worden.
 Wel op de afgesproken tijden bijeen, mocht het even erg druk zijn, dan korter en
krachtig overleg.
 Geen uitgebreide notulen, maar korte actielijsten.
De samenwerking tussen verzorgenden en specialist ouderengeneeskunde / psycholoog
heeft tijd nodig gehad. De afspraken gemaakt in het MDO waren niet altijd helder, wat
verkeerde verwachtingen opriep. Opgelost door hierover te communiceren en om na iedere
besproken bewoner in het MDO de gemaakte afspraken nog eens na te lopen.
11
Onderzoek
Zorggroep Oude en Nieuwe Land heeft subsidie gekregen van ZonMw om de uitrol van het
project Probleemgedrag te kunnen realiseren in de 3 verzorgingshuizen. Een van de
voorwaarden van deze subsidie was om proces en uitkomstmaten aan te leveren om de
resultaten van het Zorg voor Beter programma zichtbaar te maken. Dit heeft geresulteerd in
een kwalitatief onderzoek binnen de Zorggroep door Ester van Loon van het Instituut Beleid
en Management (iBMG) van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Een eerste verslag hiervan
vindt u in de bijlage dan dit document5. De resultaten van dit onderzoek en de resultaten van
een eerder onderzoek naar probleemgedrag zullen tezamen de basis vormen voor een
Engelstalig artikel dat een onderdeel vormt van het proefschrift van Ester van Loon en welke
zal worden aangeboden aan een internationaal wetenschappelijk tijdschrift. Het proefschrift
in zijn totaliteit richt zich op vragen als hoe kunnen zorgverbeteringsinstrumenten een goede
balans vinden tussen ruimte houden voor enerzijds diversiteit, flexibiliteit en reflectie, en
anderzijds wel richtinggevend en sturen blijven voor het handelen van zorgverleners.
De inhoud van dit onderzoek is in op onderdelen opgenomen in dit verslag.
Borging
Blijvende inzet verbeterteams:
Om de ingezette methodiek te borgen, ook na de afronding van het project blijft het
verbeterteam bestaan en blijven zij de kartrekkers op het gebied van probleemgedrag.
Bespreking MDO:
Alle bewoners betrokken in het project blijven in het MDO besproken. De voorbereiding
hiervan wordt door de eigen EAV‟er gedaan.
Teamoverleg:
Op het teamoverleg staat het als vast agendapunt genoteerd, zodat de kartrekkers en de
EAV‟ers verslag kunnen doen van hun bevindingen.
Materialen:
Het werkboek en het stappenplan blijven houvast bieden in de lopende trajecten met de
bewoners.
De DVD van Vilans met daarop uitleg van het stappenplan worden aan alle betrokken
EAV‟ers getoond.
Gezamenlijk overleg: 2011-2012
De projectleider organiseert volgend seizoen nog de volgende bijeenkomsten:
1 x per jaar een overleg voor de managers en kartrekkers (voorjaar 2012)
1 x per jaar de verbeterteams (najaar 2011)
Daarna neemt één van de managers het over.
Intranet:
De materialen die gebruikt worden zijn via intranet te vinden. Daarnaast zal de DVD via
e-learning worden aangeboden op intranet.
Bijlage 1: Evaluatie Scholing 2009 -2011
Bijlage 2: Teamevaluatie
Bijlage 3: Ruimte voor flexibiliteit in richtlijnen: onderzoek naar de richtlijn Probleemgedrag in
de ouderenzorg.
5
Zie bijlage3: Ruimte voor flexibiliteit in richtlijnen: onderzoek naar de richtlijn Probleemgedrag in de
ouderenzorg. Uitwerking van de belangrijkste bevindingen uit onderzoek: Ester van Loon iBMG
Erasmus Universiteit Rotterdam, 28 juli 2011.
12
Bijlage 1.
Scholingstraject Project Omgaan met Onbegrepen gedrag 2009 - 2011
Scholingstraject:
 Planmatige aanpak en samenwerken door Anja Bosman projectleider
 Dementieel gedrag;
o Kwaliteit van leven bij ouderen
o Hoofd, hart en handen van professionals
o Jezelf inzetten en verbeteren
o Moeilijk te hanteren gedrag
Door Frans Hoogeveen, psycholoog en lector Psychogeriatrie Haagse
Hogeschool en hoofdredacteur Denkbeeld
 Kennis van ziektebeelden door Andries Reinders, specialist Ouderengeneeskunde
Onderwerpen:
o Anatomie van de hersenen, uitleg over hoe dit eruit ziet
o Neurofysiologie, wat de werking is
o Psychiatrische symptomen (verschijnselen)
o Vormen van dementie
o Psychiatrische ziektebeelden
o Farmaco-therapie (medicijnenleer)
o Persoonlijkheidsstoornissen
o Hoe om te gaan met het gedrag dat hieruit voortkomt.
