Hoofdstuk 14: Psychopathologie

advertisement
Hoofdstuk 14: Psychopathologie
Als mensen zich voelen & gedragen op een manier die afwijkt van andere mensen en die ze zelf ook moeilijk
begrijpen, dan worden ze als abnormaal beschouwd. De overgang van normaal naar abnormaal verloopt geleidelijk
Wat zijn mentale stoornissen?
Mentale stoornis = een patroon van gedachten, gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk lijden en een significante
daling in het sociale en arbeidsgerelateerde functioneren
Psychopathologie = deel vd wetenschap dat zich bezighoudt met d aard, tot standkoming en mogelijke behandeling en
preventie v mentale stoornissen (psychologie, psychiatrie, neurowetenschappen en farmacologie)

3 criteria om mentale stoornissen te definiëren
Onmogelijk lijst v kenmerken te vinden die altijd met een stoornis samen gaat en niet voorkomt bij gezonde mensen.
Meestal maakt men gebruik v 3 criteria om te bepalen of iemand een stoornis vertoond
 Een grote afwijking van het gemiddelde
Bijna alle menselijke eigenschappen volgen een normaalverdeling
Statistische criterium = als abnormaal beschouwd als hij lager/hoger scoort
dan 2 standaarddeviaties vh gemiddelde
5% van de bevolking (bv zwakzinnigheid& hoogbegaafdheid)
 Het overtreden van een sociale norm
Een samenleving of cultuur aanvaard bepaalde gedragsnormen en andere niet
Sociale criterium = abnormaal als het G afwijkt v een maatschappelijke norm (hinderlijk, onbegrijpelijk of schadelijk)
De definitie van abnormaliteit is cultuurafhankelijk en kan dus veranderen
Om als normaal beschouwd te worden moet gedrag sociaal aanvaard zijn.
 Persoonlijk lijden
Persoonlijke criterium: de gevolgen vd gedragingen, gedachten en gevoelens voor de persoon zelf
Sommige eigenschappen vormen een ernstige belemmering voor de persoon in zijn functioneren en sociale relaties.
Wanneer een persoon chronisch lijdt of G vertoont dat d persoon zelf als nutteloos/schadelijk ervaart = abnormaal G

Factoren die een rol spelen bij mentale stoornissen
Zowel biologische, cognitieve als sociaal-culturele factoren hebben een bijdrage bij mentale stoornissen
In de praktijk redeneerden onderzoekers en verzorgers tot voor kort te sterk vanuit 1 bepaald perspectief
Combinatie medicamenteuze, psychologische en sociale behandeling is het effectiefst
+ het onderlinge belang vd 3 factoren verschilt van stoornis tot stoornis
 Biologische factoren
Biologische perspectief: lichamelijke disfuncties zijn de oorspron van mentale stoornissen
Hippocrates: hysterie door losgeslagen baarmoeder. Psychische stoornissen door onevenwicht in 4 lichaamsvochten.
Letsels, bacteriële en virale infecties, vergiftigingen, excessief gebruik psychoactieve middelen
 kunnen gepaard gaan met symptomen kenmerkend voor mentale stoornissen.
Bv. Borna Disease virus: vooral in limbisch systeem  chronische hersenziekte bij dieren
+ aanwezig bij mensen met een mentale stoornis
Epileptische aanvallen: vroeger  bezeten door een kwade geest
Nu  neuronen vuren ongecontroleerd, normale hersenactiviteit onderbroken, bewusteloos
Bijna uitsluitend medische behandeld (geneesmiddelen of hersenchirurgie)
Maagzweren: vroeger  gevolg van psychische stress
Nu  Marshall & Warren: belangrijkste oorzaak is een bacterie
Genetische bijdrage tot mentale stoornissen: erfelijkheid speelt een belangrijke rol bij geestesstoornissen zoals
alcoholisme, depressie en schizofrenie
 Psychische factoren
Psychologisch perspectief: oorsprong abnormaal gedrag: mentale processen die ten grondslag liggen aan het gedrag
Jean Martin Charcot: hysterie is het resultaat ve aangeboren zwak neurologisch systeem (bestudeerd met hypnose)
Zijn werk vormde het startpunt vd psychologische benadering
Freud: psychopathologie altijd psychische oorsprong die terugging op psychoseksuele conflicten tijdens de kindertijd
De psychoanalyse was lang de dominante psychologische benadering later aangevuld met behaviorisme en humanisme
 beklemtoonden minder het inherent problematische vd menselijke geest
MAAR: schreven stoornissen toe aan een belemmerde groei (Humanisme)
 Verbeteren uit zichzelf als ze de mogelijkheid krijgen binnen een
aanvaardende en ondersteunende omgeving over hun problemen te praten
Of aan verkeerde leerprocessen (Behaviorisme)
 Nieuwe, betere, aangepaste gedragingen aan leren
Inderdaad meest aangewezen behandeling bij fobieën
Cognitieve psychologen: ook gedachten/ cognities als oorzaak van problemen
Abnormale gedragingen of gevoelens worden veroorzaakt of verergerd door irrationele of onaangepaste overtuigingen
Om dit te veranderen moeten dus eerst de cognities of gedachten veranderd worden die aan de basis liggen
Bv. Depressie: gevolg v manier waarom een persoon gebeurtenissen in de omgeving percipieert en vd impact die deze
percepties hebben op de gedachten van de persoon.
Cognitieve neuropsychiatrie: onderzoek op welke manier de cognitieve processen ve persoon aangetast worden door
een mentale stoornis en in welke mate dit het functioneren kan verklaren.
 Sociale factoren
Sociale perspectief: abnormaal G is niets anders dan G dat zich niet houdt aan d regels en criteria vd maatschappij en
daarom als abnormaal bestempeld wordt. (bekendste naam: Thomas Szasz)
Bv. Mensen die ingebeelde stemmen horen.
 oude Griekenland: contact met d goden. Middeleeuwen: contact met d duivel. Nu: schizofrenie
David Roshan: onderzoek of de karakteristieken op basis waarvan men tot krankzinnigheid besluit zich in de patiënt
bevinden of het gevolg zijn vd context waarin deze karakteristieken aangetroffen worden.
 Pseudopatiënten in een psychiatrische instelling en kijken of ze ontmaskerd zouden worden
Ondanks hun inspanningen om als gezond over te komen (hadden enkel stemmen gerapporteerd bij hun opname)
Werd niemand ontmaskerd. Ze kregen d diagnose schizofrenie en bij hun ontslag schizofrenie in remissie.
Reden waarom ze zolang vastgehouden werden (7-52 dagen): nooit aandacht onderzocht/geobserveerd.
+ diagnose zorgde ervoor dat alle gedragingen en ervaringen anders bekeken werden
 Aanhangers sociale perspectief: persoon stelt G omdat anderen dit verwachten.
Antipsychiatrie: heeft ertoe geleid dat d rechten vd psychiatrische patiënten nu beter beschermd worden.
Mentale stoornissen staan niet los vd sociale context waarin ze plaatsvinden.
 inhoud v waanideeën & hallucinaties veranderen afhankelijk v maatschappelijke evoluties
 aantal stoornissen komen uitsluitend in een aantal landen voor (Koro in Afrika: angst dat penis zal verschrompelen)
De reacties v mensen op iemand met een mentale stoornis tonen ook het belang vd sociale context aan
Eenmaal geëtiketteerd wordt een persoon anders behandeld en in de rol van een zieke geduwd. Dit maakt het
moeilijker weer normaal te functioneren na een moeilijke episode (= reden v meer terugval in Westerse maatschappij)
Westerse mens reageert zo heftig op psychische stoornissen door de individualisering en prestatiegerichtheid vd
maatschappij en d negatieve manier waarom d media berichten over mentale stoornissen.
Een goed sociaal netwerk kan bescherming bieden die kwetsbare mensen in staat stelt een normaal bestaan te leiden
Kans op mentale stoornissen neemt toe wanneer mensen in stresserende leefomstandigheden leven door de sociaaleconomische omstandigheden of ongunstige sociale relaties binnen hun netwerk v sociaal belangrijke personen.
 Ongunstige sociale factoren verhogen d kans op een stoornis vooral bij biologisch kwetsbare personen
Omgekeerd kunnen gunstige sociale factoren biologisch kwetsbare personen behoeden voor een stoornis
 Het diathese-stress-model
 momenteel het dominante denkkader binnen de psychopathologie
Diathese-stress-model: kans dat iemand mentale stoornis vertoont bepaald door kwetsbaarheid (diathese) persoon en
mate v stress in omgeving.
Kwetsbaarheid: geërfd, beïnvloed door leefomstandigheden en afh. v denkstijlen persoon.
Of d kwetsbaarheid zich zal vertalen in een mentale stoornis is afhankelijk vd mate v stress.
Stress: veroorzaakt door gebeurtenissen omgeving en hoe d persoon die waarneemt & reageert
= verklaring waarom sommige soldaten post-traumatische stressstoornis vertonen en andere niet.
Algemeen denkkader waarin d bijdrages vd biologische, psychische en sociale factoren tot elke mentale stoornis
begrepen kunnen worden.
 Het demonologische perspectief
Factor die d psychologie niet in overweging neemt is dat psychopathologie te wijten is aan bezetenheid door een geest
= een van de oudste overtuigingen in geschiedenis mensheid (binnen katholieke kerk nog altijd duiveluitdrijvingen)

