1 DIEETPRODUCTEN VOOR VOEDINGSSTOFVRIJE OF

advertisement
26
1 DIEETPRODUCTEN VOOR VOEDINGSSTOFVRIJE
OF -BEPERKTE DIËTEN
1.A. ENERGIEARME PRODUCTEN
Overgewicht
Fysieke, economische en sociaal-culturele
omgevingsfactoren beïnvloeden ons eet- en
bewegingspatroon zodanig dat het aantal
personen met overgewicht, dat wil zeggen
met een Body Mass Index (BMI) van 25-30,
sterk is toegenomen. De laatste jaren is er een
duidelijke toename van overgewicht bij kinderen, met name in de basisschoolleeftijd, en
bij adolescenten. Een van de gevolgen van gewichtstoename is insulineresistentie, waarbij
de normale werking van insuline is verstoord.
Insulineresistentie speelt een sleutelrol bij de
ontwikkeling van het zogenoemde metabool
syndroom. Dit syndroom kenmerkt zich door
verscheidene onderling samenhangende afwijkingen zoals insulineresistentie, dislipidemie
en hoge bloeddruk. Deze afwijkingen liggen
weer ten grondslag aan de ontwikkeling van
diabetes mellitus type 2 en de complicaties
daarvan zoals hart- en vaatziekten.3
Overgewicht verhoogt het risico op allerlei
chronische aandoeningen, niet alleen diabetes type 2 en hart- en vaatziekten. Ook het
risico op hoge bloeddruk, sommige vormen
van kanker, galziekten en gewrichtsaandoeningen is vergroot. Het risico neemt toe met
de mate van overgewicht.5 Daarnaast zijn onvruchtbaarheid, artrose van heupen, enkels en
knieën, rugpijn en depressie complicaties van
overgewicht.
Extra vet in de buikholte geeft een hoger risico dan extra onderhuids vet of extra vet op
heupen en dijen. Bij vrouwen is sprake van een
verhoogd risico bij een middelomtrek (tailleomvang) van meer dan 88 cm en bij mannen
bij een middelomtrek van meer dan 102 cm
(WHO 1998). Vooral toename in abdominale
vetopslag gaat gepaard met stijging van bloeddruk, vermindering van glucosetolerantie en de
ontwikkeling van het metabool syndroom.
Energiebeperking en lichaamsbeweging
De meest gebruikte behandeling bij overgewicht bestaat uit een energiebeperkt dieet en
verhoogde lichaamsbeweging. Bij voorkeur
in combinatie met gedragstherapie waarbij
aandacht is voor psychosociale factoren die
het eetgedrag beïnvloeden. In de Richtlijnen
goede voeding 2006 is een aanbeveling opgenomen voor de mate van lichamelijke activiteit.
Het huidige gemiddelde activiteitenpatroon
moet zodanig worden geïntensiveerd dat beter
wordt voldaan aan de Nederlandse Norm voor
Gezond bewegen. Deze norm beveelt volwassenen aan om op ten minste vijf – maar bij
voorkeur op alle – dagen van de week minstens
een halfuur matig tot inspannende lichamelijke
activiteiten te verrichten per dag, waarbij de inspanning minimaal 10 minuten aaneengesloten
moet plaatsvinden.
Convenant Overgewicht
In de preventienota Langer Gezond Leven
2004-2007 heeft het Kabinet zich ten doel gesteld de toename van overgewicht in Nederland een halt toe te roepen en voor kinderen
ernaar te streven de trend te keren. De minister van VWS heeft de eerste stap gezet om met
maatschappelijke partners het probleem gezamenlijk aan te pakken. Het convenant heeft
een looptijd van 2010-2015.
In het Convenant werd afgesproken gezamenlijk te werken aan de overgewichtproblematiek. Een van de afspraken was het maken
van een gezamenlijk actieplan gericht op het
herstellen van de balans tussen eten en bewegen. Het actieplan is gebaseerd op de actieplannen van alle partners. Deze acties liggen
onder andere op de volgende gebieden: portiegrootte, reclame, marketing, samenstelling
van producten, etikettering, kantineaanbod,
bewegingsbevordering, enzovoort.
De energetische waarde van de voeding wordt
verlaagd door beperking van de voedingsmiddelen met een hoge energiedichtheid. Het
gaat dan vooral om voedingsmiddelen rijk
aan verzadigde en enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren en toegevoegde suikers (de
zogenoemde ‘kale calorieën’; Gezondheidsraad, 2006). De voedingsindustrie brengt een
uitgebreid aanbod van energiearme producten
op de markt en inmiddels zijn allerlei magere
en halfvolle voedingsmiddelen gemeengoed
geworden. Producten met 33% minder energie, vet, suiker of alcohol in vergelijking met
het normale product, mogen als light-product
worden aangeduid.
1.B. EIWITARME PRODUCTEN
Eiwitbeperkt dieet
Een eiwitbeperkt dieet is een dieet met een
beperkte hoeveelheid eiwitrijke voedingsmiddelen zoals vlees en vleeswaren, wild en gevogelte, vis, schaal- en schelpdieren, kaas, ei,
melk en melkproducten, peulvruchten, sojaproducten, noten en pinda’s. De hoeveelheid
die van deze producten kan worden gegeten is
afhankelijk van de mate van eiwitbeperking.
Bij een eiwitbeperkt dieet moet endogene afbraak van lichaamseiwit en verslechtering van
de voedingstoestand worden voorkomen.
Daarom is het belangrijk dat:
• niet minder eiwit wordt gebruikt dan
wordt aanbevolen;
•
70% van het gebruikte eiwit van hoge biologische waarde is;
• de energie-inname voldoende is; hiermee
wordt voorkomen dat eiwit uit de voeding
en lichaamseiwit wordt gebruikt als energiebron in plaats van voor opbouw van
lichaamscellen.
Bij een eiwitbeperkt dieet kan worden gebruikgemaakt van eiwitarme dieetproducten,
zoals eiwitarme pasta, eiwitarm meel en eiwitarme koekjes. Zij brengen meer energie en
variatie in de voeding. Bovendien blijft meer
ruimte over voor het gebruik van dierlijke eiwitten. Bij slechte eetlust kan gebruik worden
gemaakt van energierijke supplementen in de
vorm van koolhydraten en vetten.
In het hierna volgende overzicht staan eiwitarme dieetproducten vermeld. Koolhydraatrijke
dieetpreparaten en supplementen worden
vermeld in hoofdstuk 3.H.60 (drinkvoeding
ziektespecifiek, nierinsufficiëntie) en hoofdstuk 4.B.40 (koolhydraat- en vetmodules).
De indicaties voor een eiwitbeperkt dieet zijn:
• chronische nierinsufficiëntie;
• hepatische encefalopathie;
• aangeboren aminozuurstofwisselingsstoornissen.
Chronische nierinsufficiëntie
Bij chronische nierinsufficiëntie is eiwitbeperking een onderdeel van de dieetbehandeling. Het doel van de eiwitbeperking is voor
zover mogelijk vertragen van de achteruitgang van de nierfunctie en het uitstellen van
complicaties. De mate van eiwitbeperking is
afhankelijk van de resterende nierfunctie en
de eventuele klachten ten gevolge van uremie.
