DE ENKELVOUDIGE ZIN Hoe een enkelvoudige zin herkennen? Een

advertisement
DE ENKELVOUDIGE ZIN
Hoe een enkelvoudige zin herkennen?
Een enkelvoudige zin heeft maar één persoonsvorm. Die persoonsvorm kan wel
samengesteld zijn.
Bv. Seppe heeft gisteren een zeer goede wiskundetoets gemaakt.
Robbe en Xander zullen morgen een zeer goede wiskundetoets maken.
Onderwerp en gezegde
Elke zin kan in twee hoofdbestanddelen opgesplitst worden:
1. Het onderwerp (O) (die –of datgene over wie/waarover iets gezegd wordt);
2. Het gezegde (G) (wat er over dat onderwerp gezegd wordt).
Tip 1:
De volgende vormen van het persoonlijk voornaamwoord zijn ALTIJD onderwerp: ik, jij,
zij en wij.
De vormen “je” en “ze” kunnen ook een andere functie hebben.
Bv. Ik/ heb ze daar gisteren ontmoet.
O
Jij/ hebt ze daar gisteren ontmoet.
O
Tip 2:
Het onderwerp staat dikwijls, maar niet altijd, in het begin van de zin. Let dus op bij
inversie.
Bv. Gisteren heeft /mijn zus/ haar vriendin naar de trein gebracht.
Oefening 1: Splits de volgende zinnen in onderwerp en gezegde. Duid ze ook
aan.
1. De gids excuseerde zich voor het ongemak.
onderwerp:
wwg:
2. De Titanic verging in de nacht van 14 op 15 april met man en muis.
onderwerp:
wwg:
3. In minder dan drie jaar betaalde de zakenman zijn lening af.
onderwerp:
wwg:
4.
Het kleutertje wendde zich tot de juffrouw.
onderwerp:
wwg:
5.
De onfortuinlijke man zat na de brand met de handen in het haar.
onderwerp:
wwg:
6. Vader was rustig in zijn krant aan het lezen.
onderwerp:
wwg:
7. Woensdagmiddag mag kleine Emiel bij zijn buurmeisje gaan spelen.
onderwerp:
wwg:
8. Wassen jullie zich in dat vies beekwater?
onderwerp:
wwg:
9. Nadien heeft de bakker onmiddellijk de hulpdiensten verwittigd.
onderwerp:
wwg:
10. Moeder zat in het schemerlicht aan haar jurk te naaien.
onderwerp:
wwg:
Opdracht 2b.
Enkele moeilijke gevallen:
In sommige zinnen staat geen onderwerp.
Meestal kan je het onderwerp er dan wel bij bedenken.
Vb:- Leer elke avond goed je lessen.
1. Eet meer fruit .
2. Let op dat je niet ziek wordt.
...............
3. Pas op!
4. Drink coca cola!
Onderwerp en persoonsvorm
De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord. Je vindt de PV door een janee-vraag te stellen. In zo’n vraag

Staat de PV op de eerste plaats

Komt het onderwerp meestal op de tweede plaats
BV. Die vlijtige leerling ging onmiddellijk aan de slag.
 Ging/ die vlijtige leerling onmiddellijk aan de slag?
Onderwerp en PV horen samen. Als je het onderwerp van getal verandert (enkelvoud
wordt meervoud of omgekeerd), dan verandert de PV mee.
BV. Dit jaar speelt één van de belangrijkste rockgroepen in Werchter
Dit jaar spelen alle belangrijke rockgroepen in Werchter.
1. Duid onderwerp en werkwoordelijk gezegde aan. Pas op: er zijn wat addertjes
onder het gras!
Enkele vogels liggen stil.
Ze worden door een jongen weggehaald.
Ze zijn dood.
Het schuim mag maar heel even op hun verenpak blijven.
Het wordt meteen weer weggespoeld met een
warmwaterstraal.
Zullen we alle vogels kunnen redden?
Verdelen in zinsdelen
Zinsdeel
Een zin bestaat uit verschillendde woorden. Woorden die bij elkaar horen, vormen een
woordgroep. Die woordgroepen noemen we zinsdelen/
Een zinsdeel kan bestaan uit

Een enkel woord (bv.: ‘geld’ in ‘Ik won geld.’)

