Grammaticaoverzicht - Uitgeverij Coutinho

advertisement
Taaltalent – deel 3
Methode Nederlands voor midden- en
hoogopgeleide anderstaligen
Grammaticaoverzicht
Katja Verbruggen
Henny Taks
Eefke Jacobs
u i t g e v e r ij
coutinho
bussum 2016
c
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
Dit grammaticaoverzicht hoort bij de tweede, herziene druk van Taaltalent – deel 3 van
Katja Verbruggen, Henny Taks en Eefke Jacobs.
© 2012/2014 Uitgeverij Coutinho bv
Alle rechten voorbehouden.
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze
uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar
gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op
grond van artikel 16 h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl).
Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere
compilatiewerken (artikel 16h Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.
stichting-pro.nl).
Uitgeverij Coutinho
Postbus 333
1400 AH Bussum
[email protected]
www.coutinho.nl
Noot van de uitgever
Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of
instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te
nemen met de uitgever.
ISBN 978 90 469 0391 9
NUR624
2 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
Inhoud
I
Grammatica op woordniveau
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
II
Grammatica op zinsniveau
Het lidwoord
Het zelfstandig naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord
De vergrotende trap
De overtreffende trap
Het voornaamwoord
Bezittelijke voornaamwoorden en bezittelijke constructies
Het wederkerig voornaamwoord
Het voorzetsel
alle, alles, allemaal en al
1 De hoofdzin
2 De gebiedende wijs
3 er + onbepaald onderwerp
4 De passieve zin
5 Het gebruik van zou en zouden
5.1
zou(den) + vriendelijke vraag
5.2
zou + advies
6 Samengestelde zinnen
6.1 Samengestelde zinnen met een nevenschikkend voegwoord
6.2 Samengestelde zinnen met een onderschikkend voegwoord
6.3 De indirecte rede
6.4 De indirecte vraag
6.5 De betrekkelijke bijzin met die of dat
6.6 De betrekkelijke bijzin met een voorzetsel 3 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
I
Grammatica op woordniveau
1
Het lidwoord
Het lidwoord combineer je met woorden voor mensen, dingen, dieren en plaatsen.
2
bepaald lidwoord enkelvoud
onbepaald lidwoord enkelvoud
de kop
het boek
een kop
een boek
bepaald lidwoord meervoud
onbepaald lidwoord meervoud
het boek – de boeken
de kop – de koppen
een boek – boeken
een kop – koppen
verkleinwoorden enkelvoud
verkleinwoorden meervoud
het boekje
het kopje
de boekjes
de kopjes
Het zelfstandig naamwoord
Het zelfstandig naamwoord is een woord waar vaak een lidwoord (de, het of een) voor
staat. Je gebruikt het bijvoorbeeld voor mensen, dingen, dieren en plaatsen. Let op de
spelling van zelfstandige naamwoorden in het meervoud.
korte klanken – meervoud
lange klanken – meervoud
de kop – de koppen
de bal – de ballen
het bed – de bedden
de bus – de bussen
de vis – de vissen
de boom – de bomen
de naam – de namen
de week – de weken
de buur – de buren
het bier – de bieren
woorden met een -f
woorden met een -s
de brief – de brieven
het huis – de huizen
woorden met -heid
onregelmatig
de mogelijkheid – de mogelijkheden
de moeilijkheid – de moeilijkheden
het kind – de kinderen
het ei – de eieren
de stad – de steden
het glas – de glazen
4 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
3
Het bijvoeglijk naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord gebruiken we om iets te zeggen over een zelfstandig naamwoord.
na het zelfstandig naamwoord
voor het zelfstandig naamwoord
De stoel is groen.
Het boek is dik.
De man is groot.
Het meisje is mooi.
de groene stoel
het dikke boek
de grote man
het mooie meisje
Let op de spelling van het bijvoeglijk naamwoord:
woorden met een korte klank
woorden met een lange klank
dik – dikke
dom – domme
groot – grote
kaal – kale
woorden met een -f
woorden met een -s
lief – lieve
braaf – brave
boos – boze
dwaas – dwaze
Als het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord staat, krijgt het meestal
een e aan het eind.
