Syllabus joodse geschiedenis

advertisement
Syllabus joodse geschiedenis
Periode 2
Israel 1917- 1967
De lange weg naar onafhankelijkheid
Klas 4 hv
Schooljaar 2007-2008/‫תשס״ח‬
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave.................................................................................................................1
Planning periode 2 .......................................................................................................... 2
Joodse geschiedenis 4h/v ........................................................................................... 2
De gevolgen van WOI ..................................................................................................... 3
De Mc Mahon-verklaring ........................................................................................... 3
Het Sykes-Picot verdrag ............................................................................................. 4
De Balfour-declaration ............................................................................................... 4
De Tweede Wereldoorlog ............................................................................................... 6
Het Britse Witboek (1939) .......................................................................................... 6
De ontmoeting tussen Hitler en de groot-mufti......................................................... 7
De situatie na de Tweede Wereldoorlog ....................................................................... 10
De Exodus .................................................................................................................. 10
Het verdelingsplan van 1947 (resolutie 181) ............................................................12
De weg naar onafhankelijkheid ..................................................................................... 15
De onafhankelijkheidsverklaring van de staat Israël ..............................................16
De Israëlische onafhankelijkheidsoorlog .................................................................. 17
De jaren ‘50 ....................................................................................................................21
Het Palestijnse vraagstuk..........................................................................................21
De wet op terugkeer .................................................................................................. 23
De Suez-crisis (1956) ................................................................................................. 24
De jaren ‘60 ................................................................................................................... 27
De Zesdaagse Oorlog en resolutie 242 ..................................................................... 27
De organisatie van de Palestijnen............................................................................ 30
Meer lezen? ................................................................................................................... 34
1
Planning periode 2
Joodse geschiedenis 4h/v
Week
47
Stof
De gevolgen van WOI:
De McMahon verklaring (1915)
Het Sykes-Picot verdrag (1916)
De Balfour-declaratie (1917)
48
De Tweede Wereldoorlog:
Het Britse Witboek (1939)
De ontmoeting tussen Hitler en de groot-mufti
van Jerusjalajim (1941)
49
De situatie na WOII:
De Exodus (1947)
Het delingsplan van de VN (1947)
50
De weg naar onafhankelijkheid:
Ben-Gurion en de onafhankelijkheids-verklaring
De onafhankelijkheidsoorlog (1948)
51
Activiteitenweek; geen les
52
Wintervakantie
1
Wintervakantie
2
De jaren ’50:
Het Palestijnse vraagstuk
De wet op terugkeer
De Suez-crisis (1956)
3
De jaren ’60:
De Zesdaagse Oorlog
De organisaties van de Palestijnen
4
Laatste les vóór SE-periode
Herhalen stof periode 1 en 2
2
De gevolgen van WOI
In 1918 was de Eerste Wereldoorlog voorbij. De oorlog had voor veel opschudding
gezorgd. Het was de eerste oorlog waarin op grote schaal moderne wapens werden
ingezet, zoals tanks, mitrailleurs en gifgas. De oorlog veranderde ook de
verhoudingen in Europa. Eén van de belangrijkste veranderingen in Europa was de
instorting van het Ottomaanse Rijk. Tot 1918 had het Ottomaanse Rijk zich
uitgestrekt over een groot deel van Europa en het Midden-Oosten. Na de oorlog was
het rijk verslagen, en werden delen van het gebied onafhankelijk. Een ander deel,
waaronder Palestina, viel vanaf dat moment onder het mandaat van GrootBrittannië. Dit hield in dat het bestuur in het gebied in handen lag van de Engelse
regering.
De Mc Mahon-verklaring
Al tijdens de oorlog probeerde Groot-Brittannië haar invloed in het gebied te
vergroten. Een bekend document uit deze tijd is de brief van Sir Henry McMahon uit
1915. McMahon was de Britse afgevaardigde in Caïro. In 1915 correspondeerde hij
met Hussein Ibn Ali, de sharif van Mekka. McMahon beloofde de Arabische leider te
steunen in zijn strijd voor de stichting van een Arabisch wereldrijk (kalifaat), in ruil
voor Arabische steun in de oorlog tegen Turkije:
“Ik heb je laatste brief met plezier ontvangen en je vriendelijkheid en oprechtheid
hebben met erg goed gedaan. Ik betreur het dat je de indruk kreeg dat ik me in mijn
laatste brief onverschillig opstelde over de grenzen van het Arabische rijk. Dat is
zeker niet het geval. Ik dacht dat de tijd nog niet rijp was om hierover te spreken. Nu
realiseer ik me dat je deze kwestie van vitaal belang acht. Met groot genoegen kan
ik je nu, na overleg met de Britse regering, de volgende mededeling doen.
De gebieden Mersina en Alexandretta, en de delen van Syrië ten westen van
Damascus, Homs, Hama, en Aleppo kunnen niet beschouwd worden als Arabische
gebieden, en moeten daarom buiten de grenzen van het Arabische rijk vallen.
Met deze aantekening accepteren wij de grenzen van het Arabische rijk. Wat betreft
de gebieden waar Groot-Brittannië vrij is te handelen, kan ik je namens de Britse
regering de volgende toezeggingen geven:
(1) Groot-Brittannië is bereid om de onafhankelijkheid van de Arabieren te
erkennen en te steunen, in al die gebieden die de sherif van Mekka vraagt.
(2) Groot-Brittannië zal de heilige plaatsen beschermen tegen agressie van
buiten.
(3) Als de situatie dat toelaat, zal Groot-Brittannië de Arabieren adviseren
omtrent de beste manier waarop het gebied bestuurd kan worden.
Ik ben er van overtuigd dat deze verklaring je verzekert van de sympathie van
Groot-Brittannië jegens de aspiraties van hun vrienden, de Arabieren, en dat deze
verklaring zal leiden tot een sterk en langdurig bondgenootschap. Het directe
resultaat hiervan zal zijn de verdrijving van de Turken uit alle Arabische landen en
de bevrijding van de Arabische bevolking van het Turkse juk, dat al zo veel jaar
zwaar op hen drukt.”
3
Het Sykes-Picot verdrag
Een jaar later, in 1916, werd een overeenkomst getekend door een Britse en een
Franse diplomaat: Sir Mark Sykes en Charles Georges-Picot. Dit Sykes-Picot verdrag
werd ook erkend door Rusland. Een deel van het verdrag:
(1) Frankrijk en Groot-Brittannië zijn bereid om een Arabische staat, of een
federatie van Arabische staten, te erkennen en te steunen in de gebieden (A)
en (B) op de kaart. In gebied (A) zal Frankrijk, en in gebied (B) zal Engeland
buitenlandse adviseurs sturen wanneer daaraan behoefte is. (…)
(2) Groot-Brittannië zal toegang krijgen tot de havens van Haifa en Akko, en tot
het water van de Eufraat en de Tigris. (…)
(3) De Britse en Franse regering hebben afgesproken, als beschermers van de
Arabische staat, dat zijzelf nog een derde partij gebieden zullen veroveren op
het Arabisch schiereiland. (…)
De Balfour-declaration
Een derde document dat in deze periode (1917) door Groot-Brittannië werd
opgesteld, was de Balfour-declaration. Tijdens de oorlog had Groot-Brittannië niet
alleen bij de Arabieren gelobbyed om steun te krijgen tegen het Ottomaanse Rijk,
maar ook bij joodse en zionistische vertegenwoordigers. Dit resulteerde in een brief
van Lord Arthur James Balfour, de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, aan
Lord Rotschild, een joodse baron:
“Geachte Lord Rothschild,
Met groot genoegen zend ik u, namens de
regering van Zijne Majesteit, de volgende
verklaring van sympathie met het Joodse
zionistisch streven dat aan het kabinet werd
voorgelegd en door het kabinet is goedgekeurd.
"De regering van Zijne Majesteit staat
welwillend tegenover de oprichting in Palestina
van een nationaal tehuis (Engels: home) voor
het Joodse volk en zal zich naar haar beste
mogelijkheden inspanningen getroosten om het
bereiken van dat doel te vergemakkelijken,
waarbij vanzelfsprekend niets gedaan zal
worden dat afbreuk zou kunnen doen aan de
maatschappelijke en godsdienstige rechten van
de niet-joodse gemeenschappen in Palestina, of
aan de rechten en politieke status die joden
genieten in welk ander land dan ook." Ik ben u
erkentelijk wanneer u deze verklaring ter
kennis wilt brengen aan de zionistische
federatie.
