Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8

advertisement
Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!
Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen.
Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar. Gelieve bij eventuele overname wel de correcte
bron te vermelden. De laatste pagina bevat alle oplossingen. Voor vragen en opmerkingen:
[email protected].
1. IS-curve voor een open economie*
In welk van onderstaande gevallen kent de IS-curve voor een open economie zonder enige
twijfel een verschuiving naar links:
A. de reële effectieve wisselkoers deprecieert, de autonome investeringen nemen af en
de autonome netto-export daalt.
B. de reële effectieve wisselkoers apprecieert, de autonome investeringen nemen af en
de economische activiteit in het buitenland stijgt.
C. de nominale effectieve wisselkoers apprecieert, het binnenlands prijspeil blijft
constant en het buitenlands prijspeil stijgt met een groter percentage dan de
appreciatie van de nominale wisselkoers.
D. de reële effectieve wisselkoers apprecieert, de autonome investeringen nemen af en
de autonome netto-export daalt.
2. Samenhang privaatspaarsaldo, begrotingssaldo en saldo van de lopende rekening*
Indien het overschot van de private besparingen op de private investeringen in een land 100
bedraagt en het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans 50 dan:
A.
B.
C.
D.
is er een begrotingstekort.
is er een begrotingssurplus.
is er zeker een overschot op de kapitaalrekening van de betalingsbalans.
kan het begrotingssaldo zowel een tekort als een surplus vertonen.
Heylen, F., 2014, Macro-economie, 3de editie, Garant
3. IS-curve voor een open economie (2)
De IS-curve voor een open economie:
A. is vlakker en stabieler dan de IS-curve voor een gesloten economie.
B. is steiler en stabieler dan de IS-curve voor een gesloten economie.
C. kent dezelfde helling als de IS-curve voor een gesloten economie maar ligt meer naar
rechts.
D. is steiler en minder stabiel dan de IS-curve voor een gesloten economie.
4. Crisis in Zuidoost-Azië in 1997*
In de krant lazen we dat de crisis in Zuidoost-Azië in 1997 initieel te wijten is aan overdreven
investeringen. Op één of andere manier zou dit tot twijfels over de stabiliteit van de ZuidoostAziatische munten hebben geleid, met speculatie tegen deze munten tot gevolg.
A. Dit moet een fout zijn. Sterke investeringen zijn immers gunstig. Er kan dan ook geen
probleem ontstaan.
B. Dit kan juist zijn. Als de investeringen zo groot zijn dat ze de besparingen van de privésector en de overheid sterk overtreffen, moeten de beschouwde landen
overschotten boeken op de lopende rekening van hun betalingsbalans. Daardoor
zullen ze ook veel kapitaal invoeren en veel buitenlandse schuld opbouwen. Dit kan
vragen oproepen over de stabiliteit van de munten.
C. Dit kan juist zijn. Als de investeringen zo groot zijn dat ze de besparingen van de privésector en de overheid sterk overtreffen, moeten de beschouwde landen tekorten
opstapelen op hun lopende rekening. Daardoor zullen ze ook veel kapitaal invoeren
en veel buitenlandse schuld opbouwen. Dit kan vragen oproepen over de stabiliteit
van de munten.
D. Dit kan juist zijn, maar alleen als de overheden in Zuidoost-Azië begrotingstekorten
hadden.
5. Tekort op de lopende rekening van de VS*
Het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans in de VS heeft de grootste kans
om te dalen wanneer:
A.
B.
C.
D.
de belastingen in de VS verlaagd worden.
de belastingen in Europa verlaagd worden.
de Japanse en de Chinese centrale banken dollars opkopen.
de bovenstaande drie maatregelen gecombineerd worden.
Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8
2/7
Heylen, F., 2014, Macro-economie, 3de editie, Garant
6. Stellingen open economie
Welke stelling is fout? Ga er telkens van uit dat voor het overige niets wijzigt.
A. de reële wisselkoers van de euro t.o.v. de dollar zal dalen wanneer de inflatie in de VS
hoger is dan in de eurozone.
