LJN: AZ1411, Rechtbank Amsterdam, 13

advertisement
LJN: AZ1411, Rechtbank Amsterdam, 13.497.443-2006
Datum uitspraak: 10-10-2006
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Overlevering Italie toegestaan, verweren tav ontvankelijkheid OM,
termijnoverschrijding ex art 23 OLW, Art 2 OLW, Art 9 OLW, Art 3 Kaderbesluit jo art
9, art 11 OLW, art 13 OLW verworpen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.497.443-2006
RK nummer: 06/3281
Datum uitspraak: 10 oktober 2006
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier
van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 augustus 2006 en strekt
onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB),
uitgevaardigd op 28 juni 2006 door de rechter-commissaris van de rechtbank van Reggio
Calabria, Italië.
Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Zuyderbos’ te Heerhugowaard,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 september 2006. Daarbij zijn de
officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. I.N. Weski, advocaat te
Rotterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal.
Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet
beslissen met dertig dagen verlengd.
De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de
rechtbank dusdanig overbelast is dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal
kunnen doen.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt een bevel tot voorlopige hechtenis uitgevaardigd op 14 december 2004
ten grondslag.
Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële
autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek
betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee
naar het recht van Italië strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier
gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.*)
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsvrouw voert het volgende verweer.
Artikel 2, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat uitlevering slechts kan geschieden
krachtens verdrag. Het kaderbesluit waarop de overleveringswet is gebaseerd is geen
verdrag in de zin van artikel 2, derde lid, van de Grondwet. Nu de overlevering van de
opgeëiste persoon bij gebreke van een verdrag alleen kan plaatsvinden met schending van
de Grondwet dient de officier van justitie in haar vordering ex artikel 23 OLW niet
ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.
De raadsvrouw meent subsidiair dat een prejudiciële beslissing dient te worden gevraagd
aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omtrent de uitleg van de mate
van vrijheid bij de verplichtingen die het kaderbesluit met zich brengt en de strijdigheid
daarvan met de Nederlandse Grondwet.
De officier van justitie verwijst in reactie hierop naar de memorie van toelichting bij de
overleveringswet. Daarin wordt verwezen naar de conclusies van Afdeling I van de Raad
van State inhoudende dat het kaderbesluit, hoewel het geen verdrag is, moet worden
beschouwd als een regeling met een voor de lidstaten bindend supranationaal karakter en
dat totstandkoming van het kaderbesluit niet leidt tot afwijking van artikel 2, derde lid,
van de Grondwet. Dat het kaderbesluit geen rechtstreekse werking heeft is daarvoor geen
beletsel.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie. Door de instemming van de
Staten-Generaal aan de totstandkoming van het Kaderbesluit EAB en het aannemen van
het daarop gebaseerde wetsvoorstel OLW hebben zij het regeringsstandpunt aanvaard dat
een en ander niet in strijd met de Grondwet is. Nu artikel 120 van de Grondwet de rechter
verbiedt te treden in de grondwettigheid van wetten, kan dit oordeel niet in rechte worden
aangevochten.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank reeds hierom geen aanleiding prejudiciële
vragen over dit onderwerp te stellen.
Overschrijding van de termijn ex artikel 23, tweede lid, OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de termijn genoemd in artikel 23, tweede lid, OLW
in de onderhavige procedure is geschonden. De officier van justitie heeft pas op 14
augustus 2006 een vordering tot behandeling bij de rechtbank ingediend, terwijl het EAB
al op 28 juni 2006 door de officier van justitie is ontvangen.
Deze overschrijding dient, gelet op de bespreking van de termijnen in de
overleveringswet in Memorie van Toelichting, te leiden tot de beëindiging van de
vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, voor zover er termijnen zijn
overschreden, de overleveringswet geen sancties stelt op deze overschrijding.
De rechtbank stelt vast dat het EAB op 28 juni 2006 door de officier van justitie is
ontvangen en de vordering van de officier van justitie van 11 augustus 2006 op 14
augustus 2006 bij de rechtbank is ingediend. Hiermee is de termijn als bedoeld in artikel
23 OLW overschreden.
De overleveringswet stelt echter geen sanctie op overschrijding van die termijn. Evenmin
is er sprake van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij
doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon
tekort wordt gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.