 Communicatie en attitude in het omgaan met onbegrepen gedrag
De inhoud wordt aangepast aan de behoefte van de deelnemers en is gericht op het
verbeteren van inzicht en effectiviteit van het eigen gedrag en de samenwerking met
elkaar (alle disciplines) in het verzorgingshuis.
Gewerkt werd met eigen casuïstiek.
Dit gedeelte werd uitgevoerd door Marianne van Heerde, opleidingsfunctionaris
Evaluatie verzorgingshuis Golfslag een half jaar na afloop van de scholing
Welke verbeteringen zijn gerealiseerd?





De omgang met (probleem)gedrag is verbeterd
De planmatige aanpak rond cliënten werkt goed
Het inzicht in ziektebeelden is toegenomen
Samenwerkingsafspraken op Golfslagniveau zijn gemaakt over normen en waarden,
door deze met elkaar te maken zijn de deelnemers eigenaar van deze afspraken.
Regels zijn in een lijstje gezet.
Facilitair heeft een aanvullende bijeenkomst gehad met Anja de Vos om het inzicht in
onbegrepen gedrag te vergroten
13
Welke aandachtspunten / interventies / onderzoek blijven doorgaan?










Casuïstiekbesprekingen met gedragstherapeut GGZ in 2011
Sturing van de manager op het leerproces door regelmatig aandacht en wijzen op
welk gedrag wordt verwacht
Veiligheid is er met betrekking tot het geven van feedback, maar is kwetsbaar, vraagt
aandacht in de samenwerking rond bewoners
Pilot afdeling 2; veranderingsproces in het kader van de visie. Dit proces heeft
invloed op alle medewerkers, continue aandacht voor de vraag „wat wil deze bewoner
nu echt‟? „En hoe pas ik hier mijn zorg op aan‟.
Onderzoek is gestart wat licht met dementie doet
In het programma voor inwerken van nieuwe medewerkers is ook opgenomen het
meelopen met andere disciplines in huis, zodat er meer begrip is voor de werkwijze
en consequenties van gedrag
De onderlinge samenwerking met andere disciplines is sterk verbeterd, er wordt meer
met elkaar overlegd in en buiten het zorgoverleg (1x per 6 weken). Het verbeterteam
heeft hierin een ondersteunende rol en aandacht voor het proces; waar staan we, zijn
er nog bewoners waarvoor een plan van aanpak moet worden gemaakt
Het verbeterteam pakt de ondersteunende rol goed op. De casuïstiekbespreking
kunnen zij zelfstandig leiden en zij begeleiden de EAV‟ers in het maken van
afspraken rond het gedrag bij de bewoner. Zij ondersteunen de medewerkers van de
andere disciplines en geven uitleg over de oorzaken van gedrag, deze medewerkers
voelen zich gesteund
Vanuit het multidisciplinair overleg biedt de specialist Ouderengeneeskunde
ondersteuning, dit blijft nodig omdat kennis wegzakt
Aansturing van de manager blijft nodig, om te voorkomen dat de nieuwe werkwijze
weer terugvalt in oude patronen.
Januari 2011
Anja de Vos, manager V&V Golfslag
Marianne van Heerde, Opleidingsfunctionaris
14
Teamevaluatie: Deskundig omgaan met onbegrepen gedrag
bijlage 2
Het is belangrijk om systematisch na te gaan of het team in de loop van de tijd beter leert omgaan met
probleemgedrag. Om dat vast te stellen, is het goed om regelmatig een teamevaluatie te houden.
Daarmee kijk je systematisch naar de resultaten van jullie inspanningen op dit terrein. Vul op
verschillende momenten de onderstaande checklist in en bespreek deze met elkaar in een
evaluatiebijeenkomst. Deze evaluatiemethode is veel gebruikt in het Verbetertraject Probleemgedrag.
