universiteit gent faculteit politieke en sociale

advertisement
UNIVERSITEIT GENT
FACULTEIT POLITIEKE EN SOCIALE WETENSCHAPPEN
WAAROM FAALDE DE EUROPESE UNIE IN DE COP15 TE
KOPENHAGEN IN HAAR KLIMAATLEIDERSCHAP?
JOLIJN RAES
MASTER THESIS IN DE POLITIEKE WETENSCHAPPEN
MAJOR INTERNATIONALE POLITIEK
PROMOTOR: PROF. DR. VOS
ACADEMIEJAAR 2010 - 2011
Word Count: 24062
1
Eén planeet zegt aan de andere planeet: “Ik voel me niet zo goed, ik heb Homo Sapiens”
De andere planeet antwoord daarop: “Goh, maak je niet druk, dat duurt niet zo lang”
(Fragment uit presentatie van Anthony Giddens, www.iiea.com, 23/02/2010)
2
ABSTRACT
Het finale akkoord van de internationale klimaatconferentie die plaatsvond van 7 tot 18 december 2009 in
Kopenhagen, was, volgens Europese Commissie voorzitter Barroso, een grote teleurstelling voor Europa.
Volgens de wetenschappelijke literatuur over het Europees milieubeleid is de Europese Unie al sinds begin
de jaren ’90 een internationale voortrekker in de strijd tegen klimaatverandering. Het is dankzij de Unie dat
de doelstellingen van het Kyoto Protocol, het eerste bindend regime met concrete emissiereducties, succesvol
gehaald zullen worden. De Verenigde Staten beslisten het Protocol niet te ratificeren, maar Europa besloot
verder te gaan.
Europa werd op deze manier voorloper van het internationale klimaatbeleid en liet dat in 2007 nog eens
merken door unilateraal te beslissen dat het bereid was haar emissies te verminderen met 20% tegen 2020 en
met zelfs met 30% indien andere grote industrielanden zich zouden verplichten tot vergelijkbare
inspanningen. Door het ambitieus Europees engagement van de vorige jaren, lagen de verwachtingen in
Kopenhagen hooggespannen.
Het lukte Europa echter niet om het internationale debat op een beslissende manier te beïnvloeden.
Verschillende hypotheses proberen het gemiste Europees leiderschap uit te leggen: heeft de Europese Unie
niet sterk genoeg kunnen doorwegen op het proces omdat het niet met één stem heeft gesproken? Of eerder
omwille van tekortkomingen in haar interne diplomatische capaciteiten? Of luisteren belangrijke
wereldspelers zoals China en de Verenigde Staten gewoonweg niet naar Europa?
Het onderzoek zal zich richten tot de analyse van deze drie hypothesen. De studie zal zich baseren op
wetenschappelijke literatuur, krantenartikels en officiële beleidsdocumenten. Begrijpen hoe het komt dat de
Europese Unie geen sterke partij was op de klimaattop, maakt dat Europa kan leren uit haar fouten en opent
nieuwe mogelijkheden voor de toekomst
3
INHOUDSTAFEL
1: INLEIDING
5
1.1 Algemene Inleiding
1.2 Onderzoeksopzet en Probleemstelling
1.3 Methodologie
5
6
7
2: HISTORISCH OVERZICHT
9
2.1 Klimaatverandering: een belangrijke politieke uitdaging
2.2 Het Internationale klimaatbeleid voorafgaand aan de Conferentie van Kopenhagen
2.2.1 De klimaatonderhandelingen in Kyoto 1997
2.2.2 De klimaatonderhandelingen in Montreal 2005
2.2.3 De klimaatonderhandelingen in Bali 2007
9
13
13
14
15
2.3 Het Europees klimaatbeleid voorafgaand aan de Conferentie van Kopenhagen
2.4 De Conferentie van Kopenhagen 2009
16
18
3: LITERATUURSTUDIE
21
3.1 Leiderschap binnen internationale onderhandelingen
3.2 Leiderschap binnen internationale klimaatonderhandelingen
21
24
3.2.1 Structureel leiderschap
3.2.2 Instrumenteel leiderschap
3.2.3 directioneel leiderschap
24
24
25
3.3 Europees leiderschap binnen internationale klimaatonderhandelingen
26
4: FAALDE DE EU IN HAAR DIRECTIONEEL LEIDERSCHAP?
30
4.1 Theoretische Inleiding
4.2 Wat bevorderd een eengemaakt Europees standpunt?
4.3 Interne verdeeldheid: het klimaat en energie pakket
4.4 Interne verdeeldheid: Financiering van ontwikkelingslanden
4.5 Interne verdeeldheid: de discussie rond “hot-air”
4.6 Besluit
30
31
33
33
35
36
5: FAALDE DE EU IN HAAR INSTRUMENTEEL LEIDERSCHAP?
37
5.1 Theoretische Inleiding
5.2 Heeft de EU in Kopenhagen met één stem gesproken?
5.3 Zijn er tekortkomingen in het Europees diplomatiek model?
5.4 Heeft de EU in Kopenhagen een succesvolle coalitie-strategie ingezet?
5.5 Besluit
37
38
40
42
43
4
6: FAALDE DE EU IN HAAR STRUCTUREEL LEIDERSCHAP?
45
6.1 Theoretische Inleiding
6.2 De VS en klimaatleiderschap
6.3 China en klimaatleiderschap
6.4 Wie was er klimaatleider in Kopenhagen?
6.5 Besluit
45
46
48
49
51
CONCLUSIE
53
BIBLIOGRAFIE
55
5
1: INLEIDING
1.1 Algemene inleiding
Klimaatverandering is één van de grootste problemen van d XXIste eeuw. In 1992 werd het UNFCCC
(United Nations Framework Convention Climate Change) opgericht en kwam er een internationaal kader tot
stand voor een gemeenschappelijke aanpak tegen de opwarming van de aarde. Het Kyoto-protocol werd het
eerste bindende verdrag onder de Conventie. De Europese Unie is partij van het Protocol en streeft de meeste
ambitieuze reductie-doelstellingen na. De Europese site van Climate Action onderschrijft het dringende
karakter van klimaatverandering: “De aanpak van klimaatverandering is een van de grootste uitdagingen die
we moeten aangaan. Om onomkeerbare en catastrofale schade te voorkomen, moet er snel wereldwijd actie
worden ondernomen om de temperatuur op aarde te stabiliseren” (http://ec.europa.eu/ climateaction/
eu_action/index_en.htm)
Dit onderzoek zal een analyse maken van de recente klimaattop die, binnen het kader van het UNFCCC,
plaats vond tussen 7 en 18 december 2009 in Kopenhagen. De verwachtingen lagen wereldwijd hoog
gespannen, want de doelstelling van de conferentie was het uitwerken van een nieuw internationaal akkoord
voor de periode na 2012, wanneer de eerste verbintenis periode onder het Kyoto-protocol afloopt. Stavros
Dimas, voormalige Europese commissaris voor milieu, zei in een toespraak van april 2009 het volgende over
Kopenhagen: “The stakes could not be higher. Copenhagen is the world’s last chance to put global emissions
on a track that can prevent dangerous climate change. It is an historic opportunity we cannot afford to miss”
(Dimas, 2009)
De thesis zal een analyse maken van de rol van de EU tijdens de klimaatonderhandelingen. Volgens
verschillende onderzoekers waaronder Oberthür heeft Europa zich sinds de jaren ’90 langzaam maar zeker
als wereldleider geprofileerd in de aanpak van klimaatverandering. Met de tijd is het Europees leiderschap
steeds sterker geworden, met vorderingen zowel in het intern klimaatbeleid als op internationaal vlak.
(Oberthür & Kelly, 2008) Binnen en buiten de EU verwachtte men daarom van het oude continent een sterke
en leidinggevende rol tijdens de COP15.
Toen het Kopenhagen akkoord na 12 dagen eindeloos onderhandelen eindelijk werd voorgesteld aan de
plenaire vergadering, waren de vertegenwoordigers van de Europese Unie diep teleurgesteld. Het finale
akkoord werd op de laatste dag voor de slotvergadering neergeschreven. Dit gebeurde door een kleine groep
landen onder leiding van de Verenigde Staten en China gedurende een informele vergadering waar Europa
niet bij betrokken werd. De voorzitter van de Europese Commissie noemde het gedurende zijn speech in de
laatste uren van de conferentie een akkoord dat “ver beneden” de Europese doelstelling lag. “Ik zal mijn
teleurstelling niet verbergen”, sprak José Manuel Barroso.(http://www.euractiv.com/en/climate-change/eulooks-weak-copenhagen-climate-deal/article-188501)
De kernvraag van dit onderzoek is waarom de Europese Unie gefaald is in haar klimaatleidersrol op de
conferentie van Kopenhagen. Europa heeft zich geprofileerd als leider gedurende de laatste twintig jaar,
maar is er in Kopenhagen niet in geslaagd om het debat sterk te beïnvloeden en haar agenda op te stellen.
6
Waarom heeft Europa in Kopenhagen geen sterke voortrekkersrol kunnen opnemen? Wat belette de
Europese Unie om met een krachtige stem te spreken? Aan wat moet Europa werken als het in de toekomst
haar agenda wil voort duwen op internationaal niveau? Wat verstaat men onder leiderschap?
Om een antwoord te vinden op deze vragen vertrekt men vanuit de wetenschappelijke literatuur over
klimaatleiderschap van de Europese Unie. Gupta en Grubb schreven in 2000 een invloedrijk boek waarin ze
de duurzaamheid van het Europees leiderschap in vraag stelden. Aan de hand van de definitie die deze
auteurs geven van klimaatleiderschap, ontstaan er drie hypothesen die de basis vormen voor deze thesis.
De manier waarop de theorie zal worden getoetst met de realiteit wordt hieronder uitgelegd.
1.2 Onderzoeksopzet en probleemstelling
In hoofdstuk twee wordt een historisch overzicht gegeven van de belangrijkste beslissingen die tot nu toe
zijn genomen op Europees en Internationaal niveau in de strijd tegen klimaatverandering. De beschrijving
begint bij de oprichting van het UNFCCC in 1992 en staat vervolgens stil bij de belangrijkste conferenties
die binnen het kader van de Verenigde Naties plaats vonden. Daarna volgt een beschrijving van de
belangrijkste Europese beslissingen die er de laatste twintig jaar voor zorgden dat de Europese Unie een
internationale voorloper werd in de strijd tegen klimaatverandering. Het historisch overzicht eindigt met een
korte algemene beschrijving van de conferentie van Kopenhagen. De conflicten die plaatsvonden tussen de
verschillende landen worden in dit gedeelte toegelicht. Ook wordt beschreven hoe het Kopenhagen Akkoord
tot stand kwam door het initiatief van een vijftal landen tijdens een informele vergadering en uiteindelijk niet
werd ondertekend door de algemene vergadering.
In hoofdstuk drie volgt een literatuur studie waar er een analyse wordt gemaakt over de verschillende
wetenschappelijke bijdragen over klimaatleiderschap. Gupta en Grupp komen in hun boek “Climate change
and European leadership: A sustainable role for Europe?” tot een synthese van de verschillende
beschrijvingen van leiderschap. Op basis van voormalige definities van vroegere auteurs als Young,
Underdal een Malnes (dat we hier boven in het kort aangehaald hebben) komen Gupta en Grupp tot de
conclusie dat er gelijkenissen terug komen in de verschillende beschrijvingen van het concept. Deze
constanten worden door de auteurs samengebracht en er ontstaan drie definities van leiderschap: Structureel,
Instrumenteel en Directioneel leiderschap.
Structureel leiderschap vloeit voort uit de economische en politieke macht van de betrokken partij.
Instrumenteel leiderschap legt de focus op de onderhandelingscapaciteiten van een land gedurende
internationale klimaatconferenties. Directioneel leiderschap wordt tenslotte omschreven als de invloed dat
men uitoefent op andere partijen door het goede voorbeeld te geven.
Deze drie dimensies van leiderschap vormen de basis hypothesen van het onderzoek. Door na te gaan of de
EU voldoende directionele, instrumentele en structurele macht had op de Conferentie van Kopenhagen wordt
er een genuanceerd antwoord gevonden op de centrale vraag van de probleemstelling: waarom is de EU in
Kopenhagen gefaald in haar leidersrol?
Hoofdstuk vier, vijf en zes pakken vervolgens elk afzonderlijk een dimensie van klimaatleiderschap aan.
7
Hoofdstuk vier focust op de eerste dimensie van leiderschap: de EU is in Kopenhagen gefaald door gebrek
aan directioneel leiderschap. In dit deel wordt verklaard dat de Unie door interne verdeeldheid geen
ambitieuze en doorslaggevende rol op zich heeft kunnen nemen, noch in de aanloop naar Kopenhagen, noch
tijdens de Conferentie. Tegenstellende belangen en ambities tussen de lidstaten zijn een rem op een
ambitieus binnenlands beleid, waardoor Europa geen “Leadership by example” kan uitoefenen op derden.
In het vijfde hoofdstuk wordt de instrumentele macht van de Europese Unie in vraag gesteld. De EU heeft
volgens deze hypothese geen sterk leiderschap kunnen uitoefenen in de COP15 omdat de Europese
diplomatie tijdens internationale klimaatonderhandelingen niet voldoende efficiënt is. De Europese Unie is
een “vreemde eend” binnen internationale fora omwille van haar hybride karakter tussen staat en
supranationale organisatie. Volgens auteurs zoals Van Schaik weet men in multilaterale onderhandelingen
soms niet hoe dat men met de Unie, het “unidentified political object”, moet handelen. Lidstaten zijn niet
geneigd om hun bevoegdheid op een hoger niveau af te staan en de Europese instellingen in hun plaats te
doen spreken. Sommige discussies tussen de Europese staten en de Commissie over wie de autoriteit heeft
om Europa extern te vertegenwoordigen in internationale organisaties werden al meerdere keren voor het
Europees Hof van Justitie gebracht (Van Schaik, 2010, p. 257).
In het zesde en laatste hoofdstuk wordt er werk gemaakt van de definitie rond structurele macht. Volgens
deze hypothese is het falen van de Europese Unie niet veroorzaakt door binnenlandse redenen zoals interne
verdeeldheid of tekortkomingen in het Europese model voor klimaatdiplomatie, maar door een externe reden.
De Europese Unie heeft op de dag van vandaag steeds minder politieke en economische macht en moet
plaatsmaken voor de Verenigde Staten en nieuwe opkomende economieën als China en India. De Unie heeft
daarnaast steeds minder aandeel in de mondiale uitstoot van broeikasgassen dus haar beslissingen wegen
minder door in de strijd tegen de opwarming van de aarde. Maar de Europese Unie kan een belangrijke rol
blijven uitoefenen en dat is ook in haar belang als ze zich sterk wil profileren in de multipolaire wereld van
vandaag. Ongeacht de uitslag van Kopenhagen, is het van belang dat de Unie haar eigen rol en betekenis in
de internationale klimaatarena heroverweegt. Connie Hedegaard, commissaris voor Klimaat, zei in de
aanloop naar Kopenhagen dat “The whole issue of climate change and energy efficiency is about strategic
leadership in the 21st century” (Deutsche Presse Agentur van 26 nov 2008, in Schunz, 2009).
De EU moet zich dus afvragen welke strategieën mogelijk zijn om in de toekomst klimaat leiderschap uit te
oefenen, en dat kan alleen door te kijken naar wat mis is gegaan in het verleden.
In de Conclusie van het onderzoek worden er enkele nieuwe voorstellen naar voren geschoven voor het
voortzetten van het Europees mondiaal klimaatleiderschap.
1.3 Methodologie
Voor het onderzoek wordt vooral gebruik gemaakt van primaire bronnen. De validiteit van de drie
hypothesen wordt getoetst aan de hand van pers berichten en wetenschappelijke artikels. Wat vertellen deze
documenten ons over de verschillende dimensies van het Europees leiderschap in de aanloop naar
Kopenhagen en tijdens de Conferentie zelf? Door een analyse te maken van krantenartikels over Climate
8
Change en de conferentie van Kopenhagen vinden we een antwoord op verschillende vragen. Wat werd er in
het dagelijkse nieuws verteld over de klimaattop? Hoe wordt de Europese Unie door de verschillende kranten
beschreven? Wordt het eerder als een laggard of een leader van het hele onderhandelingsproces gezien?
Wordt het falen van de het Europees leiderschap door de meeste analyses bevestigd?
Er wordt voor het onderzoek voornamelijk gebruik gemaakt van kwaliteitsvolle online nieuwssites over de
Europese Unie zoals Euractiv, Europeanvoice en Eurobserver. Ook denktanks zoals CEPS (Centrum for
European Policy Studies) en CLIMATICANALYSIS (een netwerk van academici en experts die
onafhankelijk onderzoek verrichten naar beleid rond klimaatverandering) zijn nuttig voor het vinden van
onderzoeksmateriaal betreffend het klimaatbeleid van de Europese Unie. Ook wordt gebruik gemaakt van
verschillende Policy Briefs, waarin EU experts het Europees klimaatleiderschap analyseren en nieuwe
beleidslijnen naar voren schuiven voor het te versterken.
De primaire bronnen die voor deze thesis worden gebruikt zijn niet alleen afkomstig van Europese denktanks
en nieuwssites. Vooral voor het uitwerken van de derde hypothese rond Structureel leiderschap wordt er
gebruik gemaakt van internationale berichtgeving. In hoofdstuk zes wordt het Europees klimaatbeleid
vergeleken met de Chinese en Amerikaanse aanpak van klimaatverandering. Ook wordt er nagegaan of de
EU wel als leider wordt gepercipieerd door andere machtige partijen binnen het klimaatregime.
Internationale online nieuwssites zoals BBC, Reuters maar ook Xinhua en Chinadaily kunnen ons hierover
een beter beeld geven.
Vervolgens worden ook documenten van de Europese Unie als bron gebruikt voor dit onderzoek.
Communicaties van de Europese Commissie over de Conferentie van Kopenhagen vertellen ons iets over de
verwachtingen van de Unie over de internationale klimaattop. Ook in Parlementaire resoluties staat er vaak
nuttige informatie over de Europese visie over klimaatverandering. Officiële documenten van de EU zijn
belangrijk want zijn directe bronnen van het Europese standpunt voor, tijdens en na de internationale
klimaattop te Kopenhagen.
De tijdspanne van het onderzoek situeert zich voornamelijk tijdens het laatste jaar voor de Kopenhagen
Conferentie tot een periode van enkele maanden daarna. Gedurende deze periode is de aandacht rond de
klimaattop het hoogst en worden de meeste analyses geschreven.
9
2: HISTORISCH OVERZICHT
2.1 Klimaatverandering: een belangrijke politieke uitdaging
Anthony Giddens, wereldberoemde Socioloog, schreef in zijn laatste boek over klimaatverandering: “The
politics of climate change” dat er tegenwoordig wereldwijd drie posities zijn ten opzichte van
klimaatverandering.
De eerste positie is die van de sceptici en gelooft niet dat klimaatverandering een grote bedreiging vormt
voor de mensheid. De minderheid van de groep, die wel aanvaardt dat klimaatverandering bestaat, legt de
oorsprong ervan niet bij menselijke activiteiten maar bij natuurlijke evenementen. Deze visie is volgens
Giddens wetenschappelijk niet erg relevant omdat er bijna geen wetenschappers dit standpunt
onderschrijven. Toch is de sceptische visie belangrijk vanuit een politiek oogpunt. Een groot deel van de
publieke opinie neemt klimaatverandering namelijk niet au serieux en sinds het magere resultaat van de
Conferentie van Copenhagen is deze groep in getal toegenomen. Volgens Giddens gelooft slechts 30% van
de Amerikaanse bevolking dat klimaatverandering een gevaar vormt voor de planeet en de mens .
(http://www.iiea.com/events/lord-anthony-giddens-on-the-politics-of-climate-change)
Het tweede standpunt inzake klimaatverandering is de orthodoxe visie die voornamelijk de standpunten van
het IPCC vertegenwoordigt. In deze intergouvernementele werkgroep werken honderden specialisten samen
aan een nauwkeurig onderzoek omtrent klimaatverandering. Volgens het IPCC is onze planeet wel degelijk
aan het opwarmen en volgens het laatste wetenschappelijke rapport is “het grootste deel van de opwarming
van de laatste vijftig jaar waarschijnlijk toe te schrijven aan de toenemende concentratie van
broeikasgassen” (IPCC, 2007).
Er is volgens Giddens naast het standpunt van het IPCC en dat van de sceptici ook nog een derde visie rond
klimaatverandering. Het is volgens de wetenschapper belangrijk om daar bij stil te staan.
Vertegenwoordigers van de radicale visie zijn namelijk hoofdzakelijk wetenschappers. Zij beweren dat het
IPCC het probleem van klimaatverandering sterk onderschat door de effecten ervan ver in de toekomst te
schuiven en de impact ervan te minimaliseren. Volgens de radicale visie zullen we binnen tien jaar al zware
gevolgen ervaren van klimaatverandering en ondergaat het ecosysteem vandaag al sterke en onomkeerbare
veranderingen door de opwarming van de aarde.
