omgevingsanalyse

advertisement
1/69
GEMEENTE OVERPELT
OCMW OVERPELT
LOKAAL SOCIAAL BELEIDSPLAN
2008-2013
Lokaal Sociaal Beleid
Decreet van 19/03/2004
2/69
LOKAAL SOCIAAL BELEIDSPLAN
Dit is het eerste lokaal sociaal beleidsplan in uitvoering van het decreet van 19 maart 2004
betreffende het lokaal sociaal beleid en bevat de volgende hoofdstukken :
Hoofdstuk 1 – Omgevingsanalyse
Hoofdstuk 2 – Geïntegreerde visie op het lokaal sociaal beleid
Hoofdstuk 3 – Meerjarenplan met betrekking tot acties en inzet van lokale middelen
a) een verantwoording van de keuze van doelstellingen en acties
b) de te verwachten resultaten
Hoofdstuk 4 – Taakverdeling en werkafspraken tussen gemeente en OCMW
Hoofdstuk 5 – Wijze waarop de bevolking en de lokale actoren betrokken worden
Hoofdstuk 6 – Ontwikkeling ten opzichte van het vorige lokaal sociaal beleidsplan
Hoofdstuk 7 – Sectorale planverplichtingen (opname van andere beleidsplannen)
3/69
HOOFDSTUK 1 - OMGEVINGSANALYSE
‘It’s impossible to calculate all factors in advance, some matters should be left to fortune.
He who worries about everything achieves nothing, he who worries about too little deceives
himself.’
(Montecuccoli, 1609-1680, Trattato della guerra)
1.1.
DE FUNCTIE VAN EEN OMGEVINGSANALYSE
Bij het maken van een omgevingsanalyse gaat men meestal uit van een systeembenadering.
Een systeem kan bestaan uit een organisatie, een beleidsdomein maar ook de hele
samenleving, afhankelijk van het vraagstuk dat men wil bestuderen.
De omgeving wordt in de bestuurskunde steeds meer als een belangrijke component
beschouwd.
De manier waarop men omgaat met die omgeving (als een opportuniteit of een onder
controle te brengen gegeven) verschilt naargelang de theorie die men volgt. In de
strategietheorie van de zestiger jaren stond de handhaving van de organisatie in een
veranderende en complexe omgeving centraal. In latere tijden wordt de omgeving meer als
een zelfstandige omringende eenheid gezien en tot probleem verklaard. Hier ontstond de
gedachte van de organisatie als netwerk. Kenmerkend in het begrip omgeving is de grote
verscheidenheid aan personen, groepen en organisaties die gezamenlijk worden
beschouwd. Het gaat om hun gedragingen, hun meningen, opvattingen en de
gebeurtenissen. Ook de fysieke omgeving maakt deel uit van de externe omgeving.
Men kan een onderscheid maken tussen de interne en de externe omgeving. De externe
omgeving bestaat uit alle elementen die relaties hebben met de organisatie en haar
functioneren beïnvloeden, zonder dat ze daarvan een samenstellend of beheersbaar deel
vormen (D. Keuning, D.J Eppink).
De interne omgeving bestaat uit verschillende subsystemen of componenten zoals de
strategie, het leiderschap, de processen, het personeel en andere middelen, de
organisatiecultuur, de structuur,…
In de algemene omgevingsanalyse ter voorbereiding van het Lokaal Sociaal Beleidsplan
bestuderen we zowel de externe als de interne omgeving.
Het doel van een omgevingsanalyse is om een basis te ontwikkelen waarop het toekomstige
beleid kan stoelen. We gaan na welke de huidige situatie is en welke evoluties waar te
nemen waren in het verleden. Dat laat in zekere mate toe om voorspellingen te maken over
de toekomstige situatie bij ongewijzigd beleid.
In een latere planningsfase zullen de beleidsvoerders oordelen of de aldus beschreven
huidige situatie en de voorzichtig voorspelde toekomstige situatie aansluit bij hun visie om
alzo te kunnen bepalen op welke beleidsterreinen moet worden ingegrepen en welke acties
moeten worden ondernomen.
Beleidsvoerders ervaren vaak dat het beleid met grote onzekerheid is omgeven. Deze
onzekerheid vloeit voort uit de ons omringende werkelijkheid die in hoge mate als complex
en dynamisch wordt ervaren. Tegelijkertijd moeten beleidsvoerders beslissingen nemen met
verregaande gevolgen in termen van ruimte, tijd, middelen en mensen die de effecten ervan
ondergaan. De ervaringen van onzekerheid doen zich vooral voor bij strategisch beleid. Bij
dit beleid ervaren de beleidsmakers een hoge mate van complexiteit en dynamiek.
4/69
Indien we zo veel mogelijk relevante, gekende en te voorziene ontwikkelingen in kaart
hebben gebracht en de mogelijke effecten ervan op het beleid hebben ingeschat, kunnen we
de kans op beleidsfiasco’s beperken. We zullen op zijn minst beter voorbereid zijn op
veranderingen dan wanneer we niet vooruitblikken en onze horizon beperkt houden.
Inschattingen van mogelijkheden en bedreigingen in de toekomst dragen bij tot het
anticiperend karakter van beleidsvoering en vermijdt dat het beleid al te veel wordt ingevuld
door hier en nu te reageren op zaken die ons ‘overvallen’.
Welk soort informatie willen we kennen over deze omgeving? Feiten, trends, aannames
over mensen, groepen, organisaties, gebeurtenissen die naar de toekomst toe verwacht
worden in diverse contexten, noemt men omgevingsfactoren.
Omgevingsanalyses observeren en geven mogelijke interpretaties aan verschillende
relevante signalen. Men beschrijft mogelijke toekomstbeelden op basis van een logisch
verhaal en samenhangend geheel van mogelijke hypothesen over de ontwikkeling van
deelaspecten in de verschillende contexten (externe omgeving). Ze bieden ruimte voor
beleidskeuzen door de richtingen te benoemen waarin de toekomst kan evolueren. Ze
leveren geen concrete actieplannen die moeten gevolgd worden om “het” einddoel te
bereiken. Dit maakt het verschil met de strategische planning die keuzen maakt en aangeeft
via welk pad (strategische doelen) de gewenste situatie het best kan bereikt worden.
1.2.
VLAANDEREN IN VOGELVLUCHT
Vlaanderen is voor een gemeente het meest nabije bestuursniveau. Zelf ondergaat ze volop
de Europese en mondiale evoluties. Een omgevingsanalyse op lokaal niveau kan dus niet
voorbijgaan aan de Vlaamse ontwikkelingen. Daarom kijken wij, voorafgaand aan de
Overpeltse situatie, even naar de referentiepunten in de algemene ontwikkelingen die in
Vlaanderen worden vastgesteld.
Wij nemen in dit hoofdstuk de conclusies over die te vinden zijn in “Algemene
Omgevingsanalyse Vlaanderen 2004”. Een keer om de vijf jaar, als aanloop voor de
komende legislatuur, stelt de administratie Planning en Statistiek (APS) een algemene
omgevingsanalyse voor Vlaanderen op.
De volledige omgevingsanalyse met ondersteunend cijfermateriaal kan worden gevonden op
de website van de administratie Planning en Statistiek van de Vlaamse gemeenschap
(http://aps.vlaanderen.be).
1.2.1. DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
 Het aandeel van Europa in de wereldbevolking wordt kleiner
De wereldbevolking is snel aangegroeid. Tussen 1960 en 2001 verdubbelde het tot 6,2
miljard bewoners. Het aandeel van de ontwikkelde landen zakte van 30% in 1960 tot 19% in
2001. De bevolkingsaangroei in het Zuiden zet zich door, vooral in de armste landen. Deze
ontwikkeling kan spanningen veroorzaken tussen Noord en Zuid. De bevolking in het
Vlaamse Gewest zal stagneren rond 6,1 miljoen inwoners.
5/69
 Van uitstel naar afstel van kinderen
Het aantal levend geborenen daalt zowel in Europa als in België snel. Het
vruchtbaarheidscijfer daalt onder de vervangingsratio van 2,1 kinderen, nodig om de
bevolking op peil te houden. In het Vlaamse Gewest bedroeg de ratio in 1997 nog steeds
1,54 wat lager is dan in Wallonië. Het geboortecijfer in Vlaanderen is sinds 1960 gehalveerd
(10% in 2000) en blijft een dalende trend vertonen!
De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen, bedraagt in Vlaanderen 27,5
jaar terwijl dit in 1992 nog 26,4 jaar bedroeg. Het uitstellen van zwangerschap na de leeftijd
van 30 jaar voorspelt weinig goeds voor de vruchtbaarheidscijfers!
Wereldwijd is er een daling van het geboortecijfer. Opmerkelijk is dat naar verwachting de
vruchtbaarheid in Europa na een dieptepunt tegen 2050 opnieuw zal stijgen van 1,5 naar 1,8
kinderen per vrouw. Het blijft hoe dan ook onder het vervangingsniveau!
 Europa vergrijst. Vlaanderen vervoegt de club!
Het rijke Noorden telt weinig jongeren en dubbel zoveel ouderen dan in het Zuiden. Binnen
België is het Vlaamse Gewest koploper inzake het aandeel zestigplussers. Het aantal
jongeren (-20 jaar) ligt er lager dan in Wallonië en Brussel.
In alle gewesten neemt de ontgroening toe, vooral in de periode tot 2020 en met de hoogste
waarden in Vlaanderen. Vooral tussen 2005 en 2030 wordt een sterke vergrijzing van de
bevolking verwacht.
Vlaanderen blijft binnen België het hoogste aandeel behouden. Het aandeel hoogbejaarden
(+80 jaar) zal tussen 2010 en 2025 in het Vlaamse Gewest blijven stijgen terwijl het in de
overige gewesten stabiliseert. Dit zal heel wat lasten inzake gezondheidszorg, pensioenlast
genereren voor Vlaanderen.
 Steeds meer alleenstaanden
Vlaanderen telde in 2002 afgerond 2,43 miljoen huishoudens; dit is een aangroei met 10,9%
t.o.v. 1990. Er treedt een toenemende gezinsverdunning op: in 1990 telde een privaat
huishouden nog 2,59 personen, in 2002 is dit gedaald tot 2,42 personen. Het aandeel
alleenstaanden in Vlaanderen (11,4% totale bevolking) ligt lager dan in de overige gewesten.
Het zijn hoofdzakelijk vrouwen, hoewel het aandeel van alleenstaande mannen stijgt. De
categorie alleenstaanden treffen we vooral aan op oudere leeftijd. De vergrijzing laat
verwachten dat het aantal alleenstaanden tussen 2002 en 2030 zal stijgen met 37.000
mannen en 103.000 vrouwen, vooral zestigplussers.
Daarbovenop moet nog het effect van snellere partnerontbindingen verrekend worden, met
een stuk stijging van alleenstaande mannen als gevolg.
1.2.2. SOCIAAL-CULTURELE ONTWIKKELINGEN
 Vlaanderen wordt in toenemende mate een multiculturele samenleving
Ook al wijzen statistieken op zich niet op een toename, de aanwezigheid van personen van
een vreemde origine neemt toe en concentreert zich sterk in de grootsteden en vaak dan
nog in bepaalde buurten. Er zijn meerdere categorieën van allochtonen: niet-Belgen,
genaturaliseerde Belgen en nieuwkomers.
6/69
De achterstandsproblematiek lost zich niet van zelf op. Cijfers tonen aan dat niet-Belgen
meer schoolse achterstand hebben dan Belgen. Ze zijn ook meer dan evenredig
vertegenwoordigd in de groep van werkzoekenden. Jongere allochtonen hebben een relatief
kleinere achterstand dan de oudere allochtonen, maar er blijft een verschil met de
autochtonen.
 Genderverschillen : feiten en houdingen wijzen nog op verschillen
De positie van de vrouwen is op vele vlakken reeds gelijk of zelfs beter dan de mannen. In
een aantal domeinen zoals studiekeuze en de houding en gedragingen t.o.v. het werken bij
gezinsuitbreiding, blijven de verschillen bestaan. Er wordt verwacht dat de verhouding M/V in
de beroepsbevolking 50/50 wordt en dat de vrouwelijke activiteitsgraad blijft stijgen dankzij
een verhoogde participatie, al zij het via deeltijds werk. Hun studiekeuze ligt goed in de markt
bij een sterker wordende zorgeconomie.
Mannen en vrouwen blijven verschillen in het belang dat ze hechten aan gezin en arbeid.
Deze verschillen in levensstijlkeuze zullen impact blijven hebben op arbeidsmarktparticipatie.
 Arbeid blijft belangrijk in de levensloop
In Vlaanderen is er in de jaren 90 geen sprake van een afname van de centraliteit van de
arbeid en hebben de overige levensdomeinen zoals gezin en vrije tijd niet aan belang
gewonnen. Verder is er ook geen sprake van een afname van de centraliteit van arbeid bij
de leeftijdsgroep 25-44 jaar. Wel zijn er lichte aanwijzingen dat in 1999 meer 55-64-jarigen
het werk als (helemaal) niet belangrijk beschouwen.
De intrede op de arbeidsmarkt gebeurt op steeds latere leeftijd. De uittrede gebeurt ook
steeds vroeger. Er is dan ook sprake van een samengedrukte loopbaan. Een ontsnapping uit
die samengedrukte loopbaan is bij vrouwen het deeltijds werk. Ook bij mannen zit het
deeltijds werk in de lift, weliswaar schoorvoetend. Opvallend is eveneens de toename van
uitgroeibanen bij de oudere werknemers. Deze samengedrukte loopbaan lijkt evenwel haaks
te staan op de uitdagingen waarmee onze welvaartstaat geconfronteerd wordt.
 De dualisering van het verenigingsleven verzwakt haar integratieve functie
Een overdreven optimisme aangaande de evolutie van het verenigingsleven is niet op zijn
plaats. Ondanks een zekere toename in de afgelopen jaren lijken de neerwaartse tendensen
op termijn sterker dan deze die een verdere toename bewerkstelligen. Er treden eveneens
interne verschuivingen op van de klassieke sociale bewegingen naar nieuwe pluralistische
verenigingen, die een meer homogene samenstelling kennen en vooral hooggeschoolden
aantrekken. Er ontstaan zo leefstijlenclaves.
Nu lijkt op het eerste gezicht het belang van de ontzuiling voor de integratieve functie van het
verenigingsleven vrij klein. De praktijk van het verenigen blijkt veel belangrijker dan de
ideologische component. Een verdere verschuiving in de ingeslagen richting is niet helemaal
zonder gevolgen. Er blijkt wel degelijk een bescheiden effect van het levensbeschouwelijke
te zijn. We moeten ook in gedachte houden dat de klassieke bewegingen een positief
maatschappijbeeld hadden en een sociaal project behartigden.
Doordat het verenigingsleven bepaalde groepen minder en minder gaat bereiken, dreigt
zonder maatregelen ter bevordering van de participatie van laaggeschoolden, de integratieve
functie van het verenigingsleven verder af te brokkelen.
7/69
 Het vertrouwen in de overheid blijft laag
De overheid heeft het steeds moeilijker om vat te krijgen op de werkelijkheid en om
parameters te vinden waarop ze haar beleid kan ijken. Desondanks kan de overheid, omdat
het de enige instantie is waarvan verwacht wordt dat ze verantwoordelijkheid opneemt voor
het geheel en niet een bepaald deelbelang nastreeft, zich hier niet bij neerleggen. Vooral bij
ouderen en lageropgeleiden wordt een afnemend vertrouwen vastgesteld. Het is fout om
wantrouwen enkel toe te schrijven aan concrete evenementen (bvb. Dutroux-affaire).
Algemene structurele verklaringen blijken belangrijker te zijn in de verklaring van het
wantrouwen. Recente analyses lijken te wijzen in de richting van een zeker herstel van het
vertrouwen. Het vertrouwen blijft echter laag, en hierdoor een aandachtspunt voor het beleid.
1.2.3. DE VLAMING IN ZIJN HABITAT
 De Vlaming is doorgaans tevreden over de leefkwaliteit van zijn omgeving
Rust (geen overlast van verkeer) en groen zijn belangrijk voor de leefbaarheid van de
woonkernen, zowel in de stedelijke gebieden als op het platteland. Slechts 10% van de
Vlamingen is niet tevreden over de leefkwaliteit in zijn buurt. Over het algemeen kan gesteld
worden dat ‘rust’ en ‘groen in de buurt’ veruit de belangrijkste determinanten blijken te zijn
voor het positief ervaren van de leefkwaliteit, onafhankelijk van waar men woont.
Het verkeer (met in afnemend belang: de drukte, de onveiligheid, de snelheid, het lawaai)
blijkt de belangrijkste determinant te zijn voor het negatief ervaren van de leefkwaliteit,
onafhankelijk van waar men woont.
 De feiten en de perceptie van veiligheid niet dezelfde
Globaal gezien daalt de criminaliteitsgraad in Vlaanderen. De criminaliteitsgraad blijft
anderhalve keer hoger in gemeenten in stedelijke gebieden dan in gemeenten in het
buitengebied (respectievelijk 6,8% tot 3,9%).
Tweederde van de bevolking zegt zich nooit of zelden onveilig te voelen. Dit aandeel daalt
vooral in de regionale steden en sterk morfologisch verstedelijkte gebieden. Personen die
zich vaak onveilig voelen, komen in stijgende mate voor in kleine steden en morfologisch
matig verstedelijkte gebieden.
 Hinder heeft vele vormen en vele oorzaken
Hinder kent vele vormen: geur, lawaai, licht. Het verkeer is in de meeste gevallen de
belangrijkste bron. Centrumgemeenten van grootstedelijke gebieden ondervinden het meest
de hinder. Ook het type van woning blijkt een invloed te hebben op de beleving van hinder.
Appartementen geven het meest kans tot klachten.
 De globale druk op (open) ruimte vanuit de menselijke activiteiten neemt toe
De onbebouwde ruimte krimpt de voorbije periode van 1985 tot 2001 gemiddeld met –0,4%
per jaar. Binnen de onbebouwde ruimte neemt vooral akkerland en grasland af in omvang.
Relatief treedt er een verschuiving op naar meer ‘versteende’ ruimten. De bebouwde ruimte
neemt toe.
 De druk op de ruimte vanuit het wonen
De bebouwde oppervlakte bestemd voor de woonfunctie blijft toenemen. Dit zou kunnen
verklaard worden door de gezinsverdunning en stijging van het aantal (kleine) huishoudens.
8/69
Er blijft een voorkeur voor vrijstaande huizen, ook al neemt de bouw van
appartementsgebouwen toe. Er is nog altijd een voorkeur voor het wonen in het
buitengebied. Naast de leefkwaliteiten die geassocieerd worden met het wonen in het
buitengebied, speelt echter ook de bouwgrondprijs een rol.
 De druk op de ruimte vanuit de economische activiteiten
De oppervlakte die wordt ingenomen door economische activiteiten stijgt almaar, vooral in de
zogenaamde economische knooppunten (stedelijke gebieden en welbepaalde gemeenten
met een hoog bestaand economisch belang). Vormen van suburbanisatie van bedrijvigheid
uit de stedelijke gebieden blijven aanhouden, onder meer door een tekort aan
industriegronden voor bedrijven die grote oppervlaktes vragen, een hoge grondprijs of een
onaangepast subsidiebeleid. Ondanks deze zorgwekkende tendens, profileren stedelijke
gebieden zich meer en meer op sectoren met bijzondere dynamiek, zoals de
kantoorontwikkeling en grootschalige detailhandel, bedrijfsactiviteiten die omwille van de
locatiefactoren goed gedijen in steden. Deze evolutie houdt belangrijke potenties in voor
hernieuwd gebruik van vervuilde sites en oude bedrijfsgebouwen in steden. Bedrijven die
zeer grote oppervlaktes behoeven, zullen meer en meer locaties vinden in specifieke
economische knooppunten, zoals de gemeenten van het economisch netwerk Albertkanaal.
De effecten van ontwikkeling van ICT zijn vandaag moeilijk inschatbaar. Omwille van de
locatie-eisen van kantoorontwikkeling zullen kennisintensieve bedrijven wellicht voornamelijk
blijven opteren voor stedelijke locaties.
De bestemming van de 6.964 ha bedrijventerrein, voorzien in het Ruimtelijk Structuurplan
Vlaanderen, loopt zoals gepland en zal sturend werken bij de aantrekking van nieuwe
bedrijvigheid in Vlaanderen.
 De druk op de ruimte vanuit de landbouw
Over de oppervlakte aan landbouwgrond bestaan meerdere bronnen, ieder met een andere
finaliteit. Globaal gezien vermindert de oppervlakte die gebruikt wordt voor
landbouwdoeleinden. Het mestdecreet zou de vraag naar landbouwgrond weer doen
toenemen wat in elk geval reeds een druk zet op de grondprijzen.
Vlaanderen is met zijn 10,8% beboste oppervlakte een van de bosarmste gebieden in
Europa.

De sterke toename van de mobiliteit brengt de bereikbaarheid in Vlaanderen in het
gedrang
De verkeerscongestie is in Vlaanderen een kritische factor voor de export en distributie.
Vooral de bereikbaarheid via de weg is problematisch, mede door de concentratie in tijd en
ruimte. De economische groei en internationalisering ervan, het ruimtelijk vestigingspatroon
en demografische factoren doen de vraag naar verkeer en transport toenemen.
Deze vraag is niet evenwichtig verspreid over de verschillende vervoerswijzen. De auto
heeft de voorbije decennia zowel in het personenvervoer als het goederentransport zijn
marktaandeel verhoogd. De gevolgen voor de verkeersveiligheid en de leefbaarheid van de
woonkernen zijn gekend: Vlaanderen telt relatief veel dode verkeersslachtoffers en ruim 1/3
van de bewoners klaagt over verkeershinder.
9/69
In een trendscenario zet de groei van het personenvervoer en het goederentransport zich
verder door : de afgelegde kilometers met personenwagens in de avondspits op de
hoofdwegen zou tegen (1998 tot) 2010 groeien met 40%, de afgelegde kilometers met
vrachtwagens met 33%. Dit zal vooral rond de economische knooppunten leiden tot nog
meer verliesuren.
Een aantal factoren kan deze ontwikkeling helpen ombuigen. In het personenvervoer kijken
we uit naar de effecten van de ontgroening en de vergrijzing, van telewerk, flexibele
werktijden, carpooling, minder autosolisme, meer gebruik van fiets, uitbouw van openbaar
vervoer en internationaal vervoer, verhoging van wegcapaciteit, consequentere ruimtelijke
ordening.
In het goederenverkeer kunnen demografische ontwikkelingen, ICT, clustervorming van
bedrijven, uitbouw van intermodaal vervoer, fiscale maatregelen, hogere wegcapaciteit,
hogere beladingsgraad, betere spreiding in de tijd een invloed hebben. De uitkomst van
deze factoren is moeilijk vooruit te berekenen.
1.3.
DE OVERPELTSE OMGEVING : MEER DAN EEN FOTO EN MINDER DAN EEN
FILM
1.3.1. HET OPZET
Wij proberen in onze omgevingsanalyse om Overpelt te portretteren. Dat wil zeggen dat wij
gaan kijken hoe de gemeente er op dit ogenblik uitziet. Hierbij wordt geen volledigheid
nagestreefd maar wordt gekeken naar de bruikbaarheid van de beschrijving voor het
opmaken van een lokaal sociaal beleidsplan. Dat betekent dat er klemtonen zullen worden
gelegd op de items die hierbij een grote rol spelen.
Wel zullen wij vertrekken vanuit een integrale visie. Dat betekent dat vastgestelde
problemen niet geïsoleerd zullen bekeken worden maar als elementen van het zgn. systeem
die elkaar beïnvloeden (zie hoger) en die samen moeten worden aangepakt.
Voor zover wij hierbij ondersteuning vinden in het beschikbare cijfermateriaal, willen wij niet
alleen het “hier en nu” beschrijven maar ook kijken naar het verleden om de evoluties te
kunnen ontdekken en mogelijk ook voorspellingen te maken van evoluties die zich aftekenen
bij ongewijzigd beleid.
1.3.2. DE METHODIEK
Voor het opmaken van deze omgevingsanalyse werd een werkgroep samengesteld
bestaande uit drie personen (2 OCMW en 1 gemeentebestuur).
Om de opdracht (het schrijven van een omgevingsanalyse) te begrenzen, werden door de
werkgroep een aantal doelgroepen bepaald die gelinkt werden aan een aantal voor hen
relevante beleidsdomeinen (Dierckx D. en Redig G., Categroriaal beleid : een onderbenutte
kans voor een integrale en interactieve beleidsvoering, in Burger, bestuur & beleid, Jg. 3,
2006 – nr. 3, blz. 217-229). Op die manier werd getracht om het onderscheid tussen een
algemeen beleid en een sociaal beleid te bewaren, alhoewel dit in een integrale visie een
moeilijke oefening is. Inclusiviteit (dat elk beleid nastreeft) betekent daarenboven dat
beleidsbeslissingen worden getoetst aan de effecten voor de zgn. doelgroepen.
