LJN: BI0737, Rechtbank Amsterdam , 13/497632-08 Datum uitspraak: Rechtsgebied: Soort procedure: 11-02-2009 Straf Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie: IRK: EAB; artikel 6 lid 5 OLW RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/497632-08 RK nummer: 08/6695 Datum uitspraak: 11 februari 2009 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 januari 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 juli 2008 (per fax ontvangen op 10 december 2008) door de Provincial Cour for Lódz t, 4th Criminal Division in Lódz (Polen). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1971, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, feitelijk verblijvende op het adres Vrouwensteeg 8a, 2312 DZ Leiden, thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1. Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 januari 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. 2. Grondslag en inhoud van het EAB Aan het EAB ligt een vonnis van 4 november 2004 van de District Court for Lódz Centre, 6th Criminal Division te Lódz (Polen) met referentienummer VI K 527/03 ten grondslag. Voornoemd vonnis is op 12 november 2004 in kracht van gewijsde gegaan. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 (zes) jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB. Genoegzaamheid van de stukken De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd aangezien er sprake is van strijd met artikel 2 van de OLW omdat de data van de beslissingen in Polen onduidelijk zijn. In de vertaling van het EAB staat dat het vonnis van de District Court for Lódz Centre, 6th Criminal Division te Lódz (Polen) dateert van 12 september 2003, terwijl in de originele versie op die plaats 4 november 2004 staat vermeld. De rechtbank stelt voorop dat het EAB de gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Weliswaar staat zowel in de eerste vertaling als de ter zitting overgelegde vertaling van het EAB een foutieve datum van het vonnis, maar in de begeleidende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten de Presiding Judge van de Provincial Court in Lódz, van 12 januari 2009 is het navolgende vermeld: “Let me inform that the sworn translator mistook the date of 12th September 2003, as the date of the sentence at the District Court in Lódz, in the translation sent before. The correct date is 4th November 2004.” Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee de datum van het vonnis genoegzaam vast. Het verweer wordt verworpen. 3. Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft. 4. Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Het feit is zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar. Op dit feit is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld. Het feit levert naar Nederlands recht op: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 5. Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken. 6. Verweren met betrekking tot artikel 11 en 12 van de OLW De raadsman heeft aangevoerd dat de garantie als bedoeld in artikel 12 van de OLW ontbreekt en dat om die reden de overlevering dient te worden geweigerd. Hij heeft daartoe gesteld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de zitting waarin de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gevorderd. Hij was evenmin op de hoogte van een later strafproces waarbij hij op 27 juli 2006 door de rechtbank te Sulecin bij verstek tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 6 maanden is veroordeeld. Naar aanleiding van die veroordeling bij verstek is de voorwaardelijke straf van 4 november 2004 omgezet in een onvoorwaardelijke. De opgeëiste persoon heeft dan ook niet zijn elementaire verdedigingsrecht kunnen uitoefenen, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman, onder verwijzing naar artikel 11 van de OLW, gesteld dat er om die reden sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, en dat ook reeds om die reden de overlevering dient te worden geweigerd. De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat van een verstekvonnis als bedoeld in artikel 12 van de OLW geen sprake is en dat om die reden de verweren met betrekking tot artikel 12 en 11 van de OLW dienen te worden verworpen. De rechtbank gaat uit van het navolgende. De opgeëiste persoon is bij vonnis van 4 november 2004 onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar. De opgeëiste persoon was samen met zijn raadsman bij de uitspraak aanwezig en hij is over de appelmogelijkheden geïnformeerd. De opgeëiste persoon is niet in hoger beroep gegaan, waardoor het vonnis op 12 november 2004 in kracht van gewijsde is gegaan. Op 27 juli 2006 is de rechtbank te Lódz in kennisgesteld van het feit dat de rechtbank te Sulecin aan de opgeëiste persoon in verband met een ander delict een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar heeft opgelegd. Dat was aanleiding voor de rechtbank te Lódz om de bij vonnis van 4 november 2004 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf op 4 oktober 2006 om te zetten in een onvoorwaardelijke straf. Uit het EAB en de onderliggende stukken is niet gebleken dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij, dan wel in kennis is gesteld van de behandeling ter zitting die heeft geleid tot het besluit waarin de voorwaardelijke vrijheidsstraf van 2 jaar is omgezet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van dezelfde duur. Ter beoordeling staat of voornoemd besluit kan worden aangemerkt als een verstekvonnis