Het Tell el-Yahudiyeh-aardewerk in de Nijldelta en

advertisement
Het Tell el-Yahudiyeh-aardewerk in de Nijldelta en de
Levant en de relatie met de chronologie van het
Middellandse Zeegebied
Sophie MORTIER
Het zogenaamde Tell el‐Yahudiyeh‐aardewerk is een specifieke aardewerkgroep die typisch is voor de periode aan het einde van het Middenrijk en de Tweede Tussentijd in Egypte. Vertrekkend van de studie van het Tell el‐Yahudiyeh‐
aardewerk in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel wordt het gebruik ervan voor het dateren van archeologische contexten aangetoond en hoe het een rol kan spelen in het debat rond de chronologie van het oostelijk Middellandse Zeegebied en de uitbarsting van de vulkaan Thera. De datering van de uitbarsting van deze vulkaan – op basis van C14‐
dateringen, dendrochronologisch onderzoek en ijskernenonderzoek geplaatst in 1645 of 1628 v. Chr. ‐ is zeer omstreden. Het archeologisch materiaal wijst, in tegenstelling tot de absolute dateringen, in de richting van een veel recentere datering ergens in de 16de of zelfs 15de eeuw v. Chr. The so‐called Tell el‐Yahudiyeh ware is a specific kind of pottery typical for the end of the Middle Kingdom and the Second Intermediate Period in Egypt. Starting from the study of the Tell el – Yahudiyeh ware in the Royal Museums of Art and History in Brussels the use of this type of pottery for the dating of archaeological contexts will be shown and more broadly, how it can play a role in the debate on the chronology of the Eastern Mediterranean and the eruption of the Thera volcano. The Thera eruption is a widely disputed event dated on the basis of radiocarbon, dendrochronological and ice core studies to 1645 or 1628 B.C. The archaeological evidence on the other hand, including the Tell el – Yahudiyeh ware, points to a far more recent dating of the eruption somewhere during the 16th or even 15th century B.C. 1
Inleiding Het Tell el-Yahudiyeh-aardewerk, als
chronologisch relevante aardewerkgroep, is van belang om de
chronologie
van
het
oostelijke
Middellandse Zeegebied te herzien.
Specifieke aardewerkgroepen hebben immers, dankzij hun beperkte
chronologische
en
geografische
verspreiding, een grote betekenis
voor het dateren van bepaalde sites,
6
zeker in samenhang met andere
chronologische indicatoren.
De stand van het onderzoek is
momenteel
gestrand
op
het
proberen overeenstemmen van het
archeologisch materiaal met de
datering die gegeven wordt voor de
uitbarsting van de vulkaan van
Thera. Aangezien het chronologisch
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
hiaat tussen de datering voor de
uitbarsting – ofwel ca. 1645 ofwel
ca. 1628 v. Chr. – en het archeologisch
materiaal
dat
in
de
vulkanische afzettingslaag (16de/
15de eeuw v. Chr.) werd teruggevonden zeer groot is, is het van
enorm belang om te proberen
vaststellen hoe men beide op elkaar
kan afstemmen en welke de meer
waarschijnlijke datering is.
De periode van de middenbronstijd
in
het
oostelijk
Middellandse
Zeegebied kan gedateerd worden –
gebaseerd op de middenchronologie
– tussen 1900 en 1550 v. Chr. De
periodes waar het in dit onderzoek
meer bepaald om gaat, zijn de
middenbronstijd II B en C periodes,
tussen 1750 en 1550 v. Chr., de
Tweede
Tussentijd
in
Egypte
(McGovern 2000, 1-2).
In Egypte heerst op dit moment een
tijd van verwarring van de overgang
van het Middenrijk naar de tweede
Tussentijd, waarbij vreemde overheersers
de
oostelijke
Delta
bewonen en hun invloed tot ver in
Midden–Egypte laten reiken. Deze
vreemde overheersers, de Hyksos,
vertegenwoordigen een belangrijk
deel van de geschiedenis van Egypte
(Assmann 1996, 197). De hoofdstad
van de Hyksos, Avaris, was gelegen
in de oostelijke Nijldelta en moet
hoogstwaarschijnlijk gezocht worden
op de huidige site van Tell el–Dab‘a
(Bietak 1996, 3).
Parallel met de Tweede Tussentijd in
Egypte bestaan uiteraard andere
culturen in het oostelijk Middellandse
Zeegebied. In de Levant kent men
de Amorietische periode die net voor
het einde van de Tweede Tussentijd
opgevolgd wordt door de Hoerrieten-
Mitanni, een volk dat in het Nieuwe
Rijk een zeer grote rol gaat spelen,
terwijl men in Klein–Azië de Oud–
Hittitische periode doormaakt.
In Cyprus spreekt men over de
Midden–Cypriotisch III periode die
loopt van 1725 tot 1600 v. Chr. en
de Laat–Cypriotisch I periode die
loopt van 1600 tot 1450 v. Chr.
Gelijktijdig kent men op Kreta de
Midden–Minoïsch III en de Laat–
Minoïsch I periode. Tijdens de Laat–
Minoïsch
IA
fase
vindt
hét
evenement van de bronstijd in het
oostelijk Middel-landse Zeegebied
plaats, namelijk de uitbarsting van
de vulkaan op het eiland Thera, nabij
Kreta (Peltenburg 1989, 59-61).
2
Het Tell el‐Yahudiyeh‐aardewerk 2.1 ALGEMEEN
Het
Tell
el-Yahudiyeh-aardewerk
heeft haar naam afgeleid van de site
waar ze het eerst werd aangetroffen,
Tell el-Yahudiyeh. Het is een
aardewerktype dat vooral voorkomt
in de vorm van kleine kruikjes met
een bruin–zwart tot rood gepolijst
oppervlak (Bietak 1989, 7-34; Bietak
1997, 91). Ze hebben een typische
decoratie
die
bestaat
uit
geïnciseerde puntjes die meestal
werden opgevuld met een witte
pasta.
Sommigen
werden
ook
versierd met figuratieve incisies
waarbij vooral lotusbloemen en
watervogels populaire motieven zijn
(Bietak, 1997, 91).