De originele Balfour-declaration
Met vriendelijke groeten, A. J. Balfour”
4
Discussievragen
1. Leg voor elk van de drie verklaringen uit welke toezegging Groot-Brittannië doet.
2. Wat hoopten de Engelsen met deze verklaringen te bereiken? Leg uit in hoeverre
zij dit doel ook daadwerkelijk hebben bereikt.
3. Op welke punten zijn de toezeggingen met elkaar in strijd? Leg uit.
4. Welke argumenten kunnen verdedigers van de Palestijnse zaak uit deze
documenten halen?
5. Geef je mening over het optreden van de Engelsen in de periode 1915-1918.
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
5
De Tweede Wereldoorlog
De Engelsen slaagden in hun opzet: ze kregen het na de Eerste Wereldoorlog in een
deel van het Midden-Oosten voor het zeggen. Palestina werd Brits mandaatgebied.
Onder de Engelse heerschappij kregen joodse immigranten mondjesmaat toegang tot
het gebied. Toch hadden de joden in Palestina weinig in te brengen. Een goed
voorbeeld hiervan is de oprichting van een joods vrijwilligersleger in 1917. Na de
Balfour-declaration wilden veel joodse inwoners van Palestina aan de kant van de
Engelsen vechten tegen de Turken. Op die manier zouden ze de Engelse overwinning,
en daarmee een joods nationaal tehuis dichterbij brengen. Om die reden werd de
Hagana opgericht (een voorloper van het latere leger) en de Etsel/Irgun (Etsel is een
afkorting van Irgoen Tzva’i Le’umi). De Engelsen wilden hier weinig van weten. Ze
gaven het legertje geen toestemming mee te vechten. Wel mochten ze wacht lopen en
patrouilleren in relatief rustige gebieden zoals de Negev.
Vanaf 1933 namen de spanningen in Europa toe. Steeds meer vluchtelingen
probeerden Europa te verlaten om aan de dreiging van Hitler te ontkomen. GrootBrittannië bevond zich tussen twee vuren: aan de ene kant wilden groepen joodse
vluchtelingen toestemming hebben om naar Palestina te emigreren, aan de andere
kant waren de Arabische leiders daar niet blij mee. Zij zagen de joodse immigratie als
een schending van de toezeggingen die de Engelsen hadden gedaan in de McMahon
verklaring en het Sykes-Picot verdrag. In die verdragen was immers beloofd dat er
een onafhankelijke Arabische staat zou komen, en dat er naast de Engelsen, Fransen
en Arabieren geen andere invloeden in het gebied geaccepteerd zouden worden. De
joodse vluchtelingen werden om die reden door de Arabische leiders gezien als een
bedreiging.
Het Britse Witboek (1939)
Twee documenten uit deze tijd geven een beeld van de ingewikkelde situatie. In 1939
kwam de Engelse regering met het Witboek (white paper is een term die in GrootBrittannië wordt gebruikt voor een belangrijke wet). Doel van deze wet was het
beperken van de joodse immigratie naar Palestina. De gevolgen hiervan waren
ernstig. Door dit verbod werd voor veel Europese joden een vluchtroute naar
Palestina afgesneden.
“De oprichting van een levensvatbare onafhankelijke Arabische en een joodse staat
blijkt niet haalbaar. Onze regering heeft daarom haar beleid aangepast,
overeenkomstig de afspraken met de Arabieren en de joden. Deze afspraken zullen
hieronder verder uitéén worden gezet.
De uitdrukking ‘een nationaal tehuis voor het joodse volk’ is door sommigen opgevat
als de belofte dat Palestina zal worden omgevormd tot een joodse staat… Maar, de
Engelse regering meent dat het niet de bedoeling van de Balfour declaration is
geweest om een joodse staat op te richten tegen de wil van de Arabische bevolking
6
van het land. De regering laat hierbij daarom onomstoten weten dat het niet haar
bedoeling is om van Palestina een joods land te maken. (…)
In recente gesprekken hebben Arabische afgevaardigden beweerd dat McMahon
ook over Palestina heeft gesproken in zijn verklaring over Arabische
onafhankelijkheid. De Engelse regering laat hierbij weten dat het hele gebied ten
westen van de Jordaan buiten het plan van McMahon valt. De verklaring van
McMahon kan dan ook niet gezien worden als basis voor een Arabische staat in
Palestina. De oprichting van een onafhankelijke staat en het beëindigen van het
mandaat in Palestina kan alleen plaatsvinden wanneer de betrekkingen tussen de
Arabieren en de joden zodanig zijn dat zij samen kunnen regeren. (…) Het zal dan
ook het constante streven van de Engelse regering zijn om de goede relaties tussen
de Arabieren en de joden te bevorderen. (…)
De joodse immigratie zal de komende vijf jaar worden gereguleerd zodat, als de
economie dat toestaat, de joodse bevolking ongeveer één derde van de totale
bevolking zal uitmaken. Rekening houdend met de te verwachten groei van het
Arabische en het joodse bevolkingsdeel, en met het aantal illegale joodse
immigranten, zal het aantal joodse immigranten zo’n 75.000 bedragen over een
periode van vijf jaar. Daarna zal iedere vijf jaar een aantal van 10.000
immigranten worden toegelaten. (…)
De strenge beperkingen in het witboek werden door de Engelse regering uitgevoerd.
Meerdere keren zijn groepen joodse vluchtelingen tegengehouden en teruggestuurd
naar het Europese vasteland. Velen van hen werden alsnog door de nazi’s gedood.
De ontmoeting tussen Hitler en de groot-mufti
Niet alleen de Engelse overheid was de joodse vluchtelingen in deze tijd ongunstig
gezind. De groot-mufti van Jerusjalajim (een Arabische heerser die het in de stad
voor het zeggen had, en die bovendien een oom was van de latere Palestijnse leider
Yasser Arafat) was sterk gekant tegen de joodse immigratie. De Arabische leider was
bang dat de joden de macht in Palestina zouden overnemen, en dat de oprichting van
een Arabische staat daardoor verder weg zou zijn dan ooit. Om deze reden sloot hij
vriendschap met de grootste jodenhaters uit zijn tijd: Hitler, Von Ribbentrop en
andere nationaal-socialistische leiders. Ze ontmoetten elkaar verschillende malen, en
tijdens die ontmoetingen bespraken ze de manier waarop de politiek van de Nazi’s en
de Arabische belangen het best met elkaar verenigd konden worden:
Verslag van het gesprek tussen de Führer en de Groot mufti van Jeruzalem (Haj
Amin al-Husseini) op 28 november 1941 in Berlijn.
De Groot mufti begon met het bedanken van de Führer voor de grote eer dat hij hem
wilde ontvangen. Hij wilde graag de gelegenheid aangrijpen om zijn dank over te
brengen aan de Führer van het grote Duitse rijk, die door de hele Arabische wereld
bewonderd wordt, voor zijn steun die hij altijd heeft gegeven aan het Arabische en
vooral het Palestijnse belang, die hij in zijn toespraken altijd heeft laten blijken. De
7
Arabische landen zijn er vast van overtuigd dat Duitsland de oorlog zal winnen en
dat dan de Arabische zaak zal bloeien. De Arabieren zijn de natuurlijke vrienden
van de Duitsers, omdat ze dezelfde vijanden hebben, namelijk de Engelsen, de joden
en de communisten. Ze zijn daarom bereid om de Duitsers met al hun krachten te
steunen en zijn er klaar voor om deel te nemen aan de oorlog. Niet alleen op een
negatieve manier door sabotage en het ontketenen van revoluties, maar ook op een
positieve manier door het oprichten van een Arabisch legioen. (…)
De Führer antwoordde dat de
houding van Duitsland ten
opzichte van al deze punten,
zoals de mufti reeds had
uitgelegd, duidelijk is. Duitsland
is
voorstander
van
een
ondubbelzinnige oorlog tegen de
joden. Uiteraard houdt dit ook
een actief verzet in tegen de
vestiging
van
een
joods
nationaal tehuis in Palestina,
want dat zou niets anders zijn
dan een centrum, in de vorm
van een staat, van waaruit de
joden hun destructieve invloed
kunnen uitoefenen. Duitsland is
zich er ook van bewust dat de
De mufti en Hitler
bewering dat de joden als economische pioniers in Palestina functioneren, een
leugen is. Het werk wordt gedaan door Arabieren, niet door joden. Duitsland is
daarom voornemens om de Europese landen één voor één te vragen het joodse
probleem op te lossen, en als de tijd daar rijp voor is zal datzelfde gevraagd worden
aan de niet-Europese landen. (…) Toen deed de Führer de volgende verklaring aan
de mufti, en verzocht hem deze diep in zijn hart op te slaan:
1. Hij (de Führer) zal de totale verwoesting nastreven van het joods-communistische
rijk in Europa.
