Egypte - Internationale Socialisten

advertisement
Neoliberalisme en dictatuur in Egypte
de sociale wortels van de revolutie
Mona Dohle en Peyman Jafari
De meeste analyses over de 'Arabische Lente' in de media reduceren de oorzaken van de
revoluties tot de woede over de dictatoriale regimes in de regio. Deze interpretatie is echter
blind voor het feit dat in landen als Egypte en Tunesië het opbouwen van dictatoriale
machtsstructuren in de afgelopen drie decennia hand in hand ging met economische
liberalisering en bondgenootschap met de westerse democratieën. Op deze manier worden de
sociale wortels van de revoluties in de Arabische landen grotendeels genegeerd en wordt de
opvatting dat economische liberalisering en globalisering tot democratisering leidt in stand
gehouden.
Dit artikel laat zien hoe de neoliberale hervormingen die vanaf de jaren zeventig onder
druk van het IMF, de Wereldbank, de VS en de EU werden doorgevoerd de basis legden voor
de sociale onvrede die begin 2011 tot een revolutionaire uitbarsting leidde. De woede van de
demonstranten was niet alleen gericht tegen de dictatuur maar ook tegen de sociale
ongelijkheid, de lage lonen en de stijgende voedselprijzen die het neoliberalisme met zich
meebracht. Het is precies om die reden dat de sociale ziel van de Egyptische revolutie
ondanks taalverschillen een grote inspiratiebron vormt voor de mensen die in Europa en de
VS in verzet komen tegen de neoliberale crisispolitiek van hun eigen regeringen.
Er is nog een reden waarom die internationale solidariteit tot stand kwam. De
demonstranten op het Tahrirplein en de bezette pleinen in de westerse steden hebben niet
alleen soortgelijke grieven, maar ook tegenstanders die nauw met elkaar samenwerken om
hun eigen macht in stand te houden. De scheidslijnen liepen opeens niet tussen 'het Oosten' en
'het Westen', maar tussen de 1 procent en de 99 procent in elk land. Egyptenaren streden
heldhaftig tegen een gruwelijke dictator die jaren lang door Europese en Amerikaanse
regeringen militair en financieel werd gesteund.
Om de dynamiek van de Egyptische revolutie te begrijpen is het daarom belangrijk om
te onderzoeken hoe en waarom neoliberale hervormingen, dictatuur en bondgenootschap met
westerse machten samenhangen. De sociale krachten die de voortgaande revolutie in Egypte
verder kunnen stuwen of tegen kunnen houden worden immers gevormd door de
wisselwerking tussen deze drie elementen. Niet het revolutionaire proces zelf, maar de
politieke en sociale ontwikkelingen die er aan vooraf gingen staan in dit artikel centraal. 1 We
beginnen eerst met een overzicht van de politieke stromingen en de sociale krachten die het
Egypte van de twintigste eeuw hebben en analyseren deze in de context van de antikoloniale
revoluties na de Tweede Wereldoorlog. Daarna onderzoeken we de opkomst van de
postkoloniale staat onder het Arabisch socialisme van president Gamal Abdel Nasser en de
neoliberale transformatie ervan onder de presidenten Anawar al-Sadat en Hosni Moubarak.
Politieke stromingen en sociale klassen in Egypte
Een van de populaire leuzen tijdens de protesten van begin 2011 was 'weg met de Farao,' een
knipoog naar de lange traditie van klassenstrijd in Egypte. Deze traditie gaat zelfs terug tot
een werkonderbreking van piramidebouwers rond 1.200 vóór Christus – de eerste
1
Voor analyses van de Egyptische revolutie zelf, zie Marshall 2011, Alexander 2011 en het interview met de
Egyptische blogger en revolutionair-socialist Hossam El-Hamalawy over de recente ontwikkelingen.
1
gedocumenteerde staking in de geschiedenis. Meer recentelijk hebben Egyptenaren behalve
tegen binnenlandse onderdrukking ook tegen westerse overheersing moeten vechten. Deze
episode begon met de invasie van Napoleons leger in 1798 en werd voortgezet nadat Egypte
vanaf het einde van de negentiende eeuw door Groot Brittannië de facto bezet werd.
De moderne politieke stromingen in Egypte zijn een weerslag van deze
ontwikkelingen. Tussen de twee wereldoorlogen speelde de liberale Wafd-partij een
belangrijke rol, vooral in de transitie van de autoritaire monarchie naar een constitutionele
monarchie met een gekozen parlement. De meeste Egyptenaren begonnen zich echter van
Wafd af te keren toen deze zich in 1936 niet verzette tegen een verdrag dat de Britse
inmenging in het land in stand hield. 2 Het gebrek aan een sterke partij die een stem gaf aan
het legitieme streven naar nationale onafhankelijkheid creëerde een politiek vacuüm waarin
de Moslimbroederschap van Hassan al-Banna kon groeien. Hij combineerde populistische
retoriek tegen armoede en corruptie met de boodschap dat moslims door westerse landen
overheerst werden omdat ze van hun ware geloof waren afgevallen. Zo kon al-Banna een deel
van de nationalistische sentimenten richting zijn Moslimbroederschap kanaliseren. Zijn partij
groeide van 800 leden in 1936 tot een half miljoen in 1948. Maar daarmee was de
Moslimbroederschap nog geen dominante factor geworden. Het nationalisme werd vooral
belichaamd door het seculiere Arabisch socialisme.
Het Arabisch socialisme was een product van de economische en politieke context in
de eerste helft van de twintigste eeuw. Het keerde zich niet alleen tegen de Britse
overheersing maar verzette zich ook tegen de feodale machthebbers die de boeren uitbuitten.
