Oefenflextoets Vastgoedeconomie 2008 d.d. 11-10-2010

advertisement
Flextoets Vastgoedeconomie 2008
1. De invoer van en het gebruik maken van geld heeft grote invloed gehad op de
ontwikkeling van de economie. De efficiëntie van het economisch proces is hierdoor
toegenomen.
Op welke wijze blijkt deze toegenomen efficiëntie ?
a Door het gebruik maken van geld wordt versnippering van arbeid voorkomen.
b Het ruilen van goederen en diensten gaat door het gebruik maken van geld met
minder kosten gepaard.
c De werknemers zullen zich meer inzetten voor hun taak naarmate de beloning
toeneemt, zodat de productie toeneemt
antwoord b
2. In een artikel in het blad Vastgoed van juli/augustus 2000 wordt door een tweetal
NVM-makelaars een analyse gemaakt van een groot woonwerkproject in Amsterdam, de
zogenaamde Zuidas. De variabelen, die gebruikt worden bij de analyse van
vastgoedprojecten, zijn onder andere inflatiepercentage, huurprijsontwikkeling, nominale
rente en reële rente De inflatie bedroeg vanaf 1974 tot en met 1997 (24 jaar) gemiddeld
3,9% per jaar. Opvallend is het verschil tussen de gemiddelde inflatie van de eerste 14
jaar en de laatste 10 jaar. De eerste 14 jaar bedroeg de gemiddelde inflatie 5% per jaar.
Voor de komende reeks van jaren wordt uitgegaan van de gemiddelde inflatie van de
laatste 10 jaar.
Met welk inflatiepercentage (afgerond op één decimaal nauwkeurig) wordt in de komende
jaren rekening gehouden ?
a 2,4%
b 3,0%
c 3,5%
antwoord a
3. Om een individuele vraagcurve van een consument met betrekking tot een goed te
kunnen tekenen zijn gegevens nodig.
Welke twee variabelen bepalen deze vraagcurve ?
a De prijzen en de gevraagde hoeveelheden van het goed.
b De prijzen van het goed en het inkomen van de consument.
c De gevraagde hoeveelheden van het goed en het inkomen van de consument
antwoord a
4. De vraag naar een artikel kan worden weergegeven door de vraagvergelijking
Qv = -P + 45. P is de prijs in euro’s en Q is het aantal in tienduizenden. Het artikel wordt
verkocht voor de prijs van EUR 15 per stuk tot er een accijnsheffing van de overheid
komt voor dit artikel. Deze accijnsheffing van EUR 2,25 per artikel wordt doorberekend in
de verkoopprijs waardoor de vraag naar dit artikel afneemt tot 277.500 stuks.
Hoe hoog is de prijselasticiteit van de vraag naar dit artikel ?
a -0,5
b -1
c -2
antwoord a
5. Een ondernemer heeft een nieuw product ontwikkeld. In verband met milieueisen
gaat de overheid, juist als de ondernemer het artikel op de markt wil brengen een heffing
invoeren van EUR 2,5O per artikel.
Tot welke categorie overheidsinkomsten wordt deze heffing gerekend ?
a Tot de accijnzen.
b Tot de retributies.
C Tot de indirecte belastingen.
Antwoord c
6. In een bepaalde wijk van een grote stad is een makelaarskantoor onder meer belast
met de verhuur van een tweetal typen woningen, type A en type B. In de grafiek is
aangegeven hoe de vraag naar een bepaald type woningen correleert met de huurprijs
van die woning (N.B. De grafiek is als schets bedoeld. De schaalverdeling is dan ook niet
nauwkeurig, maar geeft slechts een benadering, op de verticale as P en op de horizontale
as Q.)
In de grafiek is aan de hellingshoeken van de vraaglijnen te zien dat de vraag naar het
ene type woningen meer prijsgevoelig is dan de vraag naar het andere type.