2. Op een bepaald moment (dat niet van te voren was te bepalen, maar dat zeker
niet lang op zich zou laten wachten) zouden de Duitse soldaten het zuidelijke randje
van de Kaukasus bereiken.
3. Zodra dit doel bereikt zal zijn, zal de Führer de Arabieren ervan verzekeren dat
het uur van bevrijding zal zijn aangebroken. Het voornaamste doel van Duitsland
zal dan zijn de verwoesting van de joodse aanwezigheid in de Arabische wereld
onder Britse heerschappij. Op dat moment zal de mufti de belangrijkste leider van
de Arabische wereld zijn. Het zal dan zijn taak zijn om de Arabische operatie in
werking te stellen die hij heeft voorbereid. (…) Zodra Duitsland vanuit Rostov de
weg naar Iran en Irak geopend zal hebben, zal het einde van het Britse imperium in
zicht zijn. De Führer sprak zijn hoop uit dat dit doel binnen een jaar bereikt zou
worden. (…) De Groot mufti bedankte hem hiervoor en concludeerde dat hij de
Führer verliet, vol vertrouwen en met grote dank voor de interesse die hij toonde in
de Arabische zaak.
8
Discussievragen
1. In hoeverre is het Britse witboek een discontinuïteit met de eerdere Britse
toezeggingen aan de joden en de Arabieren?
2. Zien de Britten dit zelf ook zo? Leg uit.
3. “Door het Britse witboek uit 1939 is het aantal joodse slachtoffers veel groter dan
het anders geweest was”. Geef aan in hoeverre je het eens bent met deze stelling.
4. Wat waren de belangrijkste afspraken die Hitler en de groot mufti met elkaar
maakten.
5. Leg uit in hoeverre je het voor de hand vindt liggen dat Hitler en de mufti zo’n goed
contact hadden.
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
9
De situatie na de Tweede Wereldoorlog
In 1945 was de Tweede Wereldoorlog eindelijk voorbij. Langzamerhand werd de
enorme omvang van de schade die de oorlog had aangericht duidelijk. Sommige
overlevenden van de kampen en de onderduik keerden terug naar de plaats waar ze
vandaan kwamen, en probeerden daar hun leven weer op te bouwen. Anderen waren
alles verloren, en wilden op een andere plaats een nieuw bestaan opbouwen. Veel
overlevenden probeerden in de maanden na de oorlog naar Palestina te immigreren.
Vorige week hebben we gezien dat de Engelse overheid strenge richtlijnen had
opgesteld voor joodse immigratie. De verschrikkelijke gebeurtenissen uit de periode
1939-1945 veranderden daar niets aan. Ook na de oorlog weigerden de Engelsen meer
vluchtelingen toe te laten dan officieel was vastgelegd.
Ondanks
de
Engelse wetgeving
probeerden
veel
overlevenden toch
de overtocht naar
Palestina te maken.
In
Marseille
(Frankrijk) gingen
ze aan boord van de
schepen die hen
naar
Palestina
zouden
moeten
brengen.
Verschillende
schepen
werden
door de Engelsen
tegengehouden, en
de
opvarenden
werden gevangen
gezet in kampen op
Cyprus.
De Exodus, 11-7-1947
De Exodus
Het bekendste schip was de Exodus, die op 11 juli 1947 de haven van Marseille verliet.
Aan boord waren 4515 passagiers.Een week na vertrek kwam het schip aan in
Palestina. Zo’n 40 kilometer van de kust werd het schip echter aangehouden door de
Britse kustwachten. De meeste opvarenden hadden geen certificaten die toestemming
gaven voor immigratie naar Palestina. Met geweld namen de Britten het schip over.
Hierbij kwamen drie opvarenden om. Vervolgens werd het schip naar de haven van
Haifa geleid, waar de opvarenden gedwongen werden aan boord te gaan van drie
andere schepen. De Engelsen besloten toen om de immigranten niet gevangen te
zetten op Cyprus, maar om ze terug te sturen naar Frankrijk, waar ze aan boord
waren gegaan. Hiermee wilden ze een signaal afgeven: het maakt niet uit of de
immigranten aankomen in Palestina, we sturen alle immigranten terug naar het land
waaruit ze vertrokken zijn.
10
Brief van de opvarenden van de Exodus, gericht aan de Engelse regering
11
Bij aankomst in Frankrijk gingen de opvarenden in hongerstaking. De Franse
overheid weigerde bovendien om de immigranten aan land te laten. Dit was voor de
Engelsen echter nog niet voldoende reden om de opvarenden alsnog toe te laten tot
Palestina. Ze lieten de schepen naar Hamburg varen. Die Duitse stad lag op dat
moment in de Britse zone van Duitsland. In Hamburg gingen de vrouwen en
kinderen vrijwillig van boord. De mannen moesten met geweld van het schip worden
verwijderd. Alle opvarenden werden nu naar het kamp voor Displaced Persons in
Lübeck gestuurd.
De reis van de Exocdus
Binnen een jaar
probeerde
de
helft van de
passagiers
alsnog
op
illegale
wijze
Palestina
te
bereiken.
Een
deel van hen
slaagde daarin,
de rest werd
gevangen gezet
op Cyprus. Toen
de staat Israël in
1948 een feit
was, konden de
immigranten
alsnog het DPkamp verlaten
en naar Israël
emigreren.
In diezelfde periode vonden in de Verenigde Naties discussies plaats over de
toekomst van Palestina. De Engelsen waren na de Tweede Wereldoorlog behoorlijk
verzwakt. Ze waren niet langer het wereldrijk dat ze voor die tijd waren geweest.
Bovendien zagen ze dat de problemen tussen Arabieren en joden steeds groter
werden. Hierop besloten ze het mandaat over het gebied over te dragen aan de VN.
Op 29 november 1947 werd in de algemene vergadering van de Verenigde Naties een
resolutie aangenomen waarin werd besloten het mandaatgebied Palestina op te delen
in een Arabisch deel, een joods deel, en een deel onder internationaal bestuur
(Jerusjalajim en omgeving). In het Arabische deel zouden 725.000 Arabieren en
10.000 joden wonen, in het joodse deel 498.000 joden en 407.000 Arabieren, en in
het internationale deel 105.000 Arabieren en 100.000 joden. Dit plan werd met een
2/3 meerderheid aangenomen. Ook de joodse inwoners van Palestina juichten het
plan toe. De Arabieren weigerden een joodse aanwezigheid in Palestina te accepteren,
en wezen het plan af.
Het verdelingsplan van 1947 (resolutie 181)
1. Het mandaat voor Palestina zal zo snel mogelijk, maar in ieder geval niet later
dan 1 augustus 1948, beëindigd worden.
12
2. De gewapende troepen van de Britten zullen worden teruggetrokken uit
Palestina. Deze terugtrekking zal uiterlijk 1 augustus 1948 voltooid zijn.
3. Onafhankelijke Arabische en joodse staten, en een speciaal internationaal bestuur
over Jeruzalem, zullen uiterlijk twee maanden daarna tot stand komen. De grenzen
van deze staten zullen in deel 2 en 3 van dit plan worden vastgelegd.
Overige afspraken (samenvatting)
1. Een special commissie zal, na aankomst in Palestina, te werk gaan om de grenzen
op te stellen tussen de Arabische en de joodse staat en de stad Jeruzalem,
overeenkomstig de afspraken die over de verdeling van Palestina gemaakt zijn in de
Algemene Vergadering. Desondanks kan van deze grenzen worden afgeweken,
zodat dopen niet in tweeën zullen worden gesneden door de nieuwe landsgrenzen,
tenzij het echt niet anders kan.