Deskundigheid (bijvoorbeeld in het omgaan met probleemgedrag) bestaat uit vier elementen:
informatie, vaardigheden, ervaring en attitude.
Informatie
In de teamevaluatie is informatie dat wat je weet over het omgaan met probleemgedrag. Die informatie
kun je op verschillende manier tot je nemen (of al hebben genomen). Denk aan handleidingen,
protocollen, artikelen, methodieken en van alles dat je tijdens je opleiding hebt geleerd. Maar je kunt
ook informatie van elkaar krijgen, tijdens intervisie of op congressen.
Heeft het team bijvoorbeeld informatie over:
- het beloop van dementie en de bijbehorende symptomen?
- de invloed van hersenletsel op het gedrag van mensen?
- het analyseren van probleemsituaties?
- de mogelijkheden van gedragstherapie?
- de multidisciplinaire handreiking bij de NVVA-richtlijn Probleemgedrag?
- het stappenplan „Omgaan met probleemgedrag‟?
Vaardigheden
Hebben jullie als team de juiste vaardigheden om goed te kunnen omgaan met probleemgedrag? In
de evaluatie gaat het om twee groepen vaardigheden:

vaardigheden waarmee je „in contact staat‟ met je omgeving: communicatieve vaardigheden,
expressieve vaardigheden, ambachtelijke vaardigheden, fysieke vaardigheden, et cetera

vaardigheden die „in je hoofd‟ zitten: analytische vaardigheden, creatieve vaardigheden,
reflectieve vaardigheden, et cetera
Beschikt het team bijvoorbeeld over vaardigheden om:
- te kunnen omgaan met een fysiek agressieve cliënt?
- goed te observeren?
- te kunnen analyseren in welke alertheidsfase een cliënt zit?
15
Ervaring
Ervaring is een soort opslagplaats van alle gebeurtenissen die iemand heeft meegemaakt. Door
ervaring raak je met bepaalde zaken vertrouwd. Het helpt je om situaties in te schatten en ideeën te
ontwikkelen over wat er aan de hand is. En dus ook over wat je concreet kunt doen. Je kunt ervaring
hebben met het directe omgaan met probleemgedrag. Maar het gaat in de evaluatie ook om meer
algemene ervaring met observeren, analyseren, meten, rapporteren, en instrumenten ontwikkelen en
gebruiken.
Heeft het team bijvoorbeeld ervaring met:
- het omgaan met gedragsproblemen?
- het wel of niet effectief zijn van „een bepaalde aanpak‟ bij een cliënt?
Attitude
Een attitude – ofwel: houding – komt voort uit je waarden en normen. Die bepalen hoe je kijkt èn
handelt in een bepaalde situatie. Je attitude is van invloed op wat je wilt en wat je van jezelf mag. Een
voorbeeld is de „lerende houding‟: als je (individueel èn als team) wilt blijven leren, zoek je steeds naar
nieuwe manieren om met een bepaald probleem om te gaan.
Is er de juiste mix van attitudes in het team voorhanden? Bijvoorbeeld:
- als iedereen een „verzorgende‟ houding heeft, zal het team misschien te weinig grenzen stellen
- als te weinig teamleden een lerende attitude hebben, zal het team onvoldoende in staat zijn het
handelen aan te passen aan nieuwe omstandigheden
Scoor jullie deskundigheid!
Bij de evaluatie van de ontwikkeling van jullie deskundigheid in het omgaan met probleemgedrag, is
het belangrijk om op alle vier de hierboven uitgewerkte elementen van deskundigheid te letten. Dat
doe je op een systematische manier door het onderstaande scoringsformulier te gebruiken. Daarbij
horen twee opdrachten:

Noem bij elk van de vier elementen van deskundigheid vijf concrete thema‟s. Op die manier
benoem je – toegespitst op jullie eigen situatie! – over welke informatie het team moet beschikken,
welke vaardigheden jullie moeten hebben, op welke terreinen jullie ervaren moeten zijn en welke
attitude (houding) daarbij belangrijk is.

Beoordeel bij elk thema of jullie team op dat punt ver genoeg is, of dat het team zich op korte
termijn verder moet ontwikkelen. Geef vervolgens per element een rapportcijfer. Wees niet te
kinderachtig met het geven van een cijfer, maar wees kritisch op jezelf! Een „onvoldoende‟ prikkelt
namelijk om jezelf te verbeteren. Als het team zichzelf te snel een 7 geeft, krijgen jullie
onvoldoende uitdaging om aan verbetering te werken.
