Uploaded by guidobakker123

Economie Samenvatting Katern 7: Conjunctuur, Inflatie & Arbeidsmarkt

ECONOMIE
Samenvatting katern 7
Contents
Hoofdstuk 1 ................................................................................................................ 2
1.1 De conjunctuur .................................................................................................. 2
Leerdoelen .......................................................................................................... 2
Begrippen ............................................................................................................ 4
1.2 Inflatie ............................................................................................................... 4
Leerdoelen .......................................................................................................... 4
Begrippen ............................................................................................................ 6
1.3 Arbeidsmarkt ..................................................................................................... 6
Leerdoelen .......................................................................................................... 6
Begrippen ............................................................................................................ 6
Hoofdstuk 2 ................................................................................................................ 7
2.1 Begrotingsbeleid van de overheid ..................................................................... 7
Leerdoelen .......................................................................................................... 7
Begrippen ............................................................................................................ 8
2.2 Coronacrisis ...................................................................................................... 8
Leerdoelen .......................................................................................................... 8
Begrippen ............................................................................................................ 9
2.3 Centrale bank en inflatie bestrijding .................................................................. 9
Leerdoelen .......................................................................................................... 9
Begrippen .......................................................................................................... 10
Hoofdstuk 1
1.1 De conjunctuur
Leerdoelen

Je weet welke factoren bijdragen aan trendmatige economische groei:
Ontwikkeling van de grootte van de beroepsbevolking;
Scholing van de beroepsbevolking;
Introductie van nieuwe productietechnieken en producten;
Hoogte van de arbeidskosten;
Beschikbaarheid van grondstoffen.

Je kunt de kenmerken benoemen van hoogconjunctuur en laagconjunctuur:
Als de productie onder de trendlijn ligt, spreek je van laagconjunctuur
Je spreekt van hoogconjunctuur als de productie boven de trendlijn ligt.

Je kunt uitleggen hoe de conjunctuurbeweging ontstaat:
Hoogconjunctuur ontstaat door een aanhoudende toename van de
bestedingen, waardoor de productie toeneemt.
Als de bestedingen in een economie teruglopen, kan er een laagconjunctuur
ontstaan. Als consumenten bijvoorbeeld minder besteden, verminderen
bedrijven hun productie.

Je kunt uitleggen wat de gevolgen van de conjunctuurbeweging voor de
overheidsfinanciën kunnen zijn.
In een laagconjunctuur ontvangt de overheid minder belastinginkomsten,
omdat de binnenlandse productie en het binnenlands inkomen afnemen.
Bij een hoogconjunctuur is de situatie omgekeerd. De overheidsontvangsten
nemen toe en de omvang van de uitkeringen neemt af, waardoor de
overheidsfinanciën verbeteren.

Je kunt uitleggen wat de conjunctuurklok is en hoe deze werkt.
Het CBS maakt onderscheid tussen vijftien indicatoren, die in drie groepen
kunnen worden ingedeeld. Deze indicatoren zie je in figuur 5 naast de
conjunctuurklok.
De eerste groep indicatoren bestaat uit vertrouwensindicatoren. Deze
indicatoren laten zien in welke richting de economie zich beweegt.
Het betreft het producentenvertrouwen, het aantal orders van bedrijven, het
consumentenvertrouwen en grote aankopen van consumenten.
De tweede groep zijn de economische indicatoren die de feitelijke ontwikkeling
aangeven zoals de rente, consumptie, uitvoer, investeringen, productie en
bbp.
De derde groep indicatoren is de groep arbeidsmarktindicatoren die vaak met
een vertraging reageert op de conjunctuur.
Dit zijn indicatoren zoals arbeidsvolume (werkgelegenheid), werkloosheid,
aantal vacatures, aantal uitzenduren en aantal faillissementen.
Begrippen
