+e
+e
+e
geen e!
de mooie vrouw
de lieve baby
de grote auto
de groene stoel
een mooie vrouw
een lieve baby
een grote auto
een groene stoel
het mooie meisje
het lieve kind
het grote huis
het groene boek
een mooi meisje
een lief kind
een groot huis
een groen boek
Sommige bijvoeglijke naamwoorden krijgen nooit een extra e. Dat zijn de bijvoeglijke
naamwoorden die eindigen op -a, -e, -i, -o, -y en -en.
Voorbeelden:
de prima buurt
het oranje huis
de kaki pet
de retro stoel
de sexy vrouw
de open deur
het gebakken ei
5 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
4
De vergrotende trap
Als je twee dingen of mensen met elkaar vergelijkt, verandert het bijvoeglijk naamwoord.
bijvoeglijk naamwoord +er
bijvoeglijk naamwoord +der
groot – groter (dan)
klein – kleiner (dan)
hoog – hoger (dan)
laag – lager (dan)
dik – dikker (dan)
duur – duurder (dan)
ver – verder (dan)
zuur – zuurder (dan)
donker – donkerder (dan)
lekker – lekkerder (dan)
onregelmatig
veel – meer (dan)
weinig – minder (dan)
graag – liever (dan)
goed – beter (dan)
De vergrotende trap staat soms ook voor een zelfstandig naamwoord. Dan gelden dezelfde regels als voor het bijvoeglijk naamwoord.
5
de-woorden
het-woorden
de grotere man
een grotere man
het grotere kind
een groter kind
De overtreffende trap
De overtreffende trap gebruiken we (net als de vergrotende trap) om zaken met elkaar te
vergelijken. De overtreffende trap wordt gevormd door -st achter het bijvoeglijk naamwoord te plaatsen.
regelmatig
bijvoeglijk naamwoord
vergrotende trap
overtreffende trap
groot
klein
hoog
laag
groter
kleiner
hoger
lager
grootst
kleinst
hoogst
laagst
bijvoeglijk naamwoord
vergrotende trap
overtreffende trap
goed
veel
weinig
graag
beter
meer
minder
liever
best
meest
minst
liefst
onregelmatig
6 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
De overtreffende trap staat soms ook voor een zelfstandig naamwoord. Dan gelden weer
dezelfde regels als voor het bijvoeglijk naamwoord.
de-woorden
het-woorden
de grootste man
(een grootste man)
het grootste kind
(een grootst kind)
We gebruiken bij de overtreffende trap bijna altijd de of het en bijna nooit een.
Wanneer de overtreffende trap niet voor een zelfstandig naamwoord staat, komt er altijd
het voor de overtreffende trap te staan.
Voorbeelden:
Deze man is het grootst.
Dit kind is het grootst.
6
Het voornaamwoord
Het voornaamwoord is een woord om naar personen of dingen te verwijzen.
onderwerp
niet-onderwerp
bezittelijk
wederkerend
1
ik
me, mij
mijn
me
2
je, jij
u
je, jou
u
je, jouw
uw
je
u, zich
3
hij
ze, zij
het, dat
hem
haar
het
zijn
haar
zich
zich
1
we, wij
ons
ons, onze
ons
2
jullie
jullie
jullie, je
je
3
ze, zij
ze, hen, hun
hun
zich
Voorbeelden:
onderwerp
Ik woon in Amsterdam.
niet-onderwerp
Hoe gaat het met jou?
bezittelijk
Dit is mijn boek.
wederkerend
Ik was me iedere dag.
7 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
7
Bezittelijke voornaamwoorden en bezittelijke constructies
Met deze woorden zeg je van wie iets is.
onderwerp
bezittelijk voornaamwoord
bezittelijke constructie
ik
mijn
die/dat van mij
je, jij
je, jouw
die/dat van jou
u
uw
die/dat van u
hij
zijn
die/dat van hem
ze, zij
haar
die/dat van haar
we, wij
ons, onze
die/dat van ons
jullie
jullie
die/dat van jullie
ze, zij
hun
die/dat van hen
In de constructie dat/die van … gebruik je dat voor het-woorden en die voor de-woorden.
