9 - Engels proefwerkweek 3!

advertisement
§ 9.1: voeren van 2 wereldoorlogen, verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door
massavernietigingswapens en betrokkenheid van burgerbevolking bij oorlogvoering.
Eerste Wereldoorlog (1914-1918) ging tussen de Centralen (Duitsland, Italië en OostenrijkHongarije) en de Geallieerden (Engeland, Rusland, Frankrijk). 4 oorzaken waren:
1) nationalisme; snel troepentransport i.v.m Blitzkrieg
2) imperialisme/kolonialisme; spanningen
3) wapenwedloop; als gevolg van industrialisatie
4) bondgenootschappen; vijandigheid
Aanleiding was echter de moord op Franz Ferdinand door Gavrilo Princip. Er vond een
domino-effect plaats waardoor alle landen bij de oorlog betrokken raakte. In Europa bleven
Spanje en Nederland neutraal.
In de dubbelmonarchie, Oostenrijk-Hongarije, was een nationaliteitenprobleem: veel
verschillen tussen de volkeren.
Gebaseerd op het Von-Schlieffenplan wilden de Duitsers Frankrijk veroveren door een
Blitzkrieg (=bliksemschicht) en vervolgens zouden die troepen in het oosten Rusland
veroveren. Doel was een tweefrontenoorlog voorkomen. Front liep echter vast voor Parijs en
de Blitzkrieg werd een Sitzkrieg. Soldaten gingen zich ingraven > loopgravenoorlog.
1917 was een keerpunt in de oorlog omdat:
- de VS werd erbij betrokken (bij geallieerden) door duitse onbeperkte duikbotenoorlog die
bedoeld was om de Engelse blokkades te doorbreken.
- het communisme in Rusland aan de macht kwam op 3 maart 1918 en de vrede van BreskLitovsk werd getekend.
- Duitsland uitgeput raakte (grondstoffen, materieel, financieel, manschappen) en de
legerleiding gaf de macht aan de burgerregering (Dolkstootlegende, Von Hindenburg).
Wilhelm II vluchtte naar Nederland en Duitsland werd de Weimarrepubliek.
Einde was op 11-11-1918 om 11:00. Er waren 35.043.826 slachtoffers gevallen. Waarom
zoveel: gifgas, tanks, vliegtuigen, onderzeeboot, mitrailleurs. Soldaten waren kanonnenvoer.
§9.2: de crisis van het wereldkapitalisme.
Na WOI werd de VS de nieuwe industriële + economische wereldmacht. In de roaring
twenties steeg de welvaart door de technologische ontwikkelingen en de massaproductie
(Ford was de eerste fabriek met lopende band). Gevolg was grote stijging aandelenkoersen.
Amerikanen gingen geld lenen om aandelen te kopen met als onderpand een gekocht aandeel.
Risico was, dat als de koersen zouden dalen, je schuld had. Op Zwarte Donderdag, 24
oktober 1929, startte de aandeelkoersen in.
Banken eisten hun leningen op en grote beleggers verkochten daarom snel hun aandelen.
Koersen daalden nog verder en ook kleine beleggers verkopen hun aandelen, met verlies.
Koersen dalen nog verder en banken gaan failliet doordat leningen niet meer opeisbaar zijn.
Het dalen van de koersen ging door tot 1932. Daar kwam de overproductie van de landbouw
en industrie nog bij. Prijzen daalden > faillissement > werkeloosheid. In 1933 was 1/3e van
de bevolking werkeloos. Een sociaal stelsel ontbrak, wat als gevolg armoede had en de crisis
verpletterde het wereldkapitalisme.
Eerst deed men niks: de natuur herstelt de economie zelf. Later kwamen er maatregelen:
-protectionisme (tariefmuren, verbod op export van grondstoffen)
-loslaten van gouden standaard + devaluatie (waardevermindering van de munt)
-voorraden verkopen
-uitkeringen geven
Roosevelt kwam met de New Deal waardoor de economie aantrok en de werkeloosheid
daalde:
a) staatsleningen voor banken
b) sociale uitkeringen
c) openbare werken
The red man in the white house: maatregels waren socialistisch ipv kapitalistisch.