B. bij vaste wisselkoersen moet de centrale bank de eigen munt opkopen wanneer er
een (economisch) tekort is op de betalingsbalans.
C. indien de rente in het buitenland stijgt, zal de vraag naar onze munt stijgen en/of het
aanbod van onze munt dalen.
D. wanneer een land door gunstige ontwikkelingen zijn export fors kan verhogen, zal de
vraag naar de munt van dit land toenemen en de wisselkoers geneigd zijn te stijgen.
7. Vaste wisselkoersen en de centrale bank
Een land kiest voor een vaste wisselkoers t.o.v. de US dollar. Op een bepaald moment bereikt
de waarde van de munt van dit land de grens van de toegelaten fluctuatiemarge. De
marktvraag naar de munt van dat land bedraagt dan 200, het marktaanbod 180.
A. de centrale bank van dat land zal tussenkomen op de wisselmarkt en vreemde
deviezen (dollars) verkopen, met een tegenwaarde van 20
B. buitenlandse investeerders zullen voor de nodige kapitaalinvoer zorgen zodat het
onevenwicht op de wisselmarkt verdwijnt
C. de centrale bank van dat land zal tussenkomen op de wisselmarkt en de eigen munt
opkopen ter waarde van 20
D. de centrale bank van dat land zal tussenkomen op de wisselmarkt en vreemde
deviezen (dollars) kopen, met een tegenwaarde van 20
1. De geldhoeveelheid in enge zin
De geldhoeveelheid in enge zin bestaat uit
A. alle door de centrale bank uitgegeven muntstukken en bankbiljetten.
B. alle door de centrale bank uitgegeven muntstukken en bankbiljetten in handen van
het publiek
C. alle door de centrale bank uitgegeven muntstukken en bankbiljetten in handen van
het publiek en de zichtdeposito’s van het publiek bij de financiële instellingen
D. alle door de centrale bank uitgegeven muntstukken en bankbiljetten in handen van
de financiële instellingen
2. De geldhoeveelheid en de geldbasis
De geldhoeveelheid stijgt en de geldbasis blijft onveranderd als
A.
B.
C.
D.
de banken hun reservecoëfficiënt verlagen
de banken hun reservecoëfficiënt verhogen
de chartale-geldvoorkeur van het publiek stijgt
de centrale bank vreemde munten koopt en de eigen munt verkoopt
Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8
3/7
Heylen, F., 2014, Macro-economie, 3de editie, Garant
3. De geldbasis*
Wat leidt tot een zekere toename van de geldbasis?
A. een betalingsbalansoverschot bij vaste wisselkoersen gecombineerd met de verkoop
van overheidspapier door de centrale bank
B. een betalingsbalanstekort bij vaste wisselkoersen
C. een begrotingstekort van de overheid
D. een betalingsbalanstekort bij vlottende wisselkoersen gecombineerd met de
aankoop van overheidseffecten door de centrale bank
4. Het geldaanbodmodel (2)*
Stel dat de banken bankreserves in kas houden ten belope van 15% van de zichtdeposito’s
die het publiek bij hen aanhoudt. Stel verder dat de chartale-geldvoorkeur van het publiek
25% bedraagt. Hoeveel moet de geldbasis dan bedragen als de overheid de
geldhoeveelheid op 5000 wil brengen?
5. De geldbasis (2)
Wat leidt tot een daling van de geldbasis?
A. de budgettaire overheid leent in het buitenland en zet de bekomen vreemde
munten via de centrale bank om in eigen munt
B. bank XYZ neemt een krediet op bij de centrale bank
C. een daling van de geldbasismultiplicator
D. bank XYZ betaalt een vroeger opgenomen krediet aan de centrale bank terug
6. De rente en de geldvraag
Bij lage rente zullen economische agenten:
A.
B.
C.