Als we deze drie visies naast elkaar plaatsen komen we tot de vaststelling dat het merendeel van de
wetenschappers wel degelijk gelooft in klimaatverandering en dat het de grootste bedreiging van de 21 ste
eeuw vormt. De opwarming van de aarde is een mondiaal probleem zoals de economische crisis en de
wereldarmoede, maar er is een verschil. De effecten van climate change zijn namelijk onomkeerbaar. Zoals
Giddens het stelt zullen we, als er niet meteen wereldwijd maatregelen worden genomen, als mensheid
verantwoordelijk worden voor onherroepelijke veranderingen van de wereld en haar klimaat: “We are on the
edge of doing something that no other civilisation could ever have accomplished or could ever have been
responsible for: altering the world’s climate in an irrevocable way. Once the greenhouse gasses are in the
10
atmosphere we don’t know how get them out of there and most of them will be in the atmosphere for
centuries” (http://www.iiea.com/events/lord-anthony-giddens-on-the-politics-of-climate-change)
HEDENDAAGSE POSITIES OVER KLIMAATVERANDERING VOLGENS ANTHONY GIDDENS
POSITIONS ON CLIMATE CHANGE AND ITS IMPLICATIONS
SCEPTICS
“climate change is not happening”, “climate change is happening but is not
caused by human activity but by natural events around the world”, “Climate
change is not dangerous”
ORHODOX
“climate change is dangerous and is 90% certain caused by human activity and
by the advent of industrial civilisation”, “the most dramatic implications of
climate change will be around 2040-2050”
RADICALS
“climate change implications are much worse than the IPCC argues”, “The
response of climate change are more proximate, in a period of ten years we will
see dramatic consequences”, “we are already in danger”, “a lot of effects of
climate change are already locked in the world system”
Om de mechanismen van klimaatverandering te begrijpen en om beleidslijnen naar voor te schuiven voor
mogelijke strategieën betreffende mondiale emissie reducties, hebben de Verenigde Naties in 1988 de
intergouvernementele werkgroep betreffende klimaatverandering opgericht. (Intergouvernmental Panel on
Climate Change, afgekort IPCC).
Het panel bestaat uit honderden experts uit heel de wereld. De belangrijkste taak van de organisatie is het
publiceren van rapporten over de laatste onderzoeken rond klimaatverandering. Het vierde en meest recente
rapport verscheen in 2007, het Climate Change 2007 rapport. De pessimistische conclusies van het IPCC
rapport en de uitgave van Al Gore’s film “an inconvenient truth” zorgden in de laatste jaren voor
Copenhagen voor een nieuw sense of urgency inzake klimaatverandering. In de Summary for Policy makers
vind men de belangrijkste conclusies terug van Climate Change 2007:
1) 11 van de warmste 12 jaren sinds 1850 vallen in de laatste 12 jaar
2) De Aarde is in de afgelopen eeuw 0,76% warmer geworden en de temperatuur blijft stijgen.
3) Het zeeniveau is in de twintigste eeuw met 17cm gestegen en door het feit dat de oceanen warmte
blijven opnemen zal de uitzetting blijven doorgaan.
4) De opwarming van de aarde is vooral het gevolg van een toename van antropogene broeikasgassen
in de atmosfeer. De oorzaak hiervan ligt voornamelijk bij menselijke activiteiten zoals verbranding
van fossiele brandstoffen en veranderd landgebruik
5) De CO2 concentratie in de atmosfeer is sinds de Industriële revolutie met 35% toegenomen. Die
toename gaat in de laatste jaren sneller dan ooit.
(IPCC, 2007)
11
De effecten van de opwarming van de aarde zijn zeer uiteenlopend en vormen een grote bedreiging voor de
mensheid. Met een stijging van de temperatuur van amper 1,5ºC zullen verschillende eilandstaten zoals de
Malediven onder water komen te staan. Met een stijging van de temperatuur van 2ºC zal de impact van
klimaatverandering nog sterker toenemen en zullen gevaarlijke niveaus van waterstress en voedseltekorten
ontstaan. Ook zijn er risico’s voor de mondiale gezondheid en zal de kans om besmettelijke ziekten zoals
malaria op te lopen groter worden. Klimaatverandering zorgt ook voor een wereldwijde toename van
natuurrampen. De ontwikkelingslanden die kwetsbaarder zijn, zullen voor de grootste bedreigingen komen te
staan. Tegen 2050 zal dit leiden tot honderdduizenden klimaatvluchtelingen (Coolsaet, 2010).
Zoals hier boven beschreven is de opwarming van de aarde volgens het vierde IPCC rapport een gevolg van
menselijke activiteiten. Vooral de industriële revolutie heeft voor een sterke toename van de uitstoot van
broeikasgassen gezorgd. De geïndustrialiseerde landen dragen de historische verantwoordelijkheid voor
klimaatverandering.
Op de dag van vandaag is echter een opkomende economie als China de grootste vervuiler ter wereld. China
heeft de Verenigde Staten voorbij gestoken en is vandaag verantwoordelijk voor een kwart van de mondiale
uitstoot van broeikasgassen. De Chinese emissies zijn in het jaar 2010 gestegen met 10,4% ten opzichte van
2009.
(http://www.reuters.com/article/2011/06/08/us-energy-bp-emissions-idUSTRE75728120110608)
Door de sterke economische groei is de C02 uitstoot van China gedurende het laatste decennium verdubbeld
en kan haar emissie volgens wetenschappelijke prospecties tegen 2030 even groot worden als die van de
Verenigde Staten, India en de Europese Unie samen (Egenhoffer & Georgiev, 2010)
12
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de totale emissie van een land en de uitstoot pro capita van
dat zelfde land. Elke Chinees afzonderlijk is verantwoordelijk voor minder dan de helft van de CO2 uitstoot
van een Brit en vervuilt maar een vijfde van wat een gemiddelde Amerikaanse burger voor zijn rekening
neemt. China is, samen met de meeste Aziatische landen, van mening dat ze geen historische
verantwoordelijkheid draagt voor klimaatverandering. Het land verdedigt haar recht op economische groei en
ontwikkeling om 150 miljoen Chinese burgers van onder de armoede grens te helpen (Ying Ma, 2010).
De volgende afbeelding illustreert de CO2 emissie per capita van de verschillende landen in het jaar 2000.
De Verenigde Staten is volgens deze classificatie veruit de grootste vervuiler ter wereld wat betreft emissie
per persoon en China positioneert zich beneden het mondiale gemiddelde. Dit is een belangrijk gegeven waar
China vaak op hamert tijdens internationale onderhandelingen.
13
2.2 Het Internationale klimaatbeleid voorafgaand aan de Conferentie van Kopenhagen
Klimaatverandering werd voor het eerst hoog op de mondiale agenda geplaatst met de oprichting van het
UNFCCC, United Nations Framework Convention of Climate Change. Het mondiale verdrag rond
klimaatverandering werd opgesteld in 1992 op de Conferentie van Milieu en Ontwikkeling van de Verenigde
Naties in Rio de Janeiro, ook wel bekend als de “Eart Summit”. De conventie had als belangrijkste
doelstelling de stabilisatie van broeikasgassen in de atmosfeer tot op een niveau dat het gevaarlijke
interferenties met het klimaatsysteem zou vermijden (http://unfccc.int/2860.php).
Het UNFCCC verdrag streeft geen bindende doelstellingen na. Er werd wel beslist dat de partijen van de
Conventie elkaar jaarlijks zouden ontmoeten om op zoek te gaan naar een manier om het verdrag verder te
operationaliseren. Het UNFCCC telt vandaag 192 landen die elk jaar samen komen op de “COP’s”, oftewel
op de Conferences of the Parties. De belangrijkste conferentie tot nu toe is de Conferentie van Kyoto waar in
1997 het Kyoto Protocol werd opgericht. Dit werd het eerste bindend klimaatverdrag op mondiaal niveau.
Hieronder zullen de belangrijkste Conferenties van het UNFCCC beschreven worden in de runner up naar de
Conferentie van Kopenhagen: de onderhandelingen te Kyoto, Montreal en Bali.
2.2.1 De klimaatonderhandelingen in Kyoto 1997
Het Kyoto Protocol verdeelt de landen van het UNFCCC in twee groepen: de Annex I landen en de nietAnnex I landen. De eerste groep verenigt de geïndustrialiseerde landen en de economieën in transitie. Bij de
tweede groep horen de ontwikkelingslanden. De Annex I landen moeten onder het Kyoto Protocol bindende
emissiereductiedoelstellingen nastreven. De eerste verbintenisperiode waarin deze doelstellingen worden
nagestreefd loopt van 2008 tot 2012. De tweede groep landen daarentegen moet tot en met 2012 geen
bindende emissiereducties nastreven.
Onder de Conventie wordt het principe van gemeenschappelijk maar gedeelde verantwoordelijkheid,
“common but diferentiated responsabilities” erkend. Dit principe stelt dat de grootste verantwoordelijkheid
van de opwarming van de aarde bij de industrielanden ligt. Het Kyoto Protocol legt daarom strengere regels
op aan de economisch geavanceerde landen (http://unfccc.int/2860.php).
Het eerste bindend verdrag van het UNFCCC werd in 1997 opgesteld maar ging pas in 2005 van kracht. In
2001 trokken de Verenigde Staten zich terug en beslisten het Protocol niet te ratificeren. De mondiale
inspanningen tegen klimaatverandering dreigden in elkaar te storten omdat de mondiale grootmacht zich
terugtrok. De Europese Unie besloot echter om de strijd niet op te geven en overhaalde andere industrie
landen om werk te maken rond de implementatie van de Kyoto doelstellingen.
Het Kyoto Protocol streeft naar een algemene reductie van de broeikasgassen in de atmosfeer van ongeveer
5% ten opzichte van 1990. Aan de Europese Unie werd een target van 8% opgelegd, wat van de EU de meest
ambitieuze partij van het Kyoto Protocol maakt. De EU legt op haar beurt de Kyoto regels op aan haar
lidstaten met een intern systeem van burden sharing (Oberthür & Pallemaerts, 2010).
Het Protocol is ook bekend voor het waarmaken van een aantal marktmechanismen die de implementatie van
de Kyoto regels vergemakkelijken. Zo is de international carbon Emissions Trading System (ETS) opgericht,
14
het Clean Development Mechanism en de Joint Implementation. Zowel de CDM en de JI maken het voor de
investeerders mogelijk om emissiereductie projecten te financieren in ontwikkeling- en Oost-Europese
landen (Oberthür & Pallemaerts, 2010).
Op de volgende afbeelding zien we de wereldwijde Kyoto Protocol targets van de deelnemende partijen:
(Presentatie Vanden Brande, Ugent, 2011)
2.2.2 De Klimaatonderhandelingen in Montreal 2005
Een andere belangrijke stap in de geschiedenis van de internationale klimaatonderhandelingen was de
conferentie van Montreal. De verwachtingen voor de conferentie lagen hooggespannen: in Montreal zouden
de onderhandelingen over het klimaatbeleid na 2012 van start gaan. Europa trok naar Montreal met
ambitieuze slogans als: “De strijd winnen tegen klimaatverandering” (Vanden Brande, 2006, p.87).
De discussie in Montreal vernauwde zich al snel rond twee sporen: zou men na 2012 het Kyoto spoor blijven
volgen of een meer vrijblijvende lange-termijn strategie inslaan? Het Kyoto Protocol ligt aan de basis van
het Europees klimaatbeleid maar op Montreal presenteerde de EU het eerste spoor voor het eerst
niet meer als een “alles-of-niets doctrine”. De Europese leiders beslisten om zich flexibeler op te
stellen onder het motto van: “onderhandelen en niet meer dicteren” en stelden zich open voor de
opinie van andere actoren zoals de VS. De conferentie van Montreal eindigde met een zwakke deal
en werd inhoudelijk ingevuld door de VS. Er werd een informele dialoog rond een alternatieve
langetermijnstrategie, long term cooperative action, opgestart met de nadruk op Amerikaanse
methodes als brede participatie, vrijwillige emissie reducties via bilaterale en regionale akkoorden,
15
energie efficiëntie en het financieren van onderzoek naar nieuwe technologieën (Vanden Brande,
2006).
2.2.3 De klimaatonderhandelingen in Bali 2007
Het Bali-actieplan dat eind 2007 tot stand kwam gaf dan weer het startschot voor een nieuwe reeks
onderhandelingen die gericht waren tot het nemen van belangrijke beslissingen op de COP15 te
Kopenhagen. In Bali werden er vier uitdagingen op tafel gelegd: mitigation, adaptation, technology
transfer en financing. (http://www.undp.org/climatechange/ docs/ UNDP BAP Summary.pdf)
Naast het belang van wereldwijde mitigatie van broeikasgassen werd in Bali voor het eerst adaptatie even
hoog op de agenda geplaatst. Er werd op de Conferentie erkend dat het globale Zuiden recht heeft op
financiële steun en technologie transfers van het Noorden om zich tegen de bedreigingen van
klimaatverandering te kunnen beschermen.
Het Bali-Actie plan werd in real-politieke termen een succes. De ontwikkelingslanden gaven voor het eerst
teken dat ze het klimaatprobleem serieus namen en dat ze bereid waren om concrete mitigatie inspanningen
te doen. Deze mitigatie acties zouden volgens het Bali Actie Plan wel de gepaste financiële steun moeten
krijgen van de industrielanden
Ook de Verenigde Staten namen in Bali een belangrijke beslissing. Tijdens de laatste dramatische uren van
de Conferentie werd het land door grote internationale druk eindelijk over de streep getrokken. De VS
beslisten zich te engageren om klimaatverandering te bestrijden en ze zouden dat doen binnen het Conventie
spoor. Zoals al beschreven werd de dialoog rond long term cooperative action informeel opgestart in
Montreal. In Bali werd dit tweede spoor erkend als een nieuw officieel onderdeel van de mondiale
klimaatonderhandelingen (Ott, Sterk & Watanabe, 2008).
Rond de twee sporen werden twee werkgroepen opgestart: de werkgroep rond het Kyoto-protocol (AWGKP) en de algemene werkgroep rond de langetermijnstrategie van de Conventie (AWK- LCA). De relatie
tussen de twee sporen bleef in de aanloop naar Kopenhagen onduidelijk. Ten opzichte van het eindproduct
wist men niet of men op zoek was naar een overeenkomst tussen de twee werkgroepen of dat men in
Kopenhagen juist werk wou maken van een compleet nieuw verdrag (Schunz & Bruyninckx, 2009).
Bali werd het startschot voor twee jaar intensieve onderhandelingen die op de COP van Kopenhagen naar
een algemeen akkoord moesten leiden. De verwachtingen lagen zeer hoog en de inspanningen waren groot.
Kopenhagen werd echter een grote teleurstelling omdat er geen nieuw verdrag kwam voor de periode na
2012.
16
2.3 Het Europees klimaatbeleid voorafgaand aan de Conferentie van Kopenhagen
Volgens Oberthür en Pallemaerts is het Europees klimaatbeleid in tandem geëvolueerd samen met het
internationaal klimaatbeleid. Het internationale regime kreeg vorm begin jaren ’90 en werd verder
uitgewerkt in de jaren 2000. Zo heeft het Europees klimaatbeleid de laatste twee decennia ook vorm
gekregen en is het geëvolueerd van het stadium van ontwikkeling tot het stadium van implementatie. De EU
is volgens de auteurs de voorbij decennia de belangrijkste actor en leider geweest in de aanpak van
klimaatverandering op internationaal niveau (Oberthür & Pallemaerts, 2010).
In de vorige paragraaf hebben we de belangrijkste stappen van het internationaal milieu beleid toegelicht.
Hieronder zullen we stil staan bij de belangrijkste Europese acties en vervolgens een link leggen tussen het
internationale en het Europese niveau.
In 1990, twee jaar na de oprichting van het IPCC, stond klimaatverandering voor het eerst op de agenda van
de Europese Raad. De Unie leek bereid te zijn om maatregelen te nemen voor het minderen van de uitstoot
van broeikasgassen tegen 2000 ten opzichte van het basisjaar 1990. Deze mitigatieplannen waren voor de EU
geen enorme inspanning gezien de emissies van schadelijke stoffen in die periode spontaan verminderden
door de eenmaking van Duitsland (dus het sluiten van zware industrieën van de ex-Sovjet Unie) en het
overschakelen van kolen tot gasenergie in Engeland.
In 1996 maakte de EU een belangrijke stap door op een EU top vast te leggen dat de gemiddelde temperatuur
met niet meer dan 2˚C mocht stijgen in vergelijking met het pre-industriële niveau. Sinds dan is deze regel
een algemene doelstelling geworden van het Europees klimaatbeleid op internationaal niveau (Oberthür &
Pallemaerts, 2010)
Met de ratificatie van het Kyoto-protocol in 1997 nam de Europese Unie de meest ambitieuze doelstelling op
zich en streefde naar een vermindering van 8% CO2 uitstoot tegen 2012 ten opzichte van 1990. Het
nastreven van de Kyoto doelstellingen startte echter met een zekere vertraging want het European Climate
Change Programme (ECCP) werd pas in 2000 opgericht. Het programma werkte een Europese strategie uit
om klimaatverandering tegen te gaan en het Kyoto-protocol werd daar de hoeksteen van. Één van de
belangrijkste elementen van de strategie werd het oprichten van een EU Emission Trading System (ETS).
Het ETS ging van kracht in 2005 en werkt met het cap and trade principe. Binnen het ETS wordt er een cap,
een limiet, vastgelegd op het totaal aantal broeikasgassen dat de industrie, energie centrales en andere
installaties van een land mogen uitstoten. Binnen deze limiet krijgen de verschillende bedrijven emissie
rechten die ze mogen doorverkopen aan andere instellingen. De Europese carbon market ontstaat omdat het
maximum aantal emissies vast ligt en dat deze binnen het systeem een waarde krijgen.
Het EU ETS is de hoeksteen van het Europees klimaatbeleid. Het dekt 40% van de totale emissie binnen de
EU en zal er voor zorgen dat de emissies van broeikasgassen in de atmosfeer zullen dalen met 21% ten
opzichte van 2005 (http://ec.europa.eu/climateaction/eu_action/index_en.htm).
Het succes van het eerste internationale ETS systeem inspireerde ook andere landen om regionale koolstof
markten uit te bouwen. De onderliggende finale doelstelling van de Unie is haar koolstofmarkt te linken met
andere markten en zo langzamerhand de ruggengraat te vormen voor een global carbon market.
17
Volgens de analyse van Oberthur en Pallemaerts is de rol van de EU in het internationale klimaatregime de
laatste twintig jaar geëvolueerd van laggard, oftewel volger naar leader, voorloper van de mondiale actie.
Met de ratificatie van het Kyoto-protocol, het oprichten van het ECCP en het uitbouwen van een Europese
emissiemarkt dichtte de Unie de kloof tussen internationale retoriek en Europees beleid en dit gaf een boost
aan de geloofwaardigheid van het Europees leiderschap (Oberthür & Pallemaerts, 2010)
Vooral het “klimaat en energie pakket” van 2007 maakte van de Europese Unie een geloofwaardige
internationale voorloper van de strijd tegen klimaatverandering.
Het pakket werd omgezet in Europese wet in 2009 en streeft de ambitieuze “20-20-20” doelstellingen na:
EU KLIMAAT EN ENERGIE PAKKET 2007
20% minder emissies van broeikasgassen tegen 2020
20% van de Europese energie te halen uit hernieuwbare energie bronnen
20% minder verbruik van energie door het nastreven van energie efficiëntie
De lidstaten van de EU toonden zich met het klimaat en energie pakket ook bereid om te streven naar een
emissie reductie van 30% tegen 2020 op voorwaarde dat andere belangrijke economieën ook vergelijkbare
inspanningen zouden leveren (http://ec.europa.eu/climateaction/eu_action/index_en.htm).
Met de invoering van deze nieuwe richtlijnen bewees Europa dat ze bleef volhouden in haar leidinggevende
rol en dat ze als internationale voortrekker naar Kopenhagen zou gaan.
Stavros Dimas, voormalige Europese commissaris voor milieu, zei in een toespraak van april 2009 het
volgende over Kopenhagen: “The stakes could not be higher. Copenhagen is the world’s last chance to put
global emissions on a track that can prevent dangerous climate change. It is an historic opportunity we
cannot afford to miss” (Dimas, 2009).
De finale uitkomst van de COP15 te Kopenhagen lag ver beneden de Europese verwachtingen. De volgende
paragraaf zal beschrijven hoe de Conferentie tewerk ging en waarom het een grote teleurstelling werd voor al
diegenen die hoopten op een ambitieuze aanpak van het probleem voor de periode na 2012.
18
2.4 De Conferentie van Kopenhagen 2009
De verwachtingen voor de vijftiende Conference of de Parties van 2009 in Kopenhagen lagen wereldwijd
hooggespannen: staatshoofden en ministers van 192 landen zouden samen aan tafel gaan zitten om een
nieuwe verbintenis uit te werken voor de periode na 2012, wanneer het Kyoto Protocol afloopt. Het Bali
Actie plan had in 2007 het startschot gegeven voor een nieuwe reeks onderhandelingen die in 2009 tot een
mondiaal resultaat moesten leiden.