Andere dieetkenmerken bij chronische nierinsufficiëntie zijn:
• natriumbeperking om de behandeling van
hypertensie te ondersteunen;
• kaliumbeperking bij hyperkaliëmie;
• voldoende energie;
• vet volgens de Richtlijnen goede voeding
om hyperlipidemie te voorkomen;
• voldoende drinkvocht; vochtbeperking is
alleen nodig als oedeemvorming optreedt.
Als door de nierinsufficiëntie onvoldoende vitamine D wordt geactiveerd is suppletie nodig.
Hepatische encefalopathie
Hepatische encefalopathie is een van de mogelijke symptomen van levercirrose. De oorzaak is een gestoorde detoxificatie in de lever
van toxische stoffen uit de darm en afbraakproducten van de stofwisseling. Ammoniak
DE INDELING VAN DE GEWICHTSKLASSEN GEBASEERD OP DE BODY MASS INDEX (BMI) (BERNS 1995)
BMI 18,5 – 25 kg/m2
normaal gewicht
BMI 25 – 30 kg/m2
overgewicht (matig overgewicht)
BMI > 30 kg/m2
adipositas (ernstig overgewicht)
BMI > 40 kg/m2
morbide obesitas
INLEIDING 27
TABEL 1: ZOETSTOFFEN
zoetstof
bron
zoetkracht t.o.v. suiker
en caloriegehalte
smaak
bijwerkingen*
eigenschappen en ADI
per kg/dag**
acesulfaam-K
synthetisch
200× (0 kJ/gram)
geen bijsmaak
geen bij normaal gebruik
zeer stabiel, kan goed
tegen zuur, base en
verhitten ADI: 15 mg
aspartaam
synthetisch (combinatie van twee
aminozuren)
200× (17 kJ/gram)
neutraal
geen; niet geschikt bij
fenylketonurie
niet stabiel in niet-zure
producten en bij verhitting boven 180 graden
ADI: 40 mg
cyclamaat
synthetisch
30× (0 kJ/gram)
bitter
sommige onderzoeken
wijzen op carcinogene
effecten van hoge doses en
mogelijk nadelige invloed
op de vruchtbaarheid
stabiel onder de meeste
condities ADI: 7 mg***
saccharine
synthetisch
300-500× (0 kJ/gram)
bitter bij hoge concentraties
sommige onderzoeken
wijzen op carcinogene
effecten van hoge doses en
mogelijk nadelige invloed
op de vruchtbaarheid
stabiel onder de meeste
condities ADI: 5 mg
thaumatine
eiwit uit tropische
plant
2000-3000× (17 kJ/
gram)
dropachtig
geen
niet erg stabiel nog niet
vastgesteld
sorbitol
polyol of suikeralcohol uit vruchten
0,5× (13-16 kJ/gram)
licht zoete smaak, geen
bijsmaak
laxerend boven bep.
hoeveelheid (grensdosis =
40 gram)
stabiel, geeft net als suiker volume aan gerechten
maltitol
synthetische polyol
of suikeralcohol
0,9× (17 kJ/gram)
zoet, geen bijsmaak
laxerend boven bep.
hoeveelheid (grensdosis =
40 gram)
stabiel, geeft net als suiker volume aan gerechten
isomalt
suiker (door enzymen bewerkt)
0,5× (8,5 kJ/gram)
zoet, geen bijsmaak
laxerend boven bep.
hoeveelheid (grensdosis =
40 gram)
stabiel, geeft net als suiker volume aan gerechten
mannitol
polyol of suikeralcohol uit groente
0,6× (11 kJ/gram)
licht zoete smaak, geen
bijsmaak
laxerend boven bep.
hoeveelheid (grensdosis =
10-20 gram)
stabiel, geeft net als suiker volume aan gerechten
lactitol
polyol of suikeralcohol bereid uit
lactose
0,9× (15 kJ/gram)
zoet, geen bijsmaak
laxerend boven bep.
hoeveelheid (grensdosis =
10-20 gram)
stabiel, geeft net als suiker volume aan gerechten
xylitol
polyol of suikeralcohol uit groente
en fruit
1× (11kJ/gram)
zoet, geen bijsmaak
laxerend boven bep.
hoeveelheid (grensdosis =
20 gram ineens of 50-70
gram verdeeld over de dag)
stabiel, geeft net als suiker volume aan gerechten; suikervrije kauwkom
met xylitol bevordert
de remineralisatie van
tandglazuur
*
**
***
De laxerende werking die optreedt, geldt voor volwassenen en zijn gemiddelde waarden. Individuele gevoeligheid kan een rol spelen. Bij kinderen kan bij een lagere dosis diarree
ontstaan.
ADI = acceptable daily intake. Van de extensieve zoetstoffen is geen ADI vastgesteld; de fabrikant moet wel op het etiket over het eventuele laxerend effect informatie geven.
De Europese Commissie verlaagde in juli 2002 de ADI voor cyclamaat van 11 naar 7 mg/kg lichaamsgewicht.
TABEL 2: VEILIGE HOEVEELHEDEN ZOETSTOFFEN IN ‘LIGHT’-FRISDRANKEN
zoetstoffen in lightfrisdrank
maximaal aantal liter per dag voor
kinderen 4-8 jaar (25 kg)*
maximaal aantal liter
per dag voor kinderen
8-12 jaar (30-50 kg)
maximaal aantal liter per dag voor
volwassenen (65 kg)
acesulfaam-K
1,1 (4 glazen)
1,3-2,1 (5-8 glazen)
2,8 (11 glazen)
aspartaam
1,3 (5 glazen)
1,5-2,5 (6-10 glazen)
3,3 (13 glazen)
cyclamaat
0,5 (2 glazen)
0,6-1,0 (2-4 glazen)
1,3 (5 glazen)
saccharine
1,6 (6 glazen)
1,9-3,1 (8-12 glazen)
4,1 (16 glazen)
*
1 glas is ongeveer 0,25 liter, een blikje is 0,33 liter.
28 INLEIDING
is een bekende toxische stof. Deze wordt gevormd in het maag-darmkanaal door bacteriele afbraak van exogene en endogene eiwitten
en door endogene afbraak van spiereiwit. In
het algemeen is inname van voldoende eiwit
belangrijk om afbraak van spiereiwit tegen te
gaan. Als medicatie om de productie van ammoniak in het maag-darmkanaal te vermijden
(o.a. lactulose) onvoldoende effect heeft, is
tijdelijk eiwitbeperking met voldoende energie nodig.
1.C. PRODUCTEN VOOR AMINOZUURSTOFWISSELINGSSTOORNISSEN
Er zijn verschillende aangeboren aminozuurstofwisselingsstoornissen, bijvoorbeeld fenylketonurie, tyrosinemie en homocysteïnurie.