2. De commissie zal, na overleg met democratische partijen en andere organisaties
van de Arabische en de joodse staat, overgaan tot de oprichting van een tijdelijke
regering in beide staten. De activiteiten van beide regeringen zullen plaatsvinden
onder toezicht van de commissie. (…) Deze tijdelijke regeringen zijn zelf
verantwoordelijk voor het bestuur en voor de immigratie naar het gebied.
3. Bestaande afspraken met betrekking tot heilige plaatsen en gebouwen zullen
gehandhaafd blijven.
4. De vrijheid van toegang tot deze plaatsen zal, overeenkomstig de bestaande
rechten, voor alle inwoners gegarandeerd worden.
5. Vrijheid van geweten en vrijheid van godsdienst zullen aan iedereen worden
verleend.
6. Er zal geen enkele vorm van discriminatie plaatsvinden tussen de bewoners, op
basis van ras, godsdienst, taal of sexe.
7. Alle inwoners zullen op gelijke wijze beschermd worden door de wet.
8. Beide staten zullen ervoor zorgen dat de Arabische of joodse minderheid in hun
land goed onderwijs kan volgen, in de eigen taal en aansluitend bij de eigen cultuur.
9. Er zal geen land onteigend worden van Arabieren in de joodse staat of van joden
in de Arabische staat, tenzij het het algemeen belang dient. In dat geval zullen de
personen volledig gecompenseerd worden.
10. De staat zal gebonden zijn aan alle internationale afspraken en conventies.
11. De volgende mededeling zal worden toegevoegd aan de verklaring van de joodse
staat: “In de joodse staat zullen alle nodige voorzieningen worden gegeven aan de
Arabisch-sprekende burgers, voor het gebruik van hun taal, zowel mondeling als
schriftelijk, in de wetgeving, de rechtspraak en de ambtenarij.
12. In de verklaring van de Arabische staat zal dezelfde mededeling worden
opgenomen, maar dan voor joodse burgers.
13
Discussievragen
1. Waarom besloot Groot-Brittannië het mandaat over Palestina uit handen te geven?
2. Hoe denk je dat de Arabieren hierop reageerden? En de joden? Leg uit en gebruik
in je antwoord de aantallen inwoners die in de tekst genoemd worden.
3. In hoeverre komt het verdelingsplan van de VN overeen met de beloftes van de
Engelsen?
4. Wat waren de belangrijkste afspraken die in het verdelingsplan werden vastgelegd
met betrekking tot het zelfbestuur van de twee nieuwe staten?
5. Hoe wilde de VN voorkomen dat joden en Arabieren elkaar na de deling vijandelijk
zouden bejegenen? Leg uit.
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
14
De weg naar onafhankelijkheid
Het delingsplan van de VN werd aangenomen door de joodse inwoners van Palestina.
De Arabieren in het gebied, en in de rest van de Arabische wereld, wilden er niets van
weten. Zij weigerden een joodse staat in het gebied te accepteren. De spanning liep
op. Steeds vaker kwam het tot ongeregeldheden tussen Arabische en joodse groepen.
Om tot een oplossing te komen, stuurden de
Verenigde Naties de Zweedse graaf Bernadotte
naar het gebied, om de partijen nader tot elkaar te
brengen. Bernadotte had in de Tweede
Wereldoorlog als medewerker van het Rode Kruis
duizenden gevangen uit de concentratiekampen
vrij weten te krijgen. Zijn bezoek aan het MiddenOosten liep echter uit op een drama: hij werd door
de Stern-groep vermoord. De Stern-groep (ook
wel de Lechi genoemd, een afkorting van
Lochamei Cherut Yisrael) was een gewelddadige
joodse beweging die door geweld de oprichting van
een joodse staat wilde afdwingen. Ook de
Etsel/Irgun, waarover we eerder lazen, koos voor
gewelddadige middelen om een onafhankelijke
joodse staat te bereiken, maar de Lechi was nog
veel radicaler.
Graaf Folke Bernadotte
De Stern-groep beging allerlei criminele activiteiten (zoals bankovervallen en
afpersing) om aan geld te komen voor wapens. Met die wapens werden in totaal 42
aanslagen: bomaanslagen, bombrieven, en de liquidatie van Engelsen of joodse
inwoners van Palestina die de kant van de Engelsen kozen. Ook legden de leden van
de Stern-groep bommen op bruggen en spoorwegen.
Op 13 mei 1948 begonnen de Britten met de definitieve
terugtrekking uit Palestina. Dit was het moment waarop de
joodse inwoners van Palestina hadden gewacht. In het
delingsplan stond immers dat zo snel mogelijk na de
terugtrekking van de Britten een joodse staat uitgeroepen
moest worden? Minder dan 24 na het vertrek van de Britten
riep David Ben-Gurion de Israëlische onafhankelijkheid uit.
David Ben-Gurion werd als David Grün in Polen geboren. In
1906 maakte hij aliyah. In Palestina ging hij eerst werken als
zionist, maar al snel besloot hij de politiek in te gaan. In de
jaren voorafgaand aan de oprichting van de staat Israël was
Ben-Gurion één van de leiders van de Hagana. Aanvankelijk
Het logo van de werkte hij ook samen met de Etsel/Irgun waar in die tijd
Stern/Lechi
Menachem Begin (die later minister-president zou worden)
actief was. Vanaf 1948 vond Ben-Gurion echter dat er één officieel Israëlisch leger
moest komen, en dat losse groeperingen zoals de Irgun en de Lechi ontbonden
moesten worden.
15
De onafhankelijkheidsverklaring van de staat Israël
“Het land Israël was de geboorteplaats van het joodse volk. Hier werd hun
spirituele, religieuze en nationale identiteit gevormd. Hier werden zij onafhankelijk
en creëerden zij een cultuur die van nationaal en universeel belang zou worden.
Hier gaven zij de bijbel aan de wereld.
Verbannen uit hun land, bleef het joodse volk haar land trouw in de verschillende
landen waar ze woonden. Nooit gaven ze hun gebeden en hun hoop op om ooit nog
terug te keren en opnieuw onafhankelijk te kunnen zijn. Door de eeuwen heen
streefden de joden ernaar om terug te keren naar het land van hun voorvaderen en
een eigen staat op te richten. In de achterliggende decennia zijn ze in grote getale
teruggekeerd. Ze bedwongen de natuur, brachten hun taal weer tot leven, bouwden
steden en dorpen, en bouwden een krachtige, groeiende gemeenschap op, met een
eigen economisch en cultureel leven. Ze streefden naar vrede, maar waren bereid
zichzelf te verdedigen. Ze brachten de zegen van vooruitgang aan alle inwoners van
het gebied en verheugden zich op souvereiniteit.
In het jaar 1897 werd het eerste Zionistische Congress gehouden waar, geïnspireerd
door de droom van Theodor Herzl over een joodse staat, het recht van de joden op
een eigen land werd uitgeroepen. Dit recht werd erkend in de Balfour Declaration
van november 1917, en onderschreven door het mandaat van de Verenigde Naties
(dat expliciet internationale erkenning gaf voor de historische band tussen de joden
en hun land).
De recente holocaust, die miljoenen joden in Europa heeft weggevaagd, toonde
opnieuw aan hoe belangrijk het is dat het probleem dat de joden geen eigen staat
hebben, wordt opgelost door de oprichting van een joods land en de erkenning van
de joden in de familie der volkeren. De overlevenden van de slachting in Europa, en
ook de joden uit andere landen, hebben ondanks alle moeilijkheden en gevaren
geprobeerd hun land te bereiken. Ze hielden niet op te streven naar het recht om in
waardigheid en vrijheid te leven in het land van hun voorouders.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de joden in Palestina een belangrijke
bijdrage geleverd aan de strijd van de vrijheidslievende naties tegen het kwaad van
de nazi’s. De offers van deze soldaten en de inzet in de oorlog geven hen het recht om
zich aan te sluiten bij de landen die later de Verenigde Naties oprichtten.
Op 29 november 1947 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een
resolutie aangenomen die de oprichting van een joodse staat in Palestina erkent. De
Vergadering riep de inwoners van het gebied op om al het nodige te ondernemen
om dit plan uit te voeren. Het is het recht van het joodse volk om, net als alle andere
volkeren, een onafhankelijk bestaan te leiden in een eigen soeverein land.