10/69
De volgende doelgroepen werden weerhouden : senioren, personen met een handicap en
zieken, jongeren, kansengroepen (te begrijpen als inwoners die op een of meerdere
levensdomeinen als achtergestelden worden beschouwd), volwassenen (dit zijn mensen
zonder bijzondere antecedenten die op een bepaald ogenblik tijdelijk in de hulpverlening
terecht komen doch zonder dat er structurele elementen zijn die hen bij de kansarmen doet
horen). Omdat de cesuur tussen kansengroepen en hetgeen omschreven werd als
volwassenen bijzonder klein is werd besloten om dit als één doelgroep te beschouwen onder
de ruim te beschouwen noemer “gezinnen en kansengroepen”. Hieronder worden mensen
begrepen die omwille van een veelvuldige achterstellingen beperkt zijn in hun mogelijkheden
tot integratie en/of mensen die omwille van occasionele redenen tijdelijk of langdurig nood
hebben aan bepaalde vormen van hulpverlening.
Vreemdelingen worden niet weerhouden omdat deze doelgroep te klein is. Overpelt telt 7,8
% (1039) mensen van vreemde nationaliteit waarvan 95 % EU-burgers. Op 01/01/2005
waren er slechts 12 Turkse en 9 Marokkaanse personen ingeschreven in Overpelt.
De beleidsdomeinen zijn voor alle doelgroepen dezelfde maar hebben niet voor elke groep
dezelfde relevantie. Het zijn : wonen, werken, opleiding en vorming, mobiliteit, cultuur en
vrije tijd, persoonsgebonden problemen, zorgbehoeften. Tussen sectoren (domeinen) en
categorieën (doelgroepen) lopen dwarsverbanden of zgn. beleidskruispunten (Dierckx en
Redig, zie infra). Bij deze omgevingsanalyse beperken wij ons tot een geselecteerd aantal
kruispunten die hun belang hebben voor een coherent sociaal beleid en die vanuit een
categoriaal perspectief worden bekeken.
1.3.3. ALGEMENE DEMOGRAFISCHE GEGEVENS
1. Inwoners, bevolkingsdichtheid, niet-Belgen, burgerlijke staat
Overpelt is een gemeente met 13.245 inwoners op een oppervlakte van 4085 ha. Dat
betekent een bevolkingsdichtheid van 324 inwoners/km². Dat is minder dan het Limburgs
(334 inw/km²), Vlaams (446 inw/km²) en Belgische (342 inw/km²) cijfer.
Er zijn in Overpelt 1039 inwoners met een vreemde nationaliteit. Daarvan zijn er ruim 87 %
Nederlanders (903). Er zijn slechts 12 Turken (of 0,09% van de bevolking) en 9 Marokkanen
(0,07 %) woonachtig in de gemeente.
De helft van de Overpeltse bevolking is gehuwd (50,4 %). Dat is meer dan in Limburg,
Vlaanderen en België. Vooral het aantal gescheiden personen (4,8%) ligt merkelijk lager
dan in Vlaanderen (6,6 %) en België (7,2 %).
2. Loop van de bevolking
Zowel het aantal geboorten als het aantal sterfgevallen ligt onder het gemiddelde van de
andere aggregatieniveaus. Dit leidt tot een natuurlijke aangroei van 2,13 ‰. Dat is geringer
dan in Limburg (2,21 ‰) maar veel meer dan in Vlaanderen (1,03 ‰) en in België (1,32 ‰).
Het migratiesaldo is evenwel zeer hoog (6,47 ‰) waardoor de totale groei van de bevolking
voor 2004 op 8,60 ‰ ligt.
Prognoses wijzen op een aangroei van 13.245 in 2005 tot 14.078 inwoners in 2015 (+ 833
eenheden of 6,3 %). Dit is een sterkere groei dan in Limburg (+ 4,3%) en in Vlaanderen
(2,2%). Op 33 jaar tijd (1971-2004) is het migratiesaldo (in relatieve cijfers) gestegen van –
3,04‰ tot 6,47‰. Dit is een atypische groei ten opzichte van de Limburgse cijfers. Het
natuurlijk saldo kent daarentegen eenzelfde curve als de provincie.
11/69
In Noord-Limburg blijven Overpelt en Neerpelt aantrekkingspolen met stijgende
migratiecijfers, terwijl de andere gemeenten een stagnerende of een dalende inwijking
kennen.
1.4.
KRUISPUNTEN VANUIT CATEGORIAAL OOGPUNT
1.4.1. JONGEREN
 Algemene (demogragische) gegevens
In Overpelt stonden op 1 januari 2006 13.434 inwoners ingeschreven in het
Bevolkingsregister, vreemdelingenregister en wachtregister. Hiervan waren er 3.894 jonger
dan 24 jaar. Dat betekent dat 29 % van de Overpeltse bevolking tussen 0 en 24 jaar is.
Er wordt verwacht dat tegen 2025 dit aantal zal zakken tot 3.582 of een vermindering van 8
%. In vergelijking met gelijkaardige Limburgse gemeenten, is dit een beperkte terugval.
 Werken
Uit de cijfers van de VDAB blijkt dat op 1 januari 2006, 139 van de jongeren tussen 18 en 25
jaar ingeschreven waren als niet werkende werkzoekende. Op een beroepsactieve
jongerenpopulatie van 698 eenheden, is dit een werkloosheidsgraad bij jongeren van 19.9
%. Ten opzichte van 1 januari 2004 is dit een stijging met 9,9 %. Het valt op dat deze
stijging volledig toe te schrijven is aan de mannen. Binnen Limburg staat Overpelt op het vlak
van de werkloosheidsgraad bij jongeren op de 20ste plaats op 44 gemeenten.
Het aandeel van de jongeren op een totaal van 573 niet werkende werkzoekenden binnen
Overpelt bedraagt 24,8 %. Er is een dalende trend waar te nemen op dit vlak sinds 2004.
Maar toch staat Overpelt met dit cijfer pas op de 32ste plaats in Limburg (44 gemeenten).
Met een werkgelegenheidsgraad die de 100 % benadert, is dit een vreemde vaststelling.
 Opleiding
In Overpelt lopen 3651 kinderen en jongeren tussen 2,5 en 18 jaar school. De gemeente
vervult daarmee een regionale functie. Dit geldt zeker voor het industrieel-technisch en
beroepsonderwijs, voor het kunstonderwijs en voor het buitengewoon beroepsonderwijs.
In het basisonderwijs zitten in totaal 1629 kinderen, verdeeld over 3
scholengemeenschappen met in totaal 12 vestigingen. In het secundair onderwijs zitten 2022
jongeren, verdeeld over 2 scholengemeenschappen met 3 vestigingen.
Op een totaal van 1204 Overpeltse jongeren tussen 18 en 24 jaar is er een beroepsactieve
bevolking van 698. Dit wil zeggen dat er nog 506 jongeren in deze leeftijdscategorie
studeren.
 Persoonsgebonden problemen
Volgens de statistieken van de studiecel van de provincie Limburg werden er in 2006 in
Overpelt 2 kinderen geboren in een kansarm gezin.
Er zijn 18 jongeren door de jeugdrechtbank geplaatst onder een maatregel van bijzondere
jeugdbijstand. Op een totaal van 3894 jongeren is dit 0,46 %. In de Limburgse gemeente met
het hoogste percentage op dit vlak is dit 2,34 %.
In Overpelt wonen 4 jongeren tussen 18 en 24 jaar die reeds kinderen hebben en leven van
een leefloon.
12/69
48 jongeren zijn werkzoekend en hebben geen diploma van hoger secundair onderwijs. Dit
vormt een risicogroep op de arbeidsmarkt.
In Overpelt wonen 303 éénoudergezinnen met kinderen.
In 2006 waren er 31 Overpeltse cliënten in de drugshulpverlening bij CAD. Hiervan waren er
25,8 % jongeren onder 25 jaar. Dat is minder dan hun aandeel in de bevolkingscijfers.
Hieruit mogen geen voorbarige conclusies worden verbonden omdat middelenmisbruik niet
voorkomt bij kleine kinderen. Als wij de categorie beperken tot de 12 tot 24 jarigen, dan
zorgen 16,9 % van de bevolking voor 25,8 % van de cliënten. Dit is wel significant.
 Vrije tijd
Dit lokaal sociaal beleidsplan wil de basis leggen voor de uitbouw van een geïntegreerd
lokaal sociaal beleid voor de Overpeltse kinderen en jongeren. In samenwerking met de
gemeentelijke diensten (jeugddienst, sportdienst, cultuurdienst, bibliotheek, cultuurcentrum)
en lokale actoren willen we werken aan initiatieven op maat van elke inwoner en wordt in de
verschillende beleidsdomeinen bijzondere aandacht geschonken aan het bereiken van en de
toegankelijkheid voor kwetsbare groepen.
Voor de kinderen tussen 4 en 15 jaar bestaat het systeem van de knipoogcheques. Ieder
kind krijgt een boekje met 25 cheques van 0,5 €. Deze cheques kunnen gebruikt worden om
allerlei dingen mee te betalen of om korting te krijgen. Het OCMW verstrekt jaarlijks extra
boekjes aan zijn cliënten. De knipoogcheques worden goed gebruikt door de Overpeltse
gezinnen. 84 % van de cheques worden afgehaald en daarvan wordt 78,13 % ook effectief
gebruikt. Het valt dus niet op dat bepaalde kinderen extra cheques mogen besteden.
De knipoogcheques zijn een extra stimulans voor de toeleiding van kinderen naar het
vrijetijdsaanbod. Voor jongeren ontbreekt een dergelijk initiatief.
1.4.2. SENIORENBELEID
 Algemene (demografische gegevens)
Overpelt telde 13.245 inwoners in 2005. In 2015 zal het bevolkingscijfer toenemen met 833
eenheden of 6,3 % (zie supra). Het aantal +60-ers zal in diezelfde periode stijgen van 2.798
tot 3.568 eenheden. Dat is een stijging van 770 eenheden of 27,5 %. Op 63 eenheden na
zal de groei van de Overpeltse bevolking tijdens de komende 10 jaren bestaan uit mensen
van 60 en ouder. Van deze doelgroep waren er in 2005 nog 371 mensen van meer dan 80
jaar. In 2015 zullen er dat 692 zijn. Dat is een stijging van 86,50 %. Het zijn vooral (maar
niet uitsluitend) de hoogbejaarden die tot het doelpubliek behoren van de (ruim
gedefinieerde) thuiszorgsector.
Als men de verschillende coëfficiënten (Bron : FOD Economie – Algemene Directie
Statistiek en Economische Informatie, dienst Demografie; zoals verwerkt door Provincie
Limburg, 2de Directie Welzijn, Studiecel) gaat bekijken en men vergelijkt die met Vlaanderen,
dan stelt men vast dat de veroudering in Vlaanderen op dit ogenblik veel ernstiger is dan in
Overpelt. Naar 2015 toe zullen de gevolgen van de vergrijzing in Vlaanderen nog toenemen.
Voor Overpelt is het betekenisvol dat tegen die tijd de cijfers van de gemeente die van het
gewest zullen benaderen (zonder evenwel hieraan gelijk te worden).
De doelgroep van de senioren wordt dus duidelijk belangrijker. Zij vormen nu 21,1 % van de
bevolking en zullen in 2015 zelfs 25,3 % uitmaken van alle Overpeltenaren. Vijf procent (4,6
%) onder hen zal behoren tot de hoogbejaarden. Het gemeentelijk beleid in alle sectoren zal
hiermee rekening moeten houden
13/69
 Wonen
1. Algemeen
Met 84,8 % aan eigen woningen mag men stellen dat de Overpeltse senior meer dan
waarschijnlijk eigenaar is van zijn woning. Wel is 2,25 % van het woningbestand potentieel
van mindere goede kwaliteit (zonder comfort). Hiermee bevindt Overpelt zich toch nog,
samen met de andere Noord-Limburgse gemeenten, in het koppeloton van de provincie. Het
woningpatrimonium is dan ook relatief jong (39,5 jaar). Dezelfde klassering geldt voor
leegstand en verkrotting (0,08 %).
2. Specifieke huisvesting voor senioren
De algemeen gezonde toestand van de woningen zegt evenwel niets voor de nood aan
seniorenhuisvesting. Vaak zijn het andere dan louter bouwfysische motieven die de nood
aan specifieke huisvesting bepalen en die te maken kunnen hebben met de fysieke
mogelijkheden van de senior maar evenzeer met zijn mentale toestand.
Overpelt beschikt op de huurmarkt over een patrimonium van 5 bejaardenwoningen en 6
seniorenappartementen via de sociale huisvestingsmaatschappij Kempisch Tehuis. Er
kunnen dus 0,4 % van de senioren (+ 60 jaar) terecht in een aangepaste sociale woning.
Na de opening van De Open Poort kwamen daar nog eens 12 appartementen (en studio’s)
bij waardoor er potentieel 0,82% van de senioren een plaats kunnen vinden.
De 24 serviceflats Wuytenhof kennen uiteraard een bezetting van 100 %. In afwachting van
de opening van nogmaals 44 flats in hetzelfde complex, staan er 153 senioren op de
wachtlijst waarvan 135 mensen van Overpelt (10/2006). Dit cijfer weerspiegelt de behoefte
aan aangepaste huisvesting maar moet wel gerelativeerd worden. Ervaringen uit het
verleden leren dat bij het oproepen van de kandidaten een aantal mensen afhaken omdat zij
zichzelf uiteindelijk nog niet klaar achten voor deze woonvorm.
Het rustoord Immaculata, beheerd door de zusters Augustinessen, beschikt over 75 bedden
waarvan 25 RVT-bedden. Ook hier is er een aanzienlijke wachtlijst (10/2006). Voor de
dementenafdeling zijn er 25 bedden beschikbaar voor 28 wachtenden waarvan 12
Overpeltenaren. Voor de andere 50 bedden zijn er 55 wachtenden van Overpelt en 67
wachtenden van de omliggende gemeenten. Hierbij zijn er een aantal personen die
ingeschreven zijn in verschillende rustoorden. De cijfers moeten dus gerelativeerd worden.
Toch tonen zij aan dat er een druk is op de sector.
In totaal zijn er in Overpelt in 2006 dus 23 bejaardenwoningen beschikbaar , 24 serviceflats
en 75 ROB- en RVT-bedden. Dit zijn in totaal 122 “wooneenheden”. De seniorenflats en de
serviceflats kunnen eventueel bewoond worden door echtparen. In maximum 10 % van de
gevallen gebeurt dat ook effectief. Dat betekent dat er 127 personen effectief een
onderkomen kunnen vinden in deze bijzondere projecten voor seniorenhuisvesting. Dat is
4,5% van de seniorenpopulatie van de gemeente.
Bij ingebruikname van de 44 vergunde serviceflats (opening eind 2008) zal dat 6,3 % zijn (=
177 personen na extrapolatie voor dubbelgebruik echtparen).
3. Evolutie
Met het bouwen van 44 bijkomende serviceflats door de gemeente en de mogelijke
uitbreiding van het rustoord Immaculata met 50 bedden, benadert Overpelt de
programmatienorm.
De programmatiecijfers voor 2006 werden gebaseerd op een bevolkingsprojectie tot 2011.
Op basis hiervan mag Overpelt 140 ROB-bedden hebben. Zelfs met de geplande uitbreiding
van Immaculata met 50 eenheden wordt dit niet bereikt.
14/69
Voor de serviceflats is de toestand anders. In totaal zullen er 68 eenheden zijn waarvan 24
reeds erkend en 44 met een voorlopige vergunning (exploitatie 2008). De norm bedraagt 65
eenheden en wordt berekend op 2 eenheden per 100 bewoners boven 60 jaar. Volgens de
projectie naar 2011 zullen dat 3.233 personen zijn. Om het totaal aantal flats te bekomen
moet met niet het programmacijfer nemen van de eigen gemeente maar wel van de VIPAregio. Dat zijn de eigen gemeente en de aangrenzende gemeenten. Volgens cijfers die wij
in 2005 bekwamen van de Vlaamse Gemeenschap is er nogal wat groeipotentieel (+ 276)
vooral omdat de buurgemeenten capaciteit onbenut laten.
Met een gedifferentieerd aanbod van seniorenwoningen, serviceflats, ROB- en RVT-bedden,
zullen er in de toekomst 6 à 7 % van de Overpeltse senioren een bijzonder en aangepaste
huisvesting vinden in de gemeente. Daarvan zullen er slechts 75 (de rustoordbewoners) uit
de thuiszorg blijven. Senioren verhuizen naar bejaardenwoningen of serviceflats omdat zij
omwille van een persoonlijk probleem dat van fysieke of mentale aard kan zijn, een
aangepaste woning nodig hebben. Maar precies daarom zijn zij aangewezen op thuiszorg.
Samen met de mensen die nooit verhuizen maar wel meer zorgbehoeften kennen bij het
ouder worden, verhogen zij de vraag naar alle vormen van thuiszorg. Een uitgebouwd
seniorenbeleid kan dus niet zonder een aantal (semi)intramurale voorzieningen maar de
thuiszorg in al zijn facetten blijft een noodzaak.
 Mobiliteit
Over de mobiliteit van senioren beschikken wij slechts over interne cijfers. In 2006 telde de
minder mobielen centrale 45 leden die regelmatig gebruik maken van dit vrijwilligersvervoer.
Hiervan zijn er 32 personen van meer dan 60 jaar (71 %) en 24 leden zijn meer dan 70 jaar
(53,3 %). De centrale wordt dus hoofdzakelijk gebruikt door senioren.
Naast het vrijwilligersvervoer organiseert het OCMW ook rolstoelvervoer dat aan specifieke
voorwaarden gebonden is (gebonden aan elektrische rolstoel of een gewone rolstoel maar
niet in een gewone auto kunnen plaatsnemen). Ook hier zien wij een hoofdzakelijk gebruik
door senioren alhoewel niet de leeftijd maar wel de handicap het criterium is voor de
gebruiker.
In 2006 waren er 57 Overpeltenaren die gebruik maakten van deze dienstverlening waarvan
er 46 de leeftijd van 60 jaar hadden bereikt (80,70 %) en 22 38,5% ouder waren dan 70 jaar.
 Cultuur & Vrije tijd
1. Algemeen
Met 11 seniorenverenigingen kent Overpelt een gevarieerd aanbod aan clubs die zich
bekommeren om de ouder wordende inwoners van de gemeente. Van deze 11 verenigingen
zijn er 6 die enkel kaartactiviteiten organiseren. De 5 overige clubs zijn actief binnen het
ganse gamma van vorming en vrije tijd.
De vijf verenigingen tellen samen 847 leden waarvan ongeveer de helft de activiteiten volgt.
De programmatie is volledig in handen van de respectievelijke besturen die allen
aangestuurd worden vanuit hun koepelorganisatie (2);
2. Ondersteuning en activiteiten
Naast de ondersteuning (financieel en logistiek) door het gemeentebestuur van de
seniorenraad, worden er via Palethe nog activiteiten georganiseerd die gericht zijn op dit
doelpubliek.
15/69
De seniorenraad is in eerste instantie een adviesraad die zorgt voor de verdeling van de
subsidies en voor het verstrekken van adviezen aan het gemeentebestuur en het OCMW.
Hiertoe vergaderen zij maandelijks. De raad is samengesteld uit afgevaardigden van de
verschillende bonden (afdelingen).
Ieder jaar organiseert de Seniorenraad het “Feest van de Senior” in aansluiting op de St.
Odafeesten (gebruik van de accommodatie). Tweemaal per jaar wordt in samenwerking met
het provinciebestuur een opfrissingscursus “Wegcode” georganiseerd. Deze cursussen
beslaan 5 namiddagen en er zijn telkens 25 senioren aanwezig.
Daarbuiten heeft het C.C. Palethe een programmatie die gericht is op de ouderen. In het
werkjaar 2005-2006 werden 3 shownamiddagen en 2 uitstappen georganiseerd.
daarenboven werden 2 informatienamiddagen georganiseerd waarvan die over de nieuwe
serviceflats in de drie wijkcentra plaatsvond met telkens tussen 25 en 50 aanwezigen.
Ook het Sportcentrum De Bemvoort programmeert specifiek naar de doelgroep senioren.
Er worden wekelijks 1 gymsessie met gemiddeld 31 deelnemers en 2 netbalsessies met
gemiddeld 23 deelnemers georganiseerd en dit gedurende het ganse jaar. De omnisportclub
die een wekelijkse activiteit organiseert in mei en juni heeft ieder jaar 86 deelnemers. Aan
het netbaltornooi nemen jaarlijks 86 senioren deel.
 Zorgbehoeften
1. Situering
Het is een evidentie dat met het ouder worden de zorgbehoeften van de mensen toeneemt.
Het tijdstip waarop voor het eerst hulp nodig is, de intensiteit en de aard van de hulp verschilt
erg van persoon tot persoon. Maar aan de wetmatigheid dat met het toenemen van de
leeftijd ook de fysieke mogelijkheden wijzigen, ontsnapt niemand.
In onze samenleving werd daarop ingespeeld door het organiseren van een netwerk van
hulpverleningsdiensten met een zeer divers aanbod. In economische termen zegt men dan
dat er een markt is. Naast de actoren uit de private en de semi-private sector is het OCMW
een aanbieder op deze markt. Hoewel nergens in de OCMW-wet wordt gesproken over
senioren, hebben de OCMW’s de ouderenzorg steeds tot hun taak gerekend. Zij zijn
enerzijds een verlengstuk van de burgerlijke godshuizen waarvan de organisatie sinds de
Franse revolutie tot de taak van de gemeentelijke overheden behoorden. Anderzijds is dit
een toepassing van de OCMW-wet waarbij het plaatselijke openbaar centrum aan “elke
persoon” de maatschappelijke dienstverlening moet garanderen waartoe de gemeenschap
gehouden is. Het ontoereikend aanbod van de diensten in het werkveld heeft ertoe geleid
dat de OCMW’s complementair en subsidiair een eigen dienstverlening hebben uitgebouwd
om die algemene taak te kunnen waarmaken.
Ondanks dit aanvullend openbaar initiatief blijft de druk op de thuiszorgsector groot. Om aan
“elke persoon” de hulp te kunnen geven die nodig is, zal de gemeentelijke overheid moeten
beslissen op welke wijze die hulp in de toekomst kan verstrekt worden. De demografische
cijfers geven een indicatie van de behoeften en het werkveld biedt daartoe een aantal
mogelijkheden.
De demografische vaststelling dat het bevolkingsegment van +60 jaar en ouder met 27,50 %
zal stijgen en het aantal hoogbejaarden van +80 jaar zelfs met 86,50 % zal groeien tussen
2005 en 2015, noodzaakt ertoe om minstens een globaal idee te ontwikkelen over hoe het
lokaal bestuur hierop kan reageren.
16/69
2. Verstrekte hulp in de gemeente.
In 2004 werden er door diverse erkende diensten in Overpelt 33.356 uren gezinszorg
verstrekt. Het aandeel van senioren (+ 65 jarigen) wordt door de administratie geraamd op
85 %. Dat betekent dat er 28.353 uren werden gepresteerd bij ouderen. Na omrekening,
waarbij minimaal 8 uren/week worden gerekend, zijn er ongeveer 68 oudere Overpeltenaren
die er een beroep op kunnen doen. Officiële poetsdiensten presteren daarbij nog 20.842
uren. Omgerekend aan 95 % senioren (19.800) en minimaal 4 uren per geholpen persoon
betekent dat ongeveer 95 benificianten.
Het OCMW van Overpelt biedt daarenboven, boven op het vermelde aantal, nog 14.418 uren
met de eigen poetsdienst. Volgens dezelfde omrekening betekent dat 54 geholpen
personen. Dankzij het dienstenbedrijf kan het OCMW momenteel bijna dubbel zoveel uren
presteren en worden bijkomend 10681 uren gewerkt bij 48 gezinnen.
Tot 2002 beheerde het OCMW een eigen dienst voor gezinszorg. Deze dienst presteerde
jaarlijks ongeveer 4.500 uren en kon ongeveer 11 tot 15 cliënten helpen. Omdat deze dienst
te klein was om efficiënt te kunnen beheren en omdat via een fusie door de bevoegde
minister substantiële capaciteitsuitbreiding werd beloofd, fusioneerden de 4 officiële diensten
van Noord-Limburg hun hulpverlening binnen de structuur van de Welzijnsregio. Dat leverde
tot op heden voor het ganse werkingsgebied 39.000 bijkomende uren/jaar op of een
toename van 130 %. Voor Overpelt betekende dat een toename van 4.129 bijkomende
uren. De fusie als dusdanig loonde dus. Anderzijds werden in Overpelt 15,85 % meer uren
gepresteerd dan de programmatienorm. Uitbreiding van de dienstverlening is in deze
omstandigheden niet evident.
De thuisverpleging, als meest eminente tak van de thuiszorg, laten wij hier buiten
beschouwing, omdat dit mechanisme gestuurd wordt door het RIZIV. Hierop kunnen het
lokale bestuur en de lokale actoren niet ingrijpen. Wij ontvangen vanwege de patiënten noch
vanwege de andere betrokkenen in de thuiszorg, signalen dat er een tekort aan zorg en/of
een kwalitatief deficit zou zijn.
