Jaques Derrida(1930-2004): Deconstructie (subj uit centrum)

advertisement
Jaques Derrida(1930-2004): Deconstructie (subj uit
centrum)
1 Deconstructie
Zegt dat zijn teksten zijn geschreven “in de marge”
“denken in de marge”  in confrontatie met vroegere filosofen
- Zonder een marge kan een tekst niet bestaan. Er moeten spaties en witregels zijn.
Ook zoals het kader van een schilderij.  het is constructief voor de hele betekenis
van het schilderij.
- Datgene wat niet wordt gezegd, maar wat mogelijk maakt dat andere dingen wel
gezegd worden.
 Keuze maken over wat we willen mededelen
 We maken vooronderstellingen die aangeven waarover we het gaan
hebben. Keuzes maken.
Deconstructie = manier om teksten te lezen op zulke wijze dat datgene wat niet gezegd wordt
aan de oppervlakte komt (dat zijn de constructen van een tekst)
Deconstructie van hiërarchische opposities
- Er is nooit een volledige scheidingslijn tussen twee tegenstellingen
- Het zijn keuzes die aan de grondslag liggen van het karakter van de tekst
- = leespraktijk die de principiële onbeslisbaarheid van fundamentele
conceptuele onderscheiden en opposities wil aantonen
2 Case study: La pharmacie de Platon (1972)
-
-
= tekst over Plato die kritiek geeft over het schrift als medium
“Mythe van Teuth”  over de oorsprong van het schrift.
Schrift als pharmakon
1. toverdrank, geneesmiddel
2. vergif voor het geheugen
= ambiguïe manier waarop Plato omgaat met het schrift
Plato’s kritiek op het schrift:
Zijn bewuste bedoeling was een kritische kijk te scheppen op de waardigheid van het schrift,
maar uiteindelijk wijst Plato het schrift volledig af.
1
1. Mnème vs. hypomnèsis
- Mnème = van vooraf alles gekend. Kennis in je hoofd. Actief herinneren.
- Hypomnèsis = passieve herinnering aan de kennis in je hoofd. Schrift is
een soort geheugensteuntje.
- Volgens Plato kan echte kennis pas tot stand komen als het wordt
beschreven aan een toehoorder, niet als het beschreven wordt.
2. Schrift is een afbeelding van een afbeelding
- Het is een afbeelding van de klanken die men uitspreekt.
- Het leidt ons af van datgene wat ons orde brengt
3. Schrift heeft bijstand van een “vader” nodig
- Iemand kan een tekst bekritiseren zonder te weten waarover hij gaat
- Alleen de schrijver zelf kan duidelijk uitleg geven
- De dialoog voltrekt de denkbeweging
Gesproken woord als schrift gedacht
De kritiek van Plato is een paradox want hij BESCHREEF zijn kritiek
 kennis is een vorm van schrijven, je beschrijft aan de ziel van de toehoorder
 deconstructie van oppositie (Derrida)
- Aandacht voor de elementen die verondersteld worden. Alle opposities zijn
geconstrueerd
- Beste plaats om die deconstructie door te voeren is in de marge van de tekst
- Probleem van het schrift = hangt volledig samen met de taal als dusdanig
(gesproken + geschreven)
3 Het structuralisme
Linguïstiek van F de Saussure (1857-1913)
- Subject wordt begrepen vanuit de structuur/systemen waarin het zich bevindt
- Taal is de structurerende factor van het subject
- Denken = talig
- Je kan subjecten enkel plaatsen met de mogelijkheden die de taal je biedt  taal
brengt structuur.
- Langue VS. Parole
- Verband tussen betekenis en betekenaar is arbitrair!
- De context is heel belangrijk!!!!!!
- Taal is een differentieel gegeven
- Betekenis wordt gegeven aan de hand van de plaats in het systeem
- Betekenis bepaald onderlinge relaties
 Derrida als post structuralist
4 La différence
La différence betekent:
1. Verschil: taal als differentieel systeem
- Betekenis van een term kunnen we pas vatten als we het afzetten tegen
andere betekenissen in een systeem
2
2. Uitstel: betekenistoekenning is steeds voorlopig. In 1 groot systeem ligt een
betekenis nooit helemaal vast aan een bepaald gebruik  CONTEXT
Différence = mogelijkheidsvoorwaarde en bedreiging voor het toekennen van een betekenis
Wijst op de grondstructuur van de taal
- Elk teken = teken van een teken
 Betekenis is te vatten in relatie met andere betekenissen (cf. la
trace)
 Elke betekenaar is een spoor, een bundel van elementen die in
de betekenis aanwezig zijn
- Betekenis ligt nooit vast
 VB: betekenis van koninginnendag is nu verdraaid door wat er
gebeurd is.