Hierbij is sprake van een erfelijke afwijking
op DNA-niveau. Het kan gaan om een afwijkend of ontbrekend enzym, transporteiwit of
receptoreiwit. Een biochemisch defect in de
stofwisseling is het gevolg. Dit leidt over het
algemeen tot ophoping van stofwisselingsproducten vóór het defect en een tekort aan eindproducten in de stofwisseling na het defect.
De symptomen van aminozuurstofwisselingsstoornissen beginnen vaak kort na de geboorte en zijn in het begin aspecifiek. Later treden
stoornissen op in de lichamelijke groei en
geestelijke ontwikkeling.9 Vroege diagnostiek
en goede behandeling kunnen ernstige, onherstelbare schade of overlijden voorkomen.
Dieetbehandeling is een belangrijk onderdeel
van de behandeling en bestaat uit het beperken
van de aminozuren waarvan de stofwisseling
is gestoord. Hiertoe wordt een eiwitbeperkt
dieet voorgeschreven. De hoeveelheid toegestaan eiwit wordt bepaald door de tolerantie
voor het aminozuur waarvan de stofwisseling
is gestoord. Om een eiwittekort te voorkomen
is aanvulling met een aminozuurpreparaat
waarin het aminozuur waarvan de stofwisseling is gestoord, niet voorkomt. In hoofdstuk
1.C. staat een overzicht van dieetproducten
bij de meest voorkomende aminozuurstofwisselingsstoornissen.
Fenylketonurie (PKU)
PKU is een autosomaal recessief erfelijke aminozuurstofwisselingsstoornis. Er zijn twee
vormen van PKU. De meest voorkomende is
de klassieke PKU. Maligne PKU komt voor
bij 1-3% van de PKU-patiënten.
Klassieke PKU wordt veroorzaakt door een
tekort aan het enzym fenylalaninehydroxylase. Dit enzym is nodig voor de omzetting
van fenylalanine in tyrosine. PKU leidt tot
een hoog fenylalaninegehalte in het bloed, dat
een ernstige hersenbeschadiging veroorzaakt.
Zuigelingen met PKU worden gezond geboren. Alle pasgeborenen worden door middel
van de hielprik getest op deze ziekte. Als er
niet behandeld wordt is na een halfjaar een
achterstand in mentale en motorische ontwikkeling te zien. Onbehandelde PKU leidt tot
ernstige mentale retardatie. Op volwassen
leeftijd heeft PKU vooral effect op het functioneren van de hersenen. Er kunnen psychische
stoornissen zoals concentratiestoornissen,
nervositeit, agressie en prikkelbaarheid optreden. Ook kan PKU leiden tot haarontkleuring
en huidafwijkingen.
Mentale retardatie kan worden voorkomen
door middel van een fenylalaninebeperkt dieet. Fenylalanine is een essentieel aminozuur
dat in vrijwel alle eiwitten voorkomt. Patiënten met PKU krijgen een eiwitbeperkt dieet
waarin precies de hoeveelheid fenylalanine zit
die nodig is voor opbouw en instandhouding
van weefsels. Om de totale eiwitbehoefte te
dekken is aanvulling met een fenylalaninevrij dieetpreparaat nodig. De mogelijkheden
om producten met eiwit zoals vlees, ei, zuivelproducten, brood, koekjes en deegwaren
te eten zijn zeer beperkt. Daarom wordt gebruikgemaakt van eiwitarme producten zoals
groente, fruit, zoet broodbeleg en eiwitarme
dieetproducten.
De hoeveelheid eiwit die kan worden gebruikt
is afhankelijk van de leeftijd en de fenylalaninetolerantie. De fenylalaninetolerantie hangt
af van de mate waarin nog fenylalaninehydroxylase wordt geproduceerd. Afhankelijk
van het fenylalaninegehalte in het bloed wordt
het dieet steeds bijgesteld.
Tijdens de eerste levensjaren en zwangerschap
van een PKU-patiënt is een strikte dieetbehandeling nodig, omdat het centrale zenuwstelsel
van de (ongeboren) zuigeling dan nog in ontwikkeling is. Vanwege de verschijnselen die
op volwassen leeftijd kunnen optreden, wordt
aanbevolen het dieet levenslang te blijven gebruiken. Bij lichte vormen van PKU kan een
minder streng dieet worden gevolgd. Soms is
zelfs helemaal geen dieet nodig.
Zie voor een productoverzicht 1.C.10.
eiwitten. Bij het afbreken van methionine is
het stofje homocysteïne betrokken. Doordat
er iets mis gaat bij de afbraak van methionine,
kunnen te veel homocysteïne en andere schadelijke stoffen in het bloed terechtkomen.
Kenmerken van homocystinurie kunnen onder andere zijn: bijziendheid, loslating van de
ooglens, en een dunne lichaamsbouw. Verder
kan op den duur een verstandelijke beperking
ontstaan. Mensen met homocystinurie hebben
ook een verhoogde kans op trombose. Dit zijn
bloedstolsels in de bloedvaten.De symptomen
kunnen op verschillende leeftijden beginnen
en verschillen van persoon tot persoon. Hyperhomocysteïnemie is een lichte vorm van
homocystinurie. Hierbij is de hoeveelheid homocysteïne in het bloed licht verhoogd. Mensen met hyperhomocysteïnemie hebben een
verhoogde kans op hart- en vaatziekten.
Alle pasgeborenen worden gescreend op homocystinurie door middel van de hielprik.
Wanneer hoge doseringen vitamine B6 geen
positief resultaat hebben op de biochemische
afwijkingen, kan een methioninebeperkt/cysteïneverrijkt dieet gestart worden. Het dieet
wordt aangevuld met aminozuurmengsels,
vitamine B12 en foliumzuur.
Tyrosinemie
Maple-syrup urineziekte
Tyrosinemie kenmerkt zich door een hoog gehalte aan tyrosine in plasma en urine en een
verhoogde excretie van metabolieten in de
urine. De oorzaak is een tekort aan het enzym
fumarylacetoacetase of tyrosine-aminotransferase.
Tyrosinemie is een aangeboren en erfelijke
aandoening. Bij tyrosinemie is er een defect
in een bepaald enzym waardoor het aminozuur (bouwsteen van eiwitten) tyrosine niet
voldoende afgebroken wordt. Hierdoor zit er
een te hoog gehalte tyrosine in het bloed. Er
bestaan drie typen tyrosinemie; bij elk type is
er een defect in een ander enzym dat bij de
afbraak van tyrosine betrokken is. Door middel van de hielprik worden alle pasgeborenen
getest.
Tyrosinemie type 1 kenmerkt zich door onder
andere door groeiachterstand, diarree, overgeven, geelzien van de huid en verhoogde kans
op bloedingen. Tyrosinemie type 1 kan leiden
tot lever- en nierfalen, aandoeningen van het
zenuwstelsel en een verhoogde kans op leverkanker. De symptomen treden meestal in de
eerste levensmaanden op.
Bij tyrosinemie type 2 kunnen onder andere
voorkomen: veelvuldig tranen van de ogen,
overgevoelig voor licht, pijn aan en roodheid
van de ogen, beschadiging van de voetzolen
en handpalmen en verstandelijke beperking.