Mentale stoornissen classificeren: de DSM
Degelijke beschrijving vd fenomenen die men wil verklaren + classificatie van welke fenomenen bij elkaar horen
Verwachtingen bij de classificatie van mentale stoornissen:
 Betrouwbaarheid: persoon die door verschillende instanties beoordeeld wordt moet dezelfde beoordeling krijgen
 Beoordeling moet gepaard gaan met inzicht in d oorsprong vd stoornis en het verdere verloop
 Een specifieke beoordeling moet ook gepaard gaan met een bijbehorende behandeling
Pas dan wordt het classificatieschema een bruikbaar schema voor de praktijk
 Validiteit: vraag naar de bruikbaarheid van het classificatieschema (meet het wat het beweert te meten)
Binnen d psychopathologie evolueert men naar een classificatieschema met hoger betrouwbaarheid en validiteit
 Diagnostic and statistical manual of mental disorders (DSM)
 DSM III en DSM IV
Eerste 2 edities vd DSM waren sterk psychoanalytisch geïnspireerd
DSM III: gedetailleerde beschrijving symptomen van een bepaalde stoornis, zonder speculatie over de oorzaken.
Werken met operationele definities en subjectieve element bij d diagnose elimineren
 Grotere interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en hernieuwde stimulans voor wetenschappelijk onderzoek naar de
validiteit van de verschillende diagnosen
DSM IV gebruikt 5 assen om diagnose te stellen, elk beoordeeld door psycholoog/psychiater die patiënt onderzoekt:
 As1 : welke klinische stoornis normale leven verstoort en aanleiding is voor aanvraag tot diagnose en behandeling
 As2: beschrijft stabiele, rigide interactiepatronen die het leven en d sociale interacties ve persoon belasten.
Door d persoon zelf zelden als deel v het probleem gezien.
 As3: lichamelijke symptomen & klachten die invloed kunnen hebben op de mentale toestand
 As4: psychosociale en omgevingsgerelateerde stressfactoren in het afgelopen jaar (6-puntenschaal)
Aanwezigheid stressfactoren is bij veel stoornissen een uitlokkende factor
 As5: algemene beoordeling vh functioneren vh individu op h moment v afname en gedurende het voorbije jaar
(100-punten GAF-schaal)
Veel mentale stoornissen worden voorafgegaan door een geleidelijke afname in het functioneringsniveau
 Kritieken op de DSM
 DSM benadert mentale stoornissen vanuit h medische model: een mentale stoornis is een ziekte die
gediagnosticeerd en in principe medisch biologisch behandeld moet worden.
 Onderscheid tussen As1 en As2 is niet altijd duidelijk. Meestal wordt As2 als ondergeschikt gezien maar sommige
persoonlijkheidsstoornissen zijn zo ernstig dat het meer voor de hand ligt ze eveneens op As1 te plaatsen
 Het systeem is enkel beschrijvend zonder theoretische basis voor d categorieën. Stoornissen worden aan personen
toegeschreven ahv combinatie symptomen, zonder duidelijk zicht in oorzaak en samenhang vd symptomen.
 vooral probleem omdat diagnosticeren ve mentale stoornis verregaande sociale gevolgen heeft
 Het gaat om een typologie (mensen worden in hokjes ondergebracht)
Lijkt of er doorslaggevende, kwalitatieve verschillen zijn tussen d stoornissen terwijl daar weinig evidentie voor is
+ er zijn veel grensgevallen  verhoogt de kans op een verkeerde diagnose
DSM V:
 Verdwijning assen
 Graduele scoring van de symptomen (ernst inschatten + evolutie waarnemen)  niemand scoort 0!!
 Nieuwe storingen Bv. Binge eating
& storingen verdwijnen Bv. Narcisme
 Persoonlijkheidsstoornissen: scoring op persoonlijkheidsdimensies
Stoornissen in de kindertijd
Veel stoornissen komen voor het eerst tot uiting tijdens de adolescentie en vroege volwassenheid
Vroeger veronderstelling dat kindertijd een periode was met relatief weinig problemen
MAAR: Verhulst: 1/3 vd kinderen tussen 4 en 18 jaar vertonen een stoornis (vooral emotionele en gedragsproblemen)
Dit wilt niet zeggen dat bij alle gevallen hulp nodig is!!
Zie tabel voor een overzicht van de belangrijkste probleemgebieden bij de ontwikkeling v kinderen afh v hun leeftijd.