2.2 OORSPRONG
Het
Tell
el-Yahudiyeh-aardewerk
kent haar oorsprong niet in Egypte,
maar in de regio van Syro-Palestina,
waar de oudste voorbeelden werden
teruggevonden. Hier kwamen ze
7
Sophie MORTIER
voor vanaf de middenbronstijd IIA
periode, terwijl ze in Egypte pas
vanaf
de
middenbronstijd
IIB
periode
geïntroduceerd
werden
(Aston 2002, 51).
Ook op het eiland Cyprus werd Tell
el-Yahudiyeh-aardewerk
teruggevonden. Hier kan men opmerken dat
op Cyprus Tell el-Yahudiyeh-kruiken
werden teruggevonden van Egyptische origine en in Egypte van
Cypriotische origine. Dit feit kan op
twee manieren verklaard worden:
ofwel
bevond
er
zich
een
Cypriotische gemeenschap in Tell el–
Dab’a, ofwel – en meer waarschijnlijk – bestond er een intensieve
handelsrelatie tussen beide partijen
tijdens de Hyksosperiode (Booth
2005, 41-43).
Als men kijkt naar de verspreiding
van Tell el-Yahudiyeh-aardewerk in
Egypte en de Levant, dan ziet men
dat men op basis van typologisch
verschillende groepen een regionaal
onderscheid kan maken (fig. 1). Na
de initiële ontwikkelingsfase van het
Tell el-Yahudiyeh-aardewerk gebeurt
er een opsplitsing in regionale
groepen. De twee hoofdgroepen die
onderscheiden kunnen worden, zijn
de Palestijnse tak en de EgyptischLevantijnse tak. Men zou hiernaast
ook
een
derde
tak
kunnen
onderscheiden van handgemaakte
Tell
el-Yahudiyeh-kruikjes
die
waarschijnlijk afgeleid zijn van
Cypriotische voorbeelden, in het
bijzonder Black Slip II aardewerk
(Aston 2002, 51).
De eerste twee takken kunnen op
hun beurt nog eens opgedeeld
worden in chronologische fasen. De
Palestijnse tak wordt dan verdeeld in
een Vroeg–Palestijnse groep en een
Laat–Palestijnse groep, terwijl de
Egyptisch–Levantijnse
tak
wordt
opgedeeld in een vroege EgyptischLevantijnse en een late EgyptischLevantijnse groep (Aston 2002, 51).
Figuur 1. Ontwikkeling van het Tell el – Yahudiyeh aardewerk (Aston 2008 : figuur 7)
8
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
2.3 TYPOLOGIE
Vooral dankzij de opgravingen op de
site van Tell el–Dab’a, waar het
aandeel van Tell el-Yahudiyehaardewerk uitzonderlijk hoog ligt, is
het mogelijk geworden een typologie
en relatieve chronologie op te stellen
van deze bijzondere groep.
Men kan een onderscheid maken
tussen ovoïde, biconische, piriforme,
globulaire en cilindrische lichamen.
Naast deze variaties in kruiktypes
vindt men binnen het Tell elYahudiyeh repertoire ook enkele
uitzonderlijke vormen terug, zoals
vazen in de vorm van vissen, vogels
of mensen. Ook deze werden
gedecoreerd
met
geïnciseerde
puntjes. In een laatste stadium van
dit type aardewerk vindt men ook
kruiken met doorlopende kam-
incisies. Een zeldzaam type dat ook
tot het Tell el-Yahudiyeh-aardewerk
kan gerekend worden, zijn de
quadrilobe kruikjes. Deze bestaan uit
vier lobben die de kruik een zeer
bijzonder uitzicht geven (Kaplan
1980, 15-32).
De onderscheiden vormen die het
lichaam van de vaas kan aannemen,
worden
vervolgens
nog
eens
opgedeeld
in
aparte
groepen
afhankelijk van de afmetingen, de
vorm van de lip, het oor en de voet.
Zo krijgt men binnen de cilindrische
groep een opdeling in cilindrisch 1 en
2. Bij de piriforme groep kan men
Piriform 1, 2a, 2b en 3 onderscheiden, terwijl biconisch wordt
opgedeeld in Biconisch 1 en 2. Bij de
ovoïde groep heeft men Ovoïd 1, 2,
3, 4 en 5 (Kaplan 1980).
Figuur 2. Het voorkomen van de Tell el – Yahudiyeh types volgens de stratigrafie
van
9
Sophie MORTIER
Tell el – Dab‘a (Aston 2008 : figuur 8)
Op basis van bovenvermelde studie
en de stratigrafie van de site van Tell
el-Dab‘a heeft M. Bietak (1997, 9194), met enkele aanpassingen in de
typologie,
een
chronologische
sequentie opgesteld van het type
(van oudste naar meest recente
type; fig. 2): Ovoïd 1, Ovoïd 2, 3 en
4 (Palestijnse tak), Piriform 1a
(Egyptische tak), Piriform 1b en 1c
Type
Ovoïd 1
Ovoïd 2
Ovoïd 3
Ovoïd 4
Ovoïd 5
Piriform 1
Piriform 2a
Piriform 2b
Piriform 3
Biconisch 1
Biconisch 2
Globulair
Cilindrisch 1
Cilindrisch 2
(Egyptische tak), Piriform 2 (Hyksosperiode), Piriform 3 (Palestijnse tak),
en tenslotte Biconisch, Cilindrisch en
Globulair (Bietak 1997, 91-94).
Een samenvatting van de typologische
kenmerken
van
de
verschillende types ziet men in tabel
1.