16
Het scoringsformulier:
Noem per element (maximaal) vijf punten die belangrijk zijn bij het in teamverband deskundig omgaan
met onbegrepen gedrag.
Informatie (over)
1. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
2. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
3. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
4. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
5. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
Rapportcijfer informatie
Vaardigheden
1. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
2. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
3. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
4. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
5. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
Rapportcijfer vaardigheden
Ervaring (met)
1. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
2. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
3. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
4. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
5. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
Rapportcijfer ervaring
Attitude
1. ___________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
2. ____________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
3. ____________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
4. ____________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
5. ____________________________________________________ Ontwikkelen? JA /NEE
Rapportcijfer attitude
17
Bijlage 3
Ruimte voor flexibiliteit in richtlijnen: onderzoek naar de
richtlijn Probleemgedrag in de ouderenzorg
Uitwerking van de belangrijkste bevindingen uit onderzoek
Esther van Loon
instituut Beleid en Management Gezondheidszorg (iBMG) Erasmus Universiteit Rotterdam
Geschreven voor Zorggroep Oude & Nieuwe Land
28 juli 2011
Inleiding
De laatste decennia is er in de gezondheidszorg steeds meer aandacht voor kwaliteit van
zorg. Het landelijke verbeterprogramma Zorg voor Beter stimuleert de realisatie van
duurzamekwaliteitsverbeteringen in de langdurende zorg (ouderenzorg, langdurende GGZ
en gehandicaptenzorg). Eén van de thema‟s binnen Zorg voor Beter is „probleemgedrag‟.
Gedrag van langdurend zorgafhankelijke cliënten dat moeilijk te begrijpen en te hanteren is
komt veelvuldig voor en zorgt voor veel onbegrip, last voor zowel de cliënt en zijn omgeving
en heeft vaak veel impact op het werkplezier van zorgverleners. De Zorggroep Oude en
Nieuwe Land heeft meegedaan aan het Verbeterprogramma Probleemgedrag en is binnen
een vervolgprogramma op Zorg voor Beter (N.B. Zorg voor Beter 2) het multidisciplinair
werken aan probleemgedrag verder gaan verspreiden binnen drie verzorgingshuizen van de
organisatie. Dit schrijven bevat de belangrijkste bevindingen uit een onderzoek binnen de
Zorggroep Oude en Nieuwe Land.
Onder de „vlag‟ van Zorg voor Beter is er in 2007 een verbeterprogramma gestart gericht op
het verbeteren van omgaan met probleemgedrag. Tegelijkertijd is de richtlijn
Probleemgedrag die stamt uit 2002 (Verenso) herzien binnen de Ontwikkeltrajecten van Zorg
voor Beter. Belangrijke wijziging in de richtlijnherziening was het multidisciplinair „maken‟ van
de richtlijn. Probleemgedrag is complexe problematiek die vraagt om een integrale
multidisciplinaire benadering. Naast de ondersteuning die de richtlijn biedt aan specialisten
ouderengeneeskunde is er een deel aan toegevoegd die zich primair richt op het
systematisch multidisciplinair „aanpakken‟ van probleemgedrag. Dit „multidisciplinaire
addendum‟ bij de richtlijn probleemgedrag was een aanvulling op de richtlijn die dit integrale
aspect een plek gaf. Er is een intensieve samenwerking tussen het verbetertraject
Probleemgedrag en het Ontwikkeltraject geweest. Kennis uit wetenschappelijke hoek en
ontwerpen van hulpmiddelen en kennis uit de praktijk in verbetertrajecten konden op deze
wijze worden gebundeld.
Het instituut Beleid en Management (iBMG) doet in opdracht van ZonMw onderzoek naar de
resultaten en effecten van het Zorg voor Beter programma. De centrale vraag van dit
onderzoek is welke condities er binnen organisaties moeten zijn om te komen tot duurzame
kwaliteitsverbeteringen (zie: Strating et al. 20096). Dit wordt onderzocht middels een
combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Binnen het thema probleemgedrag
heeft het iBMG onderzoek gedaan binnen het verbeterprogramma en de herziening van de
richtlijn.
In de Zorggroep Oude en Nieuwe Land is kwalitatief onderzoek gedaan door Esther van
Loon, junior onderzoeker/promovendus van het iBMG. Dit onderzoek richtte zich op de
vragen:
- hoe wordt het „multidisciplinair werken aan probleemgedrag‟ geïntroduceerd,
verspreid en geborgd in het handelen van zorgmedewerkers?