Voorbeelden:
het huis
Mijn huis is groter dan dat van jou.
de schoenen
Deze schoenen zijn goedkoper dan die van mij.
Je kunt ook de naam van de persoon gebruiken om te zeggen van wie iets is.
+s
+ ’s
+’
Peters huis
Annekes huis
Wims huis
Carla’s huis
Josi’s huis
Otto’s huis
Jos’
Beatrix’
Aziz’
8 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
8
Het wederkerig voornaamwoord
We kennen het wederkerend voornaamwoord en het wederkerig voornaamwoord.
wederkerend voornaamwoord
wederkerig voornaamwoord
Ik stel me voor.
Hij wast zich.
Ze kleden zich aan.
We zien elkaar.
Jullie kussen elkaar.
Ze geven elkaar een hand.
Elkaar is een wederkerig voornaamwoord en betekent: de ene persoon ↔ de andere persoon.
9
Het voorzetsel
Het voorzetsel is een woord dat meestal voor het lidwoord en zelfstandig naamwoord
staat. Het voorzetsel kan de positie van een ding of persoon aangeven.
jaren, maanden, dagen en tijden
in
op
om
in 2012
in februari
in de zomer
in de avond
op maandag
op mijn verjaardag
om elf uur
om middernacht
in
op
bij
in de supermarkt
in het ziekenhuis
in de bibliotheek
op kantoor
op school
op het vliegveld
op het station
bij de universiteit
bij de overheid
bij een bedrijf
(werk)plaatsen
9 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
10
alle, alles, allemaal en al
Met alle, alles, allemaal en al zeg je iets over een hele groep mensen of dingen.
alle
= al + de
voor een zelfstandig
naamwoord
Ik heb alle gegevens opgeslagen.
(meervoud)
Ik heb alle administratie gedaan.
(enkelvoud, de-woord)
alles
= alle dingen
zonder zelfstandig
naamwoord
Ik heb alles opgeslagen.
Alles werd verkocht.
allemaal verderop in de zin en in combinatie
met een zelfstandig naamwoord of
met het, dit en dat.
al
Ik heb de gegevens allemaal opgeslagen.
Deze mensen gebruiken allemaal
hetzelfde product.
Dat zijn allemaal reclames die het
gedrag van mensen moeten veranderen.
+ het
Al het geld is op!
+ bezittelijk voornaamwoord
Al mijn kleren zijn van het merk
Cecil.
+ aanwijzend voornaamwoord
Al deze auto’s zijn even veilig.
Let op: is alles het onderwerp? Dan moet je het enkelvoud gebruiken.
Voorbeelden:
Alles kost tegenwoordig zo veel.
Alles kan gemaakt worden.
10 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
II
Grammatica op zinsniveau
1
De hoofdzin
De hoofdzin heeft minimaal
■■ een onderwerp: wie doet het?
■■ een persoonsvorm (pv.): wat doet hij of zij?
In een normale hoofdzin staat het onderwerp op de eerste plaats en de pv. op de tweede
plaats.
1
onderwerp
2
pv.
3
rest
Ik
werk.
Mijn man
kookt
vanavond voor ons.
Wij
gaan
in het weekend uit eten.
Het huis
is
erg oud.
Ouderen
wonen
vaak in een bejaardenhuis.
Soms staat er nog een werkwoord in de zin. Dat werkwoord staat dan aan het eind van de
zin.
1
onderwerp
2
pv.
3
rest
4
hele werkwoord
Ik
kan
morgen niet
komen.
Zij
willen
vanavond de vuilniszak
buitenzetten.
Vaders en moeders
moeten
allebei voor de kinderen
zorgen.
De kinderopvang
zal
extra vrijwilligers nodig
hebben.
1
onderwerp
2
pv.
3
rest
4
voltooid deelwoord
Jij
hebt
gisteren niet
afgedroogd.