Kenmerken
* oor uit twee lussen klei
* knop/ringbasis
*eivormig lichaam
* decoratie van twee of drie horizontale zones met rechte of schuine lijnpatronen
*naar binnen lopende of rechte rand
* kleine en smalle knopbasis
* scherpe overgang van schouders naar lichaam
* doet denken aan Piriform 1
* breder lichaam
* lip naar binnen gedraaid
* oor uit drie lussen klei
* drie of vier horizontale decoratiezones
* cirkels en spiralen als onderscheidende decoratie
* = El Lisht Ware
* tussen 12,2 en 15,8 cm hoog
* ringbasis
* lip naar binnen gedraaid
* oor uit twee of meer lussen klei
* lip naar buiten gedraaid
* oor uit één lus klei
* knop/ringbasis
* drie of vier verticale decoratiezones met visgraatmotief
* lip naar buiten gedraaid of recht
* oor uit twee lussen klei
* tot puntige knopbasis
* heterogeen van vorm en decoratie
* decoratie steeds horizontaal georiënteerd
* tussen 12 en 15,9cm hoog
* tussen 7,5 en 16cm hoog
* lip naar buiten gedraaid
* platte knopbasis tot ringbasis
* decoratie in twee zones over hele lichaam gescheiden door centrale band
* vaak chevronpatroon
* drie horizontale decoratiezones
* oor uit twee lussen klei
* lip naar binnen gedraaid
* evolutie naar meer gedrongen vorm
* decoratie van verticale stroken met visgraatmotief
* tussen 7,6 en 12,6 cm hoog
* afgeronde basis
* minder scherpe overgang van schouder naar lichaam dan Cilindrisch 2
* lip naar buiten gedraaid
* oor uit één lus klei
* decoratie op verticaal vlak
* tussen 9,7 en 15,4 cm hoog
* hoekige overgang van schouder naar lichaam
* basis plat tot licht gekromd
* oor uit twee lussen klei
Datering
Stratigrafie Tell el - Dab'a
1800 - 1725 v.C. Stratum H, G/4, G/3-1, F
1780 - 1650 v.C. Stratum G, F, E/3
1690 - 1540 v.C. Stratum E/3-1, D/3-2
1690 - 1530 v.C. Stratum E/3-1, D/3-1
1650 - 1550 v.C. Stratum E/2-1, D/3
1625 - 1540 v.C. Stratum E/1, D/3-2
Tabel 1. Samenvatting typologie (Mortier 2009, tabel 1).
10
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
3
Materiaalstudie in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Om een betere voeling te krijgen
met het aardewerk waarover dit
onderzoek gaat, werd de collectie
Tell el-Yahudiyeh-aardewerk in de
Koninklijke Musea voor Kunst en
Geschiedenis
(KMKG,
Brussel)
bestudeerd en werd getracht de
verschillende kruikjes in te passen in
de typologie. De meeste van deze
Tell el-Yahudiyehkruiken werden aan
de KMKG geschonken door W.
Flinders Petrie die ze op de site van
Tell el-Yahudiyeh heeft opgegraven.
Van
elk
kruikje
werd
een
beschrijving,
een
tekening
en
meerdere foto’s gemaakt.
Inventarisnummer
Vindplaats
Type
Om de kruikjes in te passen in de
typologie (tabel 2) werd in de eerste
plaats gekeken naar hun typologische kenmerken: vorm van het
lichaam, vorm van het oor, vorm van
de lip, bakwijze, patroon van de
incisies.
Vervolgens werd ook, waar gekend,
gekeken naar de vondstcontext van
de kruikjes. Deze kon vaak veel
bijkomende informatie geven over
de datering van het stuk. Vooral
scarabeeën waren hierbij zeer nuttig.
Hieronder worden twee voorbeelden
aangehaald om aan te tonen hoe het
Tell el-Yahudiyeh-aardewerk kan
bijdragen tot de datering van een
vondstcontext.
Datering
Bijzonderheden
E. 609
Ghurob
Piriform 2
1680 - 1545 v.C.
E. 2497
Onbekend
Piriform 2
1680 - 1545 v.C.
E. 2569
Tell el - Yahudiyeh
Biconisch 1 1650 - 1530 v.C. Moet voor E. 2573 te dateren zijn aan de hand van contextgegevens
E. 2570
Tell el - Yahudiyeh
Biconisch 1 1650 - 1530 v.C. Moet voor E. 2573 te dateren zijn aan de hand van contextgegevens
E. 2571
Tell el - Yahudiyeh
Cilindrisch 1 1625 - 1545 v.C. Moet voor E. 2573 te dateren zijn aan de hand van contextgegevens
E. 2572
Tell el - Yahudiyeh
Biconisch 2 1650 - 1530 v.C.
E. 2573
Tell el - Yahudiyeh
Globulair
1580 - 1550 v.C. Aan de hand van geassocieerd aardewerk preciezer te dateren rond 1550 v.C.
E. 2574
Tell el - Yahudiyeh
Piriform 2a
1680 - 1545 v.C.
E. 2597
Tell el - Yahudiyeh
Piriform 2a
1680 - 1545 v.C.
E. 2598
Tell el - Yahudiyeh
Ovoïd 2
1800 - 1720 v.C.
E. 2600a
Tell el - Yahudiyeh
Globulair
1580 - 1550 v.C.
E. 2600b
Tell el - Yahudiyeh
Piriform 2a
1680 - 1545 v.C.
E. 3065
Onbekend
Piriform 2a
1680 - 1545 v.C.
E. 6366
Onbekend
Biconisch 1 1650 - 1530 v.C. Figuratieve decoratie
E. 8060
Onbekend
Piriform 2a
1680 - 1545 v.C.
Tabel 2. Overzicht van het bestudeerde materiaal (KMKG) (Mortier 2009, tabel 2).
E. 2569 is een van vele stukken in
deze studie die werd teruggevonden
op de site van Tell el–Yahudiyeh.
Samen met negen andere stukken
werd ze door W. Flinders Petrie aan
het KMKG geschonken in 1908. Ze
behoren tot de opgravingen die
werden uitgevoerd in 1905–1906 en
komen uit de zogenaamde ‘Hyksosgraven’. E. 2569 werd volgens de
inventarisfiche van het museum
teruggevonden in graf 407 in
associatie met 5 scarabeeën, een
dolk, een ring en nog twee kruikjes
11
Sophie MORTIER
van
het
Tell
el-Yahudiyehtype,
namelijk E. 2570 en E. 2571. Twee
van de scarabeeën, namelijk deze
met een lineair patroon, kunnen
gekoppeld
worden
aan
farao
Senwosret I van de 12de dynastie of
ietwat
eerder,
in
de
Eerste
Tussentijd, wat het graf al een
terminus post quem geeft (Tufnell
1978 77-79). Opvallend is dat deze
scarabeeën bovendien kopieën zijn
en dus zeker uit een latere periode
dateren. Een andere scarabee doet
denken aan scarabeeën uit de tijd
van Antef VII Nebchuperra, een
farao uit de 17de dynastie die
regeerde tussen 1571 en 1566 v.