Slechts het niet naleven van de termijnen gesteld voor het nemen van een beslissing over
de overlevering en voor de feitelijke overlevering hebben tot gevolg dat de
vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon dient te worden beëindigd. Deze situatie
doet zich niet voor nu de opgeëiste persoon zich voor dit EAB niet in detentie bevindt.
Artikel 2, tweede lid, OLW
De raadsvrouwe heeft betoogd dat het EAB onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent
de exacte plaats en tijd en de rol van de opgeëiste persoon, zodat de overlevering op
grond van de ongenoegzaamheid der stukken zou moeten worden geweigerd.
Subsidiair heeft zij aangevoerd dat over die gegevens nadere informatie dient te worden
verschaft door de Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank verwerpt dit betoog en overweegt daartoe het volgende.
De omschrijving van de plaats, tijd en rol van de opgeëiste persoon in het onderhavige
EAB onder e) acht de rechtbank voldoende duidelijk. Daarin staat duidelijk dat de
opgeëiste persoon wordt verdacht van, kort gezegd, het in de periode april 2002 tot
augustus 2002 leiding geven aan een organisatie die zich richt op de handel in
verdovende middelen, welke organisatie uit meer dan 10 personen bestond, waarbij als
pleegplaatsen zijn genoemd Nederland, België, Duitsland, Lombardije, Campania,
Calabrië en Sicilië, alsmede het op 23 januari 2002 in België en Nederland geld
overhandigd hebben gekregen als tegenprestatie voor een levering van verdovende
middelen gelijk aan 20 kilogram.
Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd, dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van
strafbare feiten op basis van gebrekkig bewijsmateriaal waaruit volgens haar niet
eenduidig plaats en tijd van de strafbare feiten zou blijken, is dit een standpunt dat alleen
in de Italiaanse strafrechtelijke procedures een rol kan spelen en er niet aan kan afdoen
dat de omschrijving van de feiten in het EAB op zich zelf wel voldoende duidelijk is.
De rechtbank heeft op grond van de omschrijving van de feiten slechts te onderzoeken of
de uitvaardigende lidstaat in redelijkheid de feiten onder één van de categorieën van de
lijst heeft gebracht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nadere informatie op
enig punt in te winnen.
De rechtbank onderschrijft verder niet de stelling van de raadsvrouw, dat enig raakvlak
met het Italiaanse territorium zou ontbreken, nu uit de omschrijving van het feit in het
EAB voldoende duidelijk valt af te leiden dat de cocaïne was bestemd voor de Italiaanse
markt.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist
zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Italiaanse nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het
vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het
EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen
komen.
De feiten vallen onder nummer [5] op bijlage 1 bij de OLW, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Op deze feiten is bovendien naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum
van ten minste drie jaren gesteld.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.
De raadsvrouw heeft in haar pleitnota aangevoerd dat, gelet op de feitelijke
onderbouwing van het feit aan de hand van de in strijd met de Nederlandse soevereiniteit
verkregen taps dient te worden aangenomen dat de opgeëiste persoon niet schuldig kan
zijn aan het gestelde.
Anders dan door de raadsvrouw bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het door haar
aangevoerde niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon aantoont. Voor
weigering van de overlevering is alleen plaats, indien de opgeëiste persoon de feiten,
waarvan hij in Italië wordt verdacht, onmogelijk kan hebben gepleegd.
Het door de raadsvrouw gevoerde - en met stukken gestaafde - (bewijs-)verweer dient
voor de Italiaanse rechtbank gevoerd te worden.
Dat er overigens ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een
vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.
6. Verweren
Lopende strafvervolging in Nederland.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd nu de
opgeëiste persoon onderzoekssubject was in een Nederlands onderzoek genaamd
‘Imelda’. Dit onderzoek liep in ieder geval nog op het moment van zijn aanhouding.
Artikel 9, eerste lid van de OLW, staat derhalve aan overlevering in de weg.
De rechtbank overweegt het volgende.