Jullie
zijn
vorige week op bezoek
geweest.
De vrijwilliger
heeft
naar de bewoners
geluisterd.
De ruzie
is
gelukkig goed
afgelopen.
11 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
Soms staat er op de eerste plaats een ander woord dan het onderwerp. Dan gaat het onderwerp naar de derde plaats. De pv. blijft op de tweede plaats staan.
1
2
pv.
3
onderwerp
4
rest
5
hele werkwoord/
voltooid deelwoord
Op zaterdag
doe
ik
de was.
Vanavond
kookt
mijn man
voor ons.
Misschien
bouwt
de gemeente
een nieuw zorgcentrum.
Eerst
moeten
de bejaarden
het ontbijt
krijgen.
Daarna
zullen
de verzorgers
de medicijnen aan hen
geven.
In onze stad
mogen
de winkels
tot 21.00 uur open
zijn.
Gisteren
heb
jij
niet
afgedroogd.
Bij de begrafenis
hebben
de familieleden
veel
gehuild.
Als het onderwerp op de derde plaats (na de pv.) staat, spreken we van ‘inversie’.
2
De gebiedende wijs
Als je wilt zeggen dat iemand iets (niet) moet doen, gebruik je de gebiedende wijs. Je kunt
daarvoor de stam of het hele werkwoord gebruiken.
In welke situaties gebruik je de gebiedende wijs?
bij instructies
in gevaarlijke situaties
bij opdrachten
bijvoorbeeld in recepten of in de
handleiding van een elektrisch
­apparaat
bijvoorbeeld in het verkeer
bijvoorbeeld op school
met de stam:
met de stam:
met de stam:
Doe drie liter water in een grote
pan.
Plaats de simkaart in de telefoon.
Kijk uit!
Pas op!
Keer om!
Doe niet!
Kruis aan.
Maak de zinnen compleet.
met het hele werkwoord:
met het hele werkwoord:
met het hele werkwoord:
Drie liter water in een grote pan
doen.
De simkaart in de telefoon
­plaatsen.
Uitkijken!
Oppassen!
Omkeren!
Niet doen!
Aankruisen.
De zinnen compleet maken.
12 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
Je maakt de zin vriendelijker met maar, eens en even. Je kunt deze woorden ook bij elkaar
gebruiken.
Voorbeelden:
Ga maar koffie halen!
Ga maar even koffie halen!
Ga maar eens even koffie halen!
Blijf even zitten!
Blijf maar even zitten!
Blijf maar eens even zitten!
Kom eens binnen!
Kom maar eens binnen!
Kom maar eens even binnen!
Als je tegen iemand u zegt, gebruik je meestal de formele gebiedende wijs. In deze zinnen
krijgt de pv. wel een t aan het eind en staat er wel een onderwerp in de zin (u).
Voorbeelden:
Gaat u maar zitten!
Komt u maar even binnen!
3
er + onbepaald onderwerp
Als je wilt weten wat het onderwerp is, kun je de vraag stellen: Wie of wat … (+ pv.)?
Het onderwerp kan bepaald en onbepaald zijn.
bepaald
onbepaald
met de en het:
de man, het huis
met een en zonder lidwoord:
een man, huizen
met deze, die, dit en dat:
deze man, die kerk, dit gebouw,
dat winkelcentrum
met woorden van hoeveelheid, zoals
geen, veel, sommige, drie enzovoort: geen
winkelcentrum, veel bewoners, sommige
buren, drie appartementen
met mijn, jouw enzovoort:
mijn woonplaats, jouw buurt, uw adres,
zijn buren, haar huisnummer, onze straat,
jullie woning, hun appartement
Als het onderwerp onbepaald is, gebruiken we er in de zin.
Voorbeelden:
Er is een supermarkt op de hoek van de straat.
Er wonen veel buitenlanders in mijn straat.
13 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
4
De passieve zin
Voor een passieve zin heb je minstens twee werkwoorden nodig. De persoonsvorm is een
vorm van worden en het andere werkwoord is een voltooid deelwoord.