Chr. (Petrie 1906, 11; Ryholt 1997,
410). De scarabeeën met een
kadermotief van krullen worden zeer
populair vanaf Hyksoskoning Khyan
(Tufnell 1978, 77-79). Op basis
hiervan krijgt men een veel latere
relatieve datering, die waarschijnlijk
beter
overeenkomt
met
de
werkelijkheid.
Dit stuk kan men indelen onder het
Biconisch 1 type op basis van de
lage schouder en de horizontaal
georiënteerde decoratie. Dit type
komt voor in Tell el–Dab’a vanaf
stratum E/2 tot en met stratum D/1,
wat een datering geeft tussen 1650
en 1530 v. Chr. Deze einddatum
komt overeen met de val van Avaris
en geeft dus geen einde aan van het
aardewerk, maar eerder van de site.
In combinatie met de scarabee uit
de 17de dynastie kan men het graf
dateren in de tweede helft van de
vooropgestelde periode, dus vanaf
1571 v. Chr.
E. 2573 werd teruggevonden in graf
37 van de site van Tell el–
Yahudiyeh, hoewel op de KMKG-fiche
ook graf 407 vermeld staat. Na
12
controle in de publicatie bleek echter
dat dit stuk dus uit een ander graf
kwam, waar het werd gevonden in
associatie met 6 scarabeeën, 3 Tell
el-Yahudiyehkruikjes die niet in het
KMKG zijn terechtgekomen, één
Cypriotisch kruikje dat ook niet in
het KMKG te vinden is en enkele
juwelen. De scarabeeën die uit dit
graf
werden
gehaald
behoren
duidelijk tot een latere groep dan
deze van graf 407. Dit kan men
zeggen op basis van de afwerking
die veel slordiger is dan deze uit het
andere graf (Petrie 1906, 10-15).
Eén van de scarabeeën vertoont een
patroon van concentrische cirkels,
een populair thema tijdens de Eerste
Tussentijd. Aan de afwerking is
echter te zien dat deze uit een latere
periode dateert. Dit wordt bevestigd
door
een
scarabee
met
een
afbeelding van uraeusslangen die te
vergelijken is met scarabeeën die in
Jericho werden teruggevonden in de
latere grafgroepen IV en V (Tufnell
1978, 77-79).
Als men kijkt naar het type waartoe
E. 2573 behoort, dan ziet men dat
deze bij de Globulaire kruiken kan
gerekend worden. Deze komen op
de site van Tell el–Dab’a voornamelijk voor in stratum D/3, dat
kan gesitueerd worden tussen 1580
en 1550 v. Chr. Deze datering
impliceert dat, indien de scarabeeën
die in graf 37 teruggevonden werden
inderdaad later zijn dan deze in graf
407, graf 407 gedateerd moet
worden tussen 1650, de vroegst
mogelijke datum voor graf 407 en
enige tijd vóór 1550 v. Chr., de
uiterste datum voor graf 37. In
hetzelfde graf werd ook een Tell elYahudiyehkruikje teruggevonden van
het gekamde type dat in Tell el–
Dab’a enkel in de laatste strata
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
voorkomt en te dateren is vanaf ca.
1550 v. Chr. Dit wijst erop dat het
graf 37, dat we hierboven een ruime
datering hebben gegeven tussen
1650 en 1550 v. Chr. waarschijnlijk
eerder in het latere deel van deze
periode te situeren is.
4
Het eerste kruikje is biconisch van
vorm en kent een incisiepatroon van
chevrons (Aström 1971, 415-421).
Afgaande op de beschrijving en de
onduidelijke foto in het artikel van
Aström gaat het hier om een
Biconisch 1 type, een type dat in Tell
el–Dab’a voorkomt van 1650 tot
1530 v. Chr. met de val van Avaris
en mogelijk later. Deze specifieke
decoratie en vorm behoren echter
tot een late fase van deze periode.
Het tweede kruikje is rood geslibd en
gepolijst (Aström 1971, 415-421).
Technisch
gezien
behoort
dit
exemplaar niet tot het eigenlijke Tell
el-Yahudiyeh-aardewerk, aangezien
het de typische decoratie mist, maar
afgaande op de vorm behoort het
zeker tot dezelfde grote groep. Het
zou kunnen – bij gebrek aan een
goede afbeelding is een zekere
opdeling niet goed mogelijk – dat
het hier gaat om een Piriform 3 type.
De grootte komt immers overeen en
ook de hoge schouder lijkt te
kloppen.
Zoals
reeds
eerder
vermeld, behoort Piriform 3 tot een
Laat–Palestijnse groep, maar een
precieze datering kan hier niet voor
gegeven worden.
Het derde exemplaar dat werd
teruggevonden op Thera is het
meest bijzondere van de drie. Het is
versierd met een beschildering die
bestaat uit vier markeringen op de
lip, 10 zwarte lijnen rondom het
lichaam en op de nek en schouder.
Deze decoratie is volgens Aström
een typisch Palestijns kenmerk dat
misschien zelfs zou teruggaan op de
Levantine Painted Ware. Hij spreekt
Chronologie 4.1 DE CHRONOLOGIE VAN EGYPTE De huidige chronologie van Egypte is
opgesteld
aan
de
hand
van
genealogische data van de opvolging
van farao’s. Vertrekkend van een
vast punt in de chronologie – in dit
geval het begin van de Perzische
overheersing in 525 v .Chr. – kan
men terugtellen in de tijd en vaststellen dat het begin van de Hyksosperiode gedateerd kan worden in
1648/1638 v. Chr. Ahmose, de
eerste farao van de 18de dynastie,
maakte een einde aan de Hyksosoverheersing in 1540 v. Chr.