Voor welk type huurwoning is de vraag meer prijsgevoelig en op basis van welk
argument is dit hier te bepalen ?
a De vraag naar type B is meer prijsgevoelig, omdat de vraaglijn naar type B vlakker
verloopt
b De vraag naar type B is meer prijsgevoelig, omdat de maximum hoeveelheid bij type
B groter is dan bij type A.
c De vraag naar type A is meer prijsgevoelig, omdat de maximumprijs voor type A
hoger is dan de maximumprijs voor type B.
antwoord a
7 In een bepaalde wijk van een grote stad s eer makelaarskantoor onder meer betast
met de verhuur van een tweetal typen woningen type A en type B. In de grafiek is
aangegeven hoe de vraag naar een bepaald type woningen correleert met de huurprijs
van die woning (N.B. 0e grafiek is als schets bedoelt. De schaalverdeling is dan ook niet
nauwkeurig, naar geeft slechts een benadering. Op de verticale as P en op de
horizontale as Q)
Hoeveel huurwoningen van het type B worden gevraagd hij een prijs van EUR 600 ?
a 16O
b 200
c 240
antwoord a
8 In een bepaalde wijk van een grote stad is een makelaarskantoor onder meer betast
met de verhuur van een tweetal typen woningen type A en type B. In de grafiek is
aangegeven hoe de vraag naar een bepaald type woningen correleert met de huurprijs
van die woning (N.B. 0e grafiek is als schets bedoelt. De schaalverdeling is dan ook niet
nauwkeurig, naar geeft slechts een benadering. op de verticale as P en op de
horizontale as Q)
In de praktijk blijkt, dat de vraag naar huurwoningen op termijn mede afhankelijk is van
de hoogte van het rentepercentage voor hypotheken.
Welke invloed heeft een verhoging van het rentepercentage op de vraag naar
bijvoorbeeld huurwoningen van het type A (ceteris paribus) ?
Er zal een verschuiving van de vraaglijn plaatsvinden naar links,
Er zal een verschuiving van de vraaglijn plaatsvinden naar rechts
Er zal een verschuiving langs de vraaglijn plaatsvinden, richting P = 1100
antwoord b
Vraag 9
De vraag naar huurwoningen van het type A kan als volgt worden weergegeven:
Qv = -0,32 P + 4R + 320. Hierbij is Qv de gevraagde hoeveelheid, P de huurprijs per
woning per maand en R de rente van woninghypotheken in procenten.
Met hoeveel procent wijzigt de gevraagde hoeveelheid huurwoningen voor P = 750, als R
= 8 % wijzigt in R = 6 % (afgerond op één decimaal nauwkeurig) ?
a 7,1 %
b 7.7%
c 8%
antwoord a
Vraag 10
Omdat er een relatie bestaat tussen de vraag naar huurwoningen en de vraag naar
koopwoningen is er in economisch opzicht sprake van een bepaald soort goederen.
Hoe worden deze goederen genoemd ?
a Substitutiegoederen
b Indifferente goederen
c Complementaire goederen
antwoord a
Vraag 11
Ondernemingen zijn voortdurend bezig hun concurrentiepositie te versterken.
In welk geval spreken we van verticale concentratie ?
a Als bedrijven door middel van integratie in meer geledingen van de bedrijfskolom
actief worden
b Als bedrijven via a diversificatie tot een bepaalde vorm van schaalvoordelen komen en
op deze wijze overcapaciteit voorkomen
c Als bedrijven binnen een bedrijfstak uitbreiden ten koste van andere ondernemingen of
invloed verwerven in andere ondernemingen.
antwoord a
Vraag 12
De totale jaaromzet van vastgoedmakelaardijen een in de gemeente Merendonk (een
grote stad met ongeveer 1 miljoen inwoners) wordt gerealiseerd door diverse kantoren.
De tabel geeft aan op welke wijze de omzet is verdeeld over de verschillende
vastgoedmakelaardijen.
Van welke marktvorm is hier op basis van bovenstaande gegevens sprake en waarom ?
a Oligopolie want C3 is 78.
b Oligopolie want C2 is 56 en C3 is 44.
c Monopolistische concurrentie want Cn is < 80
antwoord a
Vraag 13
Een bedrijfstak kent omgevingsfactoren die een grote invloed uitoefenen op de
concurrentiebepalende factoren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in interne
concurrentie, externe concurrentie en potentiële concurrentie.