Autisme
Vaststelling door gespecialiseerde hulpverleners vanaf anderhalf jaar.
Volgens de DSM IV vormen 4 kenmerken de kern van het syndroom:
 Problemen in de sociale interactie:
Normale contact tussen ouder en baby ontwikkelt zich door wederzijdse interactie en het geven van aandacht.
Autistische kinderen: geven als baby een teken dat ze aandacht prettig vinden
Geen of weinig belangstelling voor het menselijke gezicht + oogcontact verstoord
Vinden het niet prettig aangeraakt te worden en lachen relatief laat in de ontwikkeling
Moeite om de Theory of mind te ontwikkelen
Besef dat andere mensen hun eigen gedachten, kennis, wensen en verwachtingen hebben
80% van de kinderen blijft last hebben met de Theory of mind (kunnen de gedachten v anderen niet lezen)
 Problemen met communicatie en taal:
20% spreekt nooit (ook omdat autisme vaak gepaard gaat met een verstandelijke handicap)
Sommigen leren wel woorden produceren maar zeggen inhoudsloos anderen na
Of op een gebrekkig niveau met een ernstig verstoort taalbegrip
 Het ontbreken van symbolische spel:
Normaal vanaf 2j: voorwerpen in spel kunnen andere betekenis krijgen en kunnen zelf ook andere rol spelen
Die vaardigheid ontbreekt bij de meeste autisten
 Behoefte aan structuur, herhaling en vaste ritmen:
Autisten kunnen opgaan in het herhalen van monotone, eenvoudige handelingen
De hang naar rituelen en patronen kan zo erg zijn dat de minste verstoring angst of woede uitlokt
¾ hebben verstandelijke handicap. Vooral verbale intelligentie is laag. Niet-verbaal (visueel-ruimtelijk) is normaal
Een zeldzame aandoening die 4x meer voorkomt bij jongens. Grotendeels erfelijk bepaald
(de milieu invloeden beperken zich tot de manier waarop de personen opgevangen worden)
Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven: niet genoeg kenmerken, wel om van stoornis te spreken
 meestal pas na 3jaar ontdekt omdat de symptomen minder uitgesproken zijn
 Het syndroom van Asperger
Ontbreken ve klinisch significante beperking in de taal en het cognitieve vermogen
 diagnose meestal gegeven aan normaal of hoogbegaafde kinderen met autistische symptomen
Motorische ontwikkeling is traag en blijft stuntelig, de communicatie vertoond eigenaardige kenmerken en sommigen
hebben een hoge intelligentie die zich kan kenmerken in extreme feitenkennis over een bepaald onderwerp
Leeftijdsperiode
Probleemgebieden
Vroege kindertijd
Slaapproblemen
Eet-en groeiproblemen
Hechtingsproblemen
Middelste kinderleeftijd:
Basisschoolleeftijd
Pubertijd:
Middelbare schoolleeftijd
Indicatie van ernst
Gaan meestal over
Gaan meestal over
Eenmaal ontstaan, is een hechting-stoornis lastig te
behandelen
Pervasieve ontwikkelingsstoornissen Chronisch vanwege erfelijke aanleg; het blijft een
constante eigenschap
Gaan meestal over
Zindelijkheidsproblemen
Een aantal taal- en leerstoornissen zijn chronisch
Taal-en leerproblemen
vanwege erfelijke aanleg: het blijft een constante
eigenschap
Bij ‘echte’ ADHD chronisch vanwege erfelijke
Aandacht-en
aanleg: het blijft een constante eigenschap
impulsiviteitsproblemen
Eenmaal ontstaan is een gedrags- stoornis lastig te
Gedragsproblemen
behandelen
Angststoornissen zijn goed te behandelen maar de
Angstproblemen
kans op terugkeer blijft
Stemmingsstoornissen zijn goed te behandelen maar
Stemmingsproblemen
de kans op terugkeer blijft
Eenmaal ontstaan is een eetstoornis lastig te
Eet-en lijnproblemen
behandelen
Eenmaal ontstane verslaving is ernstig en blijft, ook
Problemen met middelenmisbruik
na afkicken levenslang een ‘zwakke’ plek
Aan een middel gebonden stoornis
Aan een middel gebonden stoornis: wanneer een persoon een psychoactief middel gebruikt waaronder de eigen
gezondheid, sociale relaties en werk beginnen te lijden.
Misbruik van een middel: onaangepast gebruik dat significante beperkingen veroorzaakt
Afhankelijkheid van een middel: misbruik dat gepaard gaat met minstens 3 van de volgende kenmerken
 Tolerantie voor het middel (steeds grotere hoeveelheid om het gewenste effect te bereiken)
 Ontwenningsverschijnselen bij afwezigheid van het middel
 Een langer gebruik van het middel dan men van plan was
 Weinig succesvolle pogingen om het gebruik in de hand te houden
 Het besteden van een groot deel van de tijd om aan het middel te komen
 Voortzetten van het gebruik ondanks de wetenshap dat het leidt tot problemen
Wat begint als misbruik van een middel kan na herhaalde inname leiden tot afhankelijkheid

Alcoholmisbruik en –afhankelijkheid
Misbruik& afhankelijkheid alcohol is meest frequente vorm  rol bij gewelddaden, verkeersdoden en sterfgevallen
Langdurig alcoholmisbruik: schade aan alle organen in het lichaam
Schippers & Kaplan: prognose alcoholafhankelijkheid  1/3 wordt abstinent, 1/3 blijft drinken, 1/3 sterft nat 10jaar
Tegenstrijdige invloed op de gemoedstoestand van een persoon
Kalmeringsmiddel maar de eerste delen van de hersenen die onderdrukt worden zijn de inhibitorische centra
Dan onderdrukking systemen voor d efficiëntie (reactietijd & spraak vertraagd, mindere coördinatie fijne motoriek)
Daarna wordt lopen moeilijk en valt de drinker in slaap
Uiteindelijk worden essentiële lichaamsfuncties zoals ademhaling stop gezet wat lijdt tot bewusteloosheid en de dood
Waarom drinken mensen te veel  biologische, psychologische en sociale factoren
 Biologische factoren: evidentie voor een erfelijke component bij alcoholafhankelijkheid
Tsuang: 1/3 genetisch bepaald, 1/3 omstandigheden in gezin v herkomst, 1/3 door individu gebonden factoren
Erfelijkheid bepaald hoe sterk een persoon reageert op alcohol
 Lage reactiviteit = meer kans om na verloop v tijd alcoholafhankelijkheid te ontwikkelen (Eng)
 Psychologische factoren: vooral evidentie voor een bijdrage van leerprocessen
o Positieve bekrachtiging door de aangename effecten van het drinken van alcohol
o Klassieke conditionering  in bepaalde omgevingen of gemoedstoestanden trek ni alcohol
o Observerend leren  overname van de normen van de groep waarin men zich bevindt
 Socio-culturele factoren: door leerprocessen belangrijke culturele verschillen in d mate van misbruik
Vooral een probleem in groepen waar drank geassocieerd wordt met vrije tijd en gezelligheid
Ouders en vrienden die verstandelijk met alcohol omspringen is een beschermende factor tegen alcoholmisbruik
Psychotische stoornissen
Schizofrenie en andere psychotische stoornissen: wanen, hallucinaties en incoherente spraak