3. Evolutie.
Gezinszorg en poetsdienst worden ook gepresteerd bij andere gebruikers dan senioren.
Zieken en personen met een handicap behoren ook tot de doelgroep. Op Vlaams niveau
gaat men ervan uit dat 85 % van de uren gezinszorg en 95 % van de uren poetsdienst
worden geleverd aan +65-jarigen. Vergelijkenderwijze gebruiken wij dezelfde verhoudingen.
Voor 2005 bedroeg de programmatienorm voor Overpelt 30.358 uren. In 2015 zullen er
volgens diezelfde norm 43.737 uren nodig zijn (=+ 44%). Dit zijn uren die te presteren zijn
door alle erkende diensten samen op het grondgebied van Overpelt. Dat zijn diensten met
zeer verschillende inrichtende besturen.
Omwille van het feit dat de Overpeltse dienst werd ondergebracht in de Welzijnsregio NoordLimburg en de rest van de prestaties geleverd wordt door derden, betekent dit dat het
OCMW de sturende rol kwijt is. Anderzijds was met een microdienst van 4500 uren/jaar
waarbij geen uitbreiding meer mogelijk was (wegens te klein), de sturingsmogelijkheid ook
zeer gering. De verdere ontwikkeling van de gezinszorg in de gemeente zal dus het
onderwerp moeten uitmaken van samenwerking met de andere partners. Aangezien er in
Overpelt (cijfer 2004) 15,85 % boven de norm gepresteerd wordt, lijkt het plafond bereikt.
Poetsdienst is altijd het terrein geweest waarop de (het) OCMW(‘s) het meest actief waren
(was) . De verschillende tewerkstellingsinitiatieven sedert het begin van de jaren 80 boden
die mogelijkheid. Tot op heden blijft dat zo. Momenteel geldt nog steeds hetzelfde
contingent aan gesubsidieerde contractuelen als voorheen.
17/69
Maar nu dient zich ook de mogelijkheid aan van dienstencheques. Conform aan de
bepalingen uit het beleidsplan 2002-2007 heeft het OCMW deze mogelijk aangegrepen om
de dienstverlening gevoelig uit te breiden en wachtlijsten of toelatingscriteria te vermijden.
Indien het systeem van dienstencheques een stabiel systeem blijkt te zijn met een voldoende
financiering door de federale overheid, kan het OCMW hiermee een volwaardige
dienstverlening in de poetsdienst uitbouwen. Momenteel kan dit nog aan kostprijs omdat de
overheadkosten (nog) niet in rekening worden gebracht en omdat de huishoudhulpen nog
geen anciënniteit hebben opgebouwd. Maar zelfs bij een stijging van de kostprijs en met het
aanrekenen van het beheer, blijft dit een aantrekkelijk systeem dat perspectieven biedt om te
groeien in functie van de behoeften. Het OCMW van Overpelt heeft zich wel steeds beperkt
tot het verstrekken van deze vorm van poetshulp aan personen van het doelpubliek
(ouderen, zieken en personen met een handicap). De modale tweeverdieners kunnen via dit
systeem terecht bij de private dienstenbedrijven (interimbureau’s).
 Lokaal behoeftenonderzoek (2006) in een notendop
In 2006 nam Overpelt deel aan het groot behoeftenonderzoek bij senioren. Datzelfde
onderzoek vond ook plaats in 17 andere Limburgse gemeenten. Daardoor is er een geldige
vergelijkingsbasis van de cijfers. Hier trachten wij om in een kort bestek de meest in het oog
springende resultaten te vermelden (steeds met de andere 17 gemeenten als referentie)
Methodologisch worden de vergelijkende cijfers gepresenteerd in Z-scores. Deze scores
geven aan welke de afwijking is van de cijfers van de gemeente t.o.v. de rest van Limburg.
De afwijkingen worden onderverdeeld in vijf klassen.
1
2
veel lager dan L. lager dan L.
3
gemiddeld
4
hoger dan L.
5
veel hoger dan L.
De beste score is dus “veel hoger dan in Limburg” maar kan voor negatief gestelde vragen
ook omgekeerd zijn (cf. onveiligheidsgevoel).
1. Veiligheid
Onveiligiheidsgevoel
1
veel lager onveiligheidsgevoel
2. Welzijn van ouderen
Psychisch welzijn
2
Eenzaamheid
2
minder kopzorgen, spanning en
stress
minder eenzaam
3. Sociale netwerken
Kinderen en kleinkinderen
Hulp ontvangen derden
Hulp bieden aan derden
Hulp bieden aan kinderen
4
2
3
4
meer contacten
ontvangen minder hulp kinderen
bieden evenveel hulp
bieden meer hulp
4. Participatie
Lidmaatschap verenigingen (algemeen)
Lidmaatschap vereniging ouderen (kennis)
5
4
Lidmaatschap verenigingen ouderen
Vrijwilligerswerk
4
4
veel meer lid van vereniging
weet meer van
ouderenverenigingen
hogere participatie
hogere participatie
18/69
5. Tevredenheid over het lokale beleid
Tevredenheid over werking gemeentelijke
diensten
Tevredenheid over werking politie
Tevredenheid afval- en huisvuilbeleid
Tevredenheid over lokale infrastuctuur
Tevredenheid over lokale welzijnsbeleid
Tevredenheid over lokale cultuurbeleid
Mate invloed senioren op beleid
6. Mobiliteit (gebruik van…)
Fiets
Openbaar vervoer
Mindermobielencentrale en de taxi
Tevredenheid openbaar vervoer
4
hogere tevredenheid
3
3
2
4
3
3
gemiddelde tevredenheid
gemiddelde tevredenheid
lagere tevredenheid
hogere tevredenheid
gemiddelde tevredenheid
gemiddelde invloed
5
4
1
4
veel meer dan in L.
meer dan in L.
zeer weinig
hogere tevredenheid
Daarenboven werden er meer keuzevragen gesteld waarop een aantal mogelijke
antwoorden konden worden gegeven. Hieronder geven wij de voornaamste resultaten.
Problemen met de woning
De drie belangrijkste problemen met de woning
Woning is inbraakgevoelig
Woning is moeilijk warm te stoken
Woning is te gehorig (slechte geluidsisolatie)
Problemen in de wijk
De drie belangrijkste problemen in de eigen wijk
Verkeer is te druk
Te weinig voorzieningen
Enkel ouderen wonen in de wijk
Algemene problemen
De drie problemen waarmee ouderen het vaakst geconfronteerd
worden
Gezondheidsproblemen
Problemen met het invullen v&n formulieren
Angst voor roof, diefstal of inbraak in woningen
Personen waarmee men het vaakst contact heeft
De drie personen waarmee men het vaakst contact heeft
Kinderen en schoonkinderen
Kleinkinderen
Buren en mensen uit de wijk
Overpelt
16,0 %
11,7 %
8,5 %
Overpelt
32,8%
21,8 %
20,1 %
Limburg
14,6 %
12,6 %
13,0 %
Limburg
37,3 %
23,7 %
19,9 %
Overpelt
Limburg
11,4 %
9,5 %
8,5 %
17,1 %
12,4 %
11,7 %
Overpelt
90,0 %
82,6 %
57,1 %
Limburg
87,9 %
77,4 %
56,1 %
19/69
Hulp ontvangen
Personen of organisaties waarvan men het meest hulp ontvangt
Kinderen
Partner
Kleinkinderen
Overpelt
72,7 %
39,8 %
38,6 %
Limburg
56,8 %
34,1 %
27,9 %
Participeren door ouderen
Activiteiten die het meest worden beoefend
Wandelen en fietsen
Luisteren naar radio of muziek
Tuinieren
Overpelt
81,8 %
76,9 %
67,4 %
Limburg
72,3 %
73,7 %
59,1 %
Participeren door ouderen
De drie verenigingen waarvan ouderen het meest lid zijn
Verenigingen voor gepensioneerden
Vrouwenbewegingen
Sportverenigingen
Overpelt
33,4 %
19,8 %
18,1 %
Limburg
30,1 %
15,2 %
16,9 %
Overpelt
Limburg
59,5 %
28,4 %
20,4 %
55,5 %
32,9 %
24,7 %
Culturele evenementen
De drie aspecten die ouderen het meest belemmeren om culturele
evenementen bij te wonen
Geen interesse
Financieel te duur
Tijdstip van de voorstellingen (’s avonds)
1.4.3. PERSONEN MET EEN HANDICAP
 Wonen
Overpelt – zorggemeente
Overpelt is een zorggemeente bij uitstek met op haar grondgebied het MariaZiekenhuis
Noord-Limburg met 348 bedden, het Revalidatie- en MS Centrum met 120 bedden, Sint-Oda
met 229 (2006) personen met een handicap in woonopvang (internaat en nursingtehuis) en
34 plaatsen in dagopvang (semi-internaat en dagcentrum), de Klimroos met 12 bedden in
woonopvang en 20 plaatsen in dagopvang. Aansluitend bij deze initiatieven verzorgt het St.
Gerardusinstituut in de peutertuin Olleke Bolleke in Overpelt-Fabriek de gespecialiseerde
dagopvang van peuters van 0 tot 4 jaar met een motorische handicap. Beschut Wonen biedt
in de zorgfunctie “woonrehabilitatie”, huisvesting voor 24 gewezen psychiatrische patiënten.
Daarenboven beheert de vzw Lindelheide nog 30 woningen met ADL-cluster in de dienst
zelfstandig wonen en verhuurt ook vzw Stijn op dezelfde campus aan het Revalidatie- en MS
Centrum nog 12 woningen zonder de ADL-ondersteuning.
De gemeente Overpelt bouwde De Open Poort als een gecentraliseerde huisvesting voor
verschillende welzijnsdiensten en verenigingen. In dit project, dat samen met cv Kempisch
Tehuis werd gerealiseerd, zijn 12 volledig aangepaste flats voor personen met een handicap
voorzien. Deze flats worden verhuurd aan individuele personen met een handicap. De
Klimroos levert zorg voor deze personen met een handicap en is daarvoor erkend door het
Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap als proefproject in het kader van
zorggradatie.
20/69
Zij richten zich op volwassenen met een niet-aangeboren hersenletsel of met een fysieke
handicap. De handicap moet zodanig van aard zijn dat er ernstige beperkingen zijn op het
gebied van ADL en sociale contacten. Deze zorgafhankelijkheid vereist een continue
mogelijkheid tot het inroepen van assistentie. De Klimroos wil een samenlevingsverbonden
vorm van dienstverlening uitbouwen. Door de centrale ligging van De Open Poort in het
dorpscentrum kunnen de bewoners vlot aansluiten bij activiteiten in de gemeenschap waar
ze wonen.
De sociale huisvestingsmaatschappij Kempisch Tehuis, die meewerkte aan de projecten van
de vzw Lindelheide en Open Poort, heeft nog 2 aangepaste woningen in het
inbreidingsproject “Rodenbacherf” in het centrum van de gemeente.
 Persoonsgebonden problemen
Wettelijke bevoegdheid
De aanwezigheid van instellingen, vooral als die ook actief zijn in de dagzorg en/of ambulant
behandelingen aanbieden, zorgt voor een relatief grote aanwezigheid van personen met een
handicap die niet in de instellingen verblijven. Uit de Welzijnsmonitor 2006 (Provincie
Limburg, 2de Directie Welzijn, Studiecel) leren wij dat er in Overpelt 1,11 % van de
thuiswonende inwoners recht heeft op een tegemoetkoming voor personen met een
handicap (integratie- en inkomensvervangende tegemoetkoming). Voor Noord-Limburg is
dat 0,87 % en voor Limburg als geheel 0,92 %.
Het OCMW is slechts bevoegd voor de bewoners die niet in een instelling verblijven tenzij
voor die patiënten die ook voor hun opname in Overpelt woonden. Dat zijn de personen met
een handicap die thuis verblijven, de bewoners van de woningen op de campus aan de
Boemerangstraat en sommige bewoners van St.-Oda, het Revalidatie- en MS Centrum en
De Klimroos (cf. wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van steun door de
Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn). Zij kunnen beroep doen op de volledige
steunverlening van het OCMW.
Omwille van de bijzondere situatie (lees concentratie) van personen met een handicap in de
woonzones rond de MS-kliniek, heeft het OCMW haar dienstverlening gelokaliseerd in de
gebouwen van de vzw Lindelheide. Een maatschappelijk werkster houdt er 2 x per week
spreekuren en wordt (gedeeltelijk) vrijgesteld voor bijstand aan de bewoners. Op de campus
worden 30 dossiers beheerd. Hierdoor werd in de loop der jaren een bijzondere expertise
ontwikkeld omtrent de specifieke problemen van personen met een handicap die ook
dienstig is voor hulp aan de anderen in de gemeente.
 Zorgbehoeften
Wat betreft de mogelijkheden van de personen met een handicap die niet in een instelling
verblijven, geldt hetzelfde aanbod als voor de bejaarden. Voor een algemene beschrijving
kunnen wij dus verwijzen naar hetgeen in het hoofdstuk senioren is beschreven. Met de
opmerking dat 85 % (gezinszorg) tot 95 % (poetsdienst) van de thuisdiensten werken voor
senioren, blijft er een voldoende potentieel over voor de personen met een handicap. Bij de
beoordeling naar de gegrondheid van de nood aan deze diensten, is de leeftijd trouwens
nooit een criterium maar is de behoefte aan hulp het bepalend criterium. Gezien er in de
gezinszorg meer dan 15 % boven de programmatienorm gepresteerd wordt in Overpelt,
moet geconcludeerd worden dat er voldoende mogelijkheden zijn om de personen met een
handicap te bedienen, zelfs als men vaststelt dat er door de bijzondere Overpeltse situatie
relatief gezien meer mensen met een dergelijk profiel wonen dan in andere gemeenten.
21/69
 Cultuur & vrije tijd
en morele verantwoordelijkheid …
Met 700 “zorgbedden” in de gemeente draagt het lokale bestuur uiteraard een bijzondere
verantwoordelijkheid voor de doelgroep. Dat wil zeggen dat zij in het verleden een facilitair
beleid heeft gevoerd en ook in de toekomst de nodige aandacht zal moeten hebben voor de
aanwezige instellingen in het algemeen en voor de zieken en personen met een handicap in
de gemeente in het bijzonder. Initiatieven zoals de aanleg van het wandelpad “wandelen
met wielen”, het convenant met het toegankelijkheidsbureau waardoor handelaren hun zaak
gratis op toegankelijkheid kunnen laten doorlichten, de tweejaarlijkse culturele manifestatie
“anders … en toch handig”, de speciale zwemsessies in zwembad “Dommelslag”, de
aankoop van een lift voor het zwembad, de gratis toegang van begeleiders tot sport en
culturele manifestaties, het bezoeksvriendelijk maken voor rolstoelgebruikers van
gemeentelijke manifestaties, zijn evenveel bewijzen van de bijzondere aandacht die het
gemeentebestuur bestuur heeft voor de doelgroep.
De aanwezigheid van veel personen met een handicap resulteert in een levendig netwerk
dat zich rond de personen met een handicap ontwikkelt. Met KVG is er een vereniging die
100 leden telt en jaarlijks tientallen ontspannende en vormende activiteiten organiseert voor
de leden en waaraan gemiddeld 60 leden deelnemen. VOSPO is een sportclub voor
mensen met een mentale of fysieke handicap en telt 80 sportende leden. Wekelijks
brengen zij hun leden bijeen in de plaatselijke sporthal in 5 sessies voor kinderen,
volwassenen en specifiek voor rolstoelbasketbal. Daaruit resulteren éénmalige organisaties
maar ook deelnames aan diverse tornooien en competities.
De instellingen voor personen met een handicap zoals St. Oda, het Revalidatie en MS
Centrum en De Klimroos doen beroep op een talloze vrijwilligers voor de omrandende
activiteiten. Dit heeft duidelijk een integratieve functie. In 2006 registreerde St. Oda 597
personen die op vrijwillige basis diverse taken op zich nemen. Alles samen (inclusief de
vrijwilligers in beheers- en toezichtsorganen), worden er jaarlijks 24.986 uren vrijwilligerswerk
geresteerd. Dat is het equivalent van 12,64 fulltime equivalenten. In het Revalidatiecentrum
zijn iets meer dan 100 vrijwilligers opgelijst die voornamelijk patiëntgebonden activiteiten
doen (zoals wandelen) maar ook zorgen voor talloze ontspanningsinitiatieven en het
organiseren van de kantine.
 Mobiliteit
Het OCMW tenslotte zorgt voor aangepast vervoer voor rolstoelgebonden patiënten. In 2006
deden 57 Overpeltenaren, die zich uitsluitend verplaatsen met een elektrische rolstoel of met
een gewone rolstoel doch niet in een gewone auto kunnen plaatsnemen (of ter plaatse zich
niet voldoende met een gewone rolstoel kunnen behelpen), beroep op deze specifieke
hulpverlening, die als een aanvullend initiatief op de minder mobielen centrale (45 leden) is
bedoeld.
Het proefproject van De Lijn “aangepast vervoer voor personen met een handicap”, dat van
start is gegaan op 01/07/2007, beoogt hetzelfde doelpubliek als het OCMW en zal, indien het
wordt bestendigd en voor korte ritten, het rolstoelvervoer van het OCMW vervangen. Het
werkt gedeeltelijk met de middelen van het openbaar vervoer die ook voor validen ter
beschikking staan (cf. belbus) maar is voor het specifieke gedeelte gepersonaliseerd en
aangepast aan de handicap. Bovendien wordt voor ritten van minder dan 10 km slechts het
tarief van het openbaar vervoer gevraagd. Indien aangepast vervoer van deur tot deur nodig
is, is er een meerprijs van slechts 0,50 EUR. Bij het OCMW betalen de gebruikers nog
steeds 0,27 EUR per km (cf. Minder Mobielen Centrale). Het proefproject zal in juli 2008
worden geëvalueerd. Vanuit het principe van subsidiariteit, zal het initiatief van het OCMW
dan mogelijk worden hervormd.
22/69
1.4.4. GEZINNEN EN KANSENGROEPEN
 Wonen
In 2001 waren er in Overpelt 4.723 huishoudens en slechts 4.597 woningen Dat betekende
een enorme druk op de woningmarkt (126 huishoudens delen één woning). Sindsdien steeg
het aantal huishoudens met 7,8 % (op vier jaar) tot 5.090 eenheden. Dat betekent dat het
woningpatrimonium van Overpelt op die vier jaar met 10,7 % is toegenomen.
De druk op de woningmarkt blijft groot en zal de komende jaren nog toenemen. De
gezinsverdunning is elders in Vlaanderen reeds verder gevorderd dan in Limburg en in
Overpelt. In 1990 telde in Vlaanderen een privaat huishouden nog 2,59 personen, in 2002 is
dit gedaald tot 2,42 personen. In 2005 bestond een Overpelts huishouden gemiddeld nog uit
2,6 personen (in 2001 zelf nog 2,7 personen). Dat betekent dat indien de gezinsverdunning
zich ook in Overpelt doorzet en de gezinnen steeds kleiner worden, er meer woningen
moeten worden voorzien. Op basis van de bevolkingsevolutie zouden er tegen 2015 in
Overpelt voor 14.078 inwoners 5.414 woningen moeten zijn. Indien het aantal personen per
gezin met 1/10de daalt over die periode moeten dat 5.631 woningen zijn. Indien Overpelt zich
op het Vlaams gemiddelde zou bevinden dan moeten er 5.817 woningen beschikbaar zijn.
Het woningpatrimonium bestaat voor 84,8 % uit eigendomswoningen en voor 15,2 %
huurwoningen (Noord-Limburg 16,2 % en Limburg 19,1 %). Van de huurwoningen zijn er
slechts 2,27 % sociale huurwoningen (1,93 % woningen en 0,34 % appartementen). Het
Sociaal Verhuurkantoor Noord-Limburg (SVK) verhuurt daarbij nog 20 woningen
(01/11/2007) in Overpelt. Ten opzichte van de omliggende gemeenten zijn er relatief gezien
duidelijk minder sociale huurwoningen.
Gedurende het jaar 2006 werden de woningen (20) die momenteel door het SVK worden
beheerd, door het OCMW gehuurd en verhuurd aan de cliënten. Deze dienstverlening was
nodig omdat de schaarste op de huurmarkt vooral effect heeft voor de meest kwetsbaren.
Daarenboven kende het OCMW in 2006 tevens 27 huurwaarborgen toe waarvan er 16 ook
effectief werden uitgevoerd.
 Werken
Werkgelegenheid en tewerkstelling in cijfers.
De Overpeltenaren kunnen ruimschoots werk vinden in de eigen gemeente; Met een
werkgelegenheidsgraad van 87,3 % bekleedt de gemeente de 3de plaats in Limburg na
Hasselt (105,4 %) en Genk (99,8 %) terwijl de werkgelegenheidsgraad in Noord-Limburg
slechts 54,9 % bedraagt. Met de komst van het Mariaziekenhuis zal de
werkgelegenheidsgraad van Overpelt de 100% benaderen of zelfs overstijgen.
De aanwezigheid van voldoende arbeidsplaatsen op het grondgebied weerspiegelt zich
slechts in beperkte mate in de werkloosheidscijfers. Met 6,7 % werklozen zit Overpelt
weliswaar in de Limburgse kopgroep (9,0 %) maar moet in Noord-Limburg gemeenten als
Peer (6,4 %) en Hamont-Achel (6,4 %) laten voorgaan. Buurgemeente Neerpelt heeft met
een werkgelegenheidsgraad van 38,4 % slechts evenveel werklozen als Overpelt. Er is dus
geen significante relatie tussen de werkgelegenheidsgraad en werkloosheidsgraad. Wat
betreft de jeugdwerkloosheid scoort Overpelt (14,55%) bijna even goed als Hamont-Achel
(14,43 %) en Peer (13,9 %) en beter dan Noord-limburg (15,75 %) en Limburg (20,93 %)
Precies de helft van de Overpeltse werkzoekenden (49,8 %) hebben geen diploma HSO of
hoger. Dat is minder dan in Limburg (53,6 %) en Vlaanderen (51,9 %). Zulks betekent dat
er meer ongeschoolde arbeid te vinden is in de streek (gemeente) maar (of) dat er een
probleem zou kunnen zijn voor hoger opgeleiden.
23/69
Overpelt scoort onevenredig hoog bij de werklozen met een arbeidshandicap (19,2 %). Dat
zijn werkzoekenden zonder diploma of met slechts een BUSO-diploma, met een Vlaamse
Fonds-nummer of met een beperkte arbeidsgeschikheid. Voor Limburg bedraagt dat cijfer
slechts 13,7 % en voor Vlaanderen is dit maar 11,4 %.
Buitenschoolse kinderopvang als middel om werken en gezin te combineren.
Een lokaal bestuur wordt geacht om de polsslag van de bevolking te voelen en te anticiperen
op de evoluties die worden vastgesteld. Reeds in 1992 werd de buitenschoolse
kinderopvang ’t Ravotterke opgericht toen bleek dat hieraan een behoefte was. Werken en
kinderen is dikwijls een moeilijke combinatie. Met de oprichting van ’t Ravotterke kwam het
gemeentebestuur tegemoet aan deze vraag. Sindsdien is de dienst alleen maar gegroeid.
De omstandigheden waaronder deze dienst werd georganiseerd en de regelgeving die de
werking bepalen, wijzigden sindsdien grondig. Op dit ogenblik wordt de buitenschoolse
kinderopvang in de gemeente georganiseerd door het OCMW op drie locaties tijdens de
schooldagen en op 1 locatie tijdens de vakanties. Op schooldagen en vakantiedagen mogen
er bij De Rakkers (centrum) 85 kinderen worden opgevangen terwijl er bij De Bengels
(Lindel) en bij Jojo (Leopoldlaan) respectievelijk 34 en 32 opvangplaatsen zijn voor
uitsluitend de schooldagen.
Dat resulteerde in 2005 in 55.684 opvanguren en gemiddeld 306 kinderen die uit 182
gezinnen komen. Aan een dergelijke dienstverlening, die slechts zeer matig gesubsidieerd
wordt (met vooralsnog federale middelen), hangt natuurlijk een prijskaartje; Voor 2005 was
er een niet-gesubsidieerd tekort van 158.133,32 EUR of 2,84 EUR/opvanguur.
Net zoals in de rest van Vlaanderen was er voor de zomervakantie 2007 een zeer grote
vraag en dus een grote wachtlijst. Om tegemoet te komen aan de ouders die daardoor voor
de vakantieopvang in de problemen kwamen, gaf het College van Burgemeester en
Schepenen toestemming aan het OCMW om dringend te voorzien in bijkomende
opvangplaatsen. Er werden voor de vakantiemaanden gemiddeld 30 bijkomende plaatsen
gecreëerd met eigen middelen.