De meerderheid van de Egyptenaren bestond uit landloze boeren; een kleine minderheid bezat
het grootste gedeelte aan landbouwgrond. Vanwege hun uitzichtloze situatie emigreerden de
boeren in toenemende mate naar de steden waardoor de bevolking van Caïro tussen 1917 en
1947 verviervoudigde. Veel van de nieuwe inwoners kwamen terecht in krottenwijken.
Tegelijkertijd begon rond industriële centra zoals Shubra al-Khaymah en Mahalla al-Kubra
een nieuwe arbeidersklasse te groeien die via stakingen en vakbonden van zich liet horen.
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog werden veel arbeiders het slachtoffer van
stijgende werkloosheid en dalende lonen. 3 De buitenlandse politiek werd in die jaren
gedomineerd door de Koude Oorlog tussen de VS en de Sovjet-Unie. Voor veel Egyptische
intellectuelen werd de Sovjet-Unie een inspiratiebron door zijn anti-imperialistische retoriek.
Ze zagen het 'communisme' dat in een halve eeuw de Sovjet-Unie van een agrarisch land tot
een geïndustrialiseerd land had omgetoverd als een alternatief voor het kapitalistische
ontwikkelingsmodel dat Derde Wereldlanden tot armoede veroordeelde.
De periode na de Tweede Wereldoorlog werd er een van sociale en politieke
instabiliteit. Ondanks het feit dat arbeiders een sleutelrol hadden gespeeld in de strijd tegen
het Britse imperialisme was het uiteindelijk een elite van officieren die in 1952 via een
staatsgreep een einde maakte aan de Britse aanwezigheid en de monarchie. Gamal Abdel
Nasser, de aanvoerder van de Vrije Officieren, werd in 1956 de eerste president van de
nieuwe republiek. De Vrije Officieren vertegenwoordigden een nieuwe generatie binnen het
Egyptische leger. Hun verzet tegen de koloniale onderdrukking en streven naar sociale
hervormingen maakte hen populair bij een groot deel van de bevolking. Hoewel ze zich
'socialistisch' noemden, waren ze echter geen voorstander van een samenleving waarin
democratische organisaties van arbeiders en boeren het voor het zeggen zouden hebben.
2
3
In 1936 tekenden koning Faruk en Groot-Brittannië het Anglo-Egyptisch Verdrag. Daarin zegde de Britten
toe om hun troepen uit Egyte terug te halen, behalve 10.000 soldaten en ondersteunend personeel om de Suez
Kanaal te 'beschermen.' Dit was niet de onafhankelijkheid waarnaar veer Egyptenaren streefden.
Beinin 2001, p. 118.
2
Revoluties in de Derde Wereld
De politieke omwenteling in Egypte vertoonde grote gelijkenis met de antikoloniale revoluties
in andere landen waar ook militairen en intellectuelen de hoofdrol speelden. De PalestijnsBritse marxist Tony Cliff probeerde in een belangrijk artikel uit 1963 dit patroon te verklaren
door de marxistische theorieën over revoluties kritisch tegen het licht te houden en aan te
passen. Hij koos de inzichten van de Russische revolutionair Leon Trotski als het startpunt om
te verklaren waarom de arbeidersklasse tegen de verwachtingen in niet een leidende rol had
gespeeld in deze revoluties.
Met het oog op het Rusland van begin negentiende eeuw had Trotski beweerd dat in
landen waar de kapitalistische ontwikkeling achterliep, de bourgeoisie zwak was en
bovendien de opkomende arbeidersklasse vreesde omdat zij politieke veranderingen zou
aangrijpen om ook sociale veranderingen af te dwingen. Dus hoewel de bourgeoisie zich
verzette tegen de macht van de feodale aristocratie, en in gekoloniseerde landen nationale
onafhankelijkheid wilde, zou ze zich zeer aarzelend opstellen in de strijd voor democratische
veranderingen en nationale onafhankelijkheid. Trotski ging met deze opvatting in tegen zijn
marxistische tijdgenoten die aannamen dat ontwikkelingslanden zich op dezelfde manier
zouden ontwikkelen als de geïndustrialiseerde landen, namelijk via een door de bourgeoisie
geleide revolutie tegen dictatuur en kolonialisme, die daarom door socialisten gesteund moest
worden. Door het kapitalisme te benaderen als een internationaal systeem, was Trotksi in staat
een andere analyse te maken en een andere politieke strategie voor te stellen. Die strategie
noemde hij de 'permanente revolutie.' 4
Omdat de bourgeoisie in landen als Rusland geen leidende rol op zich zou nemen,
moest die rol gespeeld worden door de arbeidersklasse die de 'democratische revolutie' zou
doorzetten in een 'socialistische revolutie.' In die zin zou de revolutie dus 'permanent'
(continu) zijn. Maar omdat een revolutie in een land met economische achterstand niet kon
slagen – het zou door de kapitalistische landen gesaboteerd en aangevallen worden – moest de
revolutie ook in een tweede betekenis 'permanent' zijn. Ze moest overslaan naar de
geïndustrialiseerde landen. Maar de revoluties die in de jaren vijftig en zestig in het MiddenOosten, Latijns-Amerika en Afrika uitbraken weken af van dit patroon. Niet de
arbeidersklasse, maar militairen en intellectuelen stonden aan het hoofd van politieke en
sociale veranderingen.