Daarom komen wij, de leden van de Nationale Raad, de vertegenwoordigers van de
joodse inwoners van Palestina en de World Zionist Organisation, bijeen in deze
plechtige bijeenkomst, op de dag dat het Britse mandaat afloopt. En op basis van het
historische recht van het joodse volk en de resolutie van de Verenigde Naties,
ROEPEN WIJ HIERBIJ de oprichting van de joodse staat in Palestina uit, die
Medinat Yisrael zal heten. (…)
16
De Israëlische onafhankelijkheidsoorlog
De dag daarna liep het Britse mandaat officieel af… en vielen 1000 Libanese, 4000
Syrische, 11000 Egyptische, 7000 Irakese en 4000 Transjordaanse troepen de jonge
joodse staat aan. Ook Saoedie-Arabië, Libië en Jemen stuurden vrijwilligers. Op 15
mei bombardeerde de Egyptische luchtmacht Tel Aviv. Een officieel joods leger, laat
staan munitie en materieel, was er op dat moment nog niet. Er waren nauwelijks
meer dan 30000 Israëlische soldaten. Snel werd begonnen met de opbouw van het
leger. Op 26 mei werd Tsahal officieel opgericht. Vanaf dat moment werd het aantal
joodse soldaten steeds groter. In juli 1948 waren er 63000 Israëlische soldaten, een
half jaar later zo’n 115.000. De eerste fase van de oorlog duurde tot 11 juni 1948, toen
er een wapenstilstand werd ondertekend.
De gevechten werden hervat op 8 juli. Een nieuwe wapenstilstand duurde van 18 juli
tot 15 oktober 1948. De derde en laatste fase van de oorlog duurde tot 20 juli 1949.
17
Toen werd een definitieve wapenstilstand getekend met Egypte, Libanon,
Transjordanië en Syrië.
Het belangrijkste doel van Tsahal was het
tegenhouden van de Arabische legers en het
verdedigen van joodse dorpen en steden. De
felste gevechten vonden plaats op de weg
tussen Tel Aviv en Jerusjalajim tussen
Israëlische en Jordaanse legereenheden.
Uiteindelijk slaagden de Jordaniërs erin de
joodse burgers uit Jerusjalajim te verdrijven.
Tijdens de tweede fase van de oorlog werden
de steden Lod en Ramle door Israëlische
soldaten ingenomen. De Arabische inwoners
werden gedwongen de steden te verlaten.
Ook de stad Latrun, op weg naar
Jerusjalajim, werd ingenomen. De laatste
fase van de oorlog was erop gericht de
Arabische troepen uit Israël te verdrijven en
de grenzen veilig te stellen. In oktober
werden
de
Libanese
legereenheden
teruggedreven uit de Galil. In diezelfde
maand werden de Egyptenaren verdreven uit
Be’er Sheva en Ashdod.
Palestijnse vluchtelingen, mei 1948
Logo van de Etsel/Irgun
In 1949 werd de definitieve wapenstilstand
getekend. Hoewel het aantal slachtoffers aan
Israëlische kant relatief hoog was (6373, 1%
van de bevolking) was de oorlog een succes
geweest. Niet alleen waren de Israëliërs erin
geslaagd de Arabische troepen uit het joodse
deel van Palestina te verdrijven, Tsahal had
in de gevechten 78% van het vroegere
mandaatgebied
Palestina
in
handen
gekregen (dus ook een groot stuk van het
deel dat door de VN als Arabisch deel
bestempeld was). Voor de Arabieren was de
oorlog een ramp. In de Arabische wereld
wordt deze gebeurtenis dan ook Al Naqba
genoemd, wat ramp betekent. Naast het
grote aantal Arabische soldaten dat
gesneuveld was, waren de Arabieren een
groot deel van het hen door de VN
toegekende gebied kwijtgeraakt.
18
Veel Arabieren waren (vrijwillig of gedwongen) Palestina ontvlucht. Na de oorlog
werden verhalen bekend van Palestijnse vluchtelingen die door de Israëliërs uit hun
dorpen verdreven zouden zijn. Op sommige plaatsen zou het Israëlische leger
gewelddadigheden hebben gepleegd tegen de Arabische bevolking, zoals in het stadje
Deir Yassin. Door de vluchtelingenstroom ontstonden de Palestijnse
vluchtelingenkampen in Libanon, Jordanië en Syrië. De droom van een Arabische
staat in Palestina leek verder weg dan ooit. De droom om de joden uit Palestina te
verdrijven, al helemaal.
19
Discussievragen
1. Leg uit met welk doel groepen als de Irgun en de Lechi werden opgericht.
2. Ben je het eens met het handelen van deze groepen? Leg je antwoord uit.
3. Op welke manier toont Ben-Gurion in de onafhankelijkheidsverklaring aan dat er
een band is tussen het joodse volk en Palestina?
4. Op basis van welke historische gebeurtenissen probeert Ben-Gurion de legitimiteit
van een joods land aan te tonen?
5. Bedenk een verklaring voor het feit dat verschillende Arabische landen Israël op 15
mei binnenvielen.
6. Hadden de Arabieren in 1948 een andere keus dan het optreden uit vraag 5?
7. In hoeverre vind je het terecht dat de Israëlische onafhankelijkheid in de Arabische
wereld Al Naqba genoemd wordt? Leg uit.
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
20
De jaren ‘50
De jaren ’50 worden gekenmerkt door tegenstrijdige gevoelens en gebeurtenissen.
Enerzijds was er blijheid en opluchting aan Israëlische kant: eindelijk was er een
joodse staat die internationaal erkend werd. De staat was zelfs groter geworden dan
door de VN was toegezegd. Aan de andere kant had de onafhankelijkheid tot gevolg
dat veel joodse gemeenschappen uit Arabische landen verdreven werden.
Het Palestijnse vraagstuk
In de jaren ’50 kwam er daarnaast aandacht voor het Palestijnse vraagstuk. De
ongeveer 720.000 Arabische vluchtelingen uit Palestina (die vanaf dat moment
Palestijnen werden genoemd) werden niet door de buurlanden opgevangen, maar
bleven in de tijdelijke vluchtelingenkampen wonen. Ook in Israël woonden nog
Arabieren. Zij werden vanaf dat moment de Israëlische Arabieren genoemd. Over de
Palestijnse vluchtelingen werd voor het eerst geschreven in VN-resolutie 194 van 11
december 1948. De resolutie had tot doel het beëindigen van de oorlog tussen joden
en Arabieren, het verbeteren van het contact tussen beide partijen, het veilig stellen
van de religieuze plaatsen in het gebied, en het openen van de wegen naar
Jerusjalajim. In lid 11 van de resolutie staat:
“All vluchtelingen die naar huis wensen terug te keren, en die in vrede met hun
buren willen samenleven, moeten hiertoe zo snel mogelijk de gelegenheid krijgen. Er
moet een financiële compensatie gegeven worden aan degenen die ervoor kiezen
niet terug te keren, en ook aan diegenen wiens eigendommen beschadigd zijn. Deze
schade moet vergoed worden door de regering die verantwoordelijk is voor het
toebrengen van de schade. Het verzoeningscomité van de Verenigde Naties moet
toezien op het repatriëring van de vluchtelingen, op de huisvesting en op de
economische en sociale rehabilitatie”.
In de jaren ’50 kwam hier
echter niets van terecht. De
Israëlische regering was van
mening dat de staat Israël tot
stand was gekomen in
overeenkomst
met
de
bepaling hierover van de
Verenigde Naties. Dat de
Arabieren in 1947 hadden
geweigerd het delingsplan te
accepteren, was hun keus
geweest.
Palestijns vluchtelingenkamp, vroege jaren ‘50
21
De onafhankelijkheidsoorlog
was het gevolg van de aanval
van
de
verschillende
Arabische legers op de jonge
staat Israël, en de gebieden
die in die oorlog veroverd
waren, hoorden vanaf dat
moment rechtmatig toe aan
Israël. Israël zag zich dan ook
niet
genoodzaakt
de
vluchtelingen in hun land toe
te laten. Daar kwam nog bij
dat ook een groot deel van de
vluchtelingen niet van plan
was
om
onder
joodse
heerschappij in Israël te
wonen.
Palestijnse vluchtelingenkinderen
Hadden de Arabische staten meer hun best moeten doen om de Palestijnse
vluchtelingen te helpen? Historicus Bernard Lewis, die veel over het Midden-Oosten
heeft gepubliceerd, vindt van wel:
“Wat betreft de vreselijke gevolgen van hun vlucht en de verdrijving uit hun huizen,
ondergingen de Palestijnse vluchtelingen hetzelfde lot als miljoenen andere
vluchtelingen die uit hun huizen warden verdreven in India, Oost-Europa, en op
andere plaatsen in de wereld, in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Hun
situatie was echter uniek, omdat in tegenstelling tot al die andere vluchtelingen, ze
niet werden gerepatrieerd, maar ook niet een nieuw thuis kregen in een ander land.