 Persoonsgebonden problemen
De welzijnssector …
Het gemiddeld belastbaar inkomen bedraagt 11.432 EUR/inwoner (2004). Dat is hoger dan
in Noord-Limburg (€ 11.203) maar minder dan in Limburg (€ 11.933) en in Vlaanderen (€
13.002). Daarenboven zijn er in de gemeente Overpelt minder gezinsinkomens (berekend
per belastingsaanslag) onder 20.000 EUR (48%). In Limburg zijn er dat 53,7 % en in
Vlaanderen 50,8 %. Het mediaaninkomen bedraagt 20.556 EUR terwijl dit voor Limburg
slechts 18.882 EUR en voor Vlaanderen 19.764 EUR bedraagt.
Overpelt lijkt dus in de Noord-Limburgse context een welwarende gemeente. In tegenstelling
tot het mediaaninkomen, is het gemiddelde inkomen van de bewoners niet hoger dan in de
rest van Limburg (en Vlaanderen), maar met een werkgelegenheidsgraad die de 100 %
benadert, zijn er heel wat mogelijkheden. Zoals evenwel reeds hoger vermeld, is de
aanwezigheid van een grote arbeidsmarkt niet steeds een garantie voor een tewerkstelling.
Maar evenzo is het hebben van een job geen garantie voor probleemloos en zorgeloos
leven. De maatschappij zelf, de complexe wijze waarop die georganiseerd is en vooral de
snelheid waarmee die wijzigt, genereert een aantal problemen die de hulpverleningsdiensten
in de welzijnssector zullen vatten in een “dossier”. Terwijl het opbouwwerk (in de gemeente
aanwezig via Opbouwwerk Noord-Limburg en vanaf 2007 ondergebracht in de
overkoepelende structuur van RIMO) zich zal bezig houden met het opzetten van collectieve
acties van achtergestelde groepen, zullen de meeste andere welzijndiensten werken met de
individuele cliënt (als complex systeem van aanleg, opvoeding en omgeving).
24/69
Hiertoe worden verschillende methodieken gebruikt afhankelijk van de specialisatie, de visie,
de opleiding en de middelen die ter beschikking staan.
In de gemeente zijn een aantal van die diensten aanwezig met hun zetel of met een antenne,
zoals het Centrum Geestelijke gezondheid (groep LITP), het algemeen welzijnswerk met vzw
Sonar; Beschut Wonen Noord-Limburg, Psychiatrische thuishulp, Kind & Gezin (consultatie
en regiohuis). Uiteraard zijn er veel meer diensten die Overpelt tot hun werkingsgebied
hebben maar daarom niet fysiek aanwezig zijn in de gemeente. Een opsomming hiervan zal
steeds onvolledig zijn maar de voornaamste (bereikbare) partners zijn : het algemeen
welzijnswerk mutualiteiten, DAGG Lommel (= Centrum Geestelijke Gezondheid), Reval en
Validag (revalidatie), CAD (drugshulpverlening), Werkwinkel en T&O (trajectbegeleiding),
Rechtshulp Welzijnsregio, Jongerenadviescentrum (JAC) …
… samen met het OCMW …
De meeste van de vermelde diensten situeren zich op de tweede en de derde lijn alhoewel
sommige zich decretaal op de eerste lijn begeven. Het OCMW is evenwel de eerstelijns
dienst bij uitstek omwille van haar wettelijke taakstelling en omwille van het feit dat in iedere
gemeenten een OCMW aanwezig is.
De kerntaak van het OCMW is vervat in artikel 1 van de organieke wet : de dienstverlening
verzekeren waarop elk persoon recht heeft. De bepaling van wat de hulpverlening moet
inhouden lezen wij in artikel 57 van de wet en is even vaag als de kernopdracht nl. curatieve
en preventieve hulp van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of
psychologische aard. Een taakstelling waarvan de concrete invulling door de raad voor
maatschappelijk welzijn wordt gegeven en gecontroleerd wordt (en eventueel
gesanctioneerd) door de Arbeidsgerechten.
Het doel van de hulp is om iedereen in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat
beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er is ondertussen voldoende rechtspraak om
het referentiebegrip af te bakenen, uiteraard met de nodige aandacht voor de specificiteit van
iedere individuele situatie en met op de achtergrond de steeds wijzigende maatschappelijke
situatie.
…voor een integrale hulpverlening..
Steeds meer wordt de integratie en integreerbaarheid van de burger (de cliënt) de maatstaf
om de menselijke waardigheid te beoordelen en de hulpverlening van het OCMW te toetsen.
Daardoor gaat het OCMW zich begeven op domeinen die niet tot zijn klassieke territorium
behoren zoals opleiding en tewerkstelling die als onverbrekelijke voorwaarden worden
gezien voor een succesvol integratieproject. Maar ook voor huisvesting, gezondheidszorg,
culturele participatie en toegang tot justitie en media wordt het OCMW aangesproken.
De belangrijkste evolutie tekent zich evenwel af in de tweedelijns hulpverlening waartoe het
OCMW gedwongen wordt. Steeds meer blijkt het OCMW een vangnetfunctie te vervullen
voor cliënten wiens traject op de tweede lijn spaak loopt of die de toegang tot de tweede lijn
niet vinden : psychiatrische patiënten, mensen met een mentale achterstand,
drugsverslaafden, weglopers, jongeren met een niet voltooide schoolloopbaan, ouders met
opvoedingsproblemen, personen met een crimineel verleden, ‘tottergezinnen’ en meervoudig
achtergestelden. De druk op de hulpverleningsinstanties op de tweede lijn noopt hen tot
wachtlijsten en dus tot selectie. Dikwijls zijn het de cliënten met de meest dringende
problemen die daardoor de meer gespecialiseerde hulp mislopen en die derhalve terugvallen
op de generalisten van het OCMW. Dit leidt al te vaak maar noodgedwongen tot
crisisinterventie zonder probleemoplossend perspectief. De druk op het OCMW en
inzonderheid op de maatschappelijk werkers wordt daardoor ongeoorloofd hoog.
25/69
Waarover het concreet gaat …
Het OCMW is in eerste instantie gekend voor de financiële hulpverlening. Voor de meeste
betekent dat het toekennen van leefloon (maatschappelijke integratie) en geldelijke steun.
Voor insiders betekent dat evenwel ook budgetbegeleiding eventueel met het beheer van het
budget, schuldbemiddeling en collectieve schuldenregeling. Behoudens enkele initiatieven
van caritatieve verenigingen, is het verlenen van financiële steun een exclusieve taak van
het OCMW.
Het leefloon, het financiële luik van de wet op maatschappelijke integratie, beoogt als
residuaire uitkering een inkomen toe te kennen aan iedereen die geen ander inkomen heeft
en er geen kan verwerven. In 2005 keerde het OCMW aan 22 aanvragers en voor 45.555
EUR leefloon uit. Dat is beduidend minder dan in 2003 toen er nog 115.272 EUR werd
uitbetaald. Omdat armoede een multi-aspectueel begrip is, mag hieruit niet worden afgeleid
dat er minder armen zijn. Wetenschappelijk onderzoek zal moeten uitwijzen wat de oorzaak
van die daling is maar intuïtief bestaat de indruk dat het beleid van activering van de
uitkeringen, wat ook de drijfveer was om het bestaansminimum te hervormen, hier niet
vreemd aan is.
Omdat op vier jaar tijd (van 2003 tot 2006) de andere vormen van financiële steun
toenemen, zou kunnen gesteld worden dat de financiële exponent van armoede zeker niet is
verminderd. De uitbetaling van loutere financiële steun steeg met 25,6% tot 76.180,28 EUR.
Maar vooral de tussenkomsten in huur (van 35.467 EUR tot 114.032,88 EUR), de
tussenkomst in medische kosten (van 25.148 tot 32.763 EUR) en de steun in natura (van
3.096 tot 9.134 EUR = voeding) kenden een sterke groei. Dit zijn niet toevallig de
verstrekkingen van de meest levensnoodzakelijke zaken. Dit wordt versterkt door federale
initiatieven zoals het toekennen van een verwarmingstoelage waarvan er in de winterperiode
2005-2006 liefst 218 werden uitgekeerd door het OCMW. Algemeen gesteld zijn er dus
minder mensen die geen vorm van inkomen hebben maar meer mensen die met het
inkomen niet kunnen toekomen. Buiten het leefloon kent het OCMW jaarlijks aan 180
personen en gezinnen een bijkomende financiële steun toe. Hiertoe worden er maandelijks
gemiddeld 22 beslissingen genomen door de OCMW-raad.
… en hoe wij het oplossen…
Het is moeilijk om op een objectieve wijze vast te stellen wat het minimuminkomen moet zijn
om een leven te kunnen leiden dat beantwoord aan de menselijke waardigheid. Het zal wel
altijd zo zijn dat er mensen zijn die met minder geld een kwalitatief aanvaardbaar leven
kunnen leiden en anderen die met meer inkomen toch in de problemen komen. Alles hangt
af van de levensstijl en de persoonlijke verwachtingen en aspiraties. Steeds vaker wordt
vastgesteld dat er mensen zijn die ondanks een inkomen, dat als redelijk tot goed moet
worden omschreven, in de problemen komen. De consumptiemaatschappij met al haar
verlokkingen en de competitie tussen mensen om hun “welvaart” te showen, leidt tot
financiële rampen. Onverantwoorde aankopen en leningslasten hebben vaak tot gevolg dat
essentiële kosten niet worden betaald met een cascade van schulden tot gevolg.
Wil een OCMW haar financiële hulpverlening beheersen, dan is het nodig om iets te doen
aan de budgetproblemen. Dit kan met begeleiding, die steeds vaker gepaard gaat met het
volledige beheer van het budget en kan een curatieve (schuldbeheersing en reductie) of een
preventieve (vermijden dat problemen groter worden en mensen in de hulpverlening terecht
komen) insteek hebben. Het ultieme doel blijft om de mensen te begeleiden naar het
opnieuw zelfstandig beheren van hun budget, al zal dit voor sommigen een bijna
onbereikbaar doel zijn.
26/69
In 2006 waren er 96 dossiers budgetbeheer. Dat betekent 24 dossiers per maatschappelijk
werker in de algemene sociale dienst. Omdat een dossier budgetbeheer zeer tijdsintensief
werk is, is dit voor hen een enorme caseload. Hieraan wordt gewerkt door de uitstroom te
verhogen (cliënt sneller loslaten) en de instroom te kanaliseren via een wachtlijst. Van
deze dossiers waren er 18 in collectieve schuldenregeling.
… samen met de Welzijnsregio …
De complexiteit van de maatschappij leidt ertoe dat er steeds meer mensen behoeften
hebben aan degelijke informatie over rechten en plichten. Hiervoor kunnen zij steeds terecht
bij de maatschappelijk werkster van het OCMW die de basisinformatie zal verstrekken. Het
wordt echter steeds meer nodig op de eerste lijn, laagdrempelig en zonder kosten;
gespecialiseerde informatie en advies te verstrekken. Daartoe werkt het OCMW samen
met de Welzijnsregio Noord-Limburg en worden er werkelijks zitdagen georganiseerd van
een juriste die slechts advies verstrekt, soms een brief schrijft maar nooit zal tussenkomen
bij de rechtbank en een zaak zal pleiten.
In 2006 telde de dienst rechtshulp 190 cliënten (met vaak meervoudige vragen) die 348
bureelbezoeken aflegden. Er werden 54 hulpvragers doorverwezen naar de advocatuur, 14
naar een notaris, 11 naar de sociale dienst van het OCMW en 24 naar andere diensten. Het
grootste deel van de aanvragen betreffen familierecht (331) waarvan 239 familierecht en 92
betreffende contracten. Voor 50 cliënten werd een aanvraag voor pro deo en rechtsbijstand
gedaan.
… en alle andere partners in het werkveld.
Samen met de maatschappij neemt ook de complexiteit van de welzijnssector toe. Cliënten
die op zoek zijn naar hulp komen dikwijls terecht bij verschillende diensten die allen een
bepaald facet van het probleem behandelen, hun eigen doelstellingen hebben en hun eigen
methodiek hanteren. Dit kan zeer verwarrend zijn voor de cliënt en is vaak onproductief
omdat de kans reëel is dat er “conflicterende” visies, inschattingen en acties zijn.
Het is een organisatorische wetmatigheid dat differentiatie, specialisatie en fragmentatie van
taken, de nood aan afstemming en coördinatie doen toenemen. Coördinatie wordt dan
omschreven als “het onderling afstemmen van meerdere eenheden met betrekking tot hun
activiteiten op één bepaald terrein” (Bouckaert Geert e.a., Van effectiviteit van coördinatie tot
coördinatie van effectiviteit, Die Keure, 2000, p. 8)
“Coördinatie” is dan ook een centraal begrip in het decreet Lokaal Sociaal Beleid. In
navolging van hetgeen in de sector van de thuiszorg (via de SIT’s) reeds langer in praktijk
werd gebracht, ontwikkelde zich in het welzijnswerk methodieken die gericht zijn op het
gecoördineerd aanbieden van zorg. Het OCMW van Overpelt erkende reeds vroeg de nood
aan coördinatie en is actief in de SIT’s waarvoor er 29 teambijeenkomsten werden
georganiseerd in 2006. Maar ook op het terrein van de kansarmoede werden de evoluties
van nabij gevolgd en dit resulteerde in 23 coördinatievergaderingen in het lokaal
cliëntenoverleg waarbij telkens de betrokkene hulpverleners, het mantelnetwerk en de
cliënten rond de tafel werden gebracht. Het decreet Lokaal Sociaal Beleid bevestigt het
lokale bestuur (i.c. het OCMW) in haar rol als motor van de coördinatie, zowel op het
cliëntenniveau als op beleidsniveau.
Maar er is meer…
Zonder dat dit cijfermatig kan ondersteund worden, maar zoals blijkt uit de dagelijkse praktijk
op de sociale dienst van het OCMW, wordt in steeds meer dossiers vastgesteld dat de
integriteit van kinderen in het gedrang komt.
27/69
Dit kan te maken hebben met verwaarlozing maar is meer het gevolg van een gebrek aan
pedagogische vaardigheden. Vaak hebben ouders het moeilijk om zichzelf in stand te
houden in een snel wijzigende omgeving en hebben zij problemen om hun plaats en rol in de
samenleving te definiëren. De ouderlijke intuïtie waarmee zij zelf zijn opgevoed, volstaat
meestal niet meer om hun kinderen te socialiseren. De traditionele opvoedingssystemen
(onderwijs, jeugdbeweging en verenigingen) verliezen hun invloed op de opvoedingssituatie
van de kinderen. Dit leidt soms tot niet tolereerbaar gedrag door het gebrek aan een goed
referentiesysteem van waarden en normen in het gezin. Het bewustzijn rond deze
problematiek groeit bij de welzijnsdiensten die hiermee geconfronteerd worden. De vraag
naar opvoedingsondersteuning klinkt steeds luider en de lokale besturen worden
gesolliciteerd om hierin een rol te vervullen. Dit is een uitdaging voor de komende jaren.
28/69
HOOFDSTUK 2 – GEÏNTEGREERDE VISIE OP HET LOKAAL SOCIAAL BELEID
2.1.
ZOEKTOCHT NAAR EEN GEÏNTEGREERDE VISIE
Om een geïntegreerde visie op het (lokaal) sociaal beleid te kunnen ontwikkelen moet men
vertrekken van een adequate definiëring. Het is belangrijk om te weten welke de minimale
voorwaarden zijn die moeten vervuld zijn voor de individuen en gezinnen om te kunnen
spreken van een harmonieus sociaal leven. Negatief geformuleerd moet men met andere
woorden de samenstellende delen kennen waarvan het ontbreken of het disfunctioneren kan
leiden tot sociale achterstelling of uitsluiting. Wij verwijzen hierbij naar de multi-aspectuele
benadering van kansarmoede.
Geïntegreerd lokaal sociaal beleid heeft twee erg verschillende dimensies : een horizontale
en een verticale. Een goed sociaal beleid houdt zich bezig met alle aspecten die het leven
van de burger als persoon en als lid van de samenleving beïnvloeden. Dit zijn aspecten die
het materiële en het persoonlijke welzijn bepalen. Traditioneel worden dan genoemd :
onderwijs, wonen, werken, gezondheid, maatschappelijke en culturele participatie …Bij
uitbreiding kan hiertoe zelfs de zorg voor een zuiver leefmilieu, de (verkeers)veiligheid,
ruimtelijke ordening worden gerekend. Deze horizontale dimensies zijn verdeeld over talrijke
beleidsdomeinen. In zijn pure vorm betekent zulks dat al deze aspecten moeten behandeld
worden in een sociaal beleidsplan.
Wat de benadering van een integrale visie nog complexer maakt is de verdeling van
bevoegdheden over de verschillende beleidsniveaus (verticale dimensie). De federale
overheid, de Vlaamse overheid, de lokale besturen met daartussen de provincies in een
ondersteunende rol, bezetten elk een deel van de bevoegdheden die deel uitmaken van een
sociaal beleid. Het subsidiariteitsbeginsel dat bepaalt “dat hogere instanties niet iets moeten
doen wat door lagere instanties kan worden afgehandeld”, tenzij “'lagere' overheden
(lidstaten) niet voldoende in staat zijn om bepaalde doelstellingen te bereiken”(speciaal
protocol gevoegd bij het Verdrag van Maastricht – 1992), wordt als principe algemeen
aanvaard maar blijft in werkelijkheid vaak dode letter omwille van een overdreven
normeringsdrang door de centrale besturen.
Met deze beperkingen voor ogen moet een geïntegreerde visie op het lokaal sociaal beleid
zich beperken tot die beleidsdomeinen waarop omwille van de hierboven omschreven
dimensies, kan worden opgetreden en waarbij een realistisch en effectief beleid kan worden
gevoerd. Soms zullen dit eigen initiatieven zijn die in alle vrijheid een lokale beleidskeuze
inhouden. Maar vaak zal dit ook het verplicht of vrijwillig uitvoeren zijn van beleidskeuzes die
door de centrale overheden worden gedaan. Op een aantal punten zal zelfs niet kunnen
worden ingegrepen omdat dit tot de exclusieve bevoegdheden of taken van de federale of de
Vlaamse overheid behoort. In dat geval geldt het centrale beleid als een beperkende factor
voor de lokale initiatieven. (Jan Vranken e.a., Armoede en sociale uitsluiting – Jaarboek
2006, Acco Leuven, p.445 e.v.)
Het centrale beleid doet voor de uitwerking en concretisering van haar beleid dikwijls een
beroep op meewerkende derden die zijn ingebed in het regelgevend en financieel kader van
de overheid maar die als uitvoerders eigen (vaak ideologische) accenten proberen te leggen
(cf. de zgn. meewerkende derden). Hun veelvuldige aanwezigheid stelt problemen van
afstemming. De zorg voor de coördinatie wordt in het Decreet Lokaal Sociaal Beleid als een
soort toegewezen bevoegdheid toevertrouwd aan de lokale besturen. Zowel de coördinatie
op het niveau van de individuele sociale dossiers (hulpverlening) als de coördinatie op
beleidsniveau, bieden kansen om de integratie te optimaliseren.
29/69
2.2.
MISSION STATEMENT
De beperkingen die wij hierboven hebben beschreven, de horizontale benadering en de
verticale, gefragmenteerde bevoegdheidsverdeling, over alle aspecten van het sociale
beleid, nopen het lokale bestuur tot een pragmatische benadering waarbij alle aspecten aan
bod komen voor zover men er plaatselijk enigermate sturing aan kan geven. Het lokale
beleidsplan moet in de hoogst mogelijke mate geïntegreerd zijn, maar moet ook realistisch
en uitvoerbaar zijn. Dit leidt tot het volgende opdrachtverklaring.
MISSION STATEMENT
Het lokale bestuur, met als componenten het gemeentebestuur en het OCMW, wil,
binnen de haar toegewezen en subsidiaire bevoegdheden, een sociaal beleid voeren
dat voor de Overpeltenaren de mogelijkheden schept om hun leven op een
harmonieuze manier in te richten met inbegrip van alle aspecten die nodig zijn voor
een waardig materieel bestaan en een kwalitatieve persoonlijke invulling van het leven
in een betrokken lokale samenleving. Zij doet dit bij voorkeur en waar mogelijk in
samenspraak met de bevolking en met de samenwerkende derden.
Voor de burgers die omwille van persoonlijke of maatschappelijke redenen geen
aansluiting vinden met de samenleving en op één of meerdere aspecten van het
sociaal spectrum zijn achtergesteld of uitgesloten, organiseert het lokale bestuur een
effectieve hulpverlening die er op gericht is om de aansluiting bij het sociale netwerk
te herstellen en die gestuurd wordt vanuit een gezamenlijke bezorgdheid van beide
lokale besturen.
Het organiseren van deze hulpverlening kan door middel van de eigen diensten, de
medewerking van andere gespecialiseerde partners op het werkveld en door een
actieve coördinatie van de hulpverlening vanuit de algemene principes die ten
grondslag liggen aan het “lokaal cliëntenoverleg” (sociaal huis).
Aansluitend op de methodiek die gebruikt werd bij het opmaken van de omgevingsanalyse,
zal deze opdrachtverklaring verder worden uitgewerkt in een strategische nota met
meerjarenplan volgens de categoriale en sectorale benadering (cf. 1.3.2. De methodiek). Zo
komen achtereenvolgens de volgende categorieën aan bod : jongeren, ouderen, personen
met een handicap en tenslotte gezinnen en kansengroepen.
30/69
HOOFDSTUK 3 – MEERJARENPLAN MET BETREKKING TOT ACTIES EN INZET VAN
LOKALE MIDDELEN
De opbouw van het meerjarenplan is als volgt :
1. Per categorie (doelgroep) is er een opdrachtverklaring waarin de grote principes
worden neergeschreven.
2. Per beleidsdomein (sector) binnen de doelgroep, zijn er meerdere strategische
doelstellingen (effecten die men wil bereiken).
3. Per strategische doelstellingen wordt een onderscheid gemaakt tussen de
operationele doelstellingen (hoe men te werk zal gaan), acties (concrete matregelen)
en resultaten of metingen hoe de actie zichtbaar moet worden.
Schema
Opdrachtverklaring
Operationeel doel 1
Operationele doel 2
Strategische doelstellingen 1
Acties
Acties
Resultaat of meting
Resultaten of meting
Operationeel doel 1
Operationele doel 2
Strategische doelstellingen 2
Acties
Acties
Resultaat of meting
Resultaten of meting
Nummering van de doelstellingen
Combinatie : Letter/2 letters/cijfer/cijfer
1ste letter = Categoriën
J=
G=
S=
K=
Jongeren
Personen met een handicap
Senioren
Kansengroepen (en gezinnen)
2de letter (2) : Beleidsdomeinen of sectoren
Wo =
Wonen
We =
Werken
Mo =
Mobiliteit
Vt =
Vrije tijd
Pg =
Persoonsgebonden problemen
Zo =
Zorgbehoeften
1ste cijfer : Strategische doelstellingen
2de cijfer : Operationele doelstellingen
31/69
3.1.
JONGEREN
J/ Opdrachtverklaring
Jongeren zijn, als toekomstige dragers van onze maatschappij, een bijzonder belangrijke
doelgroep maar omwille van hun specifieke positie in hun gezin, in hun school en sportclub
en in de maatschappij in het algemeen, zijn zij ook een bijzonder kwetsbare groep waarvoor
het lokale bestuur, binnen zijn mogelijkheden en opdracht en zonder betutteling, de
mogelijkheden wil scheppen om de stap naar volwassenheid zonder grote obstakels te
zetten.
3.1.1. WERKEN
J/We/1 : Strategische doelstelling : werken/ opleiding
Omdat tewerkstelling voor jongeren niet alleen een noodzakelijke voorwaarde is om blijvend
te integreren in de maatschappij maar ook de enige manier om zich te verzelfstandigen van
hun ouders, willen het gemeentebestuur en het OCMW ijveren om de beschikbare
tewerkstelling in de gemeente bereikbaar te maken voor zoveel mogelijk mensen en voor
hen die omwille van een arbeidshandicap niet in het gewone arbeidscircuit kunnen worden
opgenomen de nodige maatregelen voorzien om hen te kunnen toeleiden naar een
aangepaste tewerkstelling (al dan niet in een aangepast arbeidszorgproject). Zie ook 3.4.
Gezinnen
J/We/1/1/ Bij hulpverlening
In alle hulpverleningsdossiers Ieder kwartaal worden de
rond arbeid en tewerkstelling, van jongeren zal er
doorverwezen dossiers
al dan niet in combinatie met bijzondere aandacht zijn voor geëvalueerd op resultaat en
een aangepaste opleiding
de tewerkstellingssituatie en besproken met de dienst T&O
(zoals dat wordt besproken in zullen zij bij voorrang worden of elke andere dienst
het punt 3.4. Gezinnen en
verwezen naar de dienst T&O waarnaar wordt
kansengroepen), zijn
van de Welzijnsregio Noord- doorverwezen.
jongeren een prioritaire
Limburg of andere
doelgroep.
gespecialiseerde partners.