Terwijl veel marxisten de revoluties in de zogenaamde Derde Wereld als 'socialistisch'
bestempelden, constateerde Tony Cliff dat het weliswaar klopte dat de bourgeoisie geen
leidende rol had gespeeld in die revoluties, maar dat dat ook voor de arbeidersklasse gold. Hij
beschreef hoe in de Chinese en Cubaanse Revolutie respectievelijk een boerenleger en een
groep intellectuelen de revolutie hadden geleid. En omdat hij in navolging van Marx van
mening was dat socialisme alleen het resultaat kan zijn van de zelfemancipatie van de
arbeidersklasse, sprak hij niet van socialistische revoluties maar van een 'afgebogen
permanente revolutie' (deflected permanent revolution) om de ontwikkelingen in deze landen
te verklaren.
Cliff stelde dat Trotski's voorspelling niet was uitgekomen omdat hij ten onrechte had
aangenomen dat wanneer de bourgeoisie geen revolutionaire rol speelt, die rol automatisch
aan de arbeidersklasse toekomt. Dat zal echter niet het geval zijn als de politieke organisatie
van de arbeidersklasse te zwak is om een hegemoniale positie in te nemen in de strijd voor
nationale onafhankelijkheid en democratische rechten. Dus wanneer de bourgeoisie en de
arbeidersklasse te zwak zijn, ontstaat er een patstelling waarin een derde kracht, de nieuwe
middenklasse van intellectuelen en officieren, de motor van verandering wordt. Cliff
4
Zie voor een beknopte uitleg van 'permanente revolutie' Van der Zwan 2011,
http://socialisme.nu/blog/nieuws/12929/van-volksopstand-naar-permanente-revolutie/
3
beschreef hoe de uitbreiding van het onderwijs in veel ontwikkelingslanden tot een grote
stedelijke middenklasse van intellectuelen had geleid en dat staatsvorming een goed opgeleid
groep van legerofficieren had gecreëerd. Het feit dat hun landen economisch en politiek
gedomineerd werden door andere landen vormde een bron van onvrede voor deze groepen.
Zij wilden de achterstand met de geïndustrialiseerde landen zo snel mogelijk inhalen door een
sterke staat op te bouwen die het land van bovenaf kon industrialiseren. De uitkomst van dit
soort revoluties was dan ook geen socialisme maar een autoritair systeem dat veel gemeen had
met het staatskapitalisme van de Sovjet-Unie. 5
Nasser en het Arabisch socialisme
Het Arabisch socialisme van Nasser kan begrepen worden als een specifiek geval van de
'afgeleide permanente revolutie' die Cliff had beschreven. Het Arabisch socialisme van Nasser
was een van boven geïnitieerd project dat nationalisme en sociale hervormingen combineerde,
maar tegelijkertijd stelde dat in Egypte geen fundamentele klassentegenstellingen bestonden.
Het keerde zich daarom tegen de klassenstrijd die centraal staat in het marxisme en geloofde
in de nationale eenheid van de hele Arabische bevolking in het Midden-Oosten en NoordAfrika. 6
Toen de Vrije Officieren in 1952 onder leiding van Nasser een staatsgreep pleegden,
werden ze massaal gesteund door de bevolking. Ongeveer 9.000 arbeiders bezetten de Misr
Fine Spinning and Weaving Company in Kafr al-Dawwar. Zij waren euforisch en hoopten dat
de officieren op zouden komen voor hun belangen. Maar al snel werden dit soort opstanden
door de officieren neergeslagen en werden de aanvoerders van de arbeidersbeweging
geëxecuteerd. 7 Ook de leiding van de Moslimbroeders werd in de daaropvolgende jaren
systematisch gearresteerd. Nassers partij, de Arabische Socialistische Unie (ASU), beschreef
deze onderdrukking van de oppositie eufemistisch als de 'gepaste besturing van de massa's.' 8
Ondanks alle retoriek en symboliek verschilt het Arabisch socialisme in een aantal
opzichten wezenlijk van wat marxisten onder socialisme verstaan. De welvaart van de rijken
werd weliswaar door hervormingen aangetast, maar de productieverhoudingen van het
kapitalisme, waarbij een kleine elite de arbeid van de grote meerderheid uitbuit, werden echter
in stand gehouden. De nieuwe elite bestond niet uit kapitalisten in de private sector zoals in de
vrije markteconomieën, maar uit bureaucraten aan het hoofd van het staatsapparaat en de
genationaliseerde bedrijven. Voor de individuele arbeider maakt het echter weinig verschil of
hij door de staat of door een privaat bedrijf uitgebuit wordt.
Het tweede verschil is een logisch gevolg van het eerste. Het Arabisch socialisme was
een uitermate ondemocratisch systeem waarin de belangrijkste besluiten door de bureaucraten
en hoge militairen werden genomen. De repressie van onafhankelijke vakbonden, politieke
organisaties en media vormden een essentieel onderdeel van Nassers systeem. Socialisme
zonder werkelijke democratie is echter geen socialisme.
Ten derde stelde Nasser, in vergelijkbare termen die Stalin in de jaren dertig had
gebruikt, dat socialisme in één land ingevoerd kon worden, onafhankelijk van de
internationale context. De Egyptische economie stond echter niet los van de wereldeconomie,
waar landen en bedrijven in permanente concurrentie met elkaar staan. Dit was geen probleem
toen de wereldeconomie in de jaren vijftig een ongekende groei doormaakte en het
staatskapitalisme in de Sovjet-Unie een enorm succes leek. In deze context kon Nasser
economische ontwikkeling combineren met sociale hervormingen die het leven van veel
5
6
7
8
Cliff 1963, zie http://www.marxists.org/archive/cliff/works/1963/xx/permrev.htm#f3cr
Rejwan1974, p. 11.
Cleveland 2004, p. 306.
Cleveland 2004, p. 319.