Vooral de Europese Unie werd aanzien als voorloper in de strijd tegen klimaatverandering en binnen en
buiten de EU verwachtte men van de Unie een leidersrol op de conferentie. De Europese verwachtingen voor
de Conferentie van Kopenhagen kan men terugvinden in de conclusies van de Europese Raad, de Raad van
milieuministers en de Raad van de ministers van financiën van het jaar 2009.
Dit waren de belangrijkste Europese doelstellingen voor de Conferentie van Kopenhagen:
1) Lange termijn doelstellingen voor wereldwijde emissie reducties van 25-40% tegen 2020 en van
50% tegen 2050 ten opzichtte van 1990
2) Mitigatie inspanningen van ontwikkelingslanden. Europa maakt bij deze een verschil tussen de
opkomende economieën en de minst ontwikkelde landen. Alleen van landen waarvan de uitstoot snel
groeit, zoals China en India, verwacht de EU reducties tussen de 15 en 30% beneden hun “business
as usual”-lijn.
3) Wereldwijde targets om de CO2 uitstoot van de internationale luchtvaart en het maritiem transport te
verminderen.
4) Ontbossing met de helft verminderen tegen 2020.
5) Financiële hulp voor ontwikkelingslanden.
(European Council 2009 in Oberthur & Pallemaerts, 2010)
De twee belangrijkste punten van het magere Kopenhagen Akkoord luidden als volgt:
1) Een internationale mitigatie inspanning om een stijging van de temperatuur boven de 2°Celsius te
vermijden. De deelnemende landen worden in het akkoord verzocht om vrijwillige emissie reductie
doelstellingen aan te geven tegen 31 januari 2010. De meeste landen onder de conventie zijn hun
beloften nagekomen en hebben hun vrijwillige inspanningen publiek gemaakt.
2) Het oprichten van een Copenhagen Green Climate Fund om ontwikkelingslanden te steunen in hun
mitigatie en adaptatie inspanningen. De korte termijn financiële inspanning voorziet 30 miljard
dollar per jaar voor de periode 2010-2012 aan steun en de lange termijn doelstellingen voorziet een
financiële steun van 100 miljard dollar per jaar voor de periode 2012-2020
(http://unfccc.int/meetings/cop_15/copenhagen_accord/items/5262.php)
Het merendeel van de Europese doelstellingen zijn niet weerspiegeld in het finale Akkoord. Hoe het komt
dat de Unie heeft gefaald in haar leidersrol en de rest van de wereld niet heeft kunnen warm maken voor een
grotere mondiale inspanning wordt in de loop van het onderzoek geanalyseerd.
19
Op de COP15 was de EU maar één van de belangrijke spelers binnen het internationaal forum. De Verenigde
Staten en China die de grootste vervuilers zijn speelden op de conferentie minstens een even belangrijke rol.
In de aanloop naar Kopenhagen was er hoop dat de Verenigde Staten onder Obama werk ging maken van
een ambitieus internationaal klimaat akkoord. Todd Stern, de lead negotiator van de VS, had begin 2009
gezegd dat Amerika “powerfully, fervently engaged” was in de onderhandelingen rond klimaatverandering.
De hoop in de Verenigde Staten kelderde echter wanneer de binnenlandse milieu wetgeving niet werd
goedgekeurd door de Senaat. In Kopenhagen beschikte Obama hierdoor niet over het wettelijk mandaat om
zijn land te verbinden aan concrete emissie reductie doelstellingen (Meilstrup, 2010).
Een andere belangrijke actor van de onderhandelingen was de China-G77 coalitie. Deze groep verenigde
landen met een hoge emissie uitstoot zoals China en India met de minst ontwikkelde landen. De China G77
coalitie hield zich tijdens de onderhandelingen vast aan haar principes en dat bemoeilijkte het zoeken naar
een mondiale oplossing. De ontwikkelingslanden vinden dat het Westen de verantwoordelijkheid draagt voor
de opwarming van de aarde. Deze groep eist daarom belangrijke inspanningen van de rijke landen om het
probleem te bestrijden. Het principe van “common but differentiated responsabilities” wordt door deze
landen sterk benadrukt: de ontwikkelingslanden staan open voor mitigatie inspanningen, maar verwachten
grotere inspanningen van de industrie landen.
De groep van de BASIC-landen was ook een machtige groep op de conferentie. Deze coalitie verenigt sinds
Kopenhagen de grootste opkomende economieën zoals Brazilië, Zuid-Afrika, India en China op
klimaatonderhandelingen. Deze groep landen is verantwoordelijk voor een groot aandeel van de mondiale
uitstoot, maar onderschrijft de zelfde principes van de meeste ontwikkelingslanden.
Symbool strijd tussen “the west and te rest” werd het conflict tussen de twee grootste vervuilers ter wereld:
China en de Verenigde Staten. De discussies tussen beide landen vernauwden zich rond emissie verificatie
in China en emissie reductie in de Verenigde Staten. China hield in Kopenhagen voet bij stuk en aanvaarde
geen internationale controle op haar vrijwillige binnenlandse reductie doelstellingen. Deze werden door het
land namelijk ervaren als een schending van de nationale soevereiniteit. De VS daar in tegen weigerden
ambitieuze cijfers naar voren te schuiven als China geen internationale controle aanvaarde op haar
grondgebied (Meilstrup, 2010).
Op vrijdag 17 december, laatste dag voor de algemene slot vergadering, kwam de premier van China Wen
Jiabao niet opdagen in de vergaderzaal. Obama ging naar hem op zoek, “in a curious diplomatic game of
hide-and-seek” (Meilstrup, 2010, p.16). De Amerikaanse president vond de Chinese premier uiteindelijk in
een informele vergadering met de andere vertegenwoordigers van de BASIC landen. De ontmoeting van
Obama met de leiders van de BASIC landen eindigde met het opstellen van het Copenhagen Akkoord. De
amper drie pagina’s tekst van het akkoord werd op de voorlaatste dag van de Conferentie snel samengesteld
door een beperkte groep leiders en bevatte geen bindende doelstellingen.
De verontwaardiging tijdens de Algemene Vergadering was groot toen het Akkoord in de plenaire zaal ten
goedkeuring werd voorgesteld. De uitkomst werd door de meeste landen bestempeld als ondemocratisch en
illegaal: het was tot stand gekomen gedurende een geheime vergadering en was opgesteld door een vijftal
20
landen. De meeste VN procedures werden niet gerespecteerd en het duurde daarom meer dan zeven uur voor
dat de meeste landen besloten “akte” te nemen van het akkoord. Gedurende de laatste plenaire vergadering,
die achteraf door velen werd vergeleken met een nachtmerrie, verwierpen verschillende landen zoals Sudan,
Bolivia, Cuba en Venezuela het akkoord. De vertegenwoordiger van Sudan vergeleek het Akkoord met de
Holocaust omdat het miljoenen mensen levens zou kosten in Afrika (http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/
nature/8422133.stm)
De reacties van de Europese leiders na de Conferentie gaven uiting aan hun diepe teleurstelling. De
voorzitter van de Europese Commissie noemde het gedurende zijn speech in de laatste uren van de
conferentie een akkoord dat “ver beneden” de Europese doelstelling lag. “Ik zal mijn teleurstelling niet
verbergen”,
sprak
José
Manuel
Barroso.(http://www.euractiv.com/en/climate-change/eu-looks-weak-
copenhagen-climatedeal/article -188501 De Zweedse Premier, toenmalige voorzitter van de Europese Raad,
zei dat het akkoord geen oplossing bood voor de dreiging van klimaatverandering. Nicolas Sarkozy, de
Franse President, weigerde initieel het akkoord te ondertekenen, zo diep was zijn teleurstelling (Curtin, 2010,
p.6).
Na de Conferentie ontstond er een algemene overtuiging dat de EU gefaald had in Kopenhagen. De Europese
Unie die gedurende de laatste decennia steeds een voorloper was geweest in de strijd tegen
klimaatverandering had geen invloed gehad op het finale akkoord.
Dit onderzoek zal de mogelijke redenen voor het falen van het Europees leiderschap in Kopenhagen
analyseren. Maar voor dat de verschillende onderzoeks hypothesen naar voren worden geschoven wordt er in
de wetenschappelijke literatuur op zoek gegaan naar een theoretisch kader rond leiderschap.
21
3: LITERATUURSTUDIE
Er wordt in de literatuur veel geschreven over leiderschap binnen internationale onderhandelingen en ook
over klimaatleiderschap in het specifiek. In het eerste deel van deze literatuurstudie gaan we op zoek naar de
theorie rond leiderschap in het algemeen. In het tweede deel wordt het Europese klimaatleiderschap
besproken met behulp van de driedelige definitie van Gupta en Grubb. Het derde paragraaf maakt een
analyse over hoe de wetenschappelijke literatuur de mondiale klimaatleidersrol van de EU verklaart.
3.1 Leiderschap binnen internationale onderhandelingen
Het concept van leiderschap werd op het einde van de jaren ’80, begin jaren ’90 geïntroduceerd in de studie
van internationale regimes. Het beschrijft de rol dat sommige partijen op zich nemen binnen internationale
onderhandelingen om tot een gemeenschappelijk besluit te komen. Het concept werpt het licht over een
belangrijk aspect van internationale conferenties: deelnemende landen kunnen zich onderling van elkaar
onderscheiden in wilskracht en capaciteit om verantwoordelijkheid op te nemen en de andere partijen te
leiden tot oplossingen (Skodvin & Andresen, 2006, p. 13).
Volgens de meeste onderzoekers is leiderschap essentieel voor het opzetten en behouden van internationale
regimes. Young, belangrijke auteur van de jaren ’90 voor de studies over leiderschap, schrijft dat
“Leadership.. is a critical determinant of success or failure in the process of institutional bargaining that
dominate efforts to form international regimes or, more generally, institutional arrangements in
international society” (Edwards, 2002, p.9).
Er zijn verschillende definities van leiderschap. Zo maakte Young (1991) in zijn bijdrage een onderscheid
tussen drie types van leiderschap: Structureel leiderschap vloeit voort uit politieke en economische macht,
entrepeneurial of ondernemend leiderschap legt de nadruk op de diplomatieke capaciteiten van een land en
intellectueel leiderschap is de capaciteit van een land om andere partijen te overtuigen om mee te helpen
vorm geven aan het regime (Gubta & Grupp, 2000, p.18)
Underdal (1994) maakte in zijn analyse een andere classificatie van leiderschap, maar ook hij maakte een
onderscheid tussen drie manieren om leiderschap te benaderen: dwangmatig leiderschap gebaseerd op het
hanteren van “de wortel en de stok”, instrumenteel leiderschap waar men politieke middelen inzet voor het
zoeken van gemeenschappelijke oplossingen door de kunst van de diplomatie en unilateraal leiderschap dat
eventuele impasses in de onderhandelingen wil doorbreken door het maken van unilaterale beslissingen die
over een grote symbolische kracht beschikken (Gubta & Grupp, 2000, p.18).
Zo wordt het leiderschaps concept op verschillende manieren benaderd door de wetenschappelijke literatuur
en ontstaan er meerdere definities die ons helpen om het concept van leiderschap in een theoretisch kader te
zetten. Na een korte beschrijving van deze verschillende definities, waar we later nog op zullen terugkomen
om ze op klimaatleiderschap in het specifiek toe te passen, is het belangrijk om even stil te staan bij de
rationele motivatie die onderhandelingspartijen kunnen hebben om leiderschap uit te oefenen.
Skodvin en Andresen maken in hun bijdrage een onderscheid tussen potentieel en reëel leiderschap. Landen
met een potentieel aan leiderschap kunnen een gebrek aan motivatie hebben om leiderschap uit te oefenen.
22
De Verenigde Staten hebben binnen het internationale klimaatregime een groot potentieel aan leiderschap
omwille van hun economische macht. Ook hebben ze een groot aandeel in de mondiale uitstoot van
broeikasgassen en beschikken ze over een sterke diplomatieke macht in internationale conferenties. Toch
besloten ze om vanaf de jaren ’90 hun leidersrol binnen internationale klimaatonderhandelingen op te geven.
De terugtrekking van de VS uit het internationaal klimaat regime opende de weg voor de Europese Unie om
internationaal klimaatleider te worden.
Volgens de “rational choice” benadering van Skodvin en Andresen nemen landen met een potentieel aan
leiderschap een leidersrol op zich in de volgende situaties:
1) Wanneer de aard van de doelstellingen van de leider verschillen van die van de andere partijen
2) Wanneer de leider beter geïnformeerd is dan de andere partijen.
3) Wanneer een land vindt dat het in haar belang is om de motivatie van de andere partijen te
beïnvloeden door de eerste stap te zetten in internationale onderhandelingen.
De auteurs stellen zich vervolgens de vraag in hoeverre het land dat een leidersrol op zich neemt
gemotiveerd is door eigenbelang of de touwtjes eerder in handen wil nemen om het algemeen belang na te
streven. Verschillende definities van leiderschap die we in de literatuur terugvinden leggen de nadruk op
“gemeenschappelijk belang” als belangrijkste motief voor leiderschap. Zo associeert Underdal leiderschap
met “the collective pursuit of some common good or joint purpose” en beweert ook Malnes dat “A leader is
supposed to look beyond his or her own interests and concerns, to the interests of a wider group, notably his
or her followers” (Skodvin & Andresen, 2006, p.16).
Maar deze interpretatie van leiderschap is niet compatibel met andere beschrijvingen en vooral niet met het
concept van structureel leiderschap. Structureel leiderschap is volgens Young vooral de uiting van eigen
belangen en interesses. Het idee dat individuen handelen “to promote their own values” is volgens de auteur
voldoende om het gedrag van structurele leiders te omschrijven en verklaren. Underdal beschrijft structureel
leiderschap, dat de auteur coercive leadership noemt, in essentie als het nastreven van eigen interesses en
belangen en het opleggen daarvan op derden (Skodvin & Andresen, 2006, p.16).
Het concept van structureel leiderschap bemoeilijkt het maken van een onderscheid tussen een
voortrekkersrol dat voortvloeit uit eigenbelang of dat van een rol die als belangrijkste motief het nastreven
van het algemeen belang heeft. Maar de spanning tussen deze twee omschrijvingen van leiderschap binnen
internationale onderhandelingen kan worden overstegen wanneer het hanteren van het ene niet impliceert dat
het andere wordt uitgesloten. De twee motieven zijn met elkaar compatibel en het is belangrijk om nuances
te maken. Volgens Malnes is het nastreven van eigen belang niet de belangrijkste factor dat tot leiderschap
leidt. Dat wil daarom niet zeggen dat leiders hun eigen interesses volledig negeren en aan de kant zetten.
Toch is er volgens verschillende auteurs (Malnes en Underdal ondermeer) een zekere opoffering nodig om
een leidersrol op te nemen. Partijen die alleen maar in hun eigen belang handelen zullen niet genoeg
overtuigingskracht hebben en daarom geen “positieve” invloed uitoefenen op derden. Wat er dan precies met
“positief” wordt bedoeld en wie daarover beslist wordt door beide auteurs niet verder gespecifieerd
(Skodvin en Andresen, 2006).
23
Skodvin en Andresen komen tot het besluit dat het afbakenen van het begrip “leiderschap” ten opzichtte van
andere onderhandelingstechnieken niet duidelijk is. Het is onduidelijk of leiderschap te maken heeft met het
nastreven van een gemeenschappelijk goed doel. Het is ook niet duidelijk hoe de positieve invloed ervan op
derden gemeten moet worden. Toch is het volgens de auteurs belangrijk om zich deze vragen te stellen en stil
te staan bij het fenomeen van leiderschap. Daarover een analyse maken kan leiden tot een empirische
meerwaarde die ons de dynamiek binnen internationale onderhandelingen beter doet begrijpen.
3.2 Leiderschap binnen internationale klimaatonderhandelingen
Gupta en Grupp komen in hun boek “Climate change and European leadership: A sustainable role for
Europe?” tot een synthese van de verschillende beschrijvingen van leiderschap. Op basis van voormalige
definities van vroegere auteurs als Young, Underdal een Malnes (die we in de vorige paragraaf
introduceerden) komen Gupta en Grubb tot de conclusie dat er in de verschillende beschrijvingen van
leiderschap kostanten terugkomen. Deze gelijkenissen worden bijeengebracht in de drie definities van
leiderschap volgens Gupta en Grupp: Structureel, Instrumenteel en Directioneel leiderschap. Het is
vertrekkende van deze drie benaderingen dat de basis-hypothesen van dit onderzoek zijn ontstaan om het
falen van het Europees leiderschap op de COP15 te Kopenhagen te verklaren.
GUPTA
& YOUNG
UNDERDAL
MALNES
Brief Description
Coercive
“Sticks&
carrots”
Use incentives based on political
and economic power
INSTRUMENTEEL Entrepeneurial
Instrumental
Problem
solving
Craft structures and
diplomatic
skill
to
“winning” coalitions
DIRECTIONEEL
Unilateral
Directional
Use of ideas and domestic
implementation to influence the
perception of other countries as to
what is desirable and possible
GRUBB
STRUCTUREEL
Structural
Intellectual
apply
create
(Gupta en Grubb, 2000, p.23)
Gupta en Grubb maken een onderscheid tussen leiderschap en hegemonie. Hiervoor maken de auteurs
gebruik van de definitie van Keohane: een hegemon is een partij of land dat beschikt over een overvloed aan
materiele bronnen. Deze definitie verwijst naar de structurele macht van een actor. De Verenigde Staten zijn
sinds 1945 vaak beschreven geweest als een hegemonie (Edward, 2002)
De strijd tegen klimaatverandering is een probleem dat zich uitstrekt over een lange periode en de macht van
een hegemon is onvoldoende duurzaam om het internationale regime te blijven sturen. Structurele macht,
met hegemonie als meest extreme vorm, is belangrijk binnen internationale klimaatonderhandelingen, maar
is niet de enige vorm van leiderschap die nodig is om de strijd tegen klimaatverandering aan te gaan. Gupta
en Grubb hebben het daarom ook over drie dimensies van leiderschap: directioneel, instrumenteel en
structureel leiderschap.
24
3.2.1 Structureel leiderschap
Structureel leiderschap vloeit voort uit de economische en politieke macht van de betrokken partij.
Leiderschap heeft volgens deze definitie veel te maken met hoe machtig een land is in de wereldorde.
Hegemonie is volgens Young en Underdal het toppunt van deze beschrijving van leiderschap.
Gupta en Grupp linken structurele macht binnen klimaatonderhandelingen met de totale emissie van een
land, en dus met het aandeel dat het land heeft in de vervuiling van de atmosfeer en met hoeveel geld een
land bereid is op tafel te leggen voor de aanpak van het klimaatprobleem (Gupta & Grubb, 2000).
De Europese Unie heeft door de ratificatie van het Kyoto-protocol een voortrekkersrol op zich genomen in
de strijd tegen klimaatverandering. Op de Conferentie van Copenhagen lagen de verwachtingen zeer hoog en
dacht men een ambitieuze agenda op te stellen voor een mondiale aanpak van klimaatverandering. De Unie
had uiteindelijk geen invloed op het finaal akkoord dat ver beneden haar verwachtingen lag. Het oude
continent had waarschijnlijk de gevolgen van een wereld in volle verandering onderschat: China en de
Verenigde Staten hebben binnen internationale klimaatonderhandelingen de grootste structurele macht als we
de definitie van Gupta en Grupp volgen: ze zijn namelijk verantwoordelijk voor de grootste uitstoot van C02
in de atmosfeer en zijn de grootste economieën ter wereld.
3.2.2. Instrumenteel leiderschap
Instrumenteel leiderschap legt de focus op de onderhandelingscapaciteiten van een partij gedurende
internationale klimaatconferenties. Spreekt de Unie met een gewichtige stem en vooral spreekt de Unie wel
met één stem? Kan Europa binnen internationale onderhandelingen snel en flexibel reageren op uitdagingen
van andere actoren?
De Unie is in klimaatonderhandelingen een speciale actor. Het is zoals het al eens wordt benoemd een sui
generis systeem, iets tussen een internationale organisatie en een supranationale staat. Binnen de VN vragen
andere landen zich wel eens af of de Europese Unie een actor is die over een eigen persoonsrecht beschikt of
dient als diplomatisch forum voor de lidstaten. In sommige fora gedraagt de EU zich als volwaardige partij,
zoals in de WHO en de FAO, maar in andere fora zijn het de lidstaten die het laatste woord hebben (Van
Schaik, 2010, p.245).
Klimaatverandering is binnen de Europese Unie een gemengde bevoegdheid tussen de Europese Commissie
en de lidstaten. Vaak ligt het initiatief bij de Commissie maar is het de Raad die de belangrijkste beslissingen
neemt. De Europese Unie werd op de COP15 vertegenwoordigd door verschillende leiders en dat zorgt voor
verwarring bij de andere deelnemers. Er is een gebrek aan sterke individuen en dat zorgt voor een minder
effectief instrumenteel leiderschap: individuele capaciteiten spelen binnen deze vorm van leiderschap
namelijk een belangrijke rol. Vooral in de definitie van Young over “entrepeneurial leadership” wordt er
gefocust op het belang van individuele capaciteiten. Wanneer de nadruk op individuele capaciteiten wordt
gelegd ontstaat er voor de Europese Unie een “governance” probleem omdat de Unie binnen internationale
onderhandelingen niet met één stem spreekt. Op een conferentie zoals die van Kopenhagen moeten alle
discussiepunten door alle 27 lidstaten behandeld worden. Dit bemoeilijkt het onderhandelingsproces en zorgt
25
er voor dat de Unie niet flexibel genoeg kan reageren op vragen van buitenstaanders. Volgens de huidige
Commissaris voor klimaatverandering Connie Hedegaard reageerde de Unie in Kopenhagen vaak te traag
(Van Schaik, 2010, p. 263).