(Kitchen 2000, 39).
4.2 DE CHRONOLOGIE VAN THERA De datering die is opgesteld voor de
archeologische lagen op Thera is
gebaseerd op de chronologie van
Kreta,
waarbij
gebruik
wordt
gemaakt van evoluties in het
aardewerk. De destructielaag door
de vulkaan van Thera kan rond de
Laat–Minoïsch
IA
of
IB
fase
gesitueerd worden, een laag die op
stratigrafische gronden gedateerd
wordt tussen grofweg 1500 en 1450
v. Chr. (Luce & Bolton 1976, 9).
4.2.1 Tell el‐Yahudiyeh‐aardewerk op Thera Op Thera werden ook Tell elYahudiyehkruikjes
teruggevonden
die zich momenteel in het Thera
Museum
bevinden.
Ze
werden
aangetroffen in de vulkanische
afzettingslaag zelf, wat bevestigd
wordt door het feit dat er puimsteen
in één van de kruikjes werd
teruggevonden (Aström 1971, 415).
13
Sophie MORTIER
ook van een mogelijk contact tussen
Thera
en
Palestina
die
het
voorkomen van Tell el-Yahudiyehaardewerk op het eiland kan helpen
verklaren (Aström 1971, 415-421).
Deze beschilderde Tell el-Yahudiyehkruikjes komen vooral voor aan het
einde van de Hyksosperiode wat een
datering oplevert tussen 1590 en
1530 v. Chr. Mogelijk hebben ze ook
na de val van Avaris verder bestaan.
De destructielaag op Thera werd
door prof. Marinatos, de onderzoeker
van de site, gedateerd in 1520 v.
Chr. op basis van het aardewerk dat
in de laag werd teruggevonden
(Marinatos 1971, 403-406). Dit komt
overeen met de levensduur van de
Tell el-Yahudiyehkruikjes die tot kort
na
deze
periode
voorkwamen.
Hoewel ze ook vroeger zouden
kunnen gedateerd worden, lijkt een
meer recente datering in samenhang
met het andere aardewerk (bv.
Laat–Minoïsch
IA/IB)
beter
te
passen. Later dan 1520 v. Chr. kan
de destructielaag echter ook niet
gedateerd worden aangezien het Tell
el-Yahudiyeh-aardewerk kort hierna
verdwijnt.
4.3 CHRONOLOGISCHE PROBLEMEN
Het voornaamste probleem dat zich
stelt wanneer we kijken naar de
chronologie
van
het
oostelijk
Middellandse
Zeegebied,
is
de
datering van de uitbarsting van de
vulkaan van Thera. De conventionele
datering die men voorstelt voor de
uitbarsting wijst op een datum rond
1627/28 v. Chr. In recentere tijden
wordt er zelfs aangedrongen om
deze datum nog te vervroegen, naar
1645 v. Chr. Het archeologisch
materiaal
lijkt
echter
in
de
tegengestelde richting te wijzen en
wil een meer recente datum voor de
uitbarsting van Thera. Het verschil
14
tussen de absolute dateringen en het
archeologisch materiaal ligt tussen
ongeveer 100 en 150 jaar.
4.3.1 Absolute dateringsmethoden Voor het bepalen van de datering
van de vulkaanuitbarsting werd in de
eerste plaats gewerkt met absolute
dateringsmethoden.
IJskernenonderzoek
plaatst
de
uitbarsting van Thera in ca. 16461645 v. Chr. of in 1628 v. Chr. Hier
is het echter niet zeker of de
uitbarsting die werd geregistreerd
door de ijskernen wel deze van de
vulkaan van Thera is. Onderzoek
naar de glaspartikels toont aan dat
de chemische samenstelling van de
uitbarsting
weergegeven
in
de
ijskernen mogelijk niet overeenkomt.
(Zielinski 2000, 34).
Naast ijskernenonderzoek werden
ook dateringen uitgevoerd aan de
hand van de C14-methode. Deze
plaatst de uitbarsting van Thera
tussen 1650 en 1620 v. Chr. Dit
heeft zware gevolgen voor de
datering van de Laat-Minoïsch IA
fase (zie 4.2.), waarvan men de
begindatum zou terugduwen van
1600/1580 naar 1700 tot zelfs 1765
v. Chr. (Manning & Ramsey 2002,
733-740).
Als
men
dit
zou
doorvoeren, dan veroorzaakt dat een
enorme opschudding wat betreft de
dateringen voor de rest van het
Middellandse Zeegebied. De Laat–
Minoïsch I fase valt immers samen
met de Laat–Cypriotische fase op
Cyprus die men kan plaatsen aan het
einde van de Tweede Tussentijd in
Egypte.
De
auteurs
van
het
voorgaande artikel stellen wel voor
om de aanpassing van de datering
enkel te laten gelden voor Thera en
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
Kreta en dus de Laat–Minoïsch IA
fase niet meer te laten samenvallen
met het Nieuwe Rijk in Egypte, maar
eerder met de Tweede Tussentijd
(Manning & Ramsey 2002, 733-740).
Dit kan men echter niet zomaar
doen. Er zijn immers geen aanwijzingen voor dergelijke culturele
contacten
tijdens
de
Tweede
Tussentijd, terwijl men die wel heeft
voor het Nieuwe Rijk. Ook het
aardewerk mag men niet over het
hoofd zien. Zo werd op de site van
El–Amarna
Myceens
aardewerk
teruggevonden
dat
kan
toegeschreven worden aan de Laat–
Helladisch IIIB fase, een fase die kan
gedateerd worden tussen 1340 en
1190 v. Chr. Als men de chronologie
van Thera en Kreta op een dergelijke
manier zou verschuiven dat de Laat–
Minoïsch IA fase overeenkomt met
de Tweede Tussentijd in Egypte –
waarbij
de
datering
wordt
verschoven van 1580–1480 v. Chr.
naar 1730–1630 v. Chr. dan heeft
dit tot gevolg dat men de Laat–
Helladisch IIIB fase ook moet
verschuiven naar 1490–1350 v. Chr.