4
Egyptenaren op een hoger peil brachten. Een van zijn eerste maatregelen was de
landbouwhervorming die de macht van de feodale elites beperkte en een herverdeling van de
landbouwgrond mogelijk maakte. Daarnaast werd een pensioen- en zorgstelsel ingevoerd en
werd het onderwijssysteem flink uitgebreid. De gelijkheid tussen mannen en vrouwen werd in
de wetgeving bevorderd en elke student met een diploma werd een baan bij de overheid
beloofd. Met deze hervormingen creëerde Nasser een sociale basis voor zijn regime.
Nasser dankte zijn populariteit ook aan de posities die hij in de internationale politiek
innam. Hij keerde zich duidelijk tegen het Britse en Amerikaanse imperialisme in de regio en
nam het op voor de Palestijnen die door de in 1948 opgerichte staat Israël van hun land waren
beroofd. Onder Nasser werd Egypte tevens een van de belangrijkste landen in de Beweging
van de Niet-gebonden Landen, die zich tijdens de Koude Oorlog noch aan de VS, noch aan de
Sovjet-Unie lieerden. Nasser kreeg echter wel wapens en technologische bijstand van de
Sovjet-Unie die de invloed van de VS in de regio wilde indammen.
Nasser slaagde er ook in zijn regime veilig te stellen door zijn belangrijkste
tegenstanders, de Moslimbroederschap en de Communistische Partij, tegen elkaar uit te spelen
en beide te onderdrukken: de Moslimbroeders lieten zich eerst gebruiken om de invloed van
communisten in de vakbonden, de fabrieken en de wijken te bestrijden en hen zelfs fysiek aan
te vallen, waarna ze vervolgens zelf onderdrukt werden. De communisten werden niet alleen
het slachtoffer van Nassers onderdrukking, maar ook van hun eigen stalinistische politiek.
Ondanks het feit dat communisten in de gevangenis zaten, besloot de Communistische Partij
Nasser te steunen en loste zich in 1965 zelfs op in zijn Arab Socialist Union.
Deze verwonderlijke stap wordt begrijpelijker wanneer we haar plaatsen binnen de
context van het stalinisme. In de jaren twintig en dertig hadden Stalin de twee-fasen theorie
geïntroduceerd bij haar zusterpartijen. Deze stelde dat het bereiken van het socialisme in
economisch achtergestelde landen in twee fases zou verlopen. Eerst zouden ze onder leiding
van de nationale bourgeoisie onafhankelijkheid bereiken en een liberale democratie instellen
waardoor de kapitalistische ontwikkeling van het land op gang zou komen. Pas daarna zou de
situatie rijp zijn voor een socialistische revolutie onder leiding van de arbeidersklasse. De
twee-fasen theorie werd enigszins aangepast nadat de Sovjet-Unie uitgroeide tot een
wereldmacht en in allerlei landen postkoloniale regimes gevestigd werden. Communistische
partijen kregen vanuit Moskou de instructie dat er nu een 'niet-kapitalistisch
ontwikkelingsmodel' bestond in de postkoloniale landen. Dat model was in feite geënt op het
staatskapitalisme van de Sovjet-Unie. Ook de Communistische Partij van Egypte baseerde
haar politieke strategie op deze theorie. Ze ging er vanuit dat Nassers 'niet-kapitalistische
ontwikkeling' hem vanzelf in botsing zou brengen met het Amerikaanse imperialisme
waardoor hij noodgedwongen voor het kamp van de Sovjet-Unie zou kiezen. Dus niet de
zelfactiviteit van de arbeidersklasse, maar de Koude Oorlog stond centraal voor de politiek
van de communistische partijen. Zo werd de leiding van de Communistische Partij
geïncorporeerd door Nassers bureaucratie en speelde nauwelijks meer een rol in de sociale en
politieke protesten die in de decennia daarna uitbraken. 9
Nasser slaagde erin zijn politieke tegenstanders uit te schakelen, maar zijn Arabisch
socialisme begon vanaf de jaren zestig zijn glans te verliezen. De problemen ontstonden toen
de structuur van de internationale economie begon te veranderen, waardoor het
staatskapitalistische ontwikkelingsmodel in crisis raakte. Dit uitte zich in een verslechterende
betalingsbalans, een stijgende overheidsschuld en toenemende inflatie. Bovendien kreeg
Nasser te maken met een grote tegenslag in 1967, toen Egypte tijdens de Zesdaagse Oorlog
een dramatische nederlaag leed tegen Israël. De veranderende wereldeconomie ondergroef de
economische basis onder het Nasserisme, terwijl de Zesdaagse Oorlog zijn politieke
9
Marfleet 2011, p. 59.
5
geloofwaardigheid aantastte. Toch is het belangrijk te onderstrepen dat Nasser, in
tegenstelling tot zijn opvolgers, tot het einde van zijn leven in 1970 populair bleef wegens zijn
sociale hervormingen en verzet tegen het imperialisme. Dit bleek het meest duidelijk aan het
einde van de Zesdaagse Oorlog. Op 10 juni 1967 diende Nasser op televisie zijn ontslag in als
president. Op dezelfde dag gingen tienduizenden mensen in Cairo en andere Arabische
hoofdsteden de straat op om hem te steunen en op te roepen om aan te blijven. Overweldigd
door deze reactie, trok Nasser de volgende dag zijn ontslag in.
Sadat en de infitah
De crisis van het Arabisch socialisme was al onder Nasser begonnen, maar het omslagpunt
vond plaats onder Nassers opvolger Muhammad Anwar al-Sadat (1970 – 1981). Hij
introduceerde een reeks hervormingen die door liberalisering en privatisering de vrije markt
versterkten en Egypte integreerden in de internationale economie. Deze politiek wordt in het
Arabisch infitah (opening) genoemd. De druk vanuit het IMF, dat aan leningen de voorwaarde
van economische liberalisering verbond, speelde een belangrijke rol in de transitie van
staatskapitalisme naar neoliberalisme. Sadat opende de economie voor buitenlandse
investeringen en schafte de onder Nasser ingevoerde sociale hervormingen stuk voor stuk af.