Volgens Gupta en Grubb moeten onderhandelaars die een effectief instrumenteel leiderschap willen
uitoefenen strategieën oprichtten die rekening houden met het lange termijn aspect van klimaatverandering.
Daarnaast moet men focussen op het feit dat de deelnemende landen van de conferenties een waaier aan
uiteenlopende belangen en doelstellingen hebben. Internationale klimaatonderhandelingen zijn zeer complex
want zijn ook verbonden met de Noord-Zuid tegenstellingen. Er moeten volgens de auteurs institutionele
structuren ontstaan die de verschillende noden en belangen van de partijen tegenmoet komen en dat kan niet
gebeuren zonder de actieve deelneming van de ontwikkelingslanden.
Een specifiek aspect van instrumenteel leiderschap is het vormen van coalities. Volgens Sebenius (1991)
gaat effectief instrumenteel leiderschap samen met het oprichtten van structuren en het toepassen van
diplomatieke capaciteiten dat tot “winning coalitions” leid. Op die manier wordt het vormen van blokkerende
formaties vermeden (Gupta & Grubb, 2000, p.20).
Door de redenen die zojuist werden beschreven heeft de EU het moeilijk met het uitoefenen van een effectief
instrumenteel leiderschap. Vooral de interne besluitvormingsprocedures komen te traag op gang en de EU
wordt op die manier minder ondernemend dan andere actoren in internationale conferenties. In het maken
van winnende coalities heeft de Unie wel een sterkere troef. Door de sterke band met haar voormalige
kolonies kan Europa sneller het vertrouwen winnen van ontwikkelingslanden (Edwards, 2002, p. 12).
Waarom de Europese Unie op de Conferentie van Kopenhagen faalde in haar instrumenteel leiderschap en
hoe dat gebeurde zal in het vierde hoofdstuk worden verduidelijkt.
3.2.3.Directioneel leiderschap
Directioneel leiderschap wordt in het algemeen omschreven als de invloed die een partij uitoefent op andere
landen door het goede voorbeeld te geven. Er wordt in de literatuur ook gesproken over intellectueel
leiderschap of unilateraal leiderschap. Intellectueel leiderschap gaat volgens Young over de macht om het
intellectuele debat te sturen en zo vorm te geven aan het regime. Unilateraal leiderschap is volgens Underdal:
“taking a stance to break logjams based on moral force and symbolic significance, but also acknowleged to
include the possibility of demonstrating solutions” (Gupta & Grubb, 2000, p. 21).
Ook Oberthür spreekt in zijn artikel over directioneel leiderschap. Het gaat volgens de auteur over een
“zachte” leiderschap strategie. Directioneel leiderschap is namelijk vooral gebaseerd op soft power bronnen,
zoals “leadership by example, diplomacy, persuasion and argumentation”(Oberthür & Kelly, 2008, p.36).
Belangrijke Europese beleids initiatieven voor het milieu kunnen er voor zorgen dat de EU op internationale
onderhandelingen
meer
geloofwaardig
overkomt
en
dus
sterker
kan
doorwegen
op
het
besluitvormingsproces. Als de Unie kan aantonen dat een forse reductie in de emissie en het overschakelen
naar alternatieve bronnen van energie niet per se hand in hand loopt met economische verpaupering, dan
26
zullen andere actoren sneller overtuigd geraken om het Europese groene voorbeeld te volgen. Op deze
manier zou de Unie een effectief directioneel leiderschap uitoefenen.
Volgens Oberthür is directioneel leiderschap voor de Europese Unie tegelijkertijd een strategische keuze
maar ook een noodzaak. De Europese Unie heeft volgens de wetenschapper onvoldoende politieke en
economische macht om anderen te forceren om iets te doen tegen klimaatverandering. Tegelijkertijd is het in
Europa’s voordeel om werk te maken van directioneel leiderschap omdat de Unie op die manier haar profiel
als civiele en normatieve macht kan versterken (Oberthür & Kelly, 2008)
Gupta en Grupp zijn van mening dat percepties inzake klimaatverandering en dus bij gevolg percepties over
de noodzaak er iets aan te doen niet op korte termijn kunnen worden veranderd. Er zal veel tijd nodig zijn om
de Europese ambitie inzake klimaat over heel de wereld te verspreiden. Underdal sprak van “unilateraal
leiderschap” in plaats van directioneel leiderschap en focuste op die manier op het belang van het maken van
unilaterale beslissingen. Unilaterale acties kunnen nieuw vuur kunnen geven aan doodlopende
onderhandelingen en discussies en kunnen door de rest van de internationale gemeenschap beschouwd
worden als inspiratiebron.
De Europese Unie beschikt volgens Gupta en Grupp van nature uit over een sterk directioneel leiderschap:
dag na dag moet de Unie bewijzen dat een gemeenschappelijk beleid met 27 landen in de strijd tegen
klimaatverandering mogelijk is (Gupta en Grubb, 2000). In het derde hoofdstuk zien we echter dat het
Europees directioneel leiderschap niet altijd efficiënt is. Door interne tegenstellingen kan de Unie vaak geen
ambitieuze beslissingen nemen. Conflicten tussen Europese leaders en laggards vertragen het proces en
bemoeilijken het opleggen van strengere milieuregels. Dit dreigt de geloofwaardigheid van de Unie op
internationale milieu conferenties uit te hollen.
3.3 Europees leiderschap binnen internationale klimaatonderhandelingen
Er wordt veel geschreven over het Europees klimaatbeleid. Klimaatverandering is een grote uitdaging voor
de mensheid en Europa heeft sinds enkele decennia de teugels van de strijd in handen genomen. Waarom en
de manier waarop wekt de interesse van veel politieke onderzoekers. Hoe komt het dat Europa, ondanks het
tegenspartelen van een belangrijke vervuiler als de Verenigde Staten en de economische kosten van de
aanpak van het milieuproblematiek, de strijd tegen klimaatverandering hoog op de agenda blijft plaatsen?
Vanwaar de ambitie om leiderschap te bieden in de strijd tegen klimaatverandering? Vanwaar de capaciteiten
om leider te blijven van zo een belangrijke internationale uitdaging? Dit zijn maar enkelen van de vragen die
de onderzoekers zich stellen.
Miranda Schreurs, Amerikaanse onderzoekster, komt in haar bijdrage tot de conclusie dat het Europees
leiderschap sterk te maken heeft met de unieke institutionele setting van de Europese Unie. De context is
volgens de auteur dat van een beleid dat zich op verschillende niveaus waarmaakt, waar de competitie tussen
de diverse polen van de Unie het klimaatbeleid op een positieve manier beïnvloedt en versterkt.
Verschillende actoren en instituties hebben de mogelijkheid om beslissingen te nemen en krijgen de kans om
een belangrijke leidersrol op zich te nemen. De lidstaten genieten van de grootste manoeuvreerruimte
27
wanneer ze voor een semester de rol van het Europees presidentschap op zich nemen. Dit is een periode
waarin ze aan het hoofd van de Europese Raad komen te staan en de dus de macht hebben om beslissende
knopen door te hakken (Schreurs, 2007).
Ook het Europees Parlement en de Europese Commissie zijn vaak belangrijke voortrekkers. Het is een
proces dat door de onderzoekster aanzien wordt als een opwaarts positief spiraal dat tot een competitief
leiderschap leidt, die zich op de verschillende niveaus van het quasi-federaal systeem afspeelt. Zo komen
belangrijke ondernemingen, die het Europees leiderschap waarmaken, tot stand. Naast voorttrekkende
lidstaten, de Europese Commissie en het Europees Parlement, heeft ook de publieke opinie een belangrijke
rol gespeeld in het ondersteunen van het Europees leiderschap. Schreurs vermeldt dat de Europese Unie
klimaatverandering definieert als een normatieve en ethische kwestie die het economisch nationale
eigenbelang van de lidstaten moet overstijgen (Schreurs, 2007, p. 24).
Maar is de normatieve dimensie van de Europese Unie werkelijk sterker dan de economische?
Kelemen overloopt in zijn artikel verschillende hypothesen die het Europees klimaatleiderschap willen
verklaren vanuit een normatieve invalshoek. In zijn conclusie stelt de auteur echter vast dat die onvoldoende
zijn om de rol van Europa binnen internationale klimaatonderhandelingen te verklaren.
Zo verklaart een eerste hypothese besproken door Kelemen de Europese voortrekkersrol als een gevolg van
de stijging van de algemene welvaart binnen het continent. De toegenomen rijkdom van de EU sinds het
ontstaan van de Economische Unie zorgde vanaf de jaren ’90 voor een spreiding van postmaterialistische
waarden. Deze waarden zorgden voor een grotere publieke aandacht voor milieu thema’s en de Europese
Unie kon die niet negeren.
Maar volgens Kelemen kan deze hypothese wel verklaren waarom een land bereid is om lange lijsten milieuverdragen te onderteken, maar is ze onvoldoende om te verklaren waarom een land op mondiaal niveau de
touwtjes in handen neemt en een leidersrol nastreeft.
Volgens een sociaal-constructivistische invalshoek ligt de oorzaak van een grotere inspanning voor het
klimaat niet bij nationale belangen of interesses. Het engagement voor het milieu is volgens deze hypothese
eerder een uitdrukking over de integratie van een land in het wereld systeem. Een staat maakt volgens
Meyer inspanningen om klimaatverandering tegen te werken onder invloed van het “constructief” karakter
van het “wereld-milieu regime”. Ook deze hypothese kan volgens Kelemen het Europees leiderschap
onvoldoende verklaren want vele landen zoals Japan, de Verenigde Staten, Australië en Canada behoren
even sterk tot de groep van de industrialiseerde landen als Europa en zijn dus sterk geïntegreerd in het wereld
systeem, maar maken op gebied van milieubeleid geen vergelijkbare inspanningen als die van de Europese
Unie.
Volgens een derde hypothese heeft de Europese Unie zich als klimaatleider geprofileerd om op die manier
haar identiteit als civiele en normatieve macht te versterken. Kelemen citeert de woorden van de President
van de Europese Commissie Romano Prodi in 2000: “We must aim to become a global civil power at the
service of sustainable global development” (Kelemen, 2010, p.338). Mondiale milieuproblemen vragen om
28
een mondiale aanpak en de Europese Unie zag in het klimaatprobleem een window of opportunity om haar
rol als civiele macht op wereldvlak te versterken.
Maar volgens Kelemen is de normatieve dimensie niet het belangrijkste motief als men de voortrekkersrol
van de EU tracht te verklaren.
Volgens de auteur is het Europees leiderschap een gevolg van de interactie tussen de binnenlandse politiek
en de internationale economische competitie. Vanaf de jaren 1990 steeg het belang van milieuorganisaties en
groene partijen over heel Europa en deze vergrootten de druk voor strengere milieu maatregelen. Met het
Verdrag van Maastricht (1991) evolueerde de Europese besluitvorming betreffende milieubeleid van
unanimiteit naar stemming met gekwalificeerde meerderheid. Er kwam een ambitieuze Europees
milieuwetgeving tot stand en deze werd de strengste in heel de wereld. De Europese industrie moest strenge
regels naleven. Om een sterk concurrentieel verlies te vermijden werd ze daarom ook een assertieve
voorstander van een strenge milieu regelgeving op mondiaal niveau (Kelemen, 2010)
Eigenlijk ontstond er op deze manier een soort van spillover effect: Een vooruitstrevend klimaatbeleid binnen
de EU leidde tot het nastreven van een ambitieus agenda op internationaal niveau.
Ook Edith vanden Brande analyseert in haar bijdrage of het economische aspect of eerder het normatieve
sterker doorweegt in het Europees internationaal beleid. Europa is een grote economische macht en dat heeft
een sterke invloed op haar positie als klimaatleider. “The EU attempts to reconcile, and even exploit, its
position as the world largest trading bloc – with a growing aspiration to exercise environmental leadership”
beweert Vogler. (Vanden Brande, 2008, pg.163)
Toch is klimaatbescherming in het “groene” Europa vaak tegenstrijdig met de economische doelstellingen
van de Unie. Volgens de auteur moeten de spanningen tussen economie en ecologie, en dus als men dieper
wilt gaan tussen algemeen belang en eigen belang, worden overstegen. Zoals boven al werd uitgelegd is het
conflict tussen de twee dimensies niet onoverkomelijk en kan een strategisch milieubeleid leiden tot een
economisch win-win scenario: Hightechindustrieën zullen profiteren van nieuwe economische kansen
wanneer emissievrije technologieën worden ontwikkeld als steun in de rug voor hernieuwbare
energiebronnen zoals wind, zon, waterkracht en biomassa. (http://ec.europa.eu/climateaction) (Vanden
Brande, 2008, pg. 172)
Als Europa een gewicht in de schaal wil leggen in internationale klimaatonderhandelingen, moet het niet
alleen economisch sterk zijn, maar ook met één stem kunnen spreken. Op deze manier komt ze overtuigender
en sterker over op internationaal vlak. Louise van Schaik analyseert de Europese eenheid door te kijken naar
drie factoren: de competentie, de overeenstemming in de voorkeuren en de socialisatie.
De buitenlandse vertegenwoordiging van internationale onderhandelingen is in Europa een gemengde
bevoegdheid en ligt zowel bij de Commissie als bij de lidstaten. Een harmonisch beleid is dus een uitdaging
voor het van nature meerzijdige Europa. De lidstaten nemen meestal de bovenhand door de eerste minister
van het land dat over het Europees presidentschap beschikt als lead negotiator aan te wijzen. Om een sterk
standpunt te kunnen innemen moeten alle landen van de EU overtuigd zijn van het belang van de aanpak van
de klimaatproblematiek. Daarnaast moeten ze ook bereid zijn om de Europese wetgeving te volgen en dus
29
om toezeggingen te doen op vlak van hun soevereiniteit. In de laatste jaren, met Europa die uitgebreid is tot
27 landen, gebeurt het vaker dat lidstaten niet akkoord gaan, zodat het voor Europa moeilijker wordt om een
progressief milieubeleid te voeren. Deze problematiek zal in de loop van het onderzoek analyseert worden in
het kader van het Europees directioneel leiderschap.
Verder is volgens Van Schaik een zekere graad van Europese socialisatie ook belangrijk. De experts en
vertegenwoordigers krijgen, door formele en informele onderhandelingen met partners vanuit heel de Unie,
een gevoel van “we-ness” dat leidt tot een grotere convergentie van de verschillende Europese visies. (Van
Schaik, 2010, p. 267)
Volgens de meeste auteurs is Europa al sinds begin de jaren ’90 wereldleider in de aanpak van de
milieuproblematiek. Haar leiderschap heeft hoogte en laagte punten gekend maar is tot voor de Conferentie
van Kopenhagen op wereldvlak altijd aanwezig geweest. Ook Sebastian Oberthür gelooft, op basis van
studies en onderzoeken, dat Europa nog voor een bepaalde periode in de toekomst wereldleider zal blijven.
Er bestaan daar volgens de auteur internationale gunstige omstandigheden voor. Europa zal wel worden
uitgedaagd door verschillende moeilijkheden zoals conflicten tussen oude en nieuwe lidstaten, een steeds
veeleisender en complexer wordende internationale agenda (zie bijvoorbeeld het Bali-Action plan) en een
uitdagende internationale context, maar zou volgens de auteur de capaciteiten hebben om leiderschap te
blijven uitoefenen (Oberthür & Kelly, 2008, p. 48).
Of we vandaag, na de grote mislukking in Kopenhagen, nog altijd kunnen stellen dat de Europese Unie een
sterke leidersrol heeft op wereldniveau zal in de loop van het onderzoek duidelijker worden.
30
4. FAALDE DE EUROPESE UNIE IN HAAR DIRECTIONEEL LEIDERSCHAP?
4.1 Theoretische inleiding
Volgens de eerste hypothese van dit onderzoek is de Europese Unie op de Conferentie van Kopenhagen
gefaald in haar klimaatleiderschap door gebrek aan directioneel leiderschap.
Directioneel leiderschap wordt volgens Keohane en Nye gekenmerkt door “Lead by example”(Oberthür
2008, p. 36). Door het goede voorbeeld te geven kan de Europese Unie het internationale regime beïnvloeden
en in de richting duwen van een ambitieuze aanpak tegen klimaatverandering. Maar wanneer en onder welke
voorwaarden is de Europese Unie een voorbeeld voor anderen? Op welke manier kan de Europese Unie
andere actoren overtuigen van de noodzaak van een streng mondiaal milieuregime? Hoe kan ze het opstellen
van de internationale milieu agenda beïnvloeden?
Als we in de literatuur op zoek gaan naar de verschillende kenmerken van directioneel leiderschap zien we
dat directioneel leiderschap een “zachte” leiderschapsstrategie is die de percepties en ideeën over
klimaatverandering wil beïnvloeden. Aangezien de effecten van klimaatverandering in de toekomst niet
honderd procent zeker zijn, zijn factoren zoals vooruitgang in de technologie en efficiëntiewinsten van vitaal
belang om andere staten er van te overtuigen om een milieuvriendelijk beleid te voeren. Naast het nastreven
van concrete emissie reductie doelstellingen moeten de verschillende Europese regeringen een voldoende
hoge levensstandaard kunnen blijven beloven aan hun burgers (Edwards, 2002, p.13).
Young spreekt in zijn bijdrage van intellectueel leiderschap omdat ideeën in deze definitie een belangrijke
rol spelen. Het abstracte karakter van deze definitie zorgt er voor dat directioneel leiderschap moeilijk te
meten is. Toch zijn er enkele kenmerken die ons helpen om een gerichter onderzoek te doen.
Directioneel leiderschap heeft volgens Gupta en Grubb twee componenten: de eerste is gefocust op de
ontwikkeling van ideeën en oplossingen, de tweede legt de nadruk op de internationale verspreiding daarvan.
De eerste dimensie legt de nadruk op “leadership by example”. Europa kan een voorbeeld zijn voor andere
landen wanneer ze intern een ambitieus binnenlands milieubeleid doorvoert en zelf opzoek gaat naar
oplossingen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het lange termijn aspect van klimaatverandering
maakt het mogelijk dat het Europees binnenlands milieubeleid op termijn een model of voorbeeld kan
worden voor een mondiale aanpak van klimaatverandering (Gupta en Grubb, 2000).
Volgens de theorie oefent de Europese Unie op internationale conferenties directioneel leiderschap uit
wanneer ze een voorbeeld kan zijn in de ogen van andere actoren. De EU moet hiervoor ambitieuze
doelstellingen nastreven en aan de rest van de wereld tonen dat een strenger klimaatregime mogelijk is en
zelfs wenselijk. Met een dergelijk beleid zal de Unie geloofwaardig overkomen op internationale
klimaatonderhandelingen en een positieve aantrekkingskracht uitoefenen.
Op de COP15 in Kopenhagen was dat echter niet het geval. De EU presenteerde zich met een beperkt
mandaat (Kazynski, 2010).
Waarom heeft de EU op de Conferentie niet het verwachte voorbeeld kunnen geven en is ze daarom gefaald
in haar directioneel leiderschap? Door kranten artikels en beleidsdocumenten te analyseren zullen we zien
31
dat een progressief Europees milieubeleid de laatste maanden voor Kopenhagen bemoeilijkt werd door
interne verdeling. Het was voor de Europese lidstaten niet eens duidelijk of Europa nu wel of niet een
leidersrol op zich moest nemen tijdens de Conferentie: “While the Swedes, Danes and others argued that
Europe had to take the lead on climate change and send a strong signal for Copenhagen, the Germans are
more skeptical, noting that there are limits to leadership and calling for the other rich countries to step up
to the plate” (www.guardian.co.uk/environment/2009/oct/30/eu-climate-change)
Niet alle lidstaten zetten klimaatverandering even hoog op de agenda. Zoals bij de meeste beleidsdomeinen
verdeelde de Unie zich in de aanloop naar Kopenhagen zich tussen leaders en laggards.(Vos, 2008). Over
het algemeen kunnen we vaststellen dat de Scandinavische landen, Groot Brittannië, Denemarken, Nederland
en Duitsland de Europese voorlopers zijn in de strijd tegen klimaatverandering, terwijl landen van Centraal
en Oost Europa en Italië problemen rond klimaatverandering over het algemeen minder hoog op de agenda
plaatsen. Deze rollen staan echter niet vast en kunnen onderhevig zijn aan korte of lange termijn wisselingen.