In plaats daarvan bleven ze wonen in de vluchtelingenkampen, waar zij en hun
nakomelingen generaties zouden blijven als stateloze vluchtelingen. De enige
uitzondering hierop was Jordanië. De Hashemitische regering bood alle Palestijnse
vluchtelingen de Jordanese nationaliteit aan.”
In 1950 kwamen de Verenigde Naties met plannen om 150.000 Palestijnse
vluchtelingen uit kampen in de Gazastrook te evacueren, en hen onder te brengen in
Libië. Dit plan werd tegengehouden door de Egyptenaren, die het op dat moment in
de Gazastrook voor het zeggen hadden. In 1951 gaf Egypte toestemming aan 70.000
vluchtelingen in de Gazastrook om te vertrekken naar de Sinaï-woestijn, maar later
trokken zij deze toestemming in. Ditzelfde gebeurde in de periode 1952-1954, toen
Syrië een aanbod van de Verenigde Naties om te betalen voor de huisvesting van
85.000 vluchtelingen afsloeg. In 1952 had de UNRWA, de tak van de Verenigde
Naties die zich inzet voor vluchtelingen, een speciaal fonds in het leven geroepen om
de Palestijnse vluchtelingen te helpen. In 1955 constateerden de hulpverleners echter
dat de 200 miljoen dollar in het fonds, bedoeld voor het verzorgen van onderdak en
22
werkgelegenheid voor de vluchtelingen, door geen van de Arabische landen was
aangesproken.
De wet op terugkeer
Als gevolg van de oprichting van de staat Israël werden joodse gemeenschappen in
verschillende Arabische landen, waar ze eeuwenlang in relatieve vrede hadden
geleefd, aangevallen en op de vlucht gedreven. Min of meer tegelijkertijd met de
uitstroom van Palestijnse vluchtelingen kwam er daarom een tegengestelde
vluchtelingenstroom op gang, dit keer met joodse vluchtelingen uit Arabische landen
zoals Egypte, Jemen, Irak en Marokko.
Precieze
aantallen
joodse vluchtelingen
Joodse
Joodse
Land
gemeenschap 1948 gemeenschap 1976
zijn niet bekend, maar
Egypte
75.000
100
geschat wordt dat
Syrië
30.000
4.350
tenminste
600.000
sefardische
joden
Irak
135.000
400
naar
Israël
zijn
Libanon
5.000
500
gevlucht.
Libië
38.000
20
Het feit dat dit aantal
Jemen
55.000
1.000
niet overeenkomt met
Aden
8.000
0
de tabel hiernaast,
Marokko
265.000
17.000
kan verklaart worden
Algerije
140.000
500
vanuit het feit dat veel
Tunesië
105.000
2.000
joden
ook
naar
Totaal:
856.000
25.870
andere landen zoals
Frankrijk of Engeland
Omvang van de joodse gemeenschap in verschillende
zijn gevlucht.
Arabische landen, in 1948 en in 1976
Na de stichting van de staat Israël
kwamen er bovendien ook nog grote
groepen vluchtelingen uit Europa naar
de nieuwe staat. Een deel van hen waren
overlevenden van de oorlog die eerder
door de Engelsen waren teruggekeerd.
Een ander deel werd door de
onafhankelijkheidsverklaring
aangespoord om aliyah te maken. Met het oog
op deze vluchtelingenstromen werd in
juli 1950 de Wet op Terugkeer (Chok
haShvut) aangenomen door de Knesset
Jemenitische joden komen naar Israël (het Israëlische parlement).
met ‘Operation magic carpet’, 1950
23
In de wet werd bepaald dat Israël het land was voor alle joden ter wereld, niet alleen
voor de joden die al in het land woonden. Iedere jood (dat wil volgens deze wet
zeggen: iedereen met joodse ouders of grootouders, of de echtgenoten van deze
personen) heeft het recht naar Israël te immigreren en Israëlisch staatsburger te
worden:
1. Iedere jood heeft het recht om naar het land te immigreren.
2. Immigranten visa’s zullen worden gegeven aan iedere jood die de wens uitspreekt
in Israël te wonen, tenzij het ministerie van immigratie vermoed dat deze persoon
handelt tegen het belang van het joodse volk, of tenzij deze persoon de nationale
gezondheid of veiligheid bedreigt.
3. Een jood die naar Israël komt en na aankomst besluit dat hij er wil blijven, kan
tijdens zijn verblijf alsnog een immigranten visum krijgen.
4. Iedere jood die naar het land is gekomen vóór het tot stand komen van deze wet,
alsook iedere jood die in het land is geboren vóór of na het tot stand komen van deze
wet, heeft dezelfde status als degene die op basis van deze wet naar het land
gekomen is.
De Suez-crisis (1956)
In 1956 liepen de spanningen tussen Israël en de buurlanden weer op. Sinds 1952 was
in Egypte Gamal Abdel Nasser aan de macht. Nasser was een aanhanger van het
Arabisch socialisme. Hij probeerde door het promoten van een combinatie van het
socialisme en de islam de steun van de arme bevolking voor zich te winnen. Dat lukte.
Zijn charisma zorgde voor grote populariteit, ondanks het feit dat hij geen
tegenspraak toestond en oppositiepartijen verbood. Eén van de belangrijkste pilaren
onder het beleid van Nasser was het pan-arabisme: het streven naar een grote
Arabische staat in het Midden-Oosten. Deze ideeën spraken ook de bevolking en
politieke leiders van Syrië en Irak aan. Je zult begrijpen dat er in het Midden-Oosten
van Nasser geen plaats was voor een joodse staat.
In 1956 nationaliseerde Nasser het
Suez-kanaal.
Dit
hield
in
dat
buitenlandse schepen niet zonder
toestemming van Egypte door het
kanaal mochten varen. Tot die tijd was
het kanaal gedeeltelijk eigendom
geweest
van
een
Frans-Engelse
maatschappij. Engeland en Frankrijk
lieten dan ook meteen het besluit van
Nasser niet te zullen accepteren. Op 13
oktober van dat jaar verklaarde de
Israëlische ambassadeur Abba Eban
voor de Veiligheidsraad van de VN dat
Nasser wuift zijn volk toe
24
hij een vrije doorgang voor Israëlische schepen in het Suezkanaal eiste.
De VN greep niet in, en daarom ging
Israël op 20 oktober over tot de
aanval. Met in het geheim
toegezegde steun van Engeland en
Frankrijk viel Israël de Sinaïwoestijn en de Gazastrook binnen.
Het ultimatum voor de openstelling
van het Suezkanaal dat de landen
stelden,
werd
door
Egypte
genegeerd. Hierop verklaarden ook
Engeland en Frankrijk Egypte de
oorlog. Door hun vetorecht in de
Veiligheidsraad konden ze moties
tegen de oorlog tegenhouden.
Israëlische troepen tijdens de Suez-crisis, 1956
Vanaf 31 oktober werd Egypte gebombardeerd door Engeland, Frankrijk en Israël.
Vanaf dat moment begonnen echter de Verenigde Staten en de Sovjetunie zich tegen
de oorlog aan te bemoeien. Beide landen waren tegen imperialistische activiteiten van
Europese landen, en riepen daarom de strijdende partijen op de gevechten te staken.
Dit gebeurde. Een wapenstilstand werd bereikt op 5 november. Op 21 november
trokken de troepen van Engeland en Frankrijk zich terug uit Egypte.
Deze troepen werden vervangen door troepen van de Verenigde Naties, die als een
buffer tussen Egypte en Israël moesten optreden, en er voor moesten zorgen dat de
toegang van Israël tot het Suezkanaal verzekerd bleef. Israël trok zich in ruil hiervoor
terug uit de Sinaï en de Gazastrook.
Voor Israël was de oorlog tegen Egypte een succes
geweest. Hoewel de Verenigde Naties de
Israëlische troepen hadden gedwongen zich terug
te trekken uit de veroverde gebieden, had de
Israëlische regering de garantie gekregen van een
veilige zuidgrens. De haven van Eilat kon weer
gebruikt worden voor de handel met Azië.