Schizofrenie
Eugen Bleuler: schizofrenie = incoherente mentale processen en gebrek aan voeling met de sociale realiteit
Iets minder dan 1% van de bevolking, tamelijk stabiel over verschillende culturen, meer bij mannen, leeftijd waarop
stoornis zich het eerst manifesteert is hoger bij vrouwen (+ meest voorkomend: 40% vd patiënten in d psychiatrie)
Schizofrenie wordt gekenmerkt door 2 of meer van volgende symptomen die elk gedurende 1 maand voor een
belangrijk deel van de tijd aanwezig zijn:
 Wanen: overtuiging gehandhaafd ondanks evidentie die normaal genoeg zou moeten zijn om haar te weerleggen
Sartorius: volgende wanen komen het meeste voor:
o Verkeerde identificatie of verkeerde interpretatie van sociale situaties (Bv. Capgraswaan)
o Betrekkingswaan: overtuiging dat normale voorwerpen/ G v andere personen bijzondere betekenis hebben
en relevant zijn voor de patiënt
o Beïnvloedingswaan: overtuiging dat men niet uit vrije wil denkt, handelt of voelt maar gecontroleerd w
door instantie v buitenaf (vreemd wezen in hersenen gedrongen & controle functioneren overgenomen)
o Overtuiging dat gedachten uitgezonden worden: 2 soorten
 Overtuigd dat gedachten duidelijk te horen zijn en dus door anderen gevolgd kunnen worden
 Overtuigd dat anderen in staat om in gedachten met de patiënt samen te smelten en dus deel te
nemen aan de gedachten van de patiënt
Wanen zijn vaak onderdeel van een algemenere achtervolgingswaan: overtuigd ve samenzwering tegen hem
Ander veelvoorkomende waan: grootheidswaanzin  overtuiging iemand belangrijk te zijn
+ overtuiging dat belangrijk iemand verliefd is op hem of dat hij een goddelijke opdracht heeft
Opkomst cognitieve neuropsychiatrie: aantal vd wanen zijn wellicht het gevolg vh feit dat d patiënt probeert te
begrijpen en verklaren wat hem overkomt
Oorzaken v hardnekkigheid vd wanen:
De patiënt ziet geen ander mogelijkheid om de interne ervaringen een plek te geven
Niet meer in staat zelf alternatieve verklaringen te genereren of overwegen.
Door verminderde cognitieve vermogens niet meer mogelijk kritisch over eigen functioneren na te denken
Meest voor de hand liggende alternatieve verklaring is te bedreigend: patiënt verkiest waanwereld
 Hallucinaties: perceptuele ervaringen zonder bijbehorende fysische stimulus
Meest voorkomend: horen van stemmen (negatieve commentaar op wat de persoon doet)
Omdat patiënt geen onderscheid meer kan maken tussen intern gegenereerde stimuli en stimuli van buitenaf
½ schizofreniepatiënten perceptueel overgevoelig geworden (capaciteiten tot informatieverwerking verminderd)
Hallucinaties mengen zich soms met wanen, zodat patiënt tijdens d ergste episodes contact verliest met d realiteit
 Onsamenhangende spraak: logische opeenvolging v gedachten gaat verloren (vooral tijdens ergste acute fasen)
Patiënt lijkt emantische en syntactische regels vd spraak te volgen. Maar wat hij zegt heeft geen betekenis omdat er
geen aansluiting is bij het gesprek dat aan de gang is
 Chaotisch of katatoon gedrag
Afh v patiënt en stadium ervaar men G als chaotisch, bizar, geagiteerd of teruggetrokken.
(lachen zonder reden, geprikkelde en onvoorspelbare reactie, reageren passief of nauwelijks op omgeving)
Na acute periode worden patiënten gewoonlijk steeds minder actief, initiatief verdwijnt en apathie treed op
Ergste gevallen: katatone symptomen  patiënt wordt bewegingloos, neemt een ongewone houding aan, beweegt
doelloos geagiteerd of zwijgt voor een zeer lange tijd
 Affectvervlakking (meestal ook stoornissen in het gevoelsleven van schizofrenen)
Angst en geprikkeldheid in de acute fasen. Depressieve perioden na een acute fase.
Affectieve vervlakking: soms al van begin aanwezig maar ontstaat meestal later.
Uitdrukkingloos gezicht, stem zonder expressie, gevoelens lijken afwezig
 Positieve en negatieve symptomen
Positieve symptomen: iets wordt aan het normale functioneren toegevoegd (abrupt begin)
Bv. Emotionele beroering, motorische agitatie, wanen of hallucinaties
Abnormale activiteit limbische systeem  reageert goed op anti psychotische geneesmiddelen
Negatieve symptomen: iets ontbreekt bij het normale functioneren (geleidelijk begin + verergering)
Problemen met gevoelsuiting & communicatieve vaardigheden, omgaan met omgeving
Abnormale activiteit frontale lobben  reageert minder goed op anti psychotische geneesmiddelen

Types van schizofrenie
 Schizofrenie van het katatone type
Afwisseling van periodes met extreme agitatie en periodes met verregaande teruggetrokkenheid
In individuele gevallen kan een van beide domineren
Teruggetrokken fasen: plotselinge stopzetting v alle bewegingen, uren/dagen in dezelfde positie
Het klinische beeld kan daarna abrupt veranderen met plotse opwinding, incoherent praten, snel heen en weer lopen en
impulsief ongecontroleerd en uitzinnig gedrag
 Schizofrene van het ongedifferentieerde type
Geheel van symptomen waarbij een snel veranderende mix is van de belangrijkste symptomen van schizofrenie
Veel voorkomend: perplexiteit, verwarring, emotionele beroering, betrekkingswanen, opwinding, depressie en angst
Wordt vaak vastgesteld bij d eerste acute fase en bij plotse verergering in een al bestaande toestand
 Schizofrenie van het paranoïde type
Onlogisch& snel veranderende wanen, gepaard met levendige hallucinaties, vermindering kritisch oordeel en grillig G
Bij chronische gevallen gewoonlijk minder desorganisatie en sociale terugtrekking
De patiënt blijft een achtervolgings- of grootheidswaan hebben
 Schizofrenie van het gedesorganiseerde type
Meestal op jonge leeftijd en gaat gepaard met ernstige desintegratie van de persoon
Emotionele verwarring & afvlakking  ongepast gelach& onnozelheid, maniërisme en bizarre, vaak obscene gebaren
 Schizofrenie van het resttype
Lichtere indicaties van schizofrenie, vooral bij individuen in remissie na een van de vorige schizofrene episodes