Vanaf 2010 wordt binnen de
steunverlening een
Binnen de hulpverlening aan genormeerd systeem
jongeren, kan het OCMW,
ingevoerd voor het verlenen
een genormeerd systeem
van aanmoedigingssteunen
invoeren tot het verlenen van voor jongeren (- 25 jaar) met
incentives voor jongeren met een bijzondere
een bijzondere
arbeidshandicap.
arbeidshandicap die
deelnemen aan
Aan de meest geëigende
goedgekeurde opleidingen en partners in het werkveld kan
vormingen.
het lokale bestuur een
resultaatgerichte
Aan erkende
samenwerkingsovereenkomst
opleidingsinstituten kan,
voorstellen met een financiële
binnen de perken van de
tegemoetkoming vanaf 2010.
bevoegdheden van het
OCMW, een samenwerking
worden voorgesteld waarbij in
ruil voor opleiding (met
opvolging en regelmatige
rapportage) van een
doelgroep jongere een
financiële tegemoetkoming
wordt gegeven.
32/69
J/We/1/2/ Jongeren met
bijzondere problemen rond
arbeidsattitudes en motivatie
moeten in een voortraject een
training krijgen die gericht op
het verwerven van de
maturiteit die nodig is om
succesvol in het arbeidscircuit
te treden.
Aan de Welzijnsregio zal
worden voorgesteld om in het
kader van de intensieve
begeleiding van jongeren
naar tewerkstelling te werken
rond training in
arbeidsattitude en
arbeidsmotivatie in een
voortraject.
J/We/1/3/ Een sociale
tewerkstelling in het kader
van artikel 60 §7 van de
OCMW-wet is een middel om
jongeren in orde te maken
met de sociale zekerheid
maar kan dit nooit als finaliteit
hebben en kan dus slechts
worden toegepast indien het
samengaat of wordt gevolgd
door een begeleiding naar de
reguliere arbeidsmarkt c.q.
een aangepaste
tewerkstelling.
Iedere jongere (-25 jaar) die
wordt tewerkgesteld in het
kader van artikel 60 § 7 van
de OCMW-wet, wordt via
T&O intensief begeleid en
indien nodig getraind in
arbeidsattitudes.
Vanaf 2010 is er bij de dienst
T&O van de Welzijnsregio
een gespecialiseerd
personeelslid dat op een
intensieve wijze jongeren
traint in arbeidsattitudes en
arbeidsmotivatie om hen
nodige maturiteit bij te
brengen voor het doorlopen
van een opleidings- en
tewerkstellingstraject met
uiteindelijke doel een
tewerkstelling in het reguliere
arbeidscircuit.
Over de periode 01/01/2008
t/m 31/12/2013 mag
maximaal 25% van de
jongeren die tewerkstelling
art. 60§7 achter de rug
hebben na 3 maanden nog
werkloos zijn.
3.1.2. PERSOONSGEBONDEN PROBLEMEN
J/Pg/1/ Strategische doelstelling : persoonsgebonden problemen
De ontwikkeling van kind naar volwassenen is voor de jongeren een boeiende maar
risicovolle periode met vaak zeer leeftijdsgebonden problemen waarvoor de normale
hulpverleningskanalen vaak geen oog hebben of de nodige competenties missen. Binnen
hun mogelijkheden en de taakstelling in het jongerenwerk, willen de lokale besturen zowel
preventie als hulpverlening bieden om die transitie voor de jongeren te laten verlopen zonder
toekomstbedreigende incidenten.
J/Pg/1/1/ Jongeren moeten
De Dienst welzijn heeft de
De dienst welzijn:
een aanspreekpunt krijgen
opdracht om – in
- heeft permanente aandacht
die hun grote en kleine
samenwerking met de
voor drugpreventie;
problemen kanaliseert en
gemeentelijke jeugddienst en - organiseert – in
indien mogelijk oplost en/of
eventueel andere actoren –
samenwerking met het
doorverwijst.
doelgerichte preventieve
OCMW – gerichte acties naar
acties op te zetten.
jonge huisverlaters;
- werkt – in samenwerking
In 2008 wordt onderzocht of
met de gemeentelijke
het mogelijk is om een
jeugddienst – aan de
contactpunt van het JAC
beeldvorming rond
(jongerenadviescentrum) te
‘rondhangende jongeren’ en
lokaliseren op een plaats met doet bij eventuele problemen
een lage drempel voor
beroep op gespecialiseerde
jongeren in Overpelt
externe actoren.
33/69
Indien een samenwerking
mogelijk is wordt het lokale
contactpunt van het JAC
geactiveerd in 2009. Jaarlijks
rapporteert het JAC aan het
gemeentebestuur.
3.1.3. VRIJE TIJD
J/Vt/1/Strategische doelstelling: Vrije tijd
Het gemeentebestuur en het OCMW willen dat de ‘JONGE’ Overpeltenaren voor hun
persoonlijke ontplooiing en in functie van hun mogelijkheden en interesses, maximaal
kunnen participeren aan het sociale en culturele leven van in hun onmiddellijke omgeving.
J/Vt/1/1/ De vrijetijdssector
De vrijetijdssector met zijn
Elk kind en elke jongere moet De knipoogcheques kunnen
sociale, culturele en/of
kunnen participeren aan het gebruikt worden voor de
ontspannende activiteiten
sociale en culturele leven, deelname aan alle activiteiten
moet kinderen en jongeren
ongeacht
de
(financiële) die ingericht worden door de
kansen bieden om zich in de situatie van de ouders. Alle sport-, de jeugd- en de
lokale gemeenschap te
Overpeltse kinderen van 4 tot cultuurdienst; de plaatselijke
integreren.
en met 15 jaar hebben openbare bibliotheek;
daarom jaarlijks recht op 25 kinderopvang 't Ravotterke;
Knipoogcheques met een Palethe vzw; sportcentrum
totale waarde van 12,5 EUR. De Bemvoort vzw; de
Ouders van kinderen en speelpleinwerking;
jongeren die het financieel verenigingen, Overpeltse
moeilijk hebben, krijgen extra scholen en jaarlijks
chequeboekjes
toebedeeld weerkerende initiatieven met
via het OCMW.
een openbaar karakter die
hiervoor een erkenning
bekomen hebben.
In het aanbod van sport, Het doel van de cheques is
cultuur en vrije tijd is een de toegankelijkheid van sportduidelijk gedeelte specifiek , cultuur-, of
voorzien voor kinderen en ontspanningsactiviteiten te
jongeren.
Inspraak
via verhogen, en aldus
jeugdraad
en kinderraad drempelverlagend te werken.
kunnen
leiden
tot
een
verrassend
en
eigentijds
aanbod.
Het programma-overleg
tussen de verschillende
vrijetijdsdiensten blijft bestaan
en vindt maandelijks plaats.
Via de maandelijkse
bijeenkomsten van de
jeugdraad en de
tweemaandelijkse
bijeenkomsten van de
kinderraad worden kinderen
en jongeren aangespoord om
mee hun stempel te drukken
op het gemeentelijk
vrijetijdsaanbod.
34/69
J/Vt/1/2/ De jeugddienst
“specifiek”
De jeugddienst zet
aanvullende
jeugdwerkinitiatieven op voor
kinderen en jongeren en
probeert hen hierbij maximaal
te betrekken.
In zijn programmatie zal de
jeugddienst, naast
economische en budgettaire
overwegingen, rekening
houden enerzijds met de
vraag van de Overpeltse
kinderen en jongeren en
anderzijds met hun
persoonlijke ontplooiing.
Bij de bekendmaking van de
programma’s, wordt gezocht
naar nieuwe en/of
alternatieve kanalen om
specifieke doelgroepen (cf.
kinderen en jongeren) te
betrekken bij de activiteiten
van de jeugddienst.
Vanuit een
samenwerkingsverband
tussen jeugdwerk,
jeugddienst en OCMW willen
we ook de toeleiding van
kansarme kinderen en
jongeren naar het jeugdwerk
en de vrijetijdssector
vergroten.
Samen met het OCMW zal
worden gezocht naar
mogelijkheden om de
middelen van het fonds voor
sportieve en culturele
participatie aan te wenden
voor een ruime
cultuurspreiding ten behoeve
van de groep van kansarmen,
gewoonlijk gedefinieerd als
mensen met een leefloon en
mensen in budgetbeheer.
Per jaar (vanaf werkjaar
2008-2009) programmeert de
jeugddienst
ontspannende
activiteiten
voor
zowel
kinderen als tieners, in
samenwerking met andere
partners waaronder ook het
jeugdhuis.
In het kader van het
preventieproject ‘De Pleister’
(waarvan de jeugddienst deel
uitmaakt) worden er jaarlijks 2
info- avonden georganiseerd.
Voor de kinderen en jongeren
in het algemeen zal een smssysteem
worden
geïmplementeerd,
de
bestaande jeugdinfohoek en
de jeugdwebsites worden
blijvend geactualiseerd.
De jeugdverenigingen, de
jeugd- en de sportdienst en
het jeugdhuis bezorgen flyers
ed. van hun activiteiten/
werking aan het OCMW en
aan het Valkenhof. Zij
bezorgen deze op hun beurt
aan respectievelijk hun
cliënteel en bewoners.
Jaarlijks wordt een deel van
de toelage voor
maatschappelijk, culturele en
sportieve ontplooiing besteed
aan een bijzondere
campagne om kansarmen
aan de activiteiten van de
jeugddienst te laten
participeren.
Hiervoor wordt een
werkgroep ad hoc
geïnstalleerd met het OCMW,
de sport- de jeugd en de
cultuurdienst als partners.
35/69
J/Vt/1/3/ Het sportcentrum
“specifiek”
Het sportcentrum en de
sportdienst moeten de motor
zijn van activiteiten voor de
lichamelijke fitheid van de
bevolking ten behoeve van
een algemeen gezonde
basisconditie voor iedereen.
Het sportcentrum
programmeert ruime zuiver
recreatieve activiteiten
evenals initiaties in de
gekende en erkende sporten
met het oog op een zo ruim
mogelijke lichamelijke
ontwikkeling van Overpeltse
kinderen en jongeren.
Bij de bekendmaking van de
programma’s, wordt gezocht
naar nieuwe en/of
alternatieve kanalen om
specifieke doelgroepen (cf.
kinderen en jongeren) te
betrekken bij de activiteiten
van het sportcentrum.
J/Vt/1/4/ Het cultuurcentrum
“specifiek”
CC Palethe moet het centrum
zijn van cultuurbeleving en
cultuurontwikkeling in de
gemeente.
In zijn programmatie van
voorstellingen en vormingen
zal CC Palethe, naast
economische en budgettaire
overwegingen, rekening
houden enerzijds met de
vraag van de Overpeltse
kinderen en jongeren en
anderzijds met de culturele
ontplooiing.
Vanaf het werkjaar 20082009 wordt een specifieke
(doch anonieme) campagne
gevoerd om de doelgroep te
laten participeren aan de
activiteiten van het
sportcentrum.
Er wordt samen met de
sportclubs een vademecum
opgesteld en verspreid bij de
doelgroep over de activiteiten
van de Overpeltse sportclubs
met inbegrip van
contactadressen en de uren
van de clubactiviteiten.
Vanaf het werkjaar 20082009 wordt voor minstens 2
vooraf bepaalde
voorstellingen een campagne
gevoerd om de doelgroep uit
te nodigen.
Bij de bekendmaking van de
programma’s, wordt gezocht
naar nieuwe en/of
alternatieve kanalen om
specifieke doelgroepen (cf.
kansarmen) te betrekken bij
de activiteiten van het
cultuurcentrum.
3.2.
PERSONEN MET EEN HANDICAP
G/ Opdrachtverklaring
Personen met een handicap zijn gelijkwaardige burgers van de gemeente en hebben het
recht om onder dezelfde voorwaarden beroep te doen op dezelfde voorzieningen als de
valide burgers maar worden geholpen, indien dat nodig is omwille van hun handicap, om via
collectieve voorzieningen of individuele hulp om dit recht uit te oefenen.
36/69
3.2.1. WONEN
G/Wo/1/Strategische doelstelling : instellingen
De initiatiefnemers, inrichtende machten en directies van de diverse instellingen voor
personen met een handicap en zieken, vinden in Overpelt een bestuur dat de mogelijkheden
schept om die instellingen op te richten en uit te bouwen tot centra voor huisvesting en
verzorging met een open en vooruitstrevende blik op de integratie van hun bewoners.
G/Wo/1/1/ Overpelt wil als
Er wordt een ambtenaar
Vanaf 2009 functioneert de
een goede gastgemeente
aangeduid die alle vragen
aangewezen ambtenaar en
voor de diverse instellingen,
vanwege de instellingen
rapporteert hierover in het
facilitair optreden door binnen ontvangt, doorverwijst naar
jaarverslag.
de grenzen van het mogelijke de juiste dienst en opvolgt
en het toelaatbare logistieke welk gevolg hieraan werd
Jaarlijks wordt een
hulp te verlenen.
gegeven en dit volgens
vergadering samengeroepen
vooraf af te spreken regels.
met de partners uit de
instellingen en wordt een
Eén maal per jaar wordt er
verslag/afsprakennota
een instuifvergadering
gemaakt over de wensen,
gehouden waarop de
verwachtingen en noden van
verschillende directies en/of
de instellingen ten opzichte
inrichtende machten elkaar
van het lokale bestuur en
kunnen ontmoeten en samen omgekeerd.
met de lokale besturen een
inventaris opmaken van de
De afsprakennota wordt
wensen, verwachtingen en
opgevolgd door de
noden die op het terrein
aangewezen ambtenaar die
worden vastgesteld.
jaarlijks rapporteert in het
jaarverslag.
G/Wo/1/2/ Overpeltse
personen met een handicap
die buiten de gemeente in
een instelling verblijven en
waarvoor ons OCMW
bevoegd is tot het verlenen
van steun, kunnen rekenen
op alle faciliteiten van het
loket voor personen met een
handicap zodat zij hun
persoonlijke rechten op de
voor hen bestemde
voorzieningen kunnen laten
gelden.
Het lokale bestuur zal binnen
het sociaal huis een loket
voorzien dat speciaal gericht
is op de (administratieve)
hulpverlening aan personen
met een handicap en/of hun
vertegenwoordigers en dat
ook open staat voor hen die
buiten de gemeente in een
instelling verblijven.
Jaarlijks wordt gerapporteerd
over de activiteiten van het
loket voor personen met een
handicap binnen het sociaal
huis en in casu over de hulp
aan personen met een
handicap die buiten de
gemeente verblijven in
instellingen. .
G/Wo/2/ Strategische doelstelling : zelfstandig wonen
De lokale besturen van Overpelt willen zorgen dat personen met een handicap en zieken,
zelfstandig kunnen wonen in de gemeente in harmonie met de plaatselijke gemeenschap en
met de hulp die daarvoor noodzakelijk is.
37/69
G/Wo/2/1/ Personen met een
handicap, die zelfstandig in
de gemeente wonen, alleen
of met familie, moeten
maximale kunnen
functioneren in de plaatselijke
gemeenschap en krijgen
daartoe de maximale
mogelijkheden vanwege het
gemeentebestuur.
Er wordt een loket voor
personen met een handicapl
opgericht waar de doelgroep
met alle doelgroepspecifieke
vragen terecht kan voor
hulpverlening of gerichte
doorverwijzing.
Vanaf 2009 rapporteert het
loket voor personen met een
handicap over de activiteiten
in het jaarverslag.
Voor vragen en adviezen
omtrent wonen, bouwen,
verbouwen
(subsidieregelingen e.d.)
wordt samengewerkt met
externe partners (cf. vzw
Stebo).
3.2.2. MOBILITEIT
G/Mo/1Strategische doelstelling : mobiliteit
Omdat mobiliteit een basisvoorwaarde is om de kansen op integratie van personen met een
handicap te vrijwaren, willen de lokale besturen binnen de grenzen van hun bevoegdheden,
zowel infrastructurele als sociale maatregelen nemen om de verplaatsingen van de
doelgroep te optimaliseren zowel binnen de gemeente als in sommige gevallen daarbuiten.
G/Mo/1/1/ Gebouwen en
De gemeentelijke openbare
Toegankelijkheidsadvies
plaatsen, waar openbare
plaatsen, gebouwen, straten maakt deel uit van alle
diensten worden verleend
en pleinen, worden maximaal nieuwe dossiers voor
door de lokale besturen,
toegankelijk gemaakt voor
werken aan de gemeentelijke
moeten maximaal
personen met een handicap. gebouwen en wegen.
toegankelijk worden gemaakt Alle werken die worden
en gehouden om personen
uitgevoerd zullen vooraf door 2009 : status toegankelijkheid
met een handicap toe te laten het toegankelijkheidsbureau gemeentelijke infrastructuur.
om gebruik te maken van
worden geadviseerd op
2010 : eerste
dezelfde voorzieningen en
toegankelijkheid.
opvolgingsverslag status +
diensten.
rapportering in het
jaarverslag.
Er zal een gemeentelijke
werkgroep worden
geïnstalleerd die de
algemene toegankelijkheid
voor personen met een
handicap zal onderzoeken
ten behoeven van een
toegankelijk Overpelt
Om de mobiliteit van
personen met een handicap
te verbeteren, zal het
Centrum (weginfrastructuur
met aangepaste voetpaden)
worden ingericht zodat
rolstoelgebonden personen
38/69
G/Mo/1/2/ In de mate dat
personen met een handicap,
waarvoor het OCMW van
Overpelt bevoegd is tot het
verlenen van steun, geen
gebruik kunnen maken van
openbaar vervoer en/of
beperkt zijn in hun
mogelijkheden om zich
buitenshuis te verplaatsen,
zorgt het lokale bestuur voor
alternatief vervoer
met een handicap zich
zonder hindernissen kunnen
verplaatsen.
Personen die omwille hun
ziekte of handicap beperkt
zijn in hun
vervoersmogelijkheden en die
geen financiële
mogelijkheden hebben om
zich door professionelen te
laten vervoeren, worden in de
mate van de mogelijkheden
die de vrijwilligersdienst
“minder-mobielen-centrale”
biedt geholpen.
De minder-mobielen-centrale
rapporteert jaarlijks over de
prestaties die geleverd
worden ten behoeve van de
doelgroep. Dit rapport wordt
opgenomen in het
jaarverslag.
Het huidige reglement
rolstoelvervoer wordt
geëvalueerd en aangepast
aan de resultaten van deze
evaluatie, i.c. de nieuwe
Personen met een handicap ontwikkelingen (cf.
die zich buitenshuis slechts
rolstoelvervoer voor minder
kunnen verplaatsen met een mobielen van De Lijn) tegen
elektrische rolstoel of die zich eind 2008.
in een gewone rolstoel
verplaatsen maar niet in een Jaarlijkse rapportering van de
gewone rolstoel kunnen
activiteiten in het jaarverslag.
plaatsnemen, kunnen, tegen
hetzelfde remgeld als de
gebruikers van de mindermobielen-centrale, gebruik
blijven maken van het
rolstoelvervoer voor personen
met een handicap, evenwel
nadat is onderzocht of de
verplaatsing realiseerbaar is
met het openbaar vervoer
aan een aanvaardbare prijs.
3.2.3. CULTUUR & VRIJE TIJD
G/Vt/1 Strategische doelstelling : cultuur & vrije tijd
Het lokale bestuur van Overpelt wil dat aan alle sportieve, culturele en vrijetijdsactiviteiten in
gelijke mate kan geparticipeerd worden door validen en personen met een handicap en zij
wenst inspanningen te doen om zowel het maatschappelijke klimaat als de materiële
voorwaarden te scheppen om dit mogelijk te maken
G/Vt/1/1/ Bij alle
Bij openluchtactiviteiten die
In de draaiboeken van de
manifestaties die door het
door het gemeentebestuur
openluchtactiviteiten wordt
gemeentebestuur en/of haar en/of haar operationele
steeds opgenomen dat er
operationele organisaties
organisaties worden
een plaats voor personen met
worden georganiseerd, zal
georganiseerd, zal steeds
een handicap zal zijn indien
aandacht zijn voor de fysieke worden onderzocht of het
dit wenselijk en haalbaar is.
toegankelijkheid en/of
wenselijk en haalbaar is om
materiële faciliteiten om het
een plaats te voorzien waar
Ieder jaar in december zal de
de personen met een
personen met een handicap
gehandicapadviesraad
handicap mogelijk te maken
en mensen met een beperkte rapporteren over de wijze
deel te nemen en de
mobiliteit de manifestaties
waarop zonering werd
manifestaties te volgen.
kunnen volgen.
toegepast.
39/69
G/Vt/1/2/ Verenigingen die
grotere manifestaties
organiseren moeten worden
aangespoord om specifieke
maatregelen te nemen (indien
die wenselijk en nodig zijn)
om personen met een
handicap en mensen met
mobiliteitsbeperkingen toe te
laten om deel te nemen.
G/Vt/1/3/ Manifestaties van
verenigingen en instellingen
die specifiek gericht zijn op
personen met een handicap,
moeten worden
aangemoedigd om hun
initiatief open te stellen
voorvalide derden.
De welzijnsdienst van het
lokale bestuur wordt het
aanspreek- en adviespunt
van de verenigingen die
wensen in te gaan op de
vraag om hun organisatie
handicapvriendelijk te maken.
Verenigingen en instellingen
voor personen met een
handicap die
doelgroepgerichte
manifestaties op touw zetten,
kunnen terecht op de
welzijnsdienst (of personen
met een handicaploket) voor
specifieke advies inzake
gemengde participatie.
G/Vt/1/4/ Voor culturele (en in Brochures, flyers, affiches
de mate van het mogelijke
zullen zowel naar
sportieve) organisaties van
verspreiding als naar inhoud
het lokale bestuur of haar
mede gericht zijn op de
operationele organisaties,
bijzondere doelgroepen.
moet de marketing strategie
gericht zijn op de inclusie van
de bijzondere doelgroepen
(senioren, personen met een
handicap, kansarmen).
Voor alle verenigingen wordt,
voor zowel hun gewone
werking als voor hun
manifestaties, een brochure
ter beschikking gesteld met
tips en adviezen over de
wijze waarop zij de
toegankelijkheid en
participatie van personen met
een handicap kunnen
verhogen. Deadline :
31/12/2009
De welzijnsdienst rapporteert
aan de
gehandicapadviesraad over
het aantal en de aard van de
adviezen die werden verstrekt
aan organiserende
verenigingen. Samen met
het rapport van de
gehandicapadviesraad
betreffende de eigen
manifestaties van het lokale
bestuur wordt dit rapport
opgenomen in het
jaarverslag.
De welzijnsdienst rapporteert
aan over de aard en de
hoeveelheid adviezen die
werden verstrekt. Dit rapport
wordt opgenomen in het
jaarverslag.
Palethe rapporteert aan de
welzijnsdienst, de
gehandicapadviesraad en de
seniorenraad over de
deelname van de
doelgroepen aan hun
initiatieven.
40/69
3.2.4. ZORGBEHOEFTEN
Zie ZORGBEHOEFTEN SENIOREN
3.3.
SENIOREN *
S/ Opdrachtverklaring
De lokale besturen van Overpelt willen er naar streven dat de senioren van de gemeente
kunnen verblijven in een gepaste en door hen gewenste omgeving en willen er voor zorgen
dat zowel de materiële omstandigheden als de immateriële voorwaarden tot maximale
integratie aanwezig zijn om een blijvend harmonieus bestaan te kennen.
* Onder de term “senioren” worden alle personen begrepen die de leeftijd van 60 jaar
hebben bereikt. Daar waar nodig wordt de term “ouderen” gebruikt waarin dan verwezen
wordt naar de verhoogde kans op de aanwezigheid van zorgbehoeften.
3.3.1. WONEN
S/Wo/1/ Strategische doelstelling : Intramurale en semi-intramurale zorg
De senioren moeten de kans krijgen om uit vrije wil en maximaal onafhankelijk van de
mogelijkheden die thuiszorg kan bieden, te kiezen voor een aangepaste huisvesting in een
bejaardenwoning, een serviceflat of een opname in een rustoord en dit in eigen gemeente of
mits hun toestemming in een nabije gemeente of een plaats van hun voorkeur.
S/Wo/1/1/ Serviceflats
De 68 serviceflats die vanaf
Bij het in gebruik nemen van De serviceflats Seppehof
2009 door het OCMW zullen de uitbreiding serviceflats
zullen vanaf maart 2008 een
worden uitgebaat, moeten
Seppehof zal gestreefd
bezetting kennen van 80 %
maximaal worden bezet door worden naar een maximale
en vanaf 2009 een bezetting
senioren van Overpelt in
bezetting op de korst
van 100%
functie van de meest
mogelijke tijd.
passende woonbehoeften.
Bij het opmaken van het
Zoals dat ook nu het geval
nieuwe huishoudelijk
is, zullen de serviceflats,
reglement en
behoudens onderbezetting,
opnamereglement zal de
uitsluitend worden
uitzonderingsclausule voor
voorbehouden aan inwoners gewezen inwoners van
van Overpelt. De
Overpelt worden
uitzonderingsclausule voor
geëvalueerd en na advies
gewezen inwoners van de
van de seniorenraad worden
gemeente zal worden
aangepast.
geëvalueerd en eventueel
aangepast.
