Document

advertisement
22. Internationale Monetaire Stelsels
22.1 en 22.2 Vaste wisselkoersen (ook wel: stabiele koersen)

Hierbij zijn afspraken gemaakt tussen deelnemende landen over maximale
koersafwijkingen. 
1. Ten eerste wordt een afspraak gemaakt over de spilkoers (pariteit): een soort meest
waarschijnlijke koers. Meestal het lange-termijn gemiddelde. Bijv. in het verleden lag
de koers van de gulden en de Duitse mark meestal rond de 1,10. Dat zou dan de
spilkoers worden.
2. Vervolgens spreekt men een maximale afwijking van die spilkoers af naar boven: de
bovenste interventiekoers en naar beneden: de onderste interventiekoers. (Bovenste
interventiekoers – spilkoers = bovenmarge; Spilkoers – onderste interventiekoers =
benedenmarge).
3. De totale afstand waarover de koers mag bewegen (Bovenste interventiekoers –
onderste interventiekoers) noemt men de bandbreedte.
4. De deelnemende lande spreken nu af om, zodra de evenwichtskoers van een munt
boven of onder de interventiekoers komt, in te grijpen. De verschillende manieren van
ingrijpen komen hieronder aan bod. Voor een grafische voorstelling van 1 t/m 4: zie
pag. 71 en 72 van je boek.
Hoe kunnen landen ingrijpen?

a. Door aan-/verkoop van vreemde valuta. De munt die te zwak staat (onder de onderste
interventiekoers uitkomt) wordt gekocht (dat is dus extra Vraag naar die munt !) door
de Centrale Banken van de deelnemende landen bij de primaire banken in dat land. Zij
betalen met de sterke munt (die daarmee wordt Aangeboden!). Deze manier van
ingrijpen noemen we INTERVENTIE.
b. Door de rente te verhogen/verlagen (‘disconto-politiek’) om zo de import en export
van Kapitaal te beïnvloeden en daarmee de Vraag en Aanbod van de munt op de
valutamarkt.
c. Door een andere afspraak te maken t.a.v. de spilkoers. Dit wordt slechts gedaan bij
munten die heel vaak uit de band springen en waarbij dus heel vaak ingegrepen moet
worden. De bestaande spilkoers was dus blijkbaar niet meer representatief voor de
huidige handelsverhoudingen. Zoals gezegd: spilkoers omhoog = revaluatie; omlaag
= devaluatie. Met name een devaluatie wordt als iets beschamends gezien,
gezichtsverlies. We spreken van een pariteitswijziging.
d. Vergroting van de bandbreedte; hiermee wordt echter wel het karakter van de stabiele
wisselkoersen aangetast. De wisselkoersonzekerheid wordt nl. groter naarmate de
bandbreedte groter wordt.
e. Aanpassing van de binnenlandse economische politiek. Voorbeeld: omdat een land
voortdurend te grote loonstijgingen kent, is haar concurrentie-positie slecht en heeft de
betalingsbalans voortdurend een tekort op lopende rekening. (door lage Eg,d en hoge
Mg,d). De koers van haar munt heeft dan ook voortdurend de neiging onder de
bandbreedte uit te komen. Door andere manieren van ingrijpen, interventie
bijvoorbeeld, blijft de betalingsbalans in on-evenwicht (want eigenlijk zou de lage
koers evenwicht terug moeten brengen; ga dit zelf na!!). Een geleide loonpolitiek,
waarbij de overheid de loon-ontwikkeling stuurt, zou uitkomst kunnen bieden. Verzin
zelf nog een ander voorbeeld!
22.3 Voor/nadelen van vaste wisselkoersen
Voordeel: Zekerheid voor de internationale handel. De koersafwijking is beperkt tot een
vaste afwijking naar boven en naar beneden van een afgesproken (spil-)koers.
Nadeel: permanente overschotten en tekorten op de betalingsbalans kunnen ontstaan.
Waar bij vrij zwevende wisselkoersen het prijsmechanisme op de valutamarkt corrigerend
werkt, zal bij vaste wisselkoersen, bij bijvoorbeeld een voortdurend tekort door
overmatige vraag (naar importgoederen) de overheid moeten ingrijpen in de economie.
Bijvoorbeeld bestedingsbeperkende maatregelen, zoals belastingverhoging of bezuiniging.
Dit kan weer gevolgen hebben voor bijv. werkgelegenheid. Zij moet dus, naast
interveniëren op de valutamarkt, ook ingrijpen in de binnenlandse economische situatie.
(22.4 en 22.5)
22.6 De EMU (Economische en Monetaire Unie)
De monetaire Unie (1 Centrale Bank, 1 munteenheid) had haar voorloper in een stelsel van
vaste wisselkoersen (eerst bandbreedte 4,5%; later werd dat zelfs 30%!)) tussen de
deelnemende landen in Europa (het EMS, het Europese Monetaire Stelsel).
Alleen landen die voldeden aan ‘convergentie-criteria’ mochten lid worden van de Monetaire
Unie. Dat waren eisen om de landen niet te veel te laten verschillen in economisch/monetair
opzicht: eisen ten aanzien van de inflatie, fin.tekort, staatsschuld, rentestand en
wisselkoersstabiliteit. Stel je bijvoorbeeld maar voor dat een land te hoge rentestand had. Dan
zou het binnen de groep deelnemers alle kapitaal naar zich toe trekken en leiden tot monetaire
instabiliteit. Of als het veel te veel inflatie had. Dan zou de handel in de deelnemende landen
‘scheef’ trekken en zou het land achterblijven in groei. Daarmee krijg je dan weer
economische instabiliteit. Enz.
De Europese Centrale Bank (ECB) doet eigenlijk voor de EU wat vroeger de Centrale
Banken van de afzonderlijke landen (voor Nederland de DNB) deden:
Ze houdt de hoeveelheid geld (en bijna geld) in europa in de gaten in het (ja ja)
geldhoeveelheidsbeleid. Maar niet alleen de hoeveelheid geld, ook de snelheid waarmee het
‘rondgaat’, de omloopsnelheid (=aantal malen dat geld van eigenaar wisselt in een jaar) is
daarbij van belan. Reden: teveel geld dat te snel gebruikt wordt kan tot (bestedings-)inflatie
leiden.
Manieren om die hoeveelheid geld te sturen zijn:
 Vaststellen ‘basisrente’; rente die banken betalen voor leningen. Die rente berekenen
zij door aan hun klanten. Hoe hoger, hoe minder het publiek zal lenen bij banken, hoe
kleiner geldhoeveelheid, hoe minder bestedingen. (andersom bij te weinig
bestedingen).
 Door waardepapieren (vreemde valuta, obligaties) aan banken te verkopen (of van ze
te kopen) kan de ECB hun liquiditeit sturen en daarmee het gemak waarmee ze
kunnen uitlenen. Enz.
 ECB kan banken verplichten geld bij haar te stallen. Banken kunnen dan minder
makkelijk geld uitlenen.
Download