Naar aanleiding van vragen van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon is door het
openbaar ministerie in Amsterdam nader onderzoek verricht naar eventuele vervolging
van de opgeëiste persoon in Nederland. Daaruit is gebleken dat de opgeëiste persoon
onderzoekssubject geweest is in een strafrechtelijk onderzoek met de naam ‘Imelda’. Dit
onderzoek is volgens het openbaar ministerie inmiddels ten aanzien van de opgeëiste
persoon gesloten en er loopt geen vervolging meer. Tevens zag het Nederlandse
onderzoek op andere feiten dan de feiten waarvoor thans de overlevering wordt gevraagd.
Deze mededelingen van het openbaar ministerie zijn neergelegd in een brief van 15
augustus 2006 aan de raadsvrouw. Ter zitting is daar door de officier van justitie nog aan
toegevoegd dat het bij dit onderzoek ging om feiten met een recentere pleegdatum dan de
feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, te weten feiten gepleegd in de eerste helft
van 2006. De rechtbank ziet, nu concrete aanknopingspunten voor een andersluidend
oordeel ontbreken, anders dan de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, geen aanleiding
om te twijfelen aan deze mededelingen. De enkele omstandigheid dat er in het EAB
sprake is van een organisatie waarin de opgeëiste persoon zou hebben gefunctioneerd ten
tijde van het plegen van de delicten waarvoor overlevering is gevraagd, is onvoldoende
voor een dergelijk oordeel. Daarbij komt nog dat de overlevering niet wordt gevraagd
voor het lijstfeit ‘deelneming aan een criminele organisatie’.
De rechtbank verwerpt het verweer.
Artikel 3, eerste lid, kaderbesluit juncto artikel 9, onder e 2e en f OLW.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 3,
eerste lid, van het Kaderbesluit, moet worden geweigerd, omdat de strafbare feiten die
aan het EAB ten grondslag liggen, mogelijk onder een amnestieregeling vallen. De
Italiaanse autoriteiten dienen in ieder geval in dat kader duidelijkheid te verschaffen
omtrent het strafrestant, ter voorkoming van verregaande willekeur ten aanzien van gelijk
gestraften.
De raadsvrouwe heeft subsidiair verzocht om een prejudiciële beslissing te vragen aan het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van de vraag of artikel 3
Kaderbesluit analoge toepassing vereist gelet op de amnestieregeling in Italië die leidt tot
een strafvermindering van 3 jaar.
De officier van justitie heeft zich in dit kader primair op het standpunt gesteld dat, nu de
opgeëiste persoon niet gedetineerd is in Italië, hij op dit moment geen onderwerp kan zijn
van een amnestieregeling.
Subsidiair heeft zij gesteld dat de opgeëiste persoon voor deze feiten nog niet
onherroepelijk is veroordeeld, zodat er geen sprake kan zijn van willekeur ten aanzien
van gelijk gestraften.
De rechtbankt verwerpt het verweer van de raadvrouw.
Artikel 3 van het Kaderbesluit ziet uitsluitend op de situatie waarbij het strafbare feit dat
aan het EAB ten grondslag ligt in de uitvoerende lidstaat (in casu Nederland) onder een
amnestie valt. Het is derhalve een uitsluitingsgrond die ziet op de mogelijkheid tot
vervolging.
Deze weigeringsgrond komt niet voor in de Overleveringswet, omdat de Nederlandse
wetgeving de rechtsfiguur amnestie niet kent. Nu Nederland geen amnestieregeling kent
is daarvan al geen sprake.
Voorts is aan de opgeëiste persoon nog geen onherroepelijke straf opgelegd voor de
feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd, zodat de opgeëiste persoon datgene in
de Italiaanse strafprocedure kan aanvoeren wat in zijn belang is.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om prejudiciële vragen te
stellen.
Beroep op artikel 11 OLW
Voorts heeft de opgeëiste persoon aangevoerd dat de overlevering in strijd komt met
artikel 11 OLW en wel op de volgende gronden:
Schending van het soevereiniteitsbeginsel
Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de overlevering dient
te worden geweigerd nu door het tappen van zijn Nederlandse telefoon het
soevereiniteitsbeginsel is geschonden.
De officier van justitie heeft daartegenover gesteld dat nergens uit blijkt dat de
soevereiniteit van Nederland is geschonden. Er is niet gezegd dat er helemaal geen
rechtshulpverzoeken zijn gedaan vanuit Italië, maar inzage daarin is geweigerd in het
belang van het Italiaanse onderzoek.