De kenmerken treden meestal in de eerste levensjaren op.
Tyrosinemie type 3 kenmerkt zich door symptomen als spasmen, perioden van evenwichtsverlies en milde verstandelijke beperking.
Of en de mate waarin kenmerken optreden,
verschilt van persoon tot persoon. Dieetbehandeling bestaat uit een beperking van tyrosine en fenylalanine. Aan de eiwitbehoefte
kan worden voldaan door gebruik van tyrosine-, fenylalanine- en methioninebeperkte
aminozuurmengsels, bijvoorbeeld verwerkt
in vruchtensap of vruchtenmoes. Er zijn ook
aminozuurmengsels die naar leeftijd zijn gedifferentieerd en rijk zijn aan vitaminen, mineralen en spoorelementen.
Maple-syrup urineziekte kenmerkt zich door
een stoornis van de oxidatieve decarboxylering van vertakte-keten-aminozuren (leucine,
isoleucine en valine).
Maple syrup urine disease (MSUD) is een
erfelijke stofwisselingsziekte. De oorzaak
is een verandering in het erfelijk materiaal.
Bij MSUD worden de aminozuren leucine,
isoleucine en valine niet goed afgebroken.
Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwitten, die je lichaam binnenkrijgt door te eten.
Doordat de afbraak van deze aminozuren is
verstoord, hopen ze zich op in het lichaam.
Een opvallend kenmerk van MSUD is urine
die zoetig ruikt (naar siroop). Verder kunnen
kenmerken voedingsproblemen, overgeven,
slaperigheid en een ontwikkelingsachterstand
zijn. Als MSUD niet wordt behandeld, kan de
aandoening leiden tot onder andere krampen
en coma. Er zijn meerdere vormen van MSUD
die verschillen in ernst. Bij de meest voorkomende vorm van MSUD beginnen de eerste
kenmerken vlak na de geboorte. Bij mildere
vormen kunnen de kenmerken ook op latere
kinderleeftijd ontstaan. Alle pasgeborenen
worden gescreend door middel van de hielprik.
De dieetbehandeling bestaat uit een eiwitbeperkt dieet dat wordt gecombineerd met een
aminozuurmengsel dat vrij is van leucine, isoleucine en valine. Bovendien kan dit mengsel
verrijkt zijn met mineralen, spoorelementen
en vitaminen.
Homocystinurie
Homocystinurie is een erfelijke stofwisselingsziekte. De oorzaak is een verandering van het
erfelijk materiaal. Bij homocystinurie is de
afbraak van het aminozuur methinione verstoord. Aminozuren zijn de bouwstenen van
Propionacidemie en methylmalonacidemie
Bij propionacidemie is sprake van een enzymdefect van propionol-CoA-carboxylase. Hierdoor ontstaan acidose en verhoogde spiegels
van propionzuur en glycine. Het enzymdeffect blokkeert ook de afbraak van methionine
en threonine.
De symptomen zijn per persoon verschillend
en omvatten slaperigheid, snelle ademhaling
en braken.
Methylmalonacidemie kenmerkt zich eveneens door acidose en gaat gepaard met verhoogde methylmalonzuur- en glycinespiegels
in bloed en urine. Bij sommige patiënten kan
een hoge dosis vitamine B12 gunstige effecten
hebben. Bij beide stoornissen kunnen speciale
aminozuurmengsels vrij van isoleucine, valine,
methionine en threonine worden gebruikt.
INLEIDING 29
Lysineintolerantie
Een deficiëntie aan lysine-dehydrogenase of
lysineketoglutaraat-reductase kan verhoogde
spiegels van lysine in het plasma veroorzaken.
Lysine-eiwitintolerantie is een transportstoornis voor het essentiële aminozuur lysine en
voor de ureumcyclus-intermediairen ornithine en arginine.2 De uitscheiding en de klaring
van lysine in de nier zijn bij de aandoening
vergroot en de opname uit de darm verminderd, waardoor een lage plasmaconcentratie
wordt gevonden. Het functionele tekort van
ornithine veroorzaakt intermitterend optreden van hyperammoniëmie, met als gevolg
verminderde eetlust, braken en aversie tegen
eiwitrijke voeding.
Een lysinebeperkt dieet is dan geïndiceerd.
Isovaleriaan acidemie (IVA)
Isovaleriaan acidemie (IVA) is een zeldzame
aangeboren stofwisselingsziekte waarbij de
afbraak van leucine wordt aangetast door een
gebrek aan isovaleryl-CoA-dehydrogenase.
De symptomen zijn per persoon verschillend
en omvatten slaperigheid, snelle ademhaling
en braken. Bij isovaleriaanacidurie en 3-methylcrotonylglycinurie worden aminozuurmengsels zonder leucine gebruikt. Aan het
dieet wordt glycine en carnitine toegevoegd
om toxische organische zuren te binden en
uitscheiding te bevorderen.
Overige stofwisselingsstoornissen
Defecten in ureumstofwisseling leiden tot
sterk verhoogde concentraties van ammoniak, glutamine en alanine in het bloed. Dieetbehandeling bestaat uit een eiwitbeperkt
dieet, aangevuld met een aangepast aminozuurmengsel vrij van alanine, arginine, glutaminezuur en glycine om in de eiwitbehoefte
te voorzien.
1.D. GLUTENVRIJE PRODUCTEN
Coeliakie
Coeliakie is een auto-immuunziekte. Bij iemand met coeliakie ontstaan door het eten
van gluten ontstekingsreacties in het darmslijmvlies. De darmvlokken worden daardoor
beschadigd. Bij langdurige schade aan het
darmslijmvlies worden belangrijke voedingsstoffen niet meer goed opgenomen, met alle
gevolgen van dien. Een glutenvrij dieet is geindiceerd bij coeliakie.
Bij Dermatitis Herpetiformis, een huidaandoening, wordt een glutenvrij dieet voorgeschreven als het dunne darmbiopt (partiële)
vlokatrofie laat zien. Heeft een baby ouders
of een broertje of zusje met coeliakie, dan
heeft die baby zelf 10% kans om coeliakie te
ontwikkelen. In 2007 is er een Europees onderzoek gestart om te kijken op welke leeftijd
en hoe de baby voor het eerst gluten gegeven
kan worden, met het doel om coeliakie te
voorkomen.
Gluten is een eiwit dat voorkomt in de granen
tarwe, rogge, gerst, spelt en kamut. Overigens
bevat zuiver haver geen gluten, maar omdat
de in Nederland verkrijgbare haver met maximaal 3% tarwe gemengd mag zijn, wordt
haver bij coeliakie afgeraden. Gluten bestaat
uit gliadine en glutenine. Gliadine is de fractie
die bij mensen met coeliakie de dunne darmwand beschadigt (vlokatrofie). Door deze beschadiging ontstaat uiteindelijk malabsorptie.
