Onderwijsinnovatie in Europa : Voorbeelden van goede

advertisement
Onderwijsinnovatie in Europa
Voorbeelden van goede praktijken uit tien
Europese landen
Studie uitgevoerd in het kader van Accent op Talent
Mei 2004
1
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
ONDERWIJSINNOVATIE IN EUROPA.
Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen.
Een uitgave van de Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat 21, B-1000 Brussel.
Auteur: Yves Beernaert
Eindredactie: Wouter Van den Berghe, Deloitte.
Coördinatie Koning Boudewijnstichting: Guido Knops, directeur – Jan Blondeel, projectverantwoordelijke – Pascale Criekemans, assistente
Deze uitgave kan gratis worden gedownload van onze website www.kbs-frb.be.
Wettelijk depot: D/2004/2893/08
ISBN: 90-5130-459-5
Nur: 844
Titel Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit
tien Europese landen (Accent op talent - CD Rom)
Mei 2004
2
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Woord vooraf
Voorstellen formuleren voor de herwaardering van technische en technologische opleidingen en beroepen: dat was de opdracht die de commissie Een nieuw perspectief voor technische
en technologische beroepen en opleidingen begin 2001 kreeg van de Koning Boudewijnstichting,
mede onder impuls van de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vorming, Marleen Vanderpoorten. De Stichting bracht een aantal sleutelfiguren uit het onderwijs en de sociaal-economische wereld rond de tafel, die deelnamen in persoonlijke naam. In november 2002 bracht
de commissie het rapport Accent op talent. Een geïntegreerde visie op leren en werken uit. Dit rapport kreeg een grote weerklank en veel onderwijsactoren herkenden zich in de vernieuwende voorstellen die het rapport formuleerde rond anders kiezen, anders leren en anders sturen. Ook het bedrijfsleven engageerde zich om initiatieven te nemen rond ‘anders werken’.
Begin 2003 vertrouwde de minister van Onderwijs een vervolgopdracht toe aan de Stichting.
Bedoeling was de visie en concepten uit Accent op Talent verder uit te werken en ook te vertalen naar beleidsaanbevelingen die zouden voorliggen op de onderhandelingstafel van de
volgende Vlaamse regering in juni 2004. Tegelijk kreeg een aantal scholen(groepen), die nu
reeds concepten van Accent op Talent in de praktijk brengen, een zogenaamde licentie tot vernieuwing om de innovatie bottom-up op te starten en uit te dragen.
Op het einde van het schooljaar 2002-2003 werden 16 projecten geselecteerd, de zogenaamde
voortrekkersscholen. Samen vertegenwoordigen zij meer dan 60 scholen uit alle provincies van
Vlaanderen. De meeste, meerjarige projecten kiezen voor een geïntegreerde aanpak door initiatieven te nemen die zowel anders kiezen als anders leren en anders sturen betreffen.
Ter ondersteuning van de projecten stelde de Minister van Onderwijs voor elk voortrekkersproject een deeltijds ambt ter beschikking. En in opdracht van de Koning Boudewijnstichting
ontwikkelde het adviesbureau Deloitte diverse begeleidingsinitiatieven: trimestriële netwerkdagen, gemeenschappelijke vormingssessies en individuele begeleiding van de voortrekkersscholen.
In de meeste Europese landen is onderwijsinnovatie aan de orde van de dag. Ook daar krijgt
verandering van onderuit veel aandacht en kansen. In het kader van de opdracht ‘Accent op
Talent’ werd beslist deze informatie te verzamelen en ze toegankelijk te maken voor de
voortrekkersscholen en voor de commissie Accent op talent.
De oogst aan goede praktijken en beleidsinformatie bleek zo interessant en veelzijdig, dat ze
ook voor vele andere scholen én onderwijsactoren in Vlaanderen een inspiratiebron zijn. Het
is de verdienste van de auteurs, en met name Yves Beernaert en Wouter Van den Berghe, dat
ze binnen een relatief beperkt tijdsbestek, dit veelzijdig en toegankelijk resultaat hebben
neergezet. De Stichting is hen daar zeer erkentelijk voor.
3
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Dit is wellicht niet de enige verzameling van goede onderwijspraktijk in Europa. Wat deze
verzameling bijzonder maakt is haar benadering: de focus van de verkenning lag op onderwijsinnovatie van onderuit en op nieuwe wegen voor talentontwikkeling op schoolniveau.
Uiteraard zijn ook de beleidsontwikkelingen terzake mee opgenomen en krijgen meer algemene tendensen die sporen met Accent op talent de nodige aandacht. Daarnaast krijgt de lezer
een schat aan contactinformatie en bronnen ter inspiratie en netwerkvorming.
We wensen haar en hem een aangename lectuur en een vruchtbare verkenning toe.
Koning Boudewijnstichting
Mei 2004
4
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Inhoud
Woord vooraf ______________________________________________________________ 3
Inhoud ____________________________________________________________________ 5
Deel I Context en synthese
11
1.
13
Context
1.1
Doelstellingen van de studie __________________________________________ 13
1.1.1 Ondersteunen van onderwijsvernieuwing in de Vlaamse scholen _____________ 13
1.1.2 Goede-praktijkvoorbeelden – ook voor het beleid __________________________ 14
1.1.3 Faciliteren van internationale netwerking _________________________________ 14
1.2
Gevolgde werkwijze _________________________________________________ 15
1.2.1 Bepaling van de Europese landen en identificatie van beleidstendensen _______ 15
1.2.2 Identificatie en keuze van de goede-praktijkvoorbeelden ____________________ 16
1.2.3 Beperkingen van de studie ______________________________________________ 17
1.3
2.
Leeswijzer___________________________________________________________ 18
Synthese van tendensen in Europese landen
20
2.1
Inleiding ____________________________________________________________ 20
2.2
Onderwijsvernieuwing langs de strategische ontwikkelingsassen _________ 21
2.2.1
2.2.2
2.2.3
2.2.4
2.2.5
2.2.6
Flexibele leerwegen die leiden naar startkwalificaties voor iedereen ___________
De leraar als professional, teamspeler en gids ______________________________
Autonome scholengemeenschappen met een ruim vormingsaanbod __________
Scholen met een brede maatschappelijke functie____________________________
Scholen die ondernemende, innovatieve en lerende organisaties zijn __________
Een overheid met vooral een stimulerende, faciliterende en kwaliteitsbevorderende rol ______________________________________________________
2.2.7 Onderwijs en samenleving die de technologie een volwaardige plaats geven ___
2.2.8 Een structurele samenwerking tussen onderwijs, en het bedrijfsleven, de nonprofit-sector en openbare diensten _______________________________________
21
24
27
28
30
32
35
36
Deel II Beleidsontwikkelingen en goede praktijken in 10 Europese
landen
39
1.
Nederland
41
1.1
Schema onderwijssysteem ____________________________________________ 41
1.2
Beleidselementen en beleidsopties ____________________________________ 42
1.2.1 Inleiding ______________________________________________________________ 42
1.2.2 Primair onderwijs ______________________________________________________ 42
5
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1.2.3 Basisvorming__________________________________________________________ 43
1.2.4 De “Tweede fase” (bovenbouw VWO en HAVO) ___________________________ 44
1.2.5 Beroepsonderwijs ______________________________________________________ 46
1.3
De Stichting AXIS____________________________________________________ 48
1.3.1 De AXIS-Stichting en haar rol ____________________________________________ 48
1.3.2 Informatie beschikbaar bij AXIS __________________________________________ 49
1.3.3 Het “Deltaplan” of “Deltapunt” __________________________________________ 50
1.4
Enkele andere groepen, organisaties en projecten ________________________ 50
1.4.1
1.4.2
1.4.3
1.4.4
1.4.5
1.4.6
1.4.7
1.4.8
1.4.9
1.4.10
1.5
COLO ________________________________________________________________
SLO - Stichting Leerplanontwikkeling ____________________________________
PAEPON _____________________________________________________________
Regionale Opleidingscentra (ROC’s) ______________________________________
VMBO-plein __________________________________________________________
Het Platform Beroepsonderwijs __________________________________________
SENTER - KeBB _______________________________________________________
Pedagogische centra ____________________________________________________
Iederwijs Nederland ___________________________________________________
Kennisnet _____________________________________________________________
50
51
51
52
52
52
52
53
53
54
Samenvatting en conclusies ___________________________________________ 54
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden __________________________________ 55
2.
Duitsland
62
2.1
Schema onderwijssysteem ____________________________________________ 62
2.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties _______________________________ 63
2.2.1
2.2.2
2.2.3
2.2.4
2.2.5
2.3
63
64
64
65
66
“Schulversuch“ in afzonderlijke Länder ________________________________ 67
2.3.1
2.3.2
2.3.3
2.3.4
2.3.5
2.4
Beleidselementen uit het Berufsbildungsbericht van 1 April 2003 _______________
Vier beleidsprioriteiten naar onderwijs____________________________________
Initïeren van innoverende projecten ______________________________________
De Bund-Länder Kommission (BLK) ______________________________________
Overzicht van de BLK-programma’s ______________________________________
Algemeen _____________________________________________________________
Nordrhein-Westfalen ___________________________________________________
Beieren _______________________________________________________________
Baden-Württenberg ____________________________________________________
Niedersachsen _________________________________________________________
67
68
69
69
70
Samenvatting en conclusies ___________________________________________ 71
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden __________________________________ 72
3.
Denemarken
74
3.1
Schema onderwijssysteem ____________________________________________ 74
3.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties _______________________________ 75
3.2.1 De grote beleidslijnen uitgetekend in ‘Better Education’ ______________________ 75
3.2.2 VET hervorming 2000 __________________________________________________ 76
3.3
Projecten en het actieprogramma FoU __________________________________ 77
3.3.1 Algemene informatie over FoU __________________________________________ 77
6
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3.3.2 The FoU database ______________________________________________________ 78
3.4
Samenvatting en conclusies ___________________________________________ 78
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden __________________________________ 79
4.
Zweden
83
4.1
Schema onderwijssysteem ____________________________________________ 83
4.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties _______________________________ 84
4.2.1 Algemene beleidselementen _____________________________________________ 84
4.2.2 Enkele specifieke beleidsontwikkelingen __________________________________ 84
4.2.3 Strategieën voor het beroeps- en technisch onderwijs in Zweden _____________ 86
4.3
Goede praktijkvoorbeelden of “leervoorbeelden” _______________________ 86
4.3.1
4.3.2
4.3.3
4.3.4
4.3.5
5.
Leervoorbeelden algemeen ______________________________________________
Schoolontwikkelingsprojecten en ondersteunend onderzoek _________________
Het ontwikkelen van de competenties van de leraren _______________________
Nieuwe evaluatievormen in het beroeps- en technisch onderwijs _____________
ATTRAKTIV SKOLA: een project voor scholen _____________________________
86
87
88
88
89
4.4
Samenvatting en conclusies ___________________________________________ 89
4.5
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden _____________________________ 90
Finland
92
5.1
Schema onderwijssysteem ____________________________________________ 92
5.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties _______________________________ 93
5.2.1 Basiselementen uit Ontwikkelingsplan Onderwijs en onderzoek: 1999-2004 ____ 93
5.2.2 Specifieke beleidsaccenten van de huidige regering _________________________ 94
5.2.3 Bijkomende overwegingen ______________________________________________ 95
5.3
Pilootscholen of experimentele scholen _________________________________ 96
5.4
Samenvatting en conclusies ___________________________________________ 96
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden __________________________________ 97
6.
Noorwegen
100
6.1
Schema onderwijssysteem ___________________________________________ 100
6.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties ______________________________ 101
6.2.1 Algemene principes van het Noorse onderwijssysteem _____________________ 101
6.2.2 Trends en specifieke ontwikkelingen ____________________________________ 102
6.3
Pilootprojecten of demonstratieprojecten ______________________________ 103
6.4
Samenvatting en conclusies __________________________________________ 104
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden _________________________________ 104
7.
Engeland
107
7.1
Schema onderwijssysteem ___________________________________________ 107
7.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties ______________________________ 108
7
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
7.2.1 De context voor de “14-19 Reform” ______________________________________ 108
7.2.2 Visie van “14-19: Opportunity and excellence” ______________________________ 109
7.3
Innovatieprojecten in scholen ________________________________________ 110
7.3.1
7.3.2
7.3.3
7.3.4
7.4
Doelstellingen van de Pathfinders ________________________________________
Praktijkvoorbeelden en/ of goede praktijkvoorbeelden Pathfinders __________
Eerste evaluatie van de Pathfinders_______________________________________
Enkele andere initiatieven met goede-praktijkvoorbeelden__________________
110
111
111
112
Samenvatting en conclusies __________________________________________ 114
Bijlage: enkele goede-praktijkvoorbeelden __________________________________ 114
8.
Frankrijk
117
8.1
Schema onderwijssysteem ___________________________________________ 117
8.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties ______________________________ 118
8.2.1 Het nationale debat over de toekomst van het onderwijs ___________________ 118
8.2.2 De Lycées des Métiers (LdM) : een kwaliteitslabel ___________________________ 119
8.2.3 Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel – PPCP __________________ 121
8.3
Vernieuwing met proefprojecten of pilootprojecten _____________________ 121
8.3.1 Diensten werkzaam rond vernieuwing en prioriteiten ______________________ 121
8.3.2 Pilootprojecten of proefprojecten: de diensten INNOVALO en het INRP (Institut
National de Recherche Pédagogique)________________________________________ 122
8.3.3 Goede praktijkvoorbeelden_____________________________________________ 122
8.4
Samenvatting en conclusies __________________________________________ 123
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden _________________________________ 124
9.
Oostenrijk
126
9.1
Schema onderwijssysteem ___________________________________________ 126
9.2
Beleidsontwikkelingen en beleidsopties ______________________________ 127
9.2.1 Het initiatief “Klasse Zukunft” ___________________________________________ 127
9.2.2 Prioriteiten beroeps en technisch onderwijs in Oostenrijk ___________________ 128
9.3
Goede praktijkvoorbeelden in Oostenrijk _____________________________ 129
9.3.1 Schulversuch __________________________________________________________ 129
9.3.2 Andere praktijkvoorbeelden ____________________________________________ 130
9.4
Samenvatting en conclusies __________________________________________ 130
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden _________________________________ 131
10. Schotland
133
10.1 Schema onderwijssysteem ___________________________________________ 133
10.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties ______________________________ 134
10.2.1 Vijf nationale prioriteiten ______________________________________________ 134
10.2.2 Specifieke aandachtspunten voor beroeps- en technisch onderwijs ___________ 135
10.2.3 De prioriteiten vertaald in een visie______________________________________ 136
10.3 Goede praktijkvoorbeelden __________________________________________ 137
10.3.1 Een speciale website: National priorities in education ________________________ 137
8
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
10.3.2 Assessment for learning: goede-praktijkvoorbeelden ________________________ 137
10.3.3 Goede praktijk in zelfevaluatie: How good is our school? _____________________ 138
10.3.4 Andere voorbeelden___________________________________________________ 138
10.4 Samenvatting en conclusies __________________________________________ 139
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden _________________________________ 139
Deel III Europese en internationale context
142
1.
143
2.
Beleidsontwikkelingen op Europees niveau
1.1
Het “Gedetailleerd werkprogramma voor onderwijs” van de Europese Unie 143
1.2
De aansluiting van Accent op Talent bij de Europese beleidsontwikkelingen
145
De Europese programma’s voor samenwerking tussen scholen
147
2.1
De Socrates en Leonardo da Vinci programma’s ________________________ 147
2.1.1 Socrates _____________________________________________________________ 147
2.1.2 Comenius ____________________________________________________________ 148
2.1.3 Leonardo da Vinci ____________________________________________________ 150
2.2
Goede praktijk in Europese samenwerkingsprojecten ___________________ 152
2.2.1
2.2.2
2.2.3
2.2.4
2.2.5
2.2.6
2.2.7
2.3
Algemeen ____________________________________________________________
Nederland ___________________________________________________________
Duitsland ____________________________________________________________
Denemarken _________________________________________________________
Zweden _____________________________________________________________
Finland ______________________________________________________________
Noorwegen __________________________________________________________
Engeland ____________________________________________________________
Frankrijk ____________________________________________________________
Oostenrijk ___________________________________________________________
Schotland ____________________________________________________________
Andere innovatieprojecten met scholen
3.1
152
152
153
153
154
154
155
Europese samenwerking tussen scholen opzetten _______________________ 155
2.3.1
2.3.2
2.3.3
2.3.4
2.3.5
2.3.6
2.3.7
2.3.8
2.3.9
2.3.10
2.3.11
3.
Algemeen ____________________________________________________________
Netwerk SAB-MTW: School and Business Make Transition Work _______________
Netwerk The treasure within: Evaluation of Quality in Education ___________
Netwerk I-Probe Net: Self-evaluation at school create a mirror for your school
Het SEED Netwerk – School development through environmental education_______
[email protected]–Comenius Multimedia Projects and Communication Technologies _
ECOLE - European Collaborative Learning Network _______________________
155
156
156
157
157
157
157
157
158
158
159
160
Europese initiatieven ________________________________________________ 160
3.1.1 European Schoolnet _____________________________________________________ 160
3.1.2 ECSITE – European collaborative for Science, Industry & Technology Exhibitions
_____________________________________________________________________ 161
9
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3.1.3 Bijscholingen van de Raad van Europa ___________________________________ 161
3.1.4 Het Portugees Programma Boa Esperança, Boas Practicas __________________ 162
3.2
Internationale en Noord-Amerikaanse initiatieven ______________________ 163
3.2.1
3.2.2
3.2.3
3.2.4
3.2.5
4.
OESO doelstelling 2a: Schooling for tomorrow ______________________________
iEARN - International Education and Resource Network _______________________
Het MSIP – Manitoba School Improvement Programme________________________
Het Learning Consortium in Ontario ______________________________________
De Coalition of Essential Schools (CES) __________________________________
163
163
164
164
165
Algemene internationale informatiebronnen over onderwijs en
vorming
166
4.1
Officiële Europese Instellingen _______________________________________ 166
4.1.1
4.1.2
4.1.3
4.1.4
4.2
Eurydice _____________________________________________________________
Cedefop _____________________________________________________________
PLOTEUS : Leermogelijkheden in Europa via een muisklik _________________
De European Training Foundation ________________________________________
166
166
167
167
Andere internationale organisaties ____________________________________ 167
4.2.1 CIDREE _____________________________________________________________ 167
4.2.2 EVTA: European Vocational Training Association ____________________________ 168
4.2.3 National Resource Centres for Vocational Guidance _______________________ 168
Bijlage 1: Literatuurlijst
169
Bijlage 2: Lijst van gecontacteerde personen
172
Koning Boudewijnstichting
175
10
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Deel I
Context en synthese
11
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
12
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1. Context
1.1 Doelstellingen van de studie
Met deze studie worden drie doelstellingen nagestreefd:
 ondersteunen van onderwijsvernieuwing in de Vlaamse scholen
 informeren van beleidsmensen over “goede praktijken” (“good practice”) in het buitenland
 faciliteren van internationale samenwerking tussen scholen.
Deze doelstellingen worden kort toegelicht in de volgende paragrafen.
1.1.1 Ondersteunen van onderwijsvernieuwing in de Vlaamse scholen
Dit document kwam tot stand binnen het kader van het project ”Accent op Talent”1. “Accent
op Talent” is een initiatief dat wil bijdragen tot de vernieuwing van het onderwijs- en vormingssysteem in Vlaanderen, met een focus op het secundair onderwijs. De centrale gedachte is dat alle jongeren en volwassenen maximale kansen moeten krijgen om hun talenten te
ontplooien. Een belangrijk kenmerk van het ideeëngoed van Accent op Talent is het geloof in
de noodzaak om deze vernieuwingsbeweging “bottom-up”, vanuit de basis op te bouwen.
Ter ondersteuning van dit proces werd in 2003 een “Task Force” Accent op Talent opgericht.
Als deel van de werkzaamheden werd informatie verzameld over onderwijsvernieuwing in
andere Europese landen, zowel op inhoudelijk gebied als met betrekking tot de wijze van
implementatie. Vernieuwing van het onderwijs is immers aan de orde van de dag in de
meeste Europese landen2.
Deze studie is de weerslag van deze informatieverzameling, die plaatsvond in de tweede
helft van 2003. De focus was op “goede praktijken” binnen tien Europese landen, al komen
ook andere initiatieven en projecten aan bod.
De algemene doelstelling bij het realiseren van deze studie was het ondersteunen van de
vernieuwingsbeweging uit “Accent op Talent”, en dit op twee niveaus:
 de directies en leraren in scholen kunnen inspiratie vinden in deze praktijkvoorbeelden en
kunnen gemotiveerd blijven door wat elders wordt gerealiseerd
 beleidsmensen kunnen lessen trekken uit de ervaringen in het buitenland.
Accent op talent. Een geïntegreerde visie op leren en werken. Eindrapport van de commissie ‘Een nieuw perspectief voor
technische en technologische beroepen en opleidingen’ bij de Koning Boudewijnstichting. Redactie Bea Bossaerts, Jan
Denys,Guy Tegenbos. Brussel, Koning Boudewijnstichting, November 2002.
2 Ter illustratie enkele recente rapporten die leiden tot debatten op nationaal vlak:
 Oostenrijk: Rapport Zukunft: Schule; Strategien und Massnahmen zur Qualitëtsentwicklung; Das reformkonzept der
Zukunftkommission. Bundesministerium für Bildung, Wissenschaft und Kultur; 17/10/03
http://www.klassezukunft.at/statisch/zukunft/de/zukunft_schule_zk_17_10_03.pdf
 Engeland: 14-19 opportunity and excellence. Working Group on 14-19 reform, DfES (Department for Education
and Skills), London, 2003 http://www.14-19reform.gov.uk
 Frankrijk: Eléments pour un diagnostic sur l’école. Ministère de la Jeunesse, de l’2ducation et de la Recherche,
Paris, 2003 http://www.debatnational.education.fr/upload/pdf/diagnosticHCEE.pdf
 Denemarken: Better Education. The Danish Government, June 2002 http://pub.uvm.dk/2002/better2/
 Duitsland: Report on Vocational Education and Training for the year 2003. Bundesministerium für Bildung und
Forschung; 2003: http://www.berufsbildungsbericht.info/ (DE, EN, FR)
1
13
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Scholen die op zoek zijn naar concrete voorbeelden van hoe innovatie in de praktijk wordt
geïmplementeerd, kunnen terecht in de lijsten met voorbeelden die op het einde van de beschrijving elk land worden meegegeven. Deze projectbeschrijvingen bevatten de kernelementen waarrond aan vernieuwing wordt gewerkt.
Goede-praktijkvoorbeelden dienen niet om slaafs te worden nageleefd of gekopieerd. Dit is
trouwens meestal onmogelijk aangezien de context telkens weer verschilt. De voorbeelden in
deze studie dienen eerder als stimulans bij het nadenken over en het implementeren van
innoverende initiatieven.
Ook nog dit: de bespreking van de interessante praktijkvoorbeelden uit het buitenland betekent niet dat er in Vlaanderen op dit gebied niets gebeurt – wel integendeel. Hopelijk herkennen vele scholen zich in wat er verder wordt beschreven.
1.1.2 Goede-praktijkvoorbeelden – ook voor het beleid
Deze studie bevat veel verwijzingen naar projecten en initiatieven die ook relevant kunnen
zijn voor beleidsmakers. Voor elk van de besproken landen wordt kort informatie gegeven
over een aantal recente beleidsontwikkelingen en tendensen die zich aftekenen en die gelijkenissen of raakvlakken vertonen met Accent op Talent.
Aan bod komen vooral de veranderende beleidsopties, die de basis vormen van het actuele
beleid op gebied van onderwijs en vorming. Waar relevant worden ook ondersteunende initiatieven vermeld die genomen worden door beroepsorganisaties en andere instellingen in
samenwerking met de overheid. Vermeldenswaardig zijn soms ook voluntaristische initiatieven uitgaande van allerlei organisaties en zonder een rechtstreekse band met de overheid. In
deze studie werd een selectie van al deze ontwikkelingen voorgesteld, met nadruk op die
initiatieven die een duidelijke band hebben met de ministeries van onderwijs en vorming.
Dit leek het meest relevant vanuit het perspectief van de beleidsmakers.
Ook de algemene aanpak voor het opzetten en uitwerken van “pilootprojecten” die in sommige landen gangbaar is, kan inspirerend zijn voor beleidsverantwoordelijken. In dit rapport
verwijzen we waar mogelijk naar de structuur en de ondersteuning die van overheidswege
bij het opstarten van innoverende initiatieven wordt ingebouwd.
1.1.3 Faciliteren van internationale netwerking
Praktijkvoorbeelden komen pas echt tot leven door contacten tussen de verantwoordelijken
van de projecten en van scholen die ook dergelijke initiatieven willen initiëren. Praktijkvoorbeelden kunnen zo ook leiden tot netwerking op lokaal, regionaal of internationaal vlak.
Verhoopt wordt dat deze studie daartoe zal bijdragen.
Vanuit deze contacten kunnen Europese projecten worden opgezet, bijvoorbeeld in het kader
van de zogenaamde “Comenius 1 School-Ontwikkelingsprojecten” (SOPs), die duidelijk als
14
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
doel hebben innovatie te bevorderen. Meer algemeen kan trouwens gesteld worden dat Europese netwerking sterk innovatiebevorderend is.
Met dit voor ogen bevat dit document ook heel wat informatie (in het bijzonder emailadressen en websitereferenties) die scholen op weg kunnen zetten naar internationale samenwerking.
1.2 Gevolgde werkwijze
1.2.1 Bepaling van de Europese landen en identificatie van beleidstendensen
Tijdens de uitvoering van deze studie werden de volgende stappen doorlopen:
 nagaan in welke Europese landen interessante onderwijsinnovaties plaatsgrijpen en
identificeren van de landen die verder zouden worden onderzocht
 identificeren van geschikte gesprekspartners in elk van de betrokken landen
 contacteren en interviewen van deze gesprekspartners (beleidsmensen, ambtenaren, onderwijsexperten, directies van innoverende scholen, …)
 verzamelen en analyseren van gegevens en documenten
 synthetiseren en ordenen van de informatie.
Als eerste stap werd nagegaan welke Europese landen momenteel actief begaan zijn met vernieuwing in het onderwijs. Daartoe werden rapporten geraadpleegd van internationale
instellingen3 zoals de OESO4, de Europese Commissie5, CEDEFOP6 en de European Training
Foundation7. Ook gegevens beschikbaar bij Eurybase8, de Europese Commissie en op officiële websites9 van Europese landen werden verzameld.
Op die basis werden twaalf landen geïdentificeerd: Duitsland in het algemeen (en twee
Länder in het bijzonder: Saarland en Niedersachsen), Denemarken, Engeland, Finland,
Frankrijk, Hongarije, IJsland Nederland, Noord-Ierland, Noorwegen, Oostenrijk, Schotland
en Zweden. Voor elk land werd een interview afgenomen van een of meerdere bevoegde
personen; in de meeste gevallen ging het om topambtenaren van het onderwijsministerie 10.
In drie gevallen (Nederland, Hongarije en Noorwegen) was er een persoonlijke ontmoeting
met een verantwoordelijke; in de andere gevallen gebeurde het contact telefonisch.
Informatie over deze instellingen is verder opgenomen in Deel III van dit rapport.
Innovating schools, OESO, 1999, Parijs; Schooling for tomorrow. Networks of Innovation: towards new Models for
Managing Schools and Systems, OESO, 2003, Parijs.
5 Rapporten van de acht werkgroepen naar aanleiding van het “Gedetailleerde werkplan van de doelstellingen
voor onderwijs en vorming”: zie de nieuwe website geopend op 21/11/03:
http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/et_2010_en.html
6 CEDEFOP: European Centre for the Development of Vocational Training; web ite: http://www.cedefop.eu.int/
In het bijzonder : The Training village: http://www2.trainingvillage.gr/download/Cinfo/Cinfo298/Ind-en.html
7 ETF: European Training Foundation (Turijn): website : http://www.etf.eu.int/etfweb.nsf/
8 Eurybase: database van de Commissie van de Europese Gemeenschappen met de beschrijving van de onderwijssystemen: http://www.eurydice.org/Eurybase/frameset_eurybase.html
9 De websites van de landen worden vermeld bij de beschrijving van de landen zelf (Deel II van dit rapport).
10 De namen van de gecontacteerden zijn verder opgenomen in dit rapport.
3
4
15
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Deze contacten hadden een dubbel doel:
 verifiëren van de reeds verzamelde informatie over beleidsontwikkelingen
 de weg effenen naar verdere informatieverzameling en contacten, in het bijzonder over
goede praktijken.
De belangrijkste bronnen die werden geconsulteerd voorafgaandelijk aan het interview waren:
 recente publicaties met informatie over de onderwijsontwikkeling in de betrokken landen
 websites van de ministeries van onderwijs en vorming, of aanverwante organisaties die in
opdracht van ministeries werken
 websites van beroepsorganisaties en andere organisaties die nauw samenwerken met de
betrokken ministeries
 websites van de andere organisaties of groepen die eigen initiatieven hebben
 de website van de Europese Commissie http://europa.eu.int met een bijzondere aandacht
voor de website voor “Implementation Education and Training 2010” als de bijdrage tot de
strategie van Lissabon:
http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/et_2010_en.html
Uiteindelijk werd beslist om van de twaalf landen er twee uit deze studie te laten: IJsland11 en Hongarije. IJsland omdat het een zeer klein land is dat op onderwijskundig vlak veel gelijkenissen vertoont
met de andere Scandinavische landen; bovendien is de informatie over goede praktijkvoorbeelden enkel
in het IJslands beschikbaar. Hongarije12 werd uiteindelijk niet opgenomen omdat dit land nog niet echt
behoort tot de top van de innoverende landen.
1.2.2 Identificatie en keuze van de goede-praktijkvoorbeelden
Voor deze studie kon niet vertrokken worden van een bestaande publicatie die systematisch
voor verschillende Europese landen concrete goede-praktijkvoorbeelden beschrijft. Alleen
voor Nederland is er een duidelijke selectie aan goede praktijkvoorbeelden van de AXISStichting beschikbaar. Een grote hulp waren nochtans de twee studies van de OESO Innovating schools van 1999 en Networks of Innovation. Aanvullend werden ook websites van enkele
belangrijke Europese netwerken en Europese verenigingen geconsulteerd, zoals EU Schoolnet13, CIDREE14, SICI15, The Treasure within16 en I-probenet17. Uiteraard werd ook aan de contactpersonen in elk land gevraagd om bijkomende goede-praktijkvoorbeelden te suggereren
en/of door te verwijzen naar ter zake bevoegde personen.
Bijzondere dank gaat naar Ragnhildur Zoega van het Socrates-Agentschap.
Bijzondere dank gaar naar Dr. Mihaly Fedor, Departementshoofd, Departement voor ontwikkeling van
beroeps- en technisch onderwijs (VET), Ministerie van Onderwijs, Hongarije
13 EU Schoolnet; the European gateway to education (verder wordt uitvoerig ingegaan op EU Schoolnet)
http://eunbrux02.eun.org/portal/index-en.cfm
14 CIDREE: Consortium of Institutions for Development and Research in Education in Europe (DVO is lid van
CIDREE): http://www.cidree.org/about.html
15 SICI: The Standing International Conference of Inspectorates http://www.sici.org.uk
16 The treasure Within; Comenius 3 Netwerk: verantwoordelijke Rudy Schollaert VVKSO;
website: http://www.teasurewithin.com
17 I-Probenet, Comenius 3 Netwerk: verantwoordelijke Guy Tilkin, Alden-Biesen;
website: http://www.I-probenet.net
11
12
16
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Uiteindelijk resulteerde dit in een lijst van meer dan driehonderd projecten en initiatieven
voor de tien landen samen. Het ging nagenoeg altijd om projecten die werden vermeld in
officiële publicaties en op officiële websites van ministeries. Deze projecten worden dus door
de overheid zelf beschouwd als voorbeelden van goede praktijk. In enkele gevallen hebben
de contactpersonen op de ministeries zelf bepaalde goede praktijkvoorbeelden aanbevolen
tijdens het gesprek dat met hen werd gevoerd.
De beschikbare informatie over al deze projecten werd doorgenomen. Met talrijke goedepraktijkvoorbeelden, in het bijzonder deze die waren aanbevolen door de verantwoordelijken uit de ministeries, werd contact opgenomen met de vraag om een korte projectbeschrijving toe te sturen.
Na analyse van het verzamelde materiaal werd een selectie gemaakt van de meest relevante
informatie om in deze studie op te nemen. Binnen de grote rijkdom aan praktijkvoorbeelden
werd gekozen voor die projecten en initiatieven die het best aansluiten bij de doelstellingen
van Accent op Talent: anders leren, anders kiezen en anders sturen18.
Veel van de beschreven projecten kunnen worden beschouwd als “pilootprojecten” die werden opgestart naar aanleiding van nieuwe beleidsontwikkelingen of tendensen. De analogie
met het concept van de voortrekkersscholen in Vlaanderen is dus niet ver af. De vermelde
goede-praktijkvoorbeelden illustreren dus hoe nieuwe beleidsopties kunnen worden geconcretiseerd binnen scholen en scholengroepen door middel van innovatieprojecten. De meeste
van de vermelde voorbeelden zijn dus geen losse initiatieven maar officieel erkende projecten ondersteund door de ministeries van onderwijs en vorming.
Bij veel voorbeelden bevat deze studie concrete gegevens zoals de naam van de school, de
naam van de projectcoördinator, een e-mailde en een website. Voor sommige praktijkvoorbeelden was dergelijke informatie niet beschikbaar. Toch werden ook enkele van dergelijke
voorbeelden opgenomen omdat ze even inspirerend kunnen werken als de andere.
1.2.3 Beperkingen van de studie
Een aantal beperkingen van dit rapport zijn eigen aan de gevolgde werkwijze en de behandelde problematiek:
 Dit rapport heeft geen wetenschappelijke pretenties en is zeker niet volledig. De middelen
waren beperkt: slechts een kleine veertig werkdagen waren beschikbaar om de studie uit
te voeren en te redigeren. Sommige gegevens zijn afkomstig uit een enkele bron konden
niet gevalideerd worden.
 Hoewel het hele schoolsysteem en de beroepsopleiding aan bod kwamen, is toch geopteerd voor een zekere focus, met name op het secundair onderwijs – en in het bijzonder op
wat we in Vlaanderen technisch en beroepsonderwijs noemen. Belangrijk daarbij is te beseffen dat de onderwijssystemen in Europa grondig van elkaar verschillen en dat de opHet aspect “anders werken” komt niet aan bod omdat de focus van de studie lag op de innovatie binnen het onderwijssysteem.
18
17
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
deling ASO-TSO-BSO vaak niet terug te vinden is in andere landen. Het onderscheid kan
veel vager zijn of praktisch geheel weggewerkt door de keuzemogelijkheden die de leerlingen kunnen maken; dit geldt vooral in de Scandinavische landen.
 De meeste informatiebronnen over goede-praktijkvoorbeelden (publicaties, websites, …)
zijn opgesteld in de taal van het land. Ook de kwaliteit van de beschikbare informatie is
extreem variabel. In sommige gevallen was de identificatie van de betrokken scholen niet
mogelijk. Dit bemoeilijkte de analyse, en maakte het binnen het korte tijdsbestek niet
mogelijk alle landen “gelijkwaardig” te behandelen.
 De situatie in de Europese onderwijs- en vormingswereld verandert snel. Deze studie is
dan ook eerder te beschouwen als een snapshot van wat op dit ogenblik in enkele landen
gaande is. Hoewel alle referenties (namen, email-adressen, websites, …) zorgvuldig werden geverifieerd, is het mogelijk dat sommige personen ondertussen een andere functie
hebben en/of dat de Internet-referenties niet meer correct zijn.
Tenslotte dient ook gewezen te worden op het feit dat sommige landen een beperkt belang
hechten aan de notie “goede praktijk” (“best practice”, “good practice”) maar eerder van “praktijkvoorbeelden” spreken (zonder een waardeoordeel uit te spreken). In Zweden gebruikt
men de term “leervoorbeelden”.
1.3 Leeswijzer
Dit document bestaat uit drie delen:
1. Het eerste deel omvat, naast dit inleidend hoofdstuk, een algemene bespreking en
synthese van de tendensen en praktijken met betrekking tot onderwijsinnovatie in de
tien bestudeerde Europese landen. We ordenen deze synthese aan de hand van de
strategische ontwikkelingsassen die door de Commissie Accent op Talent worden
naar voor geschoven als het kader voor de onderwijsvernieuwing in Vlaanderen.
2. Het tweede deel bevat tien hoofdstukken, één per besproken land: Nederland, Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland, Noorwegen, Engeland19, Frankrijk, Oostenrijk
en Schotland. Voor elk land komen achtereenvolgens aan bod: (1) een schematisch
overzicht van het onderwijssysteem; (2) de belangrijkste beleidsontwikkelingen met
betrekking tot innovatie in onderwijs en vorming; (3) de gevolgde benadering naar
“piloot-“, “demonstratie-”, “goede praktijk”, … scholen; (4) samenvatting en conclusies; (5) voorbeelden van goede praktijken. Op enkele plaatsen werd van deze structuur licht afgeweken om rekening te houden met de specifieke situatie.
3. Het derde deel bekijkt onderwijsvernieuwing vanuit een internationale bril. Europese
onderwijsontwikkelingen, –programma’s en netwerken worden toegelicht. Voor elk
land wordt ook informatie gegeven over de diensten die verantwoordelijk zijn voor
Omdat de onderwijssystemen in Engeland en Schotland verschillend zijn, worden ze hier als twee aparte
landen beschouwd.
19
18
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
internationalisering van het onderwijs. Voorbeelden van internationale projecten en
enkele niet-Europese initiatieven worden gegeven.
De bijlagen bevatten een overzicht van de geraadpleegde literatuur en de gecontacteerde
personen.
De kern van de studie wordt gevormd door Deel II, waarin de verschillende landen aan bod
komen. De nadruk bij de bespreking ligt op “goede praktijken” in de scholen zelf, vooral
scholen die opleidingen aanbieden die we in Vlaanderen als technisch en beroepsonderwijs
zouden omschrijven.
19
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2. Synthese van tendensen in Europese landen
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk geven we een samenvatting van de tendensen en praktijken met betrekking
tot onderwijsinnovatie in de tien besproken Europese landen. We ordenen deze synthese aan
de hand van de strategische ontwikkelingsassen die door de Commissie Accent op Talent
worden naar voor geschoven als het kader voor de onderwijsvernieuwing in Vlaanderen20.
In Deel II en Deel III van deze studie wordt verder ingegaan op deze ontwikkelingen, maar
dan bekeken vanuit nationaal of Europees perspectief.
Wat volgt is uiteraard slechts een summier en onvolledig overzicht van wat in tien Europese
landen gebeurt. De veelheid en rijkdom van lopende en geplande initiatieven is uiteraard
veel groter dan wat hier wordt vermeld.
Algemeen kan gesteld worden dat er in de meeste Europese landen een diepe reflectie bezig
in over de rol en functie van het onderwijs. Landen als Zweden21, Denemarken22, Frankrijk23,
Oostenrijk24, Finland25, Engeland26, Schotland27, Duitsland28 en Noorwegen29 hebben de
laatste jaren belangrijke discussie- en reflectiedocumenten gepubliceerd over onderwijs en
vorming. Ook in Nederland30 zijn in oktober 2003 teksten gepubliceerd rond vernieuwing in
het primair onderwijs, in de basisvorming en in de tweede fase.
Het reflectief denken en werken aan onderwijs als een voortdurend veranderingsproces is
duidelijk aan de orde van de dag. In verschillende landen probeert men grote nationale debatten op te zetten over het onderwijs om zoveel mogelijk mensen vanaf het begin te motiveren voor en te informeren over mogelijke veranderingen. Dit gebeurt het meest expliciet in
Frankrijk en Oostenrijk.
In verschillende landen is men ook tot de slotsom gekomen dat bij het implementeren van de
vernieuwingen niet zozeer een “top-down”- of “big bang”-benadering moet gevolgd worden, maar dat er eerder een continu vernieuwingsproces vanuit de praktijk moet opgezet
worden. Vaak gaat dan ook aandacht naar het stimuleren van “pilootprojecten” en de ondersteuning van deze vernieuwende initiatieven door speciale diensten en activiteiten.
Bij het ter perse gaan van dit document waren de discussies binnen de Commissie over deze strategische
ontwikkelingsassen nog niet afgerond. Het is dan ook mogelijk dat de formulering van deze assen en hun inhoud
nog wijzigingen ondergaan. Dit is evenwel niet relevant vanuit het oogpunt van de synthese die in dit hoofdstuk
wordt gemaakt. Van de tien assen hebben twee er louter betrekking op talentontwikkeling op de werkplek; deze
komen in deze studie niet aan bod.
21 Voor Zweden zie de informatie over het document "Attraktiv Skola" in Deel II.
22 Voor Denemarken: zie de informatie over "Better education 2000" in Deel II.
23 Voor Frankrijk: zie informatie onder "Het nationale debat over de toekomst van het onderwijs" in Deel II.
24 Voor Oostenrijk: zie informatie over "Klasse Zukunft" in Deel II.
25 Voor Finland: zie ""Basiselementen uit Ontwikkelingsplan Onderwijs en onderzoek" in Deel II.
26 Voor Engeland : zie "14-19: Opportunity and Excellence" in Deel II.
27 Voor Schotland zie: "National priorities of education" in Deel II.
28 Voor Duitsland zie: "Beleidselementen uit het Berufsbildungsbericht van 1 paril 2003" in Deel II.
29 Voor Noorwegen zie: “Basiselementen en ontwikkelingen in het Noorse onderwijssysteem" in Deel II.
30 Voor Nederland zie de informatie rond "Meerjarenbeleidplan voor het primair onderwijs", "Vernieuwing van
de basisvorming" en "Continuiteit en vernieuwing in de tweede fase HAVO / VWO in Deel II.
20
20
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Opvallend is dat bepaalde onderwerpen en vakken regelmatig terugkomen als aandachtspunt over de landen heen. We denken dan aan wetenschappen, techniek, wiskunde en
vreemde talen. Ook het bevorderen van ondernemingszin en sociale vaardigheden krijgen
bijzondere aandacht in verschillende landen.
De aan de gang zijnde ontwikkelingen op nationaal vlak liggen ook in de lijn van de evoluties op niveau van de Europese Unie naar aanleiding van het zogenaamde “Gedetailleerde
werkprogramma” voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingstelsels in Europa. Meer informatie daarover volgt in Deel III.
2.2 Onderwijsvernieuwing langs de strategische ontwikkelingsassen
2.2.1 Flexibele leerwegen die leiden naar startkwalificaties voor iedereen
In verschillende Europese landen wordt gewerkt aan de uitbouw van flexibele leerwegen of
leerroutes. In alle landen hebben de flexibiliseringinitiatieven tot doel om de gekwalificeerde
uitstroom te verhogen en meer jongeren een relevante startkwalificatie te bezorgen. Dit sluit
duidelijk aan bij één van de vijf benchmarks31 die de Europese Unie zich heeft gesteld,
namelijk dat tegen 2010 het percentage van de 25- tot 64-jarigen dat minstens hoger secundair onderwijs heeft genoten, 80% of meer bedraagt. In sommige landen, zoals Finland, is het
ook expliciet de bedoeling om meer jongeren toegang te verlenen tot het hoger onderwijs.
Flexibilisering kan betrekking hebben op het combineren van verschillende studiemogelijkheden en richtingen, met meer of minder academische, technische of beroepsgerichte inhouden, om de talenten en mogelijkheden van elke leerling tot zijn volle recht te laten komen.
Flexibilisering kan ook slaan op de tijd die nodig is om de leerroute te vervolledigen. Flexibele leerroutes zijn ook nauw verbonden met flexibele leervormen en leeromgevingen. Alle
landen leggen duidelijk de nadruk op de sleutelcompetenties en de startkwalificaties voor
alle jongeren, weliswaar met lichte accentverschillen. Er wordt overal gesteld dat jongeren
hun talenten optimaal moeten kunnen gebruiken en vaardigheden en kennis moeten verwerven voor het leven en voor hun professionele loopbaan. Het curriculum en de evaluatie ervan moeten aangepast zijn aan de sleutelcompetenties en vaardigheden.
De onderwijshervorming die in 1993 in Nederland werd ingevoerd (en waarover nu opnieuw wordt gereflecteerd) biedt de scholen de ruimte om hun aanbod af te stemmen op
uiteenlopende groepen en individuele leerlingen. Scholen bepalen zelf hoe en hoelang ze de
basisvorming geven, maar moeten er wel voor zorgen dat de leerlingen na een aantal jaren
een bepaalde hoeveelheid, kennis, inzicht en vaardigheden verworven hebben. Deze lijn
wordt doorgetrokken in de tweede fase, het HAVO/VWO met het “studiehuis” en met de
profielen. Het uitbouwen van flexibele leerwegen vindt men ook duidelijk terug in het
Europese benchmarks in onderwijs en opleiding: follow-up van de Europese Raad van Lissabon. Mededeling van de
Commissie http://europa.eu.int/comm/education/doc/official/keydoc/2002/bench_nl.pdf
31
21
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
concept van de “beroepskolom”, waarmee de route van het “vmbo” over het “mbo” tot het
“hbo”32 bedoeld wordt.
Het vergroten van de permeabiliteit en flexibiliteit van de leerroutes binnen het Duitse beroepsonderwijs, met een bijzonder accent op modulaire systemen, is eveneens een goed
voorbeeld van de tendens naar grotere flexibiliteit.
In Denemarken tracht men rekening te houden met de noden van elk individu en van de bedrijven; competenties kunnen verworven worden op verschillende manieren en over een
variabele periode. Leerlingen kunnen binnen bepaalde grenzen zelf hun leerprogramma samenstellen met de duidelijke hoofddoelstelling competenties en kwalificaties te verwerven.
Persoonlijke individuele leerplannen en leertrajecten worden ondersteund door gebruik te
maken van logboeken voor elke leerling en van individuele studieportfolio's.
In landen als Engeland, Finland en Zweden wordt de mogelijkheid geboden om tijdens het
hoger secundair de meer beroepsgerichte programma's te combineren met algemeen vormende vakken. Dit kan leiden tot het bekomen van “hybride” diploma's zoals deze in
Engeland genoemd worden. Dit wordt ook enigszins mogelijk in Schotland. Ook in Denemarken kunnen leerlingen beroepsgericht onderwijs combineren met bijv. algemeen handelsonderwijs. In Zweden heeft de leerling een grote invloed op de inhoud van het leren en
op het plannen van het leerproces. Elk van de 17 programma's van het hoger secundair bevat
opties voor de leerling die hem toelaten vlot individuele leertrajecten uit te bouwen. In
Finland kunnen leerlingen combinaties maken tussen het algemeen hoger secundair en het
beroeps- en technisch als voorbereiding op het hoger onderwijs. In Noorwegen kan het
curriculum flexibel worden ingevuld rekening houden met de plaatselijke omstandigheden
en met de individuele noden van elke leerling. Flexibele leertrajecten staan in Noorwegen in
nauw verband met flexibele leermomenten voor leerlingen en flexibele werktijden voor
leraren. Zowel in Zweden, Engeland en Finland kunnen leerlingen leerroutes uitbouwen
over verschillende scholen heen in dezelfde locale of regionale omgeving.
Interessant zijn ook de mogelijkheden in Schotland om het schoolse leren te combineren met
leren buiten de school, met een erkenning van dit buitenschoolse leren. De Franse Lycées des
Métiers bieden aangepaste en flexibele leertrajecten aan; een systeem van bruggen laat jongeren toe verschillende onderwijsmogelijkheden flexibel te combineren. Daarenboven experimenteren Franse scholen met flexibele lestijden die meer individuele begeleiding van
leerlingen mogelijk maakt in hun leertraject. Oostenrijk denkt aan een meer flexibele regeling
van lestijden met dubbellessen, leerblokken, leerperiodes en leerprojecten. Er wordt gewerkt
aan een flexibel modulair systeem voor het beroepsonderwijs.
Het vergroten van de flexibiliteit in leerwegen drukt zich ook uit in de mogelijkheden die
landen creëren om vanuit beroepen of vanuit het beroepsonderwijs door te groeien naar
32
Verdere uitleg over deze termen in het hoofdstuk over Nederland in Deel II.
22
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
hoger onderwijs. De Foundation Degrees33 in Engeland zijn daar een goed voorbeeld van. Ook
tal van initiatieven rond EVC (Elders Verworven Competenties)34 illustreren dit.
Vooral in de Scandinavische landen is er een duidelijk opzet – en vaak ook reeds een zekere
traditie – om bij te dragen tot het vervagen van de schotten tussen algemeen secundair,
technisch en beroepssecundair onderwijs. Toch is men ook deze landen zich ervan bewust
dat deze beschotten nooit volledig kunnen worden weggewerkt. Met het Lycée des Métiers
doet Frankrijk ook inspanningen om de beschotten tussen de lycée professionnel en de andere
vormen van lycées weg te werken. Met de veranderingen in Engeland in het raam van de 1419 reform en de Pathfinder schools zullen de GCSEs of de A-levels (= eindkwalificaties secundair onderwijs) niet langer omschreven worden als “academisch” of “beroeps” zodat men
alle vakken als meer evenwaardig zal percipiëren.
Het uitbouwen van individuele leertrajecten en flexibele leerwegen staat ook in nauw verband met een betere studiebegeleiding en studiekeuze. Het uitbouwen van een betere studieen beroepskeuze moet een volwaardig deel zijn van elke Pathfinder school – een onderwijsinstelling die vernieuwend werkt – in Engeland. Studiekeuzebegeleiding krijgt veel aandacht
in alle landen, in het bijzonder in de Scandinavische landen.
Flexibilisering komt in enkele landen tot uiting door de mogelijke variaties in de snelheid (de
leerritmes) die nodig is om een leertraject af te leggen. Denemarken vermeldt in het beleidsdocument "Better Education" duidelijk dat bepaalde leerlingen programma's sneller moeten
kunnen doorlopen. Finland heeft de mogelijkheid dat sommige leerlingen uit het hoger secundair reeds cursussen volgen in het hoger onderwijs als ze dat aankunnen. Noorwegen
laat toe dat leerlingen uit de lagere jaren vakken nemen in het hoger secundair al naargelang
hun mogelijkheden. Ook Frankrijk heeft reeds pilootscholen rond leerritmes. In Engeland
werd ook nagedacht over het gelijk verdelen van de leertijden over het gehele schooljaar om
tot een evenwichtige spreiding te komen van leertijden en vakantietijden. Bij de Pathfinders in
Engeland hebben jongeren de mogelijkheid examens af te leggen wanneer ze er klaar voor
zijn.
Verschillende landen (de Scandinavische landen, Engeland, Schotland, Frankrijk, …) besteden veel aandacht aan de moeilijkheden die overgangsmomenten binnen de schoolloopbaan kunnen meebrengen. Men wenst de overgangen van de lagere school naar het lager
secundair of de overgangen binnen het secundair flexibeler te maken. Zo denkt men in
Schotland aan leraren die les kunnen geven in de lagere school en in het secundair. In
Schotland werkt men ook aan kwaliteitsclusters tussen secundaire scholen en geassocieerde
lagere scholen.
Flexibilisering van de trajecten hangt ook samen met de verscheidenheid van leer- en werkvormen. Er wordt in alle landen gestreefd naar het ontwikkelen van nieuwe pedagogischdidactische werkvormen die de integratie van kennis en vaardigheden mogelijk maakt. BZL
Foundation degrees: zie de speciale website: http://www.foundationdegree.org.uk/
EVC in Europa: Europese leerpunten voor EVC-benutting in Nederland; C.C.M. Schuur, P.B. Feenstra en R.C.
Duvekot; Kenniscentrum EVC, juni 2003; zie ook de website: http://www.kenniscentrumevc.nl. Zie verder: EVC
op de internationale beleidsagenda's: een verkenning van de beleidsagenda's van de Raad van Europa, Europese Unie,
UNESCO & OESO; Hans Hufen en Sander Lotze; Kenniscentrum EVC, 2003
33
34
23
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
of Begeleid Zelfgestuurd Leren is daar een belangrijk element van, samen met o.a. coöperatief leren en work-based leren. Het uitbouwen van projectwerk (individueel of in groep) met
een duidelijke band naar het beroepsleven wordt sterk gestimuleerd in Zweden en Noorwegen om de integratie van kennis en vaardigheden te bevorderen. Dit projectwerk kan
verschillende vormen aannemen, gaande van spin-off bedrijfjes tot community work (inzet in
de maatschappij). Het Zweedse project waarbij gepoogd wordt het leerjongensysteem meer
in het hoger secundair te integreren is een belangrijk bijdrage tot het creëren van flexibele
leerroutes. Frankrijk heeft ook grote inspanningen geleverd met het projectwerk door de
uitbouw van het Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel (PPCP).
Veel aandacht gaat ook naar het bevorderen van het gebruik van de media en de informatieen communicatietechnologieën bij leren en onderwijzen. Alle Europese landen hebben de
voorbije jaren belangrijke landelijke initiatieven en netwerken opgezet om ICT in het
onderwijs te bevorderen. De meeste landen stimuleren ook de invoering van elektronische
leerplatformen. Aansluitend bij het computergebruik proberen landen zoals Duitsland
bijzondere aandacht te geven aan culturele opvoeding in het computertijdperk.
Verschillende landen stellen ook vast dat het uitbouwen van nieuwe leertrajecten verbonden
aan nieuwe vormen van leren vragen doet rijzen naar de inrichting van schoolgebouwen.
Bijzondere aandacht wordt aan dit aspect geven in Duitsland, Engeland en Schotland.
Verbetering van de schoolgebouwen, om beter en flexibeler leren mogelijk te maken, is één
van de prioriteiten in Schotland.
De verhoogde nadruk op brede competentieverwerving doet ook de vraag rijzen hoe kennis,
vaardigheden en attitudes kunnen geëvalueerd worden. De Scandinavische landen in het algemeen, en Zweden in het bijzonder, besteden daar veel aandacht aan. Finland werkt aan het
invoeren en veralgemenen van skills tests of projecten om op het einde van een leerprogramma vast te stellen welke vaardigheden, kennis en competenties werden bereikt. Ook in
Schotland besteedt men heel veel aandacht aan het evalueren van competenties. Schotland
streeft ernaar af te stappen van een systeem van evaluatie met punten en te komen tot een
systeem dat leerlingen helpt te begrijpen hoe ze kunnen verbeteren om, onder andere, de
motivatie voor leren te bevorderen.
2.2.2 De leraar als professional, teamspeler en gids
In de bestudeerde Europese landen gaat veel aandacht naar de verruimde rol van de leraar
en zijn functie als teamspeler en coach. De nieuwe werkvormen hebben een duidelijk gevolg
op het werken in teamverband. Sommige landen zien de schoolstructuur opgebouwd op
teams van leraars die gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor grote deelaspecten; dat
is duidelijk het geval in Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen.
Deze nadruk op de leraar als coach heeft veel te maken met het feit dat men in alle bestudeerde onderwijssystemen het begeleid zelfgestuurd leren wil bevorderen. Dit komt bijvoorbeeld bijzonder sterk aan bod in het Studiehuis in Nederland of in het uitbouwen van de
werkplekstructuur in het beroeps- en technisch onderwijs in Nederland en andere landen.
24
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Ook de rol van de leraar als begeleider van stageplaatsen om het leren op de werkplek optimaal te benutten is in verschillende landen aan de orde van de dag, niet het minst in Duitsland.
Verschillende landen benadrukken de laatste jaren de taak van de leraar als reflective teacher;
de leraar dient te reflecteren samen met zijn collega’s in teamverband over wat hij of zij doet
in de klas en in de school. Deze reflectie dient te leiden tot verbetering van het functioneren.
Het concept van de reflective teacher in reeds in heel wat lerarenopleidingen in Europa ingebouwd.
De meeste landen besteden uitdrukkelijk aandacht aan de bijscholing van de leraren op deze
gebieden. Soms is er een bijzondere focus voor de leraren in het beroeps- en het technisch
onderwijs zoals in Duitsland. De Duitse BLK (Bund-Länder Kommission) besteed heel wat
aandacht in haar projecten aan het vormen van leraren tot coach en teamspeler. Sommige
afzonderlijke Länder, zoals Baden-Württenberg, nemen initiatieven naar bijscholing om
teamontwikkeling te bevorderen. De pedagogische centra van Nederland (APS, CPC en
KPC) hebben een ruim vormingsaanbod op dit vlak.
Uit de analyse van de gevolgde benaderingen blijkt dat leraren niet alleen dienen samen te
werken binnen het schoolteam, maar steeds meer ook binnen lokale en regionale teams die
tot doel hebben de aansluiting onderwijs, vorming en lokale of regionale ontwikkeling te
verhogen. Dit element is nadrukkelijk aanwezig in pilootprojecten met een regionaal aspect
zoals de regionale leernetwerken in Duitsland, de Engelse Pathfinders schools of de Franse
Lycées des Métiers. Teamwerk is dus niet beperkt tot de school maar is uitgebreid tot de lokale
gemeenschap. Dit aspect komt duidelijk aan bod in de lerarenopleiding in Oostenrijk, Hongarije, Portugal, Zweden en Engeland.
Het rapport van de Europese Commissie over de lerarenopleiding35 in het kader van het
“Gedetailleerde Werkprogramma” bespreekt uitvoerig de veranderende rol van de leraar.
Het rapport stelt dat leraren niet alleen dienen samen te werken in teamverband met andere
leraren maar ook in teamverband dienen op te treden met andere ondersteunende pedagogische groepen zoals studiebegeleiders. Het rapport stelt dat de rol van de leraar niet meer
beperkt kan zijn tot de klas of klassen waar hij of zij les geeft maar dat leraren collectief met
collega's verantwoordelijk zijn voor het curriculum en voor de schoolorganisatie. Dit vereist
ook samenwerking met alle partners uit de lokale gemeenschap. In het rapport worden de
volgende vijf gebieden aangestipt die een invloed hebben op de veranderende rol en de nood
aan veranderende competenties en vaardigheden bij de leraren die ze gedurende geheel hun
professionele carrière verder dienen te ontwikkelen:
 leraren moeten kunnen bijdragen tot het bevorderen van de nieuwe competenties en
startkwalificaties in termen van learning outcomes
 de leraren moeten in staat zijn hun werk in de klas te herstructureren (lees nieuwe
flexibele leeromgevingen en leerroutes te ontwikkelen)
 de leraar moet in staat zijn ook buiten het klaslokaal verantwoordelijkheid te nemen
binnen de school, binnen de lokale gemeenschap in overleg met o.a. de sociale partners
Zie: Working group: Improving education of teachers and trainers, November 2003, op de website:
http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/doc/working-group-report_en.pdf
35
25
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen

de leraar moet ICT kunnen integreren in alle formele leersituaties en alle activiteiten van
zijn professionele praktijk
 de leraar is verantwoordelijk voor zijn eigen professionalisering binnen de professionalisering van het gehele beroep.
In dit document wordt verder gepleit voor het nauwer samenwerken tussen scholen en
lerarenopleiding door het opzetten van partnerschappen waarbij beide partners verantwoordelijk zijn voor de opleiding van de toekomstige leraar. Dit laat ook toe de statkwalificaties
van de leraren zelf te verbeteren.
Zweden en Engeland zijn reeds het verst gevorderd op deze weg van samenwerking tussen
scholen en lerarenopleiding. Het feit dat leraren verantwoordelijkheid krijgen in de opleiding van toekomstige leraars heeft een duidelijke impact op de school als lerende organisatie
en op de professionele ontwikkeling van de betrokken leraars. In Oostenrijk is er een
wettelijke voorziening die stipuleert dat het uittekenen van een nieuw profiel voor de leraar
de verantwoordelijkheid is van een comité samengesteld uit lerarenopleiders en uit de scholen die leraren van deze opleiding afnemen.
Bepaalde landen onderstrepen dat zowel in de initiële opleiding als in de bijscholing ruim
aandacht moet worden besteed aan de competenties die de leraren moeten hebben om mee
te werken aan de uitbouw en de begeleiding van individuele leertrajecten. Landen zoals
Zweden, Engeland en Denemarken hebben op deze weg reeds stappen afgelegd.
Verschillende landen, waaronder Engeland, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Schotland, Nederland, …, hebben systemen van aanvangsbegeleiding van jonge of nieuwe leraars uitgebouwd om de professionalisering van de jonge leraar te bevorderen en te vergemakkelijken.
Het rapport van Eurydice ‘The teaching profession in Europe’ gaat in het eerste deel uitvoerig
op deze on-the-job qualifying phase of induction36.
In veel landen is er ook groeiende aandacht voor het schoolhoofd als teamleider of teambegeleider. Verschillende landen, zoals de Scandinavische landen, Engeland, Schotland en
Duitsland, drijven de inspanningen voor de vorming van deze schoolhoofden op. Engeland
heeft daartoe de voorbije jaren het NCSL, National College for School Leadership37, grondig
uitgebouwd.
De flexibilisering van de leerwegen en de verruiming van de rol van de leraar hebben op
verscheidene plaatsen de discussie aangewakkerd over de opdracht en de verloning van de
leraar. In landen als Engeland, Schotland, de Scandinavische landen, bepaalde Duitse Länder
en Oostenrijk wordt aan deze aspecten gewerkt. In Noorwegen werden grondige discussies
gevoerd met de vakbonden over de flexibilisering van de opdrachten en de werktijden van
de leraar. Sommige landen, waaronder Oostenrijk, willen werk maken van nieuwe loopbaanmodellen voor leraren en willen nadenken over prestatiegebonden promotiemogelijkheden.
The teaching profession in Europe: Report I Initial training and transition to working life. Eurydice, September 2002.
Hoofdstuk 5 on the job qualifying phase (bladzijden 73 - 93). Het rapport is te vinden op de website:
http://www.eurydice.org/Documents/KeyTopics3/en/FrameSet1.htm
37 Voor verdere informatie over NCSL zie de website: http://www.ncsl.org.uk/
36
26
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Enkele landen, zoals Spanje en Portugal, hebben een systeem uitgebouwd waarbij leraren
die aan bijscholing deelnemen (in binnen- of in buitenland) credits krijgen voor hun deelname. Deze credits betekenen een erkenning voor hun inzet tot professionalisering en spelen
een rol bij de ontwikkeling van hun loopbaan.
2.2.3 Autonome scholengemeenschappen met een ruim vormingsaanbod
In al de bestudeerde landen leeft het inzicht dat scholen autonomer moeten kunnen functioneren en hun rol als onderwijsverstrekker in groter autonomie dienen te implementeren. De
accenten verschillen al naargelang de landen.
In de Scandinavische landen beschikken scholen reeds over vrij veel autonomie en zijn ze ingebed in de locale (of regionale) context, waar ook de verantwoordelijkheid voor het onderwijs grotendeels ligt. In Frankrijk, een land met een meer centralistische traditie, betekent
autonomie dan weer iets anders. In Denemarken wordt de autonomie vertaald naar de
concrete verantwoordelijkheid van de scholen in het meten van de mate waarin de sleutelcompetenties of startkwalificaties bereikt werden. In Nederland is autonomie een duidelijke en belangrijke beleidsoptie om meer ruimte te geven aan de scholen.
In verschillende landen worden grotere scholengemeenschappen en samenwerkingsverbanden tussen scholen en scholengroepen vooropgezet en bevorderd. Deze samenwerking is,
onder andere, nodig om zoveel mogelijk flexibele leerroutes aan de leerlingen aan te kunnen
bieden en om een duidelijke bijdrage te leveren tot de lokale en regionale ontwikkeling.
Een goed voorbeeld van autonome scholengemeenschappen met een breed vormingsaanbod
zijn de Pathfinders die in Engeland zijn opgestart en waarbij zowel algemeen vormende als
meer beroepsgerichte scholen bij betrokken zijn. Door samen te werken kunnen ze een breder aanbod aanbieden en kunnen ze jongeren toelaten hun eigen mix aan vakken samen te
stellen die eventueel leiden tot hybride diploma's. Het bredere vormingsaanbod wordt ook
bevorderd door de regionale samenwerkingsinitiatieven zoals die worden opgezet in het kader van de Lycées des Métiers in Frankrijk.
De autonomie van de scholen weerspiegelt zich ook in de mogelijkheden van scholen om
meer flexibele leerroutes aan te bieden, ondersteund door meer flexibele opdrachtomschrijvingen voor leraren. Dit impliceert dat binnen de school duidelijke afspraken gemaakt worden met de vakbonden om de flexibele inzetbaarheid van de leraar mogelijk te maken Dit is
duidelijk aan de orde van de dag in de Scandinavische landen. In Noorwegen is tussen de
scholen en de vakbonden van de leraren afgesproken dat er vijf manieren zijn om de tijd en
de beschikbaarheid van de leraar flexibel in te vullen en te organiseren. Het systeem van
lessen- en werkrooster dat wordt gebruikt, wordt afgesproken tussen de leraren, de school
en de vakbonden. Het hoofddoel is de kwaliteit van het onderwijs en de kwaliteit van de
begeleiding van de leerlingen. Sommige landen vinden dat het te strakke statuut van de
leraar als ambtenaar dient doorbroken te worden; dit is blijkbaar geleidelijk aan het gebeuren
in sommige Länder in Duitsland.
27
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Het leiden van autonome scholen vergt ook een ander personeelsbeleid. In verschillende
landen worden directeurs opgeleid om een dergelijk autonoom personeelsbeleid te leiden.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij initiatieven van het NCSL of National College for School
Leadership in Engeland. In sommige landen, zoals in Engeland, is ook een verschil in verloning van de leraars mogelijk, al naargelang de inzet en de prestaties, die bepaald en beslist
wordt door de school of scholengemeenschap. Nieuwe vormen van samenwerking tussen
scholen en de lerarenopleiding, zoals in Engeland en Zweden, zullen ook leiden tot nieuwe
vormen van personeelsbeleid en tot nieuwe beleidsprofielen die in onderling overleg worden opgesteld.
Autonome scholen moeten ook verantwoordelijk zijn voor de uitbouw van hun school en
verantwoording kunnen afleggen voor hun activiteiten bij de stakeholders. In landen zoals
Engeland en Oostenrijk wordt verwacht dan scholen jaarlijks een balans publiceren waaruit
blijkt welke doelstellingen werden bereikt en welke niet. Dit sluit nauw aan bij de tendens
van zelfevaluatierapporten die in zowat alle landen aanwezig is.
Autonomer wordende scholen en systematisch gebruik van zelfevaluatie vergen ook andere
vormen van inspectie en externe kwaliteitscontrole. Verschillende landen hebben reeds
onafhankelijke kwaliteitscontrolesystemen uitgebouwd zoals in Engeland en Schotland. Ook
Oostenrijk denkt aan een systeem van onafhankelijke controle door transregionale inspecteurs. Deze inspectie staat volkomen los van de pedagogische begeleiding. In Engeland
wordt ze zelfs door externe organisaties (of bedrijven) uitgevoerd zolang die beantwoorden
aan bepaalde criteria opgesteld door het ministerie van onderwijs het DfES (Department for
Education and Skills).
De vernieuwde benadering rond kwaliteitsbewaking weerspiegelt zich verder in het toenemend gebruik in o.a. Oostenrijk, Engeland, Nederland , Schotland,…van kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs en voor individuele scholen. Sommige landen stellen uitdrukkelijk
dat het initiatief op Europees vlak rond kwaliteitsindicatoren38 een belangrijke bijdrage heeft
geleverd aan hun werk.
In de pilootprojecten die werden bestudeerd werd weinig informatie geven over de financiële autonomie van de scholen. De financiële mechanismen zijn trouwens zeer verschillend
van land tot land. Sommige kennen trouwens al sinds lang een vorm van globale financiering.
2.2.4 Scholen met een brede maatschappelijke functie
Overal in Europa wordt de brede maatschappelijk vormingsfunctie van de school benadrukt:
de opvoedende functie, de leerfunctie en een sociaal-culturele functie. Deze functies worden
niet los van elkaar gezien, maar nauw met elkaar verweven.
De opvoedende functie van de school wordt ook heel sterk benadrukt in de rapporten van
de werkgroepen van de Europese Unie, opgestart in het kader van het “Gedetailleerde werkVerdere informatie over het European Report on the Quality of School Education: sixteen quality indicators, is te
vinden op de volgende website: http://europa.eu.int/comm/education/policies/educ/indic/rapinen.pdf
38
28
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
programma”. Het deelrapport over de lerarenopleiding bijvoorbeeld wijst op de belangrijke
rol van de leraar en van de lerarenopleiding in het opvoeden tot burgerschap.
De Scandinavische landen benadrukken heel sterk het participeren van de jongeren aan de
schoolgemeenschap als waarde die ten grondslag ligt aan burgerzin. In vernieuwende leertrajecten in vele landen worden waarden meegegeven door het bevorderen van teamwerk en
door het uitvoeren van projecten gericht op milieu en andere maatschappelijke problemen.
Binnen de Duitse pilootprojecten (maar ook in de meeste andere landen) zijn er verschillende
die uitdrukkelijk het bevorderen van democratie op school benadrukken en aan actief burgerschap werken op verschillende vlakken. Opvoeding tot duurzame ontwikkeling is één
van de 15 prioriteiten in Duitsland waarrond innovatieve pilootprojecten worden opgestart
Opvoeding tot verantwoord burgerschap krijgt een belangrijke plaats in alle landen: milieuopvoeding, gezondheidsopvoeding, verkeersopvoeding, sociale actie door jongeren en inzet
in de maatschappij (community work) worden gezien als activiteiten die een belangrijke bijdrage leveren tot de ontplooiing van de jongeren en heel wat leerkansen inhouden. Speciale
pedagogische methodes, zoals peer education, peer mediation, of peer learning worden bevorderd in enkele landen om burgerschap bijzondere diepgang te geven en concrete problemen
op te lossen binnen de school zoals het pesten, drugs en motivatie tot leren.
In de tien bestudeerde landen probeert men de leerfunctie deels op een meer creatieve wijze
in te vullen door het bevorderen van nieuwe leervormen en nieuwe leertrajecten voor de jongeren (zie hoger).
De sociaal-culturele functie van de school wordt op gelijkaardige wijzen in de verschillende
landen bevorderd. De meeste landen benadrukken de functie van de school als “caring
school” (zorgende school) waarin een stimulerend en motiverend leefklimaat een vruchtbare
bodem vormt voor een goed leerklimaat. Gelijke kansen worden in alle landen gezien als een
sleutelelement om te komen tot een inclusieve maatschappij.
Verschillende landen (Engeland, Schotland, de Scandinavische landen, …) benadrukken dat
de school een veilige en gezonde omgeving moet zijn. Er worden allerhande initiatieven
genomen, bijvoorbeeld om pesten, verbaal of fysiek geweld op school te vermijden.
Verschillende landen leveren inspanningen om bij jongeren ondernemingszin aan te wakkeren, wat moet leiden tot meer inzet in het sociale en economische leven. Denemarken, bijvoorbeeld, stelt het bevorderen van het ondernemersschap als een van de belangrijke prioriteiten in het kader van het beleidsplan Better Education 2000. Ook bij de Engelse Pathfinders
schools en de Franse Lycées des Métiers leeft dit sterk. Het feit dat Oostenrijk in het beroepsonderwijs en in het technisch onderwijs het invoeren van de training firm wil veralgemenen,
is een verdere illustratie van deze ontwikkeling.
De verbreding van de maatschappelijke functie van de school is ook te merken aan het groeiend belang dat gehecht wordt aan de school als sleutelfactor voor de regionale ontwikkeling.
In verschillende landen – Scandinavië, Engeland, Schotland, Frankrijk, Duitsland, … – wordt
dit aspect steeds meer in de verf gezet. In Frankrijk is zelfs een soort van officiële erkenning
mogelijk door het toekennen van een label aan de Lycées des Métiers die beantwoorden aan de
regionale kwaliteitscriteria vastgelegd in een kwaliteitscharter.
29
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Aangezien de maatschappelijke functie van de scholen breder wordt, besteden veel landen
aandacht aan het uitbouwen van participatieve structuren voor alle betrokkenen (leerlingen,
leraars, ouders, bedrijven enz.) op alle onderwijsniveaus. Alle landen zoeken ook naar
vormen om ouders meer actief bij onderwijs en vorming te betrekken – ook de ouders uit
sociaal-zwakkere milieus. De overtuiging leeft dat dit bijdraagt tot het bevorderen van het
leef- en leerklimaat en tot het ontwikkelen van de school als een belangrijke schakel in de
opbouw en uitbouw van de lokale gemeenschap.
Tenslotte nog dit: veel innovatieve pilootscholen nemen hun rol als “aquariumschool”39 ernstig en leveren daardoor een duidelijke maatschappelijke meerwaarde aan de maatschappij.
Ook dit is te beschouwen als een deel van de vormingsfunctie van de school.
2.2.5 Scholen die ondernemende, innovatieve en lerende organisaties zijn
De snelheid van de maatschappelijk evoluties vereist dat scholen in staat zijn om continu te
vernieuwen. In verschillende landen is het overheidsbeleid hier expliciet op gericht en worden scholen de kans geboden om ondernemende innovatieve en lerende organisaties te zijn.
In Nederland kunnen scholen zelf voorstellen formuleren voor vernieuwingen en nieuwe benaderingen invoeren, o.m. op gebied van wetenschap en techniek. In Duitsland, Denemarken en Oostenrijk kunnen scholen de overheid zelf aanspreken om een innovatief pilootproject op te starten; heel wat scholen doen dat ook.
In verschillende landen krijgen scholen extra middelen om zelf de bijscholing van hun leraren op te zetten. Dit is bijvoorbeeld het geval in Nederland, waar scholen zelf de nodige
bijscholing aankopen bij pedagogische centra of andere verstrekkers van bijscholing. In Zweden worden de middelen voor de bijscholing aan de gemeentebesturen toegekend die dan in
overleg met de scholen in de gemeente of regio bijscholing organiseren. Interessant is het
Zweedse bijscholingsprogramma over de leraar als change agent in de school. Het Noorse
Ministerie van Onderwijs organiseert samen met de lokale en/of de regionale overheden
bijscholingsinitiatieven voor leraars op het vlak van algemene vernieuwingsstrategieën.
De overheid moedigt in veel Europese landen scholen aan om contacten uit te bouwen met
het bedrijfsleven en met de lokale gemeenschap. Het feit dat men in Frankrijk in het beroepsen technisch onderwijs (Lycée professionnel en Lycée technologique) gebruik kan maken van de
taxe d'apprentissage40 is daar een voorbeeld van. Deze taxe d’apprentissage is een bijdrage van
de bedrijven gebaseerd op een percentage van de totale bruto loon massa van het bedrijf,
waar de scholen gebruik kunnen van maken om hun infrastructuur of de professionalsering
van hun leraren te verbeteren.
De term “aquariumschool” werd geïntroduceerd in “Accent op Talent”. Het verwijst naar de functie die
voortrekkersscholen hebben om anderen hun ervaringen te laten zien en hun expertise te delen met andere
scholen.
40 Voor verdere informatie over de taxe d'apprentissage zi: http//www.education.gouv.frof . Een voorbeeld van een
omzendbrief in verband met deze materie: http://www.education.gouv.fr/botexte/bo010104/MENE0003335C.htm
39
30
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Finland wil speciaal bijscholing organiseren voor leraars en mentoren die bij on-the-job training betrokken zijn in het beroepsonderwijs. Zo mogelijk zal Finland vorming organiseren
voor de twee groepen, de leraren en de mentoren in de bedrijven samen. Daarbij sluit nauw
aan dat Finland meer leraren wil detacheren naar bedrijven om kennis en ervaring op te
doen. Een duidelijke bijdrage om van de school een lerende organisatie te maken.
Het Zweedse pilootprogramma 'Attraktive Skola' wil duidelijk aan schoolontwikkeling werken door het bevorderen van partnerschappen met universiteiten en bedrijfsleven. Zo kan
nagegaan worden hoe resultaten van onderzoek in de school (en in de lerarenopleiding of
bijscholing) kunnen geïntegreerd worden en hoe de leraar ook zijn rol als praktijk-onderzoeker in het werkveld op school (action-research) kan waar maken. In dit raam stelt het programma “Attraktiv Skola” uitwisselingen voor tussen scholen en universiteiten, tussen scholen onderling en tussen scholen en bedrijven.
Hechte partnerschappen tussen scholen, lerarenopleidingen en universiteiten worden steeds
meer gezien als een noodzaak naar de toekomst toe. De eerste aanzetten daartoe gebeuren
reeds, onder andere, in Zweden en in Engeland. Ook in Frankrijk werd bij de uitbouw van
de IUFM, Instituts Universitaire de Formation des Maîtres, gepoogd dit aspect te benadrukken;
een herziening van de IUFM om meer samenwerking met scholen te bevorderen wordt op
dit ogenblik voorbereid. Door van leraars ook praktijkgerichte “onderzoekers” te maken
wordt een duidelijke bijdrage geleverd tot het uitbouwen van de school als een lerende organisatie.
Uit de analyse blijkt dat de deelname aan Europese en/of internationale samenwerkingsinitiatieven tussen scholen een belangrijke stimulans is voor innovatie in scholen. Op beleidsvlak wordt deze vaststelling soms geconcretiseerd door bilaterale samenwerkingsovereenkomsten tussen sommige landen of regio’s (onder andere in regionaal en grensoverschrijdend verband). Overal wordt bovendien de deelname aan Europese samenwerkingsprogramma's op vlak van onderwijs en vorming gestimuleerd: Socrates (in het bijzonder Comenius) en Leonardo da Vinci. Vaak zijn het de meest innovatieve scholen, die reeds kunnen
beschouwd worden als lerende organisaties, die aan dergelijke projecten deelnemen.
Ook de internationale mobiliteit van leraren de directieleden kan worden beschouwd als een
instrument bij het uitbouwen van de school als een lerende organisatie. Mobiliteit kan worden gebruikt om te gaan kijken en te gaan leren in andere landen rond vernieuwende aanpakken op het vlak van de vakken, het transdisciplinaire werken, schoolorganisatie, bijscholing, …41. Engeland, bijvoorbeeld, zendt groepen leraren uit om te gaan kijken hoe wiskunde
wordt onderwezen in Hongarije dat bekend staat voor de goede kwaliteit van het wiskundeonderwijs.
Als scholen lerende organisaties willen worden, doen ze dat ook soms in regionale verbanden. Dit is duidelijk het geval voor de Engelse Pathfinders schools en voor sommige van de
Duitse Modellvorhaben of Versuchschulen. Deze netwerken omvatten verschillende scholen die
Meer informatie over de Europese programma’s is te vinden in Deel III. De meeste mogelijkheden over
mobiliteit van leraren worden beschreven in twee studies van de KHLeuven: Comparative study on the mobility
of school teachers in the European Union, Leuven 2002 (Frans en Engels) en Comparative study on the mobility
of school teachers in the non EU Member States, Leuven 2004 (Frans en Engels).
41
31
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
aan eenzelfde innovatief thema werken, informatie en ideeën met elkaar uitwisselen, studiebezoeken bij elkaar afleggen en gezamenlijk hun ervaring verspreiden naar andere scholen
toe.
Bij de onderzochte “goede praktijken” was weinig informatie aanwezig over het ‘anders besturen’ van scholen, en de steun die ze daarvoor krijgen. Vaak is dit inherent aanwezig in de
werking van de pilootscholen of bestaan er bepaalde vormen van vorming voor schoolhoofden en directie teams maar worden ze niet uitvoerig vermeld. Wel wordt het aspect van
schoolmanagement uitdrukkelijk vermeld in de Pathfinders, de Beacon schools en de Leading
Edge Partnerships in Engeland.
2.2.6 Een overheid met vooral een stimulerende, faciliterende en kwaliteitsbevorderende rol
De overheid kan op verschillende wijze kwaliteit en innovatie in het onderwijs bevorderen.
Hoe dit dient te gebeuren hangt in grote mate af van de bestaande onderwijscultuur en
regelgeving, die sterk van land tot land kan verschillen. In wat volgt bespreken we kort de
mechanismen die gebruikt worden om innovatie te bevorderen vanuit de scholen zelf, de
vermindering van de regelgeving en de wijzigingen in de systemen voor kwaliteitscontrole.
In meer en meer landen groeit het besef dat kwaliteit en innovatie in scholen best bevorderd
wordt door een ruim kader te creëren en daarbinnen de onderwijsinstellingen de nodige
vrijheid en ruimte te geven. In eerste instantie wordt die vrijheid gegund aan een beperkte
selectie van “pilootscholen”, vaak met de bedoeling te leren van deze ervaring en nadien
deze ruimte te veralgemenen naar het hele onderwijslandschap. In Duitsland is het expliciet
de intentie om na een proefperiode met pilootprojecten, de innovatie zonder financiële steun
in alle scholen in te voeren.
In de tien bestudeerde Europese landen vindt men werken met pilootprojecten belangrijk
omdat het leidt tot goede-praktijkvoorbeelden die stimulerend werken bij het veralgemenen
van innovaties. Ook op Europees vlak wordt het werken met goede-praktijkvoorbeelden
benadrukt42. De overheid laat vaak de initiatieven vanuit de scholen zelf groeien. In landen
zoals Nederland, Denemarken, Duitsland en Oostenrijk kunnen scholen zich bij de overheid
aanmelden om innovaties op te starten en kunnen daartoe steun krijgen.
De meeste landen kennen “officiële” pilootprojecten. Noorwegen noemt ze “demonstratiescholen”. In Duitsland spreekt men van “modelscholen” (soms zelfs van “experimentele
scholen”). Engeland spreekt van Pathfinders, Beacon schools en Leading Edge Partnertships.
Naast de pilootprojecten die in deze studie aan bod komen – en die vooral betrekking hebben op de thematiek van Accent op Talent – bestaan er nog vele andere projecten op specifieke deelgebieden. Zo zijn er tal van initiatieven voor het bevorderen van het gebruik van ICT,
initiatieven voor het bevorderen van talen langs o.a. tweetalige scholen (bilingual schools),
initiatieven voor het bevorderen van milieuopvoeding met groene scholen, initiatieven voor
het bevorderen van Europees burgerschap met Europa-Schulen in Duitsland, enz. Naast de
Al de rapporten van de werkgroepen rond de verschillende aspecten van het Gedetailleerde Actieprogramma
zijn te vinden op de volgende website: http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/et_2010_en.html
42
32
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
“officiële” pilootprojecten zijn er ook projecten zonder officiële steun. IQEA in Engeland is
een goed voorbeeld van een dergelijk project waarbinnen universiteiten en scholen samen
werken aan kwaliteitsverbetering en dat gefinancierd wordt door de scholen zelf.
Sommige landen zetten elk jaar een reeks pilootprojecten op en dit op basis van prioriteiten.
Dit is het geval voor Denemarken dat een echte traditie heeft van pilootprojecten in het beroeps- en technisch onderwijs en geregeld ook prioriteiten vastlegt waarrond scholen worden uitgenodigd voorstellen in te dienen. Engeland heeft ook reeds een lange traditie aan
pilootprojecten en een grote continuïteit in dergelijke initiatieven. De Beacon schools worden
nu dus geïntegreerd in het nieuwe Leading Edge Partnerships. Deze zullen op hun beurt ondersteund worden door andere initiatieven zoals het in april 2004 opgestarte “Building
schools for the future”;
Alle landen hebben een duidelijke selectieprocedure van pilootscholen en gebruiken een verscheidenheid aan criteria voor de selectie. In Duitsland moeten scholen met projecten in het
kader van de BLK of Bund - Länder Kommission een project indienen vanuit een cluster van
scholen, zelfs over verschillende Länder heen. In Denemarken moeten projecten worden ingediend door een groep scholen uit één bepaalde regio; dit houdt dus al een verspreidingsmogelijkheid in zich. In alle landen zijn pilootprojecten beperkt in de tijd en in aantal
scholen dat bij het project betrokken is. Dit hangt nauw samen met de beschikbare financiële
middelen. De tijd kan variëren van één tot drie jaar. Soms is het langer zoals in Duitsland
waar de duur van pilootprojecten 5 en uitzonderlijk tot 10 jaar kan zijn.
Nagenoeg altijd wordt er een of andere vorm van financiële steun gegeven. De toegekende
bedragen verschillen zeer sterk, evenals de vorm waaronder de financiële middelen ter beschikking worden gesteld (soms onder de vorm van een vrijgestelde leraar en/of ondersteunende en begeleidende hulp). In enkele uitzonderlijke gevallen is er geen financiële steun
maar bevordert de deelname allen het imago van de school.
In de meeste gevallen is er een duidelijke ondersteuning van de pilootscholen door samenwerking met universitaire teams of gespecialiseerde diensten verantwoordelijk voor innovatie. In Duitsland worden alle projecten van de Länder en van de BLK, Bund Länder Kommission begeleid door een universiteit. Deze universiteiten begeleiden alle projecten die in éénzelfde deelgebied werkzaam zijn. In Denemarken begeleidt DEL, the Danish Institute for
Educational Training of Vocational Teachers, de scholen vanaf het prille begin van het project tot
en met de evaluatie en de verspreiding van de resultaten.
In de meeste landen hebben de pilootscholen de plicht om een aquariumschool te zijn naar
andere scholen toe, om zo de verspreiding van de resultaten van vernieuwing te optimaliseren. Verantwoordelijken in verscheiden landen (waaronder Engeland, Schotland, Finland
en Noorwegen) stellen dat het verspreiden van de vernieuwingen ook het belangrijkste probleem of de belangrijkste uitdaging is. Het valoriseren van goede praktijk is geen eenvoudige
zaak en vraagt een geëigende aanpak. In Zweden worden locale conferenties georganiseerd
en werden er 50 locale ontmoetingsplaatsen opgestart waar informatie over vernieuwing kan
worden verkregen en uitgewisseld. In Noorwegen krijgen de scholen extra financiële middelen om een leraar vrij te stellen die zich specifiek met de aquariumfunctie bezig houdt en dus
groepen leraars en directieleden uit andere scholen ontvangt en informeert. In enkele landen
33
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
– vooral de Scandinavische – is een belangrijk selectiecriterium het feit dat de school bewijst
haar vernieuwingsactiviteiten te kunnen documenteren om zo de resultaten gemakkelijker te
kunnen verspreiden.
In alle gevallen dienen de scholen geregeld te rapporteren en nagenoeg altijd zijn deze verslagen beschikbaar op het Internet. De meeste landen maken op basis van deze verslagen algemene evaluatierapporten op, die eveneens op het Internet beschikbaar zijn. Sommige
websites met pilootprojecten zijn uitermate gedetailleerd, zoals deze van de AXIS-Stichting
in Nederland.
Evaluatie van pilootprojecten is meestal, maar niet altijd, in de ontwikkeling van de pilootprojecten ingebouwd. Als de projecten begeleid worden door een universiteit of een onderzoeksinstelling dan is de evaluatie een deel van haar verantwoordelijkheid.
Uiteraard ontstaan vernieuwingen niet louter door het bevorderen van pilootprojecten. In de
meeste landen bestaan gespecialiseerde, gefinancierd door de overheid, die bepaalde aspecten van onderwijsvernieuwing ter hart nemen. In Denemarken blijkt bijvoorbeeld DEL, het
Danish Institute for Educational Training of Vocational Teachers, een heel belangrijke rol te
spelen, zowel conceptueel als naar begeleiding van vernieuwingen. In Frankrijk zijn er de
“Innovalo's”, die functioneren als begeleidingsdiensten voor vernieuwing in elk van de Franse académies (= een soort onderwijszone). In Zweden richtte de overheid in 2003 de National
Agency for school Improvement op om een langdurige innovatie en verbetering van onderwijs
te bevorderen en te begeleiden. Sommige van deze organisaties (waaronder de DVO (Dienst
voor Onderwijsontwikkeling) in Vlaanderen) hebben samen een Europese vereniging,
CIDREE, opgericht (Consortium of Institutions for Development and Research in Education in
Europe)43 om hun inspanningen en ervaringen te bundelen en te delen.
Een manier om de innovatie in het onderwijs te stimuleren – of zelfs überhaupt mogelijk te
maken – is het verminderen van de complexiteit van de regelgeving en het verhogen van de
autonome beslissingscapaciteit van scholen. Vele landen staan daarin veel verder dan Vlaanderen, en hoeven daarom op dit gebied niet veel verder meer te gaan. Naar pilootprojecten
toe blijkt een zekere regelluwheid (het toekennen van beperkte afwijkingen aan bestaande
regelgeving) in enkele landen te worden toegepast, onder andere in Oostenrijk en in Duitsland in het kader van de Versuchschulen, Modellvorhaben of Schulversuch die verder in dit rapport aan bod komen.
In Zweden werd tijdens de uitvoering van deze studie uitdrukkelijk verwezen naar een speciaal comité dat werd opgericht en dat tot taak heeft de complexe onderwijswetgeving, die
remmend blijkt te werken voor innovatie, te vereenvoudigen.
De overheid kan kwaliteit en innovatie ook bevorderen door ondersteuning te leveren voor
kwaliteitszorg en de mechanismen van de kwaliteitsbewaking te veranderen. Hoger werd
reeds gewezen op het toenemend belang van zelfevaluatie in scholen in de meeste Europese
landen; in sommige landen is deze praktijk al goed ingeburgerd. In Schotland investeert de
43
Voor verdere informatie zie: http://www.cidree.org
34
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
inspectie veel tijd en middelen in het bevorderen van goede zelfevaluatie door scholen. Het
document "How to evaluate your school" is daar een goed praktijkvoorbeeld van. Duitsland
heeft een specifiek pilootproject (met 13 subprojecten) rond kwaliteitsverbetering in scholen,
QuiSS (Qualitätsverbesserung in Schulen und Schulsystemen). Zweden maakt werk van het uitbouwen van een systeem van benchmarks (als element van kwaliteitsbewaking) voor scholen die werken met leerlingen met specifieke moeilijkheden waarvoor ze meer individuele
leerprogramma's aanbieden.
Op Europees vlak hebben de inspectie- en/of begeleidingsdiensten gezamenlijk een vereniging opgericht, SICI44, de Standing International Conference of the Inspectorates, die informatie
en ervaringen bundelt en uitwisselt tussen de inspectie- en begeleidingsdiensten van 20
Europese landen. SICI produceert materialen en studies die door verschillende pilootprojecten kunnen worden gebruikt. De recente publicatie van Eurydice “Evaluation of schools providing compulsory education in Europe”45 bevat op het vlak van de evaluatie van onderwijssystemen en van scholen ook boeiende informatie.
2.2.7 Onderwijs en samenleving die de technologie een volwaardige plaats geven
De verminderde belangstelling van jongeren voor wetenschap, techniek en technologie beperkt zich niet louter tot Vlaanderen, maar is een Europees fenomeen. In de beleidsteksten
uit de onderzochte landen is dit een wederkerend thema. Het is trouwens een expliciet aandachtspunt op Europees niveau, o.m. in het Gedetailleerde Werkprogramma voor onderwijs
en vorming 2010.
Nederland heeft, speciaal om de belangstelling voor wetenschappen (bètavakken) en technologie te bevorderen, de AXIS-stichting opgericht. Deze heeft tot doel de keuzeprocessen
van jongeren te beïnvloeden zodat ze meer kiezen voor wetenschappen, technologie en technische vakken. Bedoeling is ook de vroegtijdige uitval uit het technische beroepsonderwijs
te vermijden. De door AXIS gehanteerde aanpak is interessant omdat deze duidelijk het accent legt op studie- en beroepskeuze, het inrichten van het onderwijs zelf en de samenwerking met het bedrijfsleven.
De informatie over de goede-praktijkvoorbeelden die door de AXIS-Stichting worden ondersteund is uitstekend werkmateriaal voor alle leraren en scholen die technologie en wetenschappen op school wensen te bevorderen. Deze voorbeelden bestrijken de gehele keten vanaf de kleuterschool tot het hoger onderwijs.
Ook in alle Duitse Länder staat het verbeteren van onderwijs van wiskunde, wetenschappen
en techniek hoog op de agenda. Dit is dan ook één van de 15 prioriteiten voor geheel
Duitsland waarrond innovatieve pilootprojecten worden gestimuleerd. Het project SINUS
(Steigerung der Effizienz des mathematisch-naturwissenschaftlichen Untterrichts) werkt met 180
scholen rond de verhoging van de efficiëntie in onderwijs van wiskunde en natuurkunde In
Duitsland.
Voor verdere informatie zie de website: http://www.sici.org.uk/ .
De publicatie “Evaluation of schools providing compulsory education in Europe”, Eurydice, Brudsel, 2004, is te
vinden op de volgende website: http://www.eurydice.org/Documents/EvalS/en/FrameSet.htm.
44
45
35
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
In Zweden wordt tijdens de bijscholing van leraren bijzonder aandacht geschonken aan het
verbreden van de rol van de leraar in het beroeps- en technisch onderwijs en het ontwikkelen
van de competenties voor het onderwijzen van het nieuwe technologieprogramma. Dit heeft
geleid tot het aanbieden van een cursus van 10 credits voor leraren van VET vakken. De
cursus benadrukt onder andere de betere samenwerking tussen de school en het lokale bedrijfsleven. Er is ook een cursus ontwikkeld rond technologie en entrepreneurschap.
Finland wil werk maken van een uitbreiding van de technische lerarenopleiding om verschillende redenen; één daarvan is om de interesse voor technologie en techniek bij jongeren
te vergroten. Ook het detacheren van meer leraren naar de bedrijven moet in dit licht gezien
worden.
Frankrijk denkt aan het aanbieden van beroepsmodules voor alle leerlingen op het niveau
van de collèges, het lager secundair, om zo de interesse voor techniek en technologie en voor
technische beroepen te bevorderen.
Andere Europese projecten en initiatieven, o.a. in het kader van het Socrates-programma, benadrukken het bevorderen van de interesse voor technologie en wetenschap. Sommige van
deze initiatieven (zoals SMEC46) bevorderen de samenwerking tussen het onderwijs en de
culturele sector door het uitbouwen van samenwerking tussen (lagere) scholen en de musea
voor wetenschappen en technologie.
2.2.8 Een structurele samenwerking tussen onderwijs, en het bedrijfsleven, de
non-profit-sector en openbare diensten
De samenwerking tussen de onderwijswereld, het bedrijfsleven en de non-profit sector komt
in de bestudeerde landen op verschillende wijzen aan bod. Er mag daarbij niet vergeten
worden dat dit in bepaalde landen reeds structureel verankerd is – bijvoorbeeld het duaal
systeem47 voor de beroepsopleiding in Duitsland – terwijl dit voor andere een nog bijna
onontgonnen gebied is.
Duitsland hecht bijzonder veel belang aan het bevorderen en verbeteren van de samenwerking met het bedrijfsleven, gezien het belang van de Duitse duale beroepsopleiding. Het
aantal aangeboden stageplaatsen loopt terug en er zijn dringende maatregelen nodig om
hieraan te verhelpen. Een van de prioriteiten voor alle Duitse Länder is het verbeteren van
de kwaliteit van de stages in de bedrijven en ervoor te zorgen dat alle jongeren voor de
leeftijd van 16 jaar een stage van twee tot drie weken kunnen lopen in een bedrijf als ze dat
wensen. Het mag dan ook niet verbazen dat de samenwerking tussen onderwijs en bedrijf,
de modularisering van de cursussen, de bijscholing van leraren in beroeps- en technische
scholen en het ontwikkelen van nieuwe leerconcepten in het duale systeem, drie van de 15
prioriteiten zijn waarrond in alle Länder innovatieve pilootprojecten worden opgestart.
SMEC: Museum-School cooperation for improving the teaching and learning of sciences. Zie de website:
http://www.museoscienza.it/smec/ in Milaan.
47 In Duitsland vindt het grootste deel van de technische en beroepsopleiding in het “hoger secundair” plaats op
de werkplek in bedrijven; scholen staan enkel in voor een aantal algemene vakken.
46
36
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Ook Oostenrijk en Denemarken hechten veel belang aan samenwerking met bedrijfsleven en
zoeken naar innoverende vormen van samenwerking. Oostenrijk coördineert het Comenius
Netwerk SAB - MTW 'School and Business; Making Transition Work'48, rond samenwerking
school en bedrijf coördineert op Europees vlak. Samenwerking met het bedrijfsleven wordt
ook bevorderd in Oostenrijk door het opzetten van technologische centra waar de transfer
van knowhow kan gebeuren tussen onderwijs en bedrijf. Dit is een evolutie die reeds aan de
gang is in verschillende Europese landen.
De Pathfinders projecten in Engeland streven ernaar de samenwerking tussen de scholen, de
Further Education colleges en de bedrijven te bevorderen in samenspraak met de lokale of
regionale verantwoordelijken voor onderwijs en vorming. In het concept van de Pathfinder
schools moeten alle jongeren leren over werk en bedrijven om de band met het latere werk en
het bedrijfsleven te bevorderen. De Pathfinders moeten ook meer stages aanbieden in bedrijven en moeten uitdrukkelijk inspanningen leveren om entrepreneurship te bevorderen
Ook het uitbouwen van de Lycées des Métiers in Frankrijk heeft mede als doel om de samenwerking tussen alle stakeholders in een regio bevorderen. Zo een Lycée des Métiers moet deel
uitmaken van een regionaal strategisch plan voor de beroepsvorming van jongeren. Het Lycée des Métiers biedt zowel initiële vorming als nascholing aan, werkt ook aan de erkenning
van elders verworven competenties (EVC) en slaat bruggen tussen verschillende vormen van
formeel en niet formeel leren. De samenwerking tussen het beroeps- en technisch onderwijs
en het bedrijfsleven wordt ook bevorderd door de taxe d’apprentissage.
De regionale samenwerking is ook één van de vier centrale thema's i.v.m. het BVE, de beroeps- en volwasseneneducatie, in Nederland. De redenering is dat een onderwijsinstelling
alleen sterk kan zijn als de omgeving haar daarin steunt.
In Zweden vindt men in dertien van de zeventien programma's in het hoger secundair
onderwijs 15 weken stage, gespreid over de drie jaren van dit hoger secundair. Dit is zowel
bedoeld om jongeren te leren kennismaken met het bedrijfsleven en hun zin voor entrepreneurschap te bevorderen, als om scholen aan te zetten meer contacten uit te bouwen met het
bedrijfsleven. In de toekomst hoopt men in Zweden stages uit te breiden tot alle programma's en dus voor alle leerlingen. Ook het feit dat in Zweden de gemeentebesturen (die
verantwoordelijk zijn voor de scholen) plaatselijke specialisaties kunnen goedkeuren om te
beantwoorden aan de noden van plaatselijke bedrijven, bevordert duidelijk samenwerking
met het bedrijfsleven. In Zweden worden verder regionale onderwijsunits uitgebouwd,
onder andere om meer flexibele leerroutes te kunnen opstellen en om samenwerking met
bedrijven beter uit te bouwen.
Ook Finland benadrukt het bevorderen van de samenwerking op regionaal vlak met bedrijven om de regionale ontwikkeling te ondersteunen. Regionale netwerken van scholen dienen
SAB - MTW is een Comenius 3 netwerk. Voor verdere informatie zie de volgende website van de Commissie:
http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/comenius/activities/network2001_en.pdf of de
website van het netwerk zelf: http://comenius.stvg.at
48
37
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
een gediversifieerd aanbod van onderwijs aan te bieden dat onderwijs en vorming garandeert voor alle jongeren.
De Foundation Degrees in Engeland zijn een goed voorbeeld van samenwerking tussen school
en bedrijfsleven om de toegang tot hoger onderwijs te bevorderen49. Deze Foundation Degrees
zijn bedoeld voor jongeren die op zestien jaar naar de FE colleges zijn gegaan en dan zijn gaan
werken. Deze jongeren hebben geen rechtstreekse toegang tot universitair onderwijs. De
Foundation Degrees die samen met bedrijven en universiteiten worden ontwikkeld, bieden
aan deze jongeren de mogelijkheid om toegang te verkrijgen tot het hoger onderwijs. Daarbij
wordt rekening gehouden met de elders verworven competenties.
De Schotse regering werkt aan een samenwerkingsstrategie tussen scholen, FE Colleges en lokale bedrijven om het voor leerlingen gemakkelijker te maken door te stromen naar de FE
Colleges tijdens hun studie en naar de bedrijven na hun studie. Een officiële partnerschapsovereenkomst is mogelijk tussen scholen en FE Colleges in het kader van het initiatief “A
partnership for a Better Scotland".
Verschillende landen bouwen projectwerk in het beroeps- en technisch onderwijs in langs
projecten waarbij bedrijven een duidelijke rol spelen. Onder andere Oostenrijk, de Scandinavische landen, Engeland en Schotland maken daar werk van.
Samenwerking tussen bedrijven en scholen, kan zoals in Engeland, ook bijdragen tot het
bevorderen van "Anders sturen" door het vormen van directieleden en schoolhoofden. Het
Partners in Leadership50 programma koppelt een directeur van een school aan een bedrijfsleider om samen te werken aan management en leiderschap. Op dit ogenblik zijn meer dan
5.000 scholen en 12.000 bedrijven bij dit initiatief betrokken. Meer algemeen blijkt dat in de
meeste landen die werden onderzocht bedrijfsleiders en kaderleden deel uitmaken van
raden van bestuur, van examencommissies en van diverse participatieve organen..
Bedrijven worden in verschillende landen betrokken bij het uitwerken van de opleidingsprofielen en de diploma-eisen, vooral in het beroeps- en technisch onderwijs. Dit is reeds goed
georganiseerd in landen zoals Nederland, Oostenrijk en Duitsland.
In Engeland is begin april 2004 het initiatief gestart “A Partnership for the 21st century schools :
Building schools for the future”51. Dit initiatief wil ondersteuning geven aan de LEA, de Local
Education Authorities, die een speerpuntrol willen spelen in het ambitieuze programma
voor de scholen van de toekomst te bouwen. Dit programma heeft tot doel aangepaste
gebouwen te verstrekken aan elke leerling van het secundair onderwijs door middel van een
renovatie en herbouwinitiatieven over de 10 tot 15 volgende jaren. Deze PfS of Partnerships
for the future willen innovatieve voorbeelden van PPS-formules – Publiek-Private samenwerking – opzetten voor het financieren van gebouwen voor secundaire scholen.
Voor verdere informatie zie de website: http://www.foundationdegree.org.uk/
Voor verdere informatie zie de website: http://www.bitc.org.uk/resources/case_studies/pilcasestudy.html
51 Building schools for the future; verdere informatie vindt men op de volgende website:
http://www.teachernet.gov.uk/management/resourcesfinanceandbuilding/funding/capitalinvestment/
49
50
38
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Deel II
Beleidsontwikkelingen en goede praktijken
in 10 Europese landen
39
Dit tweede deel bevat tien hoofdstukken, die elk één van de onderzochte landen bespreken:
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Nederland
Duitsland
Denemarken
Zweden
Finland
Noorwegen
Engeland
Frankrijk
Oostenrijk
Schotland.
Voor elk land komen achtereenvolgens aan bod:
 een schematisch overzicht van het onderwijssysteem
 de belangrijkste beleidsontwikkelingen met betrekking tot innovatie in het onderwijs
 de benadering die gevolgd wordt naar “piloot-“, “demonstratie-”, “goede praktijk”, … scholen
 samenvatting en conclusies
 voorbeelden van goede praktijken.
Voor Nederland en Duitsland wordt van deze structuur licht afgeweken.
De schema’s over de onderwijssystemen zijn afkomstig uit Eurybase van Eurydice. Op deze website
kan verdere informatie over de onderwijssystemen gevonden worden: http://www.eurydice.org
Voor elk land worden de voornaamste bronnen, interessante websites en vaak ook emailadressen aangegeven.
40
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1. Nederland
1.1 Schema onderwijssysteem
41
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1.2 Beleidselementen en beleidsopties
52 53
1.2.1 Inleiding
Op dit ogenblik zijn in Nederland belangrijke ontwikkelingen aan de gang op het vlak van
het primair onderwijs, de “basisvorming”, de “tweede fase” en het beroepsonderwijs.
Eén van de hoofdelementen van het beleid betreft “minder regels”. Door minder regels ontstaat meer ruimte en tijd voor onderwijsinstellingen om hun eigen verantwoordelijkheid te
nemen. Deze grotere autonomie of “meer ruimte” vormt het tweede aspect van de besturingsfilosofie. Maar autonomie dient gepaard te gaan met duidelijke afspraken over kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid. Een goede verantwoording is nodig van instellingen naar de overheid en de omgeving van de instelling, en van overheid tegenover samenleving en politiek: dit vormt het derde onderdeel van de bestuurlijke aanpak. De verantwoordelijkheid van de rijksoverheid ligt op niveau van het onderwijssysteem.
De algemene tendens is het onderwijsveld van de sectoren primair onderwijs, voortgezet
onderwijs (basisvorming, vwo en havo) en beroepsonderwijs meer en directer te betrekken
bij de totstandkoming van het beleid. De interactieve manier van beleidsontwikkeling en
beleidsuitvoering zal de komende jaren verder gestalte krijgen in het primair onderwijs.
Voor het voortgezet onderwijs loopt er een soortgelijk traject. Daar waar thematisch directe
raakvlakken liggen tussen primair en voortgezet onderwijs zal dit in de documenten tot
uitdrukking worden gebracht.
1.2.2 Primair onderwijs54
In de Koers voor het Primair Onderwijs (= basisonderwijs) staan de volgende thema's centraal:
 onderwijskwaliteit en innovatie
 onderwijspersoneel en organisatie
 de maatschappelijke opdracht van de school in relatie tot de omgeving.
Onderwijskwaliteit en innovatie
Om tot een autonome school te komen die zelf haar kwaliteit bewaakt, dienen de volgende
onderwerpen aangesneden te worden:
 verbeteren van de kwaliteitszorg
 ondersteuning bij het ontwikkelen en verspreiden van vernieuwingen van onderop
 ruimte voor 'maatwerk' vanuit het perspectief van de school en grenzen aan variëteit tussen scholen.
52
Algemene informatie vindt men voor Nederland o.a. op de website Ministerie van Onderwijs en Wetenschap:
http://www.minocw.nl/onderwijs/index.html. Ook Eurybase van Eurydice kan geraadpleegd worden:
http://www.eurydice.org
53 Bijzondere dank gaat naar Beatrice Boots en Jeanine Bekking van de AXIS Stichting voor hun actieve medewerking. Ook dank aan Marcel Wiggers van ROC-ON (Oost-Nederland).
54 Voor verdere informatie, zie o.m. de website van het ministerie: http://www.minocw.nl/po/index.html en de
nota "Meerjarenbeleidplan voor het primair onderwijs van 29-10-2003" die op de volgende webpagina te vinden is:
http://www.minocw.nl/brief2k/2003/doc/51484.pdf
42
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 verantwoordelijkheden van het rijk, de inspectie van het onderwijs, het schoolbestuur, de
schoolleider, leraren en ouders ten aanzien van kwaliteit en innovatie, waaronder de
verantwoordelijkheid voor een goede aansluiting van de basisschool naar het voortgezet
onderwijs (doorlopende leerlijnen).
 de wijze van verantwoording afleggen over kwaliteitsbeleid, en de rol die leerlingvolgsystemen en toetsen daarbij spelen.
Onderwijspersoneel en organisatie
Naar de toekomst toe moet een school zelf bepalen hoe de organisatie en het personeelsbeleid vorm krijgt. Dit vraagt een gesprek over de volgende onderwerpen:
 versterken van de school als professionele organisatie en de schoolleider als professional
 wijze van ondersteunen van scholen bij de versterking van de onderwijsorganisatie en het
verspreiden van vernieuwende ideeën
 ruimte voor scholen om anders te organiseren en de grenzen aan de verschillen tussen
scholen ten aanzien van personeelsbeleid
 verantwoordelijkheden rijk, schoolbestuur, schoolleider, leraar, ouders en de opleidingen
ten aanzien van onderwijspersoneel en organisatie
 verantwoording over de inrichting van de organisatie en het personeelsbeleid.
De maatschappelijke opdracht van de school in relatie tot de omgeving
Het beter positioneren van de school in haar omgeving vraagt om een gesprek over de
volgende onderwerpen:
 verantwoordelijkheden van ouders en de school ten aanzien van de opvoedende taak en
waarden en normen, en de rol van de school ten aanzien van het oplossen van maatschappelijke problemen
 ondersteunen van scholen bij de invulling van de maatschappelijke opdracht
 verantwoordelijkheid van de scholen ten aanzien van leerlingen met beperkingen dan wel
achterstanden
 ruimte voor scholen om zorg voor leerlingen te verbeteren en de reikwijdte van de zorgplicht van een school; de rol van de gemeente ten aanzien van de samenwerking tussen
scholen en andere maatschappelijke instituties
 verantwoordelijkheden rijk, gemeente, schoolbestuur, schoolleider, leraar en ouders ten
aanzien van de maatschappelijke opdracht van de school in relatie tot de omgeving.
 de wijze waarop over de maatschappelijke opdracht rekenschap wordt afgelegd.
1.2.3 Basisvorming55
Ook voor de basisvorming (= de eerste fase van het secundair onderwijs) is in Nederland een
reflectie op gang gekomen. Op basis van het advies "De basisvorming: aanpassing en
toekomstbeeld" van de Onderwijsraad heeft het vorige kabinet in 2001 verbeteringen voorgesteld voor de basisvorming. De belangrijkste zijn:
Voor meer informatie zie o.m. de tekst "Waarom moet de basisvorming verbeterd worden?" op de website:
http://www.minocw.nl/basisvorming/bvns.html.
55
43
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Het onderwijsprogramma bestaat voor 2/3 uit een verplicht deel. Hiervoor worden landelijke kerndoelen opgesteld. Scholen kunnen eigen keuzes maken voor de inrichting van
het programma. Zo kunnen ze de kerndoelen aanbieden in vakken, leergebieden of op andere manieren (bijvoorbeeld in projectvorm). Daarnaast mogen scholen een differentieel
curriculum opstellen, dat 1/3 van de onderwijstijd inneemt. Dit om de versnippering en
overlading van het programma te vermijden en om het onderwijsaanbod beter af te
stemmen op de leerlingen. Tegelijk blijven een brede algemene vorming en goede doorstroommogelijkheden voor leerlingen naar andere onderwijsvormen gehandhaafd.
 Het kerncurriculum wordt zo ingevuld dat het in de eerste twee jaren van het voortgezet
(= secundair) onderwijs kan worden afgerond. Scholen mogen er ook langer of korter over
doen, als dat voor (groepen) leerlingen verstandiger is. Voor scholen wordt het daardoor
eenvoudiger het programma van de basisvorming te organiseren en aan te sluiten op de
behoeften van ouders en leerlingen.
Voor de concrete uitwerking van de plannen tot verandering is in september 2002 de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming opgericht. Deze groep moet een advies uitbrengen over de
inhoud van een set kerndoelen voor het kerncurriculum en voorstellen formuleren voor
leergebieden. De Taakgroep zal doorlopende leerlijnen moeten schetsen, waarin het einde
van het basisonderwijs, de basisvorming en de bovenbouw van het VMBO ( beroepsonderwijs) en HAVO/VWO ( technisch/algemeen vormend onderwijs) op elkaar aansluiten.
1.2.4 De “Tweede fase” (bovenbouw VWO en HAVO)56
In de bovenbouw van havo en vwo wordt steeds meer nadruk gelegd op een brede algemene vorming en een betere samenhang tussen verschillende vakken. Net als in de basisvorming zijn de vakinhouden in de bovenbouw vernieuwd. Een tweede aandachtspunt bij de
vernieuwde Tweede Fase is een zelfstandiger manier van werken en studeren – het zogenaamde Studiehuis – die beter moet aansluiten bij de werkwijze in het hoger onderwijs. De
overstap naar een vervolgopleiding zou daardoor makkelijker moeten worden, en leerlingen
zouden minder snel afhaken in het hoger onderwijs.
Het Studiehuis heeft betrekking op de vormgeving en organisatie van de nieuwe benadering
van leren in de tweede fase. Zelfstandiger werken en studeren vraagt namelijk een andere
manier van denken en organiseren. De nadruk ligt steeds meer op het ontwikkelen van
praktische en sociale vaardigheden, niet enkel gericht op kennisverwerving, maar ook op het
leren omgaan met grote hoeveelheden informatie en de toepassing daarvan. Het studiehuis
heeft ook gevolgen voor de rol van de docent. Naast kennisoverdracht is zijn taak steeds
meer het coachen en begeleiden van leerlingen. 'Het' studiehuis is een metafoor voor een andere, door de school gekozen, werkwijze. De overheid heeft hiervoor geen regels vastgesteld.
Een belangrijk kenmerk van de Tweede fase zijn de profielen. Een profiel bestaat uit een samenhangend onderwijsprogramma dat – samen met zelfstandiger werken – de leerling in
Voor meer informatie, zie o.m. de website: http://www.minocw.nl/tweedefase/factsheet.html en de nota
'Continuïteit en vernieuwing in de tweede fase van havo en vwo', te vinden op de volgende webpagina::
http://www.minocw.nl/brief2k/2002/doc/50050a.pdf
56
44
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
havo en vwo beter voorbereidt op een opleiding aan een hogeschool of universiteit. Door die
betere aansluiting kan ook het aantal studenten dat het hoger onderwijs voortijdig verlaat,
verminderen. Leerlingen kunnen kiezen uit de profielen cultuur en maatschappij, economie
en maatschappij, natuur en gezondheid, en natuur en techniek. Een profiel kent vakken die
voor alle leerlingen gelijk zijn, een deel dat specifiek is voor het gekozen profiel en een vrij in
te vullen deel. De vrije ruimte kan worden gebruikt om vakken te volgen uit een ander
profieldeel als betere voorbereiding op het hoger onderwijs.
Belangrijk is ook het begrip studielast. Studielast is de tijd die de gemiddelde leerling nodig
heeft om zich een bepaalde hoeveelheid leerstof eigen te maken, m.i.v. het volgen van de
lessen op school en de voorbereiding thuis. Werkstukken schrijven, boeken lezen, een
mediatheek gebruiken en deelnemen aan excursies horen er ook bij. Het uitgangspunt is dat
een leerling gedurende 40 weken per jaar 40 uur per week aan zijn opleiding besteedt. Dat
komt neer op een studielast van 1600 uur per jaar. Voor de tweede fase van het havo is dat
dus 3200 uur (over twee jaren) en voor het vwo 4800 uur (over drie jaren).
De eerste studies over de invoering van de profielen en het studiehuis geven aan dat de
scholen en leraren veel hebben geïnvesteerd in de vernieuwing, en er reeds veel mee bereikt
hebben. De belangrijkste opbrengsten van de invoering van profielen en de ontwikkeling
naar het studiehuis blijken de volgende te zijn:
 de profielen leiden tot een bredere vorming (bijvoorbeeld: invoering van culturele en
kunstzinnige vorming voor álle leerlingen)
 de profielensystematiek leidt tot een bewustere oriëntatie op vervolgstudie en beroep
 de profielen hebben geleid tot een meer samenhangend vakkenpakket
 door het concept van het studiehuis is een ontwikkeling in gang gezet naar een meer
zelfstandige, actieve leerling
 het vaardigheidsonderwijs ontwikkelt zich
 examenprogramma’s, examens en leermiddelen hebben een belangrijke impuls gekregen
 informatie- en communicatietechnologie is meer geïntegreerd in het onderwijs
 het idee van het studiehuis en het streven naar meer gevarieerde werkvormen hebben er
scholen en leraren meer doen nadenken over hun eigen gewenste aanpak
 de contacten met het vervolgonderwijs (universiteiten, hogescholen) zijn geïntensiveerd.
Naar de toekomst liggen een aantal voorstellen op tafel:
Meer ruimte voor de profielen
 Aanpassingen dienen aangebracht zonder nieuwe belasting. Vernieuwing is nodig op volgende vlakken: examenprogramma's en examens, leermiddelen, de professionaliteit van
de leraar en het onderwijskundig leiderschap.
 Verlichting en vereenvoudiging. Het profielsysteem moet beter 'studeerbaar' zijn voor de
leerling; beter 'werkbaar' voor de leraars; beter 'organiseerbaar' voor scholen en beter
'stuurbaar' door de overheid en de scholen.
 Invoeringsproblemen moeten door de scholen zelf worden opgelost. De overheid zal ondersteunen en voorlichten op basis van gesignaleerde moeilijkheden. Scholen hebben
aanvullende middelen om professionaliteit verder te ontwikkelen.
45
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Draagvlak vergroten door de scholen en leraars ruimte te geven in het meespreken over
landelijke kaders.
Voorstellen voor verbetering van profielstructuur
 De profielstructuur blijft het uitgangspunt omdat ze een samenhang tussen de vakken
bevorderen en een betere voorbereiding zijn op hoger onderwijs.
 De invulling van de profielen kan verbeterd worden. Het gemeenschappelijk programma
blijft bestaan. De profieldelen krijgen meer keuzemogelijkheden om de keuzemogelijkheden van de leerlingen te vergroten. De mogelijkheid om het vrije deel te vergroten moet
nadrukkelijk worden bekeken.
 Het aantal profielen staat ter discussie: drie in de plaats van vier. Er kan gestreefd worden
naar het combineren van profielen.
 Komen tot volledige vakken in de plaats van de huidige deelvakken. Alle examenvakken
moeten reële ruimte krijgen. Een betere afstemming tussen de vakken in het gemeenschappelijk deel en het profieldeel is wenselijk. Er moet een standaardisering komen van
het aantal en de omvang van de vakken in elk profiel. Zo ontstaan er meer afgeronde
gehelen van vakken.
 De uitslagregel (de weging en becijfering naar de uitslagen toe) van de vakken dient
eenvoudig en uniform te worden.
 Het centraal examen blijft gehandhaafd naast het schoolexamen. Dwingende vormvoorschriften voor het schoolexamen kunnen verdwijnen aangezien dit past bij de school als
professionele organisatie.
 De doorstoomregeling tot het hoger onderwijs op basis van profiel en vakken moet flexibeler en minder complex worden.
 Het onderscheid vwo en havo moet duidelijk waarneembaar zijn.
1.2.5 Beroepsonderwijs
Een aantal belangrijke factoren liggen aan de basis liggen van recente beleidsontwikkelingen
in Nederland op het vlak van het beroepsonderwijs.
De Nederlandse arbeidsmarkt schreeuwt om meer en beter opgeleide vakmensen. Vrijwel
iedere branche kampt met tekorten, alle imagocampagnes ten spijt. Volgens de meeste waarnemers moet het rendement van het beroepsonderwijs daarom omhoog. De uitval van leerlingen tijdens de opleiding moet verminderen. En minstens net zo belangrijk: de doorstroom
tussen verschillende opleidingen – tussen vmbo57 en mbo, en tussen mbo en hbo – moet verbeteren.
De route van vmbo via mbo naar hbo heet de “beroepsonderwijskolom”, kortweg de “beroepskolom”. Het ministerie van Onderwijs en Wetenschap en het beroepsonderwijs zelf werken
sinds enkele jaren aan een beter functionerende beroepskolom.
vmbo = voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (12-16 jaar)
mbo = middelbaar beroepsonderwijs (+16 jaar)
hbo = hoger beroepsonderwijs, enigszins vergelijkbaar met de hogeschoolopleidingen met een cyclus (binnenkort:
professionele bachelor opleidingen)
57
46
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Naar aanleiding van de ondertekening van een convenant waarmee de BVE-Raad58, COLO
(Vereniging kenniscentra beroepsonderwijs–bedrijfsleven) en Paepon59 zich akkoord verklaarden om gezamenlijk te werken aan een ingrijpende herstructurering van het beroepsonderwijs in Nederland hield Staatssecretaris Annette Nijs op 1 oktober 2003 een toespraak
waarin zij het belang en de krachtlijnen van de verniewing aangaf.
De Staatssecretaris benadrukte de volgende elementen:
 vernieuwing is nodig om beter aan te sluiten bij wensen van bedrijfsleven en beroepsonderwijs
 het accent dient te liggen op kennis en kunde die mensen nodig hebben om te functioneren in hun beroep en in de maatschappij; vernieuwing en invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur
 een betere voorbereiding op de beroepspraktijk is noodzakelijk
 er dient zowel rekening worden gehouden met de talenten en wensen van de leerlingen
als de wensen van het bedrijfsleven en de maatschappij
 onderwijsinstellingen gaan in de kwalificatiestructuur uit van de talenten en interesses
van de leerlingen
 de leerling wordt de mogelijkheid geboden zijn eigen loopbaan vorm te geven gebaseerd
op zijn interesses en talenten
 bedrijfsleven en beroepsonderwijs werken samen aan het opstellen van de diploma-eisen
 leren in en van de praktijk zal aan belang inwinnen
 meer gebruik van actievere werkvormen om lerenden te motiveren en minder uitval te
hebben
 opleiden van flexibele werknemers die breed inzetbaar zijn en die zowel zelfstanding als
in teamverband kunnen werken.
Het document “Koers BVE: perspectief voor het middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie” beschrijft tweejaarlijks de ontwikkelingen in de sector en lijnen voor de toekomst60.
Met Koers BVE beschrijft de Nederlandse onderwijsminister de richting waarin de BVE-sector
zich momenteel ontwikkelt, waarbij lopende beleidsinitiatieven, belangwekkende ontwikkelingen, discussies en mogelijke dilemma's in een samenhangend kader worden beschreven.
De vier centrale thema’s i.v.m. het BVE die in dit document van 2000 werden benadrukt zijn
de volgende:
 Evenwicht in zelfsturing en verantwoording. Het idee is de verschillende partners een
dermate eigen verantwoordelijkheid te geven, dat de Nederlandse rijksoverheid in een
aantal opzichten op afstand kan blijven.
 Regionale samenwerking. Een onderwijsinstelling kan alleen sterk zijn als de omgeving
haar daarin steunt.
 Kwaliteit van de beroepsopleiding. Het gaat er om de deelnemers zo goed en zo snel mogelijk voor te bereiden op de verwachtingen van het bedrijfsleven en van de maatschappij.
BVE-Raad = Raad voor Beroeps- en Volwasseneneducatie. De BVE-Raad is de landelijke brancheorganisatie van
onderwijsinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (BVE). De BVE-Raad
behartigt de collectieve belangen van de BVE-sector
59 Paepon = Platform van Aangewezen / Erkende Particuliere Onderwijsinstellingen
60 Deze publicatie is beschikbaar op de volgende web site: http://www.minocw.nl/koersbve/nota1/index.html
58
47
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Kwaliteit wordt bepaald door de samenwerking met de omgeving. Het onderwijs wordt
gevoed vanuit het bedrijfsleven en/of de lokale overheid.
 Het ontwikkelen van alle talenten bij de deelnemer moet centraal staan. Onderwijsinstellingen (in casu ROC’s) dienen aansprekende en passende leeromgevingen aan te bieden
die uitdagend zijn voor de lerende. Alle mogelijkheden, alle vormen van leren en werken,
van didactische vormgeving en digitaal leren, en dit op maat van de lerende zijn mogelijk.
1.3 De Stichting AXIS
1.3.1 De AXIS-Stichting en haar rol
In Nederland werden gedurende jaren tal van promotiecampagnes gevoerd om jongeren aan
te moedigen meer te kiezen voor technische studies en beroepen. Deze hadden evenwel
slechts een beperkt succes. Daarom werd in 1999 het AXIS-platform (http://www.platformaxis.nl/) opgericht voor een periode van 5 jaar, door vertegenwoordigers van onderwijs, de
bedrijfswereld en de overheid. AXIS kreeg de ruime opdracht bij meer jongeren interesse te
wekken voor studies in verband met (exacte) wetenschappen61 en techniek. Verhoopt werd
dat dit uiteindelijk zou leiden tot meer keuzen voor een beroep op één van deze gebieden.
Dit initiatief illustreert de inspanningen die Nederland levert om de subdoelstelling 1.3. van
het Gedetailleerde werkplan van de Europese Unie AOT te verwezenlijken, m.b.t. het vergroten van de instroom in de technische richtingen en de studierichtingen van de exacte
wetenschappen. Het rapport van deze Europese werkgroep verwijst ook naar enkele goede
praktijkvoorbeelden uit de AXIS goede praktijkenbank62.
De activiteiten van AXIS kunnen binnen Europa beschouwd worden als een zeer interessante en goed gestructureerde aanpak voor het bevorderen van de bètavakken en techniek.
De AXIS-activiteiten bestrijken het gehele onderwijsstelsel, van de basisschool tot het hoger
onderwijs. AXIS hanteert een aanpak bestaande uit drie kernelementen63, die men de AXISvisie noemt:
1. Studie- en beroepskeuze. Het positief beïnvloeden van keuzeprocessen door te zorgen dat jongeren in basis- en voortgezet onderwijs positieve ervaringen opdoen met
techniek en daardoor ook kiezen voor technische vakken.
2. Onderwijs. Het vernieuwen van bèta/techniek-opleidingen en meer aantrekkelijk inrichten van het technische beroepsonderwijs om de relatief grote voortijdige uitval te
voorkomen.
3. Bedrijfsleven. Aantrekkelijk maken van werk in bedrijven en beroepen en zorgen dat
bedrijven in de technische sector mensen werven en daadwerkelijk behouden, bijvoorbeeld via goede begeleiding op de werkvloer en aansprekende loopbanen.
In Nederland wordt voor exacte wetenschappen de term “Bèta-vakken” gebruikt.
Zie het rapport van de Werkgroep: Increasing participation in Math, sciences and technology
http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/doc/maths_sciences_en.pdf
63 De analogie met drie kernprincipes van Accent op Talent – anders kiezen, anders leren, anders werken – is
frappant.
61
62
48
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
AXIS heeft als eerste activiteit het samenbrengen van alle betrokken partijen om samen te
werken aan oplossingen voor de problematiek. De belangrijkste activiteiten bestaan uit het
opzetten van innoverende projecten en onderzoek naar de redenen waarom jongeren niet
voor wetenschap en techniek kiezen.
De projecten hebben zowel als doel om het beeld dat de jongeren zich vormen rond wetenschap en techniek te beïnvloeden, als de inhoud van de studies en de pedagogische werkwijzen eveneens te vernieuwen. De bedoeling is met deze pilootprojecten duidelijk vanuit de
basis – bottom-up – een vernieuwing tot stand te brengen. Meer dan 70 projecten werden de
voorbije jaren gefinancierd. Bij het selecteren van de projecten wordt vooral gezocht naar
innoverende aanpakken met creatieve oplossingen voor het bevorderen van bètavakken en
techniek. Projecten worden voor 1/3 ondersteund door AXIS (met overheidsmiddelen), 1/3%
door het bedrijfsleven en 1/3 door de school zelf. Extra middelen worden gegeven om andere
scholen mee op sleeptouw te nemen.
Veel enthousiaste vmbo-scholen ontwikkelen met hulp van AXIS geheel nieuwe programma’s voor hun opleidingen. Het gaat dan om brede techniekopleidingen met specialisatiemogelijkheden of gecombineerde en sectoroverstijgende opleidingen. Er zijn 35 dergelijke projecten opgezet waarin 79 scholen participeren. Bijzonder aan de herontwerpactiviteiten is dat
het initiatief vanuit de scholen komt.
De projecten kunnen de gehele beroepsketen vanaf de kleuterschool tot de hogeschool of
universiteit. Sommige zijn meer toegespitst op de “beroepskolom”, waarmee de samenhang
en overgang tussen vmbo – mbo – hbo wordt bedoeld.
1.3.2 Informatie beschikbaar bij AXIS64
De “AXIS Good Practice”-projecten – de goede-praktijkvoorbeelden – zijn alle samengebundeld in één grote gegevensbank die langs het “AXIS-Rad” toegankelijk is. Dit AXIS-Rad is
opgesplitst in drie deelgebieden: onderwijs, bedrijf en jongeren. Het deel onderwijs bevat
goede praktijkvoorbeelden op de volgende drie gebieden: nieuwe didactiek, de doorlopende
leerlijn en bredere leertrajecten. Men vindt er voorbeelden vanaf het basisonderwijs tot
vmbo, mbo, ROC en hbo en universiteiten.
De AXIS goede-praktijkvoorbeelden bieden een ruime informatie door in te gaan op de volgende elementen: een korte beschrijving, de aanleiding, de doelen, de resultaten en de
leermomenten. Na de beschrijving volgen altijd bestanden die men kan downloaden en zeer
praktisch materiaal bevatten zoals achtergrondartikels of meer gedetailleerde informatie.
Elke beschrijving wordt beëindigd met informatie over de projectcoördinator.
Het einde van dit hoofdstuk bevat een selectie van 35 projecten uit de AXIS-databank
Twee interessante en gratis verkrijgbare publicaties zijn:
 MEE(R) DOEN: Een discussienota om te komen tot het actieplan Béta/ techniek; 50 stappen om te
komen tot 15% meer Bèta / technici in 2010. AXIS, juli 2003, 30 bladzijden.
64
http://www.platform-axis.nl/
49
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Naar aantrekkelijker technisch vmbo: resultaten van drie jaar herontwerp. AXIS oktober 2003, 88
bladzijden.
1.3.3 Het “Deltaplan” of “Deltapunt”65
Recent werd in Nederland de beslissing genomen om na het afronden van het AXIS-programma (midden 2004) een nieuw programma op te starten, “Deltaplan” (of “Deltapunt”)
dat verder de ingeslagen weg zal bewandelen66. De samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid blijft centraal staan. Het Delta-programma start in juli 2004 en loopt
minstens tot 2007 (en mogelijk tot 2010). Er is een budget voorzien van 60 miljoen euro om
de innovatie in scholen te blijven ondersteunen67, naast cofinanciering door o.m. het bedrijfsleven.
Nieuwe aandachtspunten zijn de duidelijke doelstelling om de instroom in de bèta/techniekrichtingen tegen 2007 met 15% te verhogen, en tegen 2010 eenzelfde verhoging te bekomen
bij de uitstroom. Er wordt ook gestreefd naar het verhogen van de participatie in het hoger
onderwijs tot 50%, met daarbinnen een groter aandeel jongeren dat kiest voor bèta- en
technische richtingen. Een ander nieuw punt is het expliciet streefdoel om buitenlands talent
aan te trekken. Interessant is de evolutie waarbij er minder exclusief op het beroepsonderwijs
wordt gefocust, maar met steeds meer aandacht voor het primair onderwijs, het voortgezet
(algemeen vormend) onderwijs en het hoger onderwijs.
De projecten worden ook minder vrijblijvend. Scholen zullen kunnen kiezen voor een
bepaald profiel maar zullen ook op hun resultaten beoordeeld worden. Er is dus een evolutie
aan de gang naar meer outputsturing van het onderwijs. Er is ook een zekere verschuiving te
verwachten van landelijke naar “regionale” sturing (zo’n 40 regio’s).
1.4 Enkele andere groepen, organisaties en projecten
Hieronder worden nog enkele andere groepen, organisaties en projecten vermeld die eveneens bij vernieuwing in het (beroeps)onderwijs betrokken zijn in Nederland.
1.4.1 COLO
COLO (http://www.colo.nl) is de vereniging van kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven. COLO behartigt de belangen van het bedrijfsleven in het beroepsonderwijs. Er zijn 19
kenniscentra, die per bedrijfstak (branche) zijn georganiseerd.
De kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven hebben voor het MBO een aantal wettelijke
taken:
 ontwikkelen van kwalificaties voor het secundair beroepsonderwijs
Gebaseerd op informatie verschaft door Jan Geurts, adviseur Stichting Axis.
Het is niet duidelijk hoelang de website van Axis, http://www.platform-axis.nl/, nog zal blijven bestaan.
Wellicht zal de database met de projecten, http://www.kennisbanktechniek.nl , nog een zekere tijd toegankelijk
blijven.
67 Ter vergelijking: het budget van Axis bedroeg 40 miljoen euro (plus co-financiering).
65
66
50
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 controleren van de examinering door onderwijsinstellingen
 werven van nieuwe leerbedrijven voor stage- en leerplaatsen
 bewaken van de kwaliteit van die leerbedrijven en het bevorderen van de internationale
diplomawaardering.
Op die manier zorgen kenniscentra ervoor dat er voldoende nieuw en gekwalificeerd talent
instroomt in de bedrijfstak waarvoor zij werken. De taken die hierboven zijn beschreven, zijn
vastgelegd in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB).
COLO krijgt overheidsmiddelen om bij te dragen tot een goed georganiseerd en hoogstaand
beroepsonderwijs door het opzetten van impulsprojecten. De Prioritaire impulsprojecten
voor 2002/2003 zijn:
 werkend leren in de beroepskolom
 aansluiting vmbo – mbo – hbo
 samen werken aan leren: invoeringplan competentiegerichte kwalificatiestructuur
Verdere info op: http://www.colo.nl/Beroepskolom/impuls_02-03.htm.
1.4.2 SLO - Stichting Leerplanontwikkeling
De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO - http://www.slo.nl) helpt scholen met de inhoud,
de organisatie en de toetsing in het onderwijs. Ze adviseert docenten, opleiders, managers en
beleidsmakers en zorgt ervoor dat onderwijsprofessionals nóg beter hun werk kunnen doen.
SLO vertaalt het onderwijs- en opleidingsbeleid en pedagogisch-didactische ontwikkelingen
naar de dagelijkse praktijk in klaslokalen, voorlichtingscentra, kantoren, musea en op andere
plekken waar het draait om de overdracht van kennis en het vormgeven aan leerprocessen.
SLO werkt voor het onderwijs, het bedrijfsleven, de overheid en non-profitinstellingen in
Nederland en (soms ver) daarbuiten. SLO is actief overal waar behoefte is aan ondersteuning
en advisering.
In het raam van de Gent 5 Akkoorden (Gehele Europese Nederlandstalige Taalgebied) heeft
SLO in samenwerking met DVO68 van het Departement Onderwijs in Vlaanderen op 11 december 2003 een nieuwe studie voorgesteld “Vergelijkende analyse van de Nederlandse profielen
tweede fase VWO/HAVO met de Vlaamse polen en specifieke eindtermen ASO”.
1.4.3 PAEPON
PAEPON (http://www.paepon.nl) staat voor Platform van Aangewezen / Erkende Particuliere Onderwijsinstellingen in Nederland. Deze belangenvereniging laat de stem van de particuliere onderwijsinstituten horen in landelijke overlegsituaties en in vertegenwoordigende
lichamen. De vereniging is gesprekspartner van de overheid, voert overleg met de sociale
partners en praat met andere belangengroeperingen.
DVO : Dienst Onderwijsontwikkeling , Departement Onderwijs, Vlaamse Gemeenschap; website
http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/
68
51
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
PAEPON geeft voorlichting en onderhoudt vele contacten, ook internationale. Eén van de
hoofddoelstellingen is de kwaliteitsverhoging- en handhaving. De leden van de vereniging
PAEPON zijn in hun organisaties per definitie niet gesubsidieerd. Zij verzorgen opleidingen
in vele vormen en voor een grote verscheidenheid aan doelgroepen. De niveaus variëren van
voortgezet onderwijs tot en met post hoger- en wetenschappelijk onderwijs.
1.4.4 Regionale Opleidingscentra (ROC’s)
De Regionale Opleidingscentra (ROC’s - http://www.roc.nl) zijn grote onderwijsinstituten
(vele duizenden leerlingen) die zijn ontstaan uit de integratie van verschillende scholen en
onderwijsinstellingen: middelbaar beroepsonderwijs, beroepsbegeleidend onderwijs/leerlingwezen, vavo, basiseducatie, vormingswerk. De doelgroep bestaat uit leerlingen vanaf 16
jaar en volwassenen. ROCs worden landelijk vertegenwoordigd door de BVE-Raad.
ROC's kennen twee verschijningsvormen: .
 ROC als Institutioneel Gefuseerde Instelling (IGI). Een institutioneel gefuseerde instelling
is een regionaal opleidingencentrum, dat gefuseerd is. Er is sprake van één instelling, één
bevoegd gezag, één college van bestuur of centrale directie, één medezeggenschapsraad
en één centraal beleid.
 ROC als Bestuurlijk Gefuseerde Instelling (BGI). Een bestuurlijk gefuseerde instelling is
een regionaal opleidingencentrum in een samenwerkingsverband. Er is sprake van één
instelling, één bevoegd gezag, één college van bestuur of centrale directie, één medezeggenschapsraad. Een BGI verplicht zich ertoe om ten minste op het terrein van financiën,
personeel, onderwijs, examens en kwaliteitszorg één gemeenschappelijk beleid te voeren
1.4.5 VMBO-plein
Het vmbo-plein (http://www.vmbo-plein) biedt voor scholieren, ouders, schoolleiders en
docenten algemene informatie over het vmbo, artikels en publicaties, relevante wet- en regelgeving, projecten, methoden, toetsing, examinering en didactiek.
1.4.6 Het Platform Beroepsonderwijs
Het Platform Beroepsonderwijs (http://www.hetplatformberoepsonderwijs.nl) wil een bijdrage leveren aan een hoger rendement; minder uitval, een sterker imago, en het centraler stellen van de loopbaan van de deelnemer in het gehele beroepsonderwijs, van vmbo tot hbo.
Alle sectoren van de beroepskolom zijn erin vertegenwoordigd.
1.4.7 SENTER - KeBB
“KeBB” staat voor “kennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven”. De KeBB-regeling
(http://www.senter.nl/asp/page.asp?id=i000000&alias=kebb) stimuleert projecten waarin de
kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven leidt tot de ontwikkeling en implementatie van innovatieve leermiddelen of leermethoden voor bestaande bve-
52
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
opleidingen, en die zo de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk
verbeteren.
Projectboekjes met een volledige beschrijving van projecten zijn te vinden op de volgende
website http://www.senter.nl/asp/page.asp?alias=kebb&id=i000008#i000005.
1.4.8 Pedagogische centra
De volgende pedagogische centra zijn in Nederland actief naar het voortgezet onderwijs en
naar het beroepsonderwijs toe.
 Algemeen pedagogisch Centrum: http://www.aps.nl/
 Christelijk pedagogisch centrum: http://www.cps.nl/
 Katholiek Pedagogisch centrum: http://www.kpcgroep.nl/
Op de websites van deze centra kan interessante informatie gevonden worden over de bijscholingen die deze centra organiseren op verschillenden vlakken zoals: coachen van leraren,
schoolorganisatie, begeleiden van leerlingen, evaluatie, kwaliteitszorg enz.
1.4.9 Iederwijs Nederland
Het initiatief “Iederwijs” wil een kader zijn waarbinnen veel mogelijk is, waarbinnen ieder
zijn persoonlijke visie naar voren kan brengen, en waarin mensen samen verder kunnen
ontwikkelen zolang het uitgaat van respect en aandacht voor elkaar. Het belangrijkste
verschil met andere vormen van onderwijs is dat deze vaak een doel hebben dat wat verderop ligt: het kind moet sociaal vaardig worden, zelfstandig worden, voor zichzelf leren opkomen, bepaalde kennis leren,... Bij Iederwijs mogen kinderen zijn wie ze zijn, voelen wat ze
voelen, en denken wat ze denken, zonder dat hier een waardeoordeel aan vast zit, of dat het
gekoppeld wordt aan een leerdoel bedacht door volwassenen.
Dit concept is verwoord in het 'V'eest van Iederwijs: Veilig Voelen, Vertrouwen op Vermogen, Vrijheid met Verbondenheid, Verrijking door Verschillen, Vormgeven van Verlangens
en Verder door Vragen en in de vijf innovaties:
 De kinderen kiezen wat, hoe en op welk moment ze iets willen leren, vanuit hun eigen
interesse. Ze volgen hun eigen programma.
 Er zijn geen aparte leeftijdsklassen, de school bestaat uit een groep van verschillende
leeftijden bij elkaar.
 Er zijn ruimtes voor verschillende activiteiten: een atelier, een tuin, een speelzolder, een
keuken, een computerruimte, een sportveld, en nog meer ruimtes die kunnen ontstaan…
 De begeleiders doen, naast het begeleiden en ondersteunen van de kinderen, wat henzelf
inspireert: tekenen, iets uit de natuur onderzoeken, wiskunde, buitensport. Op deze
manier inspireer je elkaar.
 De school wordt bestuurd door de begeleiders, kinderen en ouders samen, waarbij iedere
stem telt.
Verdere informatie kan men vinden op de website: http://www.iederwijs.nl
53
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1.4.10 Kennisnet
Met ICT en internet in het bijzonder kunnen leerdoelen op een vernieuwende manier worden bereikt. “Kennisnet” streeft ernaar om de mogelijkheden van ICT voor het onderwijs
maximaal te benutten. Kennisnet is dé internetorganisatie van en voor het onderwijs en heeft
daarmee nadrukkelijk een publieke taak. De stichting werd eind 2001 opgericht door de onderwijsorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in de Raad van Toezicht.
Op de onderwijsportal www.kennisnet.nl zijn ‘virtuele ruimten’ ingericht ten behoeve van
leer- en onderwijsprocessen. Op die manier wordt leren plaats- en tijdonafhankelijk mogelijk
gemaakt. Daarnaast organiseert en structureert Kennisnet educatieve inhouden en biedt zij
diensten aan, die ICT in het onderwijs eenvoudig toepasbaar maken. Kennisnet is voor en
van het onderwijs. Om deze positie te waarborgen hanteert stichting Kennisnet een aantal
richtlijnen. In samenwerking met diverse partners werkt Kennisnet aan een betere inzet van
ICT in het onderwijs. Dit zijn organisaties met een publiek karakter die op onderdelen
complementair zijn aan de stichting Kennisnet.
De portal van Kennisnet is gericht op drie onderwijssectoren:
 primair onderwijs (PO)
 voortgezet onderwijs (VO)
 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (BVE)
Per sector rangschikt Kennisnet de informatie voor docenten, leerlingen, ICT-coördinatoren,
schoolmanagers en ouders.
Namens de overheid ziet Kennisnet mede toe op een goede infrastructuur. Deze is tot eind
2003 door het ministerie aanbesteed bij een consortium van kabelbedrijven. Na januari 2004
krijgen scholen de mogelijkheid om hun ICT-behoeften zelf in te vullen en daarmee een
keuze te maken voor een leverancier van internettoegang en –diensten.
Een grote rijkdom aan goede-praktijkvoorbeelden is te vinden op de webpagina ‘Projectenetalage’: http://projectenetalage.kennisnet.nl/
1.5 Samenvatting en conclusies
 Nederland zet een onderwijsbeleid verder rond de hoofdlijnen: meedoen, meer werk,
minder regels.
 In het primair onderwijs wordt bijzondere aandacht besteed aan onderwijskwaliteit en
innovatie, het onderwijspersoneel en de organisatie en de maatschappelijke opdracht van
de school in relatie tot de omgeving.
 Binnen het primair onderwijs moet er, onder andere, meer ruimte gemaakt worden voor
maatwerk, de aansluiting van de basisschool op het voortgezet onderwijs, de leerlingvolgsystemen, de school als professionele organisatie, de zorgplicht van de school, de rol van
de gemeente om samenwerking te bevorderen tussen school en anderen maatschappelijke
instituties.
 Het uitwerken van een gedifferentieerd curriculum binnen de basisvorming (de eerste
jaren van het voortgezet onderwijs) wordt verdergezet.
54
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Het flexibel aanbieden van het kerncurriculum in de basisvorming zal flexibeler leerroutes mogelijk maken.
 De doorstroming van de leerlingen in de basisvorming naar andere onderwijsvormen zal
vergemakkelijkt worden.
 Het studiehuis en de aanpak van de profielen in vwo en havo vormen een goed voorbeeld
van het bevorderen van zelfgestuurd leren en van een motiverende aanpak voor leerlingen. Deze benadering wordt verder uitgebouwd en verfijnd.
 Er wordt een interessante benadering gevolgd, o.m. via de activiteiten van de AXIS-Stichting en de innoverende projecten, voor vernieuwing in het beroeps- en technisch onderwijs in het algemeen, en voor het aanwakkeren van interesse voor bètavakken en techniek.
 Er is een duidelijke en structurele samenwerking opgezet tussen alle partners in onderwijs, overheid en de bedrijfswereld om de interesse voor het beroeps- en technisch onderwijs in het algemeen en voor de bètavakken en techniek in het bijzonder te bevorderen.
 Een zeer rijke databank met duidelijke beschrijving van alle innoverende initiatieven is
beschikbaar met achtergrondteksten en verwijzing naar verantwoordelijke dragers van de
projecten. De AXIS-databank is een echte goudmijn voor beleidsmensen en voor praktijkmensen die aan vernieuwing willen werken. Het meeste materiaal is ook in een ruimere
context te gebruiken dan alleen het beroeps- en technisch onderwijs. Een degelijke monitoring van alle innovatieprojecten wordt opgezet vanuit de AXIS-Stichting om de kwaliteit van de projecten te garanderen. Er wordt duidelijk gepleit voor hert ruim documenteren van alle initiatieven.
 Het proces ter bevordering van bètavakken en techniek wordt ondersteund door regelmatig verschijnende studies en rapporten die ruim verspreid worden.
 Er is een duidelijk multiplicatoreffect aanwezig naar steeds nieuwe scholen met het doel
uiteindelijk alle scholen te bereiken.
 De vmbo-herontwerpaanpak is te karakteriseren als een nieuw tussenmodel (bottom-up/
top-down). Via landelijke netwerken worden scholen uitgenodigd mee te denken aan het
formuleren van een globaal vernieuwingskader. Binnen zo een kader worden vervolgens
projecten uitgelokt die samen netwerken vormen die een platform zijn voor debat en uitwisseling van inzichten en ervaringen.
 De combinatie van een aantal vernieuwingen zoals bredere en intersectorale opleidingen,
meer ruimte voor studiekeuzeprocessen en oriëntatie, sterke nadruk op het praktijkleren
(o.a. door het ontwikkelen van de werkplekstructuur en door nauwere samenwerking
met het bedrijfsleven), heeft reeds duidelijk gunstige effecten gehad op de techniekinstroom en, minstens zo belangrijk, een invloed gehad op het voorkomen van uitval69.
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
Al deze voorbeelden komen uit de databank van de AXIS-Stichting:
http://www.platform-axis.nl/
Nr.
69
70
Naam Project
Instelling
AoT70
Kernthema’s
Website (naast
Naar aantrekkelijk technisch vmbo: resultaten van drie jaar herontwerp. AXIS Stichting Delft; p. 3 Voorwoord
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
55
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1
2
3
Aantrekkelijkere
betavakken met
probleemgestuurd
onderwijs op schildersvakscholen
Nimento
(Utrecht)
Activerende
Onderwijsvormen
(ACTION)
Albeda
College
(Schiedam)
Betekenisvol kleur
bekennen op weg
naar een beroep
ROC Utrecht
(Utrecht)
AL