De neoliberale hervormingen hadden dramatische gevolgen voor de bevolking. In
1976 besloot Sadat bijvoorbeeld om de subsidies op basisproducten af te schaffen. Het
resultaat was dat de prijzen voor brood, suiker en thee met 50 procent stegen. Veel arme
Egyptenaren weigerden dit te accepteren en de maatregelen leidden tot massale opstanden.
Deze 'broodrellen' zijn opmerkelijk, omdat de woede van de Egyptenaren zich niet alleen
tegen Sadat richtte, maar voor de eerste keer ook expliciet tegen het IMF. 10
Parallel aan de verschuiving in de binnenlandse politiek vond onder Sadat ook een
drastische verandering plaats in de buitenlandse politiek. De Sovjet-Unie werd ingeruild voor
de VS als de belangrijkste bondgenoot en het verzet tegen Israël maakte plaats voor warme
relaties. In juni 1967 had Israël een verrassingsaanval uitgevoerd op Egypte en zo een oorlog
uitgelokt met zijn bondgenoten Syrië, Jordanië en Irak. Mede dankzij militaire informatie en
steun van de VS resulteerde deze oorlog in een grote overwinning voor Israël dat de
Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem vervolgens wist te bezetten. Ook
de Syrische Golanhoogte en het Egyptische Sinaï-schiereiland werden door Israël ingenomen.
In 1973 coördineerden Sadat en de Syrische president Hafez al-Asad een aanval op Israël om
deze bezette gebieden terug te winnen, maar ze werden verslagen. Sadat gooide de boeg toen
drastisch om. In 1987 tekende hij de Camp David Akkoorden die de basis legde voor het
vredesverdrag met Israël dat hij het jaar daarop in Washington tekende. Zo werd Egypte het
eerste Arabische land dat Israël erkende. De Camp David Akkoorden luidden het begin in van
een periode waarin de Egyptische leiders uitgroeiden tot bondgenoten van Israël, in ruil voor
militaire en financiële steun van de VS.
Met het afbreken van het sociale contract tussen de staat en grote delen van de
bevolking, en het opgeven van het verzet tegen imperialisme en zionisme verdwenen de twee
belangrijke peilers onder het politieke systeem dat tijdens Nassers bewind tot stand was
gekomen.
Mubarak en de protestbeweging
Nadat Sadat in 1981 bij een aanslag om het leven kwam, werd hij opgevolgd door Hosni
Mubarak die zijn neoliberale hervormingen doorzette. Het gevolg was dat het percentage
10
Seddon en Zeilig 2005, p. 17.
6
Egyptenaren dat in armoede leefde van 20 procent in 1990 steeg tot 44 procent in 1996. 11 Het
zorg- en onderwijsstelsel werden voor veel Egyptenaren onbetaalbaar. Tegelijkertijd ontstond
een nieuwe klasse van nouveaux riches. Deze nieuwe ondernemers waren deels bureaucraten
en militairen die hun positie gebruikten om zich te verrijken. Deels waren het ondernemers uit
de private sector die hun banden met het regime gebruikten om te profiteren van de
economische liberalisering en privatisering. Ze konden bijvoorbeeld overheidsbedrijven voor
een lagere prijs dan hun werkelijke waarde opkopen. Een Egyptische flessenfabriek werd
bijvoorbeeld voor 157,6 miljoen Egyptische Pond aan private investeerders verkocht. Vier
jaar later kocht Pepsi Cola 77 procent van het bedrijf voor 1.740 miljoen Egyptische Pond.
Een ander voorbeeld is de Egyptisch-Amerikaanse Bank. De privatisering hiervan kostte de
staat rond de 320 miljoen Egyptische Pond. 12 Deze uitverkoop van de nationale economie
bracht bij veel Egyptenaren de pijnlijke herinneringen aan het Britse kolonialisme terug.
In 2004 benoemde Mubarak Ahmed Nazif tot premier. Onder zijn leiding werden in
één jaar tijd 17 staatsbedrijven geprivatiseerd. Niet voor niets is een IMF rapport uit 2010
laaiend enthousiast over Nazifs beleid. 13 De Wereldbank beschrijft Egypte zelfs als 'de beste
hervormer van de wereld.' 14 Gewone Egyptenaren reageerden minder enthousiast op
Mubaraks neoliberalisme. De inflatie schoot omhoog tot een recordhoogte van 16 procent in
2009: het hoogste percentage sinds 1990. Om het 'ondernemingsklimaat' voor internationale
investeerders aantrekkelijk te maken werden de lonen laag gehouden en verslechterden de
arbeidsomstandigheden. Het gemiddelde inkomen van een Egyptische textielarbeider is
respectievelijk 47, 36 en 32 procent van dat van zijn Tunesische, Marokkaanse en Turkse
collega's. Egypte wordt daarom 'het China van de Middenlandse Zee' genoemd. 15 Dit
neoliberaal beleid had eerder al tot straatprotesten geleid, maar langzaam begonnen arbeiders
in bedrijven en kantoren zich te roeren. Ze organiseerden in 2005 202 collectieve protesten en
222 in 2006.