Oorzaken van schizofrenie
 Biologische factoren
Schizofrenie gedeeltelijk erfelijk bepaald: beide ouders schizofreen = 50% kans dat kind ook schizofreen wordt.
Evidentie dat biologische factoren een invloed hebben: geneesmiddelen helpen bij de behandeling
 werken in op d neurotransmissie die gebruik maakt van dopamine.
Dopaminehypothese: schizofreniepatiënten of te hoge concentraties neurotransmitter dopamine in hersenen
Of een extreem hoge gevoeligheid voor dopamine
Dopaminebanen spelen een belangrijke rol in 3 gebieden vd hersenen:
- Limbische systeem (speelt een rol bij het regelen van emotioneel gedrag)
- De frontale cortex (speelt een rol bij het controleren van gedragingen- Subcorticale systemen (nodig voor een vlotte uitvoering van bewegingen)
Vooral een goede verklaring voor d positieve symptomen die het best op geneesmiddelen reageren
Bij negatieve symptomen: weinig gevoeligheid voor dopamine
 Eerder een complexe ontregeling vd dopaminesystemen in d hersenen dan een simpele overgevoeligheid
 Psychische factoren
Psychoanalyse: schizofrenie = alomvattende regressie naar vroeger infantiel stadium. Leven in fantasiewereld.
Behavioristen: Schizofrenie = gevolg f uit d hand gelopen bekrachtigingsproces. Bizar G bekrachtigd met aandacht
 Verklaringen ofwel weinig bruikbaar voor behandeling, ofwel beperkt tot perifere symptomen
Tegenwoordig: toespitsing op manier waarom mensen omgaan met hun schizofrenie en de beperkingen ervan.
Enkel medische behandeling  slecht voorbereid op stressfactoren bij hallucinaties of terugval
Psychologisch onderzoek: manier waarop men patiënt en familie kan helpen in omgaan met d nieuwe situatie:
- Hoe kan men patiënt en omgeving zo goed mogelijk informeren over d symptomen en gevolgen
- Welke elementen bieden bescherming voor d patiënt
- Is het mogelijk actief om te gaan met d symptomen en geen passief slachtoffer te zijn
- Hoe kan men patiënten helpen zich aan hun kuur te houden ondanks de neveneffecten
- Hoe bereidt men patiënt en familie voor op een terugval zodat zij niet panikeren
 Sociale factoren
Het ontstaan v schizofrenie is niet volledig erfelijk bepaald
Externe stessfactor gaat aan d eerste acute fase vooraf + kans op terugval groter als meer stressfactoren aanwezig zijn
Krabendam & van Os: kans om schizofrenie te krijgen 2x groter in de stad als op het platteland
Stressfactoren lokken acute schizofreniefase uit  grote druk op patiënt, partner en familie
 Diagnose op zich veroorzaakt al spanningen + niet mogelijk iemand volledig af te schermen v negatieve ervaringen
Sociaal kwetsbare patiënten zonder familie die zich voor hen wil inzetten lopen extra risico
Expressed emotion: spanningen voor patiëtn en gezin kunnen hoog oplopen zodat h risico op terugval verdubbelt
Enerzijds: leden vh gezin sterk begaan met betrokkenen en overbezorgd
Anderzijds: hyperkritisch en wrokkig (echtheid niet in twijfel maar denken patiënt controle heeft over symptomen)
Uitgedrukte emotie komt meer tot uiting naar aanleiding van de negatieve symptomen
Niet alleen verschillen in uitgedrukt emotie tussen gezinnen maar ook tussen culturen.
 mensen met schizofrenie meer blootgesteld aan stress in westerse landen dan in minder prestatiegerichte landen
Sociale factoren beïnvloeden ook d manier waarom d symptomen zich manifesteren.
Verschillen in inhoud, vorm en type v symptomen tussen diverse landen, culturen en continenten
Transculturele psychiatrie: onderzoek naar d uiteenlopende waarde- en normenpatronen in verschillende culturen en d
gevolgen hiervan op de hulpverlening
Stemmingsstoornissen
Stemming = emotionele toestand die lang duurt, minder intens is dan emotie en niet gericht op een bepaalde stimulus
Stemminsstoornissen = ernstige verstoringen stemming die leiden tot buitensporige neerslachtigheid of opgetogenheid
Gepaard met veranderingen in eet- of slaappatroon en het denken
De gemoedstoestand leidt tot ernstige verstoringen in sociale relaties en op het werk
Onderscheid tussen bipolaire en depressieve stoornissen
= Depressieve periodes afgewisseld door manische of geen afwisseling (enkel depressieve periodes)
+ verschillende categorieën afhankelijk van de ernst en duur van de stoornis

Bipolaire stoornis
Bipolaire stoornis = opeenvolging van 1 of meerdere manische en depressieve episodes bij eenzelfde individu
Manische episode = toestand van intense en onrealistische gevoelens van opwinding en euforie
Verschillende gradaties: sterk geluksgevoel, optimisme, babbelen en een overdaad aan energie = milde vorm
Opgewonden en onsamenhangend praten, weinig slaap, grote behoefte aan sociale contacten,
verhoogde seksuele drang = extremere vormen
verantwoordelijkheidsgevoel is verminderd  geld verkwisting aan ondoordachte aankopen en investeringen
betrokkenheid bij gevaarlijke activiteiten
Een manische periode gaat gepaard met een groot energieverbruik  daarna volgt een depressieve episode
Manische episode is soms ook het neveneffect van een medische behandeling van depressie. Men komt dan van een
depressie in een manie terecht gevolgd door een terugval (Morishita & Arita)

Depressieve stoornis
Ervaren van somberheid en neerslachtigheid, komt veel voor na een belangrijk verlies
Een occasionele depressieve periode van beperkte duur kan adaptief zijn op lange termijn.
= gelegenheid waarbij een bestaand probleem verhelderd wordt of voor zichzelf een heilzaam besluit genomen wordt
Ook nadat men iets belangrijks bereikt heeft volgt er soms een periode van lusteloosheid
Depressieve stoornis: als de depressieve periode in belangrijke mate met het gewone functioneren begint te interferen
Wanneer 5 of meer van volgende symptomen binnen periode van 2 weken aanwezig zijn geweest en wijzen op een
verandering tov het eerdere functioneren (ofwel 1 ofwel 2 moet aanwezig zijn):
- Depressieve stemming blijkt uit subjectieve mededelingen of observaties door anderen, gedurende het grootste
deel van de dag, bijna elke dag.
- Duidelijke vermindering interesse/ plezier in (bijna) alle activiteiten gedurende grootste del vd dag, bijna elke dag
- Duidelijke gewichtsverandering
- Verandering in het slaappatroon
- Psychomotorische agitatie of remming waarneembaar door anderen, bijna elke dag
- Vermoeidheid of verlies aan energie bijna elke dag
- Gevoelens van waardeloosheid/ buitensporige of onterechte zelfverwijten of schuldgevoel, bijna elke dag
- Verminderd vermogen tot nadenken/ concentratie of besluiteloosheid, bijna elke dag
- Terugkerende gedachten aan de dood en suïcide
Ook cognitieve en motivationele factoren: tragere reactie, slechte concentratie & negatieve gedachten en herinneringen
Twijfel aan eigen waarde en status binnen zijn groep
 Hulpeloosheid en zelfverwijten afgewisseld met kwaadheid en verwijten naar anderen toe
Hulpeloosheid veralgemeent zich tot een verlies aan motivatie om iets aan de situatie te doen
Bracke & Wauterick  4 grote risico groepen:
- Zich isolerende mannen
- Werklozen
- Uit de echt gescheiden moeders
- Studenten (door stresserende gebeurtenissen en problemen met lichaamsbeeld/ zelfwaardering)
Verschillende culturen: uiteenlopende vormen v depressieve stoornissen
Westerse culturen (onderscheid emotionele-lichamelijke component): uiting v wanhoop of ander emotioneel leed
Aziatische culturen (emotionele & lichamelijke ervaringen als eenheid): hoofdpijn/maagpijn of gevoel v droefheid
Samenleving meer geïndustrialiseerd/verwesterd  meer Westerse depressieve reacties