AS





AL,
AK





4
5
Ander gezicht van
techniek
Assessment bij
ROC Twenteplus
Montessori
College
Amsterdam
ATB Brabant
i.s.m. ROC
Twente Plus
(Almelo)
AL,
AK
AL,
AK)












6
Een stimulerend
studielandschap
Katholiek
Drents
College
(Emmen)
AK



7
Begeleiding en
beoordeling
competentiegericht
leren
Fontys
Hogeschool
Eindhoven
AL







8
Blauwdruk
krachtige
leeromgeving
ROC Utrecht
AK



Ontwikkelen van Blokboeken (per
lesperiode van 8 weken)
Probleemgestuurd onderwijs
Vakkenintegratie
Werkplekstructuur
Open leercentra
Diagnose- en evaluatie-instrument
voor lesmodules van het hoger
technisch onderwijs
Kwaliteitsmeting
Leerlingen eigen opleiding laten
inkleuren
Individuele leerlingenbegeleiding
a.h.v. de persoonlijk
ontwikkelingsplan (POP)
Modulair onderwijs
Competentiegericht
probleemgestuurd onderwijs
Projectonderwijs
Individueel leertraject
Afdeling techniek moderniseren
Aanbod van technische en technologische opleidingen aantrekkelijker maken
Ontschotten van afdelingen
Ontwikkelen managementvisie
Assessment leerlingen bij aanvang
opleiding
Zelfstandig leren
Probleemgestuurd onderwijs
Zelfevaluatie leerlingen
Individuele leerlingenbegeleiding
a.h.v. trajectmap met projectplanner
Praktijkgericht (excursie naar een
bedrijf bij de intake)
Ontwikkelen nieuwe opleidingsroute
Van eindtermen naar competentiegericht leren
Integratie praktijk- en theorievakken
Werkplekkenstructuur
Modulair onderwijs
Integratie ICT
Competentiegericht onderwijs
Individueel leertraject
Individuele trajectbegeleiding a.h.v.
een portfoliosysteem
Alternatieve evaluatiesystemen /
studentenvolgsysteem (o.b.v.
competentiegericht onderwijs)
Ontwikkelen van de oriëntatiefunctie van de school
Studiekeuzebegeleiding
Mentoring
www.axis-platform.nl)
Website:
www.nimento.nl
Website:
www.albeda.nl
Website:
www.albeda.nlwww.ro
cu.nl
Website:
www.msa.nl
Website:
www.atb.nl
Website:
www.kdc.nl
Website:
www.fontys.nl
Website:
www.rocu.nl
56
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
9
10
11
12
Communicatie: van
rooksignaal naar
@penstaart
De docent als
architect van zijn
leertuin
Basisschool
De Phoenix
(Rozenburg)
i.s.m. Kennisinfrastruc
tuur Mainport Rotterdam
ATB Brabant
i.s.m.
Deltion
College
(Zwolle)
AK



AL



De docentenrol bij
Integraal
Ontwerpen
Gemini
college
(Ridderkerk)
AL




De Pasvorm:
opvang van
risicoleerlingen
ROC RijnIJssel College
(Arnhem)
AL









13
14
Digitaal Portfolio
voor studieloopbaanbegeleiding
Hogeschool
van
Amsterdam
AK

Dominoproject
Ichtus
College
(Dronten)
AL




15
Draagvlak voor de
docent als coach
Merewade
College
(Gorinchem)
AL
16
Een eigen bedrijf
als schil voor de
ICT-route
Blariacum
College
(VenloBlerick)
AL
17
Een goed projectplan Werkplekkenstructuur is het
halve werk
Twents Carmelcollege
(Oldenzaal)
AL















Promotieproject om techniek onder
aandacht te krijgen van docenten in
het basisonderwijs
Kiezen is een continue proces dat in
de basisschool begint
Vakoverschrijdend project (a.h.v.
leskit die techniek en communicatie
behandeld)
Individuele trajectbegeleiding a.h.v.
een portfoliosysteem
Van eindtermen naar startkwalificaties
Assessment- en begeleidingssysteem
Evaluatie a.h.v. mentorkaart, …
Leerkracht als coach
Competentieontwikkeling docenten
Onderwijs a.h.v. innovatieproces
(Integraal Ontwerpen)
Individueel leertraject
Praktijkgericht onderwijs
Vakkenintegratie
Individueel trajectbegeleiding van
risicoleerlingen
Intake van leerlingen
Ontwikkelen van meer stageplaatsen
Werkplekstructuur (praktijkcentra)
binnen de school
Praktijkgericht lesgeven
Leren in al zijn facetten
toegankelijk maken voor
risicoleerlingen
Studiekeuzebegeleiding a.h.v. een
digitaal portfolio
Persoonlijk ontwikkelingsplan
Leercontract
Lesgever als coach
Projectonderwijs (dominoparcours
ontwikkelen)
Imago van techniek verbeteren
Vakken integratie
Docent als coach
Praktijkgericht lesgeven
Werkplekstructuur
Communicatie bij veranderingen
Oprichten van een schoolbedrijf
Praktijkgericht lesgeven
Projectonderwijs
Vakkenintegratie
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Werkplekkenstructuur
Projectmanagement
Praktijkgericht lesgeven
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Website:
www.kmr.nl
www.obs-dephoenix.nl
Website:
www.deltion.nl
www.atb.nl
Website:
www.geminicollege.nl
Website:
www.rijc.nl
Website:
www.ie.hva.nl
Website:
www.platform-axis.nl
Website:
www.merewade.nl
Website:
www.blariacum.nl
Website:
www.twentscarmelcolle
ge.nl
57
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen

18
Een nieuw didactisch concept voor
techniekopleidingen
Friesland
College
Leeuwarden
AL,
AK





19
Een spoorboekje
voor leerlingen
Marne
College
(Friesland)
AL





20
21
22
Faculteitsbrede
aanpak bèta /
techniek
Hanzehogeschool
(Groningen)
AL




HELO
(Elektronische
leeromgeving)
Hanzehogeschool
(Groningen)
AL
Het High TrackOnderwijsconcept:
innovatief,
integraal en ICT
Röling
College /
Mondriaan
College
(Groningen)
AL,
AK







23
Het inschakelen
van bedrijven in
case-onderwijs
Hogeschool
Drenthe
AL



24
Het ‘Reitdiepproject’
Hanzehogeschool
(Groningen)
AK


Intake assessment
voor Extern
Verworven
Competenties
Saxion
hogeschool
(Enschede)
AL
Intake ROC
ATB Brabant
25
26






AL

Creëren van een breed draagvlak
voor veranderingen
Herontwerpen huidige techniekopleidingen
Van eindtermen naar startkwalificaties (a.h.v. werkveldmatrix; vanuit de noden van de bedrijfswereld)
Individueel leertraject
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Creëren van een breed draagvlak
voor veranderingen
Sturing van leerlingen in de werkplekkenstructuur a.h.v. het spoorboekje
Individuele trajectbegeleiding
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Leerkracht als coach
Creëren van een breed draagvlak
voor veranderingen
Herontwerpen technische opleidingen
Imagoverbetering techniek
Betrokkenheid bedrijven
Afbouwen beschotten Hogeschool
– middelbaar onderwijs
Competentiegericht leren
Evaluatie en kwaliteitszorg
Ontwikkeling competentiegerichte
onderwijsmethoden
Implementatie van Blackboard als
elektronische leeromgeving
Imagoverbetering Techniek
Ontwikkeling brede leerlijn
Techniek / ICT
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Modulair onderwijs
Werkplekkenstructuur
Ontwikkeling leidraad m.b.t.
inschakelen van bedrijven bij caseonderwijs
Praktijkgericht leren
Studiekeuzebegeleiding bij HAVO
a.h.v workshops
Kiezen is een continue proces
Imagoverbetering Techniek a.h.v
workshops
Onderzoek naar 25 assessment instrumenten voor extern verworven
competenties
Alternatieve vormen van evaluatie
Intakeprocedure
Van eindtermen naar
startkwalificaties
Ontwikkeling intakeprocedure
Website:
www.frieslandcollege.n
l
Website:
[email protected]
Website:
www.hanze.nl
Website:
www.hanze.nl
Website:
www.mondriaan.nl
Website:
www.hsdrenthe.nl
Website:
www.hanze.nl
Website:
www.saxion.nl
Website:
58
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Aventus

i.s.m. ROC
Aventus
(Apeldoorn)

27
Integrale onderwijsvernieuwing
via studententeams
Hogeschool
Zeeland
(Vlissingen)
AL
28
Integrated Product
Development (IPD)
Fontys
Hogeschool
(Eindhoven)
AL











29
Interactief leergroepen systeem
ATB Brabant
i.s.m. RijnIJssel college
(Arnhem)
AL
30
Leerlijnen
opbouwen in
projecten
ROC Utrecht
AL












31

Loop even binnen!
– Rijnland verbetert
de relatie tussen
praktijkbedrijven
Leerwegen
in Rijnland
(Leiden)
AL
32
Mentorproject in
ROC Zadkine
ROC
Zadkine
(Rotterdam)
AL,
AK



33
Middelen om
ontwerpopdrachten te begeleiden
Albeda
College
(Schiedam)
AL







34
Onderwijsmodel
Groen en Rood
2College
Noord
(Tilburg)
AL




Van eindtermen naar
startkwalificaties
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Studententeams
Projectonderwijs
Team als coach
Competentiegericht onderwijs
Zelfsturende teams
Werkplekkenstructuur
Individueel leertraject
Bedrijfsopdrachten
Projectonderwijs (meer specifiek
productontwikkelingsproject i.s.m.
bedrijven)
Vakkenintegratie
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Praktijkgericht leren
Integraal leergroepen systeem (ILS)
Docent als expert
Projectonderwijs
Intaketest (bepaling van leerstijl)
Indiv. leertraject volgens leerstijl
Individuele leerlingenbegeleiding
Herontwerp van drie opleidingen
Projectonderwijs a.h.v. blokboeken
Individuele trajectbegeleiding a.h.v.
portfolio
Zelfontwikkeling van leerlingen
bevorderen
Alternatieve vormen van evaluatie
en beoordeling
Een extern bureau doet match
scholen en bedrijven
Ontwikkelen van stageplekken
Praktijkgericht onderwijs:
stageboek
Mentor vanuit een bedrijf als coach
Individuele leerlingenbegeleiding
Leren in al zijn facetten toegankelijk maken voor een ruim publiek
(risico-leerlingen)
Onderwijs a.h.v. ontwerpopdrachten
Individuele trajectbegeleiding a.h.v.
logboek
Leerkracht als coach
Ontwikkeling van studiehuizen
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Case-onderwijs (afschaffing van afzonderlijke vakken, vakkenintegratie)
Sturing leerproces vanuit de groep
Individuele trajectbegeleiding
Zelfontwikkeling bij leerlingen
www.aventus.nl
www.atb.nl
Website:
www.hz.nl
Website:
www.fontys.nl
Website:
www.atb.nl
www.rijc.nl
Website:
www.rocu.nl
Website:
www.leerwegeninrijnla
nd.nl
Website:
www.motorvoertuigenzadkine.nl
Website:
www.albeda.nl
Website:
www.cobenhagen.nl
59
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
35
Onderwijsconcept
Human
Technology
Hanzehogeschool
(Groningen)
AL




36
37
On-line lesmateriaal Office en
Front Page voor de
gemengde leerweg
Ontwikkeling
competenties
Scholengroep
Kwadrant –
Cambreur
College
(Dongen)
ROC
Eindhoven



AL




38
Ontwikkeling
Portfolio
ROC Utrecht
AL,
AK



39
40
41
Projectmatige
leersituatie voor
opleiding tot
kaderfunctionaris
Projectonderwijs
als vliegwiel voor
taalonderwijs en
zelfstandig leren
Samen bouwen aan
nieuw onderwijs
ATB Brabant
i.s.m.
Mondriaan
College voor
Techniek
(Den Haag)
Esprit Nova
College
Amsterdam
AL
Da Vinci
College
(Leiden)
AL,
AK,
AS



AL
Techniek in een
verhaallijn op de
Pabo



Zie ook: Pilot ICT
route – Kempenhorst;
Pilot ICT route – Da
Vinci College; …
42







Pabo Almere
(Almere)
AK,
AL




bevorderen
Ontwikkelen nieuwe opleiding
‘Human Technology’
Aanbod technologische opleiding
aantrekkelijker maken
Competentiegericht onderwijs
Leren in al zijn facetten toegankelijk maken voor meisjes
Docent al coach
Ontwikkeling webbased
lesmateriaal
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Ontwikkelen van meetinstrumenten voor competenties, rekening
houdende met de behoeftes van de
arbeidsmarkt
Alternatieve vormen van evaluatie
Competentiegericht onderwijs
Zelfontwikkeling bij leerlingen bevorderen
Individuele trajectbegeleiding a.h.v.
een portfolio
Persoonlijk ontwikkelingsplan
(POP)
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Zelfevaluatie bij leerlingen
Portfoliobegeleider
Creëren van samenwerkingsverbanden (met bedrijfsleven)
Projectonderwijs
Competentiegericht onderwijs
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Leren in al zijn facetten toegankelijk maken voor risicogroepen
Projectonderwijs
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Ontwikkeling programmalijnen
voor ICT-routes
Competentiegericht onderwijs
a.h.v. matrix
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Studiekeuzebegeleiding a.h.v. ICTroute
Ontwikkeling netwerken
Sensibilisatie rond het vak techniek
in het basisonderwijs
Ontwikkelen van lesprogramma’s
rond techniek (a.h.v. bijv. een verhaallijn)
Projectonderwijs a.h.v. projectweek
Website:
www.hanze.nl
Website:
www.angenent.biz/offic
e
www.cambreurcollege.
nl
Website:
www.roceindhoven.nl
Website:
www.rocu.nl
Website:
www.platform-axis.nl
Website:
www.novacollegeamste
rdam.nl
Website:
www.davinci-leiden.nl
www.bdfadvies.nl/vmb
o.htm
Website:
www.pabo.almere.nl
60
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
43
Techniek op de
Pabo
Platform
Promotie
Techniek
Tilburg
(Tilburg)
AK,
AS,
AL






44
Techno Design:
Anders werken,
anders leren in
techniek
Da Vinci
College
(Dordrecht)
AK






45
46
Techno Design en
de interne aanpak
van het
innovatieproces
Da Vinci
College
(Dordrecht)
Techno Design en
het bedrijfsleven
Da Vinci
College
(Dordrecht)
AS




