Aantekeningen hoofdstuk 2 NN h/v Lezen: Deelonderwerpen Een tekst is meestal verdeeld in een inleiding, een middenstuk (kern) en een slot. In het middenstuk – het grootste tekstdeel – staat de meeste informatie over het onderwerp. In dit deel van de tekst worden meestal verschillende aspecten (delen) van het onderwerp besproken. Dit noemen we deelonderwerpen. Bij het onderwerp ‘zaalsporten’ passen bijvoorbeeld de deelonderwerpen ‘volleybal’, ‘handbal’ en ‘basketbal’. Soms gaat één alinea over één deelonderwerp, soms gaan meer alinea’s over één deelonderwerp. In dat laatste geval staat boven het tekstgedeelte vaak een tussenkopje. Zo vind je deelonderwerpen Ga na welke alinea’s over hetzelfde aspect van het onderwerp gaan. Lees daarvoor de tekst globaal: je leest dan vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea’s. Spreken, Kijken, Luisteren: Een nieuwsprogramma bekijken Een nieuwsprogramma is verdeeld in een opening, een middenstuk met diverse onderwerpen en een slot. • In de opening vertelt de presentator kort de belangrijkste onderwerpen (items) die gaan komen. De presentator vertelt wat er aan de hand is en wie erbij betrokken is. • In het middenstuk komen de items aan bod. De presentator of een verslaggever gaat dieper op het nieuws in en vertelt waar, wanneer, waarom en hoe iets is gebeurd. Vaak interviewt de verslaggever iemand die erbij betrokken is geweest. • Het slot van de meeste nieuwsprogramma’s is het weerbericht. Daarna volgt soms nog een uitsmijter: een grappig of bijzonder nieuwsbericht. Als je informatie uit een nieuwsprogramma wilt onthouden of gebruiken, is het handig om per onderwerp de 5w+h-vragen op te schrijven en te beantwoorden. Dan is je informatie zo volledig mogelijk. De 5w+h-vragen zijn: • Wat is er gebeurd? • Wie waren erbij betrokken? • Waar is het gebeurd? • Wanneer gebeurde het? • Waarom/Waardoor gebeurde het? • Hoe gebeurde het? Schrijven: Een nieuwsbericht schrijven In een nieuwsbericht geef je informatie over een gebeurtenis. Je vertelt de lezer alles wat hij moet weten. Dat doe je door in het bericht antwoord te geven op de 5w+h-vragen: wat, wie, waar, wanneer, waarom (waardoor) en hoe. Een nieuwsbericht wordt overzichtelijk als je het verdeelt in alinea’s. Een alinea bestaat uit een aantal zinnen die bij elkaar horen omdat ze over hetzelfde deelonderwerp gaan. In een tekst over een treinbotsing kunnen de alinea’s bijvoorbeeld gaan over: hoe het ongeluk is gebeurd, hoe de reddingsoperatie op gang kwam en hoe het verder is gegaan met de inzittenden. Zo schrijf je een goede alinea • Zet de belangrijkste informatie in de eerste zin. Dat is de kernzin. Bijvoorbeeld: – Een Bengalese taxichauffeur in New York heeft gisteravond een tas met 21 duizend dollar aan contant geld teruggebracht naar de eigenaresse. • Vraag je daarna af wat de lezer nog meer moet weten over dit onderwerp. Zet die informatie in de volgende zinnen. Bijvoorbeeld: – De tas was van een Italiaanse toeriste. • Begin een nieuwe alinea als je over een nieuw deelonderwerp gaat schrijven, bijvoorbeeld het antwoord op de vraag ‘hoe’: –Toen de 28-jarige Mohammed Asadujjaman de vergeten tas in zijn auto zag liggen, zocht en vond hij een adres tussen de spullen. Zo kon hij het tasje terugbrengen naar Felicia Lettieri. Let op: een nieuwe alinea begint altijd op een nieuwe regel. Binnen een alinea schrijf je de regels vol. Woordenschat: Woordraadstrategie zoek een omschrijving of definitie Een onbekend woord in een tekst kun je soms begrijpen doordat er een omschrijving van het woord bij staat. Zo’n omschrijving vind je ook vaak in het woordenboek. Bijvoorbeeld: optimistisch – alles van een gunstige, positieve kant bekijkend. Een definitie is een heel nauwkeurige omschrijving van een woord. In leerboeken staan vaak definities. Bijvoorbeeld: persoonsvorm – de vervoegde vorm van het werkwoord die past bij het onderwerp van de zin. Kijk op Taal: Homoniemen Een woord met verschillende betekenissen noemen we een homoniem. Bijvoorbeeld baan: dat kan ‘werk’ betekenen (een baan hebben), maar ook ‘een weg waarover je kunt lopen of rijden’. Door een homoniem kan een zin dubbelzinnig worden. Dan heeft de zin twee betekenissen. Een dubbele betekenis heeft vaak een grappig effect, zoals in deze krantenkop: Schiphol schrapt banen. Is er minder