De hele wereld werd getroffen door de economische crisis, behalve de Sovjet-Unie. Zij waren
communistisch, hadden geen kapitalistisch systeem en weinig banden met het westen.
Colijn (ARP) hield in Nederland vast aan de gouden standaard en verergde daarmee de crisis
hier. In 1935/36 bereikte Nederland haar dieptepunt.
§9.3: het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën: communisme + nat.-socialisme.
leider:
macht:
doel:
kleur:
symbool:
gericht:
Communisme (S.U)
Lenin 1917 - 1924
Stalin 1928 - 1953
‘Vozjd’
door staatsgreep in
1917
Facisme (Italië)
Mussolini 1922 - 1943
Nat.-socialisme (Du)
Hitler 1933 - 1945
‘Duce’
na Mars op Rome 1922
greep Mussolini de
macht
wereldrevolutie waar
arbeiders gaan heersen
o.l.v communistische
partij en zo ontstaat dan
klassenmaatschappij
rood
hamer en sikkel
arbeidersklasse
Italia Irredenta en Mare
Nostrum. Verheerlijkten
geweld, extreem
nationalistisch
‘Führer’
Hitler + NSDAP pleegden
mislukte staatsgreep in
1923, 31-1-1933 komt
Hitler legaal aan de macht
Lebensraum creeëren,
joodse ras vernietigen.
Hanteerden rassenleer.
zwarthemden
soldaten uit WOI
bruinhemden
hakenkruis
arbeidersklasse
Dictatuur  totale controle op handelen van een gemeenschap
Totalitarisme  totale controle op maatschappij incl. handelen, denken, en voelen (politiek,
cultureel, relegieus). 6 kenmerken van het totalitarisme:
1. geheime politie (bijv. Gestappo)
2. controle op massamedia
3. individu is ondergeschikt en dient toegewijd te zijn aan ideologisch ideaal
4. een-leiderprincipe (dus hiërarcisch geordende samenleving)
5. eenpartijstelsel (anti-parlementaire democratie)
6. indoctrinatie (via massaorganisaties op jeugd en volwassenen)
Totalitair Duitsland
-particulier bedrijfsleven + privébezit
toegestaan
-vermoordde politieke tegenstanders en
minderwaardige mensen (aan Arisch ras)
Totalitaire Sovjet-Unie
-niks is privé, alles van de staat
-iedereen had wat te vrezen (collectivisatie,
vijfjarenplannen, Grote Terreur)
Stalin wilde zelfstandige boeren liquideren als ze een vijand van de staat waren. Hij zette
arme boeren tegen rijken op en richtte collectieve boerderijen op.
§9.4: rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen massaorganisaties
Propaganda  verspreiden van ideeën, beïnvloeden van meningen. In totalitaire staten was
het een onmisbaar iets, zo werd de bevolking bewogen en werden tegenstellingen benadrukt.
Kracht van propaganda zit in herhaling van de boodschap. Dat leidt tot indoctrinatie. Nog
effectiever wordt het in combinatie met geweld en onderdrukking.
Het wordt gezien al bijverschijnsel van democratisering: je wilt de massa voor je winnen, je
ideologie verheerlijken en de vijand verdacht maken.
Nieuwe communicatiemiddelen waren radio en tv, ook gebruikt voor propaganda.
Massaorganisaties moesten voor gelijkschakeling zorgen. Iedereen moest een radartje
vormen van het nationalistisch geheel. (Arbeitsfront - du, Hitlerjugend - du, Komsomol - su)
§9.5: vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.
Imperialisme: machtsuitbreiding en gebieden controleren over heel de wereld.
In Brits-Indië (= India) streefde Mahatma Gandhi (1869-1948) naar een zelfstandige
nationale staat met gelijke rechten voor alle inwoners. Hij was in Engeland opgeleid, westers.