AL



47
Vakintegratie –
demonstratiedag
Nimento
(Utrecht)
AL
48
‘Werken met de
Stad’ (WMS)voor
een hoger rendement in de assistentenopleidingen
Friesland
AL










en een afsluitend festival
Sensibilisatie rond het vak techniek
in het basisonderwijs
Vakken integratie
Projectonderwijs a.h.v. blokboeken
Dialoog met stakeholders (scholen,
bedrijfsleven en onderwijs)
Competentieontwikkeling docenten
basisonderwijs
Ontwikkeling opleidingsblok techniek
Ontwikkeling van stages
Brede basisopleiding met uitstroomdifferentiaties
Individuele trajectbegeleiding
(vraaggestuurd onderwijs)
Competentiegericht / samenwerkend leren
Praktijkgericht onderwijs
Zelfontwikkeling bij leerlingen
promoten
Interne organisatieontwikkeling
Ontwikkeling van een eigen
opvoedingsproject, missie en visie
Leertraject a.h.v. innovatie proces
Dialoog met Pedagogisch
studiecentrum, bedrijven, …
Interne kwaliteitsbewaking
Ontwikkeling partnership met bedrijven op alle niveaus
Ontwikkeling leeromgeving (werkplekken) / leerproces
Ontwikkeling praktijkbegeleiding
Vakkenintegratie
Competentieontwikkeling docenten
Docent als coach
Probleemgestuurd onderwijs
Zelfontwikkeling bij leerlingen
bevorderen
Leren in al zijn facetten toegankelijk maken voor risico-leerlingen
Invoering concept WMS
Praktijkgericht onderwijs
Docent als coach
Website:
[email protected]
l
Website:
www.davinci.nl
Website:
www.davinci.nl
Website:
www.davinci.nl
Website:
www.nimento.nl
Website:
[email protected]
61
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2. Duitsland
2.1 Schema onderwijssysteem
62
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
71 72
Het beroeps- en technisch onderwijs in Duitsland verschilt grondig van dat in Vlaanderen.
Het is een “duaal systeem” met ruime leerstages voor de leerlingen in de bedrijven en een
nauwe samenwerking tussen scholen en bedrijven. In tegenstelling tot het algemeen vormend onderwijs, dat tot de verantwoordelijkheid behoort van elk van de 16 Länder, wordt
de beroepsopleiding federaal georganiseerd en beheerd. Verder informatie kan gevonden
worden op de website van het BMBF, het Bundesministerium für Bildung und Forschung
(http://www.bmbf.de/).
2.2.1 Beleidselementen uit het Berufsbildungsbericht van 1 April 2003
Elk jaar stelt de federale minister verantwoordelijk voor beroepsopleidingen op 1 april een
beleidsdocument voor – “Berufsbildungsbericht” – dat informatie geeft over het voorbije jaar
en de nadruk legt op wat moet gebeuren.
Het meest recente rapport benadrukt de volgende uitdagingen voor het Duitse beroepsonderwijs:
 het te lage aantal stageplaatsen in het bedrijfsleven (in totaal 572.227 wat 42.000 minder
betekent dan in 2001); de stageplaatsen zijn echter van cruciaal belang in het Duits duale
systeem
 meer nadruk leggen op de competentiegerichte kwalificatiestructuur die beantwoordt aan
de noden van de arbeidsmarkt
 de totale ontwikkeling van de jongere binnen de beroepsopleiding vetrekkend van al zijn
mogelijkheden
 nadruk op sleutelvaardigheden: sociale vaardigheden, werken in team, onafhankelijk
werken
 meer actiegeoriënteerd leren, gecombineerd met leren vanuit praktijk en gericht op de
toepassing van kennis en vaardigheden
 verbetering van het niveau van de leerlingen die uit het algemeen onderwijs naar het
beroepsonderwijs komen om de overgang te vergemakkelijken
 ontwikkelen van profielen voor nieuwe beroepen en het updaten van bestaande profielen
 vergroten van de permeabiliteit (flexibiliteit) van de leerroutes binnen beroepsonderwijs
en vorming
 meer modulaire systemen in de beroepsopleiding
 meer mogelijkheden om vanuit beroepen door te groeien naar hoger onderwijs (naar een
credit systeem in de beroepsopleiding!)
 verhogen van de kwaliteit van beroepsonderwijs en beroepsopleidingen
Algemene informatie over Duitsland vindt men o.a. op de website van het federale Ministerie van Beroepsopleiding en onderzoek (Bundesministerium für Bildung und Forschung) en op de websites van de ministeries
van onderwijs van de onderscheiden 16 Länder. Website federaal ministerie BMBF : http://www.bmbf.de/.
Websites van de 16 Länder: http://www.bildungsserver.de/
72 Bijzondere dank gaat naar de volgende personen: Klaus Illerhaus, Sekretariat der Kultusministerkonferenz –
Berufliche Bildung – Bonn; Ulrich Thünken, expert voor de KMK, Kultusminister Konferenz en werkzaam op het
Ministerium für Schüle, Jugend und Kinder, Nordrhein-Westfalen; Dirk Piper, Ministerium für Bildung Saarland;
Thomas Spielkamp, PAD (Pädagogische Austauschdienst, verantwoordelijk o.a. voor het Socrates programma)
Bonn.
71
63
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen




stimuleren van de Europese en internationale dimensie van de beroepsopleiding
meer nascholing voor allen
speciale aandacht voor bepaalde groepen zwakkere jongeren en volwassenen
herziening van de wetgeving rond beroepsonderwijs en beroepsvorming, de Berufsbildungsgesetz (BBIG).
2.2.2 Vier beleidsprioriteiten naar onderwijs
Volgens onderwijsexpert Dr. Ulrich Thünken zijn vier prioriteiten in alle Duitse Länder terug
te vinden voor wat onderwijs en vorming betreft:
 geven van meer autonomie aan de scholen
 bevorderen van de samenwerking met het bedrijfsleven om goede stageplaatsen te vinden
en de kwaliteit van onderwijs en vorming te verbeteren
 verbeteren van de stageplaatsen in bedrijven; alle jongeren moeten voor 16 jaar een stage
van twee tot drie weken lopen of kunnen dit langer doen als ze dit wensen
 verbetering van de kwaliteit van de leraren; scholen kunnen nu leraren kiezen als ze dat
wensen; het strakke statuut van de leraar ambtenaar wordt ietwat doorbroken.
2.2.3 Initïeren van innoverende projecten
Innoverende projecten in het onderwijs en de beroepsopleiding – soms Modellvorhaben,
Einzelvorhaben of Versuchschulen73 genoemd – kunnen op twee manieren geïnitieerd worden.
Enerzijds is er de BLK (Bund-Länder Kommission) en anderzijds nemen de afzonderlijke
Länder initiatieven tot vernieuwing. Scholen kunnen zich aanmelden of worden soms uitgenodigd een project in te dienen. Er zijn ook dergelijke projecten op andere onderwijsniveaus
zoals het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs.
De Modellschulen of Versuchschulen krijgen een speciaal statuut voor een bepaalde periode
van 3 tot 5 jaar (soms zelfs langer), en krijgen bijkomenden middelen om te experimenteren
met nieuwe vormen van leren, onderwijzen en besturen. Naar verluidt slaagt dit zeer
uitgebreide systeem van experimenterende scholen er echter niet in om het cruciale probleem van de verspreiding of disseminatie van de resultaten van innovatie te bevorderen.
We wijzen er nog dat er in Duitsland verschillende Stichtingen actief zijn op gebied van
onderwijs en vorming. Een van de meest bekende, die ook ruim wordt aangehaald in de
studie van de OESO van 2003 “Networks of Innovation”, is de Bertelsmann Foundation74 met
onder andere de INIS schools (International Network of Innovative Schoolsystems75).
De term”Versuchschulen” werd niet teruggevonden in de Duitse bronnen (de websites en literatuur van de
ministeries en aanverwante organisaties). Deze term wordt echter wel gebruikt in de studie van de OESO
“Schooling for tomorrow: networks of innovation”, 2003 op bladzijde 59.
74 De Bertelsmann Stiftung heeft vele projecten op het vlak van onderwijs en vorming. Verdere informatie vindt
men op de website: http://www.bertelsmann-stiftung.de/de/index.jsp; informatie over de projecten vindt men
onder ‘Projekte’.
75 Voor verder informatie rond het INIS Netwerk; zie website:
http://www.bertelsmann-stiftung.de/project.cfm?lan=en&nid=819&aid=2568
73
64
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2.2.4 De Bund-Länder Kommission (BLK)
Aspecten betreffende onderwijsvernieuwing worden bediscussieerd op het niveau van de
Duitse federale regering en/of op het niveau van de regeringen van alle Länder. De BLK
bundelt de reflectie van de twee op federaal niveau.
Voor wat betreft innovatie in onderwijs werkt de BLK met een reeks transregionale netwerken of programma’s die ongeveer drie tot vijf jaar lopen en die belangrijke innoverende
impulsen willen geven aan onderwijs en vorming. Het initiatief wordt hier dus genomen
door de overheid.
De grote programma’s en de daarbij horende concrete regionale netwerken of projecten
krijgen financiële ondersteuning en wetenschappelijke begeleiding door een universiteit. Een
zekere regelluwheid is eveneens van toepassing in sommige gevallen. Er zijn pilootprojecten
zowel voor het lager en algemeen secundair als voor het beroeps- en/of technisch onderwijs
zoals duidelijk blijkt op de website: http://www.eduserver.de/index_e.html
Deze innoverende activiteiten en projecten spitsen zich toe op de hieronder vermelde
gebieden:
 verbetering van het onderwijs van wiskunde en wetenschappen
 gebruik van media en ICT bij het bevorderen van het leren en onderwijzen
 modularisering van cursussen
 nieuwe leerconcepten in het duale onderwijs en vormingssysteem
 opvoeding tot duurzame ontwikkeling
 verbetering van de kwaliteit van onderwijs en onderwijssystemen
 nieuwe curricula
 samenwerking tussen onderwijs en bedrijf in beroepsonderwijs en –beroepsvorming
 culturele opvoeding in het computertijdperk
 levenslang leren
 innoverende bijscholing van leraren in de beroeps en technische scholen
 ondersteuning bij het herstructureren van het hoger onderwijs
 democratie leren en beleven
Er zijn ook afzonderlijke initiatieven voor het hoger onderwijs en voor de beroepsopleiding.
Scholen van alle Länder kunnen deelnemen aan deze prioritaire innoverende pilootprojecten. Op de website http://dbs.schule.de/blk_98.html is een overzicht te vinden van alle innoverende projecten op elk van deze gebieden. Tevens verschaft deze website toegang tot verdere informatie en details over alle projecten. De meeste projecten zijn in 1998 gestart en lopen tot 2003 of tot 2004. Al de grote prioritaire projecten, die zelf nog eens bestaan uit kleinere concrete projecten, worden wetenschappelijk begeleid, meestal vanuit universiteiten.
De goede-praktijkvoorbeelden die terug te vinden zijn in de BLK databank of op de websites
van de afzonderlijke Länder, zijn minder goed uitgewerkt dan de voorbeelden van de AXIS
databank in Nederland.
De zogenaamde “regionale leernetwerken” zijn meestal samengesteld uit 4 of 5 partnerscholen die rond hetzelfde thema werken en tussen elkaar innovatieve ideeën en toepassingen
65
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
uitwisselen over hoe ze de vernieuwing en de verandering in de afzonderlijke scholen doorvoeren. Deze regionale netwerken hebben regelmatig contactvergaderingen en organiseren
studiebezoeken bij elkaar76. Vanuit deze regionale leernetwerken wordt de innovatie
verspreid naar andere scholen.
2.2.5 Overzicht van de BLK-programma’s77
Neue Lernkonzepte in der dualen Berufsausbildung (http://www.blk-bonn.de/modell
versuche/neue_lernkonzepte.htm). Het programma behelst 24 projecten uit 14 Länder en
richt zich tot beroepsscholen, instituten voor beroepsopleiding en tot instellingen voor de
initiële opleiding en bijscholing van de leraren. Het hoofddoel is de kwaliteit en de efficiëntie
van het beroepsonderwijs te bevorderen, door te werken aan innoverende vakmethodische
aanpakken en de modularisering van de beroepsscholen. Nadruk wordt ook gelegd op het
gebruik van ICT, van organisatieontwikkeling en van schoolorganisatie in verband met het
invoeren van nieuwe leerconcepten.
KOLIBRI: Kooperation der Lernorte in der beruflichen Bildung (http://www.blk-kolibri.de/).
27 projecten uit 12 Länder zijn bij dit programma betrokken. Het programma werkt rond de
volgende aspecten: ontwikkeling van coöperatieve concepten van curriculumverfijning, het
ontwikkelen van procesbegeleidende beoordeling van sociale vaardigheden, modulaire aanpakken, integratie van praktijk in de vorming op school, aanpakken voor bijzondere groepen
leerlingen, versteviging van samenwerking school en bedrijf.
Innovationen im Buildungswesen: Modellversuch [email protected] (http://www.learn-line.nrw.de/
angebote/mokka/). Doel is het ontwerpen en ontwikkelen van modellen om de communicatie en de samenwerking te verbeteren op het vlak van ICT. Onderwerpen omvatten
coöperatief leren met het Net, modellen voor synchrone communicatie, …
SINUS: Steigerung der Effizienz des mathematisch-natuurwissenschaftlichen Unterrichts
(http://www.ipn.uni-kiel.de/projekte/blk_prog/blkstefr.htm). Dit is een programma ter verhoging van de efficiëntie in onderwijs van wiskunde en natuurwetenschappen. Een netwerk
van 180 scholen over geheel Duitsland werkt voor 5 schooljaren samen rond deze thematiek.
Het project eindigt in 2004.
SEMIK: Systematische Einbeziehung von Medien, Informations und Kommunikationstechnologien in Lehr- und Lernprozesse (http://www.fwu.de/semik/index.html). Dit programma
heeft tot doel de nieuwe informatietechnologieën ten dienste te stellen van de leer- en
onderwijsprocessen. Het werd in de herfst van 2003 afgesloten. Informatie is beschikbaar op
de website in het Engels. 24 projecten werden in de 16 Länder opgezet.
QuiSS: Qualitätsverbesserung in Schulen und Schulsystemen (http://www.blk-quiss.de/
frameset.htm). Een programma gericht op de verbetering van de kwaliteit van onderwijs
De OESO-studie ”Schooling for tommorow: netweroks of innovation” van 2003, vermeld deze regionale leernetwerken op blz .58.
77 Afzonderlijke projecten worden beschreven in Bijlage 2.
76
66
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
door het stimuleren van vernieuwing en zelfwerkzaamheid. Het programma bestaat uit dertien subprojecten.
Innovative Fortbildung der Lehrerinnen und Lehrer an beruflichen Schulen (http://www.
ipts.de/innovelle/inhalt.htm). Een programma ter bevordering van innovatieve bijscholing
van leraren in de beroepsscholen. In totaal zijn er 23 pilootprojecten opgestart binnen dit
programma.
Programme 21: Bildung für eine nachhaltige Entwicklung (http://www.blk21.de/). Dit programma bevordert de opvoeding op school tot duurzame ontwikkeling. Het is volledig geïntegreerd in de nieuwe tendensen binnen schoolontwikkeling. Het is gekoppeld aan de
activiteiten rond Agenda 21 van de VN78.
EXIL-CLUB (http://www.exil-club.de/). Leerlingen worden uitgenodigd na te gaan welke
schrijvers, journalisten, kunstenaars enz. in verbanning (Exil) leven in Duitsland en waarom.
Dit project laat toe rond verschillende competenties en vaardigheden te werken: communicatievaardigheden, sociale vaardigheden, contacten met de buitenwereld en de wereld binnen de school brengen, burgerzin enz.
Demokratie lernen und leben (http://www.blk-demokratie.de/). Het doel van dit programma
is op school een democratische cultuur te bevorderen, en democratie op school en daarbuiten
leren ervaren. Daartoe worden de sociale instellingen en organisaties die rond de school
werken, erbij betrokken.
KUBiM: Kulturelle Bildung im Medienzeitalter (http://www.kubim.de/indexie.html). Dit
programma met 23 afzonderlijke pilootprojecten uit 13 Länder wil het gebruik van ICT bevorderen in de culturele opvoeding. De projecten werken rond kunst, cultuur, media en ICT.
Er zijn afzonderlijke websites beschikbaar voor bijna elk van deze deelprojecten.
2.3 “Schulversuch“ in afzonderlijke Länder
2.3.1 Algemeen
Een overzicht van alle Bildungsservers of educatieve websites van alle Länder vindt men op
de volgende website: http://www.bildungsserver.de/zeigen.html?seite=450. Het volstaat
vaak op de Bildungsserver van elke van de verschillende Länder in de zoekfunctie één van
de woorden ‘Modellschule, Modellversuche, Pilotprojekte, Schulversuch, Modellprojekte’ in te voeren om op een hele reeks projecten uit te komen. Verschillende van deze projecten hebben
banden met de programma’s van de Bund-Länder Kommission.
In de afzonderlijke Länder bestaat de mogelijkheid tot het opstarten van Schulversuch-projecten. Dit kan gebeuren op aanvraag van het ministerie van onderwijs van het betrokken
Land of op aanvraag van de school. Meestal wordt het statuut van Schulversuch voor een
Verdere informatie over Agenda 321 van de VN op de volgende website:
htttp://www.un.org/esa/sustdev/documents/agenda21/index.htm
78
67
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
beperkt aantal jaren toegekend, vaak drie tot vijf jaar. Na een grondige evaluatie worden de
resultaten in principe veralgemeend naar alle scholen in het betrokken Land. Hierbij duiken
wel tal van problemen op.
De modaliteiten waaronder deze scholen met Schulversuch als pilootproject werken, kunnen
per land verschillen. Sommige Landen hebben bepaalde prioriteiten en geven dan ook bijzondere ondersteuning onder de vorm van hogere financiële middelen, meer leraren en/of
een wetenschapper uit een universiteit als begeleider. Ook is het mogelijk dat regelluwheid
wordt toegelaten.
In wat volgt geven we wat meer informatie over innovatieprogramma’s in vier Länder:
Nordrhein-Westfalen, Beieren, Baden-Württemberg, Niedersachsen.
2.3.2 Nordrhein-Westfalen
In dit Land (http://www.learn-line.nrw.de) heeft men verschillende scholen met Schulversuch:
 een 30-tal scholen werkt aan ‘special needs’
 een groep scholen (200) werkt aan het voorkomen van drop-out van leerlingen
 een groep werkt binnen het duaal beroepsonderwijs met leerlingen met grote moeilijkheden
 er is een groep tweetalige scholen
 een groep scholen werkt rond wetenschappen
 er zijn enkele Europa-scholen met of zonder steun79
 er is een netwerk van 278 “selbstständige Schule” of zelfstandige scholen80 rond anders
leren en zelfstandig besturen
Het Land Noord-Rijnland Westfalen heeft een hele reeks projecten waar scholen aan kunnen
meewerken en die alle met innovatie in onderwijs hebben te maken. Vanuit de website
http://www.learn-line.nrw.de/nav/schule_entwickeln/ kan men deze verschillende projecten
aanklikken zoals:
 Schulprogramm und evaluation
 Agenda 21 (milieuopvoeding)
 Modellversuche SelMa (zelfwerkzaamheid in wiskunde)
 Chat der Welten – Chatten met de wereld rond de school
 Erziehen, Unterrichten, Beurteilen, Beraten (opvoeden, onderwijzen, beoordelen, adviseren)
 Fachübersgreifendes und Fächerverbindendes Arbeiten in der gymnasialen Oberstufen (vakoverschrijdende en vakverbindend werken in het hoger secundair)
 Kooperatives Lernen
Verschillende Länder hebben het concept van de “Europese school” of de “Europa Schule” ontwikkeld, vergelijkbaar met wat in andere Länder tweetalig onderwijs wordt genoemd. Het Land Hessen heeft 10 jaar lang een
pilootproject gehad rond “Europaschulen” dat in 2002 werd geëvalueerd. Meer informatie rond dit project vindt
men op de web site: http://www.europaschulen.de/. Noteer: deze Europa-scholen zijn geen Europese scholen
zoals deze die gerund worden door de Commissie van de Europese Unie. Voor het onderwijzen vaan een vak in
een andere taal wordt door de Commissie de CLIL methode centraal gesteld; voor verder informatie over CLIL
zie de web site van de organisatie EUROCLIC: http://www.euroclic.net/english/cdrom/jkl_catalogue.pdf
80 Zie de webqite: www.selbststaendige-schule.nrw.de
79
68
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Neue Wege des Lernens
 Portfolio Medienkompetenz für Schülerinnen und Schüler.
2.3.3 Beieren
Voor het Land Bayern (Beieren) zijn verschillende interessante websites beschikbaar. Op de
website http://www.schule.bayern.de/unterricht/projekte/ kan men “Unterrichtsprojekte” aanklikken en dit geeft de webpagina: http://www.schule.bayern.de/unterricht/projekte/ waarop men zeer concrete projectbeschrijvingen vindt. Voor alle scholen en leraren is het mogelijk nieuwe projecten en verwezenlijkingen in te brengen in de databank: http://www.
schule.bayern.de/basis.htm
Op webpagina http://www.isb.bayern.de/bes/modell/ vindt men alle bestaande en afgesloten
Modellversuche. Als voorbeeld worden hieronder de lopende Modelprojecten vermeld voor
beroepsscholen:
 Qualitätsentwicklung in der Berufsschule - Kwaliteitsontwikkeling in de beroepsschool
 Visualisierung von Entstehung und Entwicklung der Berufsausbildung in Deutschland - Konzept
und erste Pilotprojekte im Deutschen Museum München - Visualisering van het ontstaan en de
ontwikkeling van de beroepsopleiding in Duitsland. Concept en eerste pilootprojecten
met het Deutsche Museum in München
 Wissensforum als Instrument der Lernortkooperation - Kennisforum als instrument voor
samenwerking bedrijf - onderwijs
 Strategien und Maßnahmen der kooperativen und kontinuierlichen Qualifizierung von Lehrpersonal in Berufen mit hoher Innovationsgeschwindigkeit: IT-Berufe, Mechatroniker - Strategieën en
maatregelen van de coöperatieve en continue kwalificering van de leraren voor beroepen
met een hoog innovatiegehalte: IT beroepen en mechatronica.
 Adressatenbezogene Qualifizierung: Qualitätssicherung und Attraktivitätssteigerung des Lehrerberufs an beruflichen Schulen - Gestuurde kwalificering: Kwaliteitszorg voor en het verhogen van de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep in de beroepsscholen
Op deze website ziet men ook duidelijk het onderscheid tussen de Modelprojecten van het
Land Bayern en die van de BLK.
2.3.4 Baden-Württenberg
Op de Bildungsserver http://www.schule-bw.de/ van het Land Baden-Württenberg vindt
men op de volgende webpagina: http://www.schule-bw.de/schularten/berufliche_schulen/
stebs/handlungsfelder.html een gedetailleerd overzicht van alle domeinen voor het beroepsonderwijs waarin innoverende projecten zijn opgestart. Binnen elk van de deelgebieden kan
men concrete informatie opvragen over elk afzonderlijk innovatieproject.
Volgend schema vindt men op deze webpagina terug in het Duits. Op elk hokje kan men
klikken en vindt men de projecten in detail beschreven81.
81
Bron: http://www.schule-bw.de/schularten/berufliche_schulen/stebs/handlungsfelder.html
69
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Schoolorganisatie
Personeelsbeheer
Schoolprofiel
Kwaliteitszorg
Budget voor personeel
en flexibele opdrachten
SchoolontwikkelingsProces
Teamontwikkeling
Samenwerkingsprojecten
Opstarten van een
bedrijf voor
bijscholingen
Duale
Samenwerking
Regionale planning
van onderwijs en
vorming
Ontbinding van de
schooltypes
Invoering van het
EFQM Model
Opzetten en uitvoeren
van een model voor
kwaliteitszorg
Interne evaluatie
Schoolarchitectuur
Nieuwe leercultuur
Permanente vorming
Ontwikkeling van
aanstellingsprocedures
Budget voor de
bijscholing van leraren
Pedagogische
concepten / idealen
Evalueren van het
onderwijs
2.3.5 Niedersachsen
Dit Land neemt actief deel aan de volgende BLK-programma’s:
CULIK: Curriculumentwicklungs- und Qualifizierungsnetzwerk Lernfeldinnovation für Lehrkräfte
in Berufsfachschulklassen für Industriekaufleute - Netwerk voor curriculumontwikkeling en
kwalificering van vernieuwing van de leervelden voor leraren in het beroepsonderwijs
(handel).
KoALA: Kooperative Aus- und Weiterbildung von Lehrkräften und Auszubildendenbildungsmodulen
- Coöperatieve initiële vorming en navorming van leraren voor het uitbouwen van modules.
LiDo: Lernorte im Dialog - Modellversuch zur integrierten Fort- und Weiterbildung für das pädagogische Fachpersonal in der schulischen Berufsvorbereitung und der außerbetrieblichen Berufsbildung Dialoog met de stageplaatsen: het integreren van nascholing van de praktijkleraren in de
school en in het bedrijf.
ProAKzent: Professionalisierung und Kompetaenzentwicklung in der Berufseinstiegsphase durch
Aufbau von Kooperationsbeziehungen zusammenwirkend mit der Entwicklung komplexer und flexibler fächerübergreifender Lernumwelten - Professionalisering en competentieontwikkeling in de
integratiefase in het beroep door het uitbouwen van samenwerkingsvormen parallel met het
ontwikkelen van complexe en flexibele vakoverschrijdende leeromgevingen
UbS: Maßnahmen in der Lehrerbildung bei der Umstrukturierung der berufsbildenden Schulen Maatregelen in de lerarenopleiding bij het herstructureren van de beroepsscholen
Een volledige beschrijving van deze programma’s is te vinden op de volgende webpagina:
http://www.nibis.de/nibis.phtml?menid=188
70
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Het Land Niedersachsen heeft zelf enkele belangrijke projecten rond kwaliteitsverbetering
opgezet. Een volledige beschrijving is te vinden op de volgende webpagina: http://www.
nibis.de/nibis.phtml?menid=978. Enkele voorbeelden:
KIK: Kommunikation – Interaktion – Kooperation. Een programma dat tot doel heeft te werken
aan de verbetering van het sociaal klimaat binnen de school en de klassen.
QuiSS: Qualitätsentwicklung von Schule und Unterricht durch interne und externe Evaluation Kwaliteitsontwikkeling van scholen en onderwijs door interne en externe evaluatie. Hoofdaccenten liggen op het bevorderen van de zelfwerkzaamheid en de kwaliteit van het leren.
APU: Arbeitsplatzuntersuchung. Het programma werkt aan de continue verbetering van het
leren en aan het continue verbeteren van de schoolontwikkeling.
Een overzicht van alle “Schul- en Modellversuche” voor Niedersachsen vindt men op de volgende webpagina:
http://www.mk.niedersachsen.de/master/0,,C2047711_N756283_L20_D0_I579,00.html
2.4 Samenvatting en conclusies
 In Duitsland wordt de vernieuwing in het onderwijs geconcretiseerd in activiteiten op
federaal vlak langs de programma’s van het BLK of via specifieke iniatieven van de afzonderlijke Länder. De prioriteiten zijn gelijklopend maar kunnen verschillen volgens de
noden van een bepaald Land.
 Dit heeft geleid tot een uitgebreid netwerk van pilootprojecten. De innoverende projecten
(Modellvorhabe, Modellversuche enz.) sluiten evenals de Nederlandse nauw aan bij de
prioriteiten van Accent op Talent.
 Een belangrijk accent wordt gelegd op de initiële opleiding en de vorming van de leraren
binnen deze projecten; de leraren in het beroeps- en technisch onderwijs krijgen een bijzondere aandacht in verschillende projecten.
 De gebieden waarrond op het vlak van innovatie in onderwijs en vorming wordt gewerkt,
zijn ruimer dan deze van de Nederlandse AXIS-Stichting die zich beperkt tot de Bètavakken en de techniek.
 In de meeste gevallen is er ook een soepele toepassing van de vigerende wetten voor de
scholen die bij innoverende projecten betrokken zijn.
 De innoverende projecten worden federaal of per Land ondersteund en begeleid, vaak
door universiteiten. Er gaat veel aandacht naar de evaluatie van de resultaten van de
projecten. Deze evaluatie heeft o.m. duidelijk gemaakt dat er problemen zijn in verband
met de verspreiding van innovaties naar andere scholen toe.
 De regionale leernetwerken, bestaande uit verschillende scholen die samenwerken rond
één thema, blijken voorlopig het meeste potentieel te hebben naar het creëren van een
multiplicatoreffect naar andere scholen in een bepaalde regio.
71
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
De voorbeelden zijn gehaald uit de voorbeelden die men kan vinden op de website van de
BLK Bund-Länder Kommission site - http://dbs.schule.de/blk_98.html - of op de websites
van enkele van de Duitse Länder. De volledige lijst van de websites van de Duitse Länder
vindt men op de web site: http://www.bildungsserver.de/zeigen.html?seite=450
Nr.
1
Naam Project
Globalisierung
(één van de vele
projecten van deze
school
Instelling
Jakob-FriedSchöllkopfSchule
Kircheim :
Teck
AoT82
AL,
AS
2
STEBS
Stärkung der
Eigenständigkeit
beruflicher Schulen
(één van de vele
projecten op deze
school)
Wirtschaftsgymnasium
West Stuttgart
AL,
AS
3
Virtuellen Lernortes
– Berufsschule zur
Lehreraus- und
Fortbildung
AL
4
QILB Strategien und
Massnahmen der
kooperativen und
kontinuierlichen
Qualifizierung von
Lehrpersonal in
innnovativen
Berufen – IT Berufe,
Mechatroniker
Aus- und
Weiterbildungspartnerschaften in der
Beruflichen Bildung
Max Taut
Schule/
Oberstufenzentrum
Versorgungs
technik
Universität
Erlangen
5
6
82
Der Berufeinstieg als
eigenständige Phase
der Lehrerbildung
AL
Kernthema’s
 Schoolontwikkelingsproces
 Bevorderen Teamontwikkeling
 Regionale onderwijs- en vormingsplanning
 Projectonderwijs
 Internationalisering
 Schoolontwikkelingsproces
 Nieuwe leermethodes
 Projectonderwijs
 Sociale vaardigheden
 Weiterentwicklung des lehrergewinnungs- und Eistellungsverfahrens
 Internationalisering
 Geweld op school
 Virtuele bijscholing van leraars in
regionaal verband
 Praktijkgerichte bijscholing
 Ontwikkeling van regionale teams
Email / Website
Norbert Hauser
Email:
[email protected]
Website: www.jfs.de

Samenwerking met stageplaatsen
bevorderen
Lerarenopleiding om deze
samenwerking te bevorderen
Levenslang leren
Gericht op innovatieve beroepen
Joerg Stender
Email:
[email protected]
Regionale ontwikkeling beroepsonderwijs
Band initiële vorming en navorming
Ontwikkeling van een regionaal
systeem van studieadvies en beroepskeuze
Lerende regio (Lernende Region)
Geïntegreerd beroepsonderwijsplan
Martin Müller
Email:
[email protected]
Quality circles voor leraren
Coachen van leraren / raadgevers
voor jonge leraars
Website:
http://s1teamlearn.de/b1-PEBE

(project
opgezet voor
scholen)


Modellversuch
KOMPZET.
RP
+ Berufsbildende Schule Wittlich
+ Aufsichtsund Dienstleistungsdirektion
(ADD) Trier
AL,
AK
Institut für
Qualitätsentwicklung
AL







Wilhelm Hartmann
Email: [email protected]
Homepage: www.wgwest.de
Reinhart Gruners /
Ludger Piere
Website:
http://www.vlbberlin.de
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
72
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
7
8
Modularisierung des
Curriculums der
Zweijährigen Berufsfachschule Fachrichtung Kaufmännische
Assistentin/Kaufmän
nischer Assistent für
Fremdsprachen und
Korrespondenz
AufLösung des
schultypen
an Schulen
(QSH)
Landesseminar für
bildende
Schulen,
Kronshagen
Oskar
Kämmeschule
Berufliche
Schule Münsingen


Toekomst werkgroepen in de regio
Team werking bevorderen
AL



Modulariseren van het curriculum
Zelfsturend leren bevorderen
Teamwerking bevorderen
Frau Gottschalk
Website:
http://www.oks.de/proj
ekt/_index.html
AL

Herstructurering van de drie
afdelingen om een flexibeler
leeraanbod aan te bieden
Accent op meer algemene
vaardigheden
Teamwerk bevorderen
Anders evalueren
Interne of zelf evaluatie
Zelfstandig leren
Nadruk op verwerven van
vaardigheden voor kennis te leren
verwerven en verwerken
Begeleid zelfstandig leren, vooral
voor wiskunde
Teamwerk voor leraar en leerlingen
Cooperatief leren
Email:
berufsschule.muensinge
[email protected]
Website:
www.bsm.rt.schulebw.de
E-Mail:
[email protected]
chule.de
Website:
www.gs.gp.bw.schule.d
e
Website:
http://www.ebgs.de/Le
hrer/SelMa/selhome.ht
ml
Voortdurende innovatie ingebed in
het concept en de visie van de
school
Ontwikkelen van nieuwe vormen
van onderwijzen en leren
Ontwikkelen van nieuwe vormen
van samenleven
Teamwerk van leerlingen en
leraren bevorderen
Internationalisering bevorderen om
innovatie te stimuleren
Uitdrukkelijke wetenschappelijke
begeleiding van de universiteit om
steeds weer vernieuwing te
bevorderen
Website:
http://www.unibielefeld.de/LS/index1.h
tm

9
Interne evaluatie
Gewerbliche
Schule Göppingen
AL
10
SELMA ‘Selbstlernen in der gymnasialen Oberstufe Mathematik"
Ernst Barlach Gesamtschule,
Dinslaken
AL
Labo (proef) school
verboden aan de
universiteit van
Bielefeld.
Laborschule
Bielefeld
NordrheinWestfalen
(NRW)
11
De school heeft een
uitdrukkelijke
aquariumfunctie
voor het Land
NRW











Versuchschule van
NRW



73
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3. Denemarken
3.1 Schema onderwijssysteem
74
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
83 84
Het Deens beleid op het vlak van het onderwijs in het algemeen en het beroeps- en technisch
onderwijs in het bijzonder wordt uitgetekend in verschillende beleidsdocumenten of
basisdocumenten, die allemaal ook in het Engels beschikbaar zijn:
 Better Education85, Juni 2002, door de Deense regering (beleidsdocument).
 The new structure of the Danish vocational education system86, Danish Ministry of Education,
2000.
 The Danish FoU Programme: Innovation and Development of the Danish VET system: a case of
good practice87, 2003.
3.2.1 De grote beleidslijnen uitgetekend in ‘Better Education’
Het beleidsdocument ‘Better Education’ bevat de volgende krachtlijnen:
 elke vorm van onderwijs moet duidelijke einddoelen hebben en dient te leiden tot een
solide basis van kwalificaties en competenties
 flexibiliteit van de programma’s en onderwijs, rekening houdend met de noden van het
individu en van de bedrijven; competenties kunnen verworven worden op verschillende
manieren en binnen een variabele doorlooptijd
 leerlingen en studenten stellen zelf hun leerprogramma samen met de hoofddoelstelling
duidelijke competenties en kwalificaties te verwerven naar wat ze willen worden,
 een grotere coherentie tussen alle vakken; programma’s die beantwoorden aan de noden
van de openbare en de privé sector
 innovatie en ondernemersschap; efficiënte transfer van kennis verbonden met
economische ontwikkeling
 motivatie van de lerenden aanmoedigen
 grotere autonomie aan onderwijsinstellingen; van gedetailleerde wetgeving naar het
meten van de output.
Het document vertaalt deze grote beleidslijnen naar alle onderwijsniveaus. Voor het beroeps- en technisch onderwijs in het hoger secundair vermeldt de tekst de volgende elementen:
 innoveren van de programma’s van beroeps/technisch en handels secundair88
 programma’s dienen doelgericht te zijn rekening houdend met de noden van bedrijven
 leerlingen moeten programma’s sneller kunnen doorlopen
 flexibel organiseren van stages
Algemene website van het Ministerie van Onderwijs Denemarken: http://www.uvm.dk/
Bijzondere dank gaat naar: Roland Svarrer Oesterlund, Ministerie van Onderwijs, Kopenhagen; Ole Dibbern
Andersen, Medewerker DEL Jytte Mansfeld; Niels Brock Akademie, Kopenhagen.
85 Dit document Better Education kan geprint worden vanaf de webpagina: http://pub.uvm.dk/2002/better1/
86 Dit document kan uitgeprint worden vanaf de volgende webpagina: http://pub.uvm.dk/2000/newstructure/
87 Dit document kan geprint worden vanaf de volgende webpagina:
http://www.delud.dk/dk/publikationer/FoUProgramme/index.html
88 Het Deense systeem van hoger secundair bestaat uit drie mogelijkheden: gymnasium, beroeps- en technisch
(vocational), en handelsonderwijs (commercial education). Voor verdere informatie over het Deense onderwijs in
het algemeen zie de website van het ministerie of van Eurydice op Eurybase: http://www.eurydivce.org
83
84
75
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 meer flexibele leerprogramma’s (combineren van VET en handelsonderwijs)
 vermenging van initiële beroepsopleiding en bijscholing.
Verder vermeldt het document 6 transversale beleidselementen die op alle niveaus kunnen
voorkomen:
 advies en oriëntering bij studie- en beroepskeuzes
 meer jongeren die techniek en natuurwetenschappen studeren
 internationalisering van het onderwijs
 ICT in onderwijs
 erkenning van elders verworven competenties (EVC)
 Deens voor volwassen vreemdelingen.
3.2.2 VET hervorming 2000
De sleutelbegrippen van de hervorming van het technisch en beroepsonderwijs in Denemarken, zoals beschreven in het document ”The New Structure of the Danish Vocational Education and Training System” zijn:
 transparantie
 flexibiliteit
 verbreding
 sociale inclusie.
De twee basisprincipes zijn:
 een eenvoudiger structuur
 een grotere flexibiliteit in de programma’s.
De hervorming van 2000 stelt de volgende nieuwe elementen voor:
 minder maar bredere toegangskanalen in VET89
 een modulair curriculum
 optionele dubbele kwalificaties of gedeeltelijke kwalificaties
 meer interdisciplinair leren
 mentor (tutor) ondersteuning voor de leerlingen in het kader van individuele leerwegen
of leertrajecten
 leraar wordt mentor, coach
 het uitbouwen van een persoonlijk leerplan of leertraject voor de jongeren
 een schoolorganisatie gebaseerd op teams
 het ontwikkelen en innoveren van creatieve leeromgevingen op school
 leren op de werkplek
 open leertrajecten met het persoonlijk leertraject en de portfolio (of logboek) van elke
leerling of student
 gelijke waardering van beroeps- of technisch onderwijs en algemeen onderwijs
 een strategisch plan voor kwaliteitszorg.
In verband met het curriculum stelt dit document dat:
 alle stakeholders (school, bedrijf, sociale partners, ouders) erbij betrokken dienen te zijn
89
VET = Vocational Education and Training = Technisch en Beroepsonderwijs
76
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 de sociale partners en de Kamers van Koophandel mee verantwoordelijk zijn voor het
updaten van de gespecialiseerde VET programma’s
 de VET-hervorming een pedagogische hervorming is: andere leeromgevingen moeten
georganiseerd worden; leerlingen moeten actief zijn in hun leerprocessen (begeleid zelfgestuurd leren); de rol van de leraar verandert.
Het volledig integreren van de drie richtingen in het hoger secundair onderwijs – het algemeen secundair, het beroeps- en technisch en het handelsonderwijs, – is ook opnieuw aan de
orde van de dag. Dit debat is al twintig jaar aan de gang.
3.3 Projecten en het actieprogramma FoU
3.3.1 Algemene informatie over FoU
Het Deense Ministerie van Onderwijs, Departement Beroepsonderwijs en Beroepsvorming,
heeft een actieprogramma opgezet, genoemd “FoU”90, voor innovatie in het beroepsonderwijs in Denemarken, om zo het uitgestippelde beleid te concretiseren. Het Ministerie van
Onderwijs wordt bijgestaan door DEL, the Danish Institute for Educational Training of
Vocational Teachers91.
Dit FoU-programma heeft tot doel de innovatie en de ontwikkeling van het beroepsonderwijs en de beroepsvorming te bevorderen door het promoten van projecten in beroepsscholen en andere vormingsinstellingen. Het programma heeft eveneens tot doel beroepsopleidingen beter af te stemmen op de toekomstige noden van de arbeidsmarkt, te anticiperen op
de behoefte aan nieuwe vaardigheden als gevolg van veranderingen in de maatschappij, en
te experimenteren met nieuwe onderwijsmethodes.
Elk jaar publiceert het Ministerie van Onderwijs een programma met de prioriteiten voor het
volgende jaar en met de criteria waaraan projecten dienen te beantwoorden. Deze prioriteiten sluiten heel nauw aan bij de grote beleidslijnen uitgetekend in de beleidsdocumenten
zoals Better Education van juni 2000. Voor wat de beroepsvorming betreft waren de prioriteiten voor 2002 de volgende:
 analyse en prognose in het beroeps en technisch onderwijs (VET)
 innoverende pedagogie en didactiek
 evaluatie en evaluatiemethodes
 kwaliteitszorg
 beroepskeuze en oriëntatie, individuele leertrajecten en tutoring (coaching)
 lerarenopleiding, de rol en werkmethodes
 nieuwe onderwijsprogramma’s en experimentele projecten
 samenwerking tussen school en bedrijf
 internationalisering
 volwassenenvorming en EVC
90
91
Forsøgsprogrammet omfatter bl.a. afprøvning af nye undervisningsformer og -forløb
DEL web site: http://www.delud.dk
77
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 de ontwikkeling van basiscursussen in het beroeps- en technisch onderwijs (VET)
 bijkomende kwalificaties.
Voor 2003 werden ongeveer dezelfde prioriteiten benadrukt en werd vooral aandacht geschonken aan projecten die tot doel hebben de startsituatie van de jongere te beschrijven in
termen van reële competenties. Dit om beter individuele leertrajecten te kunnen uitbouwen.
Scholen kunnen twee keer per jaar een project indienen met een duidelijke inhoudelijke en
financiële beschrijving. DEL contacteert eventueel zelf de scholen en helpt hen bij het opstellen van het dossier. De meeste projecten lopen meestal één jaar. Er wordt per project 6.000 tot
14.000 Euro toegekend.
De belangrijke criteria bij het toekennen van de financiële steun zijn dat de projecten aansluiten bij de beleidsprioriteiten en dat ze worden ingediend door een groep van scholen uit een
bepaalde regio. DEL helpt de scholen bij het opmaken van de projectaanvraag, begeleidt de
scholen en ondersteunt hen bij het opstellen van het eindverslag.
Elk jaar reserveert het Ministerie een deel van het budget voor DEL om studies uit te voeren.
Zo wordt in 2003 een studie gemaakt rond de nieuwe competenties van de leraar.
Verdere informatie is te vinden op de volgende website:
http://www.delud.dk/uk/default.htm
3.3.2 The FoU database
De FoU-database is een samenwerking tussen DEL en het Deens Ministerie van Onderwijs.
Het doel van de database is de verspreiding van de innovatie te bevorderen en de samenwerking tussen de deelnemende scholen en andere scholen te stimuleren. De database vindt
men op de volgende webpagina van DEL: http://www.delod.dk/kompudvikling/
Ook al is deze opgesteld in het Deens, toch kan een Vlaming met een minimum aan talenkennis interessante projecten identificeren, bijv.
 Kompetenceudvikiling
Competentieontwikkeling
 Elevplan
Leertraject voor individuele leerling
 Kontaktlærer
Contactleraar (taken en rol)
 Portfoliometoden
Portfoliomethoden
 Reformkonsulenter
Begeleiders van de hervorming
Een Engelse samenvatting van zes goede praktijkvoorbeelden is te vinden op de website van
het Ministerie van Onderwijs: http://pub.uvm.dk/2002/eud/09.htm.
3.4 Samenvatting en conclusies
 De vernieuwingen die in Denemarken worden geïmplementeerd zijn gestoeld op een
grondige reflectie met duidelijke beleidsteksten en voorstellen tot implementatie.
78
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Er bestaat een expliciet innovatiebeleid voor het beroeps- en technisch onderwijs dankzij
het FoU, een speciale dienst die jaarlijks nieuwe pilootprojecten opstart, begeleidt en evalueert.
 Het beleid in Denemarken benadrukt de elementen uit het gedetailleerde werkplan voor
de toekomstige doelstellingen voor onderwijs en vorming van de Europese Unie.
 Innovatie in het beroeps- en technisch onderwijs wordt duidelijk gezien als een continue
activiteit die steeds dient verder gezet en aangemoedigd te worden.
 De Deense vernieuwing benadrukt alle aspecten van anders leren, anders kiezen, anders
sturen.
 Belangrijke accenten liggen op de individuele leertrajecten, het gebruik van portfolio’s om
de vooruitgang van elke leerling beter te documenteren en te begeleiden.
 Het wegwerken van de beschotten tussen het algemeen, het beroeps- en technisch en het
handelsonderwijs wordt sterk benadrukt; ook in Denemarken is dit allesbehalve evident.
 DEL, het Danish Institute for Educational Training of Vocational Teachers speelt een
belangrijke rol bij de ondersteuning van de projecten.
 Het Deense beleid probeert de vernieuwing te verspreiden door geen individuele scholen
te financieren maar groepen van scholen te financieren.
 Het Deense beleid bevordert continuïteit in de vernieuwing in het VET onderwijs door
jaarlijks of tweemaal per jaar de mogelijkheid te bieden tot het indienen van innoverende
projectaanvragen die door FoU en DEL worden begeleid.
 De initiële opleiding en de nascholing van de leraren speelt een belangrijke rol in het gehele innovatieproces. Leraren dienen opgeleid om de nodige competenties te hebben om
leerlingen te begeleiden en te helpen bij de uitbouw van hun individuele leertrajecten.
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
De vijf goede praktijkvoorbeelden staan duidelijk vermeld in het Deens op de website:
http://www.delod.dk/kompudvikling/
Nr.
1
2
92
Naam Project
Udvikling af afdelingen generelt i forhold
til opgaverne: analyse
af kerneydelsen,
funktionsbeskrivelser,
uddelegering af
kompetence,
pædagogisk udvikling
på specielt grundforløbet.
Der har især været
fokus på at udviklle
en sammenhængende
didaktisk tænkning
der kan fungere som
ramme om uddannelse og læringsaktivite-
Instelling
Svendborg
Tekniske
Skole
AoT92
AL,
AS,
AK
Kernthema’s
 Schoolontwikkeling door het
analyseren van de optimale manier
om het curriculum aan te bieden
 Het delegeren van de verantwoordelijkheid binnen de school
 De pedagogische ontwikkeling van
de basisvorming
Email / Website
Email:
[email protected]
Website:
http://www.svendts.dk/
CEUKolding
AL,
AS,
AK

Email:
[email protected]
dk
Website:
http://www.koldingts.d
k/forside.asp



Ontwikkeling van gedifferentieerde
didactische modellen binnen
pedagogische projecten
Geïndividualiseerde onderwijs- en
leermethodes
Teamwork met lerarenteams
Het afstappen van lineariteit in het
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
79
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3
4
5
ter i de åbne læringsmijøer, der karakteriserer skolen/afdelingen/uddannelsen.
Etablering af åbne
læringsrum - et for
hver indgang og tre
tværfaglige læringsrum (dansk/ engelsk,
matematik/ naturfag
samt IT)
Hensigten med
projektet var at alle
indgange kom i gang
med at udvikle
læringsaktiviteter,
der dels kunne
fungere i et åbent
læringsmiljø og dels
forsøgte at tilgodese
elevernes forskellige
læringsstile
Implementering af
Elevplan
pedagogische denken; het uitwerken van modulaire aanpakken
EUC
Nordvestsjæ
lland
AL,
AS,
AK
CEU
Herning
AL,
AK,
AS
CEU-Vest
AL,
AK


Open leeromgevingen
Geïndividualiseerd leren en geïndividualiseerde leertrajecten
 Meer en betere mogelijkheden om
de juiste pedagogische activiteiten
en methodes te ontwikkelen en te
gebruiken
Samenwerking en teamwork tussen
leraars
 Het creëren van een open
leeromgeving,
 Individuele leerplannen voor de
leerlingen
 Verspreiding van kennis binnen de
school en daarbuiten: de school als
een lerende organisatie
Email:
[email protected]
Website:
http://www.eucnvs.dk/