Oorzaken van depressie
 Biologische factoren
Concordantiegraad voor een depressieve stoornis bij eeneiige tweelingen = 40%
Depressieve patiënten: activiteit v neuronen die via serotonine met elkaar communiceren is verlaagd
 Serotonineheropname inhibitoren vaak voorgeschreven ter behandeling (=Prozac)
Ook bij: angststoornissen, eetstoornissen en persoonlijkheidsstoornissen verandering in serotoninegevoelige activiteit
Vooral verband tussen verlaagde serotonineactiviteit en impulsiviteit
Depressieve patiënten: activiteit v op noradrenaline gebaseerde hersensystemen lijkt verlaagd te zijn
Verband specifieke depressiesymptomen (vertraagde bewegingen, verminderd vermogen tot plezier
Omgekeerd evidentie dat tijdens een manie d activiteit v noradrenaline, naast die van dopamine’ verhoogd is
 Psychische factoren
Freud: grote overeenkomst depressie en rouwproces nat het verlies van een belangrijk iemand
Rouwend individu regresseerd naar h orale stadium en introjecteert d verloren persoon zodat hij dezelfde
gevoelens ervaart tov zichzelf als tov d verloren persoon1. (ook woede en vijandigheid)
Depressie: gevolg v ingebeeld/ symbolisch verlies waarbij d agressie zich naar binnen richtte
Hierdoor heeft de patiënt een laag zelfbeeld, is zelfkritisch en heeft suïcidegedachten
Vanuit de leerpsychologie  Peter Lewinsohn:
Depressie: gevolg ve verminderde positieve bekrachtiging vanuit de omgeving.
Onder invloed van stressfactoren in d omgeving neiging om zich uit het sociale leven terug te trekken. Hierdoor
worden ze minder vaak bekrachtigd wat een nog grotere teruggetrokkenheid kan uitlokken
Vooral mensen met minder sociale vaardigheden: meer kans afwijzing door anderen te ervaren en zich terug te trekken
Behandeling: depressieve personen vaardigheden leren zodat ze meer bekrachtiging kunnen verwerven
Vicieuze cirkel volgens Peter Lewinsohn:
Stressfactoren
Verlies baan
Minder positieve bekrachtiging
Terugtrekking uit het sociale leven
Ander psychische factoren hebben te maken met cognities: Aaron Beck
 Negatieve gevoelens & G bij depressie zijn het gevolg van negatieve gedachten met depressie veroorzakende
schema’s of disfunctionele gedachten aan de basis die zich ontwikkelen tijdens de kindertijd en adolescentie obv
sociale ervaringen met ouders, familie, leeftijdsgenoten en leerkrachten.
Als gevolg van deze schema’s zien mensen zichzelf als inadequaat, waardeloos en hulpeloos. Die gedachten
kunnen jarenlang verborgen blijven als er zich geen belangrijke stresserende omstandigheden voordoen.
Wanneer ze geactiveerd worden leiden ze tot automatische negatieve gedachten over zichzelf, de wereld en de
toekomst. Deze negatieve kijk trekt de persoon in een depressie en houdt die ook daar, omdat alle verdere
beslissingen, gedragingen, gevoelens en interacties negatief gekleurd worden.
Martin Seligman  verwijzing naar aangeleerde hulpeloosheid
Depressieve mensen hebben geleerd om zichzelf te beschouwen als iemand die geen controle of invloed meer heeft op
de gebeurtenissen om zich heen. Dit leidt tot 3 tekorten:
- Motivationele deficits: geen pogingen meer ondernemen iets aan de situatie te veranderen
- Cognitieve deficits: negatieve gedachten interfereren met andere gedachten en maken het moeilijk te ontdekken
hoe men opnieuw controle kan verwerven
- Emotionele deficits: men wordt passief en neerslachtig (uiting in lichaamshouding & gezichtsuitdrukking)
Mensen proberen een situatie te verklaren door causale attributies die variëren op 3 dimensies:
- Intern – extern: het ligt aan mij – het ligt aan iets anders
- Globaal – specifiek: dit is altijd zo – dit is enkel in deze situatie zo
- Stabiel – veranderbaar: dit zal altijd zo blijven – dit kan ik veranderen
Interne, globale en stabiele attributie verhoogt d kans op depressie
 Men schrijft dan negatieve gebeurtenissen toe aan een blijvende negatieve karaktertrek
Susan Nolen-Hoeksema: Het ontstaan en onderhouden ve depressieve stoornis is de neiging tot piekeren
Neiging zich op hun gevoelens te fixeren wanneer het niet goed gaat, zich alleen nog bezig te houden met hun
symptomen in een poging de oorzaken ervan te begrijpen.
 Reden waarom depressie meer optreedt bij vrouwen (mannen vertonen meer ontsnappingsgedrag)
Mannen worden kwetsbaarder voor depressie naarmate ze meer voeling proberen te krijgen met hun G en gevoelens
 Sociale factoren
Depressie ontstaat meestal als reactie op een stresserende gebeurtenis.
65% maakten in d 6 maanden voor de diagnose een ingrijpende levensverandering mee
+ belangrijke mate van alledaagse irritaties  voor een deel door hoe d persoon situaties percipieert en erop reageert
 ander deel door d verschillen in stress waaraan mensen w blootgesteld
1
De rouwende persoon keert terug naar het orale stadium (waarin het kind geen onderscheid kan maken tussen zichzelf en anderen) en
vereenzelvigd zichzelf met de verloren persoon zodat hij dezelfde gevoelens ervaart ten opzichte van zichzelf als ten opzichte van de verloren
persoon. Bij deze gevoelens zitten ook kwaadheid en vijandigheid (deze gevoelens speelden volgens Freud altijd onbewust mee in relaties)
Waarom depressie meer voorkomt bij vrouwen:
- Meer kans geconfronteerd te worden met stresserende gebeurtenissen en daar het slachtoffer van te worden
- Artsen zijn bij dezelfde symptomen vlugger geneigd een vrouw als depressief te diagnosticeren
Het al dan niet hebben van een ondersteunende partner beïnvloedt de kwetsbaarheid voor depressie
Ook relatieproblemen op zich zijn een belangrijke stressfactor
Het al dan niet hebben van werk. Vooral bij jongeren bepaald deze variabele hun gevoel van welzijn in sterke mate
Maatschappelijke ontwikkelingen in de 20ste eeuw hebben het aantal depressieve stoornissen doen toenemen
Oudere personen vertonen minder depressieve stoornissen dan jongeren.
Kritiek: mensen gaven vroeger minder makkelijk toe dat ze een depressieve stoornis hadden
De ziektegeschiedenissen worden onbetrouwbaarder naarmate men meer in het verleden terugkeert
Wautericks & Bracke: gerapporteerde symptomen over een periode van 8 jaar nemen toe
 De maatschappelijke evoluties afgelopen decennia hebben meer mensen in depressieve episode doen belanden
 Integratie binnen het diathese-stress model
Men neemt aan dat alle 3 factoren een bijdrage leveren tot het ontstaan en onderhouden van een depressieve stoornis
Bovendien beïnvloeden deze factoren elkaar voortdurend
Biologische en psychische factoren bepalen kwetsbaarheid individu en manier waarop persoon gebeurtenissen
interpreteert. Sociale problemen vormen stressfactoren die op individu inwerken en balans kunnen doen doorslaan naar
een depressieve stoornis. Deze stoornis kan invloed hebben op d hersenwerking & gedachten vd persoon waardoor d
negatieve stemming langer blijft duren. De stoornis heeft ook sociale gevolgen die het probleem kunnen helpen
oplossen of de oplossing juist bemoeilijken.