Een woordgroep (bv.: ‘de mooie hoofdprijs’)

Een woordgroep met een PV (bv.: ‘De prijs die door de sponsor geschonken werd.’
= zin).
Tip:
Zoals je in het laatste voorbeeld ziet, kan een zinsdeel bestaan uit een volledige
zin. In dat geval vormden de zinsdelen een samengestelde zin. We gaan daar niet
verder op in. De samengestelde zin komt in hoofdstuk 3 uitgebreid ter sprake.
Je kunt een zinsdeel voor de persoonsvorm plaatsen, zonder de betekenis van de
zin te veranderen.
Bv. Nathan kwam die morgen veel te laat aan.
Die morgen kwam Nathan veel te laat aan.
Uit hoeveel zinsdelen bestaan volgende zinnen?
1. Ik heb laatst een boek over de huwelijksgebruiken in de middeleeuwen
gelezen.
2. Over de huwelijksgebruiken in de middeleeuwen heb ik laatst een boek
gelezen.
3. Zij is even ondeugend geworden als haar broertje.
4. Mijn man heeft gisteren je vriend ontmoet die al een tijdje spoorloos is.
5. De door zijn vrouw getergde man heeft op de hulp gewacht die hem
beloofd was.
6. Op de etiketten van alle Carbonell-producten is een zigeurnmeisje uit
Cordoba te zien: ‘La Gitana’.
Werkwoordelijk gezegde
Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden samen vormen het werkwoordelijk gezegde.
Hoe kan zo’n werkwoordelijk gezegde eruitzien?
1. PV zonder aanvulling

Ik slaap. (WWG)
2. PV + één of meer werkwoorden

Ik zal slapen
PV + INF

Ik lig te slapen
PV +
te+ INF

Ik ben aan het slapen.
PV+ aan het+INF

Ik zal liggen slapen.
PV + INF + INF

Ik heb geslapen.
PV + VD

Ik zal geslapen hebben.
PV + VD + INF
3. PV + een niet-werkwoordelijk deel



Ik kijk uit.
= PV + AD
Ik was mij / Hij scheert zich
=PV + vnw.
PV + vnw.
De dief leip tegen de lamp.
= PV + WU
Oefening 1. Duid het werkwoordelijk gezegde aan.
1. Kijk uit!
2. Hij schaamt zich voor zijn rode hoofd.
3. Ik ben na gaan denken door dat ongeluk.
4. Mijn moeder hangt het schilderij op.
5. Wat hebben jullie je vreselijk aangesteld!
6. De directeur heeft hen flink de mantel uitgeveegd.
7. De milieuactivisten bonden zich vast aan de railing van de tanker.
8. 's Avonds zit ik altijd televisie te kijken.
9. Marion zou me gistermiddag opbellen.
Naamwoordelijk gezegde (NWG)
Het naamwoordelijk gezegde drukt een eigenschap of een toestand van het onderwerp
uit. Het werkwoordelijk deel bestaat uit een koppelwerkwoord.
Bv. Die reclameborden zijn alleen maar goed om er de papiercontainer mee te
vullen.
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit twee delen:

Een werkwoordelijk deel (WWD) = koppelwerkwoord;