5
actieve zin
passieve zin
Ik bak het brood.
Ze schrijft de brief.
We maken de taarten.
Hij koopt de auto’s.
Het brood wordt (door mij) gebakken.
De brief wordt (door haar) geschreven.
De taarten worden (door ons) gemaakt.
De auto’s worden (door hem) gekocht.
Het gebruik van zou en zouden
5.1 zou(den) + vriendelijke vraag
Als je iets vriendelijk of beleefd wilt vragen, kun je het woord zouden gebruiken.
enkelvoud
meervoud
zou + ik
zouden + we/wij
Zou ik ... mogen/kunnen + heel werkwoord?
Zouden we/wij ... mogen/kunnen + heel
werkwoord?
Zou ik het bonnetje mogen zien?
Zou ik in termijnen kunnen betalen?
Zouden we het bonnetje mogen zien?
Zouden we in termijnen kunnen betalen?
enkelvoud
meervoud
zou + je/u
zouden jullie
Zou je/u … willen/kunnen + heel werkwoord?
Zouden jullie … willen/kunnen +heel
werkwoord?
Zou je me willen helpen met mijn
­belastingaangifte?
Zou u me met mijn marktkraam kunnen
helpen?
Zouden jullie me willen helpen met mijn
belastingaangifte?
Zouden jullie me met mijn marktkraam
kunnen helpen?
14 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
5.2 zou + advies
Met zou of zouden kun je ook een advies geven.
zou + ik
Als ik jou was, (dan) zou ik … + heel werkwoord.
Als ik jou was, (dan) zou ik niet zoveel geld aan kleding
uitgeven.
Als ik jou was, (dan) zou ik een eigen auto kopen.
6
Samengestelde zinnen
6.1 Samengestelde zinnen met een nevenschikkend voegwoord
In het Nederlands kun je met voegwoorden van twee zinnen één zin maken.
Met de voegwoorden want, of, maar en en blijft de woordvolgorde van de eerste en van
de tweede zin hetzelfde. We noemen dit nevenschikkende voegwoorden.
hoofdzin
voegwoord
hoofdzin
Ik ga naar huis
Hij doet alles zelf
We gaan op vakantie
We gaan zaterdag naar Utrecht
want
of
maar
en
ik ben ziek.
hij vraagt hulp bij zijn verhuizing.
we hebben geen hotel geboekt.
we willen zondag voor vrienden koken.
6.2 Samengestelde zinnen met een onderschikkend voegwoord
Als we andere voegwoorden gebruiken, verandert de woordvolgorde van de tweede zin.
In de tweede zin staat het onderwerp altijd op de eerste plaats, maar de pv. staat (samen
met andere werkwoorden) aan het eind van de zin. We noemen deze voegwoorden onderschikkende voegwoorden.
hoofdzin
voegwoord
bijzin
Ik ga naar huis
Hij koopt een auto
We gaan verhuizen
omdat
omdat
omdat
ik ziek ben.
hij op vakantie wil gaan.
we een ander huis hebben gekocht.
Het onderschikkend voegwoord kan op twee plaatsen staan: aan het begin van de zin, of
in het midden van de zin. Als de zin begint met het voegwoord, krijg je in de tweede zin
inversie.
15 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
hoofdzin
voegwoord
bijzin
Ik ga naar huis
Hij koopt een auto
We gaan verhuizen
omdat
omdat
omdat
ik ziek ben.
hij op vakantie wil gaan.
we een ander huis hebben gekocht.
voegwoord
bijzin
hoofdzin met inversie
Omdat
Omdat
Omdat
ik ziek ben,
hij op vakantie wil gaan,
we een ander huis hebben gekocht,
ga ik naar huis.
koopt hij een auto.
gaan we verhuizen.
Andere onderschikkende voegwoorden (voegwoorden van tijd) zijn:
toen
Mijn interesse voor het werken bij de Wegenwacht groeide, toen ik een
keer naar de enthousiaste verhalen van een ex-collega luisterde.
sinds
Sinds ik daar werk, is mijn enthousiasme alleen maar groter geworden.
wanneer
Wanneer iemand pech met zijn auto heeft, belt hij de Alarmcentrale
van de ANWB.
als
Als ik bij de klant aankom, geef ik dat door aan de Meldkamer.