Jaarlijks zal over de werking
van de opnamecommissie
De werking van de
worden gerapporteerd in het
opnamecommissie zal
jaarverslag.
worden geëvalueerd en
eventueel aangepast aan de Tweejaarlijks, te beginnen in
noodwendigheden.
2008, zal de werking van de
opnamecommissie worden
De samenwerking met het
geëvalueerd in functie van
rustoord Immaculata
de doelstellingen van de
betreffende zorgverlening en besturen.
opnamebeleid, wordt
41/69
S/Wo/1/2/Rustoord
Het gemeentebestuur wil, in
samenwerking met het
rustoord (of eventueel
andere partners), de
volledige
programmeringscapaciteit
aan rustoordbedden
benutten door stimulerend
en facilitair op te treden.
2.3. Bejaardenwoningen
Het gemeentebestuur wil,
naast het rustoord, met
geïntegreerde zorg en de
serviceflats met minimaal
gegarandeerde
zorg,aangepaste woningen
voorzien voor senioren die
behoefte hebben aan
aangepaste woningen
zonder dat daaraan enige
zorgcapaciteit aan
verbonden is.
geëvalueerd en verder gezet
na eventuele bijsturing.
Hierover wordt een
schriftelijke overeenkomst
afgesloten.
In 2008, voor de opening van
het Seppehof zal met de
directie van rustoord
Immaculata worden
onderhandeld om te komen
tot een nieuwe (schriftelijke)
overeenkomst over
samenwerking omtrent zorg
en opnamebeleid.
Er zal op periodieke basis,
een overleg worden
georganiseerd tussen
vertegenwoordigers van het
rustoord, het college van
burgemeester en schepenen
en het OCMW waarop indien
nodig ook de directie van het
Revalidatie en MS Centrum
en/of de directies van de
andere instellingen worden
uitgenodigd, met als doel om
de dossiers betreffende de
uitbreiding van het rustoord
op te volgen en te versterken
en de werking van de
instellingen te coördineren
voor problemen waarbij er
raakvlakken kunnen zijn.
Bij ieder woningbouwproject
van enige omvang dat in
Overpelt wordt ontwikkeld,
zal het gemeentebestuur de
projectuitvoerder trachten te
overtuigen om minstens 1
woning te voorzien die is
aangepast is aan specifieke
behoeften van senioren
(grootte, bereikbaarheid,
rolstoeltoegankelijk.
Vanaf 2008 zal er eenmaal
per jaar een overleg worden
georganiseerd tussen de
directie van het rustoord, het
college van burgemeester en
schepenen en het OCMW,
waaraan bij uitbreiding en
naargelang de behoeften de
directies van andere
instellingen worden
uitgenodigd.
De afgevaardigde van de
gemeente bij de sociale
bouwmaatschappij Kempisch
Tehuis, draagt er zorg voor
dat bij uitbreiding van het
woningenbestand (in één of
meerdere projecten), er
steeds minstens 1 specifieke
woning wordt voorzien voor
senioren per 20 woningen.
Indien in de loop van de
planningsperiode de
noodzaak zou blijken aan
Voor nieuwe projecten van
Kempisch Tehuis die worden
gepland vanaf 2009 wordt er
per twintig woningen een
seniorenwoning voorzien.
De behoeften aan
seniorenwoningen en de
mogelijkheden van de markt
worden iedere twee jaren
geëvalueerd in het
jaarrapport met het oog op
de eventuele bijsturing van
het programma en de
realisatie van bijkomende
woningen.
42/69
meer aangepaste
huisvesting voor senioren
centraal in de gemeente of
gedecentraliseerd in de
wijken, kunnen de besturen
eventueel daartoe het
initiatief nemen,
gebruikmaken van systemen
van alternatieve financiering.
2.4. Senioren die in hun
huis wensen te blijven
wonen, moeten op de
hoogte zijn van alle
faciliteiten die voorhanden
zijn om dit mogelijk te
maken, zowel voor wat
betreft eventuele
aanpassingen aan de
woning als voor de thuiszorg.
Binnen het seniorenloket
(seniorendienst) wordt , in
samenwerking met de
gemeentelijke woondienst en
eventueel externe partners,
de nodige expertise
ontwikkeld om de senioren te
sensibiliseren en te
adviseren omtrent
aanpassingen aan hun
woning.
Vanaf 2009 rapporteert de
seniorendienst jaarlijkse over
haar activiteiten rond
sensibilisering en advisering
van woonproblemen bij
senioren.
In het opvolgingsrapport
over de toegankelijkheid van
Jaarlijks wordt hierover
gerapporteerd.
De seniorendienst ontvangt
de vragen voor thuiszorg,
organiseert die hulpverlening
in samenwerking met de
externe partners, volgt de
resultaten op en coördineert
de professionele en de
mantelzorg.
3.3.2. MOBILITEIT
S/Mo/1Strategische doelstelling : mobiliteit voor senioren
Om de senioren blijvend in de maatschappij geïntegreerd te houden en vereenzaming te
voorkomen, moeten zij over voldoende middelen kunnen beschikken om zich, zoals de
andere burgers te kunnen verplaatsen en dit volgens de eigen fysieke en materiële
mogelijkheden
S/Mo/1/1/ Openbaar
vervoer
De besturen zullen de
Jaarlijks worden de
Senioren (en andere
mogelijkheden die het
mogelijkheden van het
hulpbehoeftigen) die thuis
openbaar vervoer (De Lijn)
openbaar vervoer minstens
verblijven, maar ook zij die in biedt met de belbus en het
éénmaal bekend gemaakt
een rustoord of een RVT
aangepast vervoer voor
via het gemeentelijk
verzorgd worden, moeten
personen met een handicap
informatieblad.
voeling houden met de
opvolgen en promoten via de
familie en de plaatselijke
seniorendienst van het
samenleving en moeten zich OCMW.
daarom makkelijk kunnen
verplaatsen. De lokale
besturen zullen daarom in
samenspraak met de
diensten voor openbaar
43/69
vervoer en private
vervoerders de mobiliteit van
deze doelgroep maximaal
faciliteren.
S/Mo/1/2/ Bijzondere hulp
Voor senioren die geen
gebruik meer kunnen maken
van het openbaar vervoer en
daardoor aangewezen zijn
op derden voor hun
bijzondere verplaatsingen,
zullen de lokale besturen via
de handhaving of uitbreiding
van de bestaande initiatieven
gepaste hulp voorzien.
De minder mobielen centrale
(MMC) zal verder worden
uitgebouwd door gerichte
werving en vorming van
vrijwilligers
Het systeem van
rolstoelvervoer zal op
dezelfde basis als nu en met
eenzelfde toegang (kostprijs)
als de MMC worden
verdergezet.
Elk jaar zal er één
wervingsactie voor
vrijwilligers worden gevoerd,
met telkens één
informatiesessie over de
MMC.
Jaarlijks wordt er voor de
vrijwilligers een gezellig
samenzijn georganiseerd.
Minstens 1 keer per jaar
worden de diensten MMC en
rolstoelvervoer in het
gemeentelijk informatieblad
bekend gemaakt.
Ieder jaar zal in het
jaarverslag worden
gerapporteerd over belbus
en over het aangepast
vervoer voor personen met
een handicap van De Lijn.
S/Mo/1/3/ Eigen vervoer
Senioren die gebruik maken
van hun eigen
vervoermiddel,
gemotoriseerd of niet,
moeten blijvend getraind
worden om hun kennis van
het verkeersreglement up-todate te houden en hun
rijvaardigheden te trainen.
Jaarlijks wordt er voor alle
senioren via Palethe een
opfrissingscursus over het
verkeersreglement
georganiseerd.
Senioren die dat wensen
kunnen zich éénmaal per 3
jaren laten testen op hun
rijvaardigheid met de fiets of
met de auto.
Jaarlijks wordt één
opfrissingscursus
verkeersreglement
georganiseerd in Palethe.
Vanaf 2009 wordt
(driejaarlijks) in
samenwerking
(overeenkomst) met de
rijscholen aan de senioren
de mogelijkheid geboden om
in één sessie hun
rijvaardigheid met auto te
laten testen met
professioneel advies.
Vanaf 2009 wordt in
samenwerking
(overeenkomst) met het
B.I.V.V. aan de senioren de
mogelijkheid geboden om
hun rijvaardigheid met de
fiets te laten testen met
professioneel advies.
44/69
S/Mo/1/4/ Om hun
verplaatsingsmogelijkheden
in en buiten hun woning te
bewaren moeten voor
senioren mogelijkheden
worden geschapen om zich
veilig buitenshuis te begeven
en moeten risico’s worden
beperkt op ongevallen in
huis die de mobiliteit
bedreigen.
Naast de maatregelen ter
bevordering van de
toegankelijkheid voor
personen met een handicap,
zullen er bij de inrichting van
het centrum voldoende
zitbanken worden voorzien.
De welzijnsdienst zal samen
met de seniorenraad een
tweejaarlijkse informatie- en
vormingscampagne opzetten
die gericht is op valpreventie
en veiligheid in huis.
In het opvolgingsrapport
omtrent de toegankelijkheid
(zie personen met een
handicap) wordt aandacht
besteed aan de specifieke
noden van senioren en
inzonderheid de
aanwezigheid van voldoende
zitbanken op de meest
courante looproutes.
3.3.3. CULTUUR & VRIJE TIJD
S/Vt/1Strategische doelstelling : Gemeenschapsvorming
Voor senioren wil het gemeentebestuur, ter compensatie van de integratieve werking van de
arbeidsomgeving, zorgen voor de mogelijkheden om zich in eigen midden, dan wel in het
gebruikelijke gemeenschapsleven te integreren, zich persoonlijk verder te ontwikkelen of zich
gepast te ontspannen.
S/Vt/1/1/ Dienstencentrum
In het kader van het gewone Bij het driejaarlijkse evaluatie
Een dienstencentrum, al dan overleg (zie hoger) en met
van dit meerjarenplan (2010)
niet erkend en eventueel in
het oog op de uitbreiding van zal er over de voortgang van
samenwerking met het
vernieuwing van het rustoord, het dossier “dienstencentrum”
rustoord Immaculata, moet
zal met de directie
worden gerapporteerd en
voor de Overpeltse senioren onderzocht worden of een
indien nodig bijgestuurd met
een aanspreekpunt zijn voor volwaardig dienstencentrum de volgende vragen als
al hun specifieke hulpvragen, kan ingericht worden (binnen leidraad :
een centrum zijn voor kleine
de omschrijving van de
zorgen, een contactpunt zijn seniorencampus) en op welke 1. Bestaat de mogelijkheid
van leeftijdsgenoten en indien wijze de samenwerking hier
om in samenwerking met
mogelijk een plaats zijn voor rond kan verlopen.
het rustoord Immaculata
doelgroepgerichte
een volwaardig
ontspannings- en
Met het oog op een
dienstencentrum op te
vormingsactiviteiten.
gefaseerde aanpak en binnen
richten en uit te baten?
de ruimtelijke en financiële
mogelijkheden, worden de
2. Blijkt uit de
volgende initiatieven als
registratiecijfers
onderdeel van een
voldoende de
dienstencentrum onderzocht
bestaansreden voor een
en geïmplementeerd indien
dienst met personen met
dit haalbaar en wenselijk blijkt
een handicap en een
:
seniorendienst? Is het
onderbrengen van het
1. Binnen het sociaal huis
loket of de antenne op de
wordt een dienst voor
campus een
personen met een
meerwaarde?
handicap en een
seniorendienst opgericht 3. Is er op de campus een
voor alle doelgroep
aanlooppunt ingericht?
specifieke hulpvragen.
Zo neen, waarom niet?
45/69
Indien dit ruimtelijk
Zo ja, met welke
mogelijk is wordt het loket
resultaten (registratie)?
van deze dienst of een
antenne ervan, verplaatst 4. Worden er op de campus
naar de seniorencampus.
samen met Immaculata)
kleine zorgen verstrekt?
2. Binnen de
Zo ja, dewelke? Met
seniorencampus
welke resultaten
(rustoord, Wuytenhof,
(registratie)? Zo neen,
Seppehof) wordt, indien
waarom niet?
mogelijk en wenselijk, een
aanlooppunt (cafetaria)
5. Worden er binnen de
ingericht als
infrastructuur van de
ontmoetingsplaats voor
campus vormings- en/of
senioren in de daartoe
ontspanningsactiviteiten
geëigende en beschikbare
georgansieerd voor buiten
ruimten (commerciële
wonende senioren? Zo
ruimte, polyvalente zalen).
ja, met welke resultaten
(registratie)? In
3. Samen met het rustoord
samenwerking met de
Immaculata wordt
animatiedienst van
onderzocht of, aansluitend
Immaculata? In
bij de het dagcentrum,
samenwerking met de
kleine dagelijkse
cultuurdienst? Zo neen,
verzorging (vb. wasbeurt,
waarom niet?
pedicure, warme maaltijd)
kan worden verleend aan
thuis wonende senioren.
De infrastructuur van de
seniorencampus wordt
optimaal benut voor
doelgroep specifieke
vormings- en
ontspanningsactiviteiten
voor alle senioren van
Overpelt die door de
welzijnsdienst, de
seniorendienst of de
cultuurdienst worden
aangeboden, indien
mogelijk in samenwerking
met de animatiedienst van
het rustoord.
S/Vt/1/2/ Seniorendienst
Palethe
Senioren moeten, net zoals
personen met een handicap,
kunnen deelnemen aan de
gewone culturele en
vormende activiteiten die
worden georganiseerd door
Palethe.
Binnen de normale
marketingstrategie wordt er
door Palethe bijzondere
aandacht besteed aan
deelname van senioren aan
de gewone programmatie.
Palethe rapporteert aan de
welzijnsdienst, de
gehandicapadviesraad en de
seniorenraad over de
deelname van de
doelgroepen aan hun
initiatieven.
46/69
S/Vtr/1/3/ Seniorendienst
De Bemvoort
Sportcentrum De Bemvoort
zal voor de lichamelijke fitheid
van de senioren een specifiek
programma ontwikkelen en
verder bijzondere aandacht
besteden aan de inclusiviteit
van de senioren in het
bijzondere aanbod.
Vanaf werkjaar 2009/2010 zal
het sportcentrum De
Bemvoort een programma
uitwerken dat gericht is op de
algemene fitheid van de
senioren
Vanaf het werkjaar 20082009 zal Sportcentrum De
Bemvoort rapporteren over
de activiteiten die werden
ontwikkeld voor senioren en
over de wijze waarop die
werden bijgewoond.
In samenwerking met de
welzijnsdienst worden
buurtnabije en aangepaste
sportactiviteiten (vb.
wandelen, fietsen,
petanque…) georganiseerd
die specifiek gericht zijn de
deelname van senioren.
De welzijnsdienst samen met
de sportdienst, rapporteren
over de aard van de
activiteiten die in het kader de
inclusiviteit werden
georganiseerd en over de
wijze waarop die werden
bijgewoond.
S/Vt/1/4/ Seniorenraad
De seniorenraad treedt op als In 2009 wordt de werking van
De seniorenraad moet zijn rol een echt adviesorgaan en
de seniorenraad geëvalueerd
als extern adviesorgaan dat
belangenbehartiger van alle
en georganiseerd als echte
in staat voor de
senioren en hun
adviesraad en
beleidsadvisering van het
verenigingen.
belangbehartiger van alle
lokale bestuur opnemen.
senioren.
De seniorenraad ondersteunt
de verenigingen en zoekt
In 2009 (werkjaar
samen met deze
2009/2010) wordt de
verenigingen naar
seniorenraad betrokken bij
mogelijkheden om de
de programmatie van de
participatiegraad van de
cultuur- en sportdienst.
senioren te verhogen.
3.3.4. ZORGBEHOEFTEN
S/Zb/1 Strategische doelstelling 1 : Thuiszorg
Het lokale bestuur van Overpelt stelt zich tot doel om voor alle burgers van de gemeente die
omwille van hun leeftijd (en bij uitbreiding omwille van hun ziekte of handicap) beperkt zijn
om zonder hulp van derden in hun woning te verblijven, samen met de partners op het
werkterrein, de nodige ondersteuning te voorzien om het zelfstandig wonen blijvend
mogelijk te maken en deze professionele en vrijwillige hulpverlening te coördeneren.
S/Zb/1/1/ Gezinszorg
Samen met de Welzijnsregio De aanvragers, waarvan de
De aanvragers waarvan de
Noord-Limburg en alle
nood effectief wordt
nood aan gezinszorg
andere erkende diensten die vastgesteld, worden
effectief wordt vastgesteld
Overpelt als werkgebied
doorverwezen naar de
moeten deze hulp bekomen
hebben, owrdt aan de
erkende diensten en de
binnen de maand na de
aanvragers waarvan de nood doorverwijzing wordt
aanvraag.
effectief wordt vastgesteld,
opgevolgd.
gezinszorg aangeboden
binnen de administratieve en
de kwaliteitsnormen van de
Vlaamse Gemeenschap.
S/Zb/1/2/ Huishoudhulp
De poetsdienst van het
Naast (of ter vervanging) van Voor de aanvragers waarvan
OCMW wordt uitgebouwd
de in dienst zijnde
de nood door een sociaal
zodat, rekening gehouden
gesubsidieerde
onderzoek effectief wordt
47/69
met de financiële
draagkracht, kan worden
tegemoetgekomen aan de
behoeften van de
thuisverblijvende senioren
(bij uitbreiding zieken en
personen met een handicap)
en dit als een aanvullende of
een alternatieve
dienstverlening van de
gezinszorg dan wel voor het
invullen van een eigen nood.
contractuelen, zal het
dienstenbedrijf verder
worden uitgebouwd in functie
van de vastgestelde
behoefte en zal iedere
andere mogelijkheid die zich
voordoet om gesubsidieerd
personeel aan te werven
worden onderzocht op
effectiviteit en financiële
haalbaarheid.
Voor de senioren die,
rekening gehouden met de
prijs voor een
dienstencheque en
eventuele
belastingsvoordelen,
financieel onvoldoende
draagkrachtig zijn om hulp
via het dienstenbedrijf te
betalen, wordt een
steunverleningssysteem
uitgewerkt van remboursen,
zodat iedere benificiant zijn
huishoudhulp betaalt in
verhouding tot het inkomen
conform aan het huidige
systeem.
Indien er een aanbod komt
van een derde organisatie
die huishoudhulp aanbiedt
van een behoorlijke kwaliteit
en die bereid is om
daadwerkelijke inspraak te
verlenen aan de eigen
diensten van de besturen
over de aard en de
hoeveelheid toe te kennen
hulp, kan hierop een beroep
worden gedaan.
Indien zich op het werkveld
pogingen voordoen om de
huishoudhulp op een grotere
schaal te organiseren (vb.
Welzijnsregio NoordLimburg), zal hieraan worden
meegewerkt indien blijkt dat
een centrale organisatie
duidelijke schaalvoordelen
biedt en de Overpeltse
bevolking op een voldoende
wijze zal worden bediend.
vastgesteld, mogen er vanaf
2009 slechts beperkte
wachtlijsten bestaan voor
huishoudhulp. De als
zorgbehoeftige erkende
personen moeten binnen de
maand aangepaste
huishoudhulp bekomen.
48/69
S/Zb/1/3/ Klusjesdienst
De klusjesdienst moet een
SOS-dienst worden die bij
senioren (en bij uitbreiding
bij zieken en personen met
een handicap), kleine maar
dringende en vaak
onvoorziene herstellingen
komt uitvoeren waarvoor het
vragen van een vakman
omwille van de omvang of de
urgentie niet kan of niet
redelijk is. Grotere
onderhoudswerken behoren
hier niet toe.
S/Zb/1/4/ Warme maaltijden
Senioren (en bij uitbreiding
zieken en personen met een
handicap) moeten in de
mogelijkheid zijn om
minstens gedurende de
werkdagen een warme
maaltijd te kunnen nemen in
hun woning of op een
centrale plaats.
Vanaf 2008 zal de
klusjesdienst enkel nog
worden ingezet om kleine
maar dringende en vaak
onvoorziene herstellingen ui
te voeren waarvoor men
geen vakman kan vragen
omdat de uit te voeren
werken te klein zijn of omdat
zij dringende zijn.
Iedere concurrentie met
diensten wordt vermeden.
Bij grotere herstellings- of
onderhoudswerken (vb.
tuinonderhoud, verf- en
behangwerken), dienen de
senioren beroep te doen op
de mantelzorg en/of private
vaklui en bij financieel
onvermogen kan men, na
aanvraag en sociaal
onderzoek, beroep doen op
de steunverlening van het
OCMW.
Zolang er op de makt
professionelen zijn die
kwalitatief goede warme
maaltijden aan huis
bezorgen ten een
aanvaardbare prijs, zal door
de sociale dienst slechts
worden doorverwezen naar
de sector.
Indien er geen professionele
traiteurs meer zijn die de
bedeling van warme
maaltijden doen of de
kwaliteit ontoereikend is, zal
worden getracht om een
overeenkomst te sluiten met
een partner die de bedeling
zal doen. Het al dan niet
rechtstreeks aanvragen en
factureren van de maaltijden
zal tot de
onderhandelingsmaterie
behoren.
Koude bedelingen worden
slechts als alternatief
aanvaard, indien het bestuur
Vanaf 2009 wordt de
klusjesdienst een SOSdienst die, tegen het
gebruikelijke tarief
gebaseerd op inkomen,
kleine maar dringende en
vaak onvoorziene
herstellingen komt uitvoeren
waarvoor het vragen van een
vakman omwille van de
omvang of de urgentie niet
kan of niet redelijk is.
Senioren (en bij uitbreiding
zieken en personen met een
handicap) waarvan de nood
kan worden vastgesteld op
basis van algemeen
gekende situatie, moeten
verzekerd zijn van minstens
5 warme maaltijden per
week en dit binnen de week
na de aanvraag.
49/69
er niet in slaagt om een
warme bedeling te laten
doen door een traiteur.
Indien er geen bedeling is,
kan worden overwogen om
in samenspraak met rustoord
Immaculata (of een andere
instelling), de senioren die
erom verzoeken te
vervoeren om de warme
maaltijd in de instelling te
nemen.
Indien tijdens de
uitvoeringsperiode de nood
zou blijken aan een eigen
bedeling, omwille van een
reëel vastgestelde nood, de
continuïteit en/of een
budgettaire noodwendigheid,
kan worden overwogen om,
met als leverancier één van
de grote gaarkeukens van
een instelling in de
gemeente, een eigen
bedeling te starten.
S/Zb/1/5/ Mantelzorg
Mantelzorg is,
complementair aan
eventuele professionele
hulp, een onmisbare schakel
in talrijke thuiszorgsituaties
van senioren. Het lokale
bestuur wil bijdragen in de
kwaliteitsbevordering van de
mantelzorg en de
mantelverzorger.
Het lokale bestuur zal
kortlopende maar intensieve
cursussen organiseren voor
mantelverzorgers, waarin
thema’s rond zorgverlening,
maar ook
administratief/juridische en
psycho-sociale thema’s aan
bod.
Indien hieraan nood blijkt te
bestaan wordt door het
lokale bestuur een
praatgroep opgestart waarin
mantelverzorgers samen
kunnen spreken over hun
taken en waar zij zich
gesteund voelen.
Dit vormingsinitiatief zal in de
toekomst financiële
vergoedingen
(mantelzorgtoelage en
sociaal-pedagogische
toelage) vervangen.
Vanaf 2009 wordt er jaarlijks
een vrijblijvende
vormingssessie
georganiseerd voor
mantelverzorgers.
Binnen de welzijnsdienst
wordt onderzocht (2008) of
er voldoende belangstelling
is om een praatgroep voor
mantelverzorgers te starten.
50/69
S/Zb/1/6/ Coördinatie
thuiszorg
De besturen willen dat de
thuiszorg, waarin vaak
meerdere actoren actief zijn,
op een kwaliteitsvolle manier
coördineren binnen de
contouren van de SIT’s of
daarbuiten indien dit nodig
zou zijn.
3.4.
De thuiszorgcoördinator
wordt vrijgesteld voor de tijd
die nodig is om die functie op
een kwaliteitsvolle en
innoverende wijze uit te
voeren.
De thuiszorgcoördinator zal
binnen de structuren van de
SIT aanwezig zijn en een rol
spelen bij de ontwikkeling
hiervan.
Het aantal thuiszorgdossiers
waarin een
coördinatievergadering wordt
samengeroepen, moet
minstens gelijke tred houden
met de stijging van de
zorgbehoeften.
Binnen de drie weken na de
aanvraag tot coördinatie van
een betrokken partner wordt
een coördinatievergadering
samengeroepen.
GEZINNEN EN KANSENGROEPEN
K/ Opdrachtverklaring
Gezinnen en kansengroepen vinden in Overpelt een bezorgd, zorgzaam en
zorgenverstrekkend bestuur dat hun kansen op een harmonieus leven en hun problemen
herkent en erkent en dat voor iedereen een collectieve of een individuele oplossing zal
aanreiken.