Website:
http://www.eucvest.dk/
Default.asp?ID=331 511


Werken met individuele leerstijlen
Elektronische planning en het
opstellen en werken met modules
Opstellen van richtlijnen om leeractiviteiten te beschrijven gebruik
makend van elektronische middelen
Het "Elevplan" of individueel
leerplan
Email:
[email protected]
Website:
http://www.ceuherning.
dk/
Volledigheidshalve wordt hier nog de tekst overgenomen van enkele cases beschreven op de website van het
Ministerie van Onderwijs: http://pub.uvm.dk/2002/eud/09.htm
The first case: "More small teams in the class - Good practice for continuous intake during the basic
course "
It deals with how to implement continuous intake. The case describes a construction industry course.
Over an 18-month period, the school has implemented regular new intake into two parallel classes.
During this time, the school experimented with admitting small and large groups into the already
established class. On the background of the experiences acquired by the school, the school has
qualified the visitation and the integration interviews and thus the intake. The model for continuous
intake has established the possibility of taking supplementary courses, just as it is possible for the
students with credits from, for instance, basic subjects, to design special courses. In principle, this
means that the class can have students doing different projects at different levels and with different
degrees of difficulty. A continuous development of the project deals with formulating different
projects that the students can solve together even though they have started doing the course at
different times.
The second case "Flexible modules in a fixed structure"
It describes an example of good practice in connection with the organisation of teaching in modules
within a structuring framework. The framework consists of a division of a basic course into three
subcourses:
80
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Introduction/school start for a 5-week period
 Project work in an OLC8 for 10 to 50 weeks, and
 Five weeks of education- and training oriented area subjects
During the three sub-courses, the students participate in compulsory classes, and they choose
modules consisting of small limited projects where they work at individual pace. Each module
finishes with passing a test as a condition for the students being able to do a final test and then
continue doing the sub-courses until the basic course is finished. The balance between freedom of
choice and need for a framework and supervision works well. The department continues to work with
the idea by establishing a common knowledge centre for the main course, supplementary training and
commercial services rendered by public institutions.
The third case: "Between means and ends" describes good practice for planning basic courses.
The basic courses are centralised in a "Study centre". By gathering all students within a course or
students from different courses, it becomes possible to offer the students the basic course at three
levels: "ante level", "post ante level" and "post level". The study centre has strengthened the basic
courses by making the content of the basic subjects the "end" of the lessons. However, this happens at
the cost of holistic courses, where the basic course in a wider sense is seen as the means to reach the
end of developing the students' professional qualifications. In the continuous development of good
practice, the school is working at bringing together the idea about ends and means, as it is being
considered whether parts of the basic courses can be carried out in connection with or be integrated
into subject related projects in the courses.
In the fourth case: "Sharing responsibility for own learning",
It describes an example of good practice with an organisational division of two very different groups
of students in a service course. The idea is to make allowances for and develop sharing responsibility
for own learning in a differentiated manner. This is done through flexible course organisation with
different course offers, situational support and demands to the students' independent choices as well
as a consistent evaluation practice. The idea appears to be working according to the intentions as well
as giving room for differences. It means that in the continuous development of the idea the school will
continue to have two different courses. Sharing responsibility for own learning will become part of the
teachers' didactical considerations for both groups of students, but will have different effects and
appear differently - also in the future.
The fifth case: "Contact and contract"
It deals with good practice in connection with the contact teacher interview and the portfolio method.
The idea is to give the contact teacher interview a proper content partly by entering into contracts with
the students on how they should work the next fortnight, and partly with basis in the student's
handbook in which the student explains what he or she has worked with in the fortnight preceding
interview. The contact teacher interview as well as the portfolio method works according to the
intention. In a continuous development of the idea, the teacher needs further qualifications to be able
to carry out the interviews, not least in connection with qualifying the teacher to teach the students to
reflect.
The sixth and final case: "Health and social anchoring"
This is an example of good practice in connection with prevention of dropout. The students are taken
out of the basic courses for a 5-week period to participate in a so-called EAH-project, which stands for
exercise, activity and health. Physical and mental health is in focus, and part of the course therefore
81
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
deals with sports and diet. Moreover, it is ensured that the students can accumulate points for the
course they are doing during the five weeks. The project places specific emphasis on establishing a
firm social base, as it is characteristic of these students that they are finding it difficult to adjust to the
ever-changing social networks during the basic course. The EAH-project appears to have a positive
effect on the dropout rate. A continuous development of the project deals with easing the transition
from the EAH-project to the ordinary courses.
'Overall Evaluation' gathers the assumptions and conditions for implementing good practice that have
turned out to apply to all six cases.
82
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
4. Zweden
4.1 Schema onderwijssysteem
83
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
4.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
93 94
4.2.1 Algemene beleidselementen
Op basis van teksten van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen kunnen de volgende algemene beleidsprincipes worden onderscheiden:
 Het meest recente curriculum voor het hoger secundair werd van kracht in 1994. Sedert
deze datum zijn geen grote beleidsdocumenten meer geproduceerd; wel werden wijzigingen aangebracht aan de koers die toen bepaald werd.
 De laatste wijziging was in 2000. Nu zijn er in het hoger secundair onderwijs 17 nationale
programma’s die allemaal drie jaar duren; al deze programma’s geven een brede algemene vorming en leiden eventueel tot het hoger onderwijs of tot postsecundair onderwijs.
Elk programma in het hoger secundair heeft een totaal van 2500 credits95.
 Elk programma haalt zijn specificiteit uit de vakken die worden genomen. In elk programma zit een projectwerk van 100 credits dat tot doel heeft zelfwerkzaamheid en zelfstandig leren te bevorderen en dat de leerling toelaat aan te tonen welke competenties en
vaardigheden hij heeft verworven. 13 van de 17 programma’s bevatten 15 weken stage in
bedrijven gespreid over drie jaren.
 Het eerste van de drie jaar hoger secundair is eerder algemeen en de specialisaties worden
aangeboden in de jaren 2 en 3. De gemeentebesturen kunnen plaatselijke specialisaties
goedkeuren om te beantwoorden aan de noden van de plaatselijke bedrijven.
 Speciale programma’s kunnen worden uitgebouwd om aan de individuele noden van de
student te voldoen. Het nieuwe curriculum (sedert 2000) laat de leerling toe een grote
invloed op de inhoud van het leren en op het plannen van het leerproces te hebben. Elk
programma bevat opties voor de leerling. Individuele leertrajecten kunnen vlot uitgebouwd worden.
4.2.2 Enkele specifieke beleidsontwikkelingen96
 Het National Agency for School Improvement werd opgericht in maart 2003 om voortdurend
aan verbetering en innovatie te werken.
 Een Parlementaire Commissie werkte van 2000 tot 2002 op het herzien van de structuur
en de programma’s voor het hoger secundair in het algemeen en voor VET in het hoger
secundair onderwijs. De Commissie heeft haar werk beëindigd en einde 2003 was men de
concrete voorstellen tot wijziging aan het uitwerken. Het nieuwe systeem voor het hoger
secundair onderwijs moet in 2007 ingevoerd zijn.
 Voorstellen zijn een reductie van het aantal programma’s van 17 tot 8 en ze te vervangen
door bredere leerplatforms of leermogelijkheden (de tekst spreekt van “sectoren”) die
Algemene informatie over het Zweeds onderwijssysteem is te vinden op de website van het Ministerie van
Onderwijs en Wetenschap http://utbildning.regeringen.se/inenglish/ en bij Eurydice in de Eurybase:
http://www.eurydice.org
94 Bijzondere dank gaat naar Anders Lokander, Undervuisningsråd Skolverket , Enheten för Styrdokument;
Fredrik Wikström, Director of Education, Swedish National Agency for Education and Skolutveckling , (Agency
for School Improvement or Development, Ministry of Education of Sweden)
95 Dit zijn Zweedse credits en geen ECTS credits; normaal is een bachelor’s degree 180 – 240 ECTS credits.
96 Dit stuk is gebaseerd op de gesprekken met Anders Lokander en Frederik Wikström.
93
84
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen











toelaten dat de student zich beter voorbereidt op levenslang leren. De leerling krijgt een
bredere algemene vorming en een vorming die meer toegespitst is op algemene vaardigheden en competenties en minder op specifieke gespecialiseerde vaardigheden (in VET).
Een van de doelstellingen is tot een betere integratie te komen van de beroeps- en
technische programma’s in het gehele aanbod en bredere leerroutes aan te bieden die ook
meer jongeren naar hoger onderwijs kunnen brengen.
Het accent ligt duidelijk op het ontwikkelen van alle talenten en vaardigheden van alle
jongeren; ze mogen niet te vlug worden vastgepind op specialisaties.
Een leerling moet de mogelijkheid hebben tijdens het hoger secundair de meer beroepsgerichte programma’s te combineren met de meer academische programma’s.
De leerling moet ook vakken kunnen nemen die niet in zijn school aangeboden worden en
moet dus naar een ander school kunnen gaan om vakken te leren die beter overeenstemmen met zijn interesses en talenten. Dit zal meer samenwerking tussen de gemeentebesturen, scholen en scholengroepen vergen.
Er wordt overwogen stages te voorzien voor alle leerlingen in het hoger secundair. Het
systeem van leerjongenonderwijs met 30 weken stage over drie jaar zal geïntegreerd
worden in het regulier hoger secundair onderwijs.
Het voorbereiden op de praktische beroepsvaardigheden zal de verantwoordelijkheid
worden van de bedrijven.
Er wordt ook gewerkt aan een vereenvoudiging van de onderwijswetgeving; er is teveel
complexe wetgeving en een speciaal comité is bezig na te kijken hoe dit kan vereenvoudigd worden.
De financiering van het onderwijs is volledig gedecentraliseerd naar de gemeentebesturen
toe. Speciale steun zal gegeven worden voor het bevorderen en de invoering van het
nieuwe systeem van hoger secundair onderwijs.
Een van de prioriteiten is de bijscholing van de leraren; de verantwoordelijkheid berust bij
de gemeentebesturen. De lerarenopleiding werd reeds hervormd tot één lerarenopleiding;
binnen deze opleiding kiest de toekomstige leraar een bepaald profiel (kleuter, lager enz);
de duur varieert in functie van het profiel; meestal duurt de opleiding 4 à 5 jaar. Voor
VET-leraren97 is dat 3 jaar.
Het is een probleem VET-leraren te vinden aangezien de wedde relatief laag is. De wedde
van de VET-leraren kan individueel onderhandeld worden.
Internationalisering staat hoog op de agenda voor het beroeps- en technisch onderwijs
maar moet nog meer aandacht krijgen.
De geïnterviewde personen hebben er verder op gewezen dat deze (wenselijke) evoluties wel
het risico inhouden dat het technisch onderwijs en de beroepsopleiding weer theoretischer
wordt.
97
Met VET-leraren wordt leraren beroepspraktijk bedoeld.
85
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
4.2.3 Strategieën voor het beroeps- en technisch onderwijs in Zweden98
Het National Agency for Education heeft de voorbije drie jaar de volgende strategieën gebruikt
om bij te dragen tot een betere kwaliteit van het VET-onderwijs:
 verspreiden van goede praktijkvoorbeelden op basis van benchmarking (40 goedepraktijkvoorbeelden werden verspreid)
 opstarten van pilootprojecten gecombineerd met onderzoek om het onderwijs te verbeteren in scholen
 ontwikkelen van de competenties van de leraren: bevorderen van de samenwerking met
de bedrijven, een nieuw programma rond technologie, en een programma rond de leraar ‘
als change agent ‘ in de school
 ontwikkelen van een nieuw nationaal evaluatiesysteem voor VET in het hoger secundair
onderwijs
 ondersteunen voor leerlingen met specifieke leermoeilijkheden (underachievers) gebaseerd op benchmarks99 van scholen met nationale individuele programma’s.
 invoeren van individueel projectwerk in het hoger secundair om tot een integratie van
alle kennis en vaardigheden te komen en om nieuwe competenties te bevorderen die een
duidelijke band hebben met het professionele leven.
Een aantal van deze strategieën worden verderop kort beschreven.
4.3 Goede praktijkvoorbeelden of “leervoorbeelden”
4.3.1 Leervoorbeelden algemeen
Een van de strategieën ter verbetering van het beroeps- en technisch onderwijs is het beschrijven en verspreiden van goede praktijkvoorbeelden. F. Wikström verkiest te spreken
van ‘leervoorbeelden’ en van ‘goede’-praktijkvoorbeelden die ‘beste praktijk’ kunnen worden. In Zweden lag het accent tot nu toe vooral op het vinden van goede voorbeelden van
scholen die erin geslaagd zijn op een creatieve en productieve manier de doelstellingen van
het curriculum te implementeren. Er werd niet gezocht naar de beste scholen maar naar
scholen die het meest creatief waren. Heel bijzondere aandacht wordt gegeven aan goede
praktijk op het vlak van het ontwikkelen van de nieuwe vaardigheden bij de leraar. Op dit
ogenblik zijn 40 goede praktijkvoorbeelden beschreven. Speciale selectiecriteria werden ontwikkeld voor de selectie van deze goede praktijkvoorbeelden met inbegrip van transferabiliteit of overdraagbaarheid en duurzaamheid.
De goede praktijkvoorbeelden zijn hoofdzakelijk beschrijvingen van coöperatieve activiteiten
tussen de school en het bedrijfsleven en van de integratie van de beroepsgerichte vakken en
de algemene vakken. Voorbeelden beschrijven o.a. training facilitators, opleiding en vorming
De volgende paragrafen zijn grotendeels gebaseerd op een telefooninterview en op het rapport van Frederik
Wikström, directeur Onderwijs, van de Swedish National Agency for Education en van Lena Haldin, consultant
op deze dienst. Het werd in augustus 2002 gepubliceerd.
99 Benchmarks: in het laatste CIDREE boek ‘Becoming the best: Educational ambitions for Europe” wordt in een artikel
van Gaby Hostens, Directeur-generaal Secundair Onderwijs, Departement Onderwijs, Vlaanderen, ‘benchmark’ als
volgt omschreven op blz. 31: the term ‘benchmark’ refers to concrete targets against which progress can be measured by
education authorities. Benchmarking is used in a comparative perspective: “date are presented with a view to identifying the
relative performance of individual countries in the EU or in Europe more boradly”.
98
86
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
op de werkvloer, werken in teams, de integratie van verschillende vakken en samenwerking
van lokale programmaraden met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven.
De beschrijvingen tonen hoe nieuwe aanpakken praktisch kunnen worden geïmplementeerd.
Ze bevatten ook praktische richtlijnen waarin wordt aangegeven hoe men kan reflecteren op
en hoe men de verschillende aanpakken kan evalueren om het hoofd te bieden aan concrete
problemen die zich kunnen voordoen in de school.
Vanaf 2001 zijn deze goede praktijkvoorbeelden beschikbaar, alleen in het Zweeds, op de
website: http://www.skolutveckling.se/utvecklingsteman/. Er zijn voorbeelden van pilootprojecten, onder andere op de volgende vlakken:
 democratie en waardenbevordering
 de lerende leerling (individuele leertrajecten of leerplanning)
 gezondheidsopvoeding
 integratie kleuterschool – basisschool
 internationale samenwerking
 cultuur en esthetica
 lezen en schrijven
 milieu en milieu opvoeding
 natuurwetenschap & techniek (NoT projecten)
 projectarbeid op school
 samenwerking school bedrijfsleven
 taal
Op de website kan je elke van deze deelgebieden, in het Zweeds aanklikken, en krijg je dan
mee informatie. Als er “Lärande exemple” staat betekent dit praktijkvoorbeelden of voorbeelden waaruit men kan leren.
Verder werden ook disseminatieconferenties georganiseerd waarbij de innoverende scholen
andere scholen uitnodigen om deel te nemen aan sommige van hun activiteiten. 50 locale
ontmoetingsplaatsen werden gecreëerd voor het verspreiden van de goede-praktijkvoorbeelden.
4.3.2 Schoolontwikkelingsprojecten en ondersteunend onderzoek
Een tweede strategie ter bevordering van innovatie bestaat uit het inventariseren van de
vastgestelde problemen en deze als een platform te gebruiken om schoolontwikkelingsprojecten op te starten in geselecteerde scholen. Deze projecten werden ondersteund door
onderzoekers die een onderzoeksnetwerk vormden rond het ontwikkelen van het beroepsen technisch onderwijs.
Een van deze pilootprojecten heeft gewerkt aan de integratie van het leerjongerensysteem in
het hoger secundair onderwijs. Tijdens deze vorm van beroepsonderwijs lopen de jongeren
30 weken stage in bedrijven gespreid over de drie jaren. De scholen die betrokken waren bij
dit experiment werden financieel ondersteund en kregen wetenschappelijke begeleiding
gedurende de drie jaar dat het project liep. Deze pilootprojecten zijn nu afgelopen. Voorlopig
87
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
worden er geen nieuwe meer opgestart, maar in de toekomst kan dit eventueel wel nog
gebeuren.
Deze activiteiten resulteerden in twee boeken over de hoe het beroeps- en technisch onderwijs verder kan ontwikkelen. Deze werden eveneens verspreid via conferenties.
4.3.3 Het ontwikkelen van de competenties van de leraren
In dit project over de ontwikkeling van de competenties van de leraren werd vooral aandacht geschonken aan twee gebieden: het verbreden van de rol van de leraar in het beroepsen technisch onderwijs en het ontwikkelen van de competenties voor het onderwijzen in het
nieuwe technologieprogramma. Dit project werd gerund in samenwerking met de universiteiten van Umeå en Göteborg, Stockholm Institute of Education en University College of
Malmö.
Dit heeft geleid tot het aanbieden van een cursus van 10 credits voor leraren van VET vakken. Het doel van de cursus is hun competenties te verbeteren op, onder andere, de volgende
vlakken: betere samenwerking binnen de school, betere samenwerking tussen de school en
het lokale bedrijfsleven.
Verder is er in samenwerking met andere universiteiten en instituten een cursus ontwikkeld
rond technologie en ondernemersschap.
4.3.4 Nieuwe evaluatievormen in het beroeps- en technisch onderwijs
Binnen dit nieuwe evaluatiesysteem zullen de verschillende competenties en vaardigheden
van de leerlingen geëvalueerd worden binnen een bepaalde algemene opdracht. Een probleem wordt aan de leerlingen aangeboden op een multimediale wijze en ze worden verondersteld er op een authentieke wijze rond te werken, gebruik makend van al de kennis en
vaardigheden die ze hebben opgedaan en ontwikkeld. De evaluatie spitst zich toe op de
manier waarop de leerling de verschillende aspecten van het probleem aanpakt: planning,
praktische actie, follow-up enz. Competentiecriteria liggen aan de basis van de evaluatie en
de resultaten van de evaluatie worden verwerkt in een competentieprofiel gebaseerd op 10
eigenschappen.
Dit competentieprofiel vergemakkelijkt de samenwerking tussen school en bedrijf omdat het
de competenties transparant maakt, theorie en praktijk integreert, en het de student gemakkelijker maakt zijn leertraject zelf te plannen.
88
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
4.3.5 ATTRAKTIV SKOLA100: een project voor scholen
Van 2001 tot 2006 loopt een pilootproject met 34 scholen dat tot algemeen doel heeft de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en meer kandidaten aan te trekken voor het beroep van
leraar. Als meer concrete doelstellingen heeft het project:
 netwerken op te starten die bijdragen tot schoolontwikkeling en kwaliteitsverbeteringsinitiatieven in scholen
 nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden en carrièremogelijkheden van leraren te exploreren
 ontwikkeling in scholen te bevorderen via partnerschappen met universiteiten en het
bedrijfsleven
 na te gaan hoe onderzoek en universiteiten schoolontwikkeling kunnen bevorderen
 wegen te verkennen om beter informatie uit te wisselen tussen scholen
 de kennis en informatie gegenereerd door het project goed te verspreiden.
De organisatoren van dit project zijn: Het Zweedse Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, de Zweedse Vakbond van Leraren, de Nationale Zweedse Federatie van Leraren,
de Zweedse Vereniging van Schoolhoofden en Directeurs, de Zweedse Vereniging van de
lokale overheden en het Nationaal Agentschap voor Onderwijs. Meer dan 100 scholen hebben zich kandidaat gemeld, maar uiteindelijk werden er 34 geselecteerd.
De scholen moeten de vijf volgende elementen concretiseren:
 netwerken opzetten tussen de lokale overheid, de scholen en de universiteiten
 hun activiteiten duidelijk documenteren
 leraren uitwisselen tussen deelnemende scholen en tussen scholen en universiteiten
 de mogelijkheid bieden aan leraren om aan verschillende educatieve initiatieven deel te
nemen
 een uitwisselingsprogramma opzetten tussen bedrijven en scholen.
Elke geselecteerde school dient een duidelijk plan op te stellen en de activiteiten in verband
daarmee moeten duidelijk gedocumenteerd zijn. De lokale overheden die deelnemen, moeten de resultaten verspreiden bij de andere scholen die onder hun verantwoordelijkheid vallen.
Het is zeer eenvoudig de lijst van scholen te vinden die meedoen aan het project “Attraktive
Skole”. Op de website http://www.skola.se/, kan men links “Adresser” aanklikken om dan
o.m. de “Deltagare i projektledarkonferensen” (projektleiders) te vinden met hun emailadres.
4.4 Samenvatting en conclusies
 De grote beleidslijnen in Zweden zijn gelijkaardig als deze in Accent op Talent, met o.a.
aandacht voor anders leren met individuele leertrajecten, flexibele curricula, … en aandacht voor anders kiezen door nieuwe vormen van begeleiding.
100
Attraktiv Skola: de volledige Engelse tekst rond dit initiatief is te vinden op de volgende webpagina:
http://www.skola.se/. Project Manager: Per Thalin: [email protected] of [email protected]
89
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Er is sprake van een geïntegreerde aanpak van vernieuwing gebaseerd op een totale strategie: goede praktijk, benchmarking, competenties van de leraren, nieuwe evaluatie-instrumenten, integratie kennis en vaardigheden, enz.
 Alles moet duidelijk gezien worden in het kader van de Zweedse “comprehensive school”
die een duidelijk socialiserende rol heeft (er zijn eigenlijk geen “beschotten” tussen onderwijsvormen zoals in Vlaanderen)
 Pilootprojecten worden alleen opgestart om bepaalde vernieuwingen voor te bereiden en
te ondersteunen; ze worden gevolgd en beschreven. Dit is een onmisbaar element als men
wil verspreiden naar andere scholen toe.
 Er worden duidelijke criteria voor goede praktijkvoorbeelden ontwikkeld met een grote
nadruk op de transferabiliteit en de duurzaamheid van innovaties die worden opgezet.
 Bijzondere aandacht werd en wordt besteed aan de initiële opleiding en de bijscholing
van de leraren als een zeer belangrijk onderdeel van elke vernieuwing.
 De betrokkenheid van de lokale overheid bij projecten is groot. Dit is normaal, gezien de
verantwoordelijkheid van de lokale overheid in onderwijs in Zweden.
 Het Zweedse initiatief “Attraktiv Skola” vertoont gelijkenissen met de voortrekkersscholen onder Accent op Talent. Boeiend binnen dit initiatief zijn de partnerschappen met
universiteiten en bedrijfsleven. Belangrijk is ook de aandacht aan het verspreiden van
innovatie vanuit pilootscholen naar andere scholen toe. De partners die betrokken zijn bij
dit project behoren tot alle groepen stakeholders.
4.5 Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website


Karl-Erik Björkén
Email:
[email protected]
e
101
1
Enterpreneurship in
education
Verschillende scholen
in Pitea
Kommun
AL





2
Students’ participation to school
development work
Kungsgårds
gymnasiet
Norrköping
AL,
AS




101
Creativiteit in leren bevorderen
De leerlingen zelf leren initiatief
nemen
Entrepreneurship bevorderen
Nieuwe werk- en leermethodes
eigen maken
Teamwerk
Samenwerking met de lokale gemeenschap bevorderen
Bijdrage tot opvoeding tot
burgerschap
Leerlingen nemen zelf de verantwoordelijkheid voor hun leren
Leerlingen worden aangemoedigd
deel te nemen aan extra-curriculaire activiteiten die te maken hebben met schoolmanagement
Internet and intranet wordt gebruikt als een instrument om leren
te bevorderen en om de samenwerking leraren, leerlingen en directie
binnen de school te bevorderen
Leerlingen starten hun eigen klein
E-mail:
[email protected]
edu.norrkoping.se
en
[email protected]
se
Website:
http://edu.norrkoping.s
e/kungsgard
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
90
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen



3
4
5
Promoting different
forms of active
learning
Ava
Gymnasium
Hotel and
Tourism
department
AL
Innovatieve
activiteiten voor
leerlingen met
speciale noden
Kvarngymnasiet,
Järfälla
AL
Innovatieve schoolactiviteiten rond
geweld op school
Fryshusets
Kunskaps
Centrum





AL
(school met
sport en
muziek)






6
Een innovatieve
school met vele
projecten
Samgymnasiet Järfälla
AL,
AS



Hoger
secundair
onderwijs
16-19 jaar



7
Begeleiding van
leerlingen met leermoeilijkheden,
vooral kinderen
van migranten
Kvarngymnasiet
Hoger
secundair
onderwijs
AL,
AK,
AS





bedrijf op gedurende een jaar
Bevorderen van entrepreneurship
Alle leerlingen doen stages tussen 2
tot 15 weken al naargelang hun
studieprogramma
Vakoverschrijdende projectwerking
is zeer belangrijk
Samenwerking met de locale
omgeving om anders leren te
bevorderen
Zelfstandig leren bevorderen
Internationalisering als element van
kwaliteitsverbetering
Elke leerling heeft een individueel
leerplan volgens zijn mogelijkheden; individuele leertrajecten
Groepswerk wordt aangepast aan
de noden van de leerlingen
Teamwerk van de leraren
Actieve leermethoden
Grote participatie van de leerlingen
Actieve activiteiten rond geweld op
school en in de buurt; vormen van
peer education
Actieve interculturele en multiculturele opvoeding
Burgerschapsopvoeding als actieve
manier van leren
Sterk teamwerk van de leraren
De leraars maken zelf hun uurroosters vertrekkend vanuit de noden
van de individuele leerlingen
Mentorship en coaching is een
duidelijk deel van hun opdracht
Teamwerk en samenwerking tussen leraars en leerlingen
Belangrijke participatieve structuren om leerlingen op te voeden tot
actief burgerschap
Wereldopvoeding en internationalisering staan eveneens centraal
met fieldstudies in Afrika en Indië
Sterke individuele begeleiding van
leerlingen
Individuele leertrajecten
Leerlingen werken in groepen volgens hun interesses en mogelijkheden of talenten
Leraren werken in zes verschillende teams aan begeleiding; elk team
bestaat uit leraars, studiebegeleiders, assistenten en sociale werkers
Flexibele schoolorganisatie
Email:
[email protected]
Email (algemeen):
[email protected]
se
Website:
http://www.fryshuset.se
/
Rektor: Lilian B Wallin:
[email protected]
Website:
http://www.jakgym.net/
sp/index.html
(informatie ook in het
Engels)
Katrin Lindberg:
[email protected]
.se
Maj-Lis Christiansen:
[email protected]
Website:
http://www.ivprogram
met.com/
(Informatie ook in het
Engels)
91
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
5. Finland
5.1 Schema onderwijssysteem
92
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
5.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
102 103
5.2.1 Basiselementen uit Ontwikkelingsplan Onderwijs en onderzoek: 1999-2004104
Uit dit beleidsdocument kunnen de volgende elementen worden gedestilleerd:
Algemene beleidselementen:
 Het algemene doel is alle jongeren uit de ‘comprehensive school’ in het hoger secundair te
brengen en ze te doen slagen op dit niveau.
 Het hoger beroepssecundair onderwijs moet aantrekkelijk worden gemaakt.
 De rol van het hoger secundair onderwijs dient versterkt te worden naar het eindexamen
toe en naar het hoger onderwijs toe.
 Hoger secundair beroeps- en technisch onderwijs moet degelijk voorbereiden op de arbeidsmarkt maar ook de toegang tot hoger onderwijs mogelijk maken.
 De hervorming van hoger secundair beroepsonderwijs wordt geëvalueerd rekening houdend met het bereiken van de doelstellingen op het vlak van stages, beroepscompetenties
en beroepsmobiliteit en aansluiting naar verdere vorming.
Met betrekking tot het leeraanbod en de curricula:
 Het curriculum van de comprehensive school moet herzien worden in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen.
 Speciale aandacht wordt gegeven aan de overgang tussen bepaalde klassen: tussen 2 en 3
en 6 en 7 en tot het laatste jaar (10).
 De leerlingen moet de mogelijkheid geboden worden om individuele studieprogramma’s
samen te stellen over de grenzen van afzonderlijke onderwijsinstellingen heen.
 Het onderwijzen van een deel van het curriculum in een andere taal en het organiseren
van onderdompelingcursussen voor talen op jonge leeftijd moet meer aandacht krijgen.
 Bijzondere aandacht dient gegeven aan leerlingen in het beroeps hoger secundair die
vakken in het algemeen secundair wensen te volgen.
 De leerlingen moeten combinaties kunnen maken tussen studies in het algemeen hoger
secundair en het beroeps- en technisch secundair als voorbereiding op hoger onderwijs.
Met betrekking tot de leerlingen:
 De actieve rol van de lerende in het analyseren en opbouwen van de eigen kennisstructuur en het ontwikkelen van de eigen creativiteit is belangrijk.
 De nadruk moet liggen op de leervaardigheden en op het ontwikkelen bij de leerlingen
van zelfvertrouwen en het leren managen van hun eigen leven.
 Speciale aandacht dient gegeven aan studie- en beroepskeuze om de hierboven vermelde
mogelijkheden te ondersteunen.
 Meer speciale voorzieningen organiseren voor leerlingen met speciale noden.
Algemene informatie over het Fins onderwijssysteem vindt men op de website van het Ministerie:
http://www.minedu.fi/minedu/education/priorities.html en op de website van Eurydice onder Eurybase
103 Bijzondere dank gaat naar Timo Lankinen, Directeur-Generaal, Vocational Education, Ministry of Education;
Reijo Aholainen, Counsellor of Education, Ministry of Education; Nina Rekola, CIMO, Centre for International
Mobility, Socrates NA; Ulla Salomäki, expert of the Ministry of Education
104 Dit document kan geprint worden vanaf de webpagina:
http://www.minedu.fi/julkaisut/KESU2004/eng/engKESU.html
102
93
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Met betrekking tot de leervormen en evaluatie:
 Het verbeteren van de onderwijsmethodes om te komen tot ‘multiform’ (veelvormig)
leren.
 Work-based leren integreren als een essentieel onderdeel van beroepsonderwijs.
 De evaluatie moet overal in alle scholen gelijk geschakeld worden zodat er geen verschil
is in onderwijs, in het leren en in de bereikte resultaten over de scholen heen.
 De permanente evaluatie van de leerling wordt meer en meer benadrukt.
 Er moet meer nadruk gelegd worden op het evalueren van de startkwalificaties vanuit
outcome assessment.
 Veralgemenen of invoeren van skills tests of projecten op het einde van het programma om
de competenties en vaardigheden vast te stellen.
Met betrekking tot de leraren:
 Alle leraren dienen de basiskennis en vaardigheden te hebben om les te geven aan, en
remediërend te kunnen optreden naar, leerlingen met bijzondere noden.
 Aandacht voor de werkbelasting van de leraar is nodig om de werkomstandigheden te
kunnen verbeteren.
 Bijscholing organiseren van leraren en instructeurs (mentoren) die bij de on-the-job
training betrokken zijn (voor 10.000 leraren!); zo mogelijk bijscholing voor de twee groepen (leraren en mentoren in bedrijven) samen.
 Meer kansen bieden aan leraren om gedetacheerd te worden naar bedrijven.
Met betrekking tot de scholen:
 In de ‘comprehensive school’ (vanaf 6 tot 16 jaar) ondersteunt de school en moedigt ze het
individuele leren aan volgens de nood van elk van de jongeren.
 Het model waarbij het curriculum door de school wordt gestuurd moet verdergezet en
zelfs uitgebreid worden.
 Pilootprojecten worden opgezet om naschoolse activiteiten in schoolclubs te organiseren.
 Het bevorderen van samenwerking tussen onderwijsverstrekkers op regionaal vlak moet
de regionale ontwikkeling te ondersteunen. Daartoe dient een regionaal netwerk van onderwijsinstellingen ontwikkeld te worden die een gediversifieerd aanbod van onderwijs
en vorming garanderen voor alle jongeren.
5.2.2 Specifieke beleidsaccenten van de huidige regering
Verschillende van de voornoemde elementen worden vertaald in het beleidsplan van de huidige regering van eerste Minister Matti Vanhanen105. Hieronder worden enkele elementen
aangehaald die in dat beleidsprogramma extra aandacht krijgen en nauw aansluiten bij de
visie van Accent op Talent:
 preventief optreden naar jongeren met problemen in de basisschool
 de nadruk leggen op de samenwerking tussen school en gezin
 het bevorderen van inclusief onderwijs
The Programme of Prime Minister Matti Bvanhanen’s Government ; 6; Education, Science and Cultural Policy; te
printen van de website: http://www.valtioneuvosto.fi/vn/liston/base.lsp?r=385&k=en.
105
94
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 het bevorderen van samenwerking tussen scholen van het hoger algemeen secundair en
het hoger secundair beroepsonderwijs
 samenwerking over de grenzen van een gemeente heen
 meer banden tussen de comprehensive school en het hoger algemeen of beroepssecundair
onderwijs
 het meer aantrekkelijk maken van het hoger secundair beroepsonderwijs door een hervorming van de inhoud en door meer studie- en leerlingenbegeleiding
 meer bijscholing voor alle leraren
 uitbreiding van de technische lerarenopleiding,
 meer contacten tussen leraren in het beroepsonderwijs en de bedrijven.
5.2.3 Bijkomende overwegingen106
 Het Nationaal Ontwikkelingsplan is echt de kern van alle actie. Het nieuwe ontwikkelingsplan van 2004 tot 2008 zal de nadruk leggen op he volgende:
o De onderwijsinstellingen zullen financiële stimulansen krijgen om de doelstellingen van de regering voor het beroepsonderwijs vlugger te verwezenlijken. Extra
steun zal gebaseerd zijn op bepaalde criteria: een stijgend % dat werk vindt; meer
doorstroming naar het hoger onderwijs; lagere drop out.
o Verdere internationalisering van het beroepsonderwijs; vooral rekening houdend
met het Kopenhagen proces107
o Bevordering van het samenwerken van het algemeen secundair met het beroepsonderwijs met de bedoeling in de toekomst samen te smelten zoals in Zweden en
Noorwegen. Concreet moeten leerlingen uit de twee sectoren vakken kunnen
volgen bij de andere. Dit staat in nauw verband met het doel tot het vergroten
van het aantal jongeren uit het beroeps die het Matriculation108 examen afleggen
op het einde van het secundair onderwijs. Dit examen heeft vooral een civiel effect.
o Het is ook de bedoeling dat meer jongeren uit het beroepsonderwijs doorstromen
naar het hoger onderwijs.
o Er zal een hervorming komen van de inhoud van de kwalificaties in het beroepsonderwijs, met o.m. vaardigheids- en competentietesten.
o Er is nood aan een versterking van de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en de bedrijven, o.a. om betere stages te organiseren.
Op basis van het interview met Timo Lankinen, directeur-generaal beroepsonderwijs
Het “Kopenhagen proces” is gebaseerd is op de Verklaring van Kopenhagen van 29 en 30 november 2002 met
betrekking tot de bevordering van de Europese samenwerking bij de beroepsopleiding. Aandachtspunten binnen
de Verklaring zijn: verstevigen van de Europese dimensie in de beroepsopleiding, de transparantie met inbegrip
van informatie en begeleiding van deze sector vergroten, werken aan de erkenning van competenties en kwalificaties, en de kwaliteit van de beroepsopleidingen bevorderen. De volledige tekst van de Verklaring van Kopenhagen is te vinden op de volgende website:
http://europa.eu.int/comm/education/copenhagen/copenahagen_declaration_en.pdf
108 “Matriculation exam: the purpose of the examination is to discover whether pupils have assimilated the knowledge and
skills required by the curriculum for the upper secondary school and whether they have reached an adequate level of maturity
in line with the goals of the upper secondary school. Passing the Matriculation Examination entitles the candidate to
continue his or her studies at university. The examination is arranged in upper secondary schools.” Zie ook website:
http://www.minedu.fi/yo-tutkinto/esiteen.html
106
107
95
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen




o Andere aandachtspunten zijn het gebruik van ICT om het leren te bevorderen en
het integreren van leerlingen met leermoeilijkheden en handicaps.
In Finland wordt soms met pilootprojecten of experimentscholen gewerkt. Sommige scholen beschouwt men als pilootprojecten als ze extra-inspanningen leveren om bepaalde
doelstellingen vlugger te bereiken. Zo zijn enkele beroepsscholen bezig met het implementeren van de skills tests.
In het verleden werd heel veel macht doorgegeven aan de lokale overheden. Nu wordt er
soms aan gedacht wat van die autonomie terug te nemen om centraal een beter beleid te
kunnen voeren; dit is een delicate zaak.
Er wordt ook gezocht naar meer samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het hoger
beroepsonderwijs (de polytechnics109 of hogescholen).
Regionale en lokale samenwerking tussen onderwijsverstrekkers zal meer en meer bevorderd worden om een beter en ruimer onderwijsaanbod aan te bieden dat beantwoordt aan
de noden en talenten van de jongeren.
5.3 Pilootscholen of experimentele scholen110
Scholen die als pilootschool of als experimentele school wensen te fungeren kunnen zich
aanmelden bij de National Board of Education111. Deze organisatie levert diensten, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, op het vlak van het ontwikkelen van onderwijs, het
evalueren van onderwijs en het verstrekken van informatie aan onderwijsverstrekkers, directeurs, leraren, beleidsmakers en het bedrijfsleven. Deze organisatie, opgericht in 1991 bestaat
uit 300 experts.
Scholen dienen een inhoudelijk voorstel in te dienen, vergezeld van een financieel plan. De
voorstellen worden geselecteerd door de National Board of Education op basis van de overeenstemming met de prioriteiten van het ministerie van onderwijs. Meestal worden projecten gesteund voor twee à drie jaar maar ook financiering voor één jaar kan. De National
Board of Education organiseert ook de evaluatie van de resultaten van deze projecten.
Er zijn geen beschrijvingen van goede praktijkvoorbeelden voorhanden in het Engels.
5.4 Samenvatting en conclusies
 In Finland is er een voortdurende grondige reflectie aan de gang over de kwaliteit van onderwijs en vorming. Er zijn duidelijke beleidsteksten en voorstellen tot implementatie van
vernieuwing, ook al stelt men dat het onderwijssysteem nu reeds bijzonder performant is.
Finland kent, zoals Vlaanderen, een binair hoger onderwijs systeem met enerzijds universiteiten en anderzijds
hogescholen of polytechnics. Verdere informatie over de Polytechnics kan gevonden worden op de website van
het ministerie : http://www.minedu.fi/minedu/education/polytechnic.html of op de website van ARENA, de Finse vereniging van hogescholen: http://www.arene.fi/english/
110 De informatie werd verstrekt door Timo Lankinen, directeur-generaal VET, Ministerie Onderwijs
111 Website National Board of Education Finland: http://www.oph.fi/english/frontpage.asp?path=447
109
96
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Er is een duidelijk innovatiebeleid voor het beroeps- en technisch onderwijs langs o.a.
jaarlijkse nieuwe pilootprojecten.
 Het beleid in Finland benadrukt ook de elementen uit het gedetailleerde werkplan voor
de toekomstige doelstellingen voor onderwijs en vorming van de Europese Unie.
 De Finse vernieuwing benadrukt verder alle aspecten van anders leren, anders kiezen, anders sturen (waar reeds een lange traditie bestaat) zoals deze ook worden voorgesteld in
Accent op Talent.
 Het wegwerken van de beschotten tussen het algemeen en het beroepsonderwijs wordt
sterk benadrukt. Bewegingen van jongeren in de twee richtingen, van het algemeen secundair naar het beroeps en omgekeerd, worden benadrukt. Meer en meer doorstromingskansen dienen gecreëerd voor zoveel mogelijk jongeren naar het hoger onderwijs.
 Het accent wordt meer en meer gelegd op individuele leertrajecten voor elke leerling.
 De uitwerking van competentietesten in samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven
is een interessante ontwikkeling.
 Samenwerking tussen regionale en lokale onderwijsverstrekkers en het bedrijfsleven om
een beter onderwijs- en vormingsaanbod uit te bouwen, wordt belangrijker.
 De National Board of Education ondersteunt de vernieuwing op efficiënte wijze om de
impact ervan zo groot mogelijk te maken.
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
Enkele van de Finse voorbeelden worden gecoördineerd door scholen; andere projecten worden georganiseerd door de National Board of Education van het Ministerie van Onderwijs
met de bedoeling nieuwe aanpakken bij scholen te bevorderen.
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website

Werkgroepen samengesteld uit
leerlingen, leraars en mensen uit
bedrijven die samen een concrete
opdracht uitvoeren
Anders evalueren: peer evaluation
Anders leren werken: werken in
teams
Indirect ook anders kiezen
Hannu Heinonen
Email:
[email protected]
us-edu.fi
Individuele leertrajecten
Lange stages in bedrijven
Opleiding van stagementoren in
bedrijven in samenwerking met de
beroepsschool
Speciaal voor leerlingen met
bijzondere noden en behoeften
Indirect ook Anders kiezen
Betere structuren uitbouwen en
begeleiders vormen om anders
kiezen te bevorderen in het hoger
secundair beroepsonderwijs
Juhani Aaltonen
Email:
[email protected]
a.fi
112
1
2
Development of
demonstration products to the basic
degree of plastic and
rubber techniques
To the Work Life
Salpaus Further Education Institution for vocational education and
upper secondary education
Further
Education
Institution in
Kokemäkijo
kilaakso
AL



AL




3
112
Studieoriëntering
en studiebegeleiding in het hoger
secundair beroeps-
National
Board of
Education
AK,
AL


Juhani Pirttiniemi
Email:
[email protected]
i
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
97
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen

onderwijs


4
META -project
Personeelsleden als
curriculumontwikkelaars van het
hoger secundair
beroepsonderwijs
Vocational
Institution of
Savonlinna
AL,
AW





5
Healthy Self Esteem
Project
National
Board of
Education
AK,
AL





En project met 12
landen, 66 scholen

Evaluatie door
University of
Helsinki


6
7
Healthy School
Project
Het project maakt
deel uit van het
European Network of
Health Pomoting
Schools. Verder
informatie op de
website:
http://www.who.d
k/eprise/main/WH
O/Progs/ENHPS/H
ome
Experimental reform
of upper secondary
education in Finland
1992-2001: the strategy of mutual enrichment of academic
and vocational education
Pateniemi
Upper
Secondary
School / Nilo
Secondary
School
AL





University
of Jyväskylä,
Department
of Education
AL,
AK,
AS



Pilootproject met
Scholen helpen bij het verbeteren
van studieoriëntering
Bevorderen van individuele leertrajecten door betere studieoriëntering
Samenwerking tussen alle
stakeholders bevorderen
Een model ontwikkelen om te leren
en te onderwijzen op de werkplek
Coöperatieve leervormen en leeromgevingen bevorderen in samenwerking tussen school en bedrijf
Leraars vormen meer coach te zijn
Teamwerk en team teaching bevorderen
Nieuwe methodes te transfereren
van de leraar naar de leerling en
naar de werkplek
Uitbouw van een beter curriculum
Peer learning bevorderen
Bevorderen zelfevaluatie
Zelfwaardering bij jongeren bevorderen
Leermethodes ontwikkelen voor
het bevorderen van leren leren en
sociale vaardigheden
In samenwerking met ouders en
andere betrokkenen de studieoriëntering en de studiekeuze verbeteren
Verbeteren van het schoolklimaat
om beter leren te vergemakkelijken
Actieve methodes om geweld op
school te voorkomen en pesterijen
te vermijden
Gezondheidsopvoeding bevorderen als onderdeel van beter leren
Teamwerk bevorderen
Nieuwe actieve leermethodes
bevorderen
Actief burgerschap door het leren
bevorderen
Werken aan gezondheid op school
om het leefklimaat te bevorderen
en zo het leerklimaat ook te
verbeteren
Samenwerking tussen universiteit
en hoger secundair beroepsonderwijs om de kwaliteit te verbeteren,
nieuwe leermethodes te ontwikkelen en nieuwe curricula te ontwikkelen
Hulp bij het uitbouwen van
individuele leertrajecten
Leerling kan deel van curriculum in
een andere instelling volgen en
Pekka Pitkänen
Email:
[email protected]
Heidi Peltonen
Email:
[email protected]
Teuvo Väisänen
Email:
[email protected]
ka.fi
Voor lerarenvorming:
Kari Järvinen
Email:
[email protected]
usamo.fi
Evaluatie door Kerttu
Tossavainen
Email:
[email protected]
.fi
Matti-Vesa Volanen
Email:
[email protected]
yu.fi
98
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
medewerking van
een regionaal
netwerk van
hogere secundaire
beroepsscholen en
een universiteit



8
Bevordering van
regionale samenwerking tussen
scholen van het
hoger secundair beroepsonderwijs
National
Board of
Education
AK,
AS





9
TOP-co-operation
training
The Management
Skills
Institution
AL






10
The Upper Secondary
Distance Education
National
Board of
Education
AL




krijgt daarvoor credits
Bedoeling was meer kansen te
creëren voor jongeren uit het hoger
secundair beroepsonderwijs om
naar universiteit te gaan
Meer kansen bieden aan academische jongeren om praktische of
toegepaste vakken te studeren
Regionale samenwerking bevorderen tussen verschillende stakeholders
Curricula uitbouwen in overleg
met andere scholen om de
regionale samenwerking en
mogelijkheden te bevorderen
Betere studieoriëntering voor de
jongeren in de regio aanbieden
Op regionaal vlak goede praktijk
samen brengen
Samenwerking bevorderen tussen
hoger secundair beroepsscholen,
andere scholen, bedrijven en andere stakeholders
Regionaal een efficiënt gebruik van
de voor handen zijnde middelen
bevorderen
Ontwikkelen van nieuwe leermethodes en leerinstrumenten die samenwerking bevorderen tussen
school en bedrijf
Een werkplan ontwikkelen om leren in de werkplek te bevorderen
De bijscholing van de mentoren in
de bedrijven bevorderen
De kennis van de leraars over bedrijven verdiepen
De student beter de bedrijven leren
kennen
Een netwerk tot stand te brengen
tussen scholen en bedrijven
Toegang tot het hoger secundair
beroepsonderwijs vergroten door
afstandsleren te bevorderen
De vaardigheden van leraren om te
werken met afstandsleren
bevorderen
Leraren als mentoren te vormen
voor het begeleiden door middel
van afstandsonderwijs
Levenslang leren bevorderen
Jorma Kauppinen,
Counsellor of
Education,
Adres: Opetushallitus,
Hakaniemenkatu 2,
P.O.Box 380, 00531
Helsinki, Finland.
Tel +358-9-774 775
Ritva Cronhjort
Email:
[email protected]
Tellervo Renko
Email:
[email protected]
99
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
6. Noorwegen
6.1 Schema onderwijssysteem
100
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
6.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
113 114
6.2.1 Algemene principes van het Noorse onderwijssysteem
 Het ‘comprehensive’ 115karakter van de eenheidsschool staat centraal in het onderwijsconcept als belangrijk element voor gelijke kansen voor en socialisering van alle leerlingen.
Gedurende tien jaar volgen de leerlingen les in een comprehensive school, gebaseerd op een
nationaal curriculum dat in 1994 werd bepaald.
 De zorg voor het ontwikkelen van alle talenten van elke jongere staat zeer hoog op de
agenda.
 Het curriculum kan flexibel worden ingevuld door de scholen rekening houdend met de
plaatselijke omstandigheden en met de individuele noden van elke afzonderlijke leerling.
De autonomie van de school is zeer groot in overleg met de lokale overheid.
 Om de zelfwerkzaamheid te bevorderen is voor alle leerlingen praktisch projectwerk
ingebouwd dat wordt afgesproken samen met de leerlingen.
 Noorwegen heeft een uniform hoger secundair onderwijs dat algemene theoretische vorming combineert met een beroeps- of technische vorming en dezelfde waarde hecht aan
praktische opleiding en theoretische opleiding. In het hoger secundair hebben de leerlingen de keuze tussen 15 basiscurricula.
 Het is de bedoeling het zo gemakkelijk mogelijk te maken voor de leerlingen die het hoger
secundair beroepsonderwijs volgen om door te stromen naar het hoger onderwijs.
 De initiële opleiding en de bijscholing van de leraren staat centraal in alle vernieuwing in
het onderwijs.
 Speciale maatregelen zijn voorzien om mensen zonder diploma hoger secundair de kans
te bieden dit later te behalen.
 Kwaliteitszorg is zeer belangrijk en heel wat werk wordt gedaan op het vlak van zelfevaluatie; een elektronische database met instrumenten is beschikbaar voor de scholen.
Informatie over het Noors onderwijssysteem is beschikbaar op de website van het ministerie:
http://odin.dep.no/ufd/engelsk/index-b-n-a.html of op de web site van Eurybase van Eurydice.
114 Bijzondere dank gaat naar Jan Ellertsen, Deputy Director General, Department of Education and Training,
Ministry of Education; Bodhild Baasland, Ministry of Education, member of Comenius sub-committee; Egil Eiene,
Head of Comenius National Agency, Bergen.
115 Met het ‘comprehensive karakter’ van de school wordt bedoeld wat Francine Vaniscotte in haar boek “Les Écoles
de l’Europe: Système éducatifs et dimension européenne” (zie literatuurlijst) beschrijft als het model van ‘l’école unique’
dat tot doel heeft een zo groot mogelijke gelijkheid van kansen te bevorderen voor alle kinderen en dit zo lang
mogelijk tijdens de duur van de schoolplicht. De comprehenisve school (in het Frans ‘école unique’) is een school
waar alle leerlingen samen hetzelfde programma volgen onder de verantwoordelijkheid van éénzelfde lerarengroep tijdens de gehele duur van de schoolplicht. Meestal is dat van 6 of 7 jaar tot 16 jaar. Denemarken,
Noorwegen Finland, Zweden en Ijsland hebben een dergelijke comprehensive school. Dit is niet te verwarren met
de comprehensive school in Engeland. Volgens het Glossarium van Eurybase is de Engelse Comprehensive
school: “A school providing secondary education which admits pupils of all academic abilities”. De meeste scholen in
Engeland kunnen als “comprehensive schools” in de Engelse betekenis van de term beschouwd worden.
113
101
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
6.2.2 Trends en specifieke ontwikkelingen116
 Er is een witboek in voorbereiding waarin de volgende grote lijnen zullen aan bod komen:
o de 10 jaar van de comprehensive school en de drie jaar hoger secundair moeten als
één continuüm worden gezien
o een vereenvoudiging van de 15 basiscurricula van het hoger secundair onderwijs
moet leiden tot bredere stromen waartussen de leerlingen kiezen en leerlingen
beter voor te bereiden op levenslang leren en op hun latere (variërende) professionele loopbaan
o nadruk dient gelegd op de basisvaardigheden en -competenties in tegenstelling
tot meer gespecialiseerde vaardigheden
o flexibiliteit is nodig binnen de comprehensive school (en zelfs binnen het hoger secundair); (begaafde) leerlingen van lagere jaren moeten vakken kunnen nemen in
de hogere jaren
o de barrières of schotten binnen de comprehensive school en tussen deze laatste en
het hoger secundair moeten neergehaald worden; ook binnen het hoger secundair moeten alle barrières of schotten (zoveel mogelijk) weggenomen worden
o de autonomie van de scholen moet nog vergroten en de wetgeving dient vereenvoudigd te worden
o een systeem gericht op het evalueren van de output moet verder worden uitgebouwd.
 Het zal gemakkelijker worden om binnen de 15 basisprogramma’s van het hoger secundair onderwijs over te stappen van het ene naar het andere programma en combinaties te
maken binnen de verschillende programma’s. Zo zal iemand een meer theoretische cursus
kunnen combineren met een meer technische of beroepsgerichte cursus.
 Leerlingen kunnen zelf hun leertraject samenstellen rekening houdend met hun talenten
en mogelijkheden; de leraren moeten hen daarbij begeleiden. Individuele leertrajecten
hebben veel te maken met het inrichten van flexibele leermomenten; daarom worden projecten opgezet die experimenteren met flexibele leertijden voor de leerlingen en flexibele
werktijden voor de leraren.
 Ook de klassen worden op een andere manier ingericht om op een flexibele manier in te
spelen op de individuele leertrajecten.
 Het doorstromen vanuit alle 15 basisprogramma’s naar het hoger onderwijs zal vergemakkelijkt en bevorderd worden.
 Leraren moeten ook grote inspanningen doen om meer en meer als coach van leerlingen
op te treden.
 Er is afgesproken tussen de scholen en de vakbonden van de leraren dat er vijf manieren
zijn om de tijd van de leraar en de beschikbaarheid flexibel in te vullen. Het systeem van
lessenrooster en werkrooster dat wordt gebruikt wordt lokaal afgesproken tussen de
leraren, de school en de vakbonden; het hoofddoel is de kwaliteit van het onderwijs en de
begeleiding van de leerlingen117.
De volgende paragrafen zijn voornamelijk gebaseerd op het interview met Jan Ellertsen, adjunct- directeur
generaal VET van het Ministerie van Onderwijs en Vorming.
117 Een samenvatting van dit experiment is beschikbaar in een document van het Noors Ministerie van Onderwijs
in het Engels: Background paper for study-visit to Norway 8-9 May 2003, competence addressed: working in team
116
102
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Het ministerie organiseert in samenwerking met de lokale / regionale overheden veel bijscholingsinitiatieven voor leraren op het vlak van algemene vernieuwingsstrategieën en
niet alleen op het vlak van het vakinhoudelijke.
 De vernieuwing van de lerarenopleiding, die zopas gestart is, moet al deze vernieuwingen ondersteunen.
6.3 Pilootprojecten of demonstratieprojecten118
Er bestaat een systeem van pilootprojecten die ‘demonstrasjonskole’ (Demoskoler) worden genoemd. Deze projecten werden ingevoerd op voorstel van de huidige minister van onderwijs
Kristen Clemet. De hoofdbedoeling is scholen te ondersteunen die systematisch werken aan
onderwijsvernieuwing op het vlak van de kwaliteit van het onderwijs en van het leren, het
besturen van de school en het ontwikkelen van een motiverende schoolcultuur en –omgeving. De scholen kunnen projecten indienen die gefinancierd worden door het ministerie; de
projecten dienen aan criteria te beantwoorden die in verband staan met de prioriteiten van
het ministerie.
In 2003 waren er 152 aanvragen waarvan 20 werden aanvaard. De criteria voor selectie voor
2003 waren de volgende:
 pedagogisch werk dat innovatie benadrukt en creativiteit stimuleert
 optekenen en documenteren van de resultaten van het leren (en van de projecten)
 uitwerken van een systematische aanpak voor een veilige en zorgzame school
 een open bestuur van de school.
De projecten worden ondersteund voor een periode van twee jaar en krijgen gemiddeld
61.000 euro per jaar (500.000 Noorse kronen).
Van de 20 geselecteerde scholen zijn er 9 betrokken bij Comenius-projecten en werken dus
ook aan internationalisering. Verschillende projecten lopen rond het flexibel organiseren van
de tijd op school zowel voor leerlingen als leraren; leraren en leerlingen zijn aanwezig van 9
tot 15 uur; van 17 tot 19 zijn sommige leraren beschikbaar voor de leerlingen.
Deze Demonstrasjonskole hebben ook de functie van aquariumschool en moeten heel veel
gasten ontvangen; vaak wordt de financiële ondersteuning dan ook gebruikt voor het vrijstellen van een leraar die taak heeft alle bezoekende scholen te informeren en te helpen. Toch
blijft één van de grootste problemen het verspreiden van de resultaten van deze projecten.
Volledige informatie over deze demonstrasjonskoler (in het Noors) is te vinden op de volgende
website: http://www.odin.dep.no/ufd/norsk/aktuelt/pressem/045071-070127/index-dok000-bn-a.html. Een beschrijvende brochure in het Noors (mits wat inspanning te begrijpen door
een Vlaming) is te vinden op de volgende website: http://www.ls.no/Demoskoler/nyhet.asp
De volgene paragrafen zijn gebaseerd op informatie verstrekt door Jan Ellertsen, adjunct-directeur-generaal
VET, Ministerie van Onderwijs en Egil Eiene, hoofd Socrates NA
118
103
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
6.4 Samenvatting en conclusies
 Noorwegen heeft een onderwijssysteem dat duidelijk werk maakt van anders leren, anders kiezen en anders sturen. De onderwijsvernieuwing stelt de leerling met al zijn
talenten centraal.
 Veel van conclusies die vermeld zijn voor de andere Scandinavische landen (Zweden, Denemarken en Finland) zijn van toepassing of Noorwegen gezien het typische karakter van
de comprehensive school.
 De grondige reflectie die regelmatig plaatsvindt binnen het Noorse onderwijssysteem in
het algemeen en binnen elke school in het bijzonder, is een belangrijk element van vernieuwing.
 Er wordt gestreefd naar een vereenvoudiging van het hoger secundair met bredere leerbanen die tot hoofddoel hebben de basisvaardigheden en competenties te benadrukken.
Er komen ruime mogelijkheden tot het uitstippelen van individuele leertrajecten binnen
flexibele onderwijsmogelijkheden.
 Bijzondere aandacht gaat naar de uitbouw van een onderwijscontinuüm over het geheel
onderwijs vanaf het basisonderwijs tot het einde van het hoger secundair onderwijs.
 Een flexibel onderwijssysteem vergt een flexibele inzetbaarheid van de leraren om de
flexibele leertrajecten van de leerlingen te ondersteunen. Er is een duidelijk positieve
samenwerking met de lerarenvakbonden en er zijn interessante initiatieven voor het
flexibel invullen van de werktijd en de opdrachten van de leraren.
 De vernieuwing van de lerarenopleiding is belangrijk om de vernieuwing in haar geheel
te ondersteunen.
 De huidige minister van onderwijs heeft een systeem van “demonstratiescholen” ontwikkeld. Deze scholen doen ook dienst als aquariumscholen. Het documenteren van de
activiteiten van demonstratiescholen is belangrijk voor hun aquariumfunctie.
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website

Frank Klinkby
Email:
[email protected]
119
1
Changing in culture,
structure, physical
building conditions
and educational
practice
Het project wordt
ondersteund en
geëvalueerd door
de Universiteit van
Oslo en de
”LæringsLabben”
Leksvik
Videregånde
Skole
(hoger
secundaire
school)
AL,
AS




119
Een school waar voor elke leerling
succesbeleving is
De school ombouwen tot een echte
leeromgeving en open op internationalisering
Zelfevaluatie van de school gebruik
makend van een evaluatieproces
waarbij de leerlingen jaarlijks de
gehele school evalueren.
De school werkt ook aan het verbeteren van leiderschap en zit tot
dit doel in een internationaal
project van vijf jaar
De wetgeving werd flexibel geïnterpreteerd door de school en later
De school ontvangt
jaarlijks 1500 bezoekers
en doet dienst als
aquariumschool
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
104
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen



2
Living learning
Løkberg
Skole
AL


(lagere
school)

officieel aangepast
De school is een aquariumschool
De school begeleidt andere scholen
op de weg naar vernieuwing
Samenwerking met bedrijven is ook
belangrijk
Individuele begeleiding van leerlingen bij het leren
Video’s van het leren in de klas
worden gemaakt en besproken
Creatieve leeromgevingen worden
uitgebouwd op basis van de Marte
Methode120