- welke rol spelen de richtlijn en het multidisciplinair addendum bij het verbeteren van
omgaan met probleemgedrag?
- hoe is de multidisciplinaire samenwerking vormgegeven rondom het verminderen van
probleemgedrag?
6
Strating, M.M.H., Stoopendaal, A.M.V., Zuiderent-Jerak, T., Nieboer, A.P., Bal, R.A. (2009). Op weg
naar duurzaam verbeteren in de langdurige zorg? Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen.
volume 87, issue 8 pp 374-384.
18
welke effecten zijn merkbaar?
Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden zijn verschillende medewerkers binnen de
zorggroep geïnterviewd, te weten: projectleider van het project, verzorgende en kartrekker
binnen één van de locaties, teamleider en lid van het verbeterteam in één van de locaties,
specialist ouderengeneeskunde, psycholoog en teamleider die destijds mee heeft gedaan
aan het verbetertraject probleemgedrag. Daarnaast zijn een drietal bijeenkomsten met de
projectleider en de verbeterteams in de verschillende locaties bijgewoond en geobserveerd.
Hiervan is een verslaglegging gedaan. Tenslotte zijn er documenten die in het kader van dit
project ontwikkeld zijn binnen de Zorggroep, deze zijn bestudeerd in het onderzoek (zoals
het werkboek, de poster ongewoon gewoon en het stappenplan).
De resultaten van dit onderzoek binnen de Zorggroep en de resultaten van eerder onderzoek
naar probleemgedrag zullen tezamen de basis vormen voor een Engelstalig artikel dat een
onderdeel vormt van het proefschrift van Esther van Loon en welke zal worden aangeboden
aan een internationaal wetenschappelijk tijdschrift geïnteresseerd in deze materie. Het
proefschrift in zijn totaliteit richt zich op vragen als hoe kunnen zorgverbeteringsinstrumenten
een goede balans vinden tussen ruimte houden voor enerzijds diversiteit, flexibiliteit en
reflectie, en anderzijds wel richtinggevend en sturend blijven voor het handelen van
zorgverleners. Ik onderzoek deze vraag met name binnen het Zorg voor Beter programma
en in de langdurende zorg in zijn geheel.
-
De bredere relevantie van dit onderzoek
Dit onderzoek is om een tweetal redenen relevant voor een breder (wetenschappelijk en
beleidsmatig geïnteresseerd) publiek.
Hulpmiddelen om de kwaliteit van zorg te verbeteren (zoals richtlijnen, trainingen,
handreikingen etc.) bieden hulpverleners handvatten en richting in het aanpakken van
vraagstukken in de zorgverlening. Dergelijke hulpmiddelen zijn juist in de gezondheidszorg
van grote waarde aangezien kwaliteit van zorgverlening uit zichzelf geen eenduidig en
vastomlijnd „product‟ is. Hulpmiddelen maken kwaliteit zichtbaar, waardoor een bepaald
niveau van zorg kan worden gegarandeerd, het richting geeft aan verbeteringen en de zorg
kan worden verantwoord. Veel van dit soort hulpmiddelen slagen er niet of maar ten dele in
om hun doelen te bereiken. Ook komt het geregeld voor dat hulpmiddelen op andere
manieren dan ontwikkelaars bedoeld hadden, gebruikt worden. Hoe hulpmiddelen te
ontwikkelen zodat ze betere kansen van „slagen‟ hebben in hun doelstelling is voor een groot
deel onbekend. Wat belangrijk lijkt is het betrekken van de praktijken waarbinnen
hulpmiddelen moeten gaan fungeren in de ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn het
betrekken van gebruikers bij ontwikkeling. Op deze manier kan worden bekeken in hoeverre
een hulpmiddel aansluit bij de praktijk en in hoeverre er draagvlak is voor verandering. De
samenwerking tussen het verbeterprogramma Probleemgedrag en de richtlijnherziening
boden kans om te onderzoeken in hoeverre het betrekken van de praktijk bij de ontwikkeling
van instrumenten leidt tot goed bij de praktijk aansluitende hulpmiddelen. Vervolgens kon
binnen de Zorggroep Oude en Nieuwe Land bekeken worden hoe dergelijke hulpmiddelen
de praktijk kunnen ondersteunen en wat dit vraagt van het implementeren. Hierbij hoopt dit
onderzoek bij te dragen aan meer kennis over het ontwikkelen van hulpmiddelen voor het
verbeteren van de zorg.