Hierbij stelt zich het probleem dat
Amarna pas werd gesticht na 1350,
enkele jaren na de troonsbestijging
van farao Achnaton, en dat de stad
op dit moment nog niet bestond,
waardoor een relatie met het
Myceens aardewerk onmogelijk is.
Bovendien is de chronologie van
Thera ook gekoppeld aan die van het
Griekse vasteland, waar de Laat–
Minoïsch IA fase overeenkomt met
de Laat–Helladisch I en II fasen op
basis
van
ceramologische
vergelijkingen. Men moet er verder
ook rekening mee houden dat C14–
dateringen
vaak
een
grote
standaardafwijking geven, met een
datering waarvan men een marge
van zo’n +/- 50 tot soms zelfs 200
jaar heeft, en de precisie ervan dus
niet volledig betrouwbaar is, zeker
niet voor de precisie die gewenst is
voor dit specifiek probleem.
Dendrochronologie is een andere
belangrijke manier om een chronologie van het oostelijk Middellandse
Zeegebied op punt te stellen. In
monsters die genomen werden op de
site van Porsuk is een duidelijke
anomalie vast te stellen die men kan
situeren in de 17de eeuw v. Chr.
Bovendien zou deze anomalie een
correlatie vertonen met de ijskernen
van Groenland – waarover eerder
werd gesproken – die overeen
zouden komen met een vulkanische
uitbarsting
die
kan
gedateerd
worden in 1628 v. Chr. (Kuniholm &
Kromer 1996 : 780-783).
Het evenement dat de anomalie in
de
groeiringen
van
bomen
veroorzaakte,
moet
verbonden
worden aan een vulkaan. De vulkaan
van
Thera
wordt
hiervoor
voorgesteld, maar absolute zekerheid heeft men hier niet over. Een
eerste argument tegen Thera stelt
dat de SO2–uitstoot van Thera te
klein was om een wereldwijde
impact gehad te hebben op het
klimaat en dergelijke anomalieën te
veroorzaken in de ijskernen op
Groenland. Hierop wordt echter
gezegd dat de effecten van SO2
vaak
onderschat
worden.
Een
argument pro Thera voert aan dat de
westwaartse distributie van vulkanische producten overeenkomt met
wat men zou zien bij een lenteuitbarsting. Dit komt overeen met de
observaties die gedaan werden in de
groeiringen van de bomen die
gesampled werden voor de dendrochronologische reeks. Als het zo is
15
Sophie MORTIER
dat Thera de vulkaan is die in de
ijskernen en de dendrochronologie
als anomalie ervaren wordt, dan
heeft dit enorme gevolgen voor de
volledige
chronologie
van
het
Egeïsche gebied. Een voorbeeld
hiervan is het scheepswrak van Ulu
Burun (Kuniholm & Kromer 1996,
780-783).
4.3.2 Archeologische bewijzen Het scheepswrak van Ulu Burun
werd gevonden in de Middellandse
Zee nabij Kas aan de zuidelijke
Turkse
kust.
Dit
wrak
werd
gedateerd aan de hand van de
dendrochronologie die op basis van
enkele
Anatolische
sites
werd
opgesteld.
Het
meest
recente
materiaal dat op het schip werd
teruggevonden dateert uit de Laat–
Helladisch
III
fase,
die
kan
gedateerd worden tussen 1340 en
1190 v. Chr. Dit lijkt overeen te
komen met een bijzondere vondst op
het schip, namelijk een scarabee van
koningin Nefertiti, de vrouw van
farao Achnaton, die regeerde tussen
1352/1350 en 1336/1334 v. Chr. Als
men Thera associeert met de
uitbarsting in 1628 v. Chr. moet men
het begin van de late bronstijd en de
geassocieerde Minoïsche, Myceense
en Cycladische culturen zo’n 130 tot
150 jaar vervroegen, van ongeveer
1500 v. Chr. naar 1628 v. Chr.
(Kuniholm & Kromer 1996, 780783).
Dit heeft tot gevolg dat de Laat–
Helladisch III periode zou te dateren
zijn tussen 1490 en 1350 v. Chr. en
aangezien het in het wrak nog gaat
om een vroege fase in Laat–
Helladisch III zou dit een associatie
met een scarabee van Nefertiti
onmogelijk maken. Dit probleem zou
men kunnen oplossen door ook aan
16
de
Egyptische
chronologie
te
sleutelen, maar dat wil zeggen dat
men zich plots moet verantwoorden
voor
150
jaar
die
nergens
geregistreerd staan in de bronnen.
Het aardewerk dat geassocieerd
wordt met de destructielagen zowel
op Kreta als op Thera kan geplaatst
worden aan het eind van de Laat–
Minoïsch IA tot zelfs Laat–Minoïsch
IB
fase.
Deze
fasen
worden
respectievelijk
gedateerd
tussen
1600/1580 en 1480 en tussen 1480
en 1425 v. Chr. De aanwezigheid
van dit aardewerk doet besluiten dat
men op dit moment Thera nog niet
verlaten had en dat de uitbarsting
dus nog niet had plaatsgegrepen. Op
Thera wordt het stratum met het
Laat–Minoïsch
IA/B
aardewerk
meteen
afgedekt
door
de
vulkanische
afzettingslaag.
Dit
argument levert een datering op, die
de uitbarsting van Thera dus plaatst
in de 15de eeuw v. Chr. (Luce &
Bolton 1976, 9-15). Een nog
vreemder gegeven is dat er op de
‘miniatuurfresco’s’
op
Thera
motieven worden afgebeeld die niet
binnen
het
Laat–Minoïsch
IA
ceramisch repertoire voorkomen,
maar wel in het Laat–Minoïsch IB tot
zelfs Laat–Minoïsch II repertoire. De
makers van deze fresco’s, die van
vóór de uitbarsting dateren, moeten
dus deze ceramische cultuur nog
gekend hebben (Luce 1978, 786).
Het
voorkomen
van
Tell
elYahudiyeh-aardewerk in de destructielaag is uiteraard ook een krachtig
argument voor een meer recente
datering.