3
Het uitbouwen van
een stimulerende
leeromgeving
Luster videregåande
skule
(Demonstrasjonskole)
(hoger
secundair)
AL,
AS






4
Creatieve aanpak
van vakken en het
creëren van een
uitnodigende
leeromgeving
Bergen
Handelsgymnasium
AL







5
Uitbouwen
creatieve
leeromgeving
Bjørkelangen
videregående skole
(hoger
120
AL,
AK,
AS


Meo
De school ontwikkelt als team een
holistische aanpak tot leren
Interdisciplinaire activiteiten staan
hoog op de agenda
De school staat bekend voor creative
leadership
Gedifferentieerde benadering van
leerlingen
Individuele leer- en arbeidsplannen
voor elke leerling
Leraren zijn mentoren of coach van
kleine, groepen leerlingen
Invoeren van alternatieve examenvormen en evaluatievormen
Veel aandacht voor een positieve
leeromgeving door werk rond het
bestrijden van mobbing, racisme
enz.
Bijzondere aandacht voor milieuopvoeding als onderdeel van opvoeding tot actief burgerschap
Gedifferentieerde aanpak van leerlingen die terug te vinden is in de
organisatie van de les- en leertijden
Leervormen gebaseerd op het initiatief en de creativiteit van de leerlingen
De leraar is een begeleidende coach
Interdisciplinaire vakoverschrijdende aanpak
Alternatieve evaluatievormen
ICT als ondersteuning van alternatieve en creatieve werkvormen
Probleemgestuurd en projectgestuurd leren
Uitbouwen van een nieuwe rol van
de leraar als coach, begeleider en
ondersteuner van het leerproces
Actieve rol van de leerling in het
gehele leerproces; nadruk op
sociale vaardigheden
Christine Borge
Email:
[email protected]
ne.no
Kumi Tømmerbakke
Email: [email protected]
Een dag per week ontvangt de school binnenen buitenlandse scholen
Email:
[email protected]
-f.kommune
Website
http://www.luster.vgs.n
o
Rektor: Per Jørgen Loen
Email:
[email protected]
Email:
[email protected]
Website:
http://www.hordalandf.kommune.no/bhg
Email:
[email protected]
o
Website :
http://www.bjorkelange
n.vgs.no
Marte Meo Methode: http://www.martemeoforeningen.com/english.html
105
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen

secundair
onderwijs)



6
Outdoor school
project Lutvan
Lutvan
Skole
AL,
AK,
AS



Sterke individuele opvolging van
elke leerling
Nadruk op het samenwerken van
leerlingen in het leerproces
Nadruk op het reflecteren van de
leerling over zijn leren
Nadruk op oriëntering en
begeleiding van leerlingen
Jongeren leren vanuit de natuur en
in samenwerking met de lokale
omgeving
Leraren zijn begeleiders die de
kinderen helpen ontdekken
Veel aandacht voor opvoeding tot
burgerzin en respect voor de
natuur
Website:
http://www.lutvann.gs.
oslo.no/
106
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
7. Engeland
7.1 Schema onderwijssysteem
107
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
7.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
121 122
7.2.1 De context voor de “14-19 Reform”
Een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen houden verband met de Working Group on 1419 Reform123. Deze werkgroep werd opgericht door de Regering na de publicatie van het
rapport ‘14-19 opportunity and excellence’ waarin voorstellen staan voor wijzigingen op lange
termijn in onderwijs en opleiding m.b.t. de kwalificaties van jongeren van 14 tot 19 jaar. Dit
rapport kwam tot stand na een groenboek in februari 2002 en de uitgebreide reacties op dit
groenboek.
In Engeland verloopt “hoger” secundair onderwijs en vorming traditioneel in twee fasen met
verschillede onderwijsverstrekkers: van 14 tot 16 jaar en van 16 tot 19 jaar. De leerplicht stopt
op 16 jaar. Om verschillende redenen lijkt deze opsplitsing steeds minder aangewezen – o.m.
omdat veel jongeren na 16 jaar voor een job kiezen met weinig perspectieven – en denkt men
dat een geïntegreerde fase van 14 tot 19 jaar wenselijk is. Zo hoopt men tot een grotere coherentie en samenhang te komen tussen scholen, colleges of further education (voor leerlingen
vanaf 16 jaar) en werkgevers. Dit impliceert dat er meer flexibiliteit moet komen in de
huidige studies die leiden tot het General Cetificate of Secundary Education (GCSE)124. Nieuwe
opties met een toegepast karakter moeten mogelijk worden binnen de traditionele academische disciplines. Er moet ook werk gemaakt worden van een zo breed mogelijke opleiding
en vorming.
Er werd aan de werkgroep gevraagd voorstellen te formuleren voor hervorming rekening
houdend met de volgende algemene elementen:
 grotere coherentie in de leerprogramma’s voor 14 tot 19 jarigen
 een versterkte structuur en inhoud van alle fulltime beroepsprogramma’s
 aangepaste evaluatievormen
 een aangepast kader van kwalificaties.
In juli 2003 werd een Progress report gepubliceerd met de basisprincipes van de hervorming
en met voorstellen tot curriculumplanning, evaluatie en een nationaal schema van kwalificaties. De consultatieperiode over dit rapport eindigde in oktober 2003. In de eerste helft van
2004 wordt een interim rapport verwacht met de bevindingen van de werkgroep en ook met
de resultaten van de consultatie. Het eindrapport van de werkgroep moet klaar zijn in de
zomer van 2004 samen met voorstellen tot veranderingen.
Algemene informatie over het Engels onderwijssysteem vindt men op de website van het Ministerie:
http://www.dfes.gov.uk/index.htm en in de Eurybase van Eurydice
122 Bijzondere dank gaat naar Patricia Ambrose, SCOP, Standing Conference of Principals of England; Ray Kirtley,
Development Unit, University of Hull; Judith Hemery, British Council, Member of the Socrates Committee; John
Morris, Former coordinator IQEA Project, Nottinghamshire County Council.
123 Alle documenten die vermeld worden zijn te vinden op de speciale website: http://www.14-19reform.gov.uk
124 Het GCSE is een certificaat dat aangeeft in welke mate men succesvol geweest is in bepaalde vakken in het
secundair onderwijs.
121
108
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
7.2.2 Visie van “14-19: Opportunity and excellence”125
Het doel van de beoogde vernieuwingen is om leerlingen meer keuzemogelijkheden bieden,
meer coherentie en meer kwaliteit. Verhoopt wordt dat dit zal bijdragen tot een verhoogde
motivatie om te leren en een meer gelijkwaardige waardering van toegepaste (technische of
beroeps) richtingen en academische richtingen. Eenzelfde kader zou mogelijkheden bieden
om de talenten van alle jongeren beter te ontwikkelen en hen toe te laten hun leerloopbaan
progressief uit te bouwen. Het is de uitdrukkelijke bedoeling de leerervaring van de
jongeren te veranderen zodat ze gemotiveerd worden voor levenslang leren op school, in de
further education colleges en op de werkplek.
De kernelementen van de ontwikkelde visie zijn de volgende:
 Alle jongeren kunnen vanaf 14 jaar kiezen uit een reeks aan cursussen en kwalificaties die
een breed gamma van onderwerpen en vaardigheden bestrijkt
 Vanaf 14 kunnen jongeren hun eigen mix van vakken opstellen. Ze kunnen dus meer
algemene vakken combineren met meer gespecialiseerde keuzes die beter beantwoorden
aan hun interesses en verwachtingen. Dit zou hen in staat moeten stellen gemakkelijk
door te stromen naar cursussen op een hoger niveau op 16 jarige leeftijd.
 De jongeren kunnen gemakkelijk zien hoe hun studies leiden tot verder onderwijs en tot
tewerkstelling of ze nu in het algemeen vormend onderwijs zitten of in meer beroepsgerichte opleidingen. De leerlingen moeten ook de kans hebben om te kunnen switchen tussen verschillende soorten cursussen.
 Alle jongeren kunnen de praktische vaardigheden ontwikkelen voor het werk en voor het
functioneren in de maatschappij. Het curriculum en de evaluatie leggen meer nadruk op
analysevaardigheden en op probleemoplossend denken en handelen.
 Jongeren die bijzondere noden hebben of die het hoofd moeten bieden aan persoonlijke,
familiale of sociale problemen, worden geholpen om deze problemen te overwinnen.
 Waar jongeren ook leren, ze hebben toegang tot verschillende vormen van onderwijs en
vorming, tot centres of excellence of andere vormen van expertise en vorming.
 Scholen en further education colleges werken samen op een innoverende manier om te
beantwoorden aan de noden van alle lerenden.
Concreet worden de volgende veranderingen in het vooruitzicht gesteld tegen 2005:
 Voor de 14 tot 16 jarigen worden wijzigingen van het curriculum voorgesteld die het verbreden van de opleidingsmogelijkheden combineren met meer flexibiliteit voor scholen
en further education colleges. Deze zullen meer programma’s op maat kunnen aanbieden
die beantwoorden aan de individuele noden en talenten van de jongeren. Scholen en
colleges of further education worden aangemoedigd om de jongeren examens te laten afleggen wanneer ze daarvoor klaar zijn.
 Engels en wiskunde blijven verplicht. Alle leerlingen leren verantwoordelijkheden en een
gezonde levensstijl. Ook ICT blijft verplicht voor allen, maar deze vaardigheden moeten
meer en meer aangeboden worden doorheen de verschillende vakken. Alle leerlingen
moeten leren over werk en de bedrijfswereld.
125
Zie website: http://www.dfes.gov.uk/14-19/download.shtml
109
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Alle leerlingen krijgen de kans een andere taal te leren, of een algemeen humaan vak
(zoals geschiedenis), een kunstvak, en design en technologie.
 Alle jongeren kunnen verder werken aan hun taal-, reken- en computervaardigheden tot
hun 19 jaar.
 Drie grote hervormingen worden voorzien in het beroepsonderwijs:
o naast de acht beroeps-onderwerpen voor het GCSE worden nieuwe hybride
GCSEs gecreëerd die jongeren toelaten academische vakken te combineren
met meer toegepaste vakken
o moderne leercontracten zullen worden verbeterd en uitgebreid
o de GCSE’s of A-levels zullen niet langer beschreven worden als ‘academisch’
(academic) of beroeps (vocational).
7.3 Innovatieprojecten in scholen
7.3.1 Doelstellingen van de Pathfinders126
Het concept van de Pathfinders werd opgestart om de voorstellen in de 14-19 reform uit te testen op lokaal vlak, om goede praktijk te ontwikkelen en deze dan te verspreiden. 25 projecten werden opgestart in 2002-03 en nog eens 14 in 2003-04; de eisen voor de laatste waren
strenger wat de innoverende activiteiten betreft.
Een Pathfinder bestaat een school die samenwerkt met andere scholen of further education
colleges en netwerken uitbouwt met verschillende andere partners in het hoger onderwijs, in
het bedrijfsleven in een bepaalde regio enz. De Pathfinder-projecten worden gecoördineerd
door een school of een andere verantwoordelijke instantie voor onderwijs.
De doelstellingen van de 14-19 Pathfinders zijn127:
 een reeks nieuwe ideeën uit te testen en er nieuwe te ontdekken
 goede praktijk te ontwikkelen voor vorming en opvoeding van 14 tot 19 die kan gebruikt
worden bij het veralgemenen van de hervorming in Engeland
 na te gaan hoe het beleid voor onderwijs en vorming 14-19 in overeenstemming is met
ander beleid; na te gaan welke hinderpalen er zijn en hoe men deze kan overwinnen
 aan te tonen dat deze vernieuwende hervorming kan plaats vinden op verschillende
plaatsen, in verschillende sociale omstandigheden en met een verschillende mix van groepen scholen en FE colleges.
Alle pathfinder schools moeten
 de gehele fase van 14 tot 19 bestrijken
 studie- en beroepskeuze verder uitbouwen
 het ontwikkelen van individuele leertrajecten bevorderen
 samenwerken met andere pathfinders
 duidelijke doelstellingen opstellen.
Website van de pathfinders: http://www.dfes.gov.uk/14-19pathfinders/
Doelstellingen voor de tweede groep opgestart in september 2003 zijn veeleisender; zie Pathfinder prospectus
2003-04: http://www.dfes.gov.uk/14-19pathfinders/guidance_docs/ProspectusWCL.PDF
126
127
110
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
De pathfinders voor 2002-2003 zullen vooral werken rond:
 samenwerking (op geografisch vlak) met andere lokale en regionale partners
 verbredeing van het curriculumaanbod
 aangepaste en gevarieerde leersnelheden
 post-16 toegang tot niveau 2 voor wat lezen, rekenen en ICT betreft
 aanbieden van programma’s met meer stages in bedrijven
 bevordering van de ondernemingszin
 innovatief gebruik van beroepsopleiding met nieuwe hybride GCSE
 betere studie- en beroepskeuze.
In januari 2003 werden 25 pathfinders opgestart. In september 2003 volgende 14 nieuwe
projecten, wat het totaal aantal op 39 pathfinders brengt. Er wordt 24 miljoen euro vrijgemaakt voor de werking in het schooljaar 2003-04. De pathfinders worden verondersteld jaarlijks een rapport op te stellen dat op de website beschikbaar is.
7.3.2 Praktijkvoorbeelden en/ of goede praktijkvoorbeelden Pathfinders
Op de website van de pathfinders vindt men een beschrijving van alle 39 pathfinders met
sleutelwoorden voor hun activiteiten; voor diegenen die hun activiteiten hebben opgestart in
2002-03 is er een tussentijds rapport van juli 2003. Een kaart van Engeland laat toe een regio
aan te klikken en zeer gemakkelijk toegang te hebben tot de pathfinders en hun activiteiten.
Men vindt alles op de volgende webpagina: http://www.dfes.gov.uk/14-19pathfinders/
findpathfinder.cfm
Bij elke pathfinder van de eerste generatie (opgestart in januari 2003), vindt men een tussentijds activiteitenrapport dat zeer gedetailleerd alle activiteiten beschrijft.
7.3.3 Eerste evaluatie van de Pathfinders
Het DfES (Department for Education and Skills) heeft twee universiteiten – de University of
Leeds en de University of Exeter – de opdracht gegeven de pathfinders te evalueren. Dit zal
o.m. negen kwalitatieve case studies bevatten (6 in gebieden waar pathfinders zich bevinden
en 3 in andere gebieden) om te zien welke impact deze scholen hebben.
De individuele pathfinders moeten zelf een systeem van zelfevaluatie uitwerken over de
vooruitgang die zij maken. Op basis van de tussentijdse rapportering door de pathfinders
werd een tussentijds evaluatierapport opgesteld. Dit is te vinden op de webpagina:
http://www.dfes.gov.uk/14-19pathfinders/documents/1419%20progress%20update%20paper%20(website).doc
Enkele lessen uit de eerste fase van de Pathfinders zijn de volgende:
 er worden nieuwe vormen van beroepsopleiding aangeboden, zoals sterker beroepsgerichte cursussen voor een bredere groep jongeren
 er vindt meer leren op de werkpek plaats in samenwerking met de bedrijven
111
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 er is meer on-line leren en e-learning zodat jongeren in afgelegen gebieden meer kansen
hebben tot leren
 er ontstaat meer en andere samenwerking tussen scholen en bedrijven
 er worden meer alternatieve curricula aangeboden om sociale uitsluiting te vermijden,
vooral voor de weinig gemotiveerde leerlingen.
7.3.4 Enkele andere initiatieven met goede-praktijkvoorbeelden
De Beacon schools
Het Beacon schools initiatief werd opgestart in 1998 en loopt tot 2005. Er zijn 1062 scholen uit
Engeland en Wales bij betrokken: kleuterscholen, lagere scholen en secundaire scholen. Het
heeft tot doel de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren door het verspreiden van goede
voorbeelden. Beacon schools zijn scholen die werden geïdentificeerd als goede praktijkvoorbeelden en die hun ervaringen moeten delen met andere scholen.
Beacon schools geven raad op de volgende vlakken: curriculum, leerlingenbegeleiding, schoolmanagement, het werken met hoogbegaafde kinderen, het bevorderen van de deelname van
de ouders aan de school, speciale voorzieningen voor leerlingen met leer- en andere moeilijkheden, speciale strategieën om het pesten en geweld te voorkomen enz.
Sommige Beacon schools werken samen met scholen die moeilijkheden kennen op welbepaalde gebieden. Dit is slechts één mogelijk model van partnerschap. Anderen werken mee aan
de initiële opleiding van de leraren of werken aan de inductieperiode van jonge leraren. Op
die manier dragen Beacon schools bij tot het verbeteren van de kwaliteit en tot de professionele ontwikkeling van alle leraren.
Voor verdere informatie en voor de lijst van alle 1062 Beacon schools kan men terecht op de
volgende website: http://www.standards.dfee.gov.uk/beaconschools/
Het Leading Edge Partnership Programme
Het LEP-programma wil voortbouwen op het succes van het Beacon schools programma, dat
geleidelijk aan wordt afgebouwd tegen augustus 2005. LEP werd opgestart in juli 2003 met
103 partnerschappen na de eerste selectieronde. Kandidaturen voor de tweede selectieronde
konden ingediend worden tegen 9 januari 2004.
Het LEP beoogt innovaties en goede praktijk in het secundair onderwijs te identificeren, uit
te breiden en te verspreiden, zodat de kwaliteit van het leren en lesgeven steeds blijft verbeteren. De ‘beste’ scholen worden geselecteerd om als speerpunten en hefbomen van vernieuwing in het secundair onderwijs te dienen, om mee te werken aan het uitbouwen van
collaboratieve leergemeenschappen en federaties en om onderzoek naar innovatie te bevorderen.
112
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Alle informatie over the Leading Edge Partnership Programme is te vinden op de volgende
website:http://www.standards.dfes.gov.uk/leadingedge/
Introduction to good practice and initiatives
Interessante informatie is eveneens te vinden op de volgende website:
http://www.standards. dfes.gov.uk/schoolimprovement/sigoodpractice/?version=1. Goedepraktijkvoorbeelden zijn beschikbaar over: kwaliteit van lesgeven en leren, schoolmanagement en leadership, de voorwaarden om te leren en het gebruiken van de gegevens in
verband met de resultaten van de leerlingen.
De volgende thema’s komen op deze webpagina aan bod:
 data management
 investors in people
 national healthy schools standard
 subject leader mentor training programme
 transforming secondary education in Nottingham City (booster schools)
 school improvement case studies
 narrowing the achievement gap
 pupil mobility programme
 pilot literacy programme
 pilot project: gifted and talented children
IQEA - Improving the Quality in Education
De Local Education Authority (LEA) van Nottinghamshire heeft einde van de jaren ‘90 het Nottinghamshire Educational Development Plan opgezet. Het IQEA (Improving the Quality in Education) project is een belangrijk onderdeel van dit plan. Het heeft tot doel de kwaliteit van het
leren en onderwijzen in de secundaire school te verbeteren128.
Het initiatief tot het IQEA project ligt bij een universiteit (vroeger de University of Cambridge, nu Nottingham University). Het project krijgt geen steun van de nationale overheid
maar wordt in belangrijke mate financieel gedragen door de scholen zelf, die een jaarlijkse
bijdrage betalen van ongeveer 4750 euro. Soms wordt een deel van de bijdrage betaald door
de LEA, de lokale educatieve overheden.
De universiteiten organiseren voor de leraren van de scholen die deelnemen aan IQEA een
navormingsprogramma (staff development programma) voor leraren. De universiteit levert een
‘link adviser’ die elk van de scholen ondersteunt bij het veranderingsproces. Deze consulent
functioneert als een ‘critical friend’ die nieuwe kennis en informatie aanbrengt, het proces begeleidt en feedback geeft op ontwikkelingen om de motivatie te blijven voeden.
Het volledige project wordt uitvoerig beschreven in: “A special project: IQEA in Nottinghamshire: Relating the
experience of Special schools and Pupil Referral Units in the IQEA Nottinghamshire Special Schools Project, 2001 – 2003”
door John Beresford, Reserach Officer, IQEA; [email protected]
128
113
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
De samenwerking tussen de scholen en de universiteiten is onderbouwd door onderzoek. De
deelnemende scholen worden verondersteld interne reflectie rond vernieuwing en verandering blijvend uit te voeren en gebruik te maken van de resultaten van onderzoek op het
vlak van leren en lesgeven die de universiteiten kunnen aanreiken. De externe evaluatie gebeurde door de Universiteit van Leicester.
Informatie is te vinden rechtstreeks bij [email protected] of op de website: http://wired.nottscc.co.uk/sharing%20best%20practice/jmnottmuni/intro.html.
Het IQEA-initiatief wordt ook uitdrukkelijk in de OESO-studie Schooling for Tomorrow vermeld.
7.4 Samenvatting en conclusies
 Ook Engeland werkt hard aan de componenten van AoT: anders leren, anders kiezen en
anders sturen. Bijzondere aandacht wordt gegeven aan onderwijs en vorming van 14 tot
19 jaar. Het uitbouwen van individuele leertrajecten vertrekkend vanuit de valorisatie van
talenten van elk leerling staat centraal. De wil om algemeen en beroeps- en technisch
onderwijs gelijk te waarderen is duidelijk aanwezig.
 De geplande hervormingen zijn gebaseerd op een brede reflectie, die terug te vinden is in
verschillende basisdocumenten.
 Er is een gestructureerde aanpak van de vernieuwing met pathfinder scholen, die ook de
functie hebben van aquariumscholen. Hun vernieuwingen worden goed gedocumenteerd. Een wetenschappelijke evaluatie is op touw gezet met twee universiteiten. Daarenboven is er een grote betrokkenheid van de MHI, Her Majesty’s Inspectorate (de inspectiedienst). Er worden veel inspanningen geleverd tot disseminatie van waardevol materiaal
zoals beschrijvingen, tussentijdse rapporten van scholen en tussentijdse evaluatierapporten van de externe evaluatoren.
 Er is een duidelijke samenwerking tussen de verschillende groepen (stakeholders) die bij
onderwijs en vorming betrokken zijn: scholen, further education colleges, bedrijven, regionale overheden (LEA of Local Education Authorities). Regionale onderwijsnetwerken worden opgezet.
 Grote inspanningen worden ook geleverd om meer jongeren naar het hoger onderwijs te
leiden
Bijlage: enkele goede-praktijkvoorbeelden
De projecten van de Pathfinders hebben geen concrete projectnaam. Ze werken op de verschillende aspecten die prioritair zijn om als Pathfinder school erkend te zijn. De projecten die
hieronder worden vermeld werden lukraak gekozen omdat alle projecten door het ministerie
streng geselecteerd werden en moeten bijdragen tot de doelstellingen van de 14-19 Reform.
114
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Alle beschreven projecten maken deel uit van de eerste lichting van scholen die in 2002 van
wal staken; voor deze groep is reeds een interim-rapport beschikbaar op de website van de
Pathfinders.
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website


Tony Barnes
Email:
[email protected]
.gov.uk
129
1
Pathfinder Harrow
Park High
School and
Stanmore
College,
London
AL,
AS,
AK





2
Pathfinder
Plymouth
Plymouth
Learning
and Work
Partnership
AL,
AS,
AK




(consortium
op lokaal
vlak met
overheid en
scholen)




3
Pathways to
Success
Wakefield
LEA
AL,
AS,
AK







4
129
Gateshead
Gateshead
Lifelong
Learning
AL,
AS,
AK




Gevarieerde leertrajecten
Verhogen van leerlingen die
beroepsopleidingen kiezen
Gedifferentieerd leren
Versneld leren
Breakfast and twilight lessons (extra
lessen vroeg of laat op de dag)
Consortiumontwikkeling met
andere scholen
Flexibele beroepsopleidingscursussen met hergroepering van
leerlingen over scholen heen
Work-based learning
Miniprojecten met verschillende
groepen van de locale gemeenschap
School clusters over de gehele stad
Samenwerking bedrijven en universiteit
Opstarten lessen in scholen waar
leerlingen uit verschillende scholen
naar toegaan per bus
Beter studieadvies en beroepsoriëntering
Werken met verschillende leerstijlen
Samenwerking scholen, FE Colleges,
bedrijven enz.
Flexibel beroepsonderwijs
curriculum
Collaborative planning over scholen
en FE colleges heen
Ontwikkeling van een speciale cursus wetenschappen over verschillende scholen
Opstarten van verschillende
learning communities binnen de
regio voor structureren aanbod
Ontwikkeling nieuwe curricula
Versnelde leerroutes
Voorbereiding jongeren op werk in
stageplaatsen
Studiebegeleiding
Bijscholing van leraars
Nieuwe partnerschappen om het
post-16 curriculum uit te bouwen
Uitbouwen netwerken met bedrij-
Graham Morris
Email:
[email protected]
water.fsnet.co.uk
Marilyn Young
Email:
[email protected]
d.gov.uk
Arthur Chadwick
Email:
[email protected]
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
115
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Partnership






5
Coventry
Boston
College
AL,
AS,
AK







ven als consortium van work based
learning providers
Uitbouwen nieuwe leertrajecten
Gezamenlijke werkgroepen over de
scholen heen die werken aan ICTL,
aan uurrooster en nieuwe curricula
Voorbereidingen om gezamenlijk
curriculumonderdelen aan te
bieden
Studiekeuzen en beroepskeuze
initiatieven
Onderzoek bij bedrijven naar
vereiste vaardigheden
Bijscholing van leraars uit
verschillende scholen
Uittesten van individuele leerplannen of leertrajecten
Voorbereiding van nieuw materiaal
voor studiekeuzen en oriëntering
Uitbouwen van tracking system om
alle potentiële jongeren te kunnen
bereiken
Samenwerking tussen leraars van
de verschillende FE colleges en
scholen
Cross-college en inter-college
bijscholing van personeel
Uitbouwen van nieuwe collaboratieve modellen met studiemogelijkheden na 16 jaar
Het uitbouwen van een gezamenlijke virtuele leeromgeving
Ms. Claire George
Email: [email protected]
116
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
8. Frankrijk
8.1 Schema onderwijssysteem
117
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
8.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
130 131
Onderwijs heeft altijd een belangrijke plaats ingenomen in het politieke debat in Frankrijk. In
wat volgt gaan we in op drie ontwikkelingen:
 het nationale debat over de toekomst van de school dat in 2003 werd gelanceerd en momenteel volop bezig is
 het creëren van de Lycées des Métiers vanaf 2001 als een kwaliteitslabel voor alle vormen
van lycées in Frankrijk
 het Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel – PPCP.
8.2.1 Het nationale debat over de toekomst van het onderwijs132
Het vertrekpunt is een basistekst die op de website van dit debat te vinden is onder de titel
“Eléments pour un diagnostic sur l’école: document préparatoire au débat national sur l’avenir de
l’école”.
Een greep uit de vele vragen die aan de Franse burger worden gesteld:
Over de finaliteit van het onderwijs
 Is het legitiem het nuttigheidsbeginsel van diploma’s meer te benadrukken?
 Moet de school beter voorbereiden (en zo ja, hoe kan ze dat) op de toegang tot het beroepsleven?
Over de inhoud en ordening van het onderwijs
 Dient men meer aandacht te hebben voor de overgang van de lagere school naar het
‘collège’ (lager secundair ) en van het collège naar de lycée (hoger secundair)?
 Dient men een zo breed mogelijke vorming in het lager secundair of collège aan te bieden?
 Hoe kan men ervoor zorgen dat leraren en leerlingen van de collèges de beroepsopleidingen beter kennen?
 Moet men in de collèges optioneel voor allen beroepsmodules inlassen?
 Dient men meer aandacht te geven aan de professionele ervaring om een diploma te
behalen?
 Moet men de rol van het bedrijfsleven vergroten in de socialisatie en de opvoeding van de
jongeren?
 Moet men tegen de hiërarchie van de richtingen en keuzemogelijkheden optreden in de
lycées en hoe?
Algemene informatie over het Frans Onderwijssysteem vindt men op de website van het Frans Ministerie van
Jeugd, Onderwijs en Onderzoek: http://www.education.gouv.fr/index.php en in de Eurybase database van
Eurydice.
131 Bijzonder dank aan Marc Durando, directeur, Pôle Universitaire Européen de Metz-Nancy ; Pierre Champollion, Inspecteur d’Académie de Grenoble, IUFM de Grenoble (site de Valence); Bernard Vincent, Inspecteur
d’Académie de Lorraine, Nancy, professeur agrégé lycée technologique et professionnel; Pierre Antoine Vanpouille, directeur, Lycée Louis Querbes, Rodez.
132 Speciale website voor het national debat over het onderwijs:
http://www.debatnational.education.fr/index.php?rid=12
130
118
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Men moet in het lycée bruggen voorzien tussen de verschillende richtingen en mogelijkheden?
Over de leerinhouden en leervormen
 Hoe beter wiskunde en wetenschappen onderwijzen in de lagere school en in het lager
secundair opdat de leerlingen deze disciplines beter zouden beheersen?
 Is het nodig om de creativiteit en de zin voor innovatie bevorderen, en zo ja, hoe?
 Moet men handarbeid en technische vaardigheid invoeren in het gemeenschappelijke
pakket?
 Welke leerritmes moet men inbouwen om het leren te vergemakkelijken?
 Laten het begeleid persoonlijk werk, de multidisciplinaire projecten en het opzoeken van
documenten toe dat de leerlingen in het secundair beter en meer werken?
 Moet men meer gebruik maken van individuele hulp, van ondersteunen van groepen,
zelfs van gedifferentieerd leren om het onderwijs aan te passen aan de diversiteit en de
maturiteit van de leerlingen?
 Hoe kan men evaluatie anders aanpakken?
Over bestuur en beheer
 Hoe de verantwoordelijkheid voor opvoeding en onderwijs verdelen over de nationale
overheid en de lokale en regionale overheden?
 Moet men meer autonomie geven aan de scholen en moet dit gepaard gaan met evaluatie?
 Hoe kan de school de middelen die ze heeft beter gebruiken?
 Moet men de beroepen van het onderwijzend personeel herdefiniëren?
 Hoe de leraren betere rekruteren, opleiden en evalueren en hoe kan men hun carrière beter organiseren?
Andere punten (niet exhaustief)
 Hoe een betere beroepskeuze organiseren?
 Hoe kunnen de ouders en externe partners bijdragen tot het slagen op school?
 Hoe werken met leerlingen met grote moeilijkheden?
 Hoe geweld op school tegengaan?
 Hoe de relaties bevorderen tussen de leden van de educatieve gemeenschap?
 Privilegieert men een output gestuurd onderwijs veel meer dan een op kennis gericht
onderwijs?
Dit beperkte overzicht van vragen toont duidelijk aan dat in Frankrijk dezelfde vragen leven
als in de andere bevraagde Europese landen. Af te wachten is nu welke voorstellen in 2004
zullen worden gelanceerd op basis van deze bevraging. Een eerste rapport wordt verwacht
in maart 2004 en het eindrapport in september 2004. In de herfst van 2004 zal aan het Franse
Parlement een wetsontwerp worden neergelegd ter goedkeuring.
8.2.2 De Lycées des Métiers (LdM) : een kwaliteitslabel
In 2001 werd in Frankrijk de mogelijkheid gecreëerd om binnen secundaire scholen met een
beroepsafdeling of een technologische afdeling - het zogenoemde Lycée général et technolo-
119
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
gique en lycée professionnel133, een Lycée des Métiers (hoger secundaire school voor beroepen)
uit te bouwen. Deze Lycées des Métiers zijn dus geen nieuwe onderwijsinrichtingen; het zijn
de bestaande types lycée die dit kwaliteitslabel kunnen aanvragen. Het kwaliteitslabel van
‘Lycée des Métiers” heeft niet tot doel een ranking van de betrokken instellingen tot stand te
brengen op basis van hun resultaten.
De belangrijkste doelstellingen zijn de opvoedkundige efficiëntie te vergroten door een verhoogde synergie tussen de beroeps- en technologische richtingen, en door een meer coherent
aanbod aan opvoeding en vorming uit te bouwen per académié134.
De lycées des métiers (LdM) worden opgebouwd rond een coherent geheel aan beroepen uit
éénzelfde sector, beroepen uit aanverwante sectoren of uit complementaire sectoren. Ze zijn
het steunpunt van een ambitieuze evolutie in het opbouwen van een overzichtelijk aanbod
aan vorming per académie. De bedoeling is vorming aan te bieden in overleg met alle
stakeholders (ouders, leerlingen, scholen, beroepen, bedrijven, overheden) en in nauwe
samenwerking met de regio van de académie. Het lycée des métiers wordt een onderdeel van
het regionaal strategisch plan voor de beroepsvorming van de jongeren. Het LdM moet een
belangrijk element worden in het levenslang leren en kunnen fungeren als een resource
center voor bedrijven.
De Lycées des Métiers moeten een gevarieerd aanbod aan vormingen kunnen aanbieden en
een positieve studiekeuze mogelijk maken. Kenmerken zijn o.m.
 aanbieden van zowel initële opleideing als nascholing, met voorbereiding op verschillende technologische en beroepsdiploma’s
 activiteiten ontwikkelen op het vlak van de studie- en de beroepskeuze
 aanbieden van aangepaste en flexibele leertrajecten
 organiseren van innoverende pedagogische aanpakken voor verschillende doelgroepen
 speciale maatregelen treffen om leerlingen met leermoeilijkheden te helpen
 helpen bij de overstappen naar een beroep.
De LdM bieden een reeks bruggen (passerelles) aan die de jongeren moeten toelaten verschillende opleidingsmogelijkheden te combineren: binnen het hoger secundair onderwijs, naar
het niet-universitair hoger onderwijs, met name de BTS of Brevet de Technicien Supérieur135.
De LdM spelen ook een belangrijke rol op het vlak van EVC (Elders Verworven Competenties of Validation des Acquis de l’Expérience).
Er zijn twee soorten lycées of hoger secundair; het lycée général en technologique (LEGT) en het lycée professionnel.
Voor het lager secundaire spreekt men in Frankrijk van Le Collège.
134 Een académie is een administratieve structuur die toelaat het onderwijsbeleid bepaald door de regering concreet
gestalte te geven in de verschillende regio’s in Frankrijk. Een académie werkt rekening houdend met de lokale
context en werkt daartoe samen met de lokale overheden die verantwoordelijkheden dragen voor het onderwijs.
In Frankrijk zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het lager onderwijs, de departementen zijn verantwoordelijk voor de ’collèges’ (lager secundaire scholen) en de regio’s zijn verantwoordelijke voor de ’Lycées’ (de hogere
secundaire scholen). In Frankrijk zijn er 28 académies met aan het hoofd een “recteur d’académie’.
135 BTS: Brevet de Technicien Supérieur. Heel wat lycées organiseren in Frankrijk tweejarige opleidingen na het secundair onderwijs. Vanuit de BTS kan men nu doorstromen naar de universiteit om er een Licence Profesionnelle
te halen: zie de website van het ministerie voor meer informatie:
http://www.education.gouv.fr/sup/formation/licencepro.htm
133
120
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
De criteria voor het toekennen van het label ‘Lycée des Métiers’ worden bepaald door de
stakeholders binnen elke académie, rekening houdend met de noden van de regio. Een comité académique de pilotage formuleert deze criteria. Ze worden vastgelegd in een kwaliteitscharter dat wordt ondertekend door de overheid van de académie, door de regionale overheid en
door de professionele organisaties.
Een LdM dat aan de voorwaarden van het lastenkohier voldoet krijgt na een audit een label
toegekend voor 5 jaar. Er moet een verbintenis zijn van de gehele instelling om bij te dragen
tot het lycée des métiers.
8.2.3 Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel – PPCP136
Een van de belangrijkste ontwikkelingen in het beroepsonderwijs in Frankrijk is de invoering
in de loop van het schooljaar 2000–2001 van het Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel – PPCP (het multidisciplinair project met een beroepsmatig karakter). Dit PPCP, dat
kadert in de vernieuwingen van het Baccalauréat Professionnel, heeft tot doel een pedagogische praktijk te versterken. Daarbij wordt vertrokken vanuit een concrete verwezenlijking
van een opdracht die verbonden is met beroepssituaties tijdens stages waarbij verschillende
disciplines dienen te worden aangewend. Het gebruik van de PPCP is nu overal ingevoerd
als een gangbare innovatie.
8.3 Vernieuwing met proefprojecten of pilootprojecten
8.3.1 Diensten werkzaam rond vernieuwing en prioriteiten
Vernieuwing in het algemeen in het onderwijs wordt bevorderd door het Ministerie van
Jeugd, Nationaal Onderwijs en Onderzoek. De dienst EDUSCOL137 (site pédagogique du Ministère de l’Education Nationale) geeft daartoe alle informatie. Daarenboven werd onder de vorige minister van onderwijs de dienst, Conseil National de l’Innovation pour la Réussite Scolaire138
(CNIRS). Een gespecialiseerde dienst houdt zich bezig met innovatie op het vlak van de ICT
en heet EDUCNET139. Afzonderlijke diensten bestaan met innoverende projecten op verschillende vlakken zoals ‘Pédagogies en action140’ dat actief is voor innovatie op het vlak van kunst
en cultuur in het onderwijs.
De prioriteiten voor innovatie worden bepaald op nationaal vlak en per académie. De
Minister van onderwijs kan bepaalde prioriteiten hebben maar de ‘recteur’ van een bepaalde
académie kan zijn of haar prioriteiten hebben, rekening houdend met specifieke elementen in
die académie. De zes nationale prioriteiten voor de periode van 2001 – 2003 zijn de volgende:
 Welke nieuwe vormen van organisatie aanbieden ten dienste van het leren?
Alle informatie over de PPCP vindt men op de web site van het ministerie:
http://www.education.gouv.fr/enspro/ppcp.htm
137 EDUSCOL web site: http://www.eduscol.education.fr/default.htm?sommairedesthemes
138 Conseil national de l’innovation pour la réussite scolaire (CNIRS)
http://www.education.gouv.fr/innovation/accueil.htm
139 Projets pilotes EDUCNET http://www.educnet.education.fr/pilotes/axes.htm
140 Pédagogies en action http://www.artsculture.education.fr/pedagogie.htm
136
121
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Hoe de verschillende vormen van intelligentie herkennen en verschillende leertrajecten
(itinéraires) uitbouwen?
 Hoe bij de leerlingen de opbouw van een beheerste redenering (un discours maîtrisé) bevorderen zowel mondeling als schriftelijk?
 Hoe het collectieve werk bevorderen binnen de onderwijsinstellingen met partners buiten
de school?
 Hoe innoveren op het vlak van de evaluatie?
 Hoe de innovatie evalueren?
8.3.2 Pilootprojecten of proefprojecten: de diensten INNOVALO141 en het INRP
(Institut National de Recherche Pédagogique)
Het implementeren van innovatie gebeurt op het niveau van de académie. Scholen kunnen
voorstellen tot pilootprojecten of experimentele projecten indienen en krijgen daartoe
financiële ondersteuning. In elk département bestaat een dienst die zich met innovatie bezig
houdt en die INNOVALO wordt genoemd. Op de website van elke département vindt men de
praktische informatie i.v.m. het indienen van een dossier.
Alleen het officieel onderwijs kan voor steun tot innovatie bij de Innovalos terecht. Het
privé-onderwijs onder contract kan voor bepaalde vormen van steun toch op de académie
terecht met innoverende ideeën. De nationale groeperingen van het privé-onderwijs (sous
contrat) hebben geëigende kanalen (zoals UNAPEC142) om innovatie te ondersteunen.
Het INRP143 heeft een reeks activiteiten rond innovatie. Op de webpagina: http://www.
inrp.fr/innovation/acc_inn.htm vindt men een deel begeleidingsinitiatieven (actions d’accompagnement) die worden of werden opgezet rond het invoeren van bepaalde innovaties.
Het INRP huisvest ook het ‘Observatoire Européen des Innovations en Education et en Formation144’ waarvan de oprichting gesteund werd door de Europese Commissie (DG Onderwijs
& Cultuur). Deze website is wel sedert januari 1999 niet meer aangepast.
8.3.3 Goede praktijkvoorbeelden
Concrete voorbeelden van goede-praktijkvoorbeelden zijn te vinden op de websites van de
verschillende diensten die hoger vermeld werden.
Eerst en vooral is er een aanbod aan goede-praktijkvoorbeelden op de website van de CNIRS
(http://www.education.gouv.fr/innovation/accueil.htm).
Les services INNOVALO : http://innovalo.scola.ac-paris.fr/Innovalos_en_france/innovalo_en_france.htm
UNAPEC: Union Nationale pour la Promotion Pédagogique et Professionnelle dans l’Enseignement
Catholique ; website : http://www.unapec.org
143 INRP: Institut National de Recherche pédagogique; algemene website: http://www.inrp.fr
144 Observatoire Européen des Innovations en Education et en Formation’; webpagina:
http://www.inrp.fr/Acces/Innova/Accueil.htm
141
142
122
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Daarnaast zijn er goede-praktijkvoorbeelden te vinden op de websites van elk van de
Académies. Toegang tot de websites van elke Académie met goede praktijkvoorbeelden is te
vinden langs de algemene website van het Ministerie: http://www.education.gouv.fr/
enspro/experience.htm waar je op een kaart van Frankrijk klikt om bij een académie te komen. De website http://innovalo.scola.ac-paris.fr is deze van de Académie de Paris die een zeer
goed overzicht geeft van alle innovatie diensten in de verschillende académies. Je kan ook
rechtstreeks op de innovatiediensten van elke académie terechtkomen langs de website van
de Innovalos: http://innovalo.scola.ac-paris.fr/Innovalos_en_france/innovalo_en_france.htm.
Men vindt op deze websites goede praktijkvoorbeelden voor alle niveaus van onderwijs van
de kleuterschool tot de lagere school, de collèges en alle drie vormen van lycées. Onder verschillende académies vindt men afzonderlijk innoverende projecten voor het beroeps- en
technisch onderwijs in de Lycées professionnels en de Lycées technologiques.
8.4 Samenvatting en conclusies
 De wijze waarop het debat over vernieuwing in het onderwijs op dit ogenblik wordt
opgezet – met een “nationaal debat” - is interessant en verdient verdere analyse naar effectiviteit en creëren van een breed draagvlak. De vernieuwing van het beroeps- en technisch onderwijs vormt een belangrijk deel van het debat.
 De vragen die in dit debat worden gesteld sluiten nauw aan bij de vragen die men in
Vlaanderen stelt over de rol en taken van het onderwijs en vorming naar de toekomst toe.
De gelijke waardering van alle onderwijs vormen en richtingen krijgt meer aandacht, en
individuele flexibele leertrajecten en flexibele schoolritmes moeten het leren stimuleren.
 Er werd reeds gestart met initiatieven zoals het Lycée des Métiers. Pedagogische aanpakken zoals het Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel, willen duidelijk het anders
leren bevorderen.
 Ook in Frankrijk vindt men dat de overgangen tussen de verschillende niveaus moeten
verbeterd worden.
 De lerarenopleiding is, na de invoering van de de IUFMs145 in de jaren negentig, duidelijk
opnieuw aan vernieuwing toe.
 De introductie van het kwaliteitslabel van de Lycée des métiers is duidelijk innoverend.
 Er bestaan veel innoverende initiatieven in Frankrijk, gesteund hetzij door centrale diensten, hetzij door de gedecentraliseerde diensten van de académies.
IUFM: Institut Universitaire de la Formation des MaÎtres. Begin van de jaren 90 werd de lerarenopleiding geherstructureerd en werden de Ecoles Normales omgevormd tot IUFM die geïntegreerd zijn in de universiteiten.
Verdere informatie over de IUFM vindt men op de website van het ministerie:
http://www.education.gouv.fr/sup/iufm.htm of op de speciale website van de IUFMs:
http://www.iufm.education.fr/. Inzake vernieuwing wordt gedacht aan ontwikkelingen zoals die in Engeland
werden opgezet met meer tijd op school voor de toekomstige leraars en minder op de universiteit.
145
123
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
Voor de verschillende académies van Frankrijk zijn er goede praktijkvoorbeelden te vinden
door:
a) de website van de innovalos te bezoeken: :
http://innovalo.scola.ac-paris.fr/Innovalos_en_france/innovalo_en_france.htm
b) vanuit de kaart van Frankrijk één van de académies aan te klikken:
http://www.education.gouv.fr/enspro/experience.htm
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website

Web site: http://xxi.acreims.fr/blaise-pascal/
146
1
L’obusier de
Gibrauval
(Het obuskanon
van Gibrauval)
Lycée
Professionnel Blaise
Pascal Saint
Dizier
AL



Het maken van een
kopie van een
kanon gebruikt
door Napoleon


2
Développer les apprentissages des
élèves de SEGPA147
par la mise en place
de parcours
individualisés
Collège M.
BarrèsSEGPA
AL,
AK


(in een ZEP
of Zone
d’Education
Prioritaire148)


3
Itinéraires de
découverte149
Collège « La
Plante
Gribe »
AL,
AK





Concrete toepassing van het PPCP,
het Projet Pluridisciplinaire à Caractère Professionnel
Theorie en praktijk integreren
Plurisdisciplinaire aanpak
Teamwork bevorderen bij leraars
en leerlingen
Peer teaching of ‘travail en
coanimation’
Samenwerking met het bedrijfsleven
Geïndividualiseerde leertrajecten
voor Frans en wiskunde in het 6e en
het 4e jaar
Opstellen van geïndividualiseerde
leerplannen
Speciale leerlingenbegeleiding door
‘médiateurs’; voor leerlingen met
bijzondere sociale of gedragsproblemen; om integratie van leerlingen in leerproces te vergemakkelijken
Acties om motivatie voor leren te
bevorderen; school is binnen een
ZEP of Zone d’Education
Prioritaire: educatieve zone met
moeilijkheden
Invoering van Itinéraires de
découverte
Teamwerk van leerlingen
Begeleid zelfstanding leren
Helpen beter kiezen voor het hoger
secundair en voor een later beroep
Teamwerk van leraren (de
itinéraires worden door een ploeg
Sylvie Cortès
Email :
[email protected]
Website van Académie
van Metz-Nancy:
http://www.ac-nancymetz.fr/MIVR/SitePasi/
Default.htm
Volledige beschrijving:
http://www.ac-nancymetz.fr/MIVR/PNI4/Ecr
itsDefinitifsAout2003/A
xe1/55CVerdunBarres1.
pdf
Email : [email protected]
Volledige beschrijving:
http://www.ac-nancymetz.fr/MIVR/PNI4/Bila
n/PDF/PNI4PagnyColle
geGribe.pdf
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
SEGPA: Sections d’Enseignement Général et Professionnel Adapté
148 ZEP: Zone d’Education Prioritaire: verder informatie op de volgende web pagina:
http://www.education.gouv.fr/ens/zep/
149 Itinéraires de découvertes: deze “ontdekkingsroutes” werden ingevoerd onder de minister van onderwijs
Jacques Lang: twee uur per week kunnen de leerlingen gedurende elk van de drie jaar van de collèges (12 tot 15
jaar) zelf een keuze van vakken bepalen die het best beantwoordt aan hun interesses en talenten
146
147
124
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen


4
Faire son stage en
Europe- mode
d'emploi
Lycée professionnel
Julie Daubié
Laon
AL

Section
Européenne150
5
o.a. Rythmes
scolaires adaptés
Lycée Louis
Querbes,
Rodez



AL,
AS








uitgewerkt en uitgevoerd)
Nieuwe pedagogische aanpak
Nieuwe aanpak van evaluatie van
leerlingen
Begeleid zelfstandig studeren
Teamwerk van leerlingen
Zelfstandig stage voorbereiden en
contacten leggen die effectief tot de
stage leiden in een ander land
Pluridisciplinaire aanpak over verschillende vakken heen
Teamwerk van de leraren
Aangepaste uuroosters met kortere
lestijden met de gehele klasgroep
om meer individueel werk mogelijk
te maken
Individuele begeleiding
Bevorderen teamwerk van leraren
en leerlingen
Projectpedagogie
Samenwerking met bedrijfsleven
Internationalisering
Deelname aan het ACODDEN151
Netwerk en hun projecten
Website:
http://www.acamiens.fr/lep02/daubie_
laon/
Pierre Etienne
Vanpouille
Email : [email protected]
Website :
http://www.cp.asso.fr/q
uerbes/
Section européenne: vanaf 92 bestaat de mogelijkheid om sections européennes op te richten; alle informatie rond
deze sections vindt men op de volgende webpagina: http://www.education.gouv.fr/int/fiches/seceuro.htm. In 2002
werd 10 jaar sections européennes gevierd; speciale informatie is beschikbaar op de volgende website:
http://www.education.gouv.fr/presse/2002/europ/europdp.htm#sections. Naast de sections européennes bestaan er
ook nog sections internationales; informatie vindt men op de volgende web pagina:
http://www.education.gouv.fr/int/fiches/secinter.htm
151 ACODDEN: A classroom of difference; diversity education network. Een Comenoius 3 Netwerk in het kader van
het Socrates programma. Website: http://www.acodden.org/info/index17.html
150
125
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
9. Oostenrijk
9.1 Schema onderwijssysteem
126
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
9.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
152 153
9.2.1 Het initiatief “Klasse Zukunft”
Het meest recente initiatief op het vlak van het onderwijs is het initiatief ”Klasse: Zukunft;
Schule neu denken”. Een speciale website werd gelanceerd met informatie rond dit initiatief:
http://www.klassezukunft.at. De basis van het debat rond onderwijs, opgestart in het najaar
van 2003, is het document ”Zukunft: Schule; Strategien und Massnahmen zur Qualitätsentwicklung”154. In dit document worden de volgende hervormingsmaatregelen voorgesteld binnen
7 grote deelgebieden:
Verbetering van de scholen en de onderwijssystemen
 het programma is een middel dat bijdraagt tot duidelijk geplande en pedagogisch gereflecteerde activiteiten binnen de school als lerende organisatie
 scholen stellen ontwikkelingszwaartepunten op en kijken zelf na of ze die bereiken
 overleg met het lerarenkorps en de gehele vertegenwoordiging van de schoolgemeenschap (Schulforum) is belangrijk
 kwaliteitsmanagement wordt bevorderd door een verantwoordelijke voor de kwaliteit
binnen de school
 blijvende professionalisering van leraren
 elk jaar zal de school een overzicht van de voorbije activiteiten publiceren (Schulbilanz)
waaruit blijkt welke doelstellingen bereikt werden
 evaluatie naar leerlingen die motiverend werkt
 leerlingen bij evaluatie van school en schoolklimaat betrekken
Duidelijke doelstellingen en een betere oriëntering
 voor bepaalde vakken (Duits, wiskunde, levende talen) zullen competentiestandaarden
voor de kern- of basiscompetenties worden uitgewerkt
 onderwijsindicatoren zullen worden vastgelegd als basis voor het monitoren van het onderwijssysteem
Meer ruimte tot handelen en meer ruimte om te beslissen voor de school
 grotere autonomie voor de school voor wat het personeel betreft
 een autonome en flexibele regeling van de lestijden: dubbellessen, leerblokken, periodes
en projecten
 financieel zelfbestuur
Schoolorganisatorische verbeteringen (structurele en wettelijke verbeteringen)
 invoering van een nieuw model voor het testen van de basiskennis van de onderwijstaal
 betrouwbaar onderwijs dat kwaliteitsonderwijs garandeert
Algemene informatie over het Oostenrijks onderwijs systeem vindt men op de website van het ministerie:
http://www.bmbwk.gv.at/ Verdere informatie vindt men in de Eurybase van Eurydice.
153 Bijzondere dank gaat naar: Friedrich Wittib, Nationaal gedetacheerd expert van het Oostenrijks Ministerie van
Onderwijs bij de Commissie van de EU, DG EAC; Doris Koelbl, Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en
Cultuur, (afgekort BMBWK), Abt. I/4a; Petra Reiter, expert onderwijs en vorming
154 De volledige tekst van het rapport kan gedownload worden vanaf de volgende webpagina:
http://www.klassezukunft.at/statisch/zukunft/de/zukunft_schule_zk_17_10_03.pdf
152
127
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 beslissing over nieuwe begeleidingsvormen voor namiddag- of gehele-dag-onderwijs
 een optimale start bij het begin van het schooljaar
 gelijke waardering van de pedagogische arbeid binnen flexibele arbeidstijd; flexibilisering
van arbeidstijd dient de pedagogische activiteiten te ondersteunen
 het verminderen van het aantal leerlingen dat klassen overdoet; meer binnenklasdifferentiatie met niveaugroepen om leerlingen beter te begeleiden
 flexibiliteit van het secundair onderwijs moet bevorderd worden; vooral voor het beroepsonderwijs; het ontwikkelen van een flexibel modulair systeem zal bestudeerd worden
 meer concurrentie tussen scholen op basis van regionale planning
Professionalisering en versterking van het lerarenberoep
 accreditering van de (hoge)scholen die de lerarenopleiding organiseren
 nieuwe loopbaanmodellen voor de leraren
 prestatiegebonden promotiemogelijkheden; arbeidsverdeling in teams
 meer ondersteuning door specialisatie en specialisten
 regelmatige bijscholing (één week per schooljaar) en zelfevaluatie als promotiemiddelen
Kwaliteit borgen en bewaken
 competentiestandaarden regelmatig controleren, analyseren en de resultaten gebruiken
 regelmatig het systeem monitoren en nationaal verslagen opstellen
 transregionale inspecteurs; onafhankelijke kwaliteitscontrole van de scholen
Organiseren van ondersteuningssystemen
 meer middelen voor navorming, advies en ondersteuning
 analyse van de noden en concurrentie op het vlak van nascholing en ontwikkeling
 het versterken van interne schoolnetwerken: vakwerkgroepen, werkgroepen
 een regionaal management van onderwijs; samenwerking tussen scholen tot stand brengen en bevorderen
 een nationaal programma voor onderzoek op het vlak van onderwijs met duidelijke middelen.
Geïnteresseerden kunnen op de website van het ministerie BMBWK stemmen155 voor wat zij
de belangrijkste aspecten vinden waar aandacht aan besteed dient te worden bij het
uittekenen van het onderwijs van de toekomst in Oostenrijk.
9.2.2 Prioriteiten beroeps en technisch onderwijs in Oostenrijk
In de tekst ‘Technical and Vocational Education and Training in Austria: training for the future,
opportunities for life’156 worden de kernelementen benadrukt die deel dienen uit te maken van
de beroeps- en technische vorming voor de toekomst.
Dit stemmen vindt men terug op de volgende webpagina:
http://www.klassezukunft.at/index.php?itk_sid=acb914425147ca46d8e9ed2a49494b64
156 Deze tekst kan worden gedownload van de volgende webpagina:
http://www.berufsbildendeschulen.at/upload/32_13%20e.pdf
155
128
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Naast de praktische professionele beroepsvaardigheden dienen jongeren ook de volgende
vaardigheden te verwerven: persoonlijkheidstraining, communicatieve vaardigheden, de
competentie om in team te werken, flexibiliteit, bereidheid tot mobiliteit, en sociaal engagement. Om deze elementen te bevorderen zal het accent worden gelegd op:
 het invoeren van training firms als een onderdeel van de opleiding in het hoger secundair;
verplicht voor sommige, optioneel voor andere richtingen
 wetenschappelijke projecten die in teamwork moeten worden afgewerkt in het laatste jaar
 het geïntegreerd gebruik van ICT in de klas
 meer samenwerking tussen scholen en bedrijven
 het opzetten van internationale projecten
 het bevorderen van studentgerichte leervormen.
Bijzondere aandacht zal gegeven worden aan:
 SITTAL: Simulated teaching, training and learning door het uitbreiden van de idee van de
training firm naar alle types van het VET.
 POTTAL: Project-oriented teaching, training and learning o.a. door het opzetten van technologiecentra waar de transfer van know-how kan gebeuren tussen onderwijs en bedrijf.
Het uitvoeren van projecten voor bedrijven moet het praktijkgeoriënteerd leren bevorderen.
 MATTAL: Media-aided, computer-based, web-based en video-based training, met het oog op
meer geïndividualiseerde vormen van onderwijs en vorming en om beter te kunnen inspelen op de noden van de lerenden.
 LATTAL: Language teaching, training and learning met het oog op internationalisering; o.a.
het onderwijzen van beroepsgerichte vakken in een vreemde taal.
 MOTTAL: Modularised teaching, training and learning. Een gedeeltelijke modulariteit zal
uitgebouwd worden rekening houdend met de noden en behoeften van elke jongere en
om doorstroming te vergemakkelijken.
 COTTAL: Client-oriented teaching, training and learning. De leerlingen dienen geholpen te
worden bij de uitbouw van hun individuele leertrajecten.
 De leraar als facilitator, als raadgever en als coach; de nood aan aangepaste in-service training om deze functie op zich te kunnen nemen.
 Het aanpassen van bestaande cursussen en opleidingen en het creëren van nieuwe.
 Het bevorderen van kwaliteitszorg en het uitbouwen van de VET school tot een lerende
organisatie.
 Het uitbouwen van de VET-scholen als lokale of regionale onderwijs- en trainingcentra
om beter bij te dragen tot de economische ontwikkeling.
9.3 Goede praktijkvoorbeelden in Oostenrijk
9.3.1 Schulversuch
In Oostenrijk bestaat het systeem van het Schulversuch waarbij scholen bij het Ministerie een
aanvraag indienen om een pilootproject op te starten. De geselecteerde scholen krijgen financiële ondersteuning.
129
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
De algemene richtlijnen voor de aanvragen van Schulversuch voor 1999/2000 (Allgemeine
Richtlinien für die Beantragung von Schulversuchen im Schuljahr 1999-2000) vermelden de prioriteiten waarbinnen scholen projecten kunnen opzetten.
9.3.2 Andere praktijkvoorbeelden
Alle scholen die een boeiend project hebben kunnen dit op de website plaatsen van het
Österreichisches Schulportal (http://www.schule.at/) waarop men op dit ogenblik meer dan
100 projecten vindt.
Verder is het zo dat scholen in Oostenrijk kunnen deelnemen aan een reeks initiatieven of
projecten op verschillende gebieden. Een volledig en goed geordend overzicht van al die
mogelijkheden wordt geven op de webpagina van het Ministerie: http://www.bmbwk.gv.at/
start.asp?bereich=3&l1=20
Verschillende projecten voor beroeps- en technische scholen zijn terug te vinden op de website van Learn4life: http://www.learn4life.at/
9.4 Samenvatting en conclusies
 In Oostenrijk wordt gewerkt aan een grondige visie van het onderwijs in het algemeen en
van het beroeps- en technisch onderwijs in het bijzonder, vertrekkend vanuit duidelijke
visieteksten. Het gedachtegoed in Accent op Talent is ook hier duidelijk aanwezig. Een
betere oriëntering van de leerlingen is één van de grote aandachtspunten.
 Zoals in Frankrijk wordt er een aanpak opgezet om bij het vernieuwingsproces een zo
ruim mogelijk publiek te betrekken.
 Flexibele modulaire onderwijssystemen en individuele zullen worden uitgewerkt, zodat
de leerling anders kan leren. Flexibilisering van de werktijd van de leraar is een belangrijk
element.
 Professionalisering van het lerarenberoep met nieuwe loopbaanmodellen plus geregelde
bijscholing en een betere initiële opleiding dienen de vernieuwing te ondersteunen.
 Er is ook het bewustzijn dat evaluatie anders dient te geschieden in een output-gericht
onderwijs.
 Samenwerking tussen scholen op regionaal en op internationaal vlak moet de vernieuwing ondersteunen
 Het onderwijs- en vormingssysteem wordt gezien als een middel om regionale ontwikkeling te ondersteunen en te versterken.
 Er worden pilootprojecten opgestart op verschillende gebieden.
130
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
De volgende voorbeelden werden allen gehaald van het “Östrereichisches SchulPortal” te
vinden op: http://www.schule.at. Verschillende voorbeelden werden aangevuld met materiaal gehaald van de websites van de scholen zelf, of van websites van ruimere projecten
waarbij de school betrokken is.
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website