Trendmatige ontwikkeling = Verwachte gemiddelde economische groei, op
basis van historische trends en vooruitzichten.
Productiecapaciteit = Maximaal mogelijke productieomvang.
Conjunctuurgolf = De veranderingen in de productiegroei van een economie.
Laagconjunctuur = Periode waarin de economische groei lager is dan je op
basis van de tend mag verwachten.
Recessie = Als het bbp twee opeenvolgende kwartalen krimpt.
Depressie = Een recessie met deflatie.
Hoogconjunctuur = Periode waarin de economische groei hoger is dan je op
basis van de trend mag verwachten.
Conjuncturele werkloosheid = Werkloosheid die ontstaat door achterblijvende
bestedingen waardoor de vraag naar arbeid daalt.
Onderbesteding = De bestedingen zijn te laag om alle productiemiddelen
volledig te benutten.
Bezettingsgraad = De mate waarin de productie capaciteit bezet wordt.
Overbesteding = De bestedingen zijn hoger dan de productie capaciteit.
Krappe arbeidsmarkt = De vraag naar arbeidskrachten is groot. Bedrijven
kunnen moeilijk aan arbeidskrachten komen.
Bestedingsinflatie = Stijging van het prijspeil veroorzaakt door overbesteding.
Overheidstekort = De overheid geeft meer geld uit, dan dat er binnenkomt.
Conjunctuurklok = Door het CBS ontwikkeld instrument dat op basis van 15
indicatoren de stand van de conjunctuur weergeeft.
Conjunctuurindicatoren = Dit zijn graad meters die iets zeggen over de
conjuncturele situatie van een economie.
1.2 Inflatie
Leerdoelen

Je weet hoe inflatie gemeten wordt en waarom inflatie de koopkracht aantast.
Het CBS meet de inflatie met behulp van de consumentenprijsindex (CPI). De
CPI is het samengesteld gewogen prijsindexcijfer van de consumptie
Door inflatie wordt de koopkracht (oftewel: de reële waarde) van het geld
aangetast. Met dezelfde hoeveelheid geld kun je minder kopen: inflatie leidt tot
geldontwaarding.

Je weet wat de gevolgen van inflatie en deflatie zijn.
o Inflatie
Door inflatie daalt de koopkracht van het inkomen.
Door inflatie worden eventuele schulden die je hebt minder waard.
Het spaargeld dat je bezit wordt door inflatie minder waard.
Door inflatie stijgen de prijzen van goederen die worden geproduceerd,
hierdoor neemt de omzet van producenten toe en stijgt het nominaal bbp.
Door inflatie stijgen de prijzen van goederen die worden geproduceerd.
Het kan zo zijn dat de goederen van binnenlandse producenten duurder
worden dan de goederen van concurrenten uit het buitenland. Hierdoor
verslechtert je concurrentiepositie.
o Deflatie
De koopkracht van het inkomen stijgt.
Schulden worden meer waard.
Spaargeld wordt meer waard.
Omzetten en het bbp kunnen afnemen door prijsdalingen.
Je concurrentiepositie kan hierdoor verbeteren.
Consumenten stellen hun consumptie uit. Als je weet dat een product in de
toekomst minder gaat kosten, dan wachten veel mensen met de aanschaf van
een product.

Je kunt de oorzaken van inflatie uitleggen.
De vraag naar goederen en diensten door consumenten en producenten kan
groter zijn dan wat er geproduceerd wordt. Dit heet bestedingsinflatie vraag
hoger dan het aanbod.
Daarnaast kunnen de prijzen van grondstoffen, materialen en lonen stijgen. Dit
heet kosteninflatie, de productie kost meer en dat wordt verwerkt in de prijs.

Je kunt het effect van inflatie op (pensioen)uitkeringen uitleggen.
Door inflatie wordt de koopkracht van je geld aangetast. Ook uitkeringen
worden hierdoor geraakt. Hierbij zijn de volgende opties:
-
Waardevast inkomen (Uitkering neemt met hetzelfde percentage toe
als inflatie, koopkracht blijft gelijk.)
-
-
Welvaartsvast inkomen (Als de lonen harder stijgen dan de inflatie
neemt de welvaart toe. De verandering van de uitkering wordt hierbij
gekoppeld aan de stijging van het gemiddelde loon.)
Vaste uitkering (Een uitkering bedraagt een vast bedrag. Hierbij
neemt door inflatie de koopkracht af, door verhoging van uitkering
kan de koopkrachtvermindering worden gecompenseerd.
Begrippen