4.2 Wat bevordert een eengemaakt Europees standpunt?
Convergenties vinden tussen de 27 lidstaten van de Europese Unie is geen gemakkelijke opgave. De
uitbreiding van de Unie van 15 tot 25 lidstaten in 2004 en tot 27 in 2007 heeft het nog moeilijker gemaakt
om tot een eengemaakt standpunt te komen. Vogler beweert dat er onvermijdelijk divergenties ontstaan
tussen de belangen en interesses van 27 lidstaten die zich op verschillende niveaus van economische
ontwikkeling bevinden en met Europese beleidsdomeinen zoals energie, belastingen en milieu die niet
genoeg geïntegreerd zijn (Vogler, 2005, pg. 841).
Maar uitbreiding kan zich volgens de Europese Commissie ook ontpoppen tot een belangrijke troef voor het
Europees mondiaal leiderschap in duurzame ontwikkeling: “enlargement may in fact be the biggest single
contribution to global sustainable development that the EU can make”(Vogler, 2005, pg. 842).
Van Schaik reflecteert in haar artikel over de factoren die een homogeen standpunt van de Europese Unie op
internationale klimaatconferenties gemakkelijker maken. De onderzoekster noemt vier redenen op die een
ambitieus Europees directioneel leiderschap zouden moeten bevorderen:
1) De landen van de Europese Unie beschikken over een gemeenschappelijke culturele erfenis. In alle
lidstaten van de Unie wordt er veel belang gehecht aan post-materiele waarden zoals democratie,
mensenrechten en aandacht voor het milieu.
2) De lidstaten van de Unie hebben gezamenlijke geografische interesses. De Europese landen hebben
op wereldschaal allemaal een intensere band met buurlanden zoals Rusland en met landen die zich
rond de Middellandse Zee bevinden. Dus zullen ze ten opzichte van die landen gezamenlijke
interesses hebben en belang hebben bij een gezamenlijk beleid.
3) Alle Europese landen zijn welvarende democratieën en behoren op wereldniveau tot de groep van de
industrielanden.
4) De lidstaten zijn lid van de gemeenschappelijke Europese markt en zijn onderworpen aan de zelfde
economische regelgeving.
32
Dit zijn volgens Van Schaik factoren die een eengemaakte Europese aanpak bevorderen. Hier onder gaan we
deze vier punten toepassen op het specifiek beleidsdomein van klimaatverandering. We komen uit op vier
argumenten die een communautaire aanpak van klimaatverandering in de hand werken:
1) De Europese Unie heeft volgens verschillende auteurs zoals Kelemen een gemeenschappelijk
cultureel erfgoed waar post-materiele waarden een belangrijke plaats innemen. Post materialisten
benadrukken het belang van vrije meningsuiting, zinvol werk, natuurbehoud, leefbare steden en een
schoon en veilig milieu. Volgens Kelemen is het Europese groene leiderschap een gevolg van de
groei van de Europese welvaart. Deze welvaart zorgt volgens de auteur voor een verspreiding van
post-materiele waarden die de publieke aandacht voor milieubescherming vergroten (Kelemen,
2010).
2) Gemeenschappelijke geografische interesses ten opzichte van de buurlanden uiten zich onder andere
in het gemeenschappelijk belang van de Europese Unie om steeds minder afhankelijk te worden van
Russische energievoorraden. In 2006 besloot Putin de gaskraan richting Europa dicht te draaien om
Ukraine te sanctioneren. Dit had nefaste gevolgen voor de meeste landen van de Unie en men begon
te vrezen dat Putin in de toekomst vaker zijn monopolie over de gasvoorraden als politiek wapen zou
gaan gebruiken (Coolsaet, 2010). Een ambitieuze aanpak van klimaatverandering ligt in het
interessegebied van alle Europese lidstaten. Investeren in alternatieve energiebronnen zou de
risicovolle afhankelijkheid van de Russische energievoorraden namelijk sterk doen afnemen. Ook
Oberthür en Pallemaerts onderschrijven dit standpunt: “Soaring oil and gas prices, together with
political developments in regions with major reserves (including the Middle East and Russia) helped
to advance the energy security agenda worldwide and provided further support for action to reduce
dependence on fossil fuels” (Oberthur & Pallemaerts, 2010, p.46).
3) De Europese Unie is een supranationale organisatie van geïndustrialiseerde landen. De landen uit
Centraal en Oost Europa bevinden zich op een verschillend niveau van economische ontwikkeling
dan de oude lidstaten, maar geen enkel Europees land is een fragiele staat of een land in
ontwikkeling (Van Shaik, 2010). Het feit dat de Europese landen allemaal welvarende democratieën
zijn vergemakkelijkt het zoeken naar een gemeenschappelijk standpunt.
4) De lidstaten behoren allemaal tot de zelfde welvarende, eengemaakte Europese markt. Hoe meer
milieuregels er moeten worden nageleefd door de Europese lidstaten, hoe meer de Unie dezelfde
regels zal willen zien naleven op internationaal niveau. Het is in de interesse van alle Europese
lidstaten om geen concurrentieel nadeel op te open ten opzichte van het buitenland door een strenge
milieu wetgeving in het binnenland (Kelemen, 2010). De Europese lidstaten hebben dus allen baat
bij een ambitieuze internationale klimaatagenda.
De conclusies die we zojuist trokken uit de vier punten van Van Shaik zijn eigen veronderstellingen,
gebaseerd op wetenschappelijke artikels over het Europees klimaatbeleid. In de werkelijkheid is het bereiken
van een eengemaakt Europees standpunt niet evident. Zoals we al zeiden startte Europa in Kopenhagen met
een beperkt mandaat omdat het in de aanloop naar de conferentie rond verschillende belangrijke thema’s
33
intern verdeeld was en geen eengemaakt standpunt kon vormen. Door onenigheden tussen de Europese
lidstaten kon de Unie in de aanloop naar Kopenhagen een minder ambitieus klimaatprogramma nastreven.
Dit zorgde voor een vermindering van het Europees directioneel leiderschap, waardoor de EU een minder
positieve invloed kon uitoefenen op Kopenhagen.
Hieronder volgt een analyse over de verschillende thema’s waarrond er, in de aanloop naar Kopenhagen,
onenigheid ontstond tussen de lidstaten. De Europese landen hadden verschillende standpunten rond onder
andere het “klimaat en energie pakket”, de financiering van ontwikkelingslanden en het op zoek gaan naar
een oplossing rond de toekomst van “hot air”.
4.3 Interne verdeeldheid: Het klimaat en energie pakket
Tegenstellingen tussen leaders en laggards werden een jaar voor het starten van de onderhandelingen
verscherpt door het uitbreken van de financiële crisis in 2008.
Verschillende lidstaten verloren hun
enthousiasme voor het “klimaat en energie pakket” dat werd opgesteld in 2007 en dat de ambitieuze 20-2020 doelstellingen nastreefde (Van Schaik, 2010).
Op de Europese top die eind oktober 2008 plaatsvond werd het “klimaat en energie pakket” besproken.
Verschillende lidstaten maakten zich op de bijeenkomst grote zorgen over de additionele financiële
inspanningen die het ambitieus klimaatprogramma met zich mee bracht. Vooral de nieuwe lidstaten (onder
leiding van Polen), Italië en in mindere mate Duitsland, vroegen grotere bescherming voor hun industrie
(Van Schaik, 2010, pg. 266).
Volgens een artikel van The Times zei de premier van Italië Silvio Berlusconi dat de CO2 reducties zoals
beschreven in het pakket de Italiaanse industrie ten dood zouden veroordelen. “Our businesses are in
absolutely no position at the moment to absorb the costs of the regulations that have been proposed,” zei de
premier aan de andere Europese leiders in Brussel. Ook de eerste minister van Polen Donald Tusk sprak zijn
verontwaardiging uit over de strenge Europese milieu-wetgeving: “We don’t say to the French that they have
to close down their nuclear power industry and build windmills, and nobody can tell us the equivalent.”
Polen werd in haar positie versterkt door andere Centraal-Oost Europese landen. Ook Hongarije, Bulgarije,
Litouwen, Letland, Roemenië en Slovakije waren van mening dat de emissiereducties vereist door het
klimaat en energie pakket te ambitieus waren voor hun zwakkere industrieën. (http://www.timesonline.
co.uk/tol/news/environment/article4957408.ece)
De financiële crisis en de terughoudendheid van enkele lidstaten ten opzichte van groene inspanningen
zorgden in de aanloop naar Kopenhagen voor de uitholling van het “klimaat en energie pakket”. Dit
ondermijnde de geloofwaardigheid van de Europese Unie in de ogen van de andere deelnemende partijen
tijdens de Conferentie.
4.4 Interne verdeeldheid: Financiering van ontwikkelingslanden
De laatste maanden voor de COP15 culmineerde de Europese tegenstelling rond de discussie over de
financiering van ontwikkelingslanden. Volgens een artikel geschreven op de onafhankelijke Europese
34
onlinekrant Euobserver door Honor Mahony worstelde de Unie op de top van 29 oktober 2009 met interne
conflicten rond financiering en werd haar internationale geloofwaardigheid hierdoor in vraag gesteld: “EU
leaders meeting in Brussels face an international credibility test as they struggle to firm up their financial
commitment to fighting climate change” (Mahony, 2009).
Volgens De Standaard van 29 oktober 2009 “verdeelde niets de Europese Unie de jongste decennia meer
dan de strijd tegen klimaatverandering met het oog op Kopenhagen. De breuklijn loopt langsheen het ijzeren
gordijn” (http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=RN2H8953&word=polen+klimaat)
Euobserver beschrijft de interne verdeling van de EU ook voornamelijk als een conflict tussen de nieuwe en
de oude lidstaten: “Internally, the EU, a self-proclaimed global environmental do-gooder, is struggling for
agreement, with discussions pitting rich member states against poorer ones, in a geographical split of
central and eastern European countries against western ones.” (Mahony, 2009)
Er ontstond tussen West-en Oost-Europa grote onenigheid over de financiering van de ontwikkelingslanden.
Met welke criteria ging men de financiële last tussen de Europese landen verdelen? De West-Europese
landen waren van mening dat de landen met de grootste uitstoot aan CO2 de grootste financiële bijdrage
moesten leveren, ze pleitten daarom voor een verdeelsleutel gebaseerd op uitstoot in CO2. Dit criterium zou
in het voordeel lopen van een land als Frankrijk, dat niet veel CO2 uitstoot dankzij een grote aanwezigheid
van kerncentrales. De verdeelsleutel op basis van CO2 uitstoot zou echter in het nadeel lopen van een land
als Polen, dat haar grootste aandeel energie nog uit traditionele koolmijnen haalt (http://euobserver.com)
De belangrijkste reden waarvoor de rijkere Europese lidstaten echter pleitten voor een verdeelsleutel
gebaseerd op emissie is dat de Unie de zelfde beslissingen wilt voortduwen op internationaal niveau. Als de
landen met de grootste CO2 emissies de grootste inspanningen moesten leveren op Europees niveau dan
werd deze beslissing ook voorgesteld op internationaal niveau. Op deze manier kwamen rijke landen zoals
EU en de VS niet nog meer onder druk te staan, zoals het geval geweest zou zijn met een verdeelsleutel
gebaseerd op de BBP van een land.
Polen in coalitie met de Centraal en Oost Europese landen daarentegen is van mening dat de rijkste landen de
zwaarste financiële last moeten dragen. Het gevraagde geld voor de financiële bijstand van
ontwikkelingslanden zou een te grote inspanning worden voor de nieuwe lidstaten van de Europese Unie.
Deze hebben volgens de vertegenwoordigers van de Centraal-Oost Europese landen het recht om hun
economische achterstand in te halen. De nieuwe lidstaten pleitten daarom voor een verdeelsleutel gebaseerd
op het BBP van een land.
Dit is één van de bekendste voorbeelden van interne verdeeldheid dat zich heeft voorgedaan in de aanloop
naar Kopenhagen, waardoor Europa geen sterke onderhandelingspositie kon innemen gedurende de
klimaattop. Volgens de onderzoeker Schunz werden ontwikkelingslanden op deze manier niet gestimuleerd
om beslissingen te nemen en toezeggingen te doen, wat tot een vertraging van het algemene
onderhandelingsproces heeft geleid (Schunz, 2009).
35
4.5 Interne verdeeldheid: de discussie rond “hot air”
Een ander thema dat in de loop naar Kopenhagen voor grote spanningen zorgde was de discussie rond hot
air, of formeler gezegd rond de Assigned Ammount Units (AAU) van de Europese koolstofmarkt. Onder het
Kyoto Protocol ging het ETS ging van kracht. Deze werkte met het cap and trade principe. Binnen het ETS
wordt er een cap, een limiet, vastgelegd op het totaal aantal broeikasgassen die de industrie, energiecentrales
en andere installaties van een land mogen uitstoten. Binnen deze limiet krijgen de verschillende bedrijven
emissierechten dat ze mogen doorverkopen aan andere instellingen. De Europese koolstofmarkt ontstaat
omdat het maximum aantal emissies vast ligt en dat deze dus binnen het systeem een waarde krijgen. De
Kyoto emissie reductie doelstellingen werden vastgelegd en als basisjaar werd het jaar 1990 gebruikt.
Dankzij de val van het communisme en het sluiten van een groot aantal zware industrieën in de jaren ’90
ontstond er in de voormalige Sovjet landen een scherpe daling in de uitstoot van broeikasgassen. Deze
vermindering van CO2 emissies was dus in de jaren ’90 niet het gevolg van een reële mitigatie inspanning,
maar creëerde wel een groot overschot aan emissierechten (2 biljoen AAU) bij de voormalige Sovjet landen.
De meeste Oost Europese landen waren in de aanloop naar Kopenhagen van mening dat ze het recht hadden
om hun overschot aan emissierechten mee te nemen naar een tweede verbintenis periode onder het Kyotoprotocol. Ze konden op die manier de overgebleven AAU’s na 2012 verkopen op de Europese koolstof
markt en er economische winst mee maken.
Volgens een Europese diplomaat zou een dergelijke beslissing de Europese emissie markt in elkaar doen
stuiken: “They consider them bankable..(..)..However, releasing them suddenly would flood the carbon
market, while some governments feel that these credits should simply be forgotten and the slate wiped clean
as Europe looks ahead to make a new climate deal”. (http://euobserver.com/9/28901)
Ook volgens de Europese nieuwssite Euractiv was het zoeken naar een oplossing rond het al of niet
behouden van de overschot aan hot air niet gemakkelijk. De Europese Unie was intern verdeeld tussen
landen als Duitsland en Groot-Brittanie die de voorkeur hadden de overgebleven emissierechten weg te
schrabben en de nieuwe Europese lidstaten die ze wilden behouden. “Britain and Germany said they wanted
to kill off the excess permits, arguing that they undermine the system”. Het standpunt van de twee WestEuropese landen is het milieuvriendelijkste standpunt en werd ook gesteund door de klimaatactivisten. Maar
de Oost-Europese landen wilden niets horen van een dergelijke maatregel want zij zouden bij het onwettelijk
maken van het overgebleven “hot air” een groot economisch verlies maken; “The "hot air" issue is also
creating headaches inside the European Union. This is because Eastern member states stand to lose the most
from a possible decision to outlaw credit 'banking' after Kyoto” (http://www.euractiv.com/en/climatechange/russian-hot-air-threatens-un-climate-deal/article)
Ook rond dit thema was de Unie diep verdeeld en kon ze, door de weigerende kracht van het Oost Europese
blok, niet de meest groene beslissing nemen. De Europese interne onenigheid over posities en strategische
vragen zorgde in de aanloop naar Kopenhagen voor inflexibiliteit. Ontwikkelingslanden werden op deze
manier niet gestimuleerd om beslissingen te nemen en toezeggingen te doen, wat tot een vertraging van het
algemene onderhandelingsproces heeft geleid (Schunz, 2009).
36
4.6 Voorlopig besluit
De Europese Unie heeft in Kopenhagen geen effectief directioneel leiderschap uitgeoefend. Het uitoefenen
van directionele macht werd bemoeilijkt door de conflicterende interesses van de lidstaten in de preonderhandelings fase. In dit deel van het onderzoek werd er vastgesteld dat de Unie in de aanloop naar
Kopenhagen verdeeld was over belangrijke onderwerpen als de implementatie van het klimaat en energie
pakket, de financiering van ontwikkelingslanden en de discussie rond “hot air”. Hierdoor was het Europese
mandaat in Kopenhagen niet flexibel en weinig ambitieus. Als de EU leiding wil geven in de zin van “Lead
by example”, zullen de lidstaten in de toekomst meer naar elkaar toe moeten groeien en gezamenlijk pleiten
voor een ambitieuzer klimaat beleid. We hebben aan de hand van het werk van Van Shaik verklaard welke
factoren een gemeenschappelijke aanpak van klimaatverandering bevorderen. De vier beschreven punten
zouden in de toekomst moeten leiden naar een eengemaakt en ambitieus Europees klimaatbeleid, wil de EU
haar internationaal klimaatleiderschap niet verliezen.
Volgens de communicatie van de Europese Commissie van maart 2010 met als titel: International climate
policy post-Copenhagen: Acting now to reinvigorate gobal action on climate change” blijkt de Unie ook in
de toekomst van plan te zijn een internationale voorloper rol op zich te nemen in de mondiale strijd tegen
klimaatverandering. Volgens het beleidsdocument van de Commissie wordt de Unie tegen 2020 de meest
klimaat vriendelijke regio van de wereld en zal ze zich omzetten in een “low carbon, resource efficient and
climate resilient economy”. De Unie blijft dus volharden in haar rol als internationale voortrekker en blijft
geloven in het belang daarvan om andere belangrijke spelers over de lijn te trekken: “Realising that, and
showing that we are putting the Copenhagen Accord into effect, is a key calling card in the effort to persuade
global partners to take up the challenge” (Commission, 2010, p.2).
De Unie heeft het geloof in haar directionele macht niet verloren en wil in de toekomst een sterker voorbeeld
zijn op internationale fora dan het is geweest op Kopenhagen. Volgens Gupta en Grubb is directioneel
leiderschap maar één van drie dimensies van leiderschap. Het goede voorbeeld geven is vaak niet voldoende
om een volledig leiderschap uit te oefenen. Het volgende hoofdstuk gaat over het tweede belangrijk aspect
van leiderschap: de onderhandelingscapaciteiten van een partij.
37
5. FAALDE DE EUROPESE UNIE IN HAAR INTRUMENTEEL LEIDERSCHAP?
5.1 Theoretische inleiding
Instrumenteel leiderschap legt de focus op de onderhandelingscapaciteiten van een partij gedurende
internationale klimaatconferenties. Gubta en Grubb beschrijven instrumenteel leiderschap als “the exercise
and skill of negotiations and the closely related question of instrumental design of the regime to
accommodate
the
needs
of
different
parties”.
De
auteurs
leggen
de
nadruk
op
de
onderhandelingscapaciteiten van een land die ervoor moeten zorgen dat de andere partijen van het regime
zich aangesproken voelen tot diens voorstellen. De definitie van Gupta en Grupp is gedeeltelijk geïnspireerd
door Young die het heeft over Entrepeneurial leadership. Young’s visie van leiderschap legt de focus vooral
op de ondernemende capaciteiten van individuen. Gupta en Grubb verbreden het concept en komen zo tot
een eigen definitie van instrumenteel leiderschap. Volgens de auteurs heeft leiderschap niet alleen te maken
met individuele capaciteiten, maar hangt het ook af van de diplomatieke institutionele setting van een land.
Volgens Gupta en Grupp hebben internationale onderhandelingen rond klimaat nood aan een langetermijn
strategie. Daarom moet ook de institutionele setting van een land rekening houden met de lange-termijn
interesses van de verschillende deelnemende partijen en moet er gewerkt worden aan een regime waarin de
verschillende nationale belangen worden vertegenwoordigd.
Een ander aspect van instrumenteel leiderschap is het vormen van coalities. Volgens Sebenius (1991) gaat
effectief instrumenteel leiderschap samen met het oprichtten van structuren en het toepassen van
diplomatieke capaciteiten dat tot “winning coalitions” leidt. Op die manier wordt het vormen van
blokkerende formaties vermeden (Gupta en Grupp, 2000, p.20).
Volgens de auteurs is instrumenteel leiderschap gelinkt met drie factoren:
1) De capaciteiten van de individuen
2) De institutionele setting van een land
3) Het maken van coalities met derde landen
Om na te gaan of de Europese Unie in Kopenhagen voldoende instrumentele macht heeft uitgeoefend zullen
we de drie elementen die uit de theorie voortkomen toetsen met de realiteit. We stellen ons hierbij drie
vragen:
1) Heeft de Unie met één stem gesproken tijdens de onderhandelingen in Kopenhagen?
2) Wat zeggen de analyses van think tanks , wetenschappelijke artikels en pers artikels ons over het
functioneren van de Europese institutionele structuur tijdens de COP15? Bestaan er alternatieve
diplomatische modellen die meer succesvol kunnen zijn?
3) Heeft de EU de juiste strategische keuzes gemaakt inzake coalitievorming?
Vooraleer er een antwoord wordt gezocht op de drie vragen gaan we de particulariteit van de Europese Unie
als actor binnen internationale onderhandelingen van dichter bij bekijken.
38
De Europese Unie wordt wel eens als een “vreemde eend” aanzien in internationale conferenties. Volgens
Van Schaik is het een sui generis systeem, een kruising tussen een internationale organisatie en een
supranationale staat (Van Schaik, 2010, pg.254).