De rechtbank overweegt als volgt.
Nog daargelaten de vraag of er sprake is van onrechtmatige taps, er zitten immers
tapmachtigingen van Italiaanse rechters in het dossier, terwijl niet is vast te stellen waar
de getapte telefoons zich ten tijde van het tappen bevonden, overweegt de rechtbank ten
aanzien van dit verweer het volgende. De rechtbank begrijpt het verweer zo dat de
opgeëiste persoon bedoelt te betogen dat door deze taps op onrechtmatige wijze bewijs is
verkregen. Dit verweer kan in de onderhavige zaak niet leiden tot weigering van de
overlevering, nu dit in essentie een bewijsverweer betreft dat zal dienen te worden
voorgelegd in de strafzaak zelve in Italië. Voorts overweegt de rechtbank dat het beginsel
van soevereiniteit met name de belangen van staten dient, en dat alleen staten en in
beginsel niet de opgeëiste persoon zich hierop kunnen beroepen. De rechtbank is van
oordeel dat er op grond van wederzijdse erkenning op vertrouwd moet worden dat het
EAB op de juiste wijze tot stand is gekomen, tenzij er concrete aanwijzingen zijn die
aanleiding geven om te vermoeden dat het anders ligt. Dat is hier niet het geval.
Strijd met artikel 3 EVRM
Voorts heeft de opgeëiste persoon betoogd dat er sprake van een dreigende schending van
artikel 3 van het EVRM vanwege de in Italië zeer slechte detentie situatie in de
gevangenissen. In dit verband is gewezen naar een groot aantal rapporten van
mensenrechtenorganisaties.
Daarbij is aangegeven dat thans 15.000 gedetineerden zijn vrijgelaten in het kader van
een amnestieregeling vanwege de mensonterende omstandigheden.
De officier van justitie stelt dat niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon
zelf na overlevering wordt blootgesteld aan discriminatie, mishandeling of foltering. Het
verweer is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank deelt de opvatting van de raadsvrouw dat een dreigende schending van
artikel 3 van het EVRM aan overlevering in de weg kan staan.
In het kader van artikel 11 OLW en de gestelde mogelijke schending van artikel 3 EVRM
kan niet worden voorbijgegaan aan het toetsingskader waarbij van belang is dat in de
voorliggende zaak sprake moet zijn van een reëel risico voor de opgeëiste persoon op een
door artikel 3 EVRM verboden behandeling. De omstandigheid dat er veel rapporten de
zorgelijke situatie in de Italiaanse gevangenissen beschrijven is onvoldoende om dat aan
te nemen.
Strijd met artikel 6 EVRM
Voorts heeft de opgeëiste persoon gewezen op artikel 6 van het EVRM en gesteld dat hij
geen eerlijk proces zal krijgen nu zijn zaak al meerdere malen in de pers is besproken en
hij eigenlijk al veroordeeld is.
De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
Een dergelijke omstandigheid ziet op de eventueel nog in Italië te voeren procedure en
kan in de onderhavige zaak niet aan de orde komen. Niet kan worden gezegd dat op basis
van deze gegevens sprake is van een dusdanige dreigende flagrante schending van artikel
6 van het EVRM dat die aan overlevering in de weg zou moeten staan.
Voorts staat voor de opgeëiste persoon nog hoger beroep open in Italië, zodat hij deze
gronden aldaar zal kunnen inbrengen en er in zoverre sprake is van een ‘effective
remedy’ in Italië.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd - kort gezegd - dat uit de stukken valt af te leiden dat de
feiten waarvan de opgeëiste persoon in het onderhavige EAB wordt verdacht zouden zijn
gepleegd op Nederlands of Belgisch grondgebied. De overlevering dient te worden
geweigerd op grond van het gestelde in artikel 13 eerste lid onder a OLW.
De rechtbank overweegt als volgt:
Uit de stukken blijkt dat een deel van de feiten waarvoor de Italiaanse justitie de
opgeëiste persoon wil vervolgen in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a
van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.
Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd
dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde
weigeringsgrond.
Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:
- Enerzijds blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland verblijf houdt, althans in
Nederland is aangehouden en op grond daarvan kan geconcludeerd worden dat hij een
belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland.