Waardoor wordt met name de externe concurrentie veroorzaakt ?
a De aanwezigheid van substituut-producten
b Het aantal en de grootte van de leveranciers.
c Het aantal toe- en uittreders in de bedrijfstak
antwoord b
Vraag 14
De vraag naar goederen wordt beïnvloed door allerlei ontwikkelingen, zoals
inkomensontwikkelingen. structurele ontwikkelingen. trendmatige ontwikkelingen etc. In
dit verband gebruikt men wei de term keteneffect.
Wat wordt verstaan ander het keteneffect ?
a Langetermijnontwikkelingen die het gevolg zijn van een stijging van de
productiecapaciteit
b De invloed die de overheid uitoefent op het distributieproces van de grote fabrikanten
naar de afnemers
c Conjunctuurgevoelige eindproducten veroorzaken grote schommelingen in de afzet van
de bedrijfstakken in de hete bedrijfskolom.
antwoord c
Vraag 15
De bedrijfstakontwikkeling en de productielevenscyclus kunnen in schemavorm worden
weergegeven. Welke van de onderstaande combinaties van fase en marktvorm is in dit
verband juist ?
a introductie en breed monopolie
b groei en monopolie
c rijpheid en nauw oligopolie
antwoord c
Vraag 16
De grondquote is de verhouding tussen de grondprijs en de prijs van de woning (grond
plus opstallen). Een nieuwbouwhuis dat in 2002 EUR 200.000 kostte, kostte in 2004 25%
meer. De grondkavel van dat nieuwbouwhuis kostte in 2002 EUR 50.000. De bouwkosten
exclusief grond van dat huis stegen tot EUR 160.000 in het jaar 2004.
Hoe groot is de grondquote in het jaar 2004 ?
a 0.25
b 0.3125
c 0.36
antwoord c
Vraag 17
Onderstaand staafdiagram geeft het indexcijfer weer van de prijs van bouwgrond per m2
in een bepaalde gemeente. In 1980 bedroeg de grondprijs omgerekend EUR 100 per m2.
Hoeveel bedraagt de grondprijs per m2 in het jaar 2000?
a EUR 180
b EUR 200
c EUR 225
antwoord c
Vraag 18
Bron: Statistisch bulletin CBS.
Met welk percentage is tussen 2000 en 2001 de gemiddelde arbeidsproductiviteit in de
bouwnijverheid volgens bovenstaande tabel veranderd (afgerond op één decimaal
nauwkeurig) ?
a 1,0
b 2.0
c 9,5
antwoord b
Vraag 19
Één van de omgevingsfactoren voor een bedrijf is de in dat land heersende economische
orde. Op welke wijze kan de economische orde worden aangeduid ?
a Het stelsel van waarden, normen en instituties met betrekking tot het economisch
handelen.
b De indeling van de economie in diverse sectoren en omgevingsfactoren.
c De institutionalisering van waarden en normen via wetgeving en bestuur
antwoord a
Vraag 20
De vraag naar goederen wordt beïnvloed door allerlei ontwikkelingen, zoals
inkomensontwikkelingen, structurele ontwikkelingen en trendmatige ontwikkelingen.
Wat wordt verstaan onder trendmatige ontwikkelingen ?
a Langetermijnontwikkelingen die de oorzaak zijn van een verandering van de
productiecapaciteit
b Kortetermijnontwikkelingen die voornamelijk veroorzaakt worden door
conjunctuurschommelingen.
c Langetermijnontwikkelingen die met name door de vraagbepalende en klimatologische
factoren worden veroorzaakt
antwoord a
Vraag21
In onderstaande grafiek is een conjunctuurgolf afgebeeld. De trend wordt gedefinieerd
als de gemiddelde waarde van het nationaal product over een reeks van jaren. Wat is de
benaming voor periode bcd (zie grafiek)?