werk op Schiphol of gaat de directie het aantal start- en landingsbanen verminderen? Soms wordt een dubbelzinnigheid met opzet gebruikt, bijvoorbeeld voor de naam van een programma: De Wereld Draait Door. Het woord doordraaien betekent ‘doorgaan met draaien’, maar ook ‘gek worden’ of ‘uitgeput raken’. Let op: sommige homoniemen behoren tot verschillende woordsoorten. Zo is lokken een werkwoord (de hond met een stuk worst lokken) of een zelfstandig naamwoord (blonde lokken). Tip: in een woordenboek herken je homoniemen doordat bij het trefwoord verschillende nummers (1, 2 etc.) staan bij de omschrijvingen. Grammatica zinsdelen: Onderwerp Zinnen bestaan uit zinsdelen. Het onderwerp (ow) is zo’n zinsdeel. Vrijwel elke zin heeft een onderwerp. Zo vind je het onderwerp Er zijn twee manieren om het onderwerp te vinden. • Manier 1: 1 Zoek de persoonsvorm. 2 Zet streepjes tussen de zinsdelen van de zin. 3 Vraag Wie (soms: Wat) + persoonsvorm? 4 Het antwoord op die vraag is het onderwerp. • Manier 2: 1 Zoek de persoonsvorm. 2 Zet streepjes tussen de zinsdelen van de zin. 3 Verander de persoonsvorm van getal: enkelvoud wordt meervoud of meervoud wordt enkelvoud. 4 Het zinsdeel dat mee verandert, is het onderwerp. Let op: als de persoonsvorm enkelvoud is, moet het onderwerp ook enkelvoud zijn. Lastige onderwerpen: Als het onderwerp een vraagwoord (wie, wat) is, kun je manier 1 niet gebruiken. Vul dan op de plaats van het vraagwoord even een antwoord in. Dan kun je de vraag Wie (Wat) + persoonsvorm? wel beantwoorden. Sommige onderwerpen kun je niet in het meervoud zetten. Dan kun je manier 2 niet gebruiken: – Sneeuw veroorzaakt voor het verkeer vaak problemen. – *Sneeuwen veroorzaken voor het verkeer vaak problemen. Maar manier 1 werkt dan wel. Wie/Wat veroorzaakt? Antwoord: sneeuw; dus ow = sneeuw. Grammatica woordsoorten: werkwoorden Een werkwoord (ww) zegt wat iets of iemand doet (lachen, draven, kijken) of overkomt (krijgen, vallen). Maar er zijn ook werkwoorden met een vagere betekenis (kunnen, worden, zijn). Een werkwoord heeft de volgende vormen: – infinitief (inf): lachen; – persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt): (ik) lach, (jij/hij/zij) lacht, (wij/jullie/ zij) lachen; – persoonsvorm verleden tijd (pvvt): lachte, lachten; – voltooid deelwoord (vd): gelachen; – onvoltooid deelwoord (od): lachend Scheidbare werkwoorden (uitlachen, weglopen) splitsen zich als ze in een zin worden gebruikt: Paul liep zomaar weg van huis. Een werkwoord kun je vervoegen. Het krijgt dan verschillende werkwoordsvormen: vallen, val, valt, vallen, viel, vielen, gevallen, vallend. Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord Zelfstandige werkwoorden (zww) hebben een duidelijke, vaste betekenis. Enkele voorbeelden: fietsen, zingen, hollen, ademen, volleyballen. Hulpwerkwoorden (hww) komen voor in elke zin met meer dan één werkwoord. Ze ‘helpen’ om het gezegde te maken. Enkele voorbeelden: hebben, zijn, worden, zullen, kunnen, mogen, moeten. Zo herken je zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord Als in een zin met een werkwoordelijk gezegde maar één werkwoord (= de persoonsvorm) staat, is dat het zelfstandig werkwoord. – Om acht uur kijk (zww) ik naar GTST. Als er meer werkwoorden in de zin staan, staat het zelfstandig werkwoord ergens achter in de zin. De overige werkwoorden, dus ook de persoonsvorm, zijn hulpwerkwoorden (hww): – Om acht uur kan (hww) ik naar GTST kijken (zww). – Om acht uur had (hww) ik naar GTST kunnen (hww) kijken (zww). – Om acht uur zou (hww) ik naar GTST hebben (hww) kunnen (hww) kijken (zww) Spelling: d-t klank en de stam van een werkwoord Veel woorden eindigen op een t-klank. Die t-klank schrijf je: • bij sommige woorden als een -t: wit, kist, (het is) gelukt; • bij andere woorden als een -d: rood, kind, (ik ben) geslaagd; • bij weer andere woorden als een -dt: (hij) wordt, (zij) vindt. Meestal is het niet moeilijk om de juiste spelling te vinden. Hieronder staat een regel die voor de meeste woorden werkt. Zo schrijf je een t-klank aan het eind van een woord Als een woord géén persoonsvorm is, gebruik je de verlengproef: • Maak het woord langer door er -e, -en of -eren achter te zetten. • Als je dan een t hoort, schrijf je een t aan het eind: witte → wit; gelakte → gelakt; wanten → want. • Als je dan een d hoort, schrijf je een d aan het eind: rode → rood; geslaagde → geslaagd; kinderen → kind. Voor de persoonsvorm tegenwoordige tijd gelden andere regels. Die leer je in hoofdstuk 3. De stam van het werkwoord Voor de spelling van de persoonsvorm heb je speciale spellingsregels. In die spellingsregels wordt vaak het woord stam gebruikt. Zo vind je de stam De stam is de kortste vorm van het werkwoord. Het is de ik-vorm in de tegenwoordige tijd. • Je vindt de stam door het hele werkwoord ‘in te korten’. Soms verandert een letter: kijken → (ik) kijk; blozen → (ik) bloos; graven → (ik) graaf. • Als het hele werkwoord op -den eindigt, schrijf je de stam met een d: worden → (ik) word; vinden → (ik) vind; laden → (ik) laad. • Als het hele werkwoord op -ten eindigt, schrijf je de stam met een t: heten → (ik) heet; schatten → (ik) schat; bijten → (ik) bijt. Bij scheidbare werkwoorden heeft de stam twee vormen: een gesplitste vorm en een niet-gesplitste vorm. Bijvoorbeeld: aankomen → (ik) kom aan (gesplitst); (ik weet nog niet hoe laat ik) aankom (ongesplitst). terugvinden → (ik) vind terug (gesplitst); (ik hoop dat ik mijn tas) terugvind (ongesplitst). Formuleren: Mannelijk, vrouwelijk en onzijdig Zelfstandige naamwoorden zijn mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. Dat noem je het woordgeslacht. Let op: het woordgeslacht heeft meestal niets te maken met mannelijk en vrouwelijk in de gewone betekenis. Je kunt het woordgeslacht opzoeken in een woordenboek of in de Woordenlijst Nederlandse Taal (http://woordenlijst.org). Achter een zelfstandig naamwoord staat een: • m als het woord mannelijk is: be·ker, de (m); • v als het woord vrouwelijk is: lo·ting, de (v); • o als het woord onzijdig is: toer·nooi, het (o). Zo gebruik je de informatie over het woordgeslacht Bij mannelijke en vrouwelijke woorden gebruik je de, deze en die: – de beker, deze beker, die beker – de loting, deze loting, die loting Voor onzijdige woorden gebruik je het, dit en dat: – het toernooi, dit toernooi, dat toernooi Verwijswoorden wijzen terug naar een woord dat eerder genoemd is. Naar de-woorden wijs je terug met deze en die, naar het-woorden met dit en dat (niet met wat!): – De stoel van mijn vader, die daar bij het raam staat – Het enorme huis dat daar verderop gebouwd wordt – Die fiets heb ik veel liever dan deze. – Dat huis aan de overkant is duur, maar dit hier niet, hoor. Ook naar een hele zin kun je met dat verwijzen: – Anouk heeft haar portemonnee verloren. Dat vindt ze erg vervelend. Kijk op de volgende pagina voor een woordenlijst!! Doelwoord actueel amusement anoniem boulevardblad branche bron censuur citaat commentaar details devies doorgaans geloofwaardig herkenningsmelodie hittegolf hype kijkdichtheid klakkeloos kopij kritiek kritisch lay-out magnaat media nieuwsitem objectief opinie oplage oppervlakkig opzienbarend persconferentie primeur promoten pseudoniem publiceren quote realistisch recensent reportage richtlijnen satirisch sensationeel solide straal aan de orde van de dag geld in het laatje brengen hoog in het vaandel hebben staan in de maling nemen in het midden laten met een korreltje zout nemen op z’n hoede zijn welingelichte kringen Betekenis op dit moment bestaand (teg: achterhaald) vermaak zonder naam blad met sensatieverhalen en schandalen bedrijfstak oorsprong van het nieuws het toezicht door de overheid op de media letterlijke weergave kritiek bijzonderheden leus meestal wat je voor waar kunt aannemen vaste tune periode met hoge temperaturen golf van media-aandacht percentage kijkers naar een programma zonder na te denken aangeleverde tekst commentaar niet zomaar alles gelovend opmaak rijk en machtig persoon kranten, tijdschriften, radio, tv etc. bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending volgens de feiten mening aantal exemplaren vluchtig verbazingwekkend bijeenkomst van journalisten eerste bekendmaking van een nieuwtje reclame maken voor verzonnen naam via een krant of boek openbaar maken citaat echt iemand die beoordelingen schrijft verslag in de krant of op radio en tv aanwijzingen spottend opwindend stevige lijn vanaf het middelpunt van een cirkel wat veel voorkomt opleveren belangrijk vinden beetnemen niet verder bespreken niet serieus nemen opletten mensen die het kunnen weten