De Unie is geen echte staat, maar is meer dan simpelweg een coalitie van staten. Vooral in het verleden heeft
dit wel eens tot erkenningsproblemen geleid. Volgens Vanden Brande werd niet-erkenning, op intern zowel
als op extern vlak, als instrument gebruikt om de Europese macht te beperken binnen internationale
onderhandelingen. De strategie van niet-erkenning werd gebruikt door de lidstaten om de macht van de
Commissie in te perken en werd ook gebruikt door andere partijen, zoals de Verenigde Staten, die de macht
van de EU in internationale klimaat regimes graag klein houdt om zelf een grotere invloed te kunnen
uitoefenen (Vanden Brande, 2008, p.165).
De buitenlandse vertegenwoordiging van internationale klimaatonderhandelingen is in Europa een gemengde
bevoegdheid en ligt zowel bij de Commissie als bij de lidstaten. Een harmonisch beleid is dus een uitdaging
voor het van nature meerzijdige Europa. Er zijn geen formele regels die bepalen wie er wat beslist tijdens de
verschillende fases van de onderhandelingen. Over het algemeen geeft de Commissie aanbevelingen en
worden de politieke knopen doorgehakt op niveau van de Raad. Maar er is geen uitvoerende macht die de
bevoegdheid heeft om in naam van de Europese Unie beslissingen te nemen. Het blijft een samenwerking
tussen de lidstaten en de Commissie en dat zorgt er voor dat de EU niet erg flexibel is in internationale
onderhandelingen (Van den Brande, 2008, pg.166).
Sinds 2000 wordt de buitenlandse vertegenwoordiging van de EU versoepeld door de zogenoemde TROIKA.
Deze is samengesteld door de voorzitter van de Europese Commissie, de voorzitter van de Europese Raad en
de toekomstige voorzitter van de Europese Raad volgens het systeem van het roterend voorzitterschap. De
oprichting van de Troika zou outreach activiteiten moeten vergemakkelijken terwijl de echte
onderhandelingen in de handen liggen van de lead negotiator. Specifieke thema’s worden dan weer
behandeld door de issue leaders (Schunz, Happaerts & VandeBrande, 2009, p. 5).
De Europese buitenlandse vertegenwoordiging is de laatste decennia zeker efficiënter geworden, maar mist
volgens verschillende EU experts nog aan potentieel. Oberthur zegt in een wetenschappelijk artikel over
klimaatmleiderschap: “The general diplomatic potential of the EU still has to be fully mobilized in support of
EU leadership” (Oberthür & Kelly, 2008, p. 39).
5.2 Heeft de Europese Unie in Kopenhagen met één stem gesproken?
Een eerste kenmerk van instrumenteel leiderschap ligt volgens de theorie bij de individuele capaciteiten van
de vertegenwoordigers van een land. Zoals we al zeiden is het spreken met één stem moeilijk voor de
Europese Unie omdat de buitenlandse vertegenwoordiging een gemengde bevoegdheid is van zowel de
Commissie als de lidstaten. Op internationale onderhandelingen is er een grote behoefte aan een sterker en
efficiënter coördinatie proces tussen de Commissie en de Raad die er voor zorgen dat de Unie met één stem
spreekt (Oberthür & Kelly, 2008, p. 38)
39
Op de Conferentie van Kopenhagen sprak de Europese Unie niet met één stem. Europa werd op de COP
vertegenwoordigd door maar liefst acht leiders: De Deense minister van Klimaat en Energie Connie
Hedegaard, de president van de Europese Commissie Barroso, Frederik Reinfelt aan het hoofd van het
Zweeds voorzitterschap, José Luis Zapatero vertegenwoordiger van de toekomstige Europese Raad, de hoge
vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheid Catherine Ashton en de nationale leiders van de
invloedrijke Europese landen zoals Gordon Brown, Nicolas Sarkozy en Angela Merkel.
Guy Verhofstadt, leider van de liberale fractie van het Europees Parlement zei het volgende over de
Europese vertegenwoordiging op de top: “Copenhagen may well have had a different outcome had Europe
been represented by a single person, instead of eight” (www.euractiv.com)
Volgens de nieuwssite over Europees milieubeleid ENDS zei Commissaris voor klimaatverandering Connie
Hedegaard het volgende over de interne verdeeldheid van de Unie: "In the last hours [of Copenhagen],
China, India, Russia, the US and Japan each spoke with one voice while Europe spoke with many different
voices"(...)"Sometimes we're almost unable to negotiate because we spend so much time talking to each
other." (http://www.endseurope.com/23089?referrer=channel-climate)
Ook het Europees Parlement bleek achteraf teleurgesteld in het resultaat van Kopenhagen. In een resolutie
van februari 2010 komt men tot de conclusie dat de Unie meer met één stem moet spreken. Parlementsleden
vinden dat “The EU failed to play a leading role in the fight against climate change”, de lidstaten stonden
volgens de Europese instellingen niet op de zelfde lijn en moeten in toekomstige conferenties beter met één
stem spreken. (Parliament, 2010)
De Europese Unie presenteerde zich op de Top in Kopenhagen met een beperkt mandaat. De weinig
ambitieuze Europese startpositie was voornamelijk het resultaat van interne verdeeldheid. Zoals we in het
vorige hoofdstuk al zeiden is het tot stand brengen van een gezamenlijke strategie moeilijk voor een Unie die
27 landen telt.
Ook tijdens de COP15 moest elk Europees standpunt genegotieerd worden met alle lidstaten en dit zorgde
voor rigiditeit, traagheid en onduidelijkheid wat de ergernis en het wantrouwen van de ontwikkelingslanden
vergrootte. Veel landen vonden hierdoor de EU geen aantrekkelijke coalitiepartner tijdens de
klimaatconferentie (Kazynscki, 2010).
Het feit dat de Europese Unie zowel door de Commissie als alle lidstaten werd vertegenwoordigd zorgde
voor onduidelijkheid bij derde partijen die vaak twee, drie keer dezelfde boodschap te horen kregen van de
verschillende Europese leiders. Andere landen zoals de Verenigde Staten probeerden van de
meerstemmigheid van de Unie te profiteren door, naar gelang van het onderwerp, beroep te doen op de
verschillende leiders en die ook tegen elkaar uit te spelen (Shapiro & Witney, 2009).
Volgens de nieuwssite Eurobserver zagen de verschillende Europese leiders de internationale top als een
gelegenheid om hun populariteit op te krikken door hun eigen acties in verf te zetten. Zo organiseerde
Nicolas Sarkozy de week na Kopenhagen een bijeenkomst omtrent ontbossing, omdat Engeland en Frankrijk
tijdens de conferentie in een joint statement hadden beslist om een grotere focus te richten op de ontbossings
40
problematiek. Sarkozy trok op deze manier eerder dan Brown een belangrijk initiatief naar zich toe.
(http://euobserver.com/9/29142)
Men is er over het algemeen van overtuigd dat de EU met één stem moet spreken tijdens internationale
onderhandelingen, maar dat kan enkel door de macht en invloed van de individuele lidstaten in te perken.
Volgens de Europese nieuwssite European Voice van 6 mei 2010 is dit gemakkelijker gezegd dan gedaan:
“At the moment it is hard to imagine Merkel, Sarkozy or anyone else staying at home, or confining himself or
herself to a ceremonial role” (Rankin, 2010)
De Europese Unie heeft tijdens de Conferentie van Kopenhagen niet met één stem gesproken en dit zorgde
voor een vermindering van haar instrumentele macht. Het Europees diplomatiek model heeft duidelijk nood
aan hervormingen die er onder andere voor zorgen dat de Unie met één duidelijke en invloedrijke stem
spreekt. In de literatuur en in verschillende Europese denkbureaus zijn er alternatieven ontstaan op de
Europese institutionele setting. Deze worden besproken in de volgende paragraaf.
5.3 Zijn er tekortkomingen in het Europees diplomatiek model?
Volgens de meeste auteurs die de rol van de EU analyseren op internationale conferenties zijn er interne
tekortkomingen in het Europese model voor klimaatdiplomatie.
Van Shaik benoemt in haar artikel The sustainability of the EU’s model for climate diplomacy twee
belangrijke tekortkomingen in het Europees diplomatiek klimaat-model:
Een eerste grote zwakheid van de Unie is dat het moet streven naar consensus, wat leidt tot tijdrovende
coördinatieprocessen en weinig flexibiliteit in de mandaten. Door te lange interne beslissingsprocedures kan
men de standpunten van de andere actoren moeilijk opvolgen en kan men niet snel genoeg reageren op hun
uitdagingen. Een tweede tekortkoming van de onderhandelingscapaciteiten van de EU is volgens de
wetenschapster verbonden aan het systeem van het roterende voorzitterschap. De lidstaat die Europa
vertegenwoordigt op internationale klimaatconferenties doet dat maar voor een periode van zes maanden wat
leidt tot een gebrek aan continuïteit in de prestatie van het Europees buitenlands beleid. Bovendien wordt de
Europese vertegenwoordiging niet gekozen op basis van verdiensten maar volgens de wetmatigheden van
een roterend systeem, waardoor de doeltreffendheid van het Europees leiderschap afhangt van de
capaciteiten van het land dat op dat moment het voorzitterschap uitoefent (Van Schaik, 2010, p. 269).
Zoals er in de theoretische inleiding staat beschreven zijn Gubta en Grupp van mening dat de Europese Unie
rekening moet houden met langetermijnstrategieën als ze een succesvol instrumenteel leiderschap wilt
uitoefenen. De discontinuïteit binnen het systeem van het roterende voorzitterschap bemoeilijkt het behouden
van een coherente lange termijn visie.
Ook Vogler is van mening dat het Europees klimaatleiderschap bemoeilijkt wordt door interne coördinatie
processen zoals het moeten wachten op toestemming van de Raad bij het nemen van een nieuwe positie
tijdens klimaatonderhandelingen. Ondanks de moeilijke praktische omstandigheden waarin de EU zich
beweegt is het volgens de auteur een must te onderlijnen dat de Unie vaak tot een resultaat komt die hoger
ligt dan dat van de kleinste gemene deler (Vogler, 2005, p. 841).
41
Tekortkomingen in het Europees diplomatisch model werden al vóór Kopenhagen benadrukt. De
internationale klimaatconferentie van 2009 werd daarom voor verschillende onderzoekers zoals Van Shaik
en Schunz een soort van test-case om na te gaan of hervormingen van de institutionele setting dringend
waren of niet. Zoals gezegd in het eerste hoofdstuk wordt Kopenhagen unaniem beschouwd als zeer
teleurstellend en werd het vooral voor de Europese Unie een grote mislukking. Curtin, onderzoeker bij het
Institute of International and European Affairs, spreekt in zijn analyses over de rol van de EU op de COP 15
duidelijk van de “Failure of the EU diplomacy” (Curtin, 2010).
Ook het Europees Parlement was enkele maanden na afloop van de Conferentie van mening dat
hervormingen van het Europees diplomatisch model noodzakelijk waren. In de plenaire sessie van februari
2010 kwam de Europese instelling tot het besluit dat de EU werk moet maken van een “new climate
diplomacy”.
De
Hoge
Vertegenwoordiger
van
buitenlandse
zaken
en
de
Commissaris
van
klimaatverandering moet volgens het Parlement de hervormingen in goede banen leiden. Er moet volgens de
parlementaire resolutie ook werk gemaakt worden van bilaterale en multilaterale partnerschappen die er voor
zorgen dat er een meer coherente strategie voor klimaatbescherming ontstaat (Parliament, 2010).
De Conferentie van Kopenhagen werd door verschillende wetenschappers en EU experts als een ultieme test
gezien voor het succes of falen van het Europees diplomatisch klimaat model. Dit werd ook onderschreven
door een policy brief van het Leuvense centrum voor Global Governance Studies: “The choices for a future
model of climate diplomacy will also depend on the outcome of Copenhagen and on the impact exerted by
the EU on this outcome.” De EU onderzoekers gelinkt aan dit instituut zijn van mening dat bij het falen van
de klimaatconferentie de Commissie gemakkelijk een sterkere rol kan eisen in toekomstige
onderhandelingen (Schunz, Happaerts & Vanden Brande, 2009).
Ook Van Shaik ziet het falen van de Europese governance op de COP15 in de toekomst leiden tot een
grotere rol voor de Europese Commissie. De auteur presenteert in haar studie alternatieve modellen voor
climate diplomacy die andere klimaat-auteurs zoals Shunz, Happaerts en Van den Brande ook
onderschrijven.
Een eerste model ter vervanging van het Europees diplomatisch model voor klimaat is het Commission takeover model. Met het aanvaarden en implementeren van het ambitieus “klimaat- en energiepakket” twee jaar
geleden is er volgens Oberthür eerder een bevoegdheidsoverdracht van de lidstaten tot het Europese niveau
tot stand gekomen (Oberthur & Kelly, 2008, p.42). Als het Europees leiderschap, dat in Kopenhagen in
handen was van het roterende voorzitterschap, faalt, kan de commissie gemakkelijk een grotere rol opeisen.
Externe vertegenwoordiging door de Europese Commissie zou zorgen voor een grotere consistentie en
flexibiliteit van het Europees standpunt. Veel lidstaten staan echter weigerachtig tegenover dit model omdat
ze deel van hun soevereiniteit zouden verliezen (Van Shaik, 2010).
Een tweede alternatief is gebaseerd op de nieuwe rol van de Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse
zaken die in werking treed met het Verdrag van Lissabon. De Hoge Vertegenwoordiger is aan het hoofd van
het EEAS en is betrokken met de externe relaties van de EU. Ook de overname van de Europese
vertegenwoordiging door de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken zou het spreken met één
42
stem vergemakkelijken. Het accent wordt in dit model gelegd op de diplomatische capaciteiten van de
Europese vertegenwoordiging. De wetenschappelijke expertise over klimaatverandering wordt hiermee wel
in het gedrang gebracht (Schunz, Happaerts & Vanden Brande, 2009).
Dit waren de alternatieve governance modellen die men voor de Conferentie van Kopenhagen in de literatuur
kon terugvinden. Met de inwerkingtrede van het verdrag van Lissabon worden er effectief
instrumenten gegeven om deze theoretische modellen om te zetten in de praktijk. In een artikel over
Europe’s Green diplomacy is men van mening dat het van Brussel en de lidstaten zal afhangen in hoeverre
deze nieuwe mogelijkheden worden omgezet in een toekomstig succesvol strategisch beleid op internationale
onderhandelingen: “The Lisbon treaty provides new tools for the European Union to combat climate change.
But Brussel will have to figure out how to put its new foreign service to use in order to avoid another failure
of global environmental leadership like the one seen in Copenhagen. Leading by example is no longer
enough.” (Muller & Kremer, 2010).
Het verdrag van Lissabon benadrukt de rol van de Europese Commissie in internationale klimaatconferenties
met het oprichten van een speciale Europese Commissaris voor klimaatverandering. In een communicatie
van de Europese Commissie staat volgens Rankin dat de Commissie belangrijker wordt in internationale
onderhandelingen en dat dit het spreken met één stem zal vergemakelijken: “A stronger rol for the
Commssion will help to ensure that the EU speaks with one voice”. In hoeverre de Commissie het voortaan
zal overnemen van de lidstaten is nog niet duidelijk. Verschillende lidstaten weigeren hun soevereiniteit af te
staan en er is tussen de Commissie en de Raad onenigheid over de interpretatie van het Verdrag (Rankin,
2010).
De Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse zaken werd sinds 1 december 2009 aangesteld en is
momenteel Catherine Ashton. Deze nieuwe Europese functie wordt als een unieke kans gezien om
klimaatverandering op topniveau aan te pakken en te integreren met andere domeinen. In hoeverre deze
nieuwe Europese functie een belangrijke rol zal spelen in het versterken van het Europees instrumenteel
leiderschap zal nog afwachten zijn.
5.4 Heeft de Unie in Kopenhagen een succesvolle coalitie-vorming strategie ingezet?
Gupta en Grupp zijn akkoord met Sebenius wanneer ze in hun definitie van instrumenteel leiderschap het
belang onderlijnen van het maken van coalities. Instrumenteel leiderschap kan ook worden aanzien als het tot
stand brengen van structuren en het gebruik maken van diplomatieke capaciteiten die winnende coalities
bevorderen en blokkerende coalities voorkomen (Gupta en Grupp, 2000, p. 20).
Belangrijk voor het maken van coalities is het investeren in outreach activiteiten naar derde landen.
Outreach activiteiten zijn de inspanningen die een groep of een organisatie maakt om haar ideeën en
praktijken te verbinden met dat van een andere groep. In een Communicatie van de Europese Commissie van
Maart 2010 wordt het belang van deze activiteiten onderlijnd voor het maken van bilaterale en multilaterale
partnerschappen dat op internationale conferenties kunnen leiden tot winnende coalities: “The outreach
activities must happen at all levels and with the important stakeholders. These will be complemented by
43
regional and ad hoc meetings to ensure that partners from all over the world are reached, including
vulnerable countries, and that the EU increases its understanding of their concerns and ambitions”
(Commission, 2010)
In de aanloop naar Kopenhagen versterkte de Europese Unie haar relaties met een aantal leden van de
G77/China coalitie. Deze bilaterale partnerschappen met landen zoals China, India en Zuid Afrika waren
vooral gebaseerd op technische samenwerking en continue dialoog. Door de vaagheid van de posities van de
Europese Unie in de aanloop naar Kopenhagen en door haar inflexibele positie verloor de Unie echter veel
vertrouwen van deze landen (Schunz & Bruyninckx, 2009, p.550).
De EU moet niet vergeten hoe belangrijk coalities zijn als men wil winnen in de strijd tegen
klimaatverandering. Er wordt wel eens kritiek geleverd op de EU omdat ze, door langdurige en inefficiënte
interne coördinatie processen, te veel gefocust is op zichzelf en op die manier de interesses en belangen van
andere landen uit het oog verliest (Schunz, Happaerts & Vanden Brande, 2009, p.11).
De Unie was volgens Muller en Kremer in Kopenhagen te veel gefocust op het behouden van een goede
band met de Afrikaanse Unie en de OASIS landen. Maar de verstandhouding met deze landen bleek
onvoldoende te zijn om de overkoepelende coalitie China/G77 achter zich te krijgen. Het is van belang dat
de EU op internationale klimaatconferenties samenwerkt met grootmachten zoals de VS en China. Deze twee
landen samen zorgen voor meer dan 40% van de mondiale uitstoot. Toch zijn, volgens de auteurs, ook
partnerschappen met middelmatige opkomende economieën zoals Thailand, Peru en Ecuador minstens even
belangrijk. Deze landen zijn vaak weigerachtig om zich te verenigen met grotere coalities zoals die van de
BASIC groep en staan dus open voor een eventueel partnerschap met de EU (Muller & Kremer, 2010).
Over het algemeen kunnen low-carbon coalitions een sleutel rol spelen in het vooruit helpen van het
internationaal onderhandelingsproces. Noord-Zuid tegenstellingen worden overstegen door het aangaan van
diverse samenwerkingsbanden met partners uit het Zuiden rond thema’s als financiering, duurzame
technologieën en klimaatbeleid. Deze coalities zorgen niet alleen voor een effectieve vermindering van de
CO2 uitstoot, maar ook voor meer onderling vertrouwen tussen de partijen van de VN. Dit zou het tot stand
brengen van mondiale bindende beslissingen tegen de opwarming van de aarde moeten vergemakkelijken.
We zullen in het volgende hoofdstuk echter zien dat de interne inspanningen van de EU vaak niet genoeg
zijn om leiderschap uit te oefenen. Om leiderschap uit te oefenen op mondiaal niveau is er ook een zekere
hoeveelheid economische en politieke macht nodig.
5.5 Voorlopig besluit
In dit hoofdstuk werd met behulp van drie vraagstukken nagegaan of de EU in Kopenhagen faalde in haar
instrumenteel leiderschap. Het algemeen besluit is dat ook de Europese onderhandelingsmacht op de
Conferentie te zwak was. De EU faalde in Kopenhagen om met één stem te spreken omdat het
vertegenwoordigd werd door maar liefst acht leiders in de plaats van één. De gemengde bevoegdheid van de
EU zorgde voor tijdrovende coördinatie processen tussen de Commissie en de lidstaten. Hierdoor was de
Europese Unie in de aanloop naar Kopenhagen te geconcentreerd op zichzelf en minder aandachtig voor de
44
belangen en interesses van derde partijen. Dit leidde tot minder efficiënte outreach activiteiten en coalitie
strategieën.
Door het falen van de EU in Kopenhagen zijn de meeste EU experts en diplomaten ervan overtuigd dat er
dringend nood is aan een hervorming van het Europees diplomatisch model. Met de inwerkingtrede van het
Verdrag van Lissabon krijgt de EU twee nieuwe figuren die de Europese vertegenwoordiging op
internationale onderhandelingen zou moeten vergemakkelijken. Het opstellen van een aparte Commissaris
voor klimaatverandering en van een Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse zaken schuift de
instrumentele macht van de Unie tijdens internationale klimaattops richting de Commissie. In hoeverre er in
de toekomst succesvol gebruik zal worden gemaakt van deze nieuwe instrumenten zal afhangen van Brussel
en de Europese lidstaten.