Een belangrijk probleem dat zich
stelt in verband met de datering van
de uitbarsting van Thera, zijn de
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
fresco’s die werden teruggevonden
op de site van Tell el–Dab’a. De
fresco’s die er werden teruggevonden vertonen zeer sterke
gelijkenissen met fresco’s op Kreta
en Thera, meer zelfs, sommige lijken
identiek te zijn. Men zou, op basis
van de grote gelijkenissen in uitzicht
en techniek, kunnen stellen dat deze
fresco’s
werden
gemaakt
door
Minoïsche kunstenaars. De beste
parallellen op Thera en Kreta kunnen
geplaatst worden in de Laat–
Minoïsch IA periode, net voor de
uitbarsting van de vulkaan (Bietak
1996, 73-76). Om het mogelijk te
maken
dat
deze
precieze
schilderingen ook op de site van Tell
el–Dab’a voorkomen, moeten de
schilderingen gemaakt zijn vóór of
relatief kort na de uitbarsting
(enkele
generaties).
Men
kan
immers, om het eenvoudig uit te
drukken,
geen
verdwenen
schilderingen nabootsen met een
dergelijke precieze overeenkomst.
Waarschijnlijk
bekleedden
de
fresco’s ooit de muren van de
monumentale gebouwen die in
dezelfde zone werden opgegraven en
die kunnen gedateerd worden in de
vroege 18de dynastie (Kempinski
2002, 270-274). Dit levert een
datering op vanaf 1530 v. Chr.
5
Besluit Het
Tell
el-Yahudiyeh-aardewerk
heeft in de loop van dit onderzoek
duidelijk haar nut bewezen voor
chronologisch onderzoek. Het komt,
met uitzondering van één site,
nergens in zeer grote hoeveelheden
voor, maar waar dat wel het geval is
heeft
het
gezorgd
voor
de
mogelijkheid tot het opstellen van
een chronologische sequentie van
het type. Dankzij het onderzoek op
de site van Tell el-Dab’a is het
mogelijk geworden om het Tell elYahudiyeh-aardewerk als chronologische indicator te gebruiken. Het
kan niet alleen in combinatie met
andere chronologische elementen
gebruikt worden, maar het heeft op
zich ook een duidelijke dateringswaarde. Uit de materiaalstudie in de
Koninklijke Musea voor Kunst en
Geschiedenis in Brussel is zelfs
gebleken dat het ook zonder
contextuele gegevens, door het
inpassen in de typologie, het aardewerk gemakkelijk een datering kan
toegekend worden.
De problematiek van de chronologie
van het oostelijke Middellandse
Zeegebied is echter nog verre van
opgelost.
Op
basis
van
het
ijskernenonderzoek
werd
een
datering
vastgelegd
voor
de
uitbarsting van Thera rond 1645 v.
Chr. Dit kan men echter opnieuw
weerleggen door het feit dat de
glaspartikels in de kernen niet
overeenkomen met de chemische
samenstelling die men zou verwachten voor Thera.
De C14–dateringen wijzen op een
datering
van
de
vulkanische
afzettingslaag tussen 1650 en 1620
v. Chr. Hier zijn echter ook enkele
zware problemen mee verbonden.
De genomen stalen waren immers te
klein om sluitende resultaten te
kunnen geven en bovendien was de
afwijking van de resultaten te groot
om er op te kunnen vertrouwen dat
de datering tussen 1650 en 1620 v.
Chr. correct is.
Het dendrochronologisch onderzoek
wijst echter op een lente-uitbarsting,
wat overeenkomt met de distributie
van vulkanische resten door Thera.
Kan men hier echter het volledige
17
Sophie MORTIER
argument op laten steunen, terwijl al
het andere bewijs zo sterk in twijfel
wordt getrokken? De anomalieën
van
het
dendrochronologisch
onderzoek wijzen immers op een
vulkaan, niet op de vulkaan van
Thera in se. Men kan er niet van uit
gaan
dat
Thera
de
enige
mogelijkheid is wanneer men een
anomalie tegenkomt in de ijskernen
of in het dendrochronologisch onderzoek. Men kent immers niet alle
actieve vulkanen uit die periode.
Het is mogelijk dat tot nog toe
ongeïdentificeerde factoren in het
Egeïsche gebied of op Thera alleen
de resultaten van de C14–dateringen
hebben beïnvloed. Het is immers
niet mogelijk om de vroege datering
aan te houden en alternatieve
interpretaties te geven aan het
archeologisch bewijs.
gegeven wordt door de C14–
dateringen.
Ook
de
Minoïsche
fresco’s met typische Theraanse
elementen worden ten vroegste rond
1530 v. Chr. gedateerd. Aangezien
ze niet kunnen gemaakt zijn nadat
de schilderingen reeds een eeuw
verdwenen
waren,
moet
dit
archeologisch bewijs ook aantonen
dat een meer recente datering van
toepassing lijkt.
Het archeologisch bewijs dat tegen
een lange chronologie spreekt is
immers overweldigend. Het aardewerk in de vulkanische afzettingslaag wijst op een datering tot zelfs
1470 v. Chr. In combinatie met het
Tell el-Yahudiyeh-aardewerk moet
men
deze
datum
echter
wat
terugschroeven tot ca. 1520 v. Chr.,
waarna
dit
type
aardewerk
verdwijnt. Het voorkomen ervan in
combinatie met Laat–Minoïsch IA en
IB aardewerk wijst op een veel
recentere datering dan deze die
Dankwoord 18
Tenslotte moet wel vermeld worden
dat het Tell el-Yahudiyeh-aardewerk
een goede bijkomende dateringsindicator is, uiteraard naast het
gebruik
van
andere
dateringstechnieken en materiaaltypologieën.
Het is steeds riskant aardewerk op
zich
als
daterings-element
te
gebruiken en dat is ook zeker niet
het uitgangspunt van dit artikel.
Met dank aan mijn promotor, prof.
Dr. E. Haerinck en mijn copromotor
prof. Dr. H. Willems. Een bijzondere
vermelding gaat naar Kamiel van
Winkel die mij heeft bijgestaan
tijdens mijn werk in de Koninklijke
Musea voor Kunst en Geschiedenis in
Brussel. Ook dank aan Erik Smekens
voor
de
goede
raad
bij
de
aardewerkstudie.