Inflatie = Het stijgen van het gemiddelde prijsniveau.
Geldontwaarding = Daling van de koopkracht van geld.
Deflatie = Het dalen van het gemiddelde prijsniveau.
Kosteninflatie = Stijging van het prijspeil veroorzaakt door kostenstijgingen.
Waardevast inkomen = Inkomen dat reëel gelijk blijft. Inkomen stijgt
procentueel evenveel als de inflatie.
Welvaartsvast inkomen = Inkomen dat meegroeit met de welvaart. Inkomen
stijgt procentueel evenveel als de lonen.
Vaste uitkering = Uitkering die nominaal, in hoeveelheid geld, gelijk blijft.
Inflatiecorrectie = De aanpassing (van de belastingtarieven) aan de inflatie.
1.3 Arbeidsmarkt
Leerdoelen

Je kunt uitleggen hoe de begrippen beroepsbevolking en werkgelegenheid
samenhangen met arbeidsaanbod en arbeidsvraag en je kunt het verband
met werkloosheid aangeven en berekenen.
De beroepsbevolking bestaat uit alle mensen die kunnen en willen
werken (werkenden + werklozen). Het arbeidsaanbod is gelijk aan de
beroepsbevolking, terwijl de arbeidsvraag bestaat uit het aantal banen
(werkgelegenheid) plus openstaande vacatures.
Werkloosheid ontstaat als het arbeidsaanbod groter is dan de
arbeidsvraag. Je berekent het werkloosheidspercentage met de formule:
Werkeloosheidpercentage = (Aantal werkelozen : Beroepsbevolking) × 100
Begrippen



Beroepsbevolking = Alle mensen tusssen 15 en 75 jaar die betaald werk
hebben of zoeken.
Werkgelegenheid = Alle bezette banen en vacatures samen.
Arbeidsjaar = Een fulltime baan gedurende een jaar.






Kwantitatieve structurele werkloosheid = Er zijn onvoldoende
arbeidsplaatsen.
Kwalitatieve structurele werkloosheid = Werkloosheid die ontstaat omdat
mensen onvoldoende of verkeerde scholing hebben of te ver van de plaats
van de gevraagde arbeid.
Frictiewerkloosheid = Werkloosheid die ontstaat omdat het vaak een tijd
duurt voordat een baan gevonden is (schoolverlaters). Ook kan het tijd
kosten om van baan naar baan te gaan.
Seizoenwerkloosheid = Werkloosheid die onstaat doordat er in het ene
seizoen meer werk is dan in het andere.
Flexcontract = Arbeidscontract met flexibele voorwaarden.
Zelfstandigen zonder personeel = Zelfstandigen die geen personeel in
dienst hebben en voor eigen risico en kosten arbeid aanbieden op de
arbeidsmarkt.
Hoofdstuk 2
2.1 Begrotingsbeleid van de overheid
Leerdoelen

Je kunt uitleggen hoe uitkeringen en belasting invloed hebben op de
conjunctuur.
Door uitkeringen en belasting heeft de overheid invloed op de
inkomens en dus indirect ook op de uitgaven van de mensen door
deze uitgaven slim te bespelen kan je invloed uitoefenen op de
conjunctuur.

Je weet wat het verschil is tussen anticyclisch en procyclisch
begrotingsbeleid.
Anticyclisch beleid is beleid dat tegen de conjunctuurgolf in gaat en
de golf dus naar beneden werkt als hij omhoog gaat en andersom.
Een procyclisch beleid stimuleert juist de golfen en is dus het
tegenover gestelde van een anticyclisch beleid.

Je kunt uitleggen hoe inverdieneffecten werken.
Extra overheidsbestedingen betekenen extra vraag naar goederen
en diensten, waardoor het binnenlands product weer stijgt. Een
stijgend binnenlands product en inkomen leidt weer tot meer
belastingontvangsten. De overheid ontvangt een deel van de extra
uitgaven via extra belastingontvangsten weer terug.

Je weet dat het begrotingsbeleid invloed heeft op de inflatie,
inkomensontwikkeling en werkgelegenheid.
Begrippen