6.3 De indirecte rede
Als je zegt wat iemand anders heeft gezegd, gebruik je dat. We noemen dit de indirecte
rede. Bij de indirecte rede staat de persoonsvorm van het tweede deel van de zin aan het
einde van de zin.
hoofdzin
dat
bijzin
Ik heb van een medecursist gehoord
dat
het examen moeilijk is.
Hij zegt
dat
hij mij morgen wel kan helpen.
De boer zegt
dat
hij een koe heeft gekocht.
Mijn broer schrijft mij
dat
hij volgende week zal komen.
Hij vertelde mij
dat
hij in Spanje is geweest.
De eenzame boer zegt
dat
hij een vrouw zoekt.
In de krant staat
dat
Amsterdam de populairste stad voor
toeristen is.
16 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
6.4 De indirecte vraag
Je kunt op twee manieren een vraag stellen: met een directe vraag en met een indirecte
vraag.
directe vraag
indirecte vraag
met vraagwoord
met vraagwoord
Wat is het probleem van die jongeren?
Wanneer moet je ingrijpen?
Hoe kun je problemen voorkomen?
Kun je me zeggen wat het probleem van die jongeren
is?
Weet je misschien wanneer je moet ingrijpen?
Heb je een idee hoe je problemen kunt voorkomen?
directe vraag
indirecte vraag
met werkwoord
met of
Zijn er veel jongeren met problemen?
Wonen die jongeren nog bij hun ouders?
Kunnen de ouders iets doen?
Kun je me zeggen of er veel jongeren met problemen
zijn?
Weet je misschien of die jongeren nog bij hun ouders
wonen?
Heb je een idee of de ouders iets kunnen doen?
6.5 De betrekkelijke bijzin met die of dat
Als je meer informatie over een ding of persoon wilt geven, kun je een betrekkelijke bijzin
gebruiken. Daarvoor gebruiken we die na de-woorden en dat na het-woorden. In een betrekkelijke bijzin staat de pv. aan het eind (voor andere werkwoorden).
die
dat
Ik laat twee bezienswaardigheden zien die
niet zo bekend zijn.
Ik ben tevreden over de kamer die ik
­gisteren heb gereserveerd.
Ze zoekt een woning die ze zelf kan
­opknappen.
Hij kan niet stoppen met het boek dat hij
op dit moment leest.
Ze gaan wonen in het huis dat ze deze
maand hebben gekocht.
Ik ga met een bootje dat ik zelf kan
­besturen.
6.6 De betrekkelijke bijzin met een voorzetsel
Als er een voorzetsel bij het werkwoord hoort (denken aan, wachten op, …), begint de
betrekkelijke bijzin niet met ‘die’ of ‘dat’, maar met waar + voorzetsel (voor dingen) of
voorzetsel + wie (voor personen). Net zoals bij zinnen met ‘die’ en ‘dat’ staan alle werkwoorden aan het einde.
17 van 18
Grammaticaoverzicht bij Taaltalent – deel 3
voor dingen: waar + voorzetsel
Ik wacht op de bus.
Ik werk voor een bedrijf.
De bus waarop ik wacht, is te laat.
Het bedrijf waarvoor ik werk, wil
­uitbreiden.
voor mensen: voorzetsel + wie
Ik wacht op mijn vader.
Ik werk voor mensen.
Mijn vader, op wie ik wacht, is te laat.
De mensen voor wie ik werk, houden niet
van klussen.
voor plaatsen: waar (het voorzetsel valt weg)
De ex-werknemer heeft elf jaar bij het
elektronicabedrijf gewerkt.
Let op:
waar + met → waarmee
waar + naar → waarnaartoe (richting)
waar + van → waarvandaan (richting)
18 van 18
De ex-werknemer bezoekt vandaag het
elektronicabedrijf waar hij elf jaar heeft
gewerkt.
Download