 VB: wat is “goed” bestuur?
5 L’archi-écriture
3 stadia
1. kenmerken zijn traditioneel toegeschreven aan het schrift
- schrift als teken van een teken (Plato, Saussure)
- herhaalbaarheid (iterabilité)
 verhaal kan verschillen in andere context, maar het schrift is
niet dynamisch. Kan altijd maar 1 betekenis herhalen.
- Afwezigheid van betekende en auteur (alleen de auteur kent de ware
betekenis)
2. Ook van toepassing op de gesproken taal
3. elke taal is een oer-schrijven
- taal moet begrepen worden in functie van de kenmerken van het
geschreven woord
- vaststaande betekenis, eeuwige structuur, elke betekenis zit verweven in
een structuur
6 Kritiek op de westerse metafysica
Metafysische traditie als:
- fonocentrisme (gesproken woord staat centraal)
 schrift maakt omweg via het gesproken woord
 klank wordt omgezet in letters
 VB: fonetisch schrift is een teken van een teken
 Schrift is afgeleid
 MAAR niet elk schrift is fonetisch (symbolen, cijfers)
- Logocentrisme (centraal plaatsen van het betekende ten nadele van de betekenaar,
tegenstelling tussen realiteit en verschijningswijze)
 Woorden schakelen de betekenaar uit  woord is al lang voorbij na
uitspraak, maar je blijft wel aan een stoel denken
- = grondstructuur van de westerse filosofie
- = waarheid staat centraal, niet de verschijningsvorm waarop die wordt
gepresenteerd.
3
Westerse metafysica volgt dus een dubbele beweging:
1. onmiddelijke aanwezigheid, zekerheid
2. afwezigheid van die zekerheid, twijfel en schijn
= metafysica van de aanwezigheid
ambiguïteit: teken kan de aandacht afleiden van de betekenis, maar zonder een teken kan je de
waarheid niet spreken
Voorbeeld van deconstructie: tijdsanalys
De metafysica heeft altijd het heden als model genomen, volledig in overeenstemming met
het overheersende aanwezigheidsdenken. Het “nu”.
Wat is het “nu”? Nog voordat het aanwezig is geweest is het al terug weg.
Het verleden is zo altijd “al weg”, en de toekomst is iets wan “nooit aanwezig is” (terwijl het
toch een rol speelt aan de horizon) = à venir
À venir is ondeconstrueerbaar
 binnen een systeem, een betekenisgeheel licht namelijk soms een glimp op van iets
wat het systeem weliswaar wil vatten, maar toch altijd ontsnapt
 VB: het recht: gerechtigheid is nooit volledig aanwezig, altijd à venir
 Gerechtigheid is ondeconstrueerbaar omdat ze een betekenis heeft die nooit volledig te
controleren valt en dus nooit volstrekt in het systeem van het recht kan worden
inbegrepen.
“il n’y a pas de hors-texte”  ALLES wat de mens denkt is tekst VB: zoals internet,
voortdurend doorklikken. Zo ook met gedachten
“ we leven in een tijdperk dat het einde van het boek en het begin van het schrift is”
 BOEK: is absoluut en eindig (oude metafysiche traditie)
 SCHRIFT: nooit af, telkens nieuwe betekenis in andere context, verderdenken
(nieuwe manier van kennisverwerving)
7 illustratie: “Glas” (1974)






Luiden van de doodsklokken van de Westerse metafysica
Schrijven in de marge van de tekst van Jean Gelés
Betekenis komt ook tot stand door context
Tekst houdt nooit op (elke gedachte leidt tot een nieuwe)
Boek begint en eindigt in het midden van een zin. (tekst heeft geen begin of einde)
Filosofie kan nooit het laatste of het eerste woord hebben
4
Download
Random flashcards
Create flashcards