Coeliakie kan zich op alle leeftijden manifesteren, maar de diagnose wordt tegenwoordig
steeds vaker ook op volwassenen leeftijd gesteld. Symptomen die voor kunnen komen
zijn buikpijn, brijige, plakkerige ontlasting,
opgezette buik, winderigheid, gewichtsverlies
en groei-achterstand. De symptomen kunnen echter ook minder specifiek zijn zoals
moeheid, anemie, osteoporose, vertraagde
puberteit, onvruchtbaarheid of zelfs afwezig
zijn. Bij een secuur uitgevoerd glutenvrij dieet
herstelt zich in het algemeen de dunne darmwand en zullen de symptomen verminderen
of verdwijnen. Dit proces kan enkele jaren in
beslag nemen.
Glutenvrij dieet
Een glutenvrij dieet is voor het hele leven en bestaat uit een voeding zonder glutenbevattende
granen en producten waarin deze granen verwerkt of mee in aanraking zijn geweest. Rijst,
boekweit, maïs, quinoa, amaranth, gierst,
sorghum en teff zijn van nature glutenvrij. De
hele korrels zijn glutenvrij, maar door bewerking als malen, pletten, breken, verpakken en
transporteren, kan contaminatie met gluten
optreden wanneer glutenhoudende granen
in de buurt verwerkt worden. Producten die
gecontamineerd zijn met gluten kunnen de
dunne darmwand beschadigen zonder dat het
voelbaar is.
Mensen met coeliakie zijn voor producten als
brood, koek, gebak en deegwaren aangewezen op glutenvrije dieetproducten. Glutenvrije
dieetproducten zijn gecontroleerd op glutengehalte. Per 1 januari 2012 is de definitie van
“glutenvrij”: minder of gelijk aan 20 mg per
kg product. De norm is hiermee strenger en
duidelijker geworden. De verkoop van oudere
“glutenvrije” producten met de oude glutenvermelding is niet toegestaan.
De norm geldt voor alle als “glutenvrij” gepresenteerde producten, het maakt hierbij
geen verschil of de producten van nature glutenvrij zijn of dat ze glutenvrij zijn bereid.
Het glutenvrij logo op het etiket is een doorgestreepte aar. Een aantal glutenvrije dieetproducten bevat tarwezetmeel. Het gaat
hierbij om speciaal glutenvrij gemaakt tarwezetmeel dat voldoet aan de bovengenoemde
norm. Bij gewone voedingsmiddelen die
tarwezetmeel bevatten, wordt tarwezetmeel
gebruikt dat niet op glutengehalte gecontroleerd wordt. Deze voedingsmiddelen kunnen
een te hoog gehalte aan (rest)gluten bevatten.
Op het etiket van een voedingsmiddel moet
de herkomst van het (gemodificeerde) zetmeel
vermeld worden, als dit afkomstig is van een
glutenbevattend graan.
Het gebruik van de 12 meest allergene voedingsbestanddelen moet altijd op het etiket
vermeld worden. Gluten (officieel: glutenbevattende granen en producten die hiervan
afgeleid zijn) is een van deze 12 allergenen.
Contaminatie valt echter buiten deze meldingsplicht. Soms wordt vermeld: ‘gemaakt in
een bedrijf waar ook … wordt verwerkt’.
Omdat bij mensen met coeliakie vaak osteoporose ontstaat, is extra aandacht nodig voor
voldoende calcium- en vitamine D-inname.
Andere aandachtpunten vormen voedingsvezels, ijzer, vitamine B1 en jodium. Veel kanten-klare glutenvrije producten zijn op basis
van zetmeel en daarom arm aan deze voedingsstoffen. Voedingsvezels, ijzer en B-vitaminen
zijn aanwezig in groente, (zuid)vruchten, glutenvrije volkoren granen, zaden en pitten. Bij
het zelf bakken van brood is het gebruik van
jodiumhoudend zout aan te raden zodat jodiumtekort wordt voorkomen.
In de uitgave van het Voedingscentrum Lijst
van glutenvrije merkartikelen staan zowel
producten die van nature glutenvrij zijn als
glutenvrije dieetproducten. In het overzicht
bij 1.D. staan glutenvrije dieetproducten met
de tekst ‘glutenvrij’ op de verpakking, eventueel voorzien van het glutenvrije logo.
Glutenvrije producten kunnen ook besteld
worden via diverse websites.
Websites van fabrikanten en winkeliers van
glutenvrije dieetproducten zijn onder andere:
• www.glutenvrijewebshop.nl
• www.allergento.nl
• www.glutenvrijmeel.nl
• www.glutenvrij-lepoole.nl
• www.orgran.com
• www.schaer.com
• www.freeof.nl
• www.sorgente.nl
• www.xanthan.nl
• www.allergiesupermarkt.nl
• www.glutenvrijshop.nl
• www.glutenfreedirect.com
• www.gezondheidswinkel.nl
• www.teffcentre.nl
Het Diëtisten Informatie Netwerk Coeliakie
(DINC) wil de specialistische kennis over en
ervaring met coeliakie en het glutenvrij dieet
bundelen. Het netwerk streeft hierbij naar
eenduidige uitgangspunten in de dieetadvisering en wil deze kennis voor alle diëtisten
toegankelijk maken. Het uiteindelijke doel
is dat patiënten met coeliakie door adequate
dieetbegeleiding een bewuste en zelfstandige
keuze binnen de richtlijnen van het glutenvrije
dieet kunnen maken.
Adres van Diëtisten Informatie Netwerk Coeliakie: www.dinc-online.nl
1.E. LACTOSEVRIJE EN -ARME
PRODUCTEN
Indicatie voor een lactosebeperkt of lactosevrij dieet is een lactose-intolerantie. Deze ontstaat door gebrek aan het enzym lactase dat
lactose in de dunne darm omzet in glucose en
galactose. Bij circa 2% van de Europese bevolking komt deze aandoening voor. Meestal
is dit een gevolg van een primaire lactasedeficiëntie door een genetische afwijking of van
secundaire lactasedeficiëntie die kan optreden
door beschadigingen van de dunne darm;
bijvoorbeeld door bacteriële overgroei in de
dunne darm, bij radiotherapie of ontstekingen in de darm. In deze situaties kan een lactosebeperking gistingsdiarree en buikklachten
voorkomen.
De mate van lactosebeperking in de voeding
hangt af van de hoeveelheid lactose die men
kan verdragen. Zure melkproducten worden
beter verdragen. Bovendien kan een goede verdeling van lactosehoudende producten over de
dag eveneens minder klachten geven. Met een
lactosebeperkt of lactosevrij dieet zijn tekorten aan calcium en vitamine B2 denkbaar. Ter
aanvulling kunnen harde Nederlandse kaassoorten, sojamelkproducten, lactose-arme of
lactosevrije melkproducten gebruikt worden.
Veel van deze laatstgenoemde dieetproducten
zijn tegenwoordig verrijkt met calcium en vitamine B2.
Bij galactosemie, een aangeboren stofwisselingsstoornis, dient het dieet geheel lactosevrij
te zijn. Een spoortje lactose kan al een toxisch
effect hebben.
Naast de speciale lactosevrije en lactosebeperkte producten zijn in het volgende overzicht ook producten vermeld die van nature
lactosevrij zijn.