zoals bedoeld in artikel 12 OLW en of een verzetgarantie moet worden afgegeven. De wetgever heeft in het kader van de Overleveringswet geen nadere invulling gegeven aan het begrip verstekvonnis. Dit begrip zal daarom worden ingevuld naar de maatstaven die in de Nederlandse rechtspraak in het kader van het Uitleveringsrecht worden aangelegd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12-04-1983, LJN AC2438, NJ 1983, 590 en meer recent HR 10-12-2002, LJN AE9641) blijkt dat het begrip verstekvonnis ziet op het vonnis waarbij de straf of maatregel is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd (in casu het - op tegenspraak - gewezen vonnis van 4 november 2004). Als zodanig valt niet aan te merken het door de raadsman in zijn verweer bedoelde vonnis waarbij de voorwaardelijke vrijheidsstraf in een onvoorwaardelijke straf is omgezet en dat derhalve betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf welke reeds eerder aan de opgeëiste persoon is opgelegd, namelijk bij vonnis van 4 november 2004 (zie hiervoor eveneens HR 12-04-1983, LJN AC2438, NJ 1983, 590). Het achterwege blijven van de garantie als bedoeld in artikel 12 van de OLW staat dan ook niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Gelet op het voorgaande kan ook het verweer met betrekking tot artikel 11 van de OLW niet slagen. 7. Verweer met betrekking tot artikel 6 lid 5 van de OLW 7.1 De raadsman heeft verzocht om analoge toepassing op de opgeëiste persoon van artikel 6 leden 2 en 5 van de OLW aangezien anders sprake is van discriminatie in de zin van artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna EG-Verdrag). De opgeëiste persoon heeft een verblijfsrecht op grond van artikel 18 lid 1 EG-Verdrag. Hij woont en werkt in Nederland en het gezin is voor wat betreft inkomsten uit arbeid afhankelijk van de inkomsten van de opgeëiste persoon. Volgens de raadsman is er dan ook reden de overlevering te weigeren dan wel prejudiciële vragen te stellen of toepassing van artikel 6 lid 2 en lid 5 van de OLW een door het EG-Verdrag verboden discriminatie oplevert. De raadsman heeft in dit kader verwezen naar de tussenuitspraak van deze rechtbank van 20 augustus 2008 LJN BF3816. 7.2 De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat Nederland terzake van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht geen rechtsmacht heeft, zodat de opgeëiste persoon in geval van weigering van de overlevering niet alsnog in Nederland kan worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Polen is veroordeeld. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat de opgeëiste persoon, mede gelet op de richtlijnen van de Immigratie en Naturalisatiedienst, nog niet voldoende geworteld is in Nederland om als ingezetene te kunnen worden beschouwd. 7.3 Het standpunt van de rechtbank is als volgt. In haar uitspraak van 23 december 2008 (LJN: BH0535), die eerst op 21 januari 2009 is gepubliceerd, heeft de rechtbank overwogen: “De rechtbank is van oordeel dat het buiten toepassing laten van een wet in formele zin slechts mogelijk is indien die toepassing in strijd is met een rechtens dwingende bepaling van hogere orde, zoals een eenieder verbindende verdragsbepaling of een algemeen of fundamenteel (Europees) rechtsbeginsel. Het enkele feit dat artikel 68 SUO een alternatieve basis kan bieden om de straf die aan de opgeëiste persoon is opgelegd over te nemen, dwingt op zichzelf niet tot de conclusie dat het vereiste van rechtsmacht in dit geval niet mag worden tegengeworpen.” De rechtbank laat, met de Hoge Raad in zijn arrest van 11 november 2008 LJN BC9546, in het midden of het voorgaande tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit leidt, nu er een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling is. De opgeëiste persoon kan immers in geval van weigering van de overlevering niet – zoals dat met een Nederlander wel het geval is - alsnog in Nederland worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Polen is veroordeeld. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van rechtsmacht ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en niet is gebleken dat de toepassing van artikel 6, vijfde lid van de OLW in strijd is met een rechtens dwingende bepaling van hogere orde, zoals een eenieder verbindende verdragsbepaling of een algemeen of fundamenteel (Europees) rechtsbeginsel, is artikel 6, vijfde lid van de OLW, om die reden reeds niet van toepassing op de opgeëiste persoon. De rechtbank is voorts van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat zijn werkelijke verblijfplaats, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2008 (zaak C-66/08, Kozlowski), in Nederland ligt. Aldus is er geen aanleiding hem te behandelen als een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zodat hem ook om die reden geen beroep op artikel 6, vijfde lid van de OLW toekomt. 8. Slotsom Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan. 9. Toepasselijke wetsbepalingen Artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 Artikelen 2, 5 en 7 van de OLW. 10. Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Vice President of the Provincial Court for Lódz, 4th Criminal Division in Lódz (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter, mrs. J.H.M. van de Ven en L. Biller, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W.P. Pijls, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2009. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.