3.4.1. WONEN
K/Wo/1 Strategische doelstelling 1 : Wonen
Voor jonge en minder bemiddelde gezinnen in het algemeen en de voor de kansengroepen
in het bijzonder wil Overpelt in haar beleid betreffende ruimtelijke ordening en haar
huisvestingsbeleid aandacht besteden aan mogelijkheden om een betaalbare en aangepaste
woning te kunnen bouwen, kopen of huren.
K/Wo/1/1/ Bij het eigen
Bij projecten van enige
projecten of projecten in
omvang zal het lokale
samenwerking met private
bestuur, voorafgaand aan het
partners, zal er uitdrukkelijk
verlenen van verkavelings- en
worden op toegezien dat een bouwvergunningen, trachten
realistisch quotum van te
om afspraken te maken met
realiseren woningen geschikt de aanvragers over het
en betaalbaar is voor jonge
integreren van goedkopen
gezinnen en voor personen
en/of sociale woningen
en gezinnen die omwille van
omstandigheden in een
behartenswaardige positie
verkeren.
K/Wo/1/2/ Bij de ontwikkeling Voor het verlenen van
In 2012 zijn minstens 150
van private verkavelingen zal vergunningen voor projecten bouwpercelen gerealiseerd
er naar gestreefd worden
met een minimale omvang
die geschikt en betaalbaar
een realistisch quotum van te (minstens 50
zijn voor jonge gezinnen en
realiseren woningen geschikt woongelegenheden) zal de
voor personen en gezinnen
en betaalbaar is voor jonge
ontwikkelaar aangezet
die omwille van
51/69
gezinnen en voor personen
en gezinnen die omwille van
omstandigheden in een
behartenswaardige positie
verkeren.
K/Wo/1/3/ Het lokaal bestuur
maakt een woonplan.
K/Wo/1/4/ De sociale
huisvestingsmaatschappijen
moeten worden aangezet om
in Overpelt het quotum voor
sociale huurwoningen te
halen.
K/Wà/1/5/ De sociale
huisvestingsmaatschappijen
moeten worden aangezet om
de beschikbare gronden te
ontwikkelen en het maximaal
aantal woningen te voorzien.
K/Wo/1/6/ Naast hetgeen in
(K/Wo/1/4/ is geschreven, zal
het Sociaal Verhuurkantoor
Noord-Limburg worden
aangemoedigd om zo veel
mogelijk huurwoningen in
Overpelt te verwerven voor
sociale verhuring.
K/Wo/1/7/ Het OCMW zal de
toestand op de huurmarkt
opvolgen en in functie van het
aantal cliënten in woningnood
en de gemiddelde wachttijden
bij Kempisch Tehuis en het
Sociaal Verhuurkantoor, een
aantal woningen inhuren voor
noodopvang.
K/Wo/1/8/ Het OCMW wil
preventief ingrijpen indien de
woonzekerheid van mensen
bedreigd is.
K/Wo/1/9/ Een huur- en
bemiddelingsdienst zal de
mensen van de doelgroep
worden om via de typologie
omstandigheden in een
van de woningen een
behartenswaardige positie
leefbare mix van bewoning te verkeren.
garanderen.
Opmaak van een woonplan
waarin de mogelijke
instrumenten voor een lokaal
woonbeleid geïnventariseerd
en uitgediept worden.
In 2009 maakt het lokaal
bestuur gebruik van de
conclusies van het lokaal
woonplan bij de beoordeling
van stedenbouwkundige
projecten.
De sociale
In 2012 benadert het aantal
huisvestingsmaatschappijen sociale woningen het
en het lokale bestuur voeren gemiddelde in het
een gerichte aankooppolitiek werkingsgebied van de
voor de verwerving van
sociale
projectgronden
huisvestingsmaatschappijen.
De derde fase van de
De derde fase van De
Bolakkers wordt gerealiseerd. Bolakkers is minstens in 2012
in de uitvoeringsfase.
De afgevaardigden van het
OCMW werken mee aan de
maximale uitbouw van het
Sociaal Verhuurkantoor
Noord-Limburg om zoveel
mogelijk huurpanden
bereikbaar te maken voor
sociale verhuring.
Het OCMW beschikt over
(een) woning(en) om ingeval
van rampspoed of
onmiddellijke woningnood
mensen van Overpelt te
kunnen huisvesten.
Het Sociaal Verhuurkantoor
zal in 2010 minstens 30
woningen huren en verhuren
aan de aanvragers.
Een maatschappelijk werker
wordt (deels) vrijgesteld voor
de begeleiding van mensen
die door een gedwongen
uitzetting bedreigd zijn in hun
huisvesting (cf. bemoeizorg).
Hulp zal op een actieve wijze
worden aangeboden vanaf
het ogenblik dat het OCMW
kennis heeft van feiten
(wanbetalingen of andere) die
tot uitzetting kunnen leiden.
Een maatschappelijk werker
wordt (deels) vrijgesteld om
mensen actief te helpen
Het aantal gedwongen
uithuiszettingen wordt
vermeden met een
aanvaardbare grens van
maximum 3 gevallen per jaar
vanaf 2009
Afhankelijk van de situatie
beschikt het OCMW in 2010
over 1 tot 3 woningen voor
noodopvang of verhuring in
geval van dringende
woningnood (vb.
uithuiszetting).
De maatschappelijk werkster
rapporteert jaarlijks over de
aard van de dossiers die zij
52/69
begeleiden en helpen bij het
zoeken van een huurwoning.
zoeken naar een woning en
te bemiddelen bij de
verhuurder.
behandelt en over de wijze
waarop de hulpverlening vat
heeft op de problematische
huisvestingssituaties.
3.4.2. WERKEN
K/We/1/ Strategische doelstelling 2 : Werken
Omdat het hebben van een betaalde job algemeen aanvaard wordt als voornaamste
voorwaarde om te kunnen integreren in de maatschappij (inkomen en sociale contacten),
willen het gemeentebestuur en het OCMW ijveren om de beschikbare tewerkstelling in de
gemeente bereikbaar te maken voor zoveel mogelijk mensen en voor hen die omwille van
een arbeidshandicap niet in het gewone arbeidscircuit kunnen worden opgenomen de
nodige maatregelen voorzien om hen te kunnen toeleiden naar een aangepaste
tewerkstelling (al dan niet in een aangepast arbeidszorgproject)
K/We/1/1
Trajectbegeleiding
Er wordt een procedure
Er wordt een procedure
De dienst Tewerkstelling &
uitgewerkt om cliënten van
(flowchart) uitgeschreven
Opleiding van de
het OCMW, van wie het
voor verwijzing en opvolging
Welzijnsregio Noord-Limburg team van mening is dat een
van de cliënten die door het
is de bevoorrechte partner
bijzonder opleidings- en
team worden doorverwezen.
tot het realiseren van de
arbeidstraject nodig en zinvol
opleidings- en
is, door te verwijzen naar
Ieder kwartaal wordt de
arbeidstrajecten van het
T&O Welzijnsregio en de
trajectbegeleider van de
cliënteel van het OCMW en
resultaten op te volgen
Welzijnsregio op het team
moet zich, onder impuls van
uitgenodigd voor opvolging
de plaatselijke
Er wordt naar gestreefd om
van en overleg betreffende
afgevaardigde, richten tot de protocols af te sluiten, alleen de doorverwezen cliënten.
meest kwetsbaren.
of in samenwerking met de
Welzijnsregio NoordDe trajectbegeleider van
Limburg, met instellingen en T&O begeleidt permanent 20
diensten die bijzondere
cliënten die zijn
arbedisplaatsen kunnen
doorverwezen door het
bieden aan cliënten die niet,
team. Minstens de helft van
of niet meteen, in het
de cliënten waarvan het
gewone arbeidscircuit
team en de trajectbegeleider
kunnen worden
van oordeel zijn dat zij
tewerkgesteld.
moeten worden opgenomen
in een bijzonder
arbeidszorgproject met als
finaliteit dat zij binnen de 3
maanden een arbeidsplaats
krijgen aangeboden.
K/We/1/2/ Sociale
Er wordt jaarlijks in de
Er wordt jaarlijks minstens
tewerkstelling via het
budgetten een bedrag
36 maanden tewerkstelling in
OCMW
ingeschreven voor de
het kader van artikel 60§7
Het OCMW wil de cliënten
tewerkstelling van 4 cliënten gerealiseerd.
die voor hun inkomen
die leefloon genieten in het
afhankelijk zijn van een
kader van artikel 60§7 van
Alle cliënten die worden
leefloon, zelf tewerkstellen
de OCMW-wet.
tewerkgesteld in artikel 60§7
om hen in orde te maken
worden doorverwezen naar
met de sociale zekerheid en
T&O voor begeleiding.
om hen de kans te geven om
voldoende ervaring op te
53/69
doen om na deze
tewerkstelling met succes te
kunnen solliciteren in het
gewone arbeidscircuit.
K/We/2/ Strategische doelstelling 3 : werken en gezin
De gemeente en het OCMW wensen dat de Overpeltse gezinnen waarvan beide partners
werken of de alleenstaanden met kinderen, hun kansen op tewerkstellingen en de uitbouw
van een professionele carriére maximaal kunnen benutten door zorg te dragen voor een
bereikbare en kwaliteitsvolle kinderopvang, door het coördineren en het faciliteren van de
bestaande initiatieven en/of door het inrichten en exploiteren van buitenschoolse
kinderopvang.
K/We/2/1/ Het beleidsplan
Jaarlijks wordt in de diverse
kinderopvang
Het beleidsplan kinderopvang initiatieven een bevraging
Het beleidsplan kinderopvang inventariseert jaarlijks de
georganiseerd over de
is niet enkel een inventaris
problemen die Overpeltse
wachtlijsten (grootte en duur).
van initiatieven en behoeften ouders ondervinden voor om
maar ook de basis voor
hun kinderen een geschikte
De partners in het lokaal
coördinatie van het aanbod
opvang te vinden en brengt
overleg bespreken de
aan kinderopvang en een
alle partners rond de tafel in
resultaten en doen
instrument om vraag en
het Lokaal Overleg
voorstellen (aan de
aanbod op elkaar af te
Kinderopvang om te
erkennende en subsidiërende
stemmen.
bespreken op welke wijze die instanties en aan het
problemen kunnen worden
gemeentebestuur) van acties
opgelost en initiatieven te
om tegemoet te komen aan
plannen om tegemoet te
de vraag.
komen aan de behoeften.
K/We/2/2/ . Buitenschoolse Jaarlijks wordt in het lokaal
Het verslag van
kinderopvang ’t Ravotterke overleg kinderopvang, bij de debijeenkomst van het lokaal
’t Ravotterke vult de niche
bespreking van de resultaten overleg kinderopvang wordt
van buitenschoolse opvang
van het onderzoek van de
besproken op het
voor kinderen van het lager
wachtlijsten, verslag
Overlegcomité.
onderwijs en probeert aan
uitgebracht over de werking
alle ouders van Overpelt een van ’t Ravotterke en worden
Jaarlijkse rapportage aan het
kwaliteitsvolle en
voorstellen gedaan
lokaal overleg kinderopvang
pedagogisch verantwoorde
betreffende de organisatie en en aan het Overlegcomité
opvang te bieden op de
de werking van het initiatief.
gemeentebestuur/OCMW
tijdstippen dat die nodig is
over de evoluties in de
wegens
Het OCMW als beheerder
regelgeving en subsidiëring
werkomstandigheden.
van ’t Ravotterke volgt de
met mogelijke voorstellen tot
evoluties op het terrein op en verbetering van de huidige
rapporteert aan het lokaal
organisatie.
overleg kinderopvang en aan
het Overlegcomité
Jaarlijks en voor de eerste
gemeentebestuur/OCMW
maal in 2008 wordt in de
over de mogelijkheden die
maand september een
geboden worden door de
evaluatie gemaakt van het
regelgeving (en de
voorbije werkjaar (septembersubsidiëring) om in te spelen augustus) en worden indien
op vastgestelde noden (cf.
nodig aan de raad voor
flexibele opvang).
maatschappelijk welzijn (die
ze agendeert in het
Met het oog op een
Overlegcomité
verbetering van de werking,
gemeentebestuur/OCMW)
54/69
de organisatie, de
pedagogische kwaliteit en de
conformiteit aan de
regelgeving, worden de
activiteiten van ’t Ravotterke
doorgelicht.
voorstellen gedaan ter
verbetering van de werking,
de organisatie en de
pedagogische kwaliteit.
3.4.3. CULTUUR & VRIJE TIJD
K/Vt/1/ Strategische doelstelling 4 : cultuur en vrije tijd
Het gemeentebestuur en het OCMW willen dat de Overpeltenaren voor hun persoonlijke
ontplooiing en in functie van hun mogelijkheden en interesses, maximaal kunnen participeren
van het sociale en culturele leven van in hun onmiddellijke omgeving.
K/Vt/1/1/ Het
De cultuurraad moet, als
De beleidsadviezen van de
verenigingsleven
vertegenwoordiger en
cultuurraad over het
Het verenigingsleven is een
belangenbehartiger van de
verenigingsleven en de wijze
onontbeerlijk voorwaarde
verenigingen, de rol van
waarop die kan worden
voor een individu om zich in
beleidsadviseur in deze
ondersteund, wordt jaarlijks
een lokale gemeenschap te
materie spelen.
opgelijst en besproken in het
integreren en moet dus ook
jaarverslag.
gestimuleerd en ondersteund Door middel van een
worden om die taak waar te
doorzichtige subsidiëring van Vanaf 2009 zal er in de
maken.
verenigingen en activiteiten,
cultuurraad een tweejaarlijkse
stimuleert het
evaluatie gebeuren van het
gemeentebestuur het
subsidiëringsreglement en
verenigingsleven als motor
zullen indien nodig
van een lokale zorgzame,
aanpassingen worden
verdraagzame, stimulerende voorgesteld.
en zingevende samenleving.
K/Vt/1/2/ Het
In haar programmatie van
cultuurcentrum
voorstellingen en vormingen Vanaf het werkjaar 2008CC Paltehe moet het centrum zal CC Palethe, naast
2009 wordt voor minstens 2
zijn van cultuurbeleving en
economische en budgettaire vooraf bepaalde
cultuurontwikkeling in de
overwegingen, rekening
voorstellingen een campagne
gemeente.
houden enerzijds met de
gevoerd om de doelgroep uit
vraag van de Overpeltenaren te nodigen.
en anderzijds met de
culturele ontplooiing.
Jaarlijks wordt een gedeelte
Bij de bekendmaking van de van de toelage voor
programma’s, wordt in
maatschappelijk, culturele en
samenwerking met het
sportieve ontplooiing besteed
OCMW gezocht naar nieuwe aan een bijzondere
en/of alternatieve kanalen om campagne om kansarmen
specifieke doelgroepen (cf.
aan de voorstellingen en de
kansarmen) te betrekken bij
vormingen van CC Palethe te
de activiteiten van het
laten participeren. Hiervoor
cultuurcentrum.
wordt een werkgroep ad hoc
geïnstalleerd met het OCMW,
Samen met het OCMW zal
de sport- de jeugd en de
worden gezocht naar
cultuurdienst als partners.
mogelijkheden om de
middelen van het fonds voor
sportieve en culturele
55/69
participatie aan te wenden
voor een ruime
cultuurspreiding ten behoeve
van de groep van kansarmen,
gewoonlijk gedefinieerd als
mensen met een leefloon en
mensen in budgetbeheer.
K/Vt/1/3/ Het sportcentrum
Het sportcentrum en de
sportdienst moeten de motor
zijn van activiteiten voor de
lichamelijke fitheid van de
bevolking ten behoeve van
een algemeen gezonde
basisconditie voor iedereen.
Het sportcentrum
programmeert ruime zuiver
recreatieve activiteiten
evenals initiaties in de
gekende en erkende sporten
met het oog op een zo ruim
mogelijke lichamelijke
ontwikkeling van alle burgers
van Overpelt en van de
kansarmen in het bijzonder.
Bij de bekendmaking van de
programma’s, wordt gezocht
naar nieuwe en/of
alternatieve kanalen om
specifieke doelgroepen (cf.
kansarmen) te betrekken bij
de activiteiten van het
sportcentrum.
Vanaf het werkjaar 20082009 wordt een specifieke
(doch anonieme) campagne
gevoerd om de doelgroep te
laten participeren aan de
activiteiten van het
sportcentrum.
Er wordt samen met de
sportclubs een vademecum
opgesteld en verspreid bij de
doelgroep over de activiteiten
van de Overpeltse sportclubs
met inbegrip van
contactadressen en de uren
van de clubactiviteiten.
Jaarlijks wordt een deel van
de toelage voor
maatschappelijk, culturele en
Samen met het OCMW zal
sportieve ontplooiing besteed
worden gezocht naar
aan een bijzondere
mogelijkheden om de
campagne om kansarmen te
middelen van het fonds voor laten deelnemen aan de
sportieve en culturele
eigen activiteiten van de
participatie aan te wenen
sportverenigingen of hen toe
voor een ruime lichamelijke
te leiden naar de sportclubs.
ontwikkeling ten behoeve van Hiervoor wordt een
de groep van kansarmen,
werkgroep ad hoc
gewoonlijk gedefinieerd als
geïnstalleerd met het OCMW,
mensen met een leefloon en de sport- de jeugd en de
mensen in budgetbeheer.
cultuurdienst als partners.
.
3.4.4. PERSOONSGEBONDEN PROBLEMEN
K/Pb/1/ Strategische doelstelling 5 : Financiële steun
Het OCMW wil zijn kerntaak, namelijk het verlenen van financiële steun in al zijn vormen en
de daarbij horende begeleidingen, aanwenden om de Overpeltenaren in de mogelijkheid te
stellen om hun leven in te richten op een materieel niveau dat in onze westerse samenleving
aanzien wordt als het minimum dat nodig is om “menswaardig” te kunnen leven met daarbij
bijzondere aandacht voor de meest primaire behoeften.
K/Pb/1/1/ .
Iedere aanvraag
Ieder sociaal verslag bevat
Maatschappelijke integratie maatschappelijke integratie
een passsage over de
In weerwil van de
zal in eerste instantie
tewerkstellingskansen, de
administratieve stroefheid die beoordeeld worden op de
tewerkstellingsbereidheid en
56/69
eigen is aan deze federale
regelgeving, wil het OCMW
het instrument dat geboden
wordt door de wet
maatschappelijke integratie
maximaal aanwenden, via
tewerkstelling of eventueel
leefloon, om de aanvragers te
voorzien van een inkomen als
voorwaarde tot integratie in
de samenleving.
mogelijkheden om een
de arbeidsattitudes van de
tewerkstelling te realiseren en aanvragers.
wordt indien nodig naar de
VDAB en bij een bijzondere
arbeidshandicap, naar de
dienst T&O van de
Welzijnsregio Noord-Limburg
of naar iedere andere
gespecialiseerde dienst die
een opleidings en/of
arbeidstraject kan realiseren,
verwezen.
Het aanvaarden van en het
meewerken aan de
voorgestelde
begeleidingsplan behoort tot
de minimale voorwaarden om
een leefloon te krijgen.
Indien om deze reden, en
geheel binnen de letter en de
geest van de wet, een
leefloon wordt geweigerd,
wordt hulp geboden in het
systeem van financiële steun
waarbij de hoogte en de aard
van de hulpverlening kan
gemoduleerd worden in
functie van de attitude van de
aanvrager.
K/Pb/1/2/ Financiële steun
Tenzij als indicatie of
(algemeen)
vergelijkingsbasis, worden er
Het OCMW wil het verlenen
geen algemeen geldende
van financiële steun
steunverleningsbarema’s
maximaal personaliseren en gebruikt maar wordt ieder
aanpassen aan de echte
dossier beoordeeld op de
behoeften van de aanvrager aanwezige indicaties. Zowel
in functie van de problemen
de hoogte als de aard van de
die worden aangemeld en die financiële steun maken deel
worden gedetecteerd tijdens uit van het begeleidingsplan
het sociaal onderzoek.
en kunnen niet los worden
gezien van de totale situatie.
K/Pb/1/3/ Financiële steun In de mate van het mogelijke
(specifiek)
wordt steun verleend in
De aard van de verleende
speciën maar indien er in het
financiële steun moet
dossier elementen zitten die
aansluiten bij de bijzondere
doen twijfelen aan de juiste
omstandigheden van iedere
besteding of die doen
aanvrager en passen in de
twijfelen of op verkeerde
globale begeleiding.
zaken gespaard wordt,
kunnen steunen worden
verleend in de vorm van
tussenkomsten voor
welbepaalde uitgaven
(medische kosten, huur,
Tenzij dit niet relevant is voor
de betreffende aanvraag ,
wordt in ieder sociaal verslag
in een aparte rubriek vermeld
hoe het inkomen zich
verhoudt tot het socio-vitale
minimum zoals dat door de
sociale dienst wordt gebruikt.
Ieder sociaal verslag waarin
wordt voorgesteld om
financiële steun te verlenen,
bepaalt geargumenteerd op
welke wijze die steun moet
worden toegekend.
57/69
K/Pb/1/4/ Budgetbeheer
Armoede door verkeerde
budgettering is een vaak
ernstige maar vermijdbare en
oplosbare vorm van armoede.
Het lokale bestuur wil, samen
met partners op het terrein,
zoeken naar middelen ter
voorkoming en verhelping
van deze problemen bij de
burgers.
nutsvoorzieningen enz.)
Binnen haalbare grenzen
(maximum 15 dossiers per
voltijdse maatschappelijk
werker) wil het OCMW de
mensen van Overpelt die
omwille van
budgetteringsproblemen in
moeilijkheden komen, helpen
bij het oplossen van hun
probleem door
budgetbegeleiding met
eventueel het beheer van hun
budget.
Om capaciteitsproblemen te
voorkomen wordt naar
samenwerking gezocht met
andere diensten in de
welzijnssector die deze
materie in hun takenpakket
hebben en die Overpelt als
werkingsgebied hebben.
Budgethulpverlening blijft een
kerntaak van de sociale
dienst van het OCMW maar
de case load wordt beperkt
tot maximum 15 dossiers per
maatschappelijk werker. Tot
dit aantal is bereikt wordt
gewerkt met een (niet
chronologische) wachtlijst.
In 2008 wordt gezocht naar
samenwerking met andere
welzijnsdiensten die hun
werkingsgebied in Overpelt
hebben. Eind 2008 moeten
hierover de nodige
schriftelijke afspraken zijn
gemaakt.
Vanaf 2009 moet er een
permanente leer- en
doegroep worden opgestart
waarin de cliënten in
Voor cliënten van het OCMW budgetbeheer op een
die in budgetbegeleiding zijn methodologisch aangepaste
of die hieraan nood hebben, wijze en in een niet
worden met partners
stigmatiserend kader op een
specifieke scholingsprojecten collectieve wijze worden
opgezet om het
begeleid (2008 zoeken van
begeleidingsaspect te
partners en uitwerken van het
versterken.
project)
Omdat steeds meer mensen
nood hebben aan vorming en
training rond budgettering,
zuinig energiegebruik,
consumentenbewustzijn en
dergelijke, zullen vormingsen gespreksactiviteiten
worden georganiseerd ter
voorkoming van
budgetproblemen.
Tweemaal per jaar wordt er
een vormingsavond
georganiseerd rond allerlei
relevante thema’s betreffende
de besteding van het budget.
58/69
K/Pb/2/ Strategische doelstelling 6 : psycho-sociale problemen
Het OCMW wil psycho-sociale problemen die inherent aanwezig zijn in
steunverleningsdossier of soms verschijnen als geïsoleerde problemen in hulpvragen slechts
zelf behandelen indien dit kan binnen de generalistische aanpak van het OCMW als eerste
lijnsdienst en in het andere geval, wanneer remediëring niet mogelijk blijkt en een
gespecialiseerde aanpak nodig is, doorverwijzen naar de meest passende diensten op de
tweede en derde lijn. Indien de cliënten ook daar geen hulp vinden, blijft het OCMW binnen
haar algemene opdracht beschikbaar om de kansen op integratie en menselijke waardigheid
te vrijwaren.
K/Pb/2/1/ Doorverwijzing
In ieder dossier waarbij het
In ieder dossier waarin de
Het OCMW wil diensten en
OCMW een doorverwijzing
cliënt werd doorverwezen
instellingen op de tweede en
doet naar een dienst of
naar een derde instantie is
derde lijn, die gesubsidieerd
instelling op de tweede of
een intakerapport aanwezig
worden vanuit de overheid en derde lijn, zal periodiek
en een zesmaandelijkse
dus belast zijn met een
(minstens half jaarlijks) een
vooruitgangsrapport.
overheidstaak aanspreken op vooruitgangsrapportage
de resultaten die zij boeken in gevraagd worden aan de
de dossiers die naar hen
partner uit het werkveld.
worden doorverwezen.