Behalve deze arbeidersstrijd kwam er in het decennium voorafgaand aan de revolutie
van 2011 een nieuwe cyclus van protesten op die Mubaraks regime expliciet tot mikpunt
maakte en democratie eiste. Het beginpunt van deze cyclus gaat terug tot de solidariteitsacties
met de Tweede Palestijnse Intifada die in september 2000 begon. Door Mubaraks collaboratie
met Israël en het heldhaftig verzet van de Palestijnen, radicaliseerden honderdduizenden
jongeren die in heel Egypte de straat opgingen. Socialisten, Nasseristen en de jongeren van de
Moslimbroederschap speelden een belangrijke rol in het organiseren van deze protesten en in
het ophalen van medicijnen en voedsel voor de Palestijnen. De organisatie van de
Revolutionaire Socialisten die in 1996 was opgericht door activisten die al een paar jaar een
marxistische studiegroep hadden begon snel te groeien. 16 De Revolutionaire Socialisten
richtte samen met een aantal Nasseristen het Volkscomité voor de Intifada op. De veel
sterkere Moslimbroederschap hield zich min of meer afzijdig van de straatprotesten omdat ze
een confrontatie met Mubarak wilde vermijden. Haar strategie was gebaseerd op het langzaam
winnen van politieke invloed via onderhandelingen met het regime. Uit onvrede hierover
sloten veel jongeren van de Moslimbroederschap zich aan bij de acties van het Volkscomité
voor de Intifada waardoor de druk op de leiding van de Moslimbroederschap toenam om haar
achterban te mobiliseren.
11
12
13
14
15
16
Langohr 2004, p. 186.
El-Sayed El-Naggar 2009, p. 45.
International Monetary Fund 2010, pp. 7-8. Zie http://www.imf.org/external/pubs/ft/scr/2010/cr1094.pdf.
El-Mahdi en Marfleet 2009, p. 2.
Solidarity Center 2010, p. 111. Zie http://www.solidaritycenter.org/files/pubs_egypt_wr.pdf
De Egyptische Revolutionaire Socialisten hebben dezelfde politiek als de International Socialist Tendency,
waarvan de Internationale Socialisten in Nederland lid zijn. Zie
http://en.wikipedia.org/wiki/Revolutionary_Socialists_(Egypt)
7
Zo lieten de Revolutionaire Socialisten in de praktijk zien wat ze altijd theoretisch
beargumenteerd hadden: de Moslimbroederschap was geen homogene organisatie die als
'islamo-fascistisch' weggezet kon worden. Haar politieke ideologie en sociale samenstelling
maken de Moslimbroederschap tot een organisatie vol tegenstrijdigheden die in de strijd
verschillende kanten op kan gaan, zoals in 2011 tijdens de revolutie opnieuw zichtbaar werd.
Die sociale tegenstelling hangt samen met het feit dat de kaders van de Moslimbroederschap
uit professionals en zakenmannen bestaan die vooral economische stabiliteit willen, terwijl ze
de lagere klassen proberen te mobiliseren door sociale rechtvaardigheid te eisen.
In tegenstelling tot traditioneel links bleven de Revolutionaire Socialisten niet
zwijgen, noch kozen ze de kant van het regime wanneer Moslimbroeders in de gevangenis
werden gegooid. 17 In plaats daarvan hanteerden ze de richtlijn 'met de islamisten soms, met de
staat nooit.' 18 Ze bewaarden dus hun organisatorische onafhankelijkheid en leverden waar
nodig stevige kritiek op de politiek van de Moslimbroederschap. Tegelijkertijd erkenden ze
dat de Moslimbroederschap een reële sociale basis had onder de arme delen van de bevolking.
Daarom moest er waar nodig met hen samengewerkt worden om het brute regime van
Mubarak te kunnen verslaan en om tijdens dat proces aan de aanhang van de
Moslimbroederschap duidelijk te maken dat socialisten het meest consequent en effectief
strijden tegen dictatuur, sociale onrecht en het imperialisme.
Een volgend moment van protesten kwam na de aanslagen van 11 september 2001.
Mubarak verleende zijn medewerking aan de 'oorlog tegen terrorisme' en faciliteerde het
onwettige Amerikaanse vervoer van terreurverdachten. Egypte werd een van de landen
waaraan de VS in het geheim de marteling van gevangenen uitbesteedden. Toen de VS in
maart 2003 Irak aanvielen, bezetten 400.000 mensen het Tahriplein voor meer dan 24 uur.
Mubarak reageerde door de demonstratie uiteen te slaan en tientallen activisten te arresteren.
Mede door de repressie tegen de anti-oorlogsprotesten begon het vraagstuk van
democratie met grote urgentie op te komen. Dit werd versterkt door de geruchten dat Mubarak
voorbereidingen trof om opgevolgd te worden door zijn zoon. Er heerste ook een grote angst
dat ondanks alle beloftes van Mubarak de presidents- en parlementsverkiezingen in 2005
opnieuw oneerlijk zouden verlopen. Deze factoren droegen bij aan de opkomst van de
democratiseringsbeweging die het einde eiste van de militaire noodtoestand die sinds 1981
van kracht was en die democratische verkiezingen wilde organiseren. Op 12 december 2004
organiseerden Nasseristen, socialisten, islamisten en liberalen een demonstratie onder de leus
kifaya (genoeg!), die tevens de naam werd van hun coalitie. De demonstraties van Kifaya
bleven beperkt tot een paar duizend mensen, maar ze ondermijnden het taboe op directe
kritiek op Mubarak en creëerden een grotere politieke ruimte voor activisme.
Kifaya bleek echter niet in staat om grotere delen van de bevolking te mobiliseren
door de politieke eisen te koppelen aan de sociaal-economische onvrede die onder het
oppervlak opborrelde. Het regime slaagde erin om in 2005 het presidentschap van Mubarak te
verlengen en de noodtoestand door te zetten. De protesten maakten plaats voor een relatieve
luwte en het enthousiasme van veel activisten veranderde in moedeloosheid.