a Crisis
b Recessie
c Laagconjunctuur
antwoord c
Vraag 22 van 40
Bij de berekening van de totale loonkosten dient onderscheid gemaakt te worden tussen
het werknemersaandeel en het werkgeversaandeel in de sociale premies. Stel dat in een
bepaald jaar het werkgeversaandeel in de sociale premies 7,2% was van het bruto
inkomen. In dat jaar was het gemiddelde bruto inkomen van een werknemer EUR
27.000. De loonbelasting die hierover gemiddeld werd betaald was EUR 3.500.
Hoeveel bedragen de gemiddelde loonkosten per werknemer per jaar voor een
werkgever?
a EUR 28.944
b EUR 32.444
c EUR 32.696
antwoord a
Vraag 23
“De winsten van de bedrijven in de marktsector staan al enige jaren onder druk door een
flinke toename van de arbeidskosten die niet gecompenseerd worden door een stijging
van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling” . Bron: CPB, Macro Economische Verkenning
2003
Welk gevolg heeft bovengenoemde ontwikkeling voor de arbeidsinkomensquote ( AIQ )
en de overige inkomensquote ( OIQ ) ?
a AIQ en OIQ dalen.
b AIQ daalt en OIQ stijgt.
c AIQ stijgt en OIQ daalt
antwoord c
Vraag 24
Bij de totstandkoming van volledige integratie tussen de economieën van verschillende
landen zijn diverse stadia te onderscheiden.
Wat is de juiste volgorde bij toenemende integratie ?
o Economische unie - monetaire unie - douane-unie - vrijhandelszone
o Vrijhandelszone - economische unie - monetaire unie - douane-unie
o Vrijhandelszone - douane-unie - economische unie - monetaire unie
antwoord c
Vraag 25
In maart 2001 besloot de Turkse regering, haar systeem van vaste wisselkoersen los te
laten en de lira te laten zweven. De Turkse bevolking. die haar spaargeld en lonen in één
klap met een derde in waarde zag verminderen, nam de regering de maatregel niet in
dank af
Bron: NRC Handelsblad.
Hoe wordt deze koerswijziging van de lira genoemd ?
a Devaluatie
b Depreciatie
c Appreciatie
antwoord b
Vraag 26
In maart 2001 besloot de Turkse regering, haar systeem van vaste wisselkoersen los te
laten en de lira te laten zweven. De Turkse bevolking. die haar spaargeld en lonen in één
klap met een derde in waarde zag verminderen, nam de regering de maatregel niet in
dank af,
Bron: NRC Handelsblad.
Welke invloed heeft deze koerswijziging van de lira op de koopkracht van de Turkse
bevolking ?
a Deze stijgt omdat de export daalt.
b Deze stijgt, omdat de inflatie daalt.
c Deze daalt omdat de invoerprijzen stijgen
antwoord c
Vraag 27
In 1991 werd in het verdrag van Maastricht bepaald dat per 1 januari 1999 de euro zou
worden ingevoerd. Tegelijkertijd werd afgesproken om het monetaire beleid voortaan
gemeenschappelijk te bepalen.
Welke instantie is belast met de bepaling van het monetair beleid ?
a De Europese Commissie
b De Europese Rekenkamer
c De Europese Centrale Bank
antwoord c
Vraag 28
In een artikel in het blad Vastgoed van juli/augustus 2000 wordt door een tweetal NVMmakelaars een analyse gemaakt van een groot woon-werkproject in Amsterdam de
zogenaamde Zuidas. De variabelen die gebruikt worden bij de analyse van
vastgoedprojecten zijn onder andere inflatiepercentage, huurprijsontwikkeling, nominale
rente en reële rente. De inflatie bedroeg vanaf 1974 tot en met 1997 (24 jaar) gemiddeld
3.9% per jaar. Opvallend is het verschil tussen de gemiddelde inflatie van de eerste 14
jaar en de laatste 10 jaar. De eerste 14 jaar bedroeg de gemiddelde inflatie 5% per jaar.