Daarnaast, en in het verlengde van het eerste vraagstuk, laat onderzoek naar richtlijngebruik
zien dat richtlijnen niet „zomaar‟ verspreiden in zorgpraktijken. Vaak worden aanbevelingen
in richtlijnen gezien als te statisch en te rigide om hulpverleners te dienen bij het maken van
de juiste zorginhoudelijke keuzes. In keuzes die zorgverleners maken in hun dagelijks werk
spelen vele afwegingen een rol naast de medische aspecten welke voornamelijk zijn
weergegeven in richtlijnen. Hierbij valt te denken aan voorkeur van patiënten en naasten,
coping mechanismen van patiënten, interactie met andere aandoeningen en
organisatorische aspecten. Zeker in de langdurige zorg lijken aspecten rondom kwaliteit van
leven en welzijn minstens even belangrijk als de medische en zorg technische aspecten.
Probleemgedrag is bij uitstek een probleem dat complex is, verschillend wordt ervaren en
geïnterpreteerd en slechts uiting krijgt in interactie met de omgeving. Het is wetenschappelijk
gezien interessant om te onderzoeken hoe dergelijke complexe en „multipele‟ problematiek
kan worden beïnvloed door het ontwikkelen van richtlijnen. Hoe doet een richtlijn voldoende
eer aan de diversiteit van de problematieken en hoe kunnen aanbevelingen uit een richtlijn
nog steeds voldoende richting bieden op het handelen van zorgverleners. Het
19
verbetertraject, de richtlijnontwikkeling en de verspreiding binnen Zorggroep Oude en
Nieuwe Land geven meer inzicht in deze vragen die mogelijk een bijdrage kunnen leveren
aan goed passende en toch richtinggevende richtlijnen voor de toekomst.
De bevindingen uit het onderzoek binnen de Zorggroep Oude en Nieuwe Land
Binnen de Zorggroep Oude en Nieuwe Land is gekeken hoe het multidisciplinair werken aan
probleemgedrag, of onbegrepen gedrag zoals de zorggroep ervoor gekozen heeft dit te
noemen, vormgegeven is en wat voor resultaten dit heeft opgeleverd.
Eén van de locaties (verzorgingshuis) heeft meegedaan aan het verbetertraject
Probleemgedrag. Op basis van de verbetermethodiek van het verbetertraject zijn er in drie
andere verzorgingshuizen van de zorggroep interventies geïnitieerd om onbegrepen gedrag
onder de aandacht te brengen en te verbeteren. Hiervoor is een verbeterteam in het leven
geroepen bestaande uit drie à viermedewerkers per huis die gezamenlijk werken aan het
reduceren van probleemgedrag aan de hand van de methodiek. De methodiek is een
stappenplan die afgeleid is van het multidisciplinair addendum van de richtlijn
Probleemgedrag van Verenso en die in 9 stappen probleemgedrag in kaart brengt,
multidisciplinair maakt, en stappen zet om het gedrag te kanaliseren of te reduceren.
Belangrijke interventies die zijn gedaan binnen de Zorggroep zijn het geven van een cursus,
het verspreiden van de methodiek door de verbeterteamleden andere collega‟s te laten
coachen in gebruik van de methodiek bij een cliënt met onbegrepen gedrag, een uitgebreide
werkmap gebaseerd op het multidisciplinair addendum en het betrekken van
leidinggevenden als ondersteuners voor het succes. Om de ingezette methodiek te borgen,
ook na de afronding van het project blijft het verbeterteam bestaan en worden zij
„functionarissen‟ op het gebied van probleemgedrag. In een maandelijks inhoudelijk overleg
is het een vast item en de werkmap en andere hulpmiddelen krijgen een vaste plek en
kunnen te allen tijde als naslagwerk worden geraadpleegd en ingezet worden daar waar
nodig. Belangrijk in de visie van de Zorggroep is „betrokken zorg‟, een visie die de
cliëntgerichte manier van werken bekrachtigd. In een interview met de leidinggevenden, die
destijds mee heeft gedaan aan het verbetertraject, is uitdrukkelijk gevraagd naar de borging
van het project probleemgedrag. Het blijkt dat probleemgedrag hier nog steeds erg onder de
aandacht is van zorgmedewerkers en dat de eerdergenoemde borgingsinterventies ook nog
steeds plaatsvinden.