- Anderzijds blijkt dat:
*
het strafrechtelijk onderzoek Italië is aangevangen;
*
de feiten waarop het EAB ziet zich slechts gedeeltelijk op Nederlands
grondgebied hebben afgespeeld;
*
de bewijsmiddelen in Italië voorhanden zijn;
*
met betrekking tot de feiten waarvoor thans de overlevering wordt gevraagd reeds
een medeverdachte is overgeleverd en ook in Italië reeds medeverdachten zijn
aangehouden en vervolgd;
*
de verdovende middelen in bijna alle gevallen bestemd waren voor de Italiaanse
markt, in ieder geval niet voor de Nederlandse markt, hetgeen eveneens een argument
vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde
vanwege de schadelijke gevolgen van de strafbare feiten vooral buiten Nederland ligt.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van de officier van justitie met zich dat op grond
van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Italiaanse autoriteiten de voorkeur
geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW
bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde
gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.
7. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat
aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden
toegestaan.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikelen 2, 5, 7, 11 en 13 van de Overleveringswet.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechter-commissaris van de
rechtbank van Reggio Calabria ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte
strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr.J.C. Boeree,
voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en A.R.P.J. Davids,
rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema ,
griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2006.
gevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon
rechtsmiddel open.
*) EAB onder e)
Feiten:
Hij bekleedt topfunctie in org die gericht is op de intern. handel in verdovende middelen,
type cocaïne, en die opereert vanuit Nederland, België, Duitsland en Italië vanaf maand
april 2002 tot augustus van hetzelfde jaar.
[opgeëiste persoon ] is leverancier
Op 23 januari 2002 werd hem geld overhandigd als tegenprestatie voor een levering van
verdovende middelen gelijk aan 20 kilogram.
Medepleger
Artikel 74, II lid, DPR
[opgeëiste persoon], [persoon 1], [persoon 2] > handelend als promotoren, en hoe dan
ook, als organisatoren van de criminele vereniging en leidinggevend aan de top,
onderhielden zij persoonlijk contact met de leverancier [persoon 3] door persoonlijk
actief de verdovende middelen in Nederland en België aan te schaffen en ervoor te
zorgen dat de andere leden van de organisatie erover konden beschikken.
Met de verzwarende omstandigheid ex art 74, lid 1 (voor alle drie) omdat zij gehandeld
hebben als promotoren, leiders, organisatoren en financiers van de illegale praktijken als
omschreven.
Met de verzwarende omstandigheid ex artikel 74, lid III omdat het een vereniging was
bestaande uit 10 personen.
Dit alles is vastgesteld in Nederland, België, Duitsland, Lombardije, Campania, Calabrië
en Sicilië vanaf de maand april 2002 tot een de maand augustus 2002.
Ter zake van het misdrijf omschreven in art. 10 wetboek van Strafrecht omdat zij
[persoon 3] en [opgeëiste persoon] in gezamenlijkheid met elkaar op 23.01.02 elkaar
ontmoeten en [persoon 3] [opgeëiste persoon] geld overhandigd als tegenprestatie voor
een levering van verdovende middelen gelijk aan 20 kg, naar alle waarschijnlijkheid
cocaïne, voorheen geleverd door [opgeëiste persoon ] aan een onbekend gebleven
persoon.
LIJSTFEIT:
Slechts aangekruist als: 5 (illegale handel in verdovende middelen en psych. stoffen)
Brieven parket van 21 augustus 2006 met volgende vragen:
Vraag naar wetsartikelen
Aanvulling gevraagd van de niet-vertaalde passages
Welke just. autorit. heeft aanhoudingsbevel van 14 nov 2004 afgegeven
Verduidelijking gevraagd omtrent de 2 feiten
Vraag of deelname crimin.org niet moet worden aangekruist
Daarin wordt navraag gedaan of het een vervolgingsoverlevering betreft nu in het EAB
van broer [persoon 1] valt te lezen dat [persoon 1] bij verstek veroordeeld is op 24
oktober 2005.
Antwoord van The Court of Regio Calabria d.d. 7 september (per fax binnen bij parket op
14/9)
Meegezonden:
Kopie van de wetsartikelen
Download