Een naamwoordelijk deel of predicaatsnomen (NWD of PN).
Opdracht: vul aan wat het onderwerp is. Is het werkwoordelijk gezegde
(schrijf: 1) of naamwoordelijk gezegde(schrijf: 2)?
1. De hele familie zit gezellig aan tafel.
Onderwerp :
ww.gez. of nw.gez.(2) :
2. Op de radio hoorde Luk een heel mooi liedje.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
3. Wenend eet de stoute jongen zijn bord leeg.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
4. Zij is een pientere meid.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
5. Misschien wordt de grote man wel directeur.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
6. Of hij wordt eerste minister.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
7. Dan is hij de baas van het land.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
8. Iedereen moet naar hem luisteren.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
9. En de jongen zal nooit meer naar school kunnen gaan.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
10. De kleuters willen alles weten over de poes.
Onderwerp :
ww.gez.(1) of nw.gez.(2) :
Het lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp ondergaat de handeling
Om een lijdend voorwerp te vinden, stel je de vraag:
Wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + ….
Bv.: De dokter gebruikte zijn stethoscoop.
Wat gebruikte de dokter?
Het antwoord is: zijn stethoscoop: LV.
1. In de bibliotheek van Deinze stelde Bart Moeyaert gisteren zijn pas verschenen
roman voor.
lv:
2. Hij bood haar zijn plaats aan.
lv:
3. Die overname betekende een nieuwe start voor onze firma.
lv:
4. Wij verkopen dit product niet.
lv:
5. Interpol zoekt de misdadiger al vele jaren.
lv:
6. Ik moet mijn rijexamen nog afleggen. En jij?
lv:
7. Heeft u uw kasticket nog?
lv:
8. Ik moest vorige week zelf de lekke autoband verwisselen.
lv:
9. In deze winkel kun je computers kopen aan zeer gunstige prijzen!
lv:
10. Wil iemand snel de dokter halen?
lv:
Het meewerkend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Een meewerkend voorwerp duidt aan wie of aan wie de handeling bedoeld is. Meestal
gaat het om een levend wezen. En ook meestal komt het voor in een zin die ook een
lijdend voorwerp bevat.
Om een meewerkend voorwerp te vinden, stel je de vraag
Aan wie/ voor wie
+ WWG + onderwerp + .. ?
Aan wat/ voor wat
In dit tekstje staan vier meewerkende voorwerpen. Noteer die samen met
het nummer van de zin waarin ze voorkomen.
1. Voor dat vroege uur was het al behoorlijk druk in de kantine. 2.Karen bestelde
twee koeken. 3.Het meisje achter de toonbank gaf ze haar met een vermoeid
glimachje. 4.Karen kende haar alleen van gezicht. 5.‘Oh, ik heb geen geld bij me’,
zei Karen spijtig, ‘stom van me’. 6. Ze stootte Aiden aan. 7.‘Kun je me twee euro
lenen?’ 8.Aiden keek haar geprikkeld aan. 9. Zuchtend schoot hij zijn vriendin het
geld woord. 10. Uit ervaring wist hij dat ze hem dat geld nooit meer zou
teruggeven.
1. ……………………………………………………………………………………………………………………..
2. ……………………………………………………………………………………………………………………..
3. ……………………………………………………………………………………………………………………..
4. ……………………………………………………………………………………………………………………..
Het voorzetselvoorwerp
Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een vast voorzetsel, m.a.w. een voorzetsel dat
vast bij een bepaald werkwoord hoort; je kunt er (in die betekenis van het werkwoord)
geen ander bij gebruiken. Bij een voorzetselvoorwerp mag je het voorzetsel meestal
niet letterlijk nemen.
Bv. gewoon zijn aan, schuilgaan achter, betrokken zijn bij, toestemmen in, dwepen met,…
De bijwoordelijke bepaling (BWB)
Bijwoordelijke bepalingen zijn verdere aanvullingen in de zin. Als je ze weglaat, houd je
toch nog een zin over.
Om een bijwoordelijke bepaling te vinden, stel je de vragen:

Waar

Wanneer

Hoe

Waarheen

Waarmee

Hoeveel

Hoe vaak
Oefening 1: In welk van de volgende zinnen is het onderstreepte deel een
bijwoordelijke bepaling? Noteer die telkens in de antwoordruimte na de oefening.
1. De regen stroomde over de voortuin van de auto.
2. Water klom als grellige slangetjes omhoog.
3. De ruitenwissers maaiden ze steeds weg.
4. In de berm van de snelweg doken af en toe verkeersborden op.
5. Ze waren spookachtig wit en rood.
6. De bomen langs de weg reikten ver uit met lange, druipnatte takken.
7. Februari hoorde een kalme, grijze maand te zijn.
8. Nu werd hij overheerst door te vroege lentestormen.
1. ………………………………………………………………………………………………..
2. ………………………………………………………………………………………………..
3. ………………………………………………………………………………………………..
4. ………………………………………………………………………………………………..
5. ………………………………………………………………………………………………..
6. ………………………………………………………………………………………………..
7. ………………………………………………………………………………………………..
8. ………………………………………………………………………………………………..
Maak nu de diagnostische test!
Scoorde je…

Tussen 0 en 10 op 20,
remedieer jezelf dan vanaf fase 1

Tussen 11 en 14 op 20
remedieer jezelf dan vanaf fase 2

Tussen 15 en 18
remedieer jezelf dan vanaf fase 3

Vanaf 18 en meer
remedieer jezelf dan vanaf fase 4
Download