De effecten van al deze interventies in het project probleemgedrag zijn samen te vatten
onder drie kopjes:1) effecten op het gebied van cliënten, 2) effecten op het gebied van de
multidisciplinaire samenwerking en 3) effecten op het gebied van medewerkers.
1) Effecten op het gebied van cliënten. Het werken aan probleemgedrag laat zien dat er
meer aandacht komt voor de cliënt als persoon. Het inventariseren van de situatie en
achtergrond van de cliënt, wat een onderdeel is van de methodiek geeft zorgverleners
meer zicht in wie een cliënt is en waar zijn of haar moeilijke gedrag aan te herleiden is.
Dit zorgde eigenlijk altijd voor een sterker begrip voor de situatie. Dit begrip was een van
de belangrijkste effecten van de methodiek en maakte veelal dat het gedrag beter te
begrijpen en te dragen was maar ook dat het mogelijkheden bood om acties te
ondernemen ter verbetering die aansloten bij het daadwerkelijke probleem dat achter het
gedrag lag. Op het gebied van individuele cliënten waarbij de methodiek werd toegepast
werden vaak positieve effecten gerapporteerd. Bijvoorbeeld iemand gaat nu vaker naar
de kapper om een permanentje laat zetten, de eigen kamer wordt meer aangekleed en
ingericht, er wordt vaker gebruik gemaakt van gezamenlijke koffiemomenten in plaats
van de hele dag op de kamer te zitten en iemand is veel spraakzamer dan voorheen. Het
interessante is dat het onbegrepen gedrag daarbij niet eens altijd daadwerkelijk hoeft te
verminderen. Soms belt iemand nog even vaak de verzorging of is nog steeds even
onrustig. Echter de beoordeling van het gedrag is anders en effecten zijn waarneembaar
in bredere zin dan alleen op het symptoom van het probleemgedrag. Een belangrijke les
is dan ook dat wanneer er louter gekeken wordt naar het verminderen van
probleemgedrag per se, te concluderen zijn dat deze methodiek niet goed werkt. Echter
de effecten op het gebied van kwaliteit van iemands bestaan laten zien dat er in brede
zin vaak positieve effecten zichtbaar zijn wanneer de methodiek wordt toegepast.
20
2) Effecten op het gebied van de multidisciplinaire samenwerking. Hoe richtlijnen een
bijdrage kunnen bieden aan coördinerende taken van zorgverleners blijkt uit dit
onderzoek. Er is door verschillende disciplines verwoord dat er meer samenwerking
wordt gezocht in de aanpak van probleemgedrag. Zo ervaart de psycholoog dat er vaker
een beroep op haar wordt gedaan om mee te denken over een goede aanpak van
bepaalde cliënten. Dit gebeurde eerder minder en ook vaak in een later stadium,
bijvoorbeeld als de situatie was geëscaleerd. Ook de specialist ouderengeneeskunde
merkt positieve verschillen. Verzorgenden benaderen hem met andere vragen. Deze
vragen zijn niet primair meer gericht op het direct een oplossing, vaak medicamenteus
bieden voor moeilijk gedrag maar vragen zijn breder en meer gericht op meekijken en
meezoeken naar oplossingen. De specialist ouderengeneeskunde ervaart dat de cursus
heeft geleid tot meer zicht van verzorgenden op het werk van de specialist
ouderengeneeskunde, dat hij ook geen kant-en-klare oplossingen heeft en breder dacht
dan alleen medicamenteuze oplossingen. Er liggen nog wel aandachtsgebieden. Zo
ervaren verzorgenden de samenwerking soms als vertragend. Het komt voor dat de
huisarts niet (snel genoeg) inspringt op de situatie of dat de uitslagen van onderzoeken
van de specialist ouderengeneeskunde op zich laten wachten. Het lijkt aannemelijk dat
deze aandachtsgebieden juist door het werken met het stappenplan meer naar de
oppervlakte zijn gekomen. Immers waar voorheen minder een beroep werd gedaan op
de expertise van andere disciplines wordt hier nu sterker gebruik van gemaakt.