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
Bibliografie ASSMANN J. 1996: The mind of Egypt: history and meaning in the time of the
pharaohs, Cambridge – Londen.
ASTON D. 2002: Ceramic imports at Tell el - Dab'a during the Middle Bronze IIA.
In: BIETAK M. (ed.) Proceedings of an international conference on Middle Bronze
IIA ceramic material, 24th - 26th January 200, 43-87.
ASTON D. 2008: A history of Tell el - Yahudiyeh typology. In: BIETAK M. (ed.),
The Bronze Age in the Lebanon: studies on the archaeology and chronology of
Lebanon, Syria and Egypt, 165-194.
ASTRÖM P. 1971: Three Tell el - Yahudiyeh juglets in the Thera Museum. In:
S.n., Acta of the first International Scientific Congress of the volcano of Thera
held in Greece, 15-23 September 1969, 415-421.
BIETAK M. 1989: Archäologischer Befund und historische Interpretation am
Beispiel der Tell el - Yahudiya Ware. In: SCHOSKE S. (ed.), Akten des Vierten
internationalen Ägyptologen Kongresses 1985, München, 7-34.
BIETAK M. 1996: Avaris. The capital of the Hyksos. Recent excavations at Tell el
- Dab'a, Londen.
BIETAK M. 1997: Tell el - Yahudiya Ware. In: OREN E.D. (ed.), The Hyksos: New
historical and archaeological perspectives, 91-96.
BIETAK M. (ed.) 2000: International symposium on the synchronization of
civilizations in the Eastern Mediterranean in the second millennium B.C. Vienna,
May 11-12, 1998 and international symposium on the synchronization of
civilizations in the Eastern Mediterranean in the second millennium B.C.
Haindorf, November 15-17, 1996, Wenen.
BIETAK M. (ed.) 2002: Proceedings of an international conference on Middle
Bronze IIA ceramic material, 24th - 26th January 2001, Wenen.
BIETAK M. (ed.) 2008: The Bronze Age in the Lebanon: studies on the
archaeology and chronology of Lebanon, Syria and Egypt, Wenen.
BOOTH C. 2005: The Hyksos period in Egypt, Londen.
DOUMAS C. (ed.) 1978: Thera and the Aegean I. International Scientific
Congress, 2nd, Santorini, Greece, August 1978, Athene.
KAPLAN M. 1980: The origin and distribution of Tell el Yehudiyeh Ware, Studies in
Mediterranean Archaeology 62, Göteborg.
KEMPINSKI A. 2002: Tel Kabri: The 1986-1993 excavation seasons, Tel Aviv.
19
Sophie MORTIER
KITCHEN K. A. 2000: Regnal and genealogical data of ancient Egypt. The
historical chronology of ancient Egypt: a current assessment. In: Bietak M.
(ed.), International symposium on the synchronization of civilizations in the
Eastern Mediterranean in the second millennium B.C. Vienna, May 11-12, 1998
and international symposium on the synchronization of civilizations in the
Eastern Mediterranean in the second millennium B.C. Haindorf, November 1517, 1996, 39-52.
KUNIHOLM P. I. & KROMER B. 1996: Anatolian tree rings and the absolute
chronology of the eastern Mediterranean 2220 - 718 B.C, Nature 381, 780-783.
LUCE J. V. 1978: The chronology of the LMI destruction horizons in Thera and
Crete. In: DOUMAS (ed.), Thera and the Aegean I. International Scientific
Congress, 2nd, Santorini, Greece, August 1978, 785-790.
LUCE J. V. & BOLTON K. 1976: Thera and the devastation of Minoan Crete. A new
interpretation of the evidence, American Journal of Archaeology 80.1, 9-18.
MANNING S. W. & RAMSEY C. 2002: New evidence for or early date for the Aegean
Late Bronze Age and Thera eruption, Antiquity 76.3, 733-744.
MARINATOS S. 1971: On the chronological sequence of Thera's catastrophe. In:
S.n., Acta of the first International Scientific Congress of the volcano of Thera
held in Greece, 15-23 September 1969, 403-406.
MCGOVERN P. E. 2000, The foreign relations of the Hyksos. A neutron activation
study of Middle Bronze Age pottery from the eastern Mediterranean, British
Archaeological Reports International Series 888, London.
MOOREY R. (ed.) 1978: Archaeology in the Levant. Essays for Kathleen Kenyon,
Warminster.
MORTIER S. 2009: Het Tell el-Yahudiyehaardewerk in de Nijldelta en de Levant en
de relatie met de chronologie van het oostelijk Middellandse Zeegebied,
onuitgegeven masterscriptie UGent.
OREN E. D. (ed.) 1997: The Hyksos: New historical and archaeological
perspectives, Pennsylvania.
PELTENBURG E. 1989: Early society in Cyprus, Edinburgh.
PETRIE W. F. 1906: Hyksos and Israelite cities, London.
RYHOLT K. S. B. 1997: The political situation in Egypt during the Second
Intermediate Period c. 1800 - 1550 B.C., Copenhagen.
SCHOSKE S. (ed.) 1989: Akten des
Kongresses 1985, München, Hamburg.
20
Vierten
internationalen
Ägyptologen
Terra Incognita 5 (2012): 6-21
S.n. 1971: Acta of the first International Scientific Congress of the volcano of
Thera held in Greece, 15-23 September 1969, Athens.
TUFNELL O. 1978: Graves at Tell el - Yehudiyeh: reviewed after a lifetime. In:
MOOREY R. (ed.) Archaeology in the Levant. Essays for Kathleen Kenyon, 76101.
ZIELINSKI G. A. 2000: The calendrical age of the Santorini eruption. In: BIETAK M.
(ed.) International symposium on the synchronization of civilizations in the
Eastern Mediterranean in the second millennium B.C. Vienna, May 11-12, 1998
and international symposium on the synchronization of civilizations in the
Eastern Mediterranean in the second millennium B.C. Haindorf, November 1517, 1996, 34.
21
Download