45
6: FAALDE DE EUROPESE UNIE IN HAAR STRUCTUREEL LEIDERSCHAP?
6.1 Theoretische inleiding:
Structureel leiderschap vloeit voort uit de economische en politieke macht van een land. Leiderschap heeft
volgens deze definitie veel te maken met hoe machtig een partij is in de wereldorde. Hegemonie staat
volgens Young en Underdal op het toppunt van deze beschrijving van leiderschap. Keohane zegt over
hegemons dat ze over een “preponderance of material resources” beschikken (Keohane in Gupta & Grubb,
2000) De Verenigde Staten bleven in de jaren ’90 na de val van de Sovjet Unie over als de enige
hegemonische wereldmacht. Voor lange tijd dachten politieke wetenschappers dat de aanwezigheid van een
hegemon een noodzakelijke voorwaarde was voor het tot stand komen van internationale regimes. Deze visie
leidde de aandacht echter af van andere dimensies van macht zoals we die beschreven in de vorige
hoofdstukken. Het is dan ook zo dat er binnen internationale regimes verschillende partijen een leidersrol op
zich kunnen nemen, zoals de VS en de EU dat doen binnen de Wereld handels Organisatie. De aanwezigheid
van een hegemon is dus geen absolute voorwaarde voor het voortbestaan van internationale regimes
(Edwards, 2002)
Deze theorie die een link legt tussen hegemonie en internationale conferenties wordt ook ontkracht als we
een analyse maken van de rol van de Verenigde Staten in het mondiaal klimaat regime. Na de val van de
Sovjet Unie werd de VS de enige overgebleven grootmacht ter wereld. Toch trok Amerika zich in die
periode tegelijkertijd terug uit het internationaal klimaatregime. Volgens de wetenschappelijke literatuur was
de VS tijdens de jaren ’70 en ’80 een klimaatleider, maar in de jaren ’90 wisselde ze haar voortrekkersrol om
met de Europese Unie. Kelemen en Vogel maken in hun bijdrage een analyse over de rol van de VS en de
EU binnen het mondiaal klimaatbeleid: “Since the 1990s, the political dynamics of international
environmental policy have shifted, with the European Union emerging as a global environmental leader and
the United States repeatedly opposing multilateral environmental agreements” (Kelemen, 2010, p. 427).
Het Kyoto-protocol werd in 1997 opgesteld maar ging pas in 2005 van kracht. In 2001 trokken de Verenigde
Staten zich terug en beslisten het Protocol niet te ratificeren. De mondiale inspanningen tegen
klimaatverandering dreigden in elkaar te storten door de terugtrekking van de mondiale grootmacht onder
Bush. De Europese Unie besloot echter om het Kyoto-protocol niet op te geven en overhaalde andere
industrielanden om de Kyoto doelstellingen na te streven en het regime niet te verlaten. Het eerste bindende
klimaatregime kwam op deze manier tot stand zonder de aanwezigheid van een hegemon als de Verenigde
Staten.
Maar hoe zagen de internationale machtsverhoudingen er uit op de conferentie van Kopenhagen? De wereld
is gedurende het eerste decennium van de XXIste eeuw sterk veranderd met de spectaculaire economische
groei van China en andere Aziatische landen. De unipolaire wereldorde met de VS als enige grootmacht is
duidelijk aan zijn haar gekomen. Vandaag leven we in een multipolaire wereldorde en het centrum daarvan
is zich van West naar Oost aan het verschuiven (Coolsaet, 2010).
46
Gupta en Grupp linken structurele macht binnen klimaatonderhandelingen ook meer in het specifiek met de
totale emissie van een land en met de hoeveel geld dat het land bereid is te investeren in de strijd tegen
klimaatverandering (Gupta & Grubb, 2000).
Hieronder wordt er een analyse gemaakt van de twee landen die op de Conferentie van Kopenhagen de
grootste invloed hadden: China en de VS. Daarna wordt de relatie van deze landen met de Europese Unie in
zake klimaatverandering van dichterbij bekeken. Is er sprake van samenwerking? Zien de Verenigde Staten
en China de Europese Unie als een klimaatleider of is dat enkel een discours dat in stand wordt gehouden
binnen de Unie zelf? Zijn de VS of China zelf van plan om mondiaal klimaatleider te worden? Hoeveel
structurele (lees: economische en politieke) macht heeft de EU nog in de huidige internationale
onderhandelingen?
6.2 De Verenigde Staten en klimaatleiderschap
De Verenigde Staten zijn lange tijd een mondiale voorloper geweest in de aanpak van milieu
problematieken. In de jaren ’60 en 70 waren ze de meest ambitieuze partij voor het ondertekenen van
internationale milieu verdragen en in de jaren ’80 waren ze wereldleider in het zoeken naar een oplossing
voor het gat in de Ozonlaag. De Europese Unie daarentegen had in die periode minder aandacht voor het
milieu en klimaatverandering stond niet hoog op de agenda. Gedurende de laatste twee decennia is het
vooruitstrevend karakter van het Amerikaanse milieu beleid sterk gedaald. Het is vooral de EU die sinds de
jaren negentig een internationale leidersrol op zich heeft genomen en werk maakt van de ratificatie van
internationale milieuwetten (Kelemen & Vogel, 2010).
Kelemen en Vogler vragen zich in hun artikel af hoe het komt dat de VS en de EU de laatste twintig jaar hun
rollen van leader en laggard in milieu beleid hebben omgewisseld. De auteurs komen tot de conclusie dat dit
te maken heeft met het interne klimaatbeleid van een land. Hoe sterker milieu bewuste partijen doorwegen
op de binnenlandse politiek van een land en dus hoe strenger de binnenlandse milieu regels, des te groter de
druk wordt om werk te maken van een goed functionerend internationaal klimaatregime die de zelfde strenge
milieu regels na streeft op internationaal niveau. De grootste verklaring voor klimaatleiderschap ligt volgens
de auteurs bij de politieke economie van een land: hoe sterker de groene partijen doorwegen en strengere
milieu regels tot stand brengen, des te meer zullen de industrieën van dat land internationaal niet benadeeld
willen worden en gaan ze een groen internationaal milieubeleid ondersteunen (Kelemen & Vogler, 2010).
Het politieke landschap van de VS telt voornamelijk twee partijen en er is geen plaats voor het opkomen van
alternatieve groene partijen zoals dat in de EU wel het geval is. Daarom is er ook minder binnenlandse steun
voor het maken van ambitieuze beslissingen op internationaal niveau.
Obama stelde in zijn verkiezingscampagne de strijd tegen klimaatverandering prioritair op zij agenda. Dit
zorgde voor grote verwachtingen bij de Europese leiders (Swieboda, 2009). In een open brief naar de nieuw
verkozen president gepubliceerd in Januari 2009 vroeg de toenmalige Europese Commissaris voor milieu
Stavros Dimas de VS om ambitieuzer werk te maken van reductiedoelstellingen: “Europe is only a small
part of the problem and our emissions are some 14 percent of the global total, while the United States
47
accounts for 22 percent of those emissions. Many other countries, including countries like China, can’t see
why they should decarbonise their economies if the world’s richest economy does not also make firm
commitments” (Dimas, 2009).
De Europese Unie verwelkomde de nieuwe Amerikaanse aanpak van klimaatverandering en hoopte op een
succesvolle samenwerking. De voorzitter van de Europese Commissie Barroso drong aan tot een
gezamenlijke aanpak van climate change en zocht naar een versteviging van de “Atlantic Community of
values” (Barroso in Shapiro & Whitney, 2009).
De Verenigde Staten beantwoordden de Europese verwachtingen met een pragmatische aanpak. Amerika zou
samenwerken met die landen die zich op de zelfde lijn dan als de Verenigde Staten bevonden. De VS stond
niet te popelen van enthousiasme om haar krachten te verenigen met het strenger Europees klimaatbeleid.
Sinds het presidentschap van Obama wordt er in de VS wel meer aandacht gegeven aan de
milieuproblematiek, maar toch blijkt de vooruitgang in het klimaatdossier nog erg moeizaam te zijn. Buijs
citeert Warner en Kate wanneer hij stelt dat het land nog niet geheel klaar is voor de grote ommezwaai op
klimaatgebied ten opzichte van ex-president Bush, zoals Obama die voor ogen heeft (Buijs, 2009, p .557).
Zoals in de Standaard stond geschreven kon de Amerikaanse president, in Kopenhagen, geen verdere
toezeggingen doen over de reductie van broeikasgassen, omdat de Amerikaanse Senaat de wetgeving
daaroverblokkeert.(http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=AO2JVRVM&word =europa +in
+tranen)
De speech van Obama op de laatste dag van de Conferentie werd daarom een grote teleurstelling voor de
meeste landen en organisaties begaan met het klimaat. José Manuel Barroso definieerde de niet-bindende
Kopenhagen deal een “commitment to the lowest common denominator” (Ward, 2009)
Wat Amerika de wereld op de COP15 beloofde in concrete cijfers bleek niet veel te zijn: de VS streeft onder
het Kopenhagen Akkoord naar 17% minder CO2 uitstoot tegen 2020 ten opzichte van 2005. Als we de
Amerikaanse inspanningen berekenen ten opzichte van 1990, dat door de partijen van het Kyoto-protocol als
algemeen referentiejaar wordt gebruikt, zou de VS tegen 2020 maar 4% minder CO2 uitstoten. Dat is minder
dan wat Clinton in 1997 beloofde bij het ondertekenen van het Kyoto Protocol. Toen streefde de VS officieel
naar een reductie van 7%, maar daar kwam niets van terecht omdat de VS het Verdrag in 2001 uiteindelijk
weigerde te ratificeren (Wittneben, 2009).
De Verenigde Staten weigerde in Kopenhagen grote toezeggingen te doen op internationaal niveau als
andere grote uitstoters zoals China niet volgden met even belangrijke inspanningen. In 1997 keurde het
Senaat een Resolutie goed waarin men onderlijnde dat de VS elke internationale verbintenis zou weigeren
die geen “new specific comitments to limit or reduce greenhouse gas emissions” voor ontwikkelingslanden
als China en India omvatte. In een dergelijke context had de Obama administratie in Kopenhagen geen keuze
of het moest benadrukken dat de ontwikkelingslanden mee moesten stappen in een nieuwe internationale
verbintenis. Maar hoe staat China hier tegenover?
48
6.3 China en klimaatleiderschap
Omdat klimaatverandering zo snel gaat verwachtten de Europese Unie en de VS in Kopenhagen ook
concrete inspanningen van opkomende economieën zoals China, India, maar ook Brazilië en Zuid-Afrika.
China is een ontwikkelingsland en is vandaag de grootste vervuiler ter wereld met een emissie intensiteit die
vier keer zo groot is als die van Europa (Buijs, 2009). Het is de machtigste partij van de G77/China coalitie
en is moeilijk te overtuigen om de uitlaat van zijn broeikasgassen te verminderen. Onder het principe van
gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid (“common, but differentiated responsabilities”)
argumenteert het land dat de industrielanden een grotere historische verantwoordelijkheid dragen en
verantwoordelijk zijn voor een groter aandeel per hoofd in de mondiale CO2 uitstoot (Schunz & Bruyninckx,
2009).
In de recente geschiedenis heeft China energieveiligheid en klimaatverandering een centrale plaats gegeven
in haar beleid. Het land erkent dat klimaatverandering sterke gevolgen heeft voor heel de wereld en China
zelf. Met de oprichting van het National Climate Change Programme in 2007 heeft China een coherente en
ambitieuze strategie opgezet om klimaatverandering te bestrijden. China is onder andere van plan om wereld
leider te worden in de productie van groene technologieën en maakt er een punt van om tegen 2020 15% van
haar energie uit hernieuwbare energie bronnen te halen
(Freeman, 2009). Toch zijn de
meeste
elektriciteitscentrales die gebouwd worden nog kolencentrales, die de uitstoot van broeikasgassen flink
verhogen (Buijs, 2009, p. 556).
Concrete inspanningen op binnenlands niveau worden echter overschaduwd door de Chinese inflexibele
positie tijdens internationale onderhandelingen. China blijft al jaren vast houden aan de zelfde principes die
van het land een moeilijke actor maken in het internationaal klimaatregime. Het officieel Chinees standpunt
voor de conferentie van Kopenhagen benadrukt zoals eerder al vermeld het principe van common but
differentiated responsibilities. Het land weigerde op de internationale top om bindende reductie
doelstellingen aan te gaan. Ook is de Chinese overheid van mening dat financiering en technologietransfers
van industrielanden nodig zijn als er van ontwikkelingslanden verwacht wordt dat ze actief deelnemen in de
strijd tegen klimaatverandering (Freeman & Holslag, 2009)
Het Chinees verzet om zich gemakkelijker open te stellen tijdens internationale klimaatonderhandelingen
heeft volgens Jonathan Holslag, China expert bij het BICCS (Brussel Institute Contemporary China Studies),
twee verklaringen. De harde houding van China op de Conferentie van Kopenhagen kan worden aanzien als
een realistische strategie om zoveel mogelijk concessies binnen te halen op de internationale top, maar is ook
het gevolg van een spontaan gevoel van verontwaardiging voor de lage inspanningen van de industrie landen
binnen het internationaal klimaatregime (Holslag & Freeman, 2009).
Het feit dat China zich verzet tegen internationale samenwerking benadrukt dan ook weer eens de staat
gerichte politiek van China, dat zich weinig aantrekt van het naleven van internationale normen. (Freeman)
China had in de aanloop naar Kopenhagen grote verwachtingen van de industrielanden en sommige daarvan
werden door de EU als onrealistisch ervaren. Het land vindt dat de ontwikkelingslanden recht hebben op
gratis technologieën van de industrie landen: “China argues that the West should provide its technology for
49
free to compensate for its historical contribution to global warming” (Holslag & Freeman, 2009). De
Europese Unie kan met moeite voldoen aan deze Chinese vraag. Het merendeel van de technologie is niet in
handen van de overheid maar van bedrijven die een financiële compensatie zoeken voor hun investeringen in
het buitenland (Freeman & Holslag, 2009). Ook de VS heeft bijkomende eisen op het recht op technologie
transfer dat in Bali werd goedgekeurd. In de aanloop naar Kopenhagen stemde het Amerikaanse Huis van
Afgevaardigden een amendement goed waarin wordt aangegeven dat een mogelijk klimaatverdrag onder de
UNFCCC nooit ten koste mag gaan van bescherming van intellectuele eigendomsrechten van Amerikaanse
bedrijven (Buijs, 2009, p. 558).
In tijden van economische crisis zijn de Europese lidstaten nog terughoudender om werk te maken van
internationale verbintenissen die een economische inspanning vragen. De EU stelt dan zelf het potentieel aan
commerciële winsten van een samenwerking met een land als China in vraag (Holslag & Freeman, 2009).
China en de Unie zaten in de aanloop naar Kopenhagen rond de meeste argumenten niet op de zelfde lijn.
Toch is samenwerking tussen de twee grootmachten belangrijk binnen het internationale milieu regime om
tot een oplossing te komen voor de mondiale strijd tegen klimaatverandering. Vooral een samenwerking
tussen de twee grootste vervuilers ter wereld: China en de VS, is van noodzakelijk belang. De regering
Obama heeft, vanwege de grote parallellen met China als grote uitstoter en grote verbruiker van kolen,
energie en klimaat uitgeroepen tot topprioriteit in de samenwerking met China. Toch hebben we gezien dat
de Amerikaanse wetgeving een efficiënte samenwerking met een land als China moeilijk maakt (Buijs,
2009).
China weigerde in Kopenhagen bindende reductie doelstellingen op zich te nemen, maar maakte achteraf
haar vrijwillige emissiereducties publiek: het land is bereid om haar emissies te verminderen met min 4045%
CO2
emissie
intensiteit
ten
opzichte
van
het
niveau
van
2005
tegen
2020.
(http://unfccc.int/files/meetings/application/pdf/ chinacphaccord_ app2.pdf) Volgens China’s Greenpeace
manager zijn deze doelstellingen een positieve stap voorwaarts maar kan het land nog meer doen: “This is
definitely a very positive step China is taking, but we think China can do more than this”
(http://news.bbc.co.uk/2/hi/8380106.stm)
6.4 Wie was er klimaatleider op Kopenhagen?
Om na te gaan welk land over de meeste structurele macht beschikte op de Conferentie van Kopenhagen
gebruiken we de definitie van Gupta en Grubb over structureel leiderschap. De auteurs leggen de nadruk op
de politieke en economische macht van een land en geven twee concrete invullingen van structurele macht:
1) Een land heeft structurele macht wanneer het verantwoordelijk is voor een groot aandeel van de
mondiale emissies.
2) Een land heeft structurele macht als het bereid is belangrijke economische inspanningen te doen voor
de strijd tegen klimaatverandering.
Het eerste punt legt de nadruk eerder op de politieke dimensie van structureel leiderschap en het tweede punt
op de economische dimensie. Volgens de eerste invulling van de definitie beschikken China en de VS over
50
de grootste structurele macht tijdens internationale klimaatonderhandelingen. China heeft in 2007 de VS
voorbijgestoken en is vandaag de grootste uitstoter ter wereld. Het land is vandaag verantwoordelijk voor
ongeveer 25% van de mondiale uitstoot en de Verenigde Staten voor ongeveer 20%. De meeste
toekomstprojecties verwachten dat de Chinese uitstoot vóór 2030 nog zal verdubbelen (Buijs, 2009). De
Europese Unie daar in tegen zal steeds minder doorwegen op het internationaal forum omdat het, vergeleken
met VS, China en India, een minder groot aandeel zal hebben in de mondiale uitstoot. Egenhofer en
Georgiev, twee onderzoekers bij CEPS (Centre for European Policy Studies) zijn van mening dat de EU aan
belang zal inboeten in het toekomstig klimaatregime: “Numerically, it is the US, China and other emerging
economies that really matter in any lasting solution. There is nothing the EU can do about this. It is even
partly the result of its own reduction policies (Egenhoffer & Georgiev, 2010, p.3).
Als de EU op politiek niveau niet kan doorwegen, dan is het belangrijk dat het haar economische macht
gebruikt om haar leidersrol in het internationale milieu beleid te behouden. De Unie is het grootste
handelsblok ter wereld en vertegenwoordigt 17,1 % van de internationale handel. In De impact van de
Europese unie wordt geschreven: “De Europese Unie is een economische reus, een politieke dwerg en een
militaire worm” (Vos, 2008, p.103).
Maar ook bij de tweede invulling van structurele macht was de EU in de aanloop naar Kopenhagen niet
succesvol. In het hoofdstuk over directioneel leiderschap wordt er een analyse gemaakt over de interne
Europese verdeeldheid rond financiering van klimaatfondsen. Dit zorgde in de aanloop naar Kopenhagen
voor een negatieve indruk bij derde landen. Deze gingen het Europees leiderschap minder vertrouwen.
Zowel China als de VS waren in Kopenhagen niet onder de indruk van de Europese rol als klimaatleider. Het
werd op de klimaattop al snel duidelijk dat de VS haar eigen agenda ging volgen “with scant reference to any
self-proclaimed European “lead”’. De VS zijn zich bewust van de politieke en economische macht die ze
op wereldniveau blijven uitoefenen. Dit zorgt er voor dat het land niet gemakkelijk zal buigen voor de
Europese regelgeving rond klimaatverandering. Om het te zeggen met de woorden van Obama: “America
cannot confront the challenges of this century alone, but Europe cannot confront them without America”
(Shapiro & Witney, 2009, p.11).
Ook China was op de COP15 niet onder de indruk van het Europese klimaatleiderschap. Holslag en Freeman
publiceerden voor de Conferentie van Kopenhagen op EUObserver een artikel met de veelzeggende titel:
“China challenges Europe’s climate change leadership”. China is volgens de auteurs een concurrent in de
mondiale strijd voor klimaatleiderschap: “China is challenging this leadership. Not only is it criticizing the
EU for not doing enough in the run-up to the Copenhagen summit in December, it is also catching up with its
own clean energy technologies and policies, in spite of a much lower development level” (Holslag &
Freeman, 2009)
China vindt dat het beleid van de Europese Unie niet voldoende ambitie toont. Peking is daarom sceptisch
over de Europese klimaatleidersrol. Het land vindt een mitigatie inspanning van 20% tegen 2020 een
belachelijke lage inspanning en vraagt de Unie om een sterker klimaatleiderschap te tonen (Holslag &
Freeman, 2009) Volgens China moeten de ontwikkelde landen hun emissies tegen 2020 niet met 20%
51
verminderen maar met 40% ten opzichte van 1990 (Freeman, 2009) Een ander probleem dat voor frustratie
zorgde is het feit dat de EU tijdens internationale onderhandelingen het land nog steeds behandelde als een
ontwikkelingsland en zich te weinig bewust is van de veranderde machtsverhoudingen van de wereld:
“(EU)..continues to treat China as the emerging power it used to be, rather than the global force it has
become” (Fox & Godement, 2009, p. 1)
China is bewust van het feit dat mondiaal klimaatleiderschap in het nationale interessegebied van het land
kan liggen. Klimaatleiderschap wordt aan de Universiteit van Peking als volgt besproken: “Leadership in
today’s world is not to conquer another country, but depends on the extent to which you can save the earth”
(Freeman & Holslag, 2009, p. 31)
6.5 Voorlopig besluit
De structurele macht van de EU in de huidige wereldorde ligt sterk onder druk. Niet alleen is de Europese
Unie op internationale klimaattops steeds minder belangrijk omdat het steeds minder uitstoot, de leiders van
de grootste uitstoters ter wereld zijn niet erg onder de indruk van het Europees klimaatleiderschap. Toch is
het volgens de meeste wetenschappers belangrijk dat de EU haar klimaatleiderschap niet verwaarloost.