Enzympreparaten met lactase, verkrijgbaar bij
apotheken, kunnen in een lactosebeperkt dieet worden gebruikt. Als vloeibaar preparaat
kunnen ze worden toegevoegd aan melk en
andere vloeibare melkproducten met een pH
die niet lager is dan 6. Met een enzympreparaat wordt een melkproduct echter niet lactosevrij. Enzympreparaten met lactase in tabletvorm kunnen ingenomen worden net voordat
een lactosebevattende (tussen)maaltijd wordt
gebruikt.
30 INLEIDING
1.F. SUIKERVRIJE PRODUCTEN
Om uiteenlopende redenen kiezen mensen
voor producten zonder toegevoegde suikers.
Dit kan zijn om algemene gezondheidsredenen zoals de wens om suiker te vermijden,
bijvoorbeeld voor een gezond gebit, of om
bepaalde aandoeningen te helpen genezen. Zo
kan een therapeut die volgens de natuurgeneeskunde werkt bij de schimmelaandoening
Candida Albicans een dieet voorschrijven
zonder suiker.
Als vervanging voor suiker kunnen zoetstoffen gebruikt worden. We onderscheiden twee
groepen:
• Intensieve zoetstoffen, d.w.z. met een zoetkracht veel hoger dan suiker. Deze leveren
nauwelijks energie.
• Extensieve zoetstoffen, d.w.z. met een
zoetkracht gelijk of minder dan suiker.
Deze leveren energie.
Extensieve zoetstoffen zijn de polyolen. De
meest voorkomende polyolen staan in tabel 1.
Een andere indeling, die grotendeels overeenkomt, is die in energie-leverende en niet-energieleverende zoetstoffen.
Elke zoetstof heeft zijn eigen smaakprofiel en
er zijn per zoetstof verschillende technische
toepassingen mogelijk zijn (bijvoorbeeld verhitten). Er kan dus gekozen worden voor een
enkele zoetstof of een combinatie van zoetstoffen, die het beste bij een bepaald product past.
Aan veel dranken of voedingsmiddelen wordt
een combinatie van zoetstoffen toegevoegd.
Per zoetstof wordt een maximaal te gebruiken
hoeveelheid aangegeven. De gevolgen van regelmatige overschrijding zijn onbekend. Kinderen bereiken relatief snel de veilige grens
van de zoetstoffen cyclamaat en polyolen. Dit
betekent bijvoorbeeld dat kinderen tussen 4
en 8 jaar al bij ongeveer drie glazen frisdrank
met cyclamaat per dag de ADI (aanbevolen
dagelijkse hoeveelheid) overschrijden. Overschrijding van de ADI van producten met polyolen kan maagdarmklachten veroorzaken.
De rubrieken zijn ingedeeld op suikervrije
producten, deze bevatten geen tot maximaal
0,5 g. per 100 g. suiker. Er is een rubriek suikerarm opgenomen, deze producten bevatten
maximaal 5 g suiker per 100 g. vast stof of
2,5 g. suiker per 100 ml.
Dan is er een rubriek gezoet met polyolen en
gezoet met fructose. Deze zoetstoffen leveren
wel energie maar de hoeveelheid saccharose is
gereduceerd.
1.G. PRODUCTEN ARM AAN VERZADIGDE VETZUREN
De belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van hart- en vaatziekten zijn:23,29
1 leeftijd: mannen > 45 jaar, vrouwen > 55
jaar;
2 te weinig lichaamsbeweging (< 30 minuten per dag);
3 te hoog lichaamsgewicht, vooral abdominaal vet;
4 hypertensie;
5 roken;
6 diabetes mellitus;
7 oestrogenen in combinatie met roken;
8 mannelijk geslacht;
9 stress.
Preventie op individueel en bevolkingsniveau
is nodig om de sterfte aan hart- en vaatziekten
te verminderen. Een gecombineerde aanpak
van alle risicofactoren levert de meeste gezondheidswinst op. Leefstijladviezen gericht
op stoppen met roken, voldoende lichaamsbeweging en gezonde voeding zijn de belangrijkste preventieve maatregelen. Hierdoor
worden de verschillende risicofactoren positief beïnvloed.
De gewenste mate van lichamelijke activiteit
voor de preventie van hart- en vaatziekten,
hypertensie en diabetes mellitus type 2 wordt
aangegeven in de Nederlandse Norm voor
Gezond Bewegen.
Deze norm beveelt volwassenen van 18-55
jaar aan een halfuur matig intensieve lichamelijke activiteit op ten minste 5, bij voorkeur
alle dagen van de week. Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit zijn wandelen met 5-6 km/u en fietsen met 15 km/u.27
Uit de voedselconsumptiepeiling (VCP) 20072010 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat het
type vet in de Nederlandse voeding de afgelopen jaren is verbeterd, doordat vooral de hoeveelheid transvetzuren in voedingsmiddelen is
afgenomen. 33
Slechts acht tot veertien procent van de bevolking voldoet aan de aanbeveling voor verzadigd vet. De totale hoeveelheid vet is verantwoordelijk voor ongeveer een derde van
de energie-inname. Voor vrouwen komt dit
neer op een gemiddelde inname van 75 gram
vet (=34 en%) en voor mannen 93 gram (=33
en%). De adequate inname van vet zoals bepaald door de Gezondheidsraad is 20 tot 40
energieprocent (en%). In alle leeftijdsgroepen
was de totale vetinname boven de 20 en%.
3 tot 10% van de mannen en 7 tot 10% van
de vrouwen heeft een totale vetinname boven
de 40 en%.
Voedingsrichtlijnen voor de behandeling
van hyperlipidemie
Verlaging van het aandeel van verzadigd vet
in de voeding naar maximaal 10 energie%.
Dit kan door:
• producten rijk aan verzadigde vetten te vervangen door halfvolle en magere varianten
zoals mager vlees, magere vleeswaren,
kaas met een verlaagd vetgehalte, halfvolle
of magere melkproducten, minder vette
varianten van zoete en hartige snacks;
• gebruik te maken van vetten rijk aan onverzadigde vetzuren, zoals dieetmargarine,
dieethalvarine, vloeibare bak- en braadvetten en oliën.
Maximaal 30-35 energie% vet. Door verlaging van de hoeveelheid verzadigd vet gaat
de hoeveelheid totaal vet omlaag. Het is af te
raden om langdurig een voeding te gebruiken
met minder dan 30 energie% vet. Dit kan leiden tot een ongunstige verhouding HDL/LDL
in het bloed en tot verminderde opname van
vitamine A, D en E en essentiële vetzuren.29
De vetzuursamenstelling van de voeding is belangrijker dan de totale hoeveelheid vet (Gezondheidsraad, 2006).
Verlaging van het aandeel van transvetzuren
naar maximaal 1 energie%. Transvetzuren
komen vooral voor in (gedeeltelijk) industrieel geharde plantaardige oliën en vetten en
in mindere mate in vlees en melkvet van herkauwers. De hoeveelheid transvetzuren in de
voeding is de laatste jaren sterk gedaald. Veel
voedingsmiddelenproducenten hebben hun
productieprocessen aangepast waardoor het
transvetzuurgehalte is gedaald. Door de veranderde productietechnieken komen transvetzuren niet of nauwelijks meer voor in margarines, halvarines, bak- en braadproducten en
vloeibare frituurvetten.