Angststoornissen

Gevaarlijke situaties  angst helpt om ons in veiligheid te brengen (Angst = adaptief + verhoogt overlevingskansen)
Angststoornis = ernstige aanhoudende vorm van angst zonder realistische aanleiding
Besef vh irreële karakter vd aandoening, stoornis interfereert met het functioneren
Verdeling volgens DSM: paniekstoornis, specifieke fobie, sociale fobie, veralgemeende angststoornis,
obsessieve-compulsieve stoornis, posttraumatische stresssyndroom, acute stressstoornis
en middel-geïnduceerde angststoornis.
Fobieën
Specifieke fobieën = angstreacties op voorwerpen/ activiteiten gevaar staat niet in verhouding tot hevigheid reactie
Dwingende drift om te vluchten of om de situatie te vermijden
Inschatting van het risico of de ernst van de gevaren is buiten proportie geraakt.
Conditionering: neutrale S kunnen schrikreactie uitlokken als ze geassocieerd worden met schrikaanjagende ervaring
Observerend leren: vooral wanneer er al een biologische predispositie aanwezig is
Bekrachtiging: vermijdingsreacties worden versterkt door negatieve bekrachtiging (ontsnapt aan gevolgen)
Sociale fobie = geen angst voor een specifiek voorwerp of activiteit maar een algemene angst om negatief beoordeeld
te worden en in verlegenheid gebracht te worden in allerlei sociale situaties

Veralgemeende angststoornis
Overmatige chronische bezorgdheid over een hele reeks van gebeurtenissen en activiteiten
DSM IV: tijdens voorbije 6m meer aanwezig dan afwezig + minstens 3/6 symptomen:
- Rusteloosheid en gevoel dat men op zijn hoede moet zijn
- Een gevoel vlug vermoeid te raken
- Moeite om zich te concentreren
- Geïrriteerdheid
- Spierspanning
- Slaapstoornissen
Meestal bij perfectionistische mensen met een groot verantwoordelijkheidsgevoel en neiging tot catastrofaal denken

Paniekstoornis
Paniekstoornis = onverwachte paniekaanvallen zonder aanwijsbare oorzaak
DSM IV: meerdere aanvallen over grotere periode dan maand + zorgen over kans op nieuwe aanval en gevolgen
Aanval duurt maar een paar minuten, maar persoon voelt zich wel gedurende langere tijd verlamd
Aanvallen zijn onvoorspelbaar maar hogere kans om voor te komen in situaties met lichte spanning
Dikwijls ontwikkeling v anticipatorische angst: bang voor plaatsen die aanval kunnen uitlokken (+ agorafobie)

Obsessieve-compulsieve stoornis
Obsessieve-compulsieve stoornis = voorkomen v terugkerende, ongewilde en opdringerige dwanggedachten of dwangbeelden, met dwanghandelingen die ‘moeten’ uitgevoerd worden om dwanggedachten te neutraliseren en gevreesde situatie te voorkomen.
2,5% bevolking. Ontstaat vooral in adolescentie/ vroege volwassenheid als mensen meer verantwoordelijkheid krijgen
Frequentste obsessies: smetvrees (veel dwanghandelingen bestaan uit poetsen en zich wassen)
Anderen: agressieve impulsen, seksuele gedachten, impulsen tegen moraal, herhaalde twijfels & behoefte symmetrie
Categorieën: 2 belangrijkste zijn poetsen en controleren anderen zijn uitspreken v gebed of reeks getallen
Dwanghandelingen nemen groot deel vd tijd in beslag en worden zonder behandeling gaandeweg veeleisender
Bewust v zinloze en overdreven karakter d impulsies maar hebben gevoel geen weerstand te kunnen bieden
Oorzaak: ontregeling in hersencircuit verantwoordelijk voor uitvoering v primitieve gedragspatronen
Of lichte geheugenproblemen  kunnen niet buihouden wat ze gedaan hebben (willen meer controle)
Of enige verschil met ‘normale’ mensen is hoeveel belang ze hechten aan hun obsessies
+ dwanghandelingen voor groot deel in stand gehouden door negatieve bekrachtiging (onheil blijft uit)
Somatoforme stoornissen
Somatoforme stoornissen = lichamelijke klachten en handicaps zonder aanwijsbare lichamelijke oorzaak
Psychische moeilijkheden uiten zich in een medisch probleem
Betrokkene is er van overtuigd dat er medisch iets verkeerd is (hij veinst de symptomen niet)
Somatisering = uiting v psychische problemen via lichamelijke klachten

Conversiestoornis
Conversiestoornis = men is opeens niet meer in staat een bepaald lichaamsdeel te gebruiken
Vooral veel gevallen tijdens Wereldoorlog  normaal functionerende soldaten konden opeens niet meer zien
Theorieën om d stoornissen te verklaren:
- Freud: angst tgv verdrongen seksueel conflict omgezet in verlies aan sensorisch/motorisch functioneren
- Behavioristen en leerpsychologen: manier om aan stress te ontsnappen of aandacht te krijgen
= secundaire ziektewinst (voordelen verbonden aan mentale stoornissen door onttrekking aan plichten
- Oakley: grote overeenkomst met verschijnselen onder hypnose (= autosuggestief mechanisme)
Stoornis is tegenwoordig eerder zeldzaam: 1/1000 personen

Hypochondrie en de ongedifferentieerde somatoforme stoornis
Hypochondrie = vrees een ernstige ziekte te hebben gebaseerd op misinterpretatie v lichamelijke symptomen
Vrees is langdurig en houdt ondanks adequaat medisch onderzoek en geruststelling aan
 Significante mate v lijden of beperkingen in sociale of beroepsmatige functioneren vd persoon
Ongedifferentieerde somatoforme stoornis = lichamelijke klachten zonder lichamelijke toestand die ernst verklaart
Klachten zijn ten minste 6m aanwezig, veroorzaken leed en hinderen h functioneren vd persoon
Definitie is gebaseerd op aanname dat er geen sprake is van lichamelijk disfunctioneren (moeilijk te bewijzen!!)
Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) lijkt aan d criteria te voldoen
MAAR: evidentie voor aantasting immuniteitssysteem (ook myalgische encephalomyelitis ME)
+ aanduiding andere zwakte vd manier waarom DSM IV somatoforme stoornissen omschrijft:
 Duidelijke scheidingslijn tussen lichamelijk veroorzaakte en mentaal veroorzaakte aandoeningen
Gegeven d interacties tussen biologische, psychologische en sociale factoren is dit onderscheid achterhaald!!
 Psychische en sociale stress kunnen een biologische reactie in gang zetten + psychische interventie kan een in gang
gezette biologische kettingreactie enigszins afremmen
Dissociatieve stoornissen
Dissociatieve stoornissen = verstoring in het identiteitsgevoel van de persoon
Ontstaan in een poging angst en stress te ontlopen en om levensproblemen het hoofd te
bieden die d capaciteiten van de persoon overstijgen.

