Hoofdstuk 6 - Noordhoff Uitgevers

advertisement
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
Actuele rechtspraak
Hoofdstuk 6 Cao
Werking Wet C ao
Als cao-partijen een nieuwe cao sluiten, behoren dan de
arbeidsvoorwaarden uit de oude cao die op grond van de art. 9, 12 en 13
Wet cao doorwerken in de individuele arbeidsovereenkomst, definitief
tot het verleden en gelden dus bij uitsluiting die voorwaarden die
partijen in het kader van de nieuwe cao hebben afgesproken? In de
literatuur tot nu toe werd bijna algemeen aangenomen dat het antwoord
bevestigend luidt. De opvatting dat gunstiger bepalingen uit de oude cao
zouden doorwerken tijdens de gelding van de nieuwe cao, werd van de
hand gewezen, alleen al omdat deze opvatting ertoe zou leiden dat
werkgevers een ingewikkelde administratie zouden moeten bijhouden.
Daarbij komt dat cao’s op elkaar afgestemde arbeidsvoorwaarden
bevatten die in een proces van geven en nemen tot stand komen. Dat
gunstiger individuele arbeidsvoorwaarden uit de oude cao van kracht
blijven onder het regime van de nieuwe cao, sluit niet op deze realiteit
aan. De Hoge Raad blijkt een andere mening te zijn toegedaan. Het
onderscheid tussen minimum- en standaard-cao’s wordt voor de praktijk
van groot belang.
Abvakabo is als vakbond partij bij de cao Kinderopvang die van kracht is
gedurende de perioden 1 januari 2005 tot 1 januari 2006, 1 januari 2006 tot 1
mei 2007 en van 1 mei 2007 tot 1 mei 2008. Namens de werkgevers treedt de
Maatschappelijke Ondernemingsgroep partij (MO) op. Unieke Kinderopvang B.V.
(UK) is in de branche werkzaam. Zij is jarenlang lid van MO geweest en heeft
gedurende die tijd de cao Kinderopvang toegepast. Eind 2004 is MO lid
geworden van de Branchevereniging Kinderopvang Nederland (BKN), die partij is
bij de cao BKN. Deze cao is van kracht gedurende de perioden 1 januari 2005 tot
1 januari 2007 en 1 januari 2007 tot 1 januari 2009. Vanwege de in acht te
nemen opzegperiode eindigt het lidmaatschap van MO per 31 december 2005.
ABVAKABO heeft de cao BKN over de periode 1 januari 2007 tot 1 januari 2009
mede ondertekend. In cassatie gaat het om de vraag of UK per 1 januari 2007
gerechtigd is, de cao BKN op haar werknemers toe te passen die lid zijn van
Abvakabo (en dat toepassing van de oude cao komt te vervallen). Het gaat hier
dus om werknemers die ex art. 9, 12 en 13 Wet cao aan de van toepassing
zijnde cao gebonden zijn. Het hof is in hoger beroep van oordeel dat de
betreffende werknemers met ingang van 1 januari 2007 enkel gebonden zijn aan
de arbeidsvoorwaarden van de cao BKN. Vanaf die datum zijn immers, aldus het
hof, de werknemers, als lid van Abvakabo en UK, als lid van BKN, aan de dan in
werking getreden cao BKN gebonden. A-G Spier is van mening dat het oordeel
van het hof juist is. Hij wijst daarbij op de literatuur waarin de nadelen van een
andere opvatting zijn opgesomd. De Hoge Raad echter vernietigt het arrest van
het hof. Hij begint met te stellen dat bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden uit
een cao waaraan de werknemer en de werkgever op grond van art. 9 lid 1 Wet
Hoofdstukken Sociaal Recht |
1
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
cao gebonden zijn geraakt, deel zijn gaan uitmaken van de tussen hen
bestaande arbeidsovereenkomst. Uit het systeem van de Wet cao vloeit dan
voort, aldus de Hoge Raad, dat die bepalingen, na afloop van de desbetreffende
cao, tussen hen blijven gelden, behoudens andersluidende individuele of
collectieve afspraken. Zonder dat de Hoge Raad dat noemt, gaat het hier om
nawerking van cao-bepalingen. Hetgeen de Hoge Raad hier overweegt, wordt
algemeen aangenomen. De vraag is echter op welk tijdstip die nawerking
eindigt. Is dat – in casu – 1 januari 2007 of werkt die nawerking ook daarna?
Daarover overweegt de Hoge Raad het volgende. Een minimum-cao kenmerkt
zich hierdoor dat collectief is afgesproken dat het de werkgever en de
werknemer vrijstaat, voor de werknemer gunstiger individuele afspraken te
maken dan die welke reeds gelden op basis van de cao. Met het karakter van
een minimum-cao strookt niet dat een dergelijke cao bij inwerkingtreding reeds
voordien geldende voor de werknemer gunstiger arbeidsvoorwaarden buiten
werking zou stellen. Daarbij is niet van belang of die arbeidsvoorwaarden al dan
niet hun oorsprong vinden in een eerdere geldende, doch inmiddels geëxpireerde
cao. De Hoge Raad wijst er nog wel op dat dit slechts anders is ‘bij
andersluidende bepalingen in een dergelijke cao’. Hij concludeert dat het oordeel
van het hof, dat erop neerkomt dat doorwerking van arbeidsvoorwaarden uit een
oude cao eindigt bij inwerkingtreding van een nieuwe cao, ongeacht of die
nieuwe cao op het desbetreffende punt een minimum- of een standaardkarakter
heeft, in strijd is met het bepaalde in art. 9, 12 en 13 Wet cao.
Hoge Raad 8 april 2011, LJN BP0580
Hoofdstukken Sociaal Recht |
2
Download