D.
minder geld aanhouden omwille van transactiemotieven
meer geld aanhouden omwille van speculatieve overwegingen
kiezen voor lange-termijnrekeningen
obligaties kopen
7. De geldvraag en de prijsvorming van aandelen en obligaties
Wat is juist
A. bij hoge rente is het aangewezen obligaties te verkopen
B. als onzekerheid de beleggers van de aandelenmarkt wegdrijft naar de
obligatiemarkt, mag je een stijging van het rendement van bestaande obligaties
verwachten.
C. als onzekerheid de beleggers van de aandelenmarkt wegdrijft naar de
obligatiemarkt, mag je een daling van het rendement van bestaande obligaties
verwachten.
D. hoe rijker iemand is, hoe kleiner zijn vraag naar geld
Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8
4/7
Heylen, F., 2014, Macro-economie, 3de editie, Garant
8. De kwantiteitstheorie
De kwantiteitstheorie impliceert
A. een verticale LM-curve wegens de veronderstelde complete rente-ongevoeligheid
van de geldvraag
B. een horizontale LM-curve wegens de veronderstelde oneindige rentegevoeligheid
van de geldvraag
C. een verticale LM-curve wegens de veronderstelde oneindige rentegevoeligheid van
de geldvraag
D. een horizontale LM-curve wegens de veronderstelde complete rente-ongevoeligheid
van de geldvraag
9. De reservecoëfficiënt en het geldaanbod (2)*
Een daling van de reservecoëfficiënt van de banken leidt tot:
een daling/stijging van het geldaanbod en een afname/toename van het aantal kredieten
die de banken toestaan (schrappen wat niet past).
10. Verschuiving van de LM-curve
Bij een uitbreiding van de reële geldhoeveelheid verschuift de LM-curve
A. naar links omdat de rente allicht gaat dalen. Daardoor wil niemand nog in ons land
beleggen, en dat is slecht voor de evenwichtsoutput (lagere Y)
B. naar rechts omdat de rente allicht gaat dalen. Dit moedigt de vraag naar vast
kapitaal (investeringen) aan, en dat doet de evenwichtsoutput stijgen (hogere Y)
C. naar onder omdat op de geldmarkt een aanbodoverschot zal ontstaan. De
evenwichtsrente zal daardoor lager komen te liggen (lagere R)
D. naar boven omdat op de geldmarkt een vraagoverschot zal ontstaan. De
evenwichtsrente zal daardoor hoger komen te liggen (hogere R)
11. Het geldaanbod in de VS en de eurozone sinds 2008 (2)
De geldbasis (MB), de geldbasismultiplicator (µ) en de geldhoeveelheid (Ms) evolueerden in
de VS en de eurozone sinds het begin van de financiële crisis in 2008 respectievelijk als volgt
(schrappen wat niet past):
MB: zeer sterke stijging / beperkte daling /ongewijzigd,
µ: sterke stijging / sterke daling / ongewijzigd,
Ms: beperkte stijging /zeer sterke stijging /eerder ongewijzigd.
Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8
5/7
Heylen, F., 2014, Macro-economie, 3de editie, Garant
12. Kwantitatieve versoepeling (quantitative easing)
Onder kwantitatieve versoepeling ('quantitative easing') verstaan we:
A. Monetaire financiering van overheidstekorten.
B. Dat de monetaire overheid met nieuw gecreëerd geld bestaande financiële activa
op de financiële markten opkoopt.
C. De afbouw van beperkingen op de invoer en/of uitvoer van kapitaal (de BP-curve
wordt vlakker).
Elke verhoging van de geldbasis.
Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8
6/7
Heylen, F., 2014, Macro-economie, 3de editie, Garant
Hoofdstuk 7
1. D
2. A
3. B
4. C
5. B
6. C
7. D
6.
7.
8.
9.
10.
11. zeer sterke stijging,
sterke daling,
beperkte stijging
12. B
Hoofdstuk 8
1.
2.
3.
4.
5.
C
A
D
1600
D
Meerkeuzevragen Hoofdstukken 7-8
B
C
A
stijging, toename
C
7/7
Download