Dissociatieve amnesie, fugue en identiteitsstoornis
Dissociatieve amnesie = onvermogen belangrijke pers info te herinneren door traumatische of stresserende ervaring.
Geheugenverlies is psychogeen (niet door lichamelijke factoren veroorzaakt)
Gewoonlijk is de amnesie beperkt in tijd met nagenoeg volledig herstel + onderscheid 4 types:
- Gelokaliseerd: persoon herinnert zich niets uit bepaalde periode, meestal eerste uren na traumatische gebeurtenis
- Selectief: persoon is sommige dingen vergeten maar niet alles
- Veralgemeend: persoon vergeet de volledige levensgeschiedenis
- Continu: persoon herinnert zich niets meer tot op bepaald punt in h verleden
 Het episodische geheugen, of delen ervan worden ontoegankelijk.
 Het procedurele, semantische en werkgeheugen blijven intact (blijven beschikken over vaardigheden)
Dissociatieve fugue = persoon vergeet identiteit en trekt weg uit vertrouwde omgeving en neemt nieuwe ID aan
De nieuwe identiteit vormt een uitweg uit een situatie die als ondraaglijk ervaren wordt
Duurt slechts enkele dagen waarna d persoon ‘ontwaakt’ en zichzelf terugvindt in een vreemde omgeving zonder te
weten hoe hij daar terechtgekomen is.
Dissociatieve identiteitsstoornis = dissociatie tussen 2 of meer persoonlijkheden die op belangrijke trekken van elkaar
verschillen en elkaar afwisselen. 1 persoonlijkheid is de oorspronkelijke/
gastpersoonlijkheid, d andere persoonlijkheid heeft zich hiervan afgesplitst.
Scherpe stijging in voorkomen aan h einde vd 20ste eeuw.
 Onduidelijk of dit een reëel fenomeen was of toe te schrijven aan een betere kennis over de stoornis en symptomen
Huntjens: onderzoek of ze experimentele evidentie konden vinden voor h bestaan v 2 afzonderlijke identiteiten
Als identiteiten volledig los v elkaar stonden zouden patiënten geen proactieve interferentie mogen vertonen
 Bij objectieve taak beïnvloeden persoonlijkheden elkaar wel op dezelfde manier als bij normale proefpersonen
Dit houdt niet in dat de onderzochte patiënten met DIS simulanten waren
WANT: voordelen v DIS liggen niet altijd voor de hand  1 persoonlijkheid bestaat meestal uit een kweller
De prevalentie van mentale stoornissen

Wat betekenen de cijfers
Verschillende studies en bronnen lijken elkaar in belangrijke mate tegen te spreken:
 Welke definitie van de stoornis werd gehanteerd?
Frequentie stoornis afh v manier waarop men de stoornis gedefinieerd heeft (belang ve algemeen classificatiesysteem)
MAAR: in sommige gevallen wijkt DSM definitie af van wat d meeste mensen denken te weten over een stoornis
Criteria DSM laten ruimte voor interpretatie die door onderzoeker ingevuld moet worden
 Gaat het om incidentie of prevalentie
Incidentie: hoeveel procent nieuwe gevallen zijn er in de bevolking
Prevalentie: hoeveel procent gevallen zijn er in de bevolking
 Over welke periode werd de prevalentie of incidentie berekend
Het gevonden cijfer zal beïnvloed worden door de tijdsperiode waarnaar men kijkt
 Hoe langer de tijdsperiode hoe hoger de prevalentie

Prevalentie en comorbiditeit
 Internationale prevalentiestudies
Geregelde cross-nationale studies  ¼ krijgt in hun leven mat een stemmingsstoornis, angststoornis of aan alcohol
gebonden stoornis te maken.
Comorbiditeit = mensen kunnen aan meer dan 1 stoornis tegelijk lijden
+ bij veel psychische problemen verhoogde kans op een aan middel gebonden stoornis vooral voor schizofrenie,
angststoornissen, borderline persoonlijkheidsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornissen

Geneesmiddelenverbruik
Percentage v psychische stoornissen ligt veel hoger dan d algemene bevolking vermoedt
 Doordat aantal problemen mensen niet beletten relatief normaal bestaan te leiden + veel problemen verzwegen
83 dagdosissen psychofarmaca/1000 inwoners in België

De aanvangsleeftijd
½ vd personen die een angststoornis hebben of gehad hebben kregen die voor het eerst onder de 15 jaar
Bij stemmingsstoornissen ligt dit punt op 26 jaar en bij aan middel gebonden stoornissen op 21 jaar.
Prevalentie tijdens het leven (%)
Man
Vrouw
Man
Vrouw
Alle mentale stoornissen
21,6
28,1
Sociale fobie
1,9
2,9
Alle stemmingsstoornissen
9,5
18,2
Specifieke fobie
4,9
10,3
Alle angststoornissen
9,5
17,5
0,9
2,9
Alle aan alcohol gebonden
stoornissen
Depressieve stoornis
9,3
1,4
Post-traumatische
stressstoornis
Agorafobie
0,6
1,1
8,9
16,5
Paniekstoornis
1,6
2,5
Milde depressie
2,6
5,6
Alcoholmisbruik
7,4
1,0
Veralgemeende
angststoornis
2,0
3,6
Alcoholafhankelijkheid
1,8
0,4
Terugblik vanuit de 3 invalshoeken
Biologische
Genetische invloed op de kans dat
een persoon een depressieve
stoornis, alcoholafhankelijkheid of
schizofrenie zal ontwikkelen
Een biochemisch onevenwicht in
de hersenen. Serotonine en
noradrenaline bij depressie en
dopamine bij schizofrenie
Ook chemische stoffen of virussen
en bacteriën kunnen effect hebben
p het psychische functioneren
MAAR: identieke tweelingen
hebben een concordantiegraad van
minder dan 100% voor diverse
stoornissen!!
Cognitieve
De kwetsbaarheid van een persoon
en de invloed van stressfactoren in de
omgeving zijn gedeeltelijk
afhankelijk van de manier waarop
een persoon met zijn beperkingen
omspringt en de manier waarop een
persoon gebeurtenissen interpreteert
 Een persoon kan weerbaarder
worden door ziekmakende
gedachten en overtuigingen te
vervangen door gezondere
cognities.
Sociaal-culturele
Er zijn culturele verschillen in de
prevalentie en de symptomen van een
aantal stoornissen + sommige
stoornissen komen enkel in bepaalde
culturen voor.
Stressfactoren spelen een belangrijke
rol bij het ontstaan van stoornissen
Onze huidige maatschappij vormt
een groter risico voor het ontstaan
van een depressieve stoornis dan
pakweg een generatie geleden.
Sociale factoren hebben effect via
interacties met de biologische
kenmerken en de psychische
processen van het individu
Download