Bovendien had Israël opnieuw aan de Arabische
buurlanden laten zien in een gewapende
confrontatie superieur te zijn. Ook het panarabisme van Nasser was door deze oorlog een
flinke deuk toegebracht. De rust in het MiddenMoshe Dayan, de Israëlische
Oosten zou echter van korte duur zijn. In de jaren
opperbevelhebber ten tijde van
’60 liepen, mede onder invloed van Nasser, de
de Suez-crisis
spanningen weer op.
25
Discussievragen
1. Vanaf wanneer wordt de term Palestijnen gebruikt?
2. Leg uit in hoeverre de Arabische landen volgens jou schuldig zijn aan 1) het
ontstaan en 2) het voortbestaan van het Palestijnse vraagstuk.
3. Doe hetzelfde als in vraag 2, maar nu voor de Israëlische regering.
4. Waarom vond er in de jaren ’50 een grote joodse exodus plaats vanuit de Arabische
landen? Kan deze exodus vergeleken worden met het Palestijnse vraagstuk? Leg uit.
5. Wat was de aanleiding van de Suez-crisis?
6. Wat waren de belangrijkste gevolgen van de Suez-crisis voor de verhoudingen in
het Midden-Oosten?
7. Geef aan of jouw mening over het Palestijnse vraagstuk, na het lezen van de stof
van deze week, is veranderd. Licht je antwoord toe.
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
26
De jaren ‘60
Twee ontwikkelingen uit de jaren ’60 hadden grote gevolgen voor het debat over
Israël in de daaropvolgende decennia. Om te beginnen was dat de Zesdaagse Oorlog
uit 1967, waarin Israël gebieden veroverde op Syrië, Jordanië en Egypte. Daarnaast
begonnen de Palestijnen zich in die periode politiek en militair te organiseren. De golf
van terreur die daarvan het gevolg was, bepaalde in sterke mate de verhoudingen
tussen Israël en de Arabische bevolking. De in 1967 veroverde gebieden en het
Palestijnse vraagstuk zijn tot nu toe ook de twee punten geweest waarop ieder
vredesoverleg is stukgelopen.
De Zesdaagse Oorlog en resolutie 242
In 1966 sloten Egypte en Syrië een militair bijstandsverdrag waarin ze beloofden
elkaar te zullen steunen. Vanuit Syrië vonden steeds meer Palestijnse terreuracties
tegen Israël plaats. Deze werden door Israël vergolden. Om de druk op Syrië te
verminderen, stationeerde Egypte troepen in de Sinaï-woestijn. Nasser sloot
vervolgens de Golf van Akkaba (bij Eilat) af, en stuurde de troepen van de Verenigde
Naties die sinds 1956 de grens bewaakten weg. Dit was zo’n ernstige provocatie, dat
Israël besloot preventief Egypte, Syrië en Jordanië aan te vallen.
Om kwart voor acht ’s morgens, op
maandag 5 juni 1967 maakte de
Israëlische radio bekend dat een sterke
troepenmacht op weg was naar de Negev,
en dat Egyptische bommenwerpers koers
zetten naar Israël. Dit was niet waar. In
werkelijkheid was Israël op dat moment
begonnen met het uitschakelen van de
Egyptische luchtmacht. Terwijl de
Egyptische piloten in de kantines zaten te
ontbijten, en hun Migs in rijen opgesteld
stonden op het vliegveld.
Israëlische troepen in de Sinaï woestijn
Binnen twee uur had het Israëlische leger de complete Egyptische luchtmacht van
400 vliegtuigen uitgeschakeld. Aan Israëlische kant waren slechts 18 vliegtuigen
verloren gegaan. Op datzelfde moment stuurde de Israëlische regering een bericht
aan koning Hussein van Jordanië: Israël zou niet tot de aanval op Jordanië overgaan
zo lang Jordanië dat ook niet zou doen. Egypte had echter een bericht aan Jordanië
gestuurd waarin gesproken werd van een ‘geweldige overwinning op het Israëlische
leger’. Hierdoor aangespoord besloot koning Hussein van Jordanië zich aan te sluiten
bij Egypte en de aanval op Israël in te zetten. Vanaf de Westbank (het gebied dat toen
door Jordanië bestuurd werd) werd Tel Aviv bestookt met granaten. Vanuit de lucht
27
werden Netanya en Kfar Saba gebombardeerd. Ook West-Jerusjalajim werd door
Jordanese granaten bestookt.
De volgende dag hield Abba Eban de volgende toespraak voor de Verenigde Naties:
“Ik ben uit Jerusjalajim gekomen om de Veiligheidsraad te vertellen dat Israël,
dankzij een ontzettende inspanning en opoffering, een situatie van ernstig gevaar
heeft afgewend. Twee dagen geleden baarde de toestand van Israël alle menselijke
en vriendelijke staten nog veel onrust. Israël had een moeilijk uur bereikt. Laat me
uitleggen hoe het ervoor stond. Een leger, groter dan welk andere leger ooit in de
Sinaï, had zich in de Sinaï aan de zuidgrens met Israël verzameld. Egypte had de
troepen van de Verenigde Naties weggestuurd, troepen die het symbool waren van
de internationale poging om de vrede in de regio te handhaven. Nasser had als
provocatie vijf infanterie divisies en twee gewapende divisies voor onze poorten
verzameld: 80.000 soldaten en 900 tanks.”
Hoewel de situatie er aan het begin
van de Zesdaagse Oorlog zeer
ernstig uitzag, was Israël er in
geslaagd binnen een dag het tij te
keren
en
overwinning
op
overwinning te behalen. Op 7 juni
legde de aanvoerder van het
Israëlische leger Moshe Dayan de
volgende
verklaring
af:
“Vanmorgen
heeft
de
IDF
Jerusjalajim bevrijd. We hebben
Jerusjalajim verenigd, de tot nu
toe verdeelde hoofdstad van Israël.
We zijn teruggekeerd naar de
heiligste van onze heilige plaatsen,
om er nooit meer afscheid van te
nemen. Naar onze Arabische buren
strekken we, ook en juist op dit
uur, in vrede onze hand uit. En aan
onze christelijke en islamitische
medeburgers beloven we plechtig
volledige religieuze vrijheid en
rechten. We zijn niet naar
Jerusjalajim gekomen voor de
heilige plaatsen van andere
volkeren, en ook niet om
aanhangers
van
andere
godsdiensten lastig te vallen, maar
om de stad in zijn geheel te
Israël na de wapenstilstand van 1967
28
beschermen, en om er samen te leven, als eenheid”.
Na zes dagen kwamen de strijdende partijen tot een wapenstilstand. Voor Israël was
de oorlog een daverend succes geweest. Door het grote aantal gebieden dat op Egypte,
Jordanië en Syrië was veroverd, had Israël voor het eerst veilige grenzen. De
Arabische landen hadden een vernederende nederlaag geleden. In het akkoord van
Khartoum kwamen de Arabische landen met de volgende verklaring:
“De deelnemers aan onze conferentie zijn het er over eens dat alle krachten
gebundeld moeten worden om de agressie te bestrijden, omdat de bezette gebieden
Arabisch land zijn, en dus is de plicht om de gebieden te heroveren een plicht die alle
Arabische landen met elkaar delen. De leiders van de Arabische staten zijn
overeengekomen dat zij hun macht op internationaal politiek en diplomatiek niveau
zullen bundelen, om op die manier de terugtrekking van de agressieve Israëlische
troepen van het Arabisch land dat zij vanaf 5 juni bezet houden, te bereiken. Dit zal
worden bereikt op basis van de volgende punten: geen vrede met Israël, geen
erkenning van de staat Israël, geen onderhandelingen met de staat Israël, en het
benadrukken van het recht van het Palestijnse volk op een eigen land”.