Verhoging van het aandeel van n-3-vetzuren
(omega-3- of visvetzuren) naar 450 mg per dag.
Dit kan door tweemaal per week een portie
vis van 100-150 g te eten, waarvan minimaal
1x vette vis. Bij hypertriglyceridemie (nuchter
> 2,3 mmol) is het nodig tweemaal per week
vette vis te eten. Meer informatie over de werking van visvetzuren en een overzicht van met
visvetzuren verrijkte voedingsmiddelen is te
vinden in hoofdstuk 2. Een overzicht van visoliecapsules staat in hoofdstuk 4.
Maximaal 12 energie% meervoudig onverzadigde vetzuren. Een hogere inname verhoogt
mogelijk de kans op kanker door radicaalvorming. De adequate inname van linolzuur is 2
energie%.28
Maximaal 300 mg cholesterol per dag. Voedingscholesterol verhoogt het LDL-cholesterolgehalte in mindere mate dan verzadigde
vetzuren en transvetzuren. De Gezondheidsraad geeft geen maximaal aanbevolen hoeveelheid cholesterol in de voeding omdat het
cholesterolgehalte van de voeding daalt als de
hoeveelheid verzadigd vet wordt beperkt. Het
zijn vooral de producten rijk aan verzadigd
vet die ook veel cholesterol bevatten. Aangeraden wordt het gebruik van cholesterolrijke
producten te beperken tot maximaal drie eieren per week en maximaal eens in de twee weken orgaanvlees, hom, kuit of garnalen. Een
inname van cholesterol van maximaal 300 mg
is een veilige en haalbare aanbeveling.
Gebruik van 2-3 g plantensterolen per dag.29
Er zijn verschillende producten verrijkt met
plantensterolen en -stanolen in de handel.
Meer informatie over plantensterolen en
-stanolen en een overzicht van met plantensterolen en -stanolen verrijkte producten is te
vinden in hoofdstuk 2.
Hoge vezelconsumptie draagt bij aan het verminderen van het risico op hart- en vaatziekten. Oplosbare vezels uit groente, fruit, peulvruchten, maïs en havermout dragen bij aan
de verlaging van het cholesterolgehalte van
het bloed. Aanbevolen wordt om 30-40 gram
vezels per dag te gebruiken.
150-200 g groente en 200 g fruit. Ruim gebruik van groente en fruit vermindert waarschijnlijk de kans op hart- en vaatziekten.
Deze hoeveelheid draagt in voldoende mate
bij aan de voorziening met voedingsvezels,
vitamines en mineralen. De beschermende
werking van groente en fruit is nog niet helemaal opgehelderd. Mogelijk hebben de in
groente en fruit voorkomende antioxidanten
vitamine C en E, bètacaroteen en flavonoïden
een beschermende werking. Ze kunnen LDLoxydatie en de vorming van vrije radicalen
voorkomen. Variatie in groente en fruit wordt
aanbevolen (Gezondheidsraad, 2006).
Maximaal 5 g zout per dag (= ± 2000 mg natrium) om verhoging van de bloeddruk te voorkomen. Verdere natriumbeperking kan leiden tot
grotere gezondheidswinst (Voedingscentrum
Richtlijnen Voedselkeuze, 1 maart 2011).
Matig alcoholgebruik. Hieronder wordt verstaan:
• 20 g alcohol per dag voor volwassen mannen (2 consumpties);
• 10 g alcohol per dag voor volwassen vrouwen (1 consumptie).
Aanbevolen wordt niet dagelijks alcohol te
gebruiken en alcohol te gebruiken in een regelmatig patroon in plaats van in pieken. In
geval van hypertrigliceridemie, overgewicht
en/of hypertensie wordt aangeraden alcoholgebruik zo veel mogelijk te beperken. Er zijn
sterke aanwijzingen dat matig alcoholgebruik
de kans op hart- en vaatziekten kan verminderen door verhoging van het HDL-cholesterolgehalte. Een alcoholgebruik van > 40 g per
dag kan leiden tot verhoging van de bloeddruk
en het triglyceridengehalte van het bloed.
INLEIDING 31
TABEL 1: MEEST VOORKOMENDE POLYOLEN
intensieve zoetstof
extensieve zoetstof
E-nummer
Acesulfaam-K
Erythritol
E968
Aspartaam
Isomalt
E953
Cyclamaat
Lactitol
E966
Sacharine
Maltitol
E965
Sucralose
Mannitol
E421
Thaumatine
Sorbitol (dulcitol, glucitol)
E420
Neohesperidine
Xylitol
E967
Stevioside
Glycyrrhizinezuur
Vermijden van gekookte, ongefilterde koffie.
Cafestol en Kahweol in koffie verhogen het
cholesterol- en triglyceridengehalte van het
bloed. Deze stoffen komen niet meer voor in
gefilterde koffie en oploskoffie.29
In het productoverzicht van producten arm
aan verzadigde vetzuren staan producten
die vanwege hun vetzuursamenstelling geschikt zijn voor het dieet bij hyperlipidemie.
Plantaardige oliën zijn hierin niet opgenomen
omdat deze als normale producten kunnen
worden beschouwd. Producten verrijkt met
plantesterolen en -stanolen en producten verrijkt met visvetzuren zijn te vinden in hoofdstuk 2. Voedingssupplementen met visvetzuren staan in hoofdstuk 4.
1.H. NATRIUMARME PRODUCTEN
In de Richtlijnen voedselkeuze 2011 wordt
op basis van nieuw wetenschappelijk onderzoek een beperking van het keukenzoutgebruik tot maximaal 6 g per dag geadviseerd.
De grootte van het effect van een beperking
van de natriuminname op de bloeddruk van
de bevolking hangt af van het actuele niveau
van natriuminname. Volwassen mannen eten
gemiddeld 9,9 gram per dag en vrouwen 7,5
gram per dag. Dit blijkt uit een onderzoek
van het RIVM naar het gebruik van zout.
Een beperking van de natriuminname op
bevolkingsniveau zal resulteren in gezondheidswinst. De aanbeveling van de Gezondheidsraad om het gebruik van keukenzout te
beperken staat niet op zichzelf. Deze wordt
gecombineerd met aanbevelingen voor leefstijlveranderingen zoals: gewichtsreductie en
voldoende lichamelijke activiteit en het gebruik van een voeding die onder meer rijk is
aan groente, fruit, magere melkproducten en
volkoren graanproducten. En die bovendien
weinig verzadigde en enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren en alcohol bevat.
Op patiëntniveau is het effect van natriumbeperking echter bijzonder wisselend. Er is
sprake van een grote spreiding van zoutgevoeligheid bij mensen met hypertensie. Bij de
individuele behandeling bepaalt niet de mate
van zoutinname, maar de ‘zoutgevoeligheid’
het effect van een zoutbeperking. Deficiënties
van kalium, magnesium en calcium hebben
een negatieve invloed op de zoutgevoeligheid.