Email: [email protected]
157
1
PTS (Polytechnische
Schüler) restaurieren
einen 2CV
Polytechnische
Schule
Grieskirchen
AL,
AK



Een project binnen
een geheel aan
initiatieven van een
school met een rijke
cultuur; bezoek de
web site!
2
Renewable energy
school



Hauptschule
Leonding
AL,
AK



Dit project is één
van vele Europese
scholen betrokken
bij Renewable energy
Schools
3
[email protected]
Eén van de vele
projecten opgestart
door het initiatief
Business Consulting
Group
4
157
Biologie und Technik:
Roboter




Döblinger
Gymnasium
Wien
AL,
AK
HS Neunkirchen
Augasse
AL
Begeleid zelfstanding leren
Leren vanuit concrete interesse
leerlingen
Teamwerk leerlingen bevorderen
Teamwerk leraren
Samenwerken school bedrijf
bevorderen
Motiveren voor leren leren
Hulp bij beroepskeuze
Leerlingen zelf stages leren zoeken
in buitenland
Entrepreneurship bevorderen
Interesse voor wetenschap en
techniek bevorderen
Teamwerk tussen leerlingen
bevorderen (ook op Europees vlak)
Teamwerk van leraren bevorderen
(ook op Europees vlak)
Milieubewustzijn bevorderen
Internationalisering bevorderen
Nieuwe beroepen stimuleren
Starten van een nieuwe opleiding in het
beroepsonderwijs:
"Ökoenergietechnikerin”, of “groene
energie-loodgieters”.
 Begeleid zelfstandig leren
 Werken in team van leerlingen
 Werken in teams van leraars
 Samenwerken school bedrijf verbeteren
 Zelfwerkzaamheid bevorderen
door opstellen van een eigen
businessplan op basis van een
eigen idee
 Entrepreneurship bevorderen bij
jongeren
 Zelf een robot bouwen
 Begeleid zelfstanding leren
 Integratie theorie en praktijk
 Multidisciplinaire aanpak
 Teamwerk leerlingen bevorderen
 Teamwerk leraars bevorderen
 Entrepreneurship bevorderen bij
Website:
http://www.polyhome.a
t/
E-mail:
[email protected]
Website
http://schulen.eduhi.at/
mhsleonding/
E-mail:
[email protected]
Website:
http://www.busines-atschool.at
Maria Kietubl
Email: [email protected]
Website:
http://members.aon.at/h
auptschule-augasse/
Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
131
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
5
Betriebsinformation
für Schüler und
Schülerinnen in der
Region Pyhrn-Priel
Arbeitsgemeinschaft
ATTRAKT
AL,
AK






6
Schüler leiten ein
Baumax
(leerlingen leiden
een doe-het-zelf
zaak)
Polytechnische
Schule WelsStadt
AL






7
Zusammenarbeit
Schule und
Wirtschaft –
Professionelle
bewerbung
(professioneel
sollicitatiegesprek)
+
Interieurinrichting
reisbureau
HLW Perg
(Höhere
Lehranstalt
für wirtschaftliche
Berufe ) en
Fachschule
für wirtschaftliche
Berufe)
AL,
AK




jongeren
250 jongeren kennis laten maken
met een bedrijf
Hen laten ervaren hoe de kennis en
vaardigheden opgedaan op school
kunnen gebruikt worden in het
bedrijf
Jongeren leren en ontdekken over
hun mogelijke bijdrage aan de regionale economische ontwikkeling
Jongeren beroepen en noden van
het bedrijfsleren leren kennen en
ervaren
Jongeren ervaren ook het belang
aan netwerking tussen bedrijven
Entrepreneurship bevorderen bij
jongeren
Begeleid zelfstandig leren
Bevorderen teamwerk van
leerlingen
Bevorderen teamwerk leraars
Learning by doing
Bevorderen zin voor
entrepreneurship
Binnen het project organiseren de
leerlingen een dag: “Produktives
Team macht Schule”
Samenwerking bedrijf school
bevorderen
Jongeren zelfstandigheid
bijbrengen in het solliciteren
Verantwoordelijkheid bijbrengen in
het leren
Learning by doing
Mark Rudolf
Website:
http://www.bim.eduhi.a
t/index2.html
Petra Eiber, Astrid
Mayer
Email: [email protected]
Email: [email protected]
Website:
http://www.hblaperg.eduhi.at/
Zie ook projecten rond:
Aids-Peers (zie website
onder “Projekte”)
132
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
10. Schotland
10.1 Schema onderwijssysteem
133
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
10.2 Beleidsontwikkelingen en beleidsopties
158 159
10.2.1 Vijf nationale prioriteiten
In maart 2000 werd een nationaal debat in Schotland160 opgestart over het beste onderwijs
dat aan jongeren kan worden gegeven. In December 2000 heeft het Committee for Education,
Culture and Sport van het Schots parlement vijf nationale prioriteiten voor onderwijs goedgekeurd161. In essentie komen die hier op neer:
 Achievement and Attainment (te bereiken doelen): in alle scholen het niveau verhogen speciaal voor wat betreft leesvaardigheid (literacy) en rekenvaardigheid (numeracy), en het
niveau van de resultaten van het nationaal examen verbeteren.
 Framework for learning (een kader om te leren): de leraren ondersteunen om hun vaardigheden verder te ontplooien; de zelfdiscipline bij leerlingen bevorderen en van de school
een omgeving te maken die aanzet tot leren.
 Inclusion and equality (inclusie en gelijkheid): steun geven aan alle leerlingen zodat hun talenten maximaal kunnen ontwikkelen; speciale aandacht voor leerlingen met bijzondere
moeilijkheden of handicaps; het aanmoedigen van het aanleren van Gaelic en andere
minderheidstalen
 Values and citizenship (waarden en burgerschap): samenwerken met ouders en leerlingen,
met lokale buurten en met de maatschappij, om zelfrespect en respect voor anderen te
bevorderen, met respect voor de plichten van burgers in een democratische maatschappij
 Learning for life (levenslang leren): zorgen dat leerlingen de vaardigheden, attitudes en
perspectieven kunnen verwerven
Het antwoord van de Schotse Regering op het Nationaal debat over onderwijs, werd gepubliceerd in januari 2003. Het document ‘Educating for excellence: Choice and opportunities : the
executive’s response to the national debate’162 tekent de krijtlijnen uit van het beleid naar de toekomst. De belangrijkste prioriteiten die uit dit document naar voor komen zijn:
 de keuzemogelijkheden van de leerling vergroten door het curriculum aan te passen aan
de noden van de 21st eeuw; het curriculum verlichten van 5 tot 14 jaar; vastleggen wat
een evenwichtige kern waarnaast de leerlingen keuzes kunnen maken zoals beroepsopleiding
 het examineren en testen van leerlingen vereenvoudigen en verminderen
 het aantal leerlingen per klas verminderen en de verhouding leerlingen/leraar verbeteren,
vooral voor sommige vakken; meer leren in kleine groepen stimuleren
Algemene informatie over het Schots onderwijssysteem is te vinden op: http://www.scotland.gov.uk (ga naar
Education). Verdere informatie is te vinden in de Eurybase van Eurydice
159 Bijzondere dank gaat naar Tom Craig, Further and Adult Education, The Scottish Executive, Glasgow; Rosetta
McLeod, Principal officer, Learning resources, Aberdeen City Council, Scotland; Alex Black, Development officer,
LT Learning and Teaching, working for better learning.
160 Zie de website over het nationaal debat over onderwijs in Schotland:
http://www.scotland.gov.uk/education/nd_homepage.htm
161 The Education National Priorities, Scotland; Order (SSI 2000/443); een kopie kan afgeprint worden vanaf de
volgende web site van HMO:
http://www.scotland-legislation.hmso.gov.uk/legislation/scotland/ssi2000/20000443.htm
162 Het volledige document ’Educating for Ecxcellence, choice and opportunity: the Executive’s response to the
national debate’ is te vinden op de volgende website:
http://www.communicata.co.uk/scottish_executive/files_nd/ndser.pdf
158
134
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 werk maken van discipline op school en iets doen aan pestgedrag
 werken aan de verbetering van de schoolgebouwen
 meer controle over het budget geven aan de directie die zelf best kan beslissen hoe de
middelen optimaal aangewend moeten worden
 leraren zullen kunnen lesgeven zowel in de lagere als de middelbare school; grotere
flexibiliteit om de overgang van het lager naar het secundair te vergemakkelijken
 ouders meer bij de opvoeding van hun kinderen betrekken
 de rol van de inspectie verstevigen door meer en betere rapporten aan de ouders.
10.2.2 Specifieke aandachtspunten voor beroeps- en technisch onderwijs
De Scottish Executive heeft een aantal aandachts- en actiepunten met betrekking tot het
beroeps- en technisch onderwijs163.
De scholen dienen ondersteund te worden om de curricula op een flexibele wijze aan te wenden om een evenwichtige kern aan kennis en vaardigheden over te brengen. Onderwijs- en
leerprogramma’s moeten beter beantwoorden aan de noden van de leerlingen. Ondersteuning dient gegeven zowel aan leerlingen die academisch gericht zijn als aan de andere die
meer beroeps- en technisch gericht zijn.
Er zal werk gemaakt worden van een verbrede toegang tot beroepskwalificaties en van het
versterken van de banden tussen scholen, Further Education colleges164 en bedrijven.
Er moet rekening gehouden worden met aanbevelingen van het rapport rond de evaluatie
van het bedrijf in het onderwijs. Dit rapport, “Determined to succeed”165 (Vastberaden om te
slagen) verwijst naar de rol van de Further Education colleges die de scholen kunnen helpen
om de bedrijven meer in het onderwijs te brengen. Het rapport beveelt aan dat alle leerlingen boven de 14 jaar de kans moeten krijgen om beroepsgericht te leren in een werkomgeving om relevante kwalificaties te verwerven. Dit zal een groot engagement en een grote
inspanning vergen van alle Schotse werkgevers, die zullen moeten samenwerken met lokale
overheden en secundaire scholen.
Aangezien de bedrijven niet aan de vraag van de scholen kunnen voldoen, zullen deze zich
richten tot de FE colleges die een alternatief kunnen bieden voor stages in het bedrijfsleven.
Dit betekent dat lagere en secundaire scholen partnerschappen zullen aangaan met het bedrijfsleven en met de FE colleges. De partnerschap overeenkomst tussen scholen en FE colleges
‘A partnership for a Better Scotland’166 gepubliceerd in mei 2003, vermeldt de mogelijkheid dat
14-16 jarigen een deel van hun school curriculum kunnen lopen in FE colleges om
beroepsvaardigheden te verwerven en om hun kansen op tewerkstelling te verhogen.
Op basis van informatie verstrekt door Tom Craig, Further and Adult Education, Scottish Exceutive
Zie korte uitleg over further education colleges bij Engeland
165 Determined to succeed; dit rapport kan gedownload worden vanaf de volgende website:
http://www.scotland.gov.uk/library5/education/ndser-00.asp
166 A partnership for a better Scotland: dit kan gedownload worden vanaf de volgende website:
http://www.scotland.gov.uk/library5/government/pfbs-00.asp
163
164
135
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
De regering zal een samenwerkingsstrategie ontwikkelen om de samenwerking te bevorderen tussen scholen, FE colleges en lokale bedrijven om het voor leerlingen die afstuderen
gemakkelijker te maken door te stromen naar de FE colleges of naar de bedrijven.
10.2.3 De prioriteiten vertaald in een visie
De prioriteiten vermeld in het rapport ‘Educating for excellence, choice and opportunity’ worden
vertaald in een aantal doelstellingen. Enkele167 daarvan zijn:
 nadruk op comprehensive onderwijs dat aan de noden van alle jongeren beantwoordt; dit
betekent dat alle leerlingen niet door hetzelfde systeem dienen geleid te worden maar dat
het curriculum dient aangepast te worden aan de lokale noden en prioriteiten
 betere lees- en rekenvaardigheden
 meer mogelijkheden tot flexibel leren met meer mogelijkheden om buiten de school te
leren (met een officiële erkenning van dit leren)
 nadruk op vaardigheden en attitudes naast kennis
 afbreken van schotten tussen vakken en richtingen om een gelijke waardering te krijgen
 gebruik van verschillende leermethodes die creativiteit, actief leren en levenslang leren
bevorderen
 afstappen van het evalueren van leerlingen dat alleen maar punten toekent om naar een
systeem te gaan dat leerlingen helpt te begrijpen hoe ze hun leren kunnen verbeteren; dit
heeft een grote impact op de motivatie voor het leren van de jongeren
 verlichting van de administratieve taken van de leraren (leraren moeten bezig zijn met
lesgeven en niet met administratie)
 elke school is een centre of excellence met alle ondersteuning voor leerlingen en families
 meer betrokkenheid van de lokale gemeenschap en het bedrijfsleven om mee te helpen
aan de kwaliteitsverbetering van het onderwijs
 promotie van het Gaelic, de nationale minderheidstaal en het bevorderen van het aanleren
van andere talen
 de ouders dienen meer bij het beslissingsproces rond het leren van hun kinderen
betrokken te worden
 werken aan discipline en aan het pesten op school
 betere zorg voor de kinderen buiten de school in de schoolomgeving
 een team van leraren dat samen verantwoordelijk is voor het leren
 leraren die in de lagere school en in het secundair les geven om de overgang tussen de
twee te vergemakkelijken;
 kwaliteitsclusters tussen secundaire scholen met geassocieerde lagere scholen
 bevorderen van uitwisseling van expertise en goede praktijk op lokaal en nationaal vlak
 betere schoolgebouwen en ‘excellent school design’ zodat ook de design van de schoolgebouwen bijdraagt tot beter en anders leren
 directeurs vormen met moderne business skills om hun scholen op een aangepaste wijze
te kunnen besturen
De vermelde prioiriteiten zijn niet volledig. Voor de volledige reeks wordt naar de publicatie ‘Educating for
Excellence, choice and opportunity‘verwezen: http://www.communicata.co.uk/scottish_executive/files_nd/ndser.pdf
167
136
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
10.3 Goede praktijkvoorbeelden
10.3.1 Een speciale website: National priorities in education168
Een speciale website werd gecreëerd om de scholen te helpen bij het implementeren van de
National Priorities. Op deze website vindt men een reeks boeiende goede-praktijkvoorbeelden. Deze beschijvingen vermelden in veel gevallen evenwel niet welke de betrokken scholen zijn.
Het volstaat op deze website het stukje van de puzzel te kiezen met ‘Schools’ om een reeks
goede-praktijkvoorbeelden te vinden in verband met vijf nationale prioriteiten. Binnen elke
prioriteit vindt men veel informatie over de praktijkvoorbeelden maar ook de ‘performance
measures’ of ‘quality indicators’ die zeer nuttig kunnen zijn. Verder vindt men er ook achtergrondinformatie rond bepaalde vernieuwingen zoals peer learning (leren van collega’s).
De goede-praktijkvoorbeelden zijn boeiend opgebouwd, o.m. omdat men naast de tekst ook
videoclips kan zien met mensen die hun ervaringen meedelen.
Door het puzzelstukje ‘themes’ aan te klikken komt men op dezelfde goede-praktijkvoorbeelden terecht maar thematisch gerangschikt.
10.3.2 Assessment for learning169: goede-praktijkvoorbeelden
Het Assessment for Learning-programma is een initiatief dat bijzondere aandacht geeft aan de
continue evaluatie van leerlingen. Het probeert bij te dragen tot het creëren van een coherent
en gestroomlijnd evaluatiesysteem. Het zorgt ervoor dat ouders, leraren en alle professionelen in het onderwijs de juiste informatie krijgen over de leernoden en de behoeften tot
verdere ontwikkeling van elke jongere. De speciale website van Assessment for learning
geeft een reeks interessante goed praktijkvoorbeelden170.
Pilootscholen komen meestal tot stand op voorstel van de lokale overheid en dit om verschillende redenen. De school kan zelf een aanvraag hebben ingediend om een pilootschool te
worden of ze kan bekend staan als een bijzonder innoverende school. De pilootscholen ontvangen een financiële ondersteuning uit de SEED (Scottish Executive Education Department).
De pilootscholen krijgen ook ondersteuning bij het ontwikkelen van innovatieve activiteiten
dankzij development officers. Ook de lokale overheid kan het project ondersteunen. De meeste
projecten duren één jaar.
De pilootscholen, moeten een case study schrijven over hun innoverende activiteiten. In de
loop van 2004 zullen de case studies op de volgende website worden gepubliceerd:
http://www.LTScotland.org.uk/assess. Pilootscholen kunnen alleen gecontacteerd worden
langs de assessment coördinator binnen elke lokale overheid. De lijst van deze personen is
eveneens op deze website te vinden.
The website National priorities in education is te vinden op: http://www.nationalpriorities.org.uk/NPFP.html
Zie de website Assessment for learning: http://www.ltscotland.org.uk/assess/projects.asp
170 Goede praktijkvoorbeelden rond evaluatie van leerlingen: zie website:
http://www.ltscotland.org.uk/assess/projects.asp
168
169
137
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
10.3.3 Goede praktijk in zelfevaluatie: How good is our school171?
HMIE (Her Majesty’s Inspectorate of Education)172 in Schotland is verantwoordelijk voor een
onafhankelijke evaluatie van het Schots onderwijssysteem. Een dergelijke evaluatie moet bijdragen tot de doelstellingen voor verbetering van de kwaliteit van het onderwijs die de
Schotse regering zich heeft gesteld.
De strategische prioriteiten van de HMIE zijn de volgende:
 een programma van onafhankelijke evaluaties organiseren
 de informatie uit de evaluaties verwerken in rapporten om de beste praktijk te kunnen
promoten
 onafhankelijk kwaliteitsadvies geven aan de Schotse ministers en andere beleidsverantwoordelijken
 hoogstaande kwalitatieve diensten aanbieden op alle vlakken van inspectie
 werken aan de systematische kwaliteitsborging en de continue verbetering van de HMIE
zelf.
In het kader van deze prioriteiten werd een zelfevaluatieïnstrument ontwikkeld ”How good is
our school?” dat tot doel heeft directeurs van scholen en leraren te helpen bij het opzetten van
zelfevaluatie binnen hun school. Het is ook een hulp voor beleidsverantwoordelijken en voor
de inspecteurs zelfs die het als een referentie instrument gebruiken. Het is gebaseerd op een
reeks kwaliteitsindicatoren die in 2002 werden aangepast aan het huidige beleid in zake
onderwijs.
Deel 2 van dit nuttig instrument bevat goede praktijkvoorbeelden, in de vorm van een reeks
case studies, van hoe zelf evaluatie implementeren.
10.3.4 Andere voorbeelden
Interessante goede praktijkvoorbeelden zijn ook op andere websites te vinden zoals op de
website van NGfL (New Grid for Learning), dat verschillende problemen aansnijdt voor alle
Schotse scholen op de website http://www.ltscotland.org.uk/wholeschoolissues/. Onder de
hoofding Curriculum development op de webpagina http://www.ltscotland.org.uk/
curriculumflexibility/schools/clydevalley.asp vindt men praktijkvoorbeelden van hoe scholen flexibel omgaan met curricula.
Er is ook een fonds opgericht – het Actiefonds voor de Nationale Prioriteiten – waarvan de
middelen door de lokale overheden op een flexibele manier kunnen aangewend worden om
de doelstellingen van de nationale prioriteiten te bevorderen.
De publicatie voor zelfevaluatie “How good is our school” is te downloaden van de volgende webpagina:
http://www.hmie.gov.uk/documents/publication/HGIOS.pdf
172 HMIE ; zie de website: http://www.hmie.gov.uk/
171
138
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
10.4 Samenvatting en conclusies
 Schotland werkt een geheel aan innovatieve activiteiten uit die worden ondersteund door
de verschillende diensten en organisaties bij onderwijs betrokken zoals de scholen, het
ministerie, de inspecteurs (HMIE) en het bedrijfsleven.
 De vernieuwing van het onderwijs vertrekt vanuit duidelijke basisteksten en besluiten. Er
zijn vijf nationale prioriteiten gedefinieerd en er is een kader uitgetekend (framework for
learning) waarbinnen de rol van alle stakeholders goed omschreven is.
 Er werd een zeer degelijke website ontwikkeld met een rijke verscheidenheid aan materiaal dat door innoverende scholen kan gebruikt worden om leraren te informeren en te
motiveren.
 De flexibilisering van het onderwijsaanbod wordt vergroot om meer individuele leertrajecten uit te kunnen bouwen; ook wat buiten de school geleerd wordt wordt erkend.
 Grote nadruk wordt gelegd op het verwerven van vaardigheden en attitudes die levenslang kunnen bevorderen. Actieve leermethoden worden bevorderd. Er worden nieuwe
evaluatievormen ontwikkeld binnen nieuwe onderwijsmethodes.
 Sterke nadruk op zelfevaluatie en grote ondersteuning om zelfevaluatie te bevorderen.
 Er zijn speciale opleidingen voor directies.
 Een sterke nadruk wordt gelegd op het gebruik van kwaliteitsindicatoren.
 De accenten die gelegd worden in Engeland en Schotland zijn anders, en ook de aanpak
voor het stimuleren van innovaties is verschillend.
 Er dient hier nog aan toe gevoegd te worden dat Schotland een eigen Scottish Credit and
Qualification Framework (SCQF173) heeft ontwikkeld dat zowel beroepskwalificaties als
academische kwalificaties integreert in één en hetzelfde kader van credits.
Bijlage: Enkele goede-praktijkvoorbeelden
De voorbeelden die hieronder vermeld staan zijn allen gehaald uit de officiële websites van
de Scottish Executive. Het eerste voorbeeld is een algemeen project om PLP, Personal Learning
Plans (Individuele leerplannen of leertrajecten) en het rapporteren in verband daarmee te
ondersteunen.
Nr.
Naam Project
Instelling
AoT
Kernthema’s
Email / Website

Val Steele
Email:
[email protected]
.uk
Website:
http://www.ltscotland.o
rg.uk/assess/projects_pr
oject_3.asp
174
1
Support for
managing personal
learning programmes
Assessment
for learning
Programme
of Learning
and Teaching
Scotland175
AL,
AK,
AS

Raad en ondersteuning geven aan
scholen en leraars hoe verslagen
opstellen en hoe te rapporteren in
het kader van persoonlijke
leerplannen voor leerlingen
Het programma besteedt ook aandacht aan hoe vooruitgangsrapporten kunnen worden opgesteld in
SCQF – Scottish Credit and Qualification Framework - Volledige înformatie kan gevonden worden op de
volgende website die uitsluitend informatie verstrekt over het SCQF: http://www.scqf.org.uk/
174 Bedoeld is de link met Accent op Talent: AL = Anders Leren; AK = Anders Kiezen; AS = Anders Sturen
175 LT Scotland is een openbare instelling gefinancierd door het Scottish Executive Education Department. De rol
van deze organisatie is de Scottish Executive te adviseren en steun te geven om initiatieven op het vlak van leren
173
139
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2
Alternative curricula
strategies
Clyde Valley
High School,
AL


Alternatieve
curricula



3
Enterprise in
Education
Trinity
Academy
Edinburgh
City
AL,
AK





4
Our partners, the
bairns
Drummond
Community
High School
Mediation
Project
AL






5
Critical friends
St Margaret’s Academy, Broxburn,
Winchburg,
East Calder ,
Livingstone
AS



het kader van individuele leertrajecten.
Alternatieve curriculaire trajecten
uitbouwen voor leerlingen met
leermoeilijkheden
Vergroten van de motivatie door
keuzes te kunnen maken die meer
aansluiten bij de talenten van de
leerling
Meer nadruk op sociale vaardigheden
De leerlingen kunnen academische
disciplines combineren met beroepsvakken of technische vakken
Meer individuele leertrajecten
uitbouwen
Transition programme om overgang
van school naar werk te
vergemakkelijken
Accent op de zachte vaardigheden:
sociale vaardigheden, communicatievaardigheden, life skills enz.
Stages in bedrijven één dag per
week gedurende één jaar
Learning by doing
Naschoolse ondersteuning van
leren van leerlingen
Het scheppen van een goed leerklimaat is centraal in de school gezien
het multiraciale karakter
De school ontwikkelde het Drummond Equality Game om met leerlingen te werken rond gelijke
kansen
De school ontwikkelt verschillende
activiteiten gericht op het verbeteren van de zelfwaarde van de leerlingen, op het leren begrip opbrengen voor andere enz. ; veel wordt
geïnvesteerd in sociale
vaardigheden
Een peer mediation project loopt in
deze school
Veel accent op teamwerk
Responsabilisering van leerlingen
voor hun eigen studie
Critical friends werden geselecteerd;
het waren afdelingshoofden van
andere scholen in de buurt
Evaluatie klasgebeuren door bezoeken; nadruk op het goede dat
gebeurt
Evaluatie van de leer- en
onderwijspolitiek van de school en
Email:
[email protected]
Uitgebreide informatie
over dit project:
http://www.ltscotland.o
rg.uk/curriculumflexibil
ity/schools/clydevalley.
asp#two
Email:
[email protected]
uk
Website:
http://www.trinity.edin.
sch.uk/index2.html
Gedetailleerde informatie is te vinden op:
http://www.nationalpri
orities.org.uk/priority2R
esActs.html
(zie nummer 104)
Email:
[email protected]
othian.org.uk
Gedetailleerde informatie is te vinden op:
http://www.nationalpri
orities.org.uk/priority2R
en onderwijzen te verbeteren op alle vlakken, waaronder ook op het vlak van ICT. Voor verdere informatie zie de
website: http://www.ltscotland.org.uk/about/index.asp
140
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
6
Developing Personal
Learning Plans
Grangemouth High
School
(Pilot school
van het
Assessment is
for Learning
Programme)
AL,
AK