Protestbewegingen ontwikkelen zich immers niet van hoogtepunt naar hoogtepunt, maar
kennen pieken en dalen. Er zijn momenten dat vele duizenden mensen actief worden en
17
18
De Tagammu Partij bijvoorbeeld, waarin de restanten van de Communistische Partij van Egypte de hoofdrol
speelden, beperkte haar activiteiten tot wat Mubarak toeliet en gaf hem politieke steun in het onderdrukken
van de Moslimbroederschap die ze als 'fascistisch' beschouwde. Door deze houding kreeg ze geen aanhang
bij jongeren die Mubarak als de hoofdvijand zagen en speelde ze geen rol van betekenis tijdens de revolutie
van 2011.
Voor meer uitleg over de politieke houding van de Revolutionaire Socialisten tegenover de
Moslimbroederschap vóór de revolutie, zie El-Hamalawy 2004
(http://www.merip.org/mer/mer242/comrades-brothers). Die houding is gebaseerd op een marxisitsche
analyse van Harman 1994. Zie http://pubs.socialistreviewindex.org.uk/isj64/harman.htm
8
momenten waarop zelfs doorgewinterde activisten de hoop verliezen en de strijd opgeven.
Maar zelfs in periodes van luwte waren er mogelijkheden, zoals de protesten van rechters in
2006, die door de volhouders gebruikt werden om de strijd gaande te houden en een sterkere
organisatie op te bouwen tot de volgende ronde van grote mobilisaties.
In december 2006 brak er een staking uit die leidde tot een nieuwe opgang in de
arbeidersstrijd, die uiteindelijk in wisselwerking met de strijd voor politieke veranderingen
het regime van Mubarak aan het wankelen bracht. Arbeiders van de Misr Spinning and
Weaving Company in Mahalla al-Kubra, waar een kwart van de textielarbeiders werken,
kwamen in actie omdat de regering haar belofte om de bonussen te verhogen niet was
nagekomen. Op 7 december 2006 verzamelden duizenden arbeiders zich voor de
fabriekspoort en 3.000 textielarbeidsters liepen in een mars over het industrieterrein en
scandeerden: 'Hier zijn de vrouwen, waar blijven de mannen?!' Vervolgens gingen 24.000
arbeiders in staking en bezetten de fabriek gedurende drie dagen. Op de vierde dag gaf de
regering toe aan het merendeel van de eisen van de stakers.
In de klassenstrijd is niets is zo aanstekelijk als een overwinning. De staking in
Mahalla kreeg navolging in andere publieke sector en sloeg vervolgens over naar de private
sector. In de daaropvolgende jaren kwamen zelfs de sectoren waarin er geen stakingstraditie
bestond, zoals het onderwijs en de gezondheidszorg, in actie. In 2007 schoot het aantal
collectieve acties door arbeiders omhoog naar 614 gevallen. 19 Naar schatting twee miljoen
arbeiders namen tussen 1998 en 2008 deel aan stakingen en fabrieksbezettingen. Dit
vertegenwoordigt in feite de grootste protestbeweging in Egypte sinds de strijd tegen de Britse
bezetting. 20 Terwijl de media in 2011 al hun aandacht focusten op Twitter en Facebook om
het succes van de revolutie te verklaren, waren het in feite de netwerken van activisten die
gevormd waren in het daaraan voorafgaande decennium die een essentiële rol speelden in het
ten val brengen van Mubarak.
Autoritair kapitalisme
Een belangrijke conclusie die uit de recente geschiedenis van Egypte getrokken kan worden,
is dat economische liberalisering niet tot democratisering leidt. Egypte is geen uitzondering;
hetzelfde samengaan van autoritaire machtsstructuren en de vrije markt zien we terug in
landen zoals China, Rusland en andere voormalige Sovjet-republieken. Deze ontwikkeling
gaat in tegen wat de neoliberale handboeken beweren. Volgens neoliberalen zal economische
liberalisering de sociale krachten losmaken die democratische veranderingen teweeg brengen.
Het gaat dan natuurlijk om 'ondernemers' en 'de middenklasse.' Het Egyptische voorbeeld
illustreert waarom dit niet het geval is. Het (neo)liberalisme is immers gebaseerd op een
fundamenteel foute aanname.
De (neo)liberale theorie is gebaseerd op de stelling dat politiek en economie twee
onafhankelijke processen zijn. Neoliberalen pleiten dan ook voor zo weinig mogelijk
staatsbemoeienis met de economie. De economische crisis die in 2008 uitbrak, heeft echter
laten zien dat deze stelling slechts een mythe is. Het waren immers de fervente voorstanders
van de vrije markt die overal terug moesten vallen op de interventie van de staat toen de vrije
markt faalde op een dramatische wijze die vergelijkbaar is met de Grote Depressie van de
jaren dertig. Zij gebruikten de staat om banken en bedrijven van de ondergang te redden, om
te bezuinigen op de sociale uitgaven en om politiegeweld in te zetten tegen de 'sociale onrust'
die daaruit voortkwam.
De afhankelijkheidsrelatie tussen staat en kapitaal is ook in de ontwikkelingslanden
zichtbaar. In landen als Egypte werden bedrijven volgens het neoliberale recept
19
20
Naguib 2011, p.10.
Beinin 2009, p. 449.
9
geprivatiseerd, subsidies werden afgeschaft en de economie werd geliberaliseerd. Dit leidde
tot de opkomst van een nieuwe rijke klasse en het verscherpen van de klassentegenstellingen
in deze landen. Maar tot nu toe heeft deze nieuwe elite van ondernemers zich niet bepaald
ingezet voor democratische veranderingen. Het tegengestelde is waar. Deze ondernemers
spelen in Egypte een uiterst conservatieve rol. Sommigen steunen het oude regime en het
leger om de status quo te verdedigen, terwijl anderen de Moslimbroederschap steunen om te
zorgen dat het revolutionaire proces geen bedreiging wordt voor hun private bezittingen. De
aanzetten om de revolutie door te zetten komen van de georganiseerde arbeidersklasse en de
stedelijke armen, zoals de stakingen en de demonstraties op het Tahrirplein laten zien.