Voor de komende reeks van jaren wordt uitgegaan van de gemiddelde inflatie van de
laatste 10 jaar. De huurprijsontwikkeling in Amsterdam Zuid in per m2 is als volgt:
1987 EUR 175
1997 EUR 300
2007 (schatting) EUR 400
2015 (schatting) EUR 500
2022 (schatting) EUR 600
Tussen de opeenvolgende gegeven jaren wordt uitgegaan van een evenredige stijging.
Welke periode kent de grootste jaarlijkse nominale stijging van de huren ?
a 1997-2007
b 2007-2015
c 2015-2022
antwoord c
Vraag 29
In een artikel in het blad Vastgoed van juli/augustus 2000 wordt door een tweetal NVMmakelaars een analyse gemaakt van een groot woon-werkproject in Amsterdam. de
zogenaamde Zuidas. De variabelen dia gebruikt worden hij de analyse van
vastgoedprojecten zijn onder andere inflatiepercentage, huurprijsontwikkeling, nominale
rente en reële rente. De inflatie bedroeg vanaf 1974 tot en met 1907 (24 jaar) gemiddeld
3,9% per jaar. Opvallend is het verschil tussen de gemiddelde inflatie van de eerste 14
jaar en de laatste 10 jaar, De eerste 14 jaar bedroeg de gemiddelde inflatie 5% per jaar.
Voor de komende reeks van jaren wordt uitgegaan van de gemiddelde inflatie van de
laatste 10 jaar. Naast het begrip nominale rente speelt het begrip reële rente een grote
rol bij de analyse.
Waarmee wordt de nominale rente gecorrigeerd om tot de reële rente te komen ?
a Het inflatiecijfer.
b De rente op de staatsleningen.,
c De rentemarge van de banken.
antwoord a
Vraag 30
De heer Fontein heeft op korte termijn EUR 10.000 nodig om de bouw van een schuur in
zijn tuin te financieren.. Hij neemt EUR 2.000 op van zijn salarisrekening., waarna een
positief saldo van EUR 2.500 resteert. De rest financiert hij door een persoonlijke lening
bij zijn bank af te sluiten.
Met welk bedrag verandert de maatschappelijke geldhoeveelheid (M1) als gevolg van
deze transacties?
a M1 stijgt met EUR 2.000..
b M1 stijgt met EUR 8.000.
c M1 stijgt met EUR 10.000.
antwoord b
Vraag 31
Wat is het onderscheid tussen de geldmarkt en de kapitaalmarkt ?
a De omvang van de verhandelde producten, te weten kredietsommen onder en boven
EUR 1.000.000
b De verschillende als vragers opererende marktpartijen, te weten de overheid
respectievelijk het particuliere bedrijfsleven
c De (resterende) looptijd van de verhandelde titels, namelijk tot en met twee jaar
respectievelijk langer dan twee jaar
antwoord c
Vraag 32
In het begin van de jaren negentig kende Nederland een omgekeerde rentestructuur.
Wanneer is sprake van een omgekeerde rentestructuur ?
a Indien de reële rente hoger is dan de nominale rente.
b Indien de geldmarktrente hoger is dan de kapitaalmarktrente.
c Indien de betaalde rente op een bankkrediet lager is dan de ontvangen rente op een
deposito.
antwoord b
Vraag 33
De geldmarktrente in de Verenigde Staten lag op een bepaald moment onder het niveau
van de geldmarktrente in de Europese Unie. Een daarop volgende koersstijging van de
euro ten opzichte van de dollar heeft geleid tot een renteverlaging door de Europese
Centrale Bank (ECB).