Verzet:
-hij was een hindoestaan, hing dus de grootste religie aan in zijn land
-deed aan vasten, indrukwekkend
-als kleding droeg hij een lendendoek
-geweldloos verzet
-negeerde britse wetten en boycotte britse producten
In 1930 werd India grotendeels zelfstandig, in 1947 helemaal als Hindoestaat. In 1948 werd
Gandhi vermoord.
Situatie in Nederlands-Indië (=Indonesië):
1918 - verlangen naar zelfstandigheid bij westers opgeleide elite, raciale ongelijkheid en
sociale onrust
1920 - communisme (anti-imperialistisch) was een gevaar voor Nederland
1926 - communistische opstand
1927 - opstand neergeslagen door KNIL, harde repressie volgt
- Partai Nasional Indonesia (PNI) opgericht, wilde onafhankelijkheid bereiken met
massapropaganda en non-coöperatie
1929 - sociale onrust volgt op de wereldcrisis
1933 - muiterij op ‘De Zeven Provinciën’, nationalistische leiders werden naar ballingsoorden
gestuurd. De Jonge + Colijn wilden Indonesië geen zelfstandigheid geven
§9.6: zelfde als 9.1
Hitler’s doel van WOII: vernietigen verdrag van Versailles. (aanhanger dolkstootlegende)
Britse politiek > appeasement, omdat:
-deel van Duitse eisen rechtvaardig was
-WOI teveel slachtoffers had, niemand wilde nog een oorlog
-interne problemen Brits Rijk (Indië)
-door wereldcrisis geen geld voor oorlog
Duitsland en de Sovjet-Unie sluiten Molotov-Ribbentroppact: een non-agressiepact dat een
tweefrontenoorlog moet voorkomen.
1 sept. 1939: WOII begint, Duitsland valt Polen binnen
mei 1940: Duitsland pleegt geslaagde Blitzkrieg en valt Noorwegen, Nederland, Denemarken,
België, Luxemburg en Frankrijk binnen.
Battle of Britain: luchtoorlog Royal Air Force <> Luftwaffe (10 juli - 31 okt 1940)
Operatie Barbarossa: aanval Duitsland op Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Duurde slechts tot 6
december wegens strenge winter, aanval afgeslagen bij Moskou.
Keerpunten in de oorlog:
7 dec 1941: Japanse aanval op Pearl Harbor, Hitler verklaart oorlog aan VS
31 jan 1943: Duitse troepen geven zich over bij Stalingrad
6 juni 1944: D-day, geallieerde troepen in Normandië
WOII was een totale oorlog. De gevechten vonden niet alleen plaats op het slagveld, ook in
dorpen en steden. Slachtoffers waren niet alleen soldaten, ook burgers. Daarnaast voerde de
Duitsers in het oosten een vernietigingsoorlog. Einsatzgruppen werden daarmee belast.
Geallieerden maakten ook burgerslachtoffers door bombardementen op duitse troepen en
atoombommen op Hirosjima en Nagasaki.
§9.7: racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in bijzonder op joden.
Genocide op joden: holocoast (brandoffer) of Shoah (vernietiging)
De Schutzstaffel (SS) was verantwoordelijk voor de Endlösung der Judenfrage
(eindoplossing voor het joods vraagstuk)
Kristallnacht - 9/10 november. Winkels kapot en synagogen verwoest.
Rond 1941 worden eerste vernietigingskampen aangelegd (bijv. Belzec, Sobibor, Treblinka,
Chelmno, Majdanek, Auschwitz-Birkenau). Massamoord begon vroeg in 1942.
Kampen waren vooral in Polen om niks te laten merken aan Frankrijk en Engeland en eigen
land niet vuil te maken.
§9.8: de Duitse bezetting van Nederland
10 mei 1940: Duitsland valt Nederland binnen (Venlo)
13 mei 1940: Wilhelmina vlucht naar Engeland
14 mei 1940: bombardement op Rotterdam
15 mei 1940: Nederland geeft zich over. Syss-Inquart wordt rijkscommissaris.