Dat heeft met twee factoren te maken. Aan de ene kant wordt het internationale
kapitalisme nog steeds gekenmerkt door grote ongelijkmatigheid die tot grote concurrentie
leidt. De kapitalistische klasse in landen als Rusland en Egypte heeft nog steeds haar eigen
staat nodig om sterker te staan in die concurrentie, via bijvoorbeeld goedkope leningen,
staatsorders, en protectionisme tegen importeurs. De tweede factor die de kapitalisten
afhankelijk maakt van de staat, is dat zij de staat nodig hebben om hun rijkdom en privileges
te beschermen tegen protesten, stakingen en revoluties. Het is dan ook geen toeval dat de
voorzichtige politieke liberalisering die in de jaren negentig onder Mubarak werd ingevoerd,
meteen werd teruggedraaid zodra de economische liberalisering tot protesten leidde.
Economische liberalisering leidde tot het terugdraaien van politieke liberalisering.
Verkiezingen, retoriek en samenwerking met de EU en de VS werden de façades waarachter
een autoritair regime werd opgebouwd.
Tegen deze achtergrond wordt het begrijpelijk waarom de revolutie die in 2011 in
Egypte begon na een fase van eenheid ook tot politieke verschillen heeft geleid. Het leger in
Egypte is niet alleen een politieke machtsfactor, maar het heeft ook een groot deel – naar
schatting een kwart – van de economie in handen. Veel ondernemers in de private sector zijn
afhankelijk van de orders van de bedrijven die in bezit zijn van de militairen of danken hun
rijkdom aan hun goede banden met de politieke elite. Zij hebben veel te verliezen als de
revolutie de economische macht van het leger aantast. Aan de andere kant willen arbeiders in
Egypte dat de revolutie hen niet alleen politieke rechten geeft, maar ze willen die rechten
gebruiken om hun leven te verbeteren. De toekomst van de revolutie hangt af van het verloop
van de strijd tussen deze tegengestelde sociale krachten in Egypte. 21 Er staat veel op het spel:
het lukt ofwel de revolutionaire krachten om de revolutie door te zetten tot er fundamentele
veranderingen zijn bereikt, ofwel de Egyptische legerleiding slaagt met behulp van de VS, de
EU en Saoedi-Arabië erin het systeem van Mubarak te vervangen door een autoritair
kapitalisme achter een nieuwe façade.
Literatuurlijst
Alexander, A. (2011). 'The growing social soul of the Egyptian Revolutionj,' in International
Socialism Journal 131 (Summer 2011). Zie http://isj.org.uk/index.php4?id=741&issue=131
Alexander, A. (2012). 'The Egyptian workers' movement and the 25 January Revolution,' in
International Socialism Journal 133 (Winter 2012). Zie LINK
Beinin, J. (2001). Workers and Peasants in the Modern Middle East. Cambridge: Cambridge
University Press.
21
Zie Alexander 2012, voor de perspectieven van de arbeidersstrijd in de Egyptische revolutie.
10
Beinin, J. (2009). 'Workers' Protest in Egypt. Neo-liberalism and Class Struggle in the 21st
Century,' in Social Movement Studies 8 (4).
Cleveland, W.L. (2004). A History of the Modern Middle East. Boulder: Westview Press.
Cliff, T. (1963). 'Deflected Permanent Revolution,' in International Socialism Journal (first
series) 12 (Spring 1963). Zie
http://www.marxists.org/archive/cliff/works/1963/xx/permrev.htm#f3cr
El-Hamalawy, H. (2007), 'Comrades and Brothers', in Merip 242. Zie
http://www.merip.org/mer/mer242/comrades-brothers
El-Mahdi, R. en P. Marfleet (2009). Egypt : The Moment of Change. Londen: Zed Books.
El-Sayed El-Naggar, A. (2009). 'Economic policy: from state control to decay and corruption'
in R. El-Mahdi and P. Marfleet.
Harman, C. (1994). 'The prophet and the proletariat,' in International Socialism Journal 64
(Autumn 1994). Zie http://pubs.socialistreviewindex.org.uk/isj64/harman.htm
International Monetary Fund (2010), IMF Country Report No. 10/94 (2010). Zie
http://www.imf.org/external/pubs/ft/scr/2010/cr1094.pdf
Langohr, V. (2004). 'Too Much Civil Society, Too Little Politics: Egypt and Liberalizing
Arab Regimes,' in Comparative Politics 36.
Marfleet, P. (2011). 'Act one of the Egyptian Revolution,' in International Socialism 130
(2011).
Naguib, S. (2011), The Egyptian Revolution. A political analysis and eyewitness account.
London: Bookmarks.
Rejwan, N. (1974). Nasserist ideology: its exponents and critics. Jerusalem: Israel
Universities Press.
Seddon, D. en L. Zeilig. (2005). 'Class and Protest in Africa: New Waves,' in Review of
African Political Economy 32.
Solidarity Center (2010). The Struggle for Workers Rights in Egypt. Zie
http://www.solidaritycenter.org/files/pubs_egypt_wr.pdf
Van der Zwan, M. (2011). 'Van volksopstand tot permanente revolutie,'
http://socialisme.nu/blog/nieuws/12929/van-volksopstand-naar-permanente-revolutie/
11
zie
Download