K/Pb/2/2/ Vangnetfunctie
Iedere cliënt die, eventueel na
doorverwijzing vanuit het
OCMW, nergens adequaat
geholpen wordt met zijn
probleem of die geweigerd
wordt omwille van motivatie,
aard van de problematiek of
zwaarte van het probleem,
kan steeds beroep doen op
het OCMW voor hulp die kan
geboden worden door de niet
gespecialiseerde
maatschappelijk werker.
Iedere cliënt die zich
aanmeldt of die wordt
doorverwezen door een
derde, wordt geholpen op de
wijze die de maatschappelijk
werker en het team bepalen.
Niemand wordt geweigerd.
Bij het niet naleven van
essentiële afspraken met de
hulpverlener wordt de
hulpverlening besproken en
aangepast aan deze feitelijke
omstandigheid met als
criterium de integratie in de
maatschappij en de minimale
inspanning die van iedere
burger verwacht wordt als lid
van die maatschappij,
rekening houdend met de
persoonlijkheid en de
bepalende factoren uit de
omgeving.
K/Pb/2/3/
Samenwerkingsovereenkoms
Samenwerkingsovereenkom ten die worden afgesloten
sten
met derden zullen steeds
Indien het OCMW
worden beoordeeld op de
samenwerkingsovereenkomst inspanning en het resultaat
en afsluit met meewerkende
zoals die blijken uit de intake
derden, zullen deze
en vooruitgangsrapportage
overeenkomsten steeds een
en uit de eigen observatie
inspannings- en/of
van de sociale dienst.
resultaatsverbintenis
Eventuele tegenprestaties
inhouden.
(vb. financiële) worden
hiervan afhankelijk gesteld.
Er wordt aan geen enkele
cliënt hulp geweigerd. Hulp
is evenwel niet
onvoorwaardelijk en de
omvang, de aard en de
frequentie van de hulp
kunnen worden aangepast
volgens inzichten van de
maatschappelijk werker en
het team.
Iedere
samenwerkingsovereenkomst
die het OCMW afsluit in het
kader van de individuele
hulpverlening bevat een
clausule betreffende de aard
en de kwaliteit van de
prestaties die verwacht
worden en van de wijze
waarop die worden
geëvalueerd.
Na iedere
59/69
vooruitgangsrapportage
wordt de samenwerking in
een dossier geëvalueerd door
de behandelende
maatschappelijk werker.
K/Pb/3/ Strategische doelstelling 7 : administratieve en juridische problemen
Door het verstrekken van juridische hulpverlening op de eerste lijn en administratieve hulp
bij het vervullen van formaliteiten, willen het gemeentebestuur en het OCMW er voor zorgen
dat de mensen van Overpelt hun essentiële rechten kennen, die ook kunnen uitoefenen en in
het bijzonder hun aanspraken op alle toelagen en uitkeringen verzekeren die anders
mogelijk door onwetendheid of ingewikkeldheid verloren gaan.
K/Pb/3/1/ Juridische eerste De overeenkomst met de
De overeenkomst waarbij de
lijnshulp
Welzijnsregio Noord-Limburg Welzijnsregio Noord-Limburg
De juridische hulpverlening
waarbij een jurist ter
een juriste ter beschikking
staat ten dienste van alle
beschikking wordt gesteld
stelt gedurende 10 uren wordt
burgers maar beperkt zich tot voor het verlenen van de
verder gezet. De juriste is
informatieverstrekking,
juridische hulp op de eerste
gedurende 3 uren per week
summiere adviezen en hulp
lijn, wordt verdergezet en
beschikbaar voor het publiek
en tot een gerichte
jaarlijks geëvalueerd.
op een vrij spreekuur en voor
doorverwijzing naar de balie
de overige uren op afspraak.
of andere instanties met als
In iedere algemene publicatie
doel dat zij hun essentiële
over de dienstverlening van
Jaarlijks wordt over de
rechten kennen en kunnen
het OCMW en minstens twee werkzaamheden van de
vrijwaren.
keer per jaar wordt in het
dienst gerapporteerd in het
gemeentelijk informatieblad
jaarverslag.
het aanbod voor juridische
hulp gepubliceerd.
K/Pb/3/2/ Administratieve
In iedere algemene publicatie De jaarlijkse publicaties.
hulp
over de dienstverlening van
Het verlenen van
het OCMW en minstens twee Jaarlijkse rapportage over
administratieve (en juridische) keer per jaar wordt in het
deze dienstverlening in het
hulp is een kerntaak die
gemeentelijk informatieblad
jaarverslag.
vervat zit in artikel 60§2 van
het aanbod voor
de OCMW-wet en is in een
administratieve hulp
actief dossier een evidentie
gepubliceerd.
maar daarbuiten stelt het
OCMW haar diensten ter
Er wordt een
beschikking van iedere
registratiesysteem opgezet
burger die daarom vraagt en waarmee de hulpverlening,
die om één of andere reden
zowel in de actieve dossiers
niet kan geholpen worden
als in afzonderlijke aanvragen
door andere bevraagde
wordt gekwantificeerd.
diensten, de vakbond of de
mutualiteit.
K/Pb/4/ Strategische doelstelling 8 : opvoedingsondersteuning
Ouders moeten voor al hun opvoedingsvragen die al dan niet het gevolg zijn van problemen
die men heeft bij de opvoeding van kinderen, terecht kunnen bij een dienst die hen informatie
verstrekt of die hen in functie van de noodzaak, begeleidt en helpt.
K/Pb/4/1/ Het
Het OCMW zal de raad van
Uiterlijk op 2012 moet
gemeentebestuur en het
beheer van de Welzijnsregio duidelijk zijn of er in Noord-
60/69
OCMW zoeken partners om
de opvoedingsondersteuning,
zowel advies als begeleiding,
te kunnen verzekeren op
vraag van de ouders of na
verwijzing door de sociale
dienst van het OCMW of elke
andere dienst die actief is in
de hulpverlening aan het
gezin.
Noord-Limburg verzoeken om
studiewerk te verrichten en
de potentiële partners, zijnde
minstens Integrale Jeugdzorg
Noord-Limburg en de daarin
vertegenwoordigende
diensten, rond de tafel te
brengen, met het oog op de
oprichting van een steunpunt
voor
opvoedingsondersteuning.
Limburg een steunpunt voor
opvoedingsondersteuning
komt waarin het lokale
bestuur al dan niet via de
Welzijnsregio, kan
participeren.
K/Pb/5/ Strategische doelstelling 9 : Coördinatie van de hulpverlening
De versnippering van diensten en instellingen in de welzijnssector waarin hulpverlening
gespecialiseerd en gefragmenteerd wordt aangeboden, is omwille van het diffuse aanbod
vaak tegenstrijdig en dus onproductief en niet transparant voor de hulpzoeker en noopt tot
coördinatie waarin het OCMW, met als legitimatie de OCMW-wet en het decreet lokaal
sociaal beleid, de regiefunctie waarneemt.
K/Pb/5/1/ . Lokaal
Het OCMW stelt een
Binnen de 3 weken na de
cliëntenoverleg
maatschappelijk werker vrij
aanvraag door een
Om de hulpverlening aan de voor de tijd die nodig is om de hulpverlener (of een cliënt)
cliënten door verschillende
coördinatie van het lokaal
wordt er een
diensten in het welzijnsveld
cliëntenoverleg op te nemen. coördinatievergadering
maximaal op elkaar af te
samengeroepen waarbij alle
stemmen en gezamenlijk hulp
hulpverleners, de cliënten en
op maat te kunnen bieden,
de meest betrokken
neemt het OCMW de
mantelzorgers aanwezig zijn.
regiefunctie waar volgens de
principes van de methodiek
Er wordt een brochure
lokaal cliëntenoverleg
opgemaakt om het aanbod te
bekend te maken bij alle
hulpverleners.
Omdat coördinatie sterk
afhankelijk is van de
aanvragen en de beoordeling
door de instrumenterende
hulpverleners, wordt er geen
quotum als doelstelling
vooropgesteld.
K/Pb/5/2/ Coördinerende
dienstverlening in het
algemeen.
Omdat het lokaal
cliëntenoverleg en de
coördinatie in de thuiszorg
(zie supra) varianten zijn van
een zelfde methodiek,
worden deze twee functies
samengebracht in één dienst.
De zorgcoördinatie in de
thuiszorg en het lokaal
cliëntenoverleg worden
samengebracht in één dienst
met het doel om eenvormige
procedures uit te werken met
respect voor de specifieke
elementen van elke
methodiek.
Tegen 2009 wordt een
procedure uitgeschreven voor
de coördinatie in de thuiszorg
en voor cliëntenoverleg in de
maatzorg.
Jaarlijks wordt in het
jaarverslag gerapporteerd
over de werkzaamheden van
de dienst
61/69
K/Pb/5/3/ Case
management
Door opvolging wordt
nagegaan of de afgesproken
taken worden uitgevoerd en
of deze taken het
vooropgestelde resultaat
opleveren met als doel te
kunnen bijsturen en de
hulpverlening te optimaliseren
ten behoeve van de cliënt.
Per dossier dat aanhangig
wordt gemaakt voor
coördinatie, wordt een
opvolgingsprocedure
voorzien zodat de dossiers
regelmatig kunnen
geëvalueerd en bijgestuurd
worden.
Tegen 2009 wordt een
procedure, die gedragen
wordt door de meest gerede
partners uit de sector,
afgesproken en opgemaakt.
Vanaf werkjaar 2009 maakt
de rapportage over het
voorgenomen case
management deel uit van het
jaarverslag;
62/69
HOOFDSTUK 4 - TAAKVERDELING EN WERKAFSPRAKEN TUSSEN GEMEENTE EN
OCMW
3.1.
HISTORIEK : DE HUIDIGE AFSPRAKENNOTA.
In het Overlegcomité tussen het gemeentebestuur en het OCMW werden op 27/11/2003
afspraken gemaakt over de samenwerking tussen beide diensten. Deze afspraken kregen
vorm in een afsprakennota die werd goedgekeurd door de raad voor maatschappelijk welzijn
op 09/12/2003 en de gemeenteraad op 15/12/2003.
Eerder dan een nota te maken met detailregelingen betreffende de taken die door de
verschillende diensten zouden worden opgenomen, werd gekozen voor een
principeverklaring waarin de uitgangspunten werden bepaald. De afspraken berusten op 3
peilers :
1. Het algemeen sociaal beleid berust bij het gemeentebestuur
2. Het hulpverlenings- en zorgenbeleid berust bij het OCMW
3. Het Overlegcomité als “arbitrage”.
Tot op heden werden aan het Overlegcomité geen bevoegdheidsproblemen voorgelegd die
voortvloeiden uit de gemaakte taakverdeling. Dit toont aan dat mits voldoende
inlevingsvermogen een afsprakennota, waarin principes worden vastgelegd, volstaat voor
een vlotte en begripvolle samenwerking. De tekst van het protocol luidt als volgt :
PROTOCOL VAN SAMENWERKING TUSSEN GEMEENTEBESTUUR EN
OCMW
Artikel 1
Het gemeentebestuur is bevoegd voor het algemeen beleid en zal binnen die
bevoegdheden zorg dragen voor een integraal en inclusief kansen- en
welzijnsbeleid ten opzichte van achtergestelde personen. Dit beleid wordt
horizontaal genoemd en strekt zich uit over alle welzijnsaspecten en over de
ganse bevolking maar met speciale aandacht voor preventieactiviteiten en de
ontplooiingskansen van bijzondere doelgroepen.
Artikel 2
Het OCMW voert essentieel een hulpverlenings- en zorgenbeleid waarbij
individuele hulp en remediëring al dan niet in collectieve voorzieningen en
diensten, wordt aangeboden aan de hulpzoekers. Dit beleid wordt verticaal
genoemd en heeft betrekking op zeer specifieke noden en behoeften van
individuele burgers die problemen ondervinden om deel te nemen aan de normale
activiteiten van de gemeenschap.
Artikel 3
In onderling overleg wordt het operationeel beheer van het initiatief voor
buitenschoolse kinderopvang ’t Ravotterke door het OCMW waargenomen. De
strategische planning rond dit initiatief gebeurt na ruim overleg met het
gemeentebestuur.
Artikel 4
Het Overlegcomité komt om de drie maanden samen en bespreekt naast de
wettelijk verplichte aangelegenheden zoals bepaald in artikel 26bis §1 en §2 van
de OCMW-wet :
* bevoegdheidsproblemen die zouden kunnen voortvloeien uit de formulering van
artikel 1 en artikel 2 van dit protocol
63/69
* de stand van zaken van gezamenlijke initiatieven
* de financiële en operatieve opvolging van het initiatief voor buitenschoolse
kinderopvang
* eventuele beleidsadviezen die worden verstrekt door één van de gemeentelijke
adviesraden en die betrekking hebben op aangelegenheden die door het OCMW
worden behartigd
* de werking van de ondersteunende diensten die prestaties leveren voor beide
besturen.
3.2.
EVOLUTIES
Er zijn in de bestuurlijke organisatie van Vlaanderen overduidelijke tendensen die wijze op
een steeds voortschrijdende integratie tussen het gemeentebestuur en het het OCMW. In
het decreet van 19 maart 2004 betreffende het Lokaal Sociaal Beleid wordt geen
onderscheid meer gemaakt tussen beide besturen (cf. Artikel 3, 2° lokaal bestuur : gemeente
en openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn). Maar ook de organieke wet van 8 juli
1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (samenwerking
ondersteunende diensten, delen personeel, samensmelting van de wettelijke graden) en het
gemeentedecreet (voorzitter-schepen) bevestigen die trend.
Daarenboven moet er in iedere gemeente een Sociaal Huis worden gerealiseerd met daarin
een gezamenlijk loket dat op een geïntegreerde wijze toegang verschaft tot de sociale
dienstverlening van het lokale bestuur en moet er een gezamenlijk sociaal beleidsplan
komen.
In het samenwerkingsprotocol van 2003 (zie supra) maakten het gemeentebestuur en het
OCMW reeds de duidelijke keuze om het sociaal beleid (sensu lato) toe te vertrouwen aan
het gemeentebestuur dat daarvoor een duidelijke politieke legitimatie heeft en het beleid van
het OCMW (sociaal beleid sensu stricto) te beperken tot de hulpverlening op cliënten en
voorzieningenniveau. Door de planning toe te vertrouwen aan beide besturen beoogt de
decreetgever om de afstemming en samenwerking tussen gemeente en OCMW te
bevorderen en het geïntegreerd karakter van lokaal sociaal beleid te benadrukken (memorie
van toelichting).
Vooral het Sociaal Huis en de gezamenlijke planningsverplichting nopen het
gemeentebestuur en het OCMW om aan de samenwerking ook een structureel aspect te
geven. Bij besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn (24/10/2006) en van de
gemeenteraad (30/11/2006) werd aan de minister uitstel gevraagd tot 22/05/2009) voor de
oprichting van een Sociaal Huis. Ondertussen werd gewerkt aan een concept waarbij o.a.
rekening werd gehouden met mogelijke schaalvoordelen die kunnen ontstaan uit een
doorgedreven integratie van diensten.
3.3.
PROEVE VAN CONCEPT
3.3.1. OPERATIONELE DIENSTEN
 Uitgangspunt
In een beperkte visie op een gezamenlijke loket zou men kunnen stellen dat enkel de
aanvragen voor pensioenen en tegemoetkomingen voor personen met een handicap moeten
toegevoegd worden aan de reeds bestaande hulpverlening van het OCMW. Het
gemeentebestuur neemt evenwel veel meer taken op die uit de aard van hun inhoud als
“sociaal” kunnen worden gedefinieerd en derhalve zouden kunnen worden toegewezen aan
het Sociaal Huis.
64/69
Wij denken hier aan een aantal adviesraden. Anderzijds zijn er activiteiten die ongetwijfeld
een sociaal invalshoek hebben maar die zeker niet kunnen vallen onder het predikaat
“welzijn”. Wij noemen de volledige sportsector en culturele sector in de meest ruime zin (cf.
verenigingsleven). En, zoals steeds het geval is als men gaat catalogeren, zijn er diensten
die zich in een “twilight zone” bevinden. Wij denken hier aan de jeugdsector die, mogelijk
zelfs in toenemende mate een welzijnscomponent heeft maar waarbij moet gekozen worden
voor de meest geëigende indeling.
Voor de persoonsgebonden materies wordt gewerkt op basis van een voorstel met drie
divisies nl. vrije tijd & evenementen, maatschappelijke aangelegenheden en tenslotte
burgerschap.
Persoonsgebonden materies
Maatschappelijke
aangelegenheden
Gemeenschapsvorming
Verenigingsloketet
Bevolking
Verenigingsloket
Cultuurcentrum
Cultuurdienst
Sport
Jeugd
Toerisme
EvenementenBiBli
Bibliotheek
Burgerschap
Beleid &
Prevent
Sociaal
Huis
Kinderopvang
Verkiezingen
Algemene
sociale dienst
Personen met
een handicap &
seniorenloket
Burgerlijke staat
Vrije tijd & evenementen (gemeenschapsvorming)
Cultuurcentrum, cultuurdienst, sport, jeugd, toerisme, evenementen (dorpsactiviteiten),
bibliotheek. In dit kader wordt gedacht aan een vrijetijdswinkel en/of een verenigingsloket)
Maatschappelijke aangelegenheden (3 subdelen).
Beleid en preventie : gehandicaptenadviesraad, seriorenraad, gezondheidsraad- en
gezinsraad, lokaal overleg kinderopvang, drugpreventie en overlast (cf. straathoekwerk),
ontwikkelingssamenwerking
Sociaal Huis : Algemene hulpverlening, personen met een handicap en senioren (in de ruime
zin vb. thuisdiensten)
Buitenschoolse kinderopvang ‘t Ravotterke
Burgerschap
Bevolkingsadministratie, verkiezingen, burgerlijke staat
Dit schema kan de basis vormen van het concept van Sociaal Huis. De verdere uitwerking
zal rekening moeten houden met de bestuurlijke en de functionele lijnen. Hierbij wordt best
reeds rekening gehouden met de situatie van 2013 waarbij de voorzitter van de raad voor
maatschappelijk welzijn zal worden opgenomen in het college van burgemeester en
schepenen.
65/69
3.3.2. ONDERSTEUNENDE DIENSTEN
Om de schaalvoordelen maximaal te benutten, wordt de principiële beslissing genomen om
alle ondersteunende diensten gezamenlijk te organiseren. Dit moet toelaten om te komen tot
een efficiënte allocatie van de beschikbare personeelsleden van beide organisaties.
Een dergelijke operatie vraagt natuurlijk studiewerk en er moeten vragen beantwoord worden
over de wijze waarop die diensten worden georganiseerd en in het bijzonder over de
communicatielijnen (bv. antennes in de activiteitencentra of niet) die moeten bijdragen tot
een performante organisatie.
3.4.
TIMING
Het nieuwe samenwerkingsprotocol dat moet worden afgesloten tussen het
gemeentebestuur en het OCMW zal de elementen bevatten van de samenwerking op het
gebied van zowel de operationele als de ondersteunende diensten. Voor het Sociaal Huis,
dat in het hierboven beschreven concept een onderdeel is van de nieuwe organisatie, is er
een decretale deadline nl. 22 mei 2009. Het spreek vanzelf in dat de timing van het ganse
project het Sociaal Huis niet geïsoleerd wordt bekeken, maar dat in de mate van het
mogelijke de hele operatie gelijktijdig moet verlopen of op een adequate gefaseerde wijze.
Daarom wordt de volgende timing vooropgesteld :
ACTIE
Concept nota
Consultatie besturen
Financiële nota (gelijktijdig)
Consultatie bevolking (lees adviesraden) (zie hoofdstuk 5 –
verplicht)
OCMW-raad
Gemeenteraad
Opstellen van boordtabellen
Operationaliseren sociaal huis / Integratie ondersteunende
diensten
Uitvoering
Evaluatie en bijsturing
TIMING
30/09/2007
01/10/2007 / 31/10/2007
01/10/2007 / 15/10/2007
01/11/2007 / 15/11/2007
27/11/2007
12/2007
01/12/2007 / 31/01/2008
Uiterlijk 31/12/2008
2008/2013
Jaarlijks oktober 10/2008 t/m
10/2013
66/69
HOOFDSTUKT 5 – WIJZE WAAROP DE BEVOLKING EN DE LOKALE ACTOREN
BETROKKEN WORDEN
5.1.
VOORBEREIDING VAN HET BELEIDSPLAN
Om te komen tot dit beleidsplan werd gewerkt met een getrapt systeem van werkgroepen.
Elk van de werkgroepen vervulde een speciale functie.
De voorbereiding en het concept werd uitgewerkt met een beperkte groep van 3 personen (2
personeelsleden van het OCMW en één personeelslid van de gemeente) die de methodiek
hebben vastgelegd en toegankelijk hebben gemaakt voor de andere medewerkers. Deze
groep wordt hierna “conceptgroep” genoemd. In de stuurgroep waren de schepen van
welzijn, de OCMW-voorzitter, de consultant van vzw Boom, de drie leden van de initiële
conceptgroep en de personeelsleden van de gemeente die een functionele taak hebben in
de welzijnsdienst (senioren, personen met een handicap, jeugd), vertegenwoordigd.
Vanuit de stuurgroep werden per categorie (doelgroep) werden dan 4 werkgroepen aan het
werk gezet met telkens vertegenwoordigers van de sector. Deze groepen hadden de
opdracht om enerzijds (cijfer)materiaal te verzamelen voor de omgevingsanalyse en
anderzijds te brainstormen over doelstellingen (strategische en operationele) en over
concrete acties die kunnen ondernomen worden.
Werkgroep jeugd
Coördinatie : Gunther Brebels
Rapport op 09/05/2007 en 27/08/2007
Werkgroep personen met een handicap
Coördinatie : Lode Vanhelden
Rapport op 11/06/2007 (personen met handicap en familieleden) en op 18/06/2007
(subgroep diensten en instellingen)
Werkgroep senioren
Coördinatie : Gerard Agten
Rapport op 20/06/2007 en 10/08/2007
Werkgroep gezinnen en kansengroepen
Coördinatie : Sonja Sleurs en Sarah Janssen
Rapport op 06/06/2007
Het was niet de bedoeling om de werkgroepen representatief samen te stellen. Er werd
eerder gepoogd om personen met de nodige competentie en visie rond de tafel te brengen
om de kijk op de problematiek breed genoeg te houden. Na de rapportage vanuit de
verschillende werkgroepen kon de omgevingsanalyse worden afgemaakt en kon begonnen
worden met het redigeren van de teksten van het Lokaal Sociaal Beleidsplan.
5.2.
DE AFWERKING
Nadat het beleidsplan zal zijn opgemaakt en klaar is om aan gemeente- en OCMW-raad te
worden voorgelegd, zullen in eerste instantie de werkgroepen worden geraadpleegd en in
tweede instantie de diverse adviesraden die op een of andere reden en inhoudelijke binding
hebben met de problematiek (seniorenraad, geahdicaptenraad, jeugdraad, gezondheidsraad,
lokaal overleg kinderopvang).
67/69
Na deze raadpleging en het aanbrengen van eventuele wijzigingen waarbij de schepenen en
de OCMW-voorzitter besluiten, kan het beleidsplan worden goedgekeurd door de OCMWraad (november) en de gemeenteraad (december).
5.3.
OPVOLGING
Een beleidsplan is geen éénmalig werkstuk per legislatuur, maar vraagt jaarlijkse evaluatie
en bijsturing. Ieder jaar in de maanden september-oktober zullende betrokken adviesraden
worden geconsulteerd om daarbij de evaluatie van de uitvoering te bespreken en voorstellen
te doen tot bijsturing. Dit evaluatie en bijsturingsrapport wordt elk jaar aan de gemeente- en
OCMW-raad voorgelegd.
In de helft van de uitvoeringsperiode (september-november 2010) wordt er een grote
evaluatie gemaakt waarvoor ook opnieuw de werkgroepen, met daarin de meest betrokken
partners en experts, worden samengeroepen voor een grondige bespreking van de
resultaten, een aanpassing van de missie, de strategische en operationele doelstellingen en
het voorstellen van nieuwe acties.
68/69
HOOFDSTUK 6 – ONTWIKKELING TEN OPZICHTE VAN HET VORIGE LOKAAL
SOCIAAL BELEIDSPLAN
Dit is het eerste inhoudelijke LOKAAL SOCIAAL BELEIDSPLAN. Derhalve kunnen nog
geen ontwikkelingen ten opzichte van het vorige plan worden beschreven.
69/69
HOOFDSTUK 7 – SECTORALE PLANVERPLICHTINGEN (OPNAME VAN ANDERE
BELEIDSPLANNEN)
De volgende gemeentelijke plannen worden opgenomen in dit LOKAAL SOCIAAL
BELEIDSPLAN :
1. Het jeugdwerkbeleidsplan
2. Het beleidsplan kinderopvang
De hierboven genoemde beleidsplannen zijn werkstukken die onafhankelijk van dit
beleidsplan toe stand zijn gekomen. Nochtans zijn er in de verschillende categorieën
raakvlakken en werden acties beschreven die tevens in de andere plannen kunnen
voorkomen.
Download