Verder hebben oudere mensen, mensen van
negroïde afkomst, mensen met overgewicht
en mensen met diabetes mellitus type 2 vaker
zoutgevoelige hypertensie.
Omdat een natriumbeperkt dieet niet bij iedereen automatisch leidt tot bloeddrukdaling, is
het niet doelmatig om standaard een natriumbeperking te adviseren. Ongeveer 40% van de
mensen met hypertensie is natriumgevoelig.
De behandelend arts is verantwoordelijk voor
de beoordeling van de mate van ‘zoutgevoeligheid’ van de patiënt en het al dan niet voorschrijven van een natriumbeperkt dieet.
De Gezondheidsraad stelt dat ter preventie van
(milde) hypertensie het gebruik van natriumarme keukenzoutvervangende mineraalzouten
waarschijnlijk een meerwaarde heeft boven
uitsluitend verlaging van het natriumchloridegehalte in de voeding. Dit gunstige effect
wordt toegeschreven aan de grotere inname
van met name kalium en magnesium via deze
mineraalzouten. In mineraalzout kan meer
dan de helft van het natriumchloride vervangen zijn door bijvoorbeeld kaliumchloride en
magnesiumsulfaat. Vaak wordt mineraalzout
bereid door zout te mengen met één van deze
of met beide stoffen. Jozo Vitaal wordt echter
gemaakt van water dat overblijft na kristallisatie van zeezout. Vervolgens wordt dit water gemengd met water uit geisers, zoals die
in IJsland aanwezig zijn. Na indamping blijft
mineraalzout over. De jodiumhoudende varianten verdienen de voorkeur in verband met
de jodiumprofylaxe. Mineraalzouten moeten
niet gebruikt worden door mensen met een
slechte nierfunctie en evenmin in combinatie
met kaliumsparende diuretica, ACE-remmers,
niet-steroïdale ontstekingsremmers of angiotensine II-antagonisten in verband met het
risico van hyperkaliëmie.
In dieetzout is natriumchloride bijna geheel
vervangen door kalium- en/of ammoniumchloride en dit past daarom in een natriumbeperkt dieet.
Een product dat minder dan 40 mg natrium
per 100 g of 100 ml bevat mag op het etiket
een aanduiding hebben als natriumarm, voor
natriumbeperkt dieet, geen zout toegevoegd,
ongezouten, bereid zonder zout, gefabriceerd
zonder zout of zonder toevoeging van zout.
Beweringen over verminderd natrium- of
zoutgehalte mogen alleen gebruikt worden als
het product ten minste 33% minder natrium
bevat dan soortgelijke producten.
Literatuur
1. Gezondheidsraad, Overgewicht en obesitas. Den
Haag: Gezondheidsraad, 2003; publicatienummer.
2003/07.
2. RIVM Rapport ‘Ons eten gemeten’, Volksgezondheid Toekomstverkenningen, Kreijl CF van en Knaap
AGAC, Bohn Stafleu van Loghum, Houten, 2004.
3. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatienummer 2006/21.
4. www.convenantovergewicht.nl.
5. www.voedingscentrum.nl.
6. Verheul-Koot MA. Nutricia Vademecum deel 2, Voeding bij ziekte. Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom,
1999.
7. Spijker A. Dieetbehandelingsprotocol chronische
nierinsufficiëntie. In: Dieetbehandelingsrichtlijnen.
Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 1999.
8. Spijker JG. Dieet bij chronische nierinsufficiëntie. In:
Informatorium voor voeding en diëtetiek. Houten:
Bohn Stafleu van Loghum, 2005.
9. ’t Hart-Eerdmans M, Hulla AW de, Indemans C.
Artsenwijzer diëtetiek. Derde, herziene druk. Oss:
Nederlandse Vereniging van Diëtisten, 2004.
10. Mathus-Vliegen EMH. Levercirrose en voeding. Ned
Tijdschr Diët 2002;57:101-6.
11. Levercirrose geeft gevaar van ondervoeding. Voeding
en Visie. 2002.
12. Fernandes J, Sandubray, Berghe G van den. Inborn
metabolic diseases, diagnosis and treatment. berlin:
Springer-Verlag, 1996.
13. www.erfelijkheid.nl.
14. Shaker J, et al. Hypocalcaemia and skeletal disease
as presenting features of coeliac disease. Arch Intern
Med.157:1013-6.
15. Bastiani W, Drongelen K van. Productinformatie bij
coeliakie: van Warenwet naar warenkennis. Symposium ‘Coeliakie in 2000’, Noordwijkerhout, 2000.
16. Bastiani W. Coeliakie, dieetbehandelingsprotocol.
Maarssen: Elsevier gezondheidszorg, 2000.
17. Joint FAO/WHO Food Standards Program, Codex
Alimentarius Commission. Codex Standard Rome:
WHO, 1981.
18. Publicatieblad Europese Unie. Richtlijn 2003/89/EG,
25.11.2003.
19. www.glutenvrij.nl.
20. Kneepkens F. Hoeveel lactose mag bij lactose-intolerantie? Overgevoeligheden. 1996;16-7.
21. Rings EHMR, Grand RJ, Buller HA. Lactose intolerance and lactase deficiency in children. Current
Opinion in Pediatrics. 1994; 6:562-7.
22. Wageningse Universiteit: www.food-info.net/nl/
sweet/intro.htm.
23. Gezondheidsraad. Cholesterolverlagende therapie.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatienummer 2000/17.
24. Gezondheidsraad. Overgewicht en obesitas. Den
Haag: Gezondheidsraad, 2003; publicatienummer
2003/07.
25. Gezondheidsraad. Richtlijn voor de vezelconsumptie. Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatienummer 2006/03.
26. Gezondheidsraad. Richtlijnen Goede Voeding 2006.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatienummer 2006/21.
27. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M.
Consensus over de Nederlandse norm voor gezond
bewegen. TSG. 2000 78 180-3.
28. Nederlandse Diabetesfederatie (NDF). Voedingsrichtlijnen bij Diabetes. NDF: Amersfoort, 2006.
29. Tump, A. Dieetbehandelingsrichtlijn hyperlipidemie
(hypercholesterolemie en/of hypertriglyceridemie).
In: Dieetbehandelingsrichtlijnen. Maarssen: Elsevier
Gezondheidszorg, 2007.
30. He FJ, MacGregor GA. Effect of modest salt reduction on bloodpressure: a meta-analysis of randomized trials. Implications for public health. J Hum
Hypertens. 2002 16:761-70.
31. Bommel EFH van. Zoutgevoeligheid en hypertensie.
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003 Feb 8;147(6).
32. Voedingscentrum. Richtlijnen voedselkeuze, 1 maart
2011.
33. Van Rossum et al. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010.
34. RIVM rapport 350050007/2012 C.T.M. van Rossum | E.J.M. Buurma-Rethans | H.P Fransen | J. Verkaik-Kloosterman | M.A.H. Hendriksen
Download