Hoe leidt een renteverlaging door de ECB tot een koersdaling van de euro ?
a Er wordt minder in eurodeposito’s belegd, waardoor het aanbod van euro’s op de
valutamarkt daalt.
b De investeringen in de Europese Unie worden afgeremd waardoor de export van
kapitaal naar de Verenigde Staten stagneert.
c Het verschil met de geldmarktrente in de Verenigde Staten wordt kleiner waardoor het
aanbod van euro’s op de valutamarkt stijgt.
antwoord c
Vraag 34 van 40
De kapitaalmarktrente weerspiegelt in welke mate de marktpartijen willen sparen en
lenen voor de lange termijn. Welke van de volgende factoren veroorzaakt een
neerwaartse druk op de kapitaalmarktrente (ceteris paribus) ?
a Een dalend begrotingstekort van het Rijk.
b Een stijgende bezettingsgraad in het bedrijfsleven.
c Een dalende ruilvoet (prijspeil export/prijspeil import).
antwoord a
Vraag 35
De kostenontwikkeling bij een productieproces kent in de algemene economie een drietal
varianten. die aangeduid worden met de begrippen proportioneel, progressief en
degressief.
Welke voorwaarde is noodzakelijk, wil er bij een toenemende productieomvang sprake
zijn van een degressief kostenverloop ?
a Als bij een toenemende waarde van Q de marginale kosten dalen.
b Als bij een toenemende waarde van Q de totale kosten dalen.
c Als bij een toenemende waarde van Q de gemiddelde constante kosten dalen.
antwoord a
Vraag 36 van 46
Bij de bepaling van de vraagcurve wordt de ceteris paribus-voorwaarde gehanteerd.
Welke factor is de oorzaak van een verschuiving naar rechts van de vraagcurve van
koopwoningen (de prijs van de koopwoning op de verticale as en de hoeveelheid op de
horizontale as) ?
a Stijging van de hypotheekrente.
b Stijging van de huren
c Stijging van het huurwaardeforfait
antwoord b
Vraag 37 van 46
De vraag naar een goed kan worden weergegeven door de vraag vergelijking
Qv = -P + 45. P is de prijs in EUR en Q is het aantal x 10.000 stuks. Het artikel wordt
verkocht voor de prijs van 15 EUR per stuk tot er een accijnsheffing van de overheid
komt voor dit goed. Deze accijnsheffing wordt doorberekend in de verkoopprijs waardoor
de vraag naar dit goed afneemt tot 277.500 stuks.
Hoe groot is de prijselasticiteit van de vraag naar dit goed ?
a -0,1
b -2
c -0,5
antwoord c
Vraag 38 van 40
Ook binnen de makelaardij neemt de prijsconcurrentie toe. Agressieve nieuwe aanbieders
proberen via lage tarieven klanten te lokken. Makelaardij o.z. Jansen vraagt zich af of het
verstandig is mee te gaan met deze prijsverlagingen. Het bedrijf besluit de tarieven met
10% te verlagen en na een jaar te meten welke gevolgen dit heeft gehad voor de afzet.
Na een jaar blijkt dat de afzet als gevolg van de tariefsverlaging is gestegen met 8%.
Hoe kan de vraag naar makelaarsdiensten voor deze makelaardij worden getypeerd ?
a Prijselastische vraag
b Prijsneutrale vraag
c Prijsinelastische vraag
antwoord c
Vraag 39 van 40
Van een bepaald bedrijf is met betrekking tot het kostenverloop het volgende bekend. Bij
de productie van 1.000 eenheden bedragen de totale kosten EUR 50.000. Bij de
productie van 1.200 eenheden bedragen de totale kosten EUR 58.000. De totale kosten
bestaan uit vaste en variabele kosten.
Bereken de gemiddelde constante kosten bij de productie van 1.000 eenheden.
a EUR 10
b EUR 40
c EUR 50
antwoord a
Vraag 40
De jaarlijkse vraag naar en het aanbod van een bepaald type nieuwbouwwoningen in
Nederland kan worden weergegeven met de volgende vraag- en aanbodvergelijking
Qv = - 0,8P + 168 en
Qa = 0,4P - 72
Q is het aantal woningen x 10.000 en P is de prijs van een woning x EUR 1.000.
Hoe groot is de evenwichtsprijs die op de markt tot stand komt ?
a EUR 200.000
b EUR 195.000
c EUR 210.000
antwoord a
Download