Duitsers gedroegen zich uiterst correct. Nederlanders waren stamverwant, verbonden door
Germaans bloed. Op den duur zouden zij achter de Duitsers staan. Houding daalde. In
Nederland zag je 3 reacties op de bezetting:
1) collaboratie - samenwerken, NSB o.l.v Anton Mussert
2) accommodatie - aanpassing, loyaliteitsverklaring, Nederlandse Volksunie
3) verzet - tegenwerken, onderduikers helpen, aanslagen plegen, illegalen kranten
Na inval op S-U op 22 juni 1941 verwachtte Duitsland van Nederland een actieve steun. Die
bleef uit en de houding verhardde:
-Nederlandse Volksunie verboden
-Vanaf 1942 Joden weggevoerd
-300.000 Nederlanders huis verlaten i.v.m bouw van verdedigingslinie
-500.000 mannen opgeroepen tot dwangarbeid in Duitsland, 350.000 ondergedoken
-auto’s en fietsen in beslag genomen, radio’s ook
Zo vormden zich tekorten op allerlei gebieden.
Bevrijding van Zuid-Nederland was Operation Market Garden. Codenaam voor geallieerd
offensief in september 1944 (parachutisten). Doel: vanaf Nederlandse zuidgrens in één keer
doorstoten naar Arnhem. Daarmee zouden alle waterwegen op weg naar het Ruhrgebied
(industriële hart van Duitsland) overgestoken zijn.
Market: grootschalige luchtlanding, Garden: grondoffensief vanuit België.
Holland en Utrecht moesten de hongerwinter nog doorkomen. Mensen gingen op
hongertocht: op zoek naar eten, ruilen, ook ver weg.
Antisemitisme: vijandigheid tegen Joden. In geschiedenis waren meerdere pogroms;
geweldadige uitbarstingen tegen hen. Duitsers wilden joden vernietigen.
Bezetting: toestand waarin legermacht een gebied is binnengetrokken en onder bedwang
houdt.
Communicatiemiddelen: alles om informatie mee over te brengen.
Communisme: radicale politieke stroming die particulier bezit van productiemiddelen wil
afschaffen. Gemeenschappelijk bezit. Gebaseerd op Marx en Lenin, ook marxisme-leninisme.
Crisis: ernstige verslechtering, economische crisis van 1929 tot WOII.
Discriminatie: onderscheid maken tussen groepen mensen om die groep buiten te sluiten of
achter te stellen. Nazi’s deden aan rassendiscriminatie.
Facisme: verzamelnaam extreem-nationalistische ideologieën en stromingen die geweld
verheerlijkten, krachtig leiderschap, antidemocratisch en anticommunistisch. Mussolini
stichtte het. Woord komt van faces = staatsmacht van Romeinse Rijk.
Genocide: volkerenmoord, systematische uitroeiing van volk of groep.
Ideologie: geheel van opvattingen over de maatschappij. Schrijft voor/zegt hoe het moet zijn.
Massaorganisatie: mensen sluiten zich erbij aan en moeten opvattingen van regime aan het
volk overbrengen.
Massavernietigingswapens: doden grote aantallen mensen (gifgas WOI, atoombom WOII)
Nationaalsocialisme: nazisme, variant facisme. Verschilt in rassenleer.
Propaganda: verspreiden van ideeën, beïnvloeden van meningen. (totalitaire staten)
Racisme: onwetenschappelijke opvatting dat de wereldbevolking verdeeld kan worden in
rassen, het ene superieur aan het andere, en dat er daarom mag worden gediscrimineerd.
Totalitarisme: politiek systeem met totale controle op maatschappij.
Wereldoorlog: oorlog waarbij een groot aantal volkeren en meerdere werelddelen bij
betrokken zijn.
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Test

2 Cards oauth2_google_0682e24b-4e3a-44be-9bca-59ad7a2e66a4

Create flashcards