het schoolontwikkelingsplan
Gebruik van kwaliteitsindicatoren
Mondelinge feedback
Evaluatie door het schoolteam
Individuele leertrajecten uitbouwen
Leerlingen nemen zelf meer verantwoordelijkheid voor hun leren
Individuele leerdoelstellingen per
leerling
Opleiding van leraren om met de
individuele leertrajecten te werken
esActs.html
(zie nummer 635)
Bob McMillan
Email:
[email protected]
ov.uk
141
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Deel III
Europese en internationale context
142
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
1. Beleidsontwikkelingen op Europees niveau
1.1 Het “Gedetailleerd werkprogramma voor onderwijs”
van de Europese Unie176
Tijdens de Europese Top van Lissabon in maart 2000 hebben de Europese regeringsleiders
erkend dat de Europese Unie door de mondialisering en de kenniseconomie geconfronteerd
wordt met ingrijpende veranderingen. De Europese Raad heeft zich dan ook het strategisch
doel gesteld dat de Europese Unie tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld moet worden, die in staat is tot duurzame economische groei
met meer en betere banen en een he
chtere sociale samenhang.
De Europese Raad stelde dat deze veranderingen niet alleen een radicale transformatie van
de Europese economie vereisen, maar ook een ambitieus programma vergen voor het moderniseren van de stelsels van sociale bescherming en onderwijs. De drie hoofddoelstellingen
voor onderwijs zijn:
1. Hogere kwaliteit en grotere effectiviteit
2. Grotere toegankelijkheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels
3. De wereld in de onderwijs- en vormingsstelsels binnenhalen.
Op hun beurt werden deze drie hoofddoelstellingen in 2001 vertaald in dertien subdoelstellingen:
I. Hogere kwaliteit en grotere effectiviteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU:
1. verbetering van het onderwijs en de opleiding voor onderwijsgevenden en opleiders
2. vaardigheden voor de kennismaatschappij ontwikkelen
3. iedereen toegang tot ICT geven
4. de instroom in de studierichtingen van de exacte wetenschappen en de technische
richtingen vergroten
5. financiële middelen optimaal inzetten
II. Grotere toegankelijkheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels voor iedereen:
6. open leersituaties creëren
7. leren aantrekkelijker maken
8. actieve participatie van burgers in de maatschappij, gelijke kansen en sociale samenhang ondersteunen
III. De wereld binnenhalen in de onderwijs- en opleidingsstelsels:
9. de banden met de wereld van het werk, de wereld van het onderzoek en de maatschappij aanhalen
10. de ondernemersgeest ontwikkelen
176
Voor deze tekst werd o.m. geput uit het artikel “Europees beleid op nieuwe paden”, door Gaby Hostens,
verschenen in het themanummer “De opmars van Europa” van “Impuls Voor Onderwijsbegeleiding”- 34e
jaargang, Nr.1, september 2003.
143
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
11. leren van vreemde talen verbeteren
12. mobiliteit en uitwisselingen versterken
13. de samenwerking in Europa intensiveren.
De Europese onderwijsministers streven dus naar een kwalitatief hoogstaand, attractief en
democratisch onderwijs voor iedereen. Onderwijs en opleiding moeten relevant zijn t.a.v.
nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en de middelen moeten effectief worden aangewend. Een Europees kerncurriculum, kwaliteitszorg, een optimaal niveau aan investeringen
in onderwijs en opleiding, leren van vreemde talen, aantrekkelijk onderwijs, enz. zijn dus
thema’s die op de Europese onderwijspolitieke agenda zijn geplaatst.
Deze doelstellingen worden verder geconcretiseerd en worden gezamenlijk opgevolgd. Ieder
van de 13 doelstellingen bevat aandachtspunten, indicatoren, voorbeelden voor uitwisseling
van goede praktijk en mogelijke thema’s voor peer review. De resultaten van de verschillende
Europese landen zullen onderling worden vergeleken, en de Europese Unie als geheel met
de Verenigde Staten en Japan.
In 2001 werd een gedetailleerd, ambitieus werkprogramma177 geformuleerd. Tegen 2010 zouden de volgende doelstellingen moeten gerealiseerd zijn in de Europese Unie:
 de hoogst mogelijke kwaliteit op het gebied van onderwijs en opleiding, zodat Europa
wordt erkend als wereldwijde referentie wat betreft de kwaliteit en relevantie van zijn
onderwijs- en opleidingsstelsels en –instellingen
 onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa die onderling voldoende compatibel zijn om
de burgers de mogelijkheid te bieden van het ene op het andere stelsel over te stappen en
de diversiteit ervan te benutten
 de mogelijkheid voor bezitters van kwalificaties, kennis en vaardigheden die elders in de
EU zijn verworven, om deze in de gehele Unie erkend te krijgen met het oog op hun
beroepsloopbaan en op bijscholing
 toegang tot levenslang leren voor Europeanen van alle leeftijden
 een Europa dat openstaat voor wederzijdse voordelige samenwerking met alle andere
regio’s en dat de voorkeursbestemming is van studenten, wetenschappers en onderzoekers uit andere delen van de wereld.
Vanaf 2001 werden acht werkgroepen opgericht rond de verschillende doelstellingen. Deze
werkgroepen hebben rapporten geproduceerd die aan de basis zullen liggen van verdere
activiteiten op het vlak van onderwijs en vorming in Europa178. Een eerste analyse van de
177
De volledige tekst van dit werkprogramma is te vinden op
http://europa.eu.int/comm/education/doc/official/keydoc/2002/progobj_nl.pdf. Het tussentijds rapport in verband
met dit werkprogramma van november 2003 is te vinden op:
http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/doc/com_2003_685-a1_23013_en.pdf
178
Vanaf 21 / 11 / 03 is een speciale website geopend die alle informatie verschaft over de initiatieven die de
Commissie van de Europese Unie in samenwerking met de Lid-Staten neemt op het vlak van onderwijs en
vorming. Op deze website vindt men alle rapporten van de acht werkgroepen plus ook informatie over het
Kopenhagen proces en het Lissabon proces. http://europa.eu.int/comm/education/policies/2010/et_2010_en.html
144
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
verschillende aspecten i.v.m. het gedetailleerde werkprogramma is terug te vinden in een
recente publicatie van CIDREE, ‘Becoming the best: Educational ambitions for Europe’179.
De Europese onderwijsministers hebben op 5 en 6 mei 2003 ook een eerste reeks benchmarks
goedgekeurd. Zo moeten volgende doelstellingen als Europees gemiddelde tegen 2010 worden gehaald:
 maximaal 10% vroegtijdige schoolverlaters
 een stijging van het aantal gediplomeerden in wiskunde, wetenschappen en technologie
met minstens 15%, evenals een vermindering van het onevenwicht tussen mannen en
vrouwen onder deze gediplomeerden
 minstens 85% van de 22-jarigen moet hoger secundair onderwijs hebben voltooid
 een vermindering met 20% van het aantal laag presterende 15-jarigen in leesvaardigheid
 een deelname van minstens 12,5% van de volwassen werkende bevolking aan levenslang
leren.
Deze doelstellingen zijn weliswaar nog niet zeer ambitieus, maar vormen wel het begin van
een onontkoombaar internationaal benchmarkingsproces.
Verder is ook nog de Verklaring van Kopenhagen180 van 29 en 30 november 2002 te vermelden. Deze verklaring van de Europese ministers verantwoordelijk voor beroepsopleiding en
permanente vorming benadrukt het belang van het verstevigen van de Europese dimensie in
de beroepsopleiding, het verhogen van de transparantie van de beroepsopleidingen, met
inbegrip van informatie en begeleiding, het werken aan de erkenning van competenties en
kwalificaties, en het bevorderen van de kwaliteit van de beroepsopleidingen.
De Europese beleidsontwikkelingen illustreren dat er een nieuw paradigma voor het onderwijsbeleid ontstaan is, waarbij andere beleidssectoren een (vernieuwde) belangstelling voor
onderwijs en opleiding aan de dag leggen. Onderwijs en opleiding worden (opnieuw) gezien
als beleidsinstrumenten bij uitstek om de inzetbaarheid van werknemers te verbeteren, om
sociale samenhang te bevorderen, om duurzame economische groei te bewerkstelligen, om
democratisch burgerschap te faciliteren, om via sportopvoeding de gezondheid van de bevolking te verhogen, enz.
1.2 De aansluiting van Accent op Talent bij de Europese
beleidsontwikkelingen
Een nadere analyse van het gedachtegoed van Accent op Talent geeft aan dat dit volkomen
in de lijn ligt van de beleidsontwikkelingen op Europees niveau.
De tien strategische ontwikkelingsassen, zoals die momenteel worden uitgewerkt in het beleidsdocument van de Commissie Accent op Talent, sluiten alle aan bij de beleidsopties die
179
Becoming the best: Educational ambitions for Europe, CIDREE, SLO, Enschede, 2004. CIDREE = Consortium of
Institutions for the Development and Research in Education in Europe; website: http://www.cidree.org
180 De Verklaring van Kopenhagen:
http://europa.eu.int/comm/education/copenhagen/copenahagen_declaration_en.pdf
145
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
werden opgenomen in het gedetailleerd werkprogramma voor onderwijs en vorming van de
Europese Unie. Voor elk van de drie hoofd- en dertien subdoelstellingen zijn er verschillende
voorstellen181 geformuleerd die zullen bijdragen tot het realiseren van deze doelstellingen.
Interessant is ook op te merken dat een van de oorspronkelijke uitgangspunten van Accent
op Talent – de belangstelling voor technische opleidingen verhogen – een expliciete doelstelling is op Europees niveau, en dat een significante stijging van het aantal gekwalificeerde
jongeren als benchmark werd opgenomen.
Uit de voorgaande hoofdstukken is ook gebleken dat de beleidsvoorstellen in Accent op
Talent op Europees vlak geen alleenstaande initiatief vormen, maar zich duidelijk inschrijven
in een dynamiek die aanwezig is in alle Europese landen. In elk van de onderzochte landen
is men actief met de problematiek begaan, al legt men meestal wel verschillende accenten en
prioriteiten.
Het bestaan van deze Europese doelstellingen betekent nog niet dat deze zullen worden
gerealiseerd en/of dat de benchmarks tijdig zullen worden gehaald. Toch lijkt een onomkeerbaar proces ingezet in geheel Europa om de drie hoofddoelstellingen – kwaliteit, toegang en
opening naar de wereld – concreet gestalte te geven.
181
Eventueel met uitzondering van doelstellingen 11, 12 en 13 waar in Accent op Talent niet rechtsreeks wordt ingegaan – maar die wel onrechtstreeks zouden volgen uit een verhoogde innovatiecapaciteit van het onderwijs.
146
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2. De Europese programma’s voor samenwerking
tussen scholen
Dit hoofdstuk bevat een kort overzicht van de Europese programma’s met betrekking tot
samenwerking tussen scholen. Er worden ook voorbeelden gegeven van interessante
netwerken en projecten, evenals praktische informatie over het opzetten van internationale
samenwerkingsprojecten.
2.1 De Socrates en Leonardo da Vinci programma’s
2.1.1 Socrates182 183
Socrates is een programma van de Europese Unie dat tot doel heeft de kwaliteit van onderwijs te verbeteren door het bevorderen van Europese samenwerking. Socrates I liep van 1995
tot 2000. Sinds 2000 loopt Socrates II tot 2006.
De specifieke doelstellingen van het Socrates-programma zijn de volgende:
 het versterken van de Europese dimensie van het onderwijs op elk niveau en het vergemakkelijken van ruime transnationale toegang tot de onderwijsmiddelen in Europa, waarbij het creëren van gelijke kansen in alle sectoren van het onderwijs wordt bevorderd
 het stimuleren van een kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de kennis van de
talen van de Europese Unie, met name de minst verspreide en minst onderwezen talen
 het stimuleren van samenwerking en mobiliteit op onderwijsgebied, met name door
uitwisselingen tussen onderwijsinstellingen aan te moedigen
 open- en afstandsonderwijs te bevorderen
 erkenning van diploma’s en onderwijsperioden verder te bevorderen
 informatie-uitwisseling te bevorderen, en belemmeringen op deze gebieden te helpen
wegwerken
 het aanmoedigen van vernieuwingen in de ontwikkeling van de onderwijspraktijk en onderwijsmateriaal en het bestuderen van aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor onderwijsbeleid.
Het Socrates-programma moet ook bijdragen tot het bevorderen van een gelijke behandeling
van mannen en vrouwen en gelijke kansen voor gehandicapte personen, en tot het bestrijden
van sociale uitsluiting, racisme en vreemdelingenhaat.
Het Socrates-programma bestaat uit de volgende delen:
 Comenius wil het onderwijs op school verbeteren; het betreft het kleuteronderwijs, het
lager onderwijs en het secundair onderwijs (ASO, BSO, TSO, BUSO) en de lerarenopleiding (initiële vorming en bijscholing).
 Erasmus wil bijdragen tot een kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs
Socrates programme: :http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/socrates_en.html
De informatie is deze die beschikbaar is op de website van het departement onderwijs met lichte aanvullingen.
http://www.ond.vlaanderen.be/socrates/. Volledige informatie rond Socrates en Comenius is te vinden op de
Europa server van de Commissie van de EU:
http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/comenius/structure_en.html
182
183
147
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Grundtvig betreft het volwassenenonderwijs
 Lingua heeft betrekking op het verbeteren van het onderwijs en het leren van talen
 Minerva betreft het gebruik van de nieuwe informatie technologieën in het onderwijs
Daarnaast omvat Socrates ook nog:
 initiatieven voor observatie en innovatie van Onderwijssystemen en onderwijsbeleid; met
in het bijzonder de acttiviteiten Arion, Eurydice en Naric
 gezamenlijke acties met andere Europese programma’s
 begeleidende maatregelen.
Het Socrates-programma verleent steun aan de volgende soorten activiteiten:
 transnationale mobiliteit van personen op onderwijsgebied in Europa
 projecten op basis van transnationale partnerschappen voor de ontwikkeling van innovatie en kwaliteitsverbetering in het onderwijs;
 bevordering van taalvaardigheden en kennis van verschillende culturen;
 gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het onderwijs;
 ontwikkeling van transnationale samenwerkingsnetwerken om de uitwisseling van ervaring en goede praktijken te vergemakkelijken;
 observatie en vergelijkend onderzoek van onderwijsstelsels en -beleid;
 activiteiten voor de uitwisseling van informatie en de verspreiding van goede praktijken
en innovatie.
Deze activiteiten worden op diverse manieren ondersteund in het kader van de verschillende acties van het programma.
Alle 25 Lidstaten van de Europese Unie (per 1 mei 2004) kunnen participeren, plus Roemenië, Bulgarije, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Turkije.
2.1.2 Comenius
Comenius is het deelprogramma van Socrates bestemd voor scholen. Comenius wil uitdrukkelijk kwaliteitsverhoging bewerkstelligen door:
 transnationale samenwerking tussen scholen en lerarenopleidingen
 vergelijking van onderwijsmethodes
 uitwisseling van innoverende pedagogische strategieën
 het gezamenlijk ontwerpen van innoverende pedagogische strategieën
 het ontwikkelen en verspreiden van methoden voor de bestrijding van uitsluiting van
onderwijs en falen op school
 het bevorderen van de integratie van leerlingen met speciale leerbehoeften
 het bevorderen van gelijke kansen in alle opzichten
 het bevorderen van het pedagogisch gebruik van de informatie en communicatietechnologieën op school in de lerarenopleiding
 uitwisseling van vakinhouden
 uitwisselingen van onderzoeksresultaten
 gezamenlijke evaluatie of kruis-evaluatie
 gezamenlijke bijscholing of bijscholing
 gezamenlijk bepalen van kwaliteitsindicatoren
148
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 gezamenlijk examineren.
De activiteiten waar scholen rechtstreeks bij betrokken worden en kunnen van genieten zijn
de volgende:
Comenius 1: schoolpartnerschappen
Er zijn drie soorten schoolpartnerschappen:
 Comenius 1.1: multilaterale schoolprojecten, waarbij scholen uit ministens drie Europese
landen samenwerken rond een thema
 Comenius 1.2: bilaterale taalprojecten, waarbij twee scholen samenwerken om het aanleren van een Europese taal te bevorderen
 Comenius 1.3: multilaterale schoolontwikkelingsprojecten, waarbij leraren en directieleden van scholen samen werken rond thema’s van beheersmatige, organisatorische en
pedagogisch-didactische aard.
Binnen deze drie soorten projecten zijn bepaalde vormen van mobiliteit van leraren, directieleden en leerlingen voorzien. Comenius 1 is een volledig “gedecentraliseerde actie”, wat in
de praktijk betekent dat ze beheerd wordt door het Vlaamse Comenius-Agentschap op het
Departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.
Comenius 2: vorming van leraren
De activiteiten van Comenius 2 betreffen de initiële opleiding en de bijscholing van leraren.
Comenius 2.1. gaat over Europese samenwerkingsprojecten voor de opleiding en vorming
van onderwijzend personeel:
 projecten die bijscholingscursussen ontwikkelen, testen en aanbieden
 projecten die studieprogramma’s ontwikkelen voor de initiële lerarenopleiding
 projecten die korte mobiliteit van leraren in opleiding bevorderen (1 tot 10 weken)
 projecten die strategieën, methoden en lesmaterialen ontwikkelen
Comenius 2.1. is een volledig gecentraliseerde actie die beheerd wordt door de Commissie
van de Europese Unies, Directoraat-Generaal Onderwijs en Cultuur.
Comenius 2.2. verleent individuele studiebeurzen:
 Comenius 2.2.A: Individuele beurzen voor de initiële lerarenopleiding
 Comenius 2.2.B: Comenius taalassistentschappen voor toekomstige taalleraren
 Comenius 2.2.C: Individuele beurzen voor bijscholing.
Voor een overzicht van de schikbare Comenius 2.2.C beurzen raadpleegt men de catalogus
op de website van het Departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap:
http://www.ond.vlaanderen.be/internationaliseringSO/. Comenius 2.2. is een volledig gedecentraliseerde actie.
Comenius 3: ontwikkeling van netwerken
De Comenius 3 netwerken hebben als hoofddoelstelling het opzetten van Europese netwerken die banden willen tot stand brengen tussen Comenius 1 schoolpartnerschappen en Comenius 2 projecten voor de initiële vorming of de bijscholing van leraren en onderwijzend
149
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
personeel. Comenius 3. is een volledig gecentraliseerde actie die beheerd wordt door de
Europese Commissie.
2.1.3 Leonardo da Vinci184
Leonardo da Vinci een Europees actieprogramma dat financiële ondersteuning biedt aan
transnationale samenwerkingsprojecten op het gebied van de beroepsopleiding (in brede
zin).
De eerste fase werd afgesloten op 31 december 1999. De tweede fase van het programma
loopt van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Momenteel nemen er 30 Europese
landen deel aan het Leonardo da Vinci-programma. De Nationale Agentschappen zijn
verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma in de verschillende landen en het
administratief en financieel beheer van proefprojecten, taalprojecten en netwerkprojecten. De
bevoegdheid voor mobiliteit werd volledig gedecentraliseerd.
Het Leonardo da Vinci-programma omvat vijf maatregelen:
 mobiliteit
 proefprojecten, met inbegrip van thematische acties
 talenkennis
 transnationale samenwerkingsnetwerken
 referentiemateriaal.
Elk jaar wordt een oproep tot het indienen van voorstellen gepubliceerd waarin de prioriteiten worden vastgelegd. Deze oproep is terug te vinden op de volgende website:
http://www.vl-leonardo.be/call2003.pdf
Mobiliteit
De voorstellen moeten transnationale acties betreffen ter bevordering van de mobiliteit van
personen die een opleiding volgen, in het bijzonder jongeren die met een opleiding bezig zijn
of willen beginnen te werken, werkende of werkzoekende jongeren, pas afgestudeerden,
studenten aan instellingen voor hoger onderwijs (zogenaamde "stages"). Zij kunnen ook
gericht zijn op opleiders of diegenen die verantwoordelijk zijn voor personeelsbeleid en
opleiding, taalspecialisten, alsook sociale partners (zogenaamde "uitwisselingen").
De praktische tenuitvoerlegging gebeurt in de vorm van drie grote actietypes, al naargelang
de begunstigden:
 transnationale stageprojecten
 transnationale uitwisselingsprojecten;
 door Cedefop georganiseerde studiebezoeken.
Meer informatie is te vinden bij het Vlaams Leonardo Agentschap: http://www.vl-leonardo.be. Verdere
informatie met o.a. alle compendia met voorbeelden van projecten en producten is te vinden op de website van
de Commissie, onder:http://europa.eu.int/comm/education/programmes/leonardo/new/leonardo2_en.html
184
150
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Mobiliteitsprojecten vallen onder “Procedure A”: ze worden decentraal uitgevoerd. De voorstellen moeten worden voorgelegd aan het Nationaal Agentschap van het land van de initiatiefnemende organisatie. De selectie, beslissing en financiering gebeurt langs het Nationaal
agentschap. Voor Vlaanderen is dat het Vlaams Leonardo Agentschap: http://www.vlleonardo.be. Daar kan u ook terecht voor informatie over de procedures die gelden voor de
andere maatregelen van het programma.
Proefprojecten
Het gaat om projecten met betrekking tot het ontwerpen, verbeteren, uitproberen, evalueren
en verspreiden van vernieuwende benaderingswijzen op het gebied van methoden, inhoud,
ondersteuning of materiaal voor beroepsopleiding en beroepskeuzevoorlichting. Dergelijke
proefprojecten dienen concrete producten te ontwikkelen waarbij zoveel mogelijk gebruik
wordt gemaakt van informatie- en communicatietechnologieën.
Speciale steun wordt verleend aan een klein aantal projecten, de zogeheten "thematische
acties", met thema's van bijzonder Europees belang. Deze thema's worden vastgesteld in de
communautaire oproepen tot het indienen van voorstellen. Voor de oproep tot het indienen
van voorstellen voor 2003-2004 zijn twee thema's uitgekozen: kwaliteit en interculturele
dialoog.
Talenkennis
Deze projecten zijn gericht op het bevorderen van de kennis van taal en cultuur bij
beroepsopleidingen, met inbegrip van minder algemeen gebruikelijke en weinig onderwezen
talen. De voorstellen kunnen gaan over het ontwerpen, uitproberen, valideren, evalueren en
verspreiden van onderwijsmethoden en lesmateriaal die aan de behoeften van een beroepsgroep en bedrijfstak zijn aangepast. Zij kunnen ook betrekking hebben op de ontwikkeling
van taalkennis-audits en vernieuwende onderwijsmethoden voor talenzelfstudie en de
verspreiding van de resultaten daarvan.
Transnationale netwerken
Deze netwerken vervullen drie functies:
 verzamelen, bundelen en ontwikkelen van Europese expertise en vernieuwende benaderingswijzen
 verbeteren van de analyse van en de anticipatie op de behoefte aan beroepsbekwaamheden en beroepsvaardigheden
 verspreiden van de producten van het netwerk en de resultaten per project, in alle betrokken milieus in de gehele Europese Unie.
Referentiemateriaal
Dit onderdeel van het programma beoogt de samenstelling en actualisering van communautair “referentiemateriaal”, via het verlenen van steun aan enquêtes en analyses, de samenstelling en actualisering van vergelijkingsmateriaal, de observatie en verspreiding van
goede praktijken alsook een verregaande uitwisseling van informatie. Het referentiemate151
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
riaal moet het mogelijk maken de eigenheden en ontwikkelingen van de nationale stelsels
voor beroepsopleiding te achterhalen.
Het Leonardo da Vinci-programma heeft de voorbije jaren veel aandacht besteed aan de verspreiding
en valorisatie van de resultaten en de producten. Meer gedetailleerde informatie over deze valorisatie is
te vinden op de website:
http://europa.eu.int/comm/education/programmes/leonardo/new/valorisation_en.html
2.2 Goede praktijk in Europese samenwerkingsprojecten
2.2.1 Algemeen
In het raam van de twee grote programma’s Socrates en Leonardo da Vinci van de Europese
Commissie worden heel wat samenwerkingsprojecten opgestart met een Europees karakter.
Voorbeelden van dergelijke Europese projecten zijn te vinden op de websites van de Commissie voor zover het “gecentraliseerde projecten” betreft. Dit zijn projecten die door de
Commissie zelf worden beheerd en niet door de Europese landen die erbij betrokken zijn. De
informatie over de gecentraliseerde projecten vindt men terug in de Socrates en Leonardo
compendia185.
Voor wat de “gedecentraliseerde projecten” betreft – dit zijn projecten die beheerd worden
met EU middelen door de betrokken landen – zijn er goede-praktijkvoorbeelden te vinden
op de websites van de diensten voor internationalisering van de betrokken landen (zie
verder in dit hoofdstuk). Voor de niet-besproken landen kan men terecht op de websites van
de Nationale Agentschappen186.
In wat volgt wordt wat meer informatie verstrekt over enkele Comenius 3 Netwerken die
bijzonder nuttig kunnen zijn voor scholen die betrokken zijn bij innovatie in het onderwijs en
vorming. Voor de definitie van Comenius 3 netwerken wordt verwezen naar de Socrates
website van het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap of naar de website
van DG EAC. Een volledig overzicht van alle Comenius 3 netwerken vindt men op de
website van DG EAC187.
2.2.2 Netwerk SAB-MTW: School and Business Make Transition Work
"SAB-MTW" is een Comenius netwerk met partners in Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Duitsland, Polen, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Dit netwerk geeft uitgebreid informatie over
projecten en activiteiten rond het thema van de overgang tussen school en de wereld van het
Socrates en Leonardo compendia op de volgende website: http://europa.eu.int/comm/education/index_en.html
De adressen van alle Socrates en Comenius Nationale Agentschappen vindt men op de volgende webpagina:
http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/comenius/natagenc_en.html
187 De beschrijving van alle Comenius 3 netwerken is te vinden op:
http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/comenius/activities/comenius3_en.html#examples
185
186
152
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
werk. Het netwerk organiseert workshops, seminaries en grote conferenties. Het netwerk
inventariseert interessante boeken, publicaties, websites, woordenboeken die allen te maken
hebben met het thema van het netwerk.
In het “project center” van SAB-MTW zijn 65 goede praktijkvoorbeelden beschreven met
deelnemers uit 31 Europese lan den. Men kan zoeken per titel, per land en per categorie
(nationaal, EU project, Comenius project). Men vindt eerst een korte beschrijving, informatie
over de gevolgde methode, contact adressen en verder informatiemateriaal over elk project.
Coördinatoren van projecten kunnen een formulier invullen en naar de coördinator opsturen
zodat ze in de database vermeld worden.
Enkele voorbeelden van projecten:
 Career catching agent of Berufsfindungsbegleiter
 Distance counseling
 ESIST (School leadership training)
 EJE Young Europeans Enterprise
 Job Mobil
Website: http://www.schoolandbusiness.at/comenius.nsf/index
Coördinator: Styrian Economic Society, Dr. Peter Härtel: [email protected]
Project Manager: Mag. Renate Kremser; [email protected]
2.2.3 Netwerk The treasure within: Evaluation of Quality in Education
Het Netwerk is samengesteld uit scholen en andere onderwijskundige instellingen met het
doel ervaringen en know-how uit te wisselen in verschillende thematische gebieden die allen
te maken hebben met kwaliteit in onderwijs. Er zijn 11 landen in het consortium betrokken.
Het thema van het netwerk is de kwaliteit van het onderwijs op school met een speciale
nadruk op het empoweren van scholen zodat ze kunnen uitgroeien tot echte lerende organisaties die gebruik maken van de expertise die intern in de school aanwezig is. Het netwerk
biedt aan de leden een communicatieforum zodat ze met elkaar kunnen communiceren en
van elkaar kunnen leren.
In de opvatting van dit netwerk worden de goede-praktijkvoorbeelden aangebracht door de
leden van het netwerk, en delen zij hun ervaring en expertise met elkaar.
Website: http://www.treasurewithin.com
Coördinator: Rudi Schollaert, VSKO; [email protected]
2.2.4 Netwerk I-Probe Net: Self-evaluation at school create a mirror for your school
I-Probe Net is een thematisch netwerk dat tot doel heeft ervaringen en expertise uit te wisselen op het vlak van zelfevaluatie. De bedoeling is tevens de ervaring en expertise van anderen te gebruiken om een beleid van zelfevaluatie binnen de school uit te bouwen. Het netwerk is samengesteld uit enkele diensten van ministeries, inspectiediensten, een universiteit,
153
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Comenius promotoren, curriculum ontwikkelaars, lokale en regionale pedagogische overheden, een vormingscentrum voor schoolmanagement en enkele scholen.
Het netwerk organiseert seminaries en conferenties, vormingsessies voor leraren en andere
verantwoordelijken en contactseminaries die leiden tot nieuwe Europese projecten. Het netwerk ontwikkelt richtlijnen voor zelfevaluatie en verspreidt goede praktijk. Op de website
vindt men in de ‘Library’ onder ‘Examples’ teksten rond het implementeren van zelfevaluatie
als goede-praktijkvoorbeelden. Men vindt er ook teksten rond andere thema’s zoals de
portfolio. Verder vindt men er onder de Guidelines ook evaluatie-instrumenten (evaluation
tools).
Website: http://www.i-probenet.net/startjava.html
Coördinatie: Guy Tilkin, Landscommanderij Alden-Biesen; [email protected]
2.2.5 Het SEED Netwerk – School development through environmental education
Dit netwerk, dat gegroeid is uit het ENSI-project (School Environmental School Initiative) van
de OESO, werkt aan de bijdrage van milieuopvoeding tot schoolontwikkeling om innovatie
te bevorderen. Het netwerk wil ook goede-praktijkmodellen overdragen naar de lerarenopleiding.
Onder het trefwoord ‘Projects’ en ‘SEED Intranet’ vindt men een korte beschrijving van
enkele projecten.
Website: http://www.seed-eu.net
Coördinator: Johannes Tschapka, Oostenrijks Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
BMBWK: [email protected]
Voor Vlaanderen speelt Willy Sleurs van DVO een actieve rol in dit netwerk.
2.2.6 [email protected]–Comenius Multimedia Projects and Communication Technologies
[email protected] is een metanetwerk op het vlak van het pedagogisch gebruik van ICT. Het geeft
informatie over ICT-instrumenten en expertise. De hoofddoelstelling is scholen te helpen
beter gebruik te maken van ICT in hun transnationale projecten. De twee specifieke doestellingen van het netwerk zijn:
 advies, steun en vorming te bieden aan leraren and scholen die deelnemen aan transnationale projecten
 een virtuele database tot stand te brengen voor het uitwisselen van ervaringen en ideeën
en duidelijk te maken hoe ICT kan bijdragen tot innovatie in onderwijs.
Leraren kunnen deelnemen aan de SIGs (Special Interest Groups) door SIG aan te klikken op
de website. Ze kunnen informatie vinden over een 200-tal scholen over geheel Europa in de
database (klik eerst database en dan schools aan).
Website: http://compact.eduprojects.net/
Coördinator: Sonja Kurki; [email protected]
154
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2.2.7 ECOLE - European Collaborative Learning Network
Het ECOLE Netwerk heeft tot doel collaboratieve leerprojecten gebaseerd op ICT te helpen
bij het uitwerken van hun projecten. Het netwerk richt zich zowel tot lagere als tot secundaire scholen. Het helpt zowal scholen die reeds bij transnationale projecten betrokken zijn
als scholen die interesse hebben voor dergelijke projecten.
Interessant is de “Taxonomy and examples of Internet projects” die men vindt op de website
door ‘Projects Guidelines’ aan te klikken. Op deze pagina vindt men een reeks voorbeelden
van hoe ICT in projecten te gebruiken. Binnen elk van de 17 subcategorieën vindt men uitgebreide informatie en voorbeelden (met website). Al bij al een bijzonder rijke bron aan informatie.
Website: http://www.ecolenet.nl
Coördinator: Henk W. Single, Universiteit Amsterdam; [email protected]
2.3 Europese samenwerking tussen scholen opzetten
2.3.1 Algemeen
Scholen kunnen Europese netwerken uitbouwen op verschillende wijzen. Scholen kunnen
rechtstreeks contact opnemen met andere scholen in het buitenland, in het bijzonder deze die
participeren in innovatieprogramma’s. Deze scholen kunnen gevonden worden door gebruik
te maken van de informatie die vermeld is in dit document. Men kan ook contact opnemen
met de verantwoordelijke instanties voor internationalisering van scholen in het buitenland.
Deze lijst wordt verder aangegeven.
Scholen die geïnteresseerd zijn in internationalisering – en met name het indienen van internationale projecten met andere scholen – nemen best eerst contact op met het Departement
Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. De verantwoordelijke van de Cel Internationalisering S.O. is Wim Cloots (02-5538922). Verdere informatie is te vinden op de website:
http://www.ond.vlaanderen.be/internationaliseringSO/
Een vertrekpunt kan zijn het deelnemen aan contactseminaries die het Vlaams SocratesAgentschap organiseert om nieuwe Comenius 1 projecten op te starten. Contactseminaries
brengen leraren van verschillende landen samen met de uitdrukkelijke bedoeling Europese
partnerschappen op te starten tussen scholen. Alle informatie rond deze contactseminaries
vindt men op de website van het Vlaams Socrates-Agentschap188.
Contacten kunnen ook uitgebouwd worden tijdens Europese bijscholingsinitiatieven in het
kader van “Comenius 2”. Deze Europese cursussen worden ontwikkeld in het kader van samenwerkingsprojecten binnen Actie 2 van Comenius. Deze cursussen worden opengesteld
door Europese teams van lerarenopleiders en worden ook door deze teams verstrekt. Er zijn
188
Website Vlaams Socrates-Agentschap: http://www.ond.vlaanderen.be/socrates/
155
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
bijscholingen voor alle leraars (en of directies) van de scholen op alle niveaus: kleuter, lager
en secundair. De bijscholingen zijn vakgericht of hebben betrekking op algemene en specifieke aspecten van innovaties.
Een volledig overzicht van alle cursussen die worden aangeboden door de verschillende Europese bijscholingsprojecten en –netwerken is te vinden in de Comenius-catalogus op de volgende website:
http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/comenius/projects_en.html#catalogues
Op de webpagina klikt men ‘Database of in-service training for school education staff’ aan om toegang te hebben tot de catalogus. Eerst krijgt men een overzicht van alle cursussen; men kan
vervolgens op elke cursus afzonderlijk klikken voor meer informatie. Geïnteresseerde personeelsleden kunnen een aanvraag indienen tot het bekomen van een beurs bij het Vlaamse
Socrates-Agentschap.
Wie denkt aan internationale samenwerking binnen het Leonardo da Vinci-programma voor
een van de verschillende maatregelen neemt best contact op met het Vlaams Leonardo da
Vinci-Agenstchap, [email protected] Algemene informatie is te vinden op de website http://www.vl-leonardo.be/ .
2.3.2 Nederland
Voor Nederland kan men terecht bij het Europees Platform
(http://www.europeesplatform.nl). Het doel van dit Platform is het versterken van de Europese dimensie en het bevorderen van de internationalisering van het Nederlandse onderwijs,
om daarmee een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het onderwijs.
Boeiend materiaal is te vinden op de website onder het onderdeel: Uitgeverij: Overzicht onderwijsmaterialen en voorlichtingsuitgaven van het Europees Platform. De serie ‘Europese Onderwijspraktijk’, de serie ‘Europese verkenningen’, de serie ‘Interculturele verkenningen’ plus de reeks
‘Overige onderwijsmaterialen’ bevatten materiaal met vele praktijkvoorbeelden op het vlak van
Europese en internationale samenwerking.
Voor Leonardo da Vinci kan men contact opnemen met Jos Tilkin (demonstratieprojecten) en
Siegfried Willems (mobilitieit): [email protected]
2.3.3 Duitsland
Voor internationalisering zijn vooral twee federale organen van belang: de PAD en het BiBB.
De PAD (Pädagogische Austauschdienst) heeft de verantwoordelijkheid voor grote delen van
het Socrates programma waaronder bijvoorbeeld alles wat Comenius aanbelangt. De BIBB
(Bundesinstitut für Berufsbildung) (website: http://www.bibb.de; email: [email protected]) heeft de
verantwoordelijkheid voor het Leonardo da Vinci-programma met o.a. de mobiliteit van leraren en leerlingen.
Voor Comenius bestaat ook nog een agentschap in elk van de afzonderlijke Länder. Voor informatie via het federale Nationaal Agentschap, de PAD, kan men de volgende website
156
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
bezoeken: http://www.kmk.org/pad/home.htm. Op de website van de PAD vindt men een
concrete beschrijving van verschillende Europese schoolpartnerschappen (Comenius 1) onder http://www.kmk.org/pad/sokrates2/projekte/fr_projekte.htm. De PAD beschikt over verschillende publicaties (ook op CD-Rom) met boeiende informatie bevatten over projecten.
2.3.4 Denemarken
Informatie rond internationalisering, zowel voor Socrates als Leonardo da Vinci, vindt men
op de website van Cirius: http://www. CiriusOnline.dk. Email: [email protected]
2.3.5 Zweden
Informatie over verschillende samenwerkingsvormen vindt men op de website van het Internationella programkontoret för utbildningsområdet (Internationaal Programmabureau voor
onderwijs en vorming). Dit geldt zowel voor Socrates als Leonardo da Vinci.
E-mail: [email protected]; Internet: http://www.programkontoret.se
2.3.6 Finland
Voor informatie in verband met internationalisering van het onderwijs in Finland is het
contactpunt het Centre for International Mobility (CIMO).
E-mail.: [email protected], Internet: http://www.cimo.fi
Voor Leonardo da Vinci is de contactpersoon Mikko Nupponen ([email protected]).
2.3.7 Noorwegen
Verdere informatie kan gevonden worden bij Het Socrates Nationaal Agentschap: Centre for
International University Cooperation (SIU), Norwegian Council for Higher Education. Deze
dienst heeft zopas een speciale website geopend met een handboek rond internationalisering: http://skolenettet.ls.no/inthandbok/.
E-mail: [email protected], Internet: http://www.siu.no
Voor Leonardo da Vinci is de contactpersoon Rolf Kristiansen, [email protected]
2.3.8 Engeland
De British Council is verantwoordelijke voor internationalisering in het onderwijs in het algemeen en voor het Socrates-programma in het bijzonder.
157
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Email: [email protected]/; website: http://www.socrates-uk.net/comenius/. Goede
praktijkvoorbeelden van Comenius 1 projecten vindt men op de webpagina, Around the UK:
http://www.socrates-uk.net/arounduk/wmid/clp-birmingham.htm/
Voor Leonardo da Vinci zijn de contactpersonen Phil Randall ([email protected]) en
Helen Fisher ([email protected]).
2.3.9 Frankrijk
Voor informatie kan men terecht op het Nationaal Agentschap Socrates en Leonardo te Bordeaux.
Voor Socrates is de email: [email protected]; website: http://www.socratesleonardo.fr. Op deze website vindt men goede-praktijkvoorbeelden van Europese projecten.
Voor Leonardo da Vinci kan men emailen naar [email protected]
Daarenboven heeft elke académie een speciale dienst voor internationalisering, een DARIC
(Délégué Académique aux Relations Internationales et à la Coopération189). Deze DARIC’s spelen
een sleutelrol bij het indienen en verwerken van alle aanvragen tot steun in het kader van de
grote Europese programma’s Socrates en Leonardo. Elk departement kan eigen initiatieven
opzetten op het vlak van internationalisering in het kader van bepaalde samenwerkingsvormen.
Interessant zijn ook de volgende ontwikkelingen die in Frankrijk bestaan: les sections européennes (Europese afdelingen of departementen in scholen), les sections internationales (internationale afdelingen of departementen in scholen) en de filières bilingues franco-allemandes
(tweetalige afdelingen FR-D)190.
2.3.10 Oostenrijk
Voor meer internationalisering op school kan men best contact opnemen met het Büro für
Europäische Bildungskooperation, SOKRATES-Büro
E-mail: [email protected], Internet: http://www.sokrates.at
Voor het Leonardo da Vinci-programma kan men terecht bij Alexander Kohler,
[email protected]
Men heeft toegang tot de DARIC van alle académies langs de volgende web site van het ministerie:
http://www.education.gouv.fr/int/daric.htm
190 Voor verder informatie over deze drie vormen van internationalisering op school zie de volgende webpagina
van het Ministerie: http://www.education.gouv.fr/int/ensinter.htm
189
158
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
2.3.11 Schotland
De British Council is ook voor Schotland de verantwoordelijke instantie voor internationalisering in het onderwijs in het algemeen en voor het Socrates programma.
E-mail: [email protected] Internet: http://www.socrates-uk.net/comenius/
Goede praktijkvoorbeelden van Comenius 1 projecten vindt men op de webpagina Around
the UK: http://www.socrates-uk.net/arounduk/wmid/clp-birmingham.htm. Bijzonder aan te
bevelen is het evaluatie-instrument voor Comenius partnerschappen ontwikkeld door
Rosetta McLeod.191
Voor Leonardo da Vinci zijn de contactpersonen Phil Randall ([email protected]) en
Helen Fisher ([email protected]).
191
Dit evaluatieformulier is te vinden op: http://www.leargas.ie/education/resource/dwnl02/projevalform.rtf
159
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3. Andere innovatieprojecten met scholen
3.1 Europese initiatieven
3.1.1 European Schoolnet
European Schoolnet is een internationaal partnerschap van 26 Ministeries van Onderwijs
(waaronder het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) dat het leren wil bevorderen voor scholen, leraren, leerlingen over geheel Europa en zelfs verder. European
Schoolnet benadrukt het gebruik van ICT op school in Europa voor beleidsverantwoordelijken en voor alle onderwijsprofessionals. Dit doel wordt nagestreefd door informatie-uitwisseling te bevorderen over het gebruik van innovatieve ICT op alle schoolniveaus. European Schoolnet werkt ook als een link naar regionale en nationale netwerken van scholen.
European Schoolnet runt de volgende projecten waarbij scholen kunnen aansluiten:
 Virtual school. De virtuele ontmoetingsplaats voor leraren om ervaring en goede praktijk
uit te wisselen. Men vindt er een reeks disciplines met telkens praktische voorbeelden en
goede praktijkvoorbeelden.
 My Europe. Een project dat tot doel heeft jongeren op school bewust te maken dat ze
Europese burgers zijn. Informatie is beschikbaar over hoe de Europese dimensie in het
curriculum te integreren, hoe projecten op te starten enz.
 ENIS - European Network of Innovative schools. ENIS scholen worden geselecteerd in samenwerking met het nationale ministerie van onderwijs. De ENIS-scholen krijgen een speciaal
ENIS-certificaat. De ENIS-scholen verbinden er zich toe als goede praktijkvoorbeelden te
fungeren.
 Comenius space. Is een ruimte waar men alle informatie vindt in verband met de drie Comenius acties. Onder ‘Gallery’ vindt men vele goede-praktijkvoorbeelden met veel in-formatie voor elk project.
 eSchola. eSchola biedt de kans aan leraren om hun projecten rond het gebruik van ICT om
het leren te stimuleren, te verspreiden over Internet. Ieder jaar wordt er een eLearning
award georganiseerd. Onder ‘showcase’ vindt men goede-praktijkvoorbeelden.
 Explora Challenge. Dit is een wedstrijd waaraan leerlingen van het secundair kunnen deelnemen. De bedoeling is dat de leerlingen zelf websites creëren voor andere leerlingen.
Goede-praktijkvoorbeelden zijn te vinden op deze website onder ‘library’.
 ETB - European Treasury Browser. Het doel van ETB is een Metadata netwerkinfrastructuur
uit te bouwen zodat educatief materiaal op het web voor scholen in Europa kan verspreid
worden.
160
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
 Safe. Het bevorderen van Internet veiligheid op school (Internet safety at school). Het is
samengesteld uit een reeks partners waaronder verschillende scholen die samen aan deze
problematiek werken.
 Young consumer. Dit is een wedstrijd die tot doel heeft jongeren, leraren en de schoolgemeenschap meer bewust te maken van alle problemen rond de consument. Het project
heeft de vorm van 15 nationale competities in de 15 huidige Lidstaten van de EU. Onder
‘Themes 2002-2003’ vindt men de projecten die prijzen hebben gewonnen.
 Onder ‘others’ vindt men een selectie van andere boeiende projecten zoals ValNet - European Schoolnet Validation Network. Dit netwerk wil het samenbrengen van kennis rond het
uitbouwen van innovatieve scholen stimuleren. Het wil op deze manier de voorwaarden
helpen scheppen om innovatieve scholen te creëren. De kernactiviteit is het valideren van
ten minste vijf projecten rond de school van de toekomst. Het wil daarbij gebruik maken
van een methodologie die wordt toegepast in een selectie van projecten in Europa. Het
project zal bijdragen tot het verstevigen, van deze projecten, het zal deze projecten ook
begeleiden en de resultaten helpen verspreiden.
Website: http://eunbrux02.eun.org/portal/index-en.cfm
3.1.2 ECSITE – European collaborative for Science, Industry & Technology
Exhibitions
Dit netwerk over wetenschap en techniek bevat informatie over een aantal interessante
projecten.
Website: http://ecsite.ballou.be/new/index.asp
3.1.3 Bijscholingen van de Raad van Europa
De Raad van Europa biedt beurzen aan om deel te nemen aan bijscholingen die worden
georganiseerd in landen die lid zijn van de Raad van Europa. Een volledig overzicht van alle
cursussen vindt men op de volgende web site:
http://www.coe.int/T/E/Cultural_Co-operation/education/Teacher_training/
Op deze webpagina vindt men ook praktische informatie rond hoe een aanvraag in te dienen
voor een dergelijke beurs. Geïnteresseerde leraren dienen een aanvraag in langs het
departement Onderwijs bij de Raad van Europa. Geselecteerde leraren krijgen een beurs
voor de reis naar het land dat de cursus organiseert. Het gastland betaalt meestal de
verblijfkosten en de cursuskosten.
De algemene website van de Raad van Europa (http://www.coe.int) biedt heel wat boeiende
informatie rond verschillende aspecten zoals Europees burgerschap, interculturele opvoeding, enz.
161
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3.1.4 Het Portugees Programma Boa Esperança192, Boas Practicas
Het programma van de “Goede Hoop / Goede praktijken” werd opgezet door het Ministerie
van Onderwijs van Portugal met het doel de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Meer
concreet wil het Ministerie met dit programma bestaande goed praktijken erkennen, bestuderen, ondersteunen en verspreiden zodat ze op hun beurt de start kunnen vormen van andere innoverende activiteiten. Het werd opgezet in samenwerking met alle betrokken actoren. Binnen het ministerie wordt het gerund door het Instituut voor Onderwijsvernieuwing.
De volgende prioritaire gebieden komen aan bod:
 het bevorderen van het leren voor allen
 het bevorderen van de kwaliteit van schoolorganisatie
 het bevorderen van het leven op school als een educatieve ruimte
 het afstemmen van het onderwijs op, en het bevorderen van een positieve interactie tussen onderwijs en, de lokale gemeenschap om gemeenschappelijke problemen op te lossen
en noden te lenigen
 het rendabel maken van ICT op school.
De deelnemende scholen verbinden er zich toe:
 hun praktijken te evalueren en onderzoek te doen i.v.m. hun activiteiten in samenwerking
met externe “critical friends”,
 te fungeren als verspreiders van de goede praktijk en artikels op te stellen rond wat ze
doen
 hun ervaring mee te delen aan andere scholen,
De website van het ministerie vermeldt een reeks goed praktijkvoorbeelden (in het Portugees). Men vindt alle goede praktijken op webpagina http://www.iie.min-edu.pt/proj/boaesperanca/index.htm onder ‘Prácticas integradas’. Enkele voorbeelden van projecten:
 de school van de 21ste eeuw
 ICT in beweging
 Wetenschap druppel per druppel
 Bruggen bouwen: naar een andere schoolcultuur
 Engels voor specifieke doeleinden
 Wiskunde laboratoria
 Flexibel curriculum management
 Educatieve leerlingenbegeleiding
 Interactie school – lokale gemeenschap
 Mattic Netwerk (ICT op school)
 Project voor het actieve leven
 Het avontuur van de media
Het Portugese project is genoemd naar Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. In 1488 was de Portugese ontdekkingsreiziger, Bartolomeo Diaz de eerste om rond de tip van Zuid-Afrika te varen die hij Kaap de Goede Hoop
noemde. Enkele jaren geleden werd een kopie van het schip gebouwd.
192
162
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3.2 Internationale en Noord-Amerikaanse initiatieven
3.2.1 OESO doelstelling 2a: Schooling for tomorrow
Schooling for tomorrow is een rapport van de OESO dat de kernproblemen en uitdagingen
voor de toekomst in onderwijs en vorming analyseert. De activiteiten die de OESO rond dit
thema ontplooit beantwoorden aan de vraag van de onderwijsministers van 1996 om studies
op te zetten rond veelbelovende ontwikkelingen voor de school van de toekomst. Er werd
ook gevraagd goede praktijkvoorbeelden te identificeren die vatbaar waren voor verspreiding en alternatieve visies op de school van de toekomst te evalueren. In een eerste fase van
schooling for tomorrow werden zes “schooling scenario”’s193 ontwikkeld.
De nieuwe fase van het programma bestaat uit vier activiteiten:
 het ontwikkelen van een “Operational toolbox for innovation, forward thinking and school system change”
 het analytisch operationaliseren van de zes OESO schooling scenario’s; indicatoren worden
ontwikkeld voor het toetsen van de zes scenario’s
 een reeks jaarlijkse fora “Schooling for tomorrow” rond de toolbox en de indicatoren
 verdere samenwerking rond de uitwisselingsnetwerken i.v.m. innovatie zoals het ENSI
project194
Gedetailleerde informatie over deze vier activiteiten is beschikbaar op de OESO-webpagina:
http://www.oecd.org (ga naar ‘Education’, dan naar ’CERI, Centre for Educational Reseach
and Innovation’ en dan ‘Schooling for tommorow’ );
http://www.oecd.org/document/6/0,2340,en_2649_34521_31420934_1_1_1_37455,00.html
3.2.2 iEARN - International Education and Resource Network
Dit is een v.z.w. met educatieve activiteiten waaraan 4000 scholen uit 90 landen uit de gehele
wereld deelnemen. Het bevordert de samenwerking tussen leraren en leerlingen, gebruik
makend van Internet en e-mail. iEARN wil vooral projecten bevorderen in verband met
gezondheid en milieu over de gehele wereld.
Leraren en leerlingen die aansluiten bij iEARN kunnen deelnemen aan forums en aan
projecten. De projecten hebben een nauwe band met het curriculum. Daarenboven moet elke
project proberen een antwoord te vinden op de volgende vraag: hoe zal dit project bijdragen
tot de kwaliteit van het leven op onze planeet?
Website: http://www.iearn.org/
De zes schooling scenario’s kan men downloaden van de volgende webpagina:
http://www.oecd.org/document/10/0,2340,en_2649_34521_2078922_1_1_1_37455,00.html
194 ENSI (Environmental School Initiative) wordt nu als het SEED Netwerk gefinancierd binnen Comenius 3 van het
Socrates programma (zie http://www.see-eu.net)
193
163
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
3.2.3 Het MSIP – Manitoba School Improvement Programme
De bedoeling van de non-profit-organisatie MSIP is de kwaliteit van het secundair officieel
onderwijs in Manitoba (Canada) te verbeteren. Het MSIP werd in 1991 opgestart als een pilootproject en is op dit ogenblik uitgegroeid tot een netwerk van 30 scholen in Manitoba.
De basisprincipes van het MSIP zijn:
 School Based Change. Scholen ontwikkelen en implementeren hun eigen oplossingen om te
verbeteren.
 Best Education for all Students. Systematische verandering garandeert relevant en persoonlijk zinvol leren
 Teacher Empowerment and Leadership. Betere onderwijsvaardigheden en beter leiderschap.
 Community Building Through Schools. Leerlingen, leraren, ouders en leden van de locale
gemeenschap werken gezamenlijk aan de verbetering van onderwijskansen.
Het referentiekader voor de verbetering van onderwijs in het MSIP bestaat uit:
 de focus is het leren van de leerling, het curriculum en het onderwijzen
 alle leraren, leerlingen en de lokale gemeenschap moeten gemobiliseerd worden
 leiderschap moet verstevigd worden en verbreed
 de school moet zich voortdurend vragen stellen en aan zelfreflectie doen
 de tijd en de structuur van de school dient herdacht en hertekend te worden
 het waardensysteem van de school moet duidelijk geëxpliciteerd worden, en er moet gewerkt worden aan het vernieuwen van de cultuur op school
 coherentie en integratie staan centraal
 de samenwerking met de lokale omgeving moet versterkt worden
 de school wordt met de wereld rondom haar verbonden
 de interne mogelijkheid tot veranderen van de school wordt vergroot
Algemene informatie is te vinden op: http://www.sunvalley.ca/msip/1_about/1_about.html.
Een lijst van voorbeelden van scholen die meewerken aan het MSIP is beschikbaar op de
website: http://www.sunvalley.ca/msip/2_network/2_network.html.
Het MSIP wordt uitdrukkelijk vermeld als een goede-praktijkvoorbeeld in de OESO-studie
van 2003 “Schooling for tomorrow: networks of innovation”.
3.2.4 Het Learning Consortium in Ontario
Het Canadese Learning Consortium werd opgestart in 1988 met de bedoeling de innoverende
krachten te bundelen van leraren, beleidsverantwoordelijken en universitaire onderzoekers
om veranderingen in de school op gang te brengen. Het consortium bevindt zich in de
Greater Toronto Area. Het is een partnerschap tussen drie grote schoolgebieden en een
universiteit, de University of Ontario. Alles bijeen zijn er 770 scholen en 440.000 leerlingen bij
het project betrokken.
Het belangrijkste aandachtspunt van het Learning Consortium is levenslang leren en de verdere vorming van de leraar op te kunnen meewerken aan innovaties op school. Het zwaartepunt van de werkzaamheden ligt bij het organiseren van bijscholingsprogramma’s voor
164
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
leraren en andere groepen onderwijzend personeel die bij innovatie betrokken zijn. Thema’s
die aan bod komen zijn: bevorderen van leren en onderwijzen door te werken met kleine
coöperatieve leergroepen, mentoring, induction (begeleiding van nieuwe en jonge leraren),
peer coaching van leraren, conflict management, gelijke onderwijskansen.
De belangrijkste producten van het Consortium zijn natuurlijk de verbetering en innovatie
die op gang wordt gebracht in de verschillende scholen. Daarnaast wordt tweejaarlijks een
ideeënboek – het Idea Book – geproduceerd voor de leraren en worden regelmatig conferenties georganiseerd.
Meer informatie (waaronder het Idea Book) kan men vinden op van het Learning Consortium
http://fcis.oise.utoronto.ca/~learning/history.html Er kan gemaild worden met het project op
het volgende adres: [email protected]
3.2.5 De Coalition of Essential Schools (CES)
De visie achter dit Amerikaanse project is dat alle kinderen al hun talenten ten volle moeten
kunnen ontplooien. Om dit te bereiken wil het project een ruim aantal openbare scholen
helpen om innovatie te integreren in hun activiteiten. Deze scholen moeten dan als model
dienen voor andere. Regionale centra moeten de scholen daarbij ondersteunen.
De basisprincipes van de CES zijn de volgende:
 gepersonaliseerd onderwijs om te beantwoorden aan de individuele noden en de individuele interesses en talenten van alle leerlingen
 kleine scholen en kleine klassen waarbinnen leraren en leerlingen elkaar goed kennen en
in een atmosfeer van vertrouwen en hoge verwachting kunnen samenwerken
 regelmatig evalueren op basis van taken die nauw aansluiten bij de realiteit van de
jongere
 democratische scholen met gelijke onderwijskansen
 nauwe samenwerking met de lokale gemeenschap
 de leerling is de lerende werker (student-as-worker), de leraar is de coach
 minder is beter; meer diepte aan het leren dan grotere hoeveelheden.
De vernieuwingen moeten gedragen zijn door de gehele schoolgemeenschap.
Op de forums op de website http://www.essentialschools.org is allerhande informatie vinden
rond initiatieven gericht op het beroeps- en technisch onderwijs. Interessant is bijvoorbeeld
het Forum rond VODEMICS dat de integratie van academische en beroepsgerichte vakken
bestrijkt. Op de webpagina ‘Resources’ vindt men zeer bruikbare informatie rond verschillende aspecten van innovatie op school. Bijvoorbeeld: teksten rond ‘peer coaching‘, ‘critical friend
groups’ en ‘looking at student work’ vindt men op de volgende webpagina:
http://www.essentialschools.org/pub/ces_docs/resources/sd/teach_coll/teach_coll.html
Verdere informatie kan men ook bekomen door een e-mail te sturen naar Kathy Simon
([email protected]) of Vanessa Coleman ([email protected] )
165
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
4. Algemene internationale informatiebronnen
over onderwijs en vorming
Hieronder worden enkele internationale organisaties en instellingen vermeld die actief zijn
op het vlak van het onderwijs in het algemeen of op het vlak van het beroeps- en technisch
onderwijs in het bijzonder.
4.1 Officiële Europese Instellingen
4.1.1 Eurydice
Eurydice is het informatienetwerk over onderwijs in Europa, bestaande uit een Europese
eenheid in Brussel en antennes in elk land van de Euopese Unie dat aan het Socrates-programma deelneemt. Eurydice werd in 1980 opgezet om de Europese samenwerking inzake
onderwijs te bevorderen. De klemtoon ligt op het vergaren en beschikbaar stellen van informatie die moet bijdragen tot het beter begrijpen van de verschillende onderwijssystemen en
het verschil in onderwijsbeleid. Sinds 1995 is Eurydice een onderdeel van het Socrates programma van de Europese Unie.
Het Eurydice-netwerk verzamelt op een systematische wijze informatie over onderwijs in
alle betrokken landen. Deze informatie wordt dan door de Europese eenheid rigoureus geanalyseerd en gepubliceerd onder de vorm van rapporten en andere publicaties. Deze omvatten o.m. gevalideerde beschrijvingen van de onderwijssystemen in de betrokken landen
en onderwijsstatistieken die regelmatig worden geactualiseerd. Alle studies zijn tegenwoordig beschikbaar op de website http://www.eurydice.org.
Een van de bijzonder nuttige diensten van Eurydice is Eurybase, een database waarin informatie is opgeslagen, minstens in het Engels, over alle deelaspecten van elk onderwijssysteem. Eurydice publiceert ook geregeld een overzicht van de onderwijssystemen. Een vierdelige reeks rond de ‘Teaching profession’ (laatste deel wordt uitgegeven begin 2004) is ook
zeer nuttig. (zie de literatuurlijst).
4.1.2 Cedefop
Cedefop195 is een Europese instelling, gehuisvest in Thessaloniki, die studiewerk verricht en
informatie ter beschikking stelt op gebied van ”beroepsopleiding” in brede zin. Cedefop
werd opgericht om beleidsverantwoordelijken, praktijkmensen, sociale partners en vormingsinstellingen te helpen goed geïnformeerde beslissingen te nemen op het vlak van de
beroepsopleiding.
De algemene website van Cedefop is http://www.cedefop.eu.int. De European Training Village
(http://www.trainingvillage.gr/etv/default.asp) is een website met veel informatie maar ook
interactieve mogelijkheden: zenden van nieuws, deelnemen aan virtuele conferenties, uitwisselen van informatie, … over elk aspect van de beroepsopleiding.
195
Cedefop is de afkorting van Centre Européen pour le Développement de la Formation Professionnelle.
166
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Informatie over recente ontwikkelingen in de Lidstaten is te vinden in de publicatie Cedefop
Info die uitgegeven wordt in het Engels, Frans en Duits. Daarnaast worden jaarlijks tal van
studies en rapporten rond deelaspecten van de beroepsopleiding uitgegeven (in verschillende talen) en verspreid. Steeds meer zijn deze rapporten elektronisch verkrijgbaar via de
website.
4.1.3 PLOTEUS : Leermogelijkheden in Europa via een muisklik
Op 5 maart 2003 lanceerde Viviane Reding, Europees Commissaris voor onderwijszaken, het
Ploteus-portaal. Dit “Portal on Learning Opportunities Throughout the European Space” (ploteus
= navigator) geeft gedetailleerde informatie over onderwijs en opleiding in Europa. Het portaal zelf is verdeeld in een aantal rubrieken: leermogelijkheden, onderwijsstelsels, uitwisselingen, contact, verhuizen naar een ander land.
Het Ploteus-portaal is te bezoeken op: http://www.ploteus.net/ploteus/portal/home.jsp
4.1.4 De European Training Foundation
De European Training Foundation (ETF) is een agentschap van de Europese Unie dat de
hervormingen van beroepsonderwijs en training ondersteunt in de kandidaat-Lidstaten van
de Europese Unie, de landen in de westelijke Balkan, de nieuwe onafhankelijke staten in de
voormalige Sovjetunie en de Mediterrane landen en regio's die niet tot de Europese Unie
behoren.
Het ETF doet dit door Europese expertise en goede praktijkvoorbeelden op het terrein van
het beroepsonderwijs te ontwikkelen, te activeren en te verspreiden en door de samenwerking tussen EU en partnerlanden te bevorderen.
Meer informatie op de website: http://www.etf.eu.int/.
4.2 Andere internationale organisaties
4.2.1 CIDREE
CIDREE is een consortium van instellingen en organisaties die samenwerken en onderzoek
verrichten rond de ontwikkeling van onderwijs in Europa. Het netwerk bestaat uit organisaties die een nationaal erkende rol spelen bij curriculumontwikkeling en bij onderzoek op het
vlak van onderwijs. CIDREE werd in 1990 opgericht met het doel nauwere samenwerking tot
stand te brengen tussen de Europese onderwijssystemen.
De uiteindelijke doelstelling van CIDREE is bij te dragen tot de kwaliteit van onderwijs. Een
meer operationele doelstelling is het efficiënt en effectief verspreiden van de meest recente
kennis over onderwijsontwikkeling en onderzoek. Ideeën worden uitgewisseld, bijscholing
van stafleden wordt georganiseerd en publicaties worden opgesteld. De Dienst DVO van het
167
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
departement Onderwijs is lid van CIDREE en speelt een dynamische rol binnen deze organisatie.
Algemene website: http://www.cidree.org. Voor verdere informatie kan men terecht bij Paul
Aerts (DVO, Departement Onderwijs) of bij het CIDREE secretariaat [email protected]
4.2.2 EVTA: European Vocational Training Association
EVTA (http://www.evta.net/main/index.asp) is een netwerk van Europese organisaties op
het gebied van beroepsonderwijs en training, dat zich als doel stelt de onderlinge uitwisseling van goede praktijk te bevorderen en gezamenlijke projecten uit te voeren. EVTA levert
ook gevraagd en ongevraagd advies aan de Europese Commissie.
4.2.3 National Resource Centres for Vocational Guidance
Het secundair onderwijs binnen de Europese Unie en de staten die behoren tot de Europese
Economische Ruimte kent een netwerk van Nationale Centra voor Beroepsoriëntering National Resource Centers for Vocational Guidance (NRCVG).
Informatie is te vinden op http://www.fasncrg.ie/
168
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Bijlage 1: Literatuurlijst
De literatuurlijst die volgt bevat de werken die geraadpleegd werden voor deze studie of
waar expliciet naar verwezen wordt. Verdere literatuur rond innovatie in het onderwijs is
beschikbaar in alle bibliotheken van de lerarenopleidingen in de Vlaamse universiteiten en
hogescholen. De Amerikaanse ERIC-database (Education Resources Information Center:
http://www.eric.ed.gov/) geeft verder eveneens een weelde aan informatie (ook interntionaal). Alle andere geraadpleegde websites werden vermeld in de tekst zelf.
A special project: IQEA in Nottinghamshire: Relating the experience of Special schools and Pupil Referral Units
in the IQEA Nottinghamshire Special Schools Project, 2001 – 2003, John Beresford (ed.), Research Officer,
IQEA, Nottinghamshire County Council; July 2003, 50 blz.
Becoming the best: Educational ambitions for Europe, CIDREE, SLO Enschede, NL, 2003, 256 blz.
Better Education, The Danish Government, June 2002, 12 blz.
Berufsbildungsbericht: Report on Vocational Education and Training for the year 2003, Bundesministerium
für Bildung und Forschung, 2003, 21 blz.
Cities and Regions in the New learning Economy: education and skills, (2001) OECD, Paris, 147 blz.
Education and research 1999 – 2004: development Plan, Finnish Ministry of Education, 2003, 23 blz.
Fomer les enseignants: évolutions et ruptures, Politiques d’Education et de formation, 2003/2., n°8, Paris,
110 blz.
Frederik Wikström & Lena Haldin, National Development Interventions in Swedish basic vocational
training (VET) for effect on the local level, Swedish Ministry of Education , Stockholm, August 2002, 14
blz.
Fullan, M. and Hargreaves, A. ((1991) What’s worth fighting for in your school? Toronto, Ontario Public
Schools Teachers’ Federation
Fullan, M. (1993) Change forces: probing the depth of education reform, The Falmer Press, 182 blz.
Fullan, M. (2001) Leading in a culture of change, Jossey-Bass, 162 blz.
Gedetailleerd werkprogramma van de toekomstige doelstellingen voor onderwijs en vorming, Commissie van
de Europese Gemeenschappen, Brussel, 2001
Günter Haider, Ferdinand Eder, Werner Specht, Christiane Spiel; Zukunft: schule Strategieën rund
Massamens zuur Qualitätsentwicklung, Das Reformkonzept der zukunftskommission, BMBWK (Oostenrijk),
Oktober 2003, 99 blz.
How good is Our School: self-evaluation, using quality indicators, edition 2002, HMI Inspectorate of education, Scotland
Hugh Busher and Howard Stevenson, Evaluating IQEA in Nottinghamshire, 2003; Paper based on an evaluation of the Nottinghamshire IQEA Project carried out by Watling et al (2003, University of Leicester.
169
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Rob Watling, Hugh Busher, Mark Brundrett, Jenny Harrison, Angela Wortley with Howard Stevenson, External Evaluation of the Nottinghamshire County Council IQEA Project, Final REPORT, February
2003, University of Leicester, School of Education
Implementation of “Education and Training 2010” work programme; Working group “Making Learning
attractive and strengthening links to working life, research and society at large”, progress report, November
2003, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel
Implementation of “Education and Training 2010” work programme; Working group “Inreasing participation
in Math, Sciences and Technology”, progress report, November 2003, Commissie van de Europese
Gemeenschappen, Brussel
Implementation of “Education and Training 2010” work programme; Working group “Improving education of
teachers and trainers”, progress report, November 2003, Commissie van de Europese Gemeenschappen,
Brussel
Improving the education of teachers and trainers: background paper for study-visit to Norway 8-9 May 2003,
SINTIF-IFIM Institute, Trondheim, Norway, (Summary by Bente Rasmussen, Trondheim), 2003, 21
blz.
Innovating schools (Schooling for tomorrow), (1999) OECD, CERI, Paris, 135 blz.
Jean-claude Hardouin, André Hussenet, Georges Steptours, Eléments pour un diagnostic sur l’Ecole»,
Ministère Jeunesse, Education et Recherche, Octobre 2003, Paris, 152 blz.
Kevan Bleach, The induction and mentoring of newly qualified teachers: a new deal for teachers, David Fulton
Publishers, London, 2001, 134 blz.
Key Topics, Volume 3, The teaching profession in Europe: Profile, trends and concerns: Report 1: Initial training
and transition to working life, 2002, 158 blz. ; Report 2: Supply and demand, 2002, 168 blz; Report 3: Working
conditions and pay, 2003, 216 blz. Alle drie uitgegeven door Eurydice voor de Commissie van de
Europese gemeenschappen, Brussel. Een vierde deel “Report 4: Summary and contextual analysis” wordt
verwacht begin 2004
Francine Vaniscotte, Les Ecoles de l’Europe: systèmes éducatifs et dimension Européenne, INRP-IUFM
Toulouse, Paris, 1996, 352 blz.
Making a difference for students: a celebration of learning, teaching, innovation and teamwork, The learning
Consortium, Toronto, 2000, 77 blz.
Mededeling van de Commissie: Europese benchmarks in onderwijs en opleiding: follow-up van de Europese Raad
van Lissabon, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel, 20.11.2002, COM(2002) 629
definitief
Mededeling van de Commissie: Efficiënt investeren in onderwijs en beroepsopleiding: een dwingende noodzaak
voor Europa, Commissie van Europese Gemeenschappen, Brussel, 10.01.2003 , COM(2002) 779 definitief
MEE(R) DOEN: Een discussienota om te komen tot het actieplan Béta/ techniek; 50 stappen om te komen tot
15% meer Bèta / technici in 2010, AXIS, juli 2003,30 bladzijden
170
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Naar aantrekkelijker technisch vmbo: resultaten van drie jaar herontwerp, AXIS oktober 2003, 88 blz.
Networks as Support Structure for Quality Development in Education, ENSI-Series N°17, CIDREE
Collaborative Project, OECD-ENSI-BMBWK, Klagenfurt (A) 2003, 32 blz.
Nova et Vetera, Nummer rond onderwijsvernieuwing, LXXXIste jaargang, december 2003, Mechelen, 130
blz.
Portrait of the Danish VET System – an inside perspective, Danish Institute for educational Training of
vocational teachers, June 2003, 50 blz.
Report: 14 – 19: Opportunity and Excellence; dfes, London, 2003, 37 blz.
Robert Dufour and Robert Eaker, Professional learning communities at work: best practices for enhancing
student achievement, Bloomington, Indiana USA, National Educational Service, 1998, 340 blz.
Rudy Schollaert (Ed.), In search of the treasure within: towards schools as learning organizations,
Garant, Antwerpen, 2002, 299 blz.
Summary of progress: Reforming the 14-19 curriculum and qualifications, Working group on 14-19 reform,
October 2003
Schooling for tomorrow: networks of Innovation: towards new models for managing schools and systems, (2003)
OECD, Paris, 182 blz.
Senge, P. M. (1990) The Fifth Discipline. The art and practice of the learning organization, London: Random
House. 424 blz.
The Situation in primary and secondary Education in Norway: report 2003, Ministry of Education and Research, Oslo, June 2003, 54 blz.
Tid Til en kollektiv og attraktiv skole: Evaluaring av sentralt initierte forsøk med alternative arbeidsstidsordininger i sjolverket, Sintif, Teknologidelse, IFIM (Noors Ministerie van Onderwijs), December 2002, 142 blz.
171
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Bijlage 2: Lijst van gecontacteerde personen
Nederland
Beatrice Boots, AXIS Stichting
Jeanine Bekking van de AXIS Stichting
Marcel Wiggers van ROC-ON (Oost-Nederland).
Duitsland
Klaus Illerhaus, Sekretariat der Kultusministerkonferenz – Berufliche Bildung – Bonn,
Ulrich Thünken, expert voor de KMK, Kulltusminister Konferenz en werkzaam op het Ministerium
für Schüle, Jugend und Kinder, Nordrhein-Westfalen,
Dirk Piper, Ministerium für Bildung Saarland
Thomas Spielkamp, PAD (Pädagogische Austauschdienst, verantwoordelijk o.a. voor het Socrates
programma) Bonn
Denemarken
Roland Svarrer Oesterlund, Ministerie van Onderwijs, Kopenhagen
Ole Dibbern Andersen, Medewerker DEL, The Danish Institute for Educational Training of Vocational
Teachers, Kopenhagen
Jytte Mansfeld, Niels Brock Akademie, Kopenhagen
Zweden
Anders Lokander, Undervuisningsråd Skolverket, Enheten för Styrdokument
Frederik Wikström, Director of Education, Swedish National Agency for School Improvement and
Development, Ministry of Education
Finland
Timo Lankinen, Directeur-Generaal, Vocational Education, Ministry of Education
Reijo Aholainen, Counsellor of Education, Ministry of Education
Nina Rekola, CIMO, Centre for International Mobility, Socrates NA
Ulla Salomäki, expert of the Ministry of Education
Noorwegen
Jan Ellertsen, Deputy Director General, Department of Education and Training, Ministry of Education
Bodhild Baasland, Ministry of Education, member of Comenius sub-committee
Egil Eiene, Head of Comenius National Agency, Bergen
Engeland
Patricia Ambrose, SCOP, Standing Conference of Principals of England
Ray Kirtley, Development Unit, University of Hull
Judith Hemery, British Council, Member of the Socrates Committee
John Morris, Former coordinator IQEA Project, Nottinghamshire County Council
172
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
Frankrijk
Marc Durando, directeur, Pôle Universitaire Européen de Metz-Nancy
Pierre Champollion, Inspecteur d’Académie de Grenoble ; IUFM de Grenoble (site de Valence)
Bernard Vincent, Inspecteur d’Académie de Lorraine, Nancy ; professeur agrégé lycée technologique
et professionnel
Pierre Antoine Vanpouille, directeur, Lycée Louis Querbes, Rodez
Oostenrijk
Friedrich Wittib, Nationaal gedetacheerd expert van het Oostenrijks Ministerie van Onderwijs bij de
Commissie van de EU, DG EAC
Doris Koelbl, Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, (afgekort BMBWK), Abt. I/4a
Petra Reiter, expert onderwijs en vorming
Schotland
Tom Craig, Further and Adult Education, The Scottish Executive, Glasgow
Rosetta McLeod, Principal officer, Learning resources, Aberdeen City Council, Scotland
Alex Black, Development officer, LT Learning and Teaching, working for better learning
173
Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijken uit tien Europese landen
174
Koning Boudewijnstichting
De levensomstandigheden van de bevolking helpen verbeteren. www.kbs-frb.be
De Koning Boudewijnstichting is een stichting van openbaar nut, die in 1976 – toen Koning
Boudewijn 25 jaar koning was – werd opgericht. De Stichting is onafhankelijk en pluralistisch.
We zetten ons in om de levensomstandigheden van de bevolking te verbeteren.
De Stichting spendeert jaarlijks zo'n 38 miljoen euro. Met dat geld kunnen we heel wat realiseren
in dienst van de samenleving. Maar we kunnen niet alles doen. Daarom leggen we accenten en
passen we onze centrale werkthema’s aan aan de steeds veranderende noden van de samenleving. Onze kernprogramma’s de komende jaren zijn: Sociale rechtvaardigheid, Burgersamenleving, Governance, en Fondsen & Eigentijdse filantropie.
Het programma 'Sociale rechtvaardigheid' steunt projecten die kwetsbare of gediscrimineerde
mensen meer autonomie geven. Met het programma 'Burgersamenleving' stimuleren we het engagement van burgers en willen we het verenigingsleven versterken. Het programma ‘Governance’ betrekt burgers nauwer bij beslissingen over de manier waarop goederen en diensten
worden geproduceerd en geconsumeerd, en bij de evoluties in de medische wetenschappen. Met
het programma 'Fondsen & Eigentijdse filantropie' wil de Stichting moderne vormen van vrijgevigheid aanmoedigen.
Naast de vier kernprogramma's heeft de Koning Boudewijnstichting ook een aantal 'Structurele
en Specifieke initiatieven'. Zo werkt ze mee aan een project voor de herinrichting van de Europese wijk in Brussel, ondersteunt ze Child Focus en ging ze een strategisch partnerschap aan met
het European Policy Centre.
Tot slot nog dit: al onze programma’s en projecten hechten bijzonder veel waarde aan culturele
verscheidenheid en aan een evenwichtige man-vrouwbenadering.
Om onze doelstelling te realiseren, combineren we verschillende werkmethodes: we steunen projecten van derden, we organiseren studiedagen en rondetafels met experts en burgers, we zetten
denkgroepen op rond actuele en toekomstige thema’s, we brengen mensen met heel verschillende visies rond de tafel, we bundelen de vergaarde informatie in (gratis) publicaties en rapporten,
…
Als Europese stichting in België is de Koning Boudewijnstichting actief op lokaal, regionaal,
federaal, Europees en internationaal niveau. Vanzelfsprekend benutten we het feit dat we gehuisvest zijn in Brussel, de hoofdstad van Europa, van België en van de twee grote Gemeenschappen
van ons land.
Meer info over onze projecten en publicaties vindt u op www.kbs-frb.be. Vragen kan u mailen naar
[email protected] of u kan bellen naar +32-70-233 728.
Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat 21, B-1000 Brussel
+32-2-511 18 40, fax +32-2-511 52 21
Giften op onze rekening 000-0000004-04 zijn fiscaal aftrekbaar vanaf 30 euro.
175
Download
Random flashcards
Create flashcards