Automatische stabilisatoren = Overheidsmaatregelen die zorgen voor een
demping van de conjunctuur (bijvoorbeeld het sociale zekerheids- en
belastingstelsel).
begrotingsbeleid = Het beleid waarbij de overheid bepaald hoeveel
inkomsten er nodig zijn en waar deze aan worden uitgegeven.
anticyclisch begrotingsbeleid = Overheidsbeleid waarbij de
conjunctuurbeweging wordt afgevlakt. Bijvoorbeeld verlaging van de
belastingen in een laagconjunctuur.
procyclisch begrotingsbeleid = Overheidsbeleid waarbij de
conjunctuurbeweging wordt versterkt. Bijvoorbeeld bezuinigingen in een
laagconjunctuur.
Inverdieneffect = Overheidsmaatregelen die zich gedeeltelijk
terugverdienen. Bijvoorbeeld een belastingverlaging in een
laagconjunctuur die de economie stimuleert en daardoor extra
belastingopbrengsten oplevert.
bestedingsinflatie = De inflatie die veroorzaakt wordt als de vraag naar
goederen en diensten groter is dan er geproduceerd kan worden.
kosteninflatie = De inflatie die veroorzaakt wordt door een toename van de
productiekosten
2.2 Coronacrisis
Leerdoelen

Je weet hoe het coronavirus voor een economische crisis heeft gezorgd.
Het coronavirus had een lockdown tot gevolg en door deze
lockdown ging het heel slecht met de economie omdat je
bijvoorbeeld niet meer naar winkels mocht en er kwam ook niets
meer binnen door toerisme.

Je weet wat de macro-economische gevolgen van de crisis zijn geweest.
Geen toerisme wat een aardige klap was maar wel weer veel meer
online kopen bij ook buitenlandse bedrijven.

Je kunt uitleggen hoe de overheid heeft ingegrepen om de gevolgen van
de crisis te verzwakken.
De belangrijkste maatregelen waren:



Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor
werkgelegenheid(NOW) =
ondernemers die verwachten 20% van hun omzet te
verliezen, kunnen een groot deel van hun loonkosten vergoed
krijgen.
Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige
ondernemers(TOZO) =
Een aanvullende uitkering voor levensonderhoud als het
inkomen door de coronacrisis tot onder het sociaal minimum
daalt.
Tegemoetkoming vaste lasten(TVL) =
Ondernemers die verwachten minstens 30% van hun omzet
te verliezen, kunnen een deel van hun vaste lasten vergoed
krijgen.

Klein krediet corona =
De overheid staat voor 95% garant op een
overbruggingskrediet voor kleine ondernemingen voor
leningen tot €50.000.
Begrippen


lockdown = Situatie tijdens de COVID-19 pandemie waarbij alle
niet-noodzakelijke activiteiten in Nederland werden stilgelegd
om verspreiding van het virus te voorkomen.
flexibilisering van de arbeidsmarkt = Een ontwikkeling in de
arbeidsmarkt waarbij het aantal vaste contracten
minder wordt, en er meer mensen een tijdelijke of flexibele
aanstelling krijgen (bijvoorbeeld: nul urencontracten,
uitzendkrachten, zzp’ers, freelancers, etc.)
2.3 Centrale bank en inflatie bestrijding
Leerdoelen

Je weet wat de belangrijkste taak is van de centrale bank.
Een centrale bank moet voornamelijk zorgen voor prijsstabiliteit

Je kunt uitleggen hoe de ECB invloed uitoefent op de inflatie en de
conjunctuur.
Inflatie door middel van het afremmen van de geldhoeveelheid
Conjunctuur op de zelfde manier als op de inflatie

Je kunt uitleggen hoe Europese afspraken bijdragen aan prijsstabiliteit en
demping van conjunctuurschommelingen.
Door de afspraken die Europa maakt kan de ECB geheel
onafhankelijk werken en zo dus altijd gaan voor prijs- en
conjunctuurstabiliteit zonder afhankelijk te zijn van de landen
waarbinnen de ECB haar beleid voert.

Je weet dat de ECB een onafhankelijke positie heeft ten opzicht van de
lidstaten van de EMU.
Begrippen



Prijsstabiliteit = Kerndoelstelling van de ECB, waarbij de prijzen per jaar
met
net iets minder dan 2 procent stijgen.
monetair beleid = Het beleid waarmee de centrale bank prijsstabiliteit
probeert te bereiken.
rentebeleid = Het beleid waarmee de ECB via het leen- en spaargedrag
de
inflatie wil beïnvloeden.



refi-rente = Het rentepercentage dat de ECB in rekening brengt als de
banken
geld van de ECB lenen.
Europese Monetaire Unie (EMU) = Unie waarin EU-landen samen één
munt hebben en een gezamenlijk monetair beleid voeren.
Stabiliteits- en Groeipact = Pact waarin eisen staan waaraan eurolanden
en toetredende eurolanden moeten voldoen, om de stabiliteit van de euro
te garanderen.