Conclusie van dit onderzoek is dat de Europese Unie in de toekomst meer gebruik moet maken van haar
grote economische macht om haar politieke macht op binnenlands en internationaal niveau te versterken.
Edith Vanden Brande, onderzoekster aan de Universiteit Gent, maakte in 2008 een analyse over “Green
Civilian Power Europe”. Het Europees klimaatleiderschap is volgens de auteur vooral bepaald door de
economische macht van de EU. Vanden Brande citeert Vogler om dit concept te benadrukken: “The EU
attempts to reconcile, and even exploit, its position as the world largest trading bloc – with a growing
aspiration to exercise environmental leadership” (Vanden Brande, 2008 p. 163).
Toch, redeneert de auteur verder, staat het Europees klimaatleiderschap ook ten dienst van niet-economische
doelstellingen. Groen leiderschap heeft namelijk twee belangrijke politieke functies: macht winnen in de
internationale wereldorde en de Europese integratie legitimeren.
Hieruit kan men afleiden dat klimaatleiderschap niet alleen uiting is van economische belangen maar ook een
directe bron is voor de Europese politieke macht, juist die macht die Europa riskeert te verliezen in het
bijzijn van andere wereldmachten. Volgens deze analyse over structureel leiderschap beschikt de EU over
minder politieke macht dan China en de Verenigde Staten. Daarom juist is het belangrijk dat ze haar
klimaatleiderschap behoudt. Volgens Connie Hedegaard, commissaris voor klimaatverandering van de
Europese Commissie, is “the whole issue of climate change and energy efficiency about strategic
leadership in the 21st century” (Deutsche Presse Agentur van 26 nov 2008, in Schunz, 2009).
Groen Leiderschap is volgens Vanden Brande een pad-afhankelijke kwestie geworden. De kosten van nietleiderschap zijn inmiddels groter dan de teugels in handen te blijven houden. Europa als “groene civiele
macht” draagt bij tot een sterker Europees identiteitsgevoel en kan een groter support voor de Europese
integratie mobiliseren. Het Europees klimaatleiderschap onderscheidt de Unie ook op wereldniveau, wat
52
leidt tot een grotere internationale erkenning en een grotere macht voor het oude continent (Vanden Brande,
2008).
Copenhagen was volgens een artikel van The Financial Times het embleem van de historische transitie
periode naar een nieuwe multipolaire wereldorde. “Copenhagen was multipolarity as chaos” stelde de
directeur van het German Marshall Fund in Washington (Ward, 2009). Als de Europese Unie nog enigszins
haar leiderschapsrol wil behouden in de veranderde wereld zal het moeten aanvaarden dat haar structurele
macht in de multipolaire wereld orde aan het minderen is. Dit wil niet zeggen dat de EU geen instrumenten
meer ter beschikking heeft om een leidinggevende rol op zich te nemen. Volgens de analyse van Oberthur
zal EU leiderschap in de toekomst een extra grote inspanning vragen: “Continued international leadership of
the EU cannot be considered a given, but will require a targeted and conscious effort” (Oberthur & Kelly,
2008, p. 9).
53
CONCLUSIE
Volgens de meeste onderzoekers is de Europese Unie de laatste twee decennia mondiale voorloper geweest
in de strijd tegen klimaatverandering. De Unie faalde echter op de internationale top in Kopenhagen van eind
2009 in haar klimaatleidersrol. Doelstelling van dit onderzoek was een genuanceerd antwoord vinden op de
vraag: “Waarom is de Europese Unie op Kopenhagen gefaald in haar klimaatleiderschap?” Voor de
uitwerking van het onderzoek werd er gebruik gemaakt van drie hypothesen uit de wetenschappelijke
literatuur, die telkens een verschillende dimensie van klimaatleiderschap aanpakken. Via het toetsten van de
verschillende hypothesen aan de realiteit komen we tot de conclusie dat de Europese Unie
klimaatverandering op een verschillende manier moet aanpakken wil het in de toekomst nog een leidersrol
op zich nemen.
Na een historisch overzicht over het Europees en internationaal klimaatbeleid en na een grondige
literatuurstudie gaat hoofdstuk vier over de directionele dimensie van leiderschap. De Europese Unie faalde
hierin op de COP in Kopenhagen omdat het door interne verdeeldheid geen ambitieus klimaatbeleid kon
nastreven.
Dit zorgde voor een minder sterk “Leadership by example” waardoor de positieve aantrekkingskracht van de
Unie op derde landen minderde. Als de Unie in de toekomst nog leiderschap wil uitoefenen moet het
economische risico’s durven nemen en strengere milieu regels na streven. Hiervoor is het belangrijk dat de
meeste Europese lidstaten overtuigd zijn van het dringende probleem van klimaatverandering. In het
hoofdstuk over directioneel leiderschap worden vervolgens verschillende factoren opgesomd die het tot stand
komen van een eengemaakt Europees klimaatbeleid bevorderen.
In het vijfde hoofdstuk wordt een analyse gemaakt over het Europese instrumentele leiderschap. Deze
dimensie concentreert zich op de onderhandelingscapaciteiten van een partij. De buitenlandse
vertegenwoordiging van de Unie voor klimaatbeleid is een gemengde bevoegdheid en verdeeld tussen de
Unie en de lidstaten. Dit zorgt vaak voor onduidelijkheid bij derde partijen die niet weten tot wie ze zich
moeten richten tijdens de onderhandelingen. Ook kwamen de Europese reacties tijdens de internationale top
vaak te laat omdat elk standpunt eerst door alle lidstaten moest worden goedgekeurd. De Europese Unie
werd in Kopenhagen vertegenwoordigd door maar liefst acht leiders en kon hierdoor niet met één stem
spreken. Na de Conferentie van Kopenhagen ontstond er tussen EU wetenschappers en beleidsmakers een
algemene consensus dat het Europees diplomatiek model nodig aan hervorming toe is. De inwerkingtrede
van het Verdrag van Lissabon kan een eerste belangrijke stap in de goede richting zijn.
Het laatste hoofdstuk stelt de politieke en economische macht, oftewel het structurele leiderschap, van de EU
in vraag. Hoe werd de EU gepercipieerd in Kopenhagen door andere machtige actoren als China en de VS?
Is het Europees leiderschap een discours dat enkel in stand wordt gehouden binnen de Unie zelf of zien ook
andere landen de EU als mondiaal klimaatleider? De Unie is geen grote vervuiler in vergelijking met China
en de VS dus wegen haar beslissingen omtrent reductie doelstellingen minder door in internationale fora. Dit
zorgt voor een vermindering van de politieke macht van Europa.
54
China heeft sinds enkele jaren klimaatverandering serieus op genomen en is een internationale voorloper
geworden in het ontwikkelen van duurzame technologieën. Ook de Verenigde Staten onder Obama zijn terug
een belangrijke aanwezigheid in het internationale klimaat arena. Volgens onze analyse zijn zowel China als
de VS zijn niet onder de indruk van het Europees klimaatleiderschap.
Volgens China zijn de reductie doelstellingen van de Unie te weinig ambitieus om van een geloofwaardig
leiderschap te kunnen spreken: “Beijing has been highly sceptical of the EU’s role. It find Brussels’objective
of a 20 percent reduction in greenhouse gas emissions by 2020 ridiculously low and is asking for 20 percent
extra” (Holslag & Freeman, 2009).
Ook Oberthür is van mening dat de Europese inspanningen te laag liggen: “Arguably, more ambition may be
expected from an actor aspiring to lead other international actors in the fight against climate change”
(Oberthür & Pallemaerts, 2010, p.52).
Volgens Oberthür is directioneel leiderschap voor de Europese Unie tegelijkertijd een strategische keuze
maar ook een noodzaak. De Europese Unie heeft volgens de wetenschapper onvoldoende politieke en
economische macht om anderen te forceren iets te doen tegen klimaatverandering. Tegelijkertijd is het in
Europa’s voordeel om werk te maken van directioneel leiderschap omdat de Unie op die manier haar profiel
als civiele en normatieve macht kan versterken (Oberthür & Kelly, 2008)
Als conclusie kunnen we stellen dat de Unie beter gebruik moet maken van haar economische macht om een
sterker leiderschap uit te voeren. Groen leiderschap is voor de Unie een pad-afhankelijke kwestie geworden
en een directe bron voor de versteviging van haar internationaal profiel. Daarom is het belangrijk dat de Unie
leert uit haar fouten om en in de toekomst ambitieuzere beslissingen durft te nemen.
Op de nieuwssite Euractiv vraagt men zich af hoe de Europese Unie na de mislukking in Kopenhagen een
globale leidersrol terug kan op nemen: “After Copenhagen: Can the EU revive global climate talks?”
Er circuleren in de wetenschappelijke literatuur en in Europese denktanks twee mogelijke Europese
strategieën betreffende het toekomstige internationaal klimaatbeleid:
1) Een unilaterale beslissing om te streven naar een vermindering van 30% CO2 uitstoot tegen 2020 ten
opzichte van 1990.
2) Een CO2 belasting op de Europese grenzen voor alle producten uit het buitenland die niet
onderworpen zijn aan regels van internationale koolstofmarkten.
De Unie had met het 20-20-20 pakket al bekend gemaakt dat het zou streven naar een vermindering van min
30% als andere landen vergelijkbare inspanningen zouden doen. Tot nu toe zijn de inspanningen van China
en de VS teleurstellend, vind de EU: “EU disappointed by US, Chinese pledges”
(http://www.euractiv.com/en/climate-change/eu-disappointed-chinese-us-climate-pledges/article-188495)
Maar zou de EU geen sterk signaal geven met een unilaterale beslissing om te streven naar min 30 %? In de
literatuurstudie zagen we dat unilaterale acties een belangrijk onderdeel zijn van directioneel leiderschap.
Sommige lidstaten zijn daarom van mening dat de EU een dergelijke beslissing moet nemen. Ook de
Commissaris voor klimaatverandering Connie Hedegaard ondersteund deze optie: “It’s in Europe’s own
55
interest” vind de commissaris, “If we do it intelligently it will enhance our competitiveness, strengthen our
energy security, stimulate green economic growth and innovation, and by that we will create new jobs”
(http://www.euractiv.com/en/climate-environment/after-copenhagen-can-eu-revive-global-climate-talkslinksdossier-492034)
Ook op deze mogelijke beleidsbeslissing word een rem gelegd door interne verdeling. Typische Europese
leaders op vlak van milieubeleid zoals UK, Denemarken, Zweden en Nederland zijn vóór, maar andere
landen zijn eerder tegen.
Een land als Frankrijk is voorstander van een dergelijke unilaterale beslissing maar koppelt er een
voorwaarde aan vast: het opleggen van een CO2 taks aan de Europese grenzen om de competitiviteit van de
Europese industrieën te beschermen. Deze CO2 belasting wordt ook door verschillende denk tanks
besproken. Zowel Egenhofer & Georgiev als Curtin bespreken in hun analyse deze optie. De algemene
directeur van CEPS (Centrum for European Policy Studies) Daniel Gros is van mening dat een dergelijke
belasting globaal gezien een positieve invloed zou hebben. De CO2taks zou het globale milieu beschermen
en daarom ook aanvaard worden door de Wereld Handels Organisatie (Curtin, 2010, p. 10).
Klimaatverandering brengt enorme effecten met zich mee. Er zijn dringend acties nodig als we willen dat
onze planeet in de toekomst een leefbare plek blijft. Volgens het Kopenhagen Akkoord moet een algemene
stijging van de temperatuur boven de 2°C worden vermeden. Momenteel zijn de vrijwillige nationale
emissiereducties niet voldoende om deze doelstelling te halen. De inspanningen van alle landen samen
zorgen op de dag van vandaag voor een temperatuur stijging van 3,5% tegen 2100 (Curtin, 2010, p.6).
Er zijn grotere inspanningen nodig als men klimaatverandering op een succesvolle manier wil aanpakken. De
Unie moet durven beslissingen nemen met een diepere impact als ze terug een volwaardig internationaal
leiderschap wil uitoefenen.
Dries Lesage, onderzoeker aan het departement van Internationale Politiek aan de Ugent, onderschrijft het
feit dat Europa over de nodige economische macht beschikt om radicale beslissingen te maken: “As an
enourmously important consumer market and investment location, the EU can also consider a more radical
move: withdrawing from neoliberal globalisation, of course if there is sufficient internal support. The EU is
large and economically powerfull enough not to fear punishment from the international market forces”
(Lesage, 2007, p.7).
Klimaatverandering vormt een bedreiging die de toekomst van de mensheid radicaal op spel zet. Het is de
grootste uitdaging van de eeuw en het zal een enorme impact hebben op miljoenen mensenlevens. Om te
vermijden dat het een onomkeerbaar proces wordt zijn er dringend acties nodig vanuit het politieke niveau.
De EU heeft de juiste economische middelen om de strijd aan te gaan en beseft de ernst van het probleem.
Waar wacht men nog op?
56
BIBLIOGRAFIE
Buijs, B. (2009) “China als sleutel tot succes in de klimaatdiscussie”. Internationale Spektator, 63:11, 555558
Commission (EC). (2009) “Towards a comprehensive climate change agreement in Copenhagen” in
Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and
Social Committee and the Committee of the Regions. Brussels, 28.1.2009 COM(2009) 39 final.
Commission (EC). (2009) “Stepping up international climate finance: A European blueprint for the
Copenhagen deal” in Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the
European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions. Brussels, COM(2009) 475/3
Commission (EC). (2010) “International climate policy post-Copenhagen: Acting now to reinvigorate
global action on climate change” in Communication from the Commission to the European Parliament, the
Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions. Brussels,
9.3.2010 COM(2010) 86 final.
Coolsaet, R. (2010) “Macht en waarden in de wereldpolitiek. Actuele vraagstukken in de internationale
politiek” Editie 2010-2011, Gent, Academia Press
Curtin, J. (2010) “The Copenhagen Conference: How should the EU respond?”. IIEA
De Walsche, A. en Vanden Brande, E. en Jones P.T. en Calcoen S. (2007) “Is er leven na Kyoto?”. MO*
paper nr.14
Dimas, S. (2009) “The Road to Copenhagen”. Seminar on Climate Change, House of Europe, Stockholm.
Dimas,S. (2009) “Open Letter to the President of the United States’”, 27 January 2009. Available at:
http://ec.europa.eu/commission_barroso/dimas/news/doc/letterpresidentObama.pdf.)
Edwards, J. (2002) “Has the European Union exercised leadership in the international climate change
regime since The Hague”, Thesis from College of Europe, Bruges.
Egenhoffer, C en A. Georgiev (2010) “Why the transatlantic partnership matters more than ever”, CEPS
Policy Brief
Freeman, D. & J. Holslag (2009) “Climate for Cooperation: the EU, China and Climate Change”, A report
by Brussels Institute of Contemporary Chinese Studies
Fox, J. & F. Godement (2009) “A Power Audit of EU-China Relations”, European Council on Foreign
relations: London: http://ecfr.3cdn.net/532cd91d0b5c9699ad_ozm6b9bz4.pdf
Grubb, M. en J. Gupta (2010) “Climate Change and European Leadership: a sustainable role for Europe?”,
Dordrecht, Kluwer Academic
Holslag, J. & D. Freeman (2009) “China challenges Europe’s climate change leadership”, Euobserver
http://euobserver.com/884/28733
IPCC (2007). “Summary for Policy makers”, Climate Change 2007: Synthesis Report.
Kaczynski, P. (2010) “Single voice, Single chair? How to re-organize the EU in international negotiations
under the Lisbon rules”. CEPS Policy Brief No207.
57
Kelemen, D. (2010) “Globalizing European Union environmental Policy”. Journal of European Public
Policy, 17:3, 335-349.
Kelemen, D & D. Vogel. (2010) “Trading places: The Role of the United States and the European Union in
International Environmental Politics”, Comparative Political Studies 43(4) 427-456
Lesage, D. (2007) “New Constitutionalism of Disciplinary Neoliberalism as a Gestalt of Scales”, in VAN
NUFFEL, N. (ed.), Van Christaller tot Wallerstein. Liber Amicorum Prof. Dr. Pieter Saey, Zelzate, Nautilus
Academic Books, 195-206.
Mahony, H. (2009) “EU cedibility at stake over climate financing”, EUobserver: http://euobserver.com
/9/28901
Meilstrup, P. (2010) “The Runaway Summit: The background story of the Danish presidency of COP15, the
UN Climate Change Conference”, Danish Foreign Yearbook.
Muller, S & M. Kremer. (2010) “Europe’s green diplomacy: Global Climate governance Emerges as Test
case for the EU”, http://www.spiegel.de/international/europe/0,1518,681931,00.html
Oberthür, S. en C. R. Kelly. (2008) “EU leadership in International Climate Policy: Achievements and
Challenges”. The International Spectator, 43:3, 35-50
Oberthür, S. en M. Pallemaerts. (2010) “The EU’s Internal and External Climate Policies: an Historical
Overvieuw” in S. Obertur en M. Pallemaerts (eds), The New Climate Policies of the European Union (S.I. :
VUB)
Ott, H en Sterk, W en R. Watanabe. (2008) “The Bali roadmap: new horizons for global climate policy”,
Wuppertal Institute for Climate, Environment and Energy, Wuppertal Germany.
Parliament (EP) (2010) “Climate Change: A call for “new climate diplomacy”, http://www.europarl.europa.
eu/sides/getDoc.do?language=en&type=IM-PRESS&reference=20100209IPR68650
Rankin, J. (2010) “A Union with One voice?”, http://www.europeanvoice.com/article/imported/a-unionwith-one-voice-/67886.aspx
Schunz, S. en H. Bruynincxs. (2009), “De Europese Unie op weg naar Kopenhagen”. Internationale
Spektator, 63:11, 547-551
Schunz, S en Happaerts, S en K Vanden Brande. (2009) “European Union Foreign Policy and global
climate change: Towards a Comprehensive European climate diplomacy?” Leuven Centre for Global
Governance Studie, Policy Brief No 12.
Schmidt, J. R. (2008) “Why Europe leads on Climate change”. Survival, 50:4, 83-96
Schreurs, M. A. en Y. Tiberghien. (2007) “Multi-level Reinforcement: Explaining European Union
Leadership in Climate Change mitigation”. Global Environmental Politics 7:4, 19-42
Shapiro, J. & N. Witney (2009) “Towards a Post-American Europe: A Power Audit of EU-US relations”.
European Council on Foreign Relations: London: http://ecfr.3cdn.net/05b80f1a80154dfc64_x1m6bgxc2.pdf
Skodvin, T. en S. Andresen. (2006) “Part One: Negotiating International environmental Regimes.
Leadership Revisited.” Global Environmental Politics, 6:3, 13-26
58
Vanden Brande, E. (2008) “Green civilian power Europe?” in J. Orbie (eds), Europe’s global role:
external policies of the European Union (Burlington, Vt : Ashgate)
Vanden Brande, E. (2006) “Europa, klimaatleider ook na Kyoto?”. Internationale Spektator 60:2, 78-81
Van Schaik, L. (2010) “The Sustainability of the EU’s Model for Climate Diplomacy” in S. Oberthür en M.
Pallemaerts (eds), The New Climate Policies of the European Union (S.I. : VUB)
Vogler, J en R. Stephan. (2007) “The European Union in global environmental governance: Leadership in
the making?”. International Environmental Agreements 7:389-413
Vogler, J. (2005) “The European contribution to global environmental governance”. International Affairs
81:4, 835-850
Vos, H. (2008) De impact van de Europese Unie: beleidsterreinen, strijdpunten en uitdagingen, (Acco
Leuven/Voorburg)
Ward, A. (2009) “EU in cold as climate deal redefines relations”, The Financial Times:
“http://www.ft.com/cms/s/0/7b06d220-f493-11de-9cba-00144feab49a.html#axzz1SeRdkg7x
Wittneben, B. (2009) “Obama’s Hopenhagen”, http://www.climaticoanalysis.org/post/obamas-hopenhagen/
Ying, M. (2010) “China’s
view of
Climate Change”,
http://www.hoover.org/publications/policy-review/article/5302
Links:
www.euractiv.com
www.euobserver.com
www.europeanvoice.com
www.endseuropedaily.com
www.ceps.be
http://ec.europa.eu/climateaction
www.climaticoanalysis.org
www.unfccc.org
www.standaard.be
www.mo.be
www.bbc.com
www.reuters.com
www.xinhua.com
www.chinadaily.com
www.timesonline.co.uk
www.guardian.co.uk
Policy
Revieuw
Hoover
Institution:
59
Download