In november 1967 kwamen de Verenigde Naties met een nieuwe resolutie: de vaak
aangehaalde resolutie 242:
“De Veiligheidsraad
- drukt hierbij haar verontrusting uit over de ernstige situatie in het Midden-Oosten
- benadrukt de ontoelaatbaarheid van het veroveren van gebieden door middel van
oorlog, en het belang van een eerlijk en langdurige vrede zodat ieder land in het
gebied in veiligheid kan leven
- benadrukt verder dat alle lidstaten zijn overeengekomen te zullen handelen
overeenkomstig artikel 2 van het verdrag:





Terugtrekking van de Israëlische troepen van alle gebieden die in het
recente conflict bezet zijn
Beëindiging van alle oorlogsdaden, en respect voor de soevereiniteit en
politieke onafhankelijkheid van ieder land in het gebied en het recht om in
vrede te leven binnen veilige en erkende grenzen, vrij van bedreiging of
gewelddadigheden
Garantie van vrije toegang tot de internationale waterwegen in het
gebied
Noodzaak
voor
een
rechtvaardige
oplossing
van
het
vluchtelingenprobleem
Garantie van territoriale onschendbaarheid van alle gebieden door het
oprichten van gedemilitariseerde zones”
29
De organisatie van de Palestijnen
De Zesdaagse Oorlog gaf een impuls aan het nationale gevoel van de Palestijnen. Al in
1963 was de PLO opgericht, de Palestine Liberation Organisation. Het doel van deze
organisatie was het verenigen van de Palestijnen in Israël en daarbuiten, het opstellen
van een politiek manifest op basis waarvan invloed uitgeoefend zou worden op de
internationale politiek, en het streven naar een Palestijnse staat. In 1968 werd, mede
als reactie op de Zesdaagse Oorlog, de Palestinian National Charter opgesteld:
1. Palestina is het thuisland van het Palestijnse volk. Het is een ondeelbaar
onderdeel van het Arabische thuisland, en het Palestijnse volk is een ondeelbaar
onderdeel van het Arabische volk.
2. Palestina, met de grenzen zoals die bestonden tijdens het Britse mandaat, is een
ondeelbare territoriale eenheid.
3. Het Palestijnse volk heeft het recht op een thuisland en heeft het recht om, na de
bevrijding van haar land, zelf over haar lot te bepalen, volgens haar eigen wensen.
4. De Palestijnse identiteit is een echte, essentiële identiteit, die van ouders op hun
kinderen wordt overgedragen. De zionistische bezetting en de verspreiding van het
Palestijnse volk, en de rampen die hen daarna zijn overkomen, doen geen afbreuk
aan die identiteit.
5. Palestijnen zijn die Arabieren die tot 1947 woonachtig waren in Palestina, los van
het feit of zij toen verdreven of gebleven zijn. Iedereen die na die tijd uit een
Palestijnse vader is geboren, in Palestina of daarbuiten, is ook een Palestijn.
6. De joden die in Palestina woonden tot het begin van de zionistische invasie
worden ook beschouwd als Palestijnen.
7. Dat er een Palestijnse gemeenschap is, en dat deze een materiële, spirituele en
historische band heeft met Palestina staat onomstoten vast. Het is onze nationale
plicht om individuele Palestijnen groot te brengen op een Arabisch-revolutionaire
manier. Alle middelen moeten worden ingezet om de Palestijn te informeren en te
onderwijzen over zijn land. Hij moet bereid zijn tot de gewapende strijd, en moet
bereid zijn om zijn bezit en zijn leven op te offeren om de bevrijding van zijn
thuisland dichterbij te brengen. (…)
8. De gewapende strijd is de enige manier waarop Palestina bevrijd kan worden.
Het Palestijnse volk toont haar bereidheid om de gewapende strijd voort te zetten en
te streven naar een gewapende volksopstand, met als doel het bevrijden van haar
land en haar terugkeer naar dat land. (…)
9. De verdeling van Palestina in 1947 en de vestiging van de staat Israël zijn
volstrekt illegaal, ongeacht de tijd die sindsdien verstreken is, omdat deze
gebeurtenissen ingingen tegen de wil van het Palestijnse volk en tegen haar
zelfbeschikkingsrecht, zoals dit is vastgelegd in het handvest van de Verenigde
Naties.
10. De Balfour Declaration, het mandaat over Palestina en alles wat daarop
gebaseerd is, zijn totaal niets waard. Historische claims en religieuze banden van de
30
joden met Palestina zijn niet in overeenstemming met de historische feiten en de
echte betekenis van het begrip ‘staat’. Het jodendom is een godsdienst, en niet een
nationaliteit. Ook vormen de joden niet één apart volk: ze maken deel uit van de
landen waarin zij wonen.
Naast de PLO werd een aantal gewelddadige
Palestijnse
revolutionaire
organisaties
opgericht. Om te beginnen El Fatah (‘de
overwinning),
een
sterk
islamitischnationalistische
Palestijnse
studentenorganisatie met als leider Yassir Arafat.
Arafat volgde in Egypte een militaire
opleiding, en was er van overtuigd dat
doorzettingsvermogen en fanatisme sterker
waren dan de krachtigste wapens. Een
andere grote beweging was het marxistische
Volksfront voor de Bevrijding van Palestina
(PFLP).
Deze en andere gewelddadige Palestijnse
bewegingen vielen onder de overkoepelende
PLO, waarvan Arafat de leider werd. Het
doel van de PLO was de vernietiging van de
staat Israël.
Arafat in de jaren ‘60
Door terreuracties hoopten de Palestijnen hun doel (de vernietiging van de staat
Israël en de oprichting van een Palestijnse staat) te bereiken. Vanaf de jaren ’60
vonden er verschillende vliegtuigkapingen plaats. Zo werd in 1968 een El-Al toestel
dat op weg was van Rome naar Tel Aviv gekaapt en omgeleid naar Algerije. Meteen na
aankomst werden de joodse passagiers gescheiden van de niet-joodse passagiers. De
niet-joodse passagiers werden vrijgelaten. De joodse passagiers werden pas na 39
dagen onderhandelen vrijgelaten. In datzelfde jaar namen Palestijnen vanuit
Jordanië een Israëlische fabriek in Sdom
onder vuur. Begin 1969 probeerden Palestijnse
terroristen in een vliegtuig van El-Al tijdens de
landing in Zürich op de reizigers te schieten.
Begin 1970 werden Israëlische reizigers op het
vliegveld van München onder vuur genomen
door Palestijnse terroristen. In diezelfde
maand werden 12 Israëlische schoolkinderen
gedood in Moshav Avivim. De schoolbus
waarin zij zaten werd vanaf een heuvel door
Palestijnen beschoten met bazooka-raketten.
Na 1967 ging Israël zo, ondanks de zekere
31
grenzen, een onzekere periode tegemoet.
Het logo van de PFLP
Discussievragen
1. Welk land heeft volgens jou de aanzet gegeven tot de Zesdaagse Oorlog? Leg uit.
2. Bekijk de kaart. Welke gebieden heeft Israël tijdens de oorlog veroverd?
3. Wat hoopte Moshe Dayan met zijn verklaring over Jerusjalajim te bereiken, denk
je?
4. Tot nu toe heeft Israël nog geen navolging gegeven aan resolutie 242 van de
Veiligheidsraad. Citeer een zin uit de resolutie die Israël ter ondersteuning van haar
houding kan gebruiken.
5. Haal de drie belangrijkste punten uit de Palestinian National Charter en geef aan
op welke manier deze punten vanaf 1967 door de Palestijnen in de praktijk zijn
gebracht.
6. Was het na 1967 veiliger of juist minder veilig om in Israël te wonen? Leg je
antwoord uit.
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
__________________________________________________________
32
__________________________________________________________
33
Meer lezen?
Algemene sites met informatie, plattegronden en foto’s
http://www.hasbara.nl/
http://www.zionism-israel.com/
http://www.mideastweb.org/
http://www.cidi.nl
http://www.jewishvirtuallibrary.org/index.html
http://www.mfa.gov.il/mfa/ (kies hier bijvoorbeeld voor history of Israel of voor
reference documents)
http://www.israelipalestinianprocon.org/
http://www.levitt.com/misc/israel_history.html
http://www.israel60jaar.nl/geschiedenis/geschiedenis.html
http://www.fordham.edu/halsall/mod/modsbook54.html
http://www.eretzyisroel.org/~jkatz/
http://www.likud.nl/
http://thehague.mfa.gov.il/
Sites over specifieke historische gebeurtenissen
http://www.exodus1947.org/
http://www.cidi.nl/publ/online/akk.html
http://www.cidi.nl/publ/online/best.html
http://www.sixdaywar.co.uk/
Bronnen over het Palestijnse vraagstuk
http://www.alnakba.org/
http://www.palestineremembered.com/
http://www.btselem.org/index.asp
http://www.palestina-komitee.nl/
http://www.stopdebezetting.nl/
34
Download