3) Effecten op het gebied van medewerkers. Er zijn op het gebied van de medewerker legio
effecten merkbaar. Het stappenplan stimuleerde tot een aanpak die gericht was op eerst
inventariseren en dan pas handelen. Zorgverleners, met name verzorgenden worden
voornamelijk getypeerd als „doeners‟. Vanuit hun opleiding, zorgende aard en de
organisatie en druk van het werk worden zij gestimuleerd om snel gesignaleerde
problemen op te lossen. De methodiek van het stappenplan stimuleerde echter tot een
benadering die in eerste instantie gericht was op inventariseren, observeren, kijken,
voelen en onderzoeken van wie is deze cliënt, wat gebeurd er hier en wat voor rol speelt
de omgeving. En om dan vervolgens pas te „handelen‟. Eén van de belangrijkste rollen
van de projectleider was het bijsturen op eerst inventariseren en dan handelen. Effecten
die verzorgenden merkten waren dat dit hun veel meer richting gaf in waar te beginnen
en hoe met dergelijke ingewikkelde delen van het werk om te gaan. Waar eerder sneller
werd geconstateerd dat moeilijk gedrag nou eenmaal hoorde bij sommige ouderen, wordt
er nu veel meer gekeken naar waar dergelijk gedrag vandaan komt en wat voor
mogelijkheden er waren om de redenen waarom dit gedrag voorkomt.
In de cursus en in de implementatie aanpak is veelvuldig het „professioneel handelen‟
aan de orde geweest. Het is belangrijk geweest om aandacht te hebben voor welke rol je
als zorgverlener hebt. Probleemgedrag als onderdeel van een systeem, maakt dat je als
zorgverlener ook het gedrag beïnvloed en dat je eigen handelen, en je eigen kwaliteiten
hierin expliciet een rol moeten hebben. Probleemgedrag komt bij de ene collega mogelijk
vaker voor dan de ander, en de een interpreteert gedrag eerder en sneller als
problematisch dan anderen. Het onderkennen van dit verschil en het leren van elkaars
aanpak en het gebruik maken van elkaars kwaliteiten was een belangrijk aspect.
Een derde aspect waarin effecten van deze manier van werken naar voren kwamen is
dat de methodiek de verzorgenden een tool in handen geeft die hun sterk „emancipeert‟.
Het geeft richting aan gesprekken met familieleden en andere disciplines en lijkt het
makkelijker te maken om zaken te bespreken binnen het eigen team en met andere
disciplines, zowel intern als extern (bijvoorbeeld de huisarts). Verzorgenden geven zelf
aan zich sterker te voelen, goed in het project te kunnen groeien.
Voorlopige conclusie
Het gericht werken aan probleemgedrag zet zorgverleners in beweging. Het stimuleert tot
een manier van kijken en werken die enerzijds nauw aan lijkt te sluiten bij opvattingen over
zorgverlening en manieren van zorgverlening zoals men is gewend. Maar anderzijds krachtig
is in de effecten die het lijkt te sorteren. De methodiek lijkt krachtig door zijn eenvoud. Het is
een relatief „kale‟ methodiek die methodisch en planmatig werken stimuleert maar die
wellicht juist door zijn eenvoud veel ruimte biedt aan zorgverleners om te kunnen handelen.
21
Opmerkelijk is het dat er uiteenlopende effecten merkbaar zijn op het gebied van welzijn
van cliënten, coördinatie van zorg en professionaliteit. Echter effecten op het gebied van
vermindering van probleemgedrag als zodanig lijken minder vanzelfsprekend. Wanneer in
termen van reduceren van probleemgedrag in nauwe zin gekeken wordt zal een conclusie
dat de methodiek een succes is niet te rechtvaardigen zijn. Dit doet echter tekort aan alle
effecten die de methodiek en de implementatie ervan laten zien.
Dit schrijven lijkt mogelijk te suggereren dat de methodiek van het addendum zichzelf vanzelf
wel zal verspreiden. Dat is niet het geval. Dergelijke kwaliteitsverbeterende instrumenten
zullen actief moeten worden eigen gemaakt door organisaties en zullen moeten worden
aangepast en bijgeschaafd aan de lokale belangen, doelgroep en manier van werken binnen
de organisatie. Dit kost altijd tijd en energie en gaat niet vanzelf.
Het lijkt echter wel aannemelijk dat instrumenten die aansluiten bij de manieren van werken
en de issues van de zorgpraktijk een grotere kans van slagen hebben. Flexibiliteit in deze
hulpmiddelen die ruimte laten voor reflectie en eigen invulling van zorgverleners lijkt daarbij
belangrijk.
Download