Recht

advertisement
Recht
Week 1
Onrechtmatige daad (GEEL)
Schema rechtsfeiten:
Waarbij een rechtshandeling een handeling van een of meer rechtssubjecten is waarbij deze een
rechtsgevolg beogen, terwijl het objectieve recht dat rechtsgevolg ook aan de handeling verbindt.
 rechtshandelingen zijn dus menselijke handelingen met een beoogd rechtsgevolg.
Art. 6:162 BW
Bij een onrechtmatige daad gaat het er dus om dat het niet de bedoeling was om een
verbintenis in het leven te roepen. Deze ontstaat alleen maar door menselijk handelen met een
bepaald rechtsgevolg. Echter, er is pas sprake van een onrechtmatige daad als er aan de volgende vijf
vereisten is voldaan:
1. Onrechtmatige daad (lid 2) – een OD ontstaat wanneer een van de volgende zaken voorkomt:
a. Inbreuk op een recht van een ander
b. Doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht
c. Doen of nalaten in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid  gaat over
gevaarzetting; jurisprudentie Kelderluikcriteria:
▪ Mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer het gevaar niet tijdig onderkent
▪ Kans op een ongeval
▪ Ernst van de mogelijke gevolgen
▪ Bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen
De onrechtmatige daad wordt echter gerechtvaardigd wanneer er sprake is van:
a. Overmacht in de zin van noodtoestand, art. 40 Sr
b. Noodweer, art. 41 lid 1 Sr
c. Wettelijk voorschrift, art. 42 Sr
d. Bevoegd gegeven ambtelijk bevel, art. 43 lid 1 Sr
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 1
2. Toerekening (lid 3) – een OD kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan
zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen
voor zijn rekening komt.
Kort gezegd is er bij toerekening dus sprake van of schade(aansprakelijkheid) of
risico(aansprakelijkheid). Risicoaansprakelijk kan voorkomen in twee gevallen: als er sprake is van
een geestelijke of lichamelijke tekortkoming; als iemand deel uitmaakt van een bepaalde groep.
Kwalitatieve risicoaansprakelijkheid = als personen risicoaansprakelijk zijn in een bepaalde
kwaliteit, namelijk als: ouder of voogd, werkgever of opdrachtgever, vertegenwoordiger, etc.
3. Schade (lid 1) – als er sprake van schade is, moet dat bewezen worden. Schade wordt in een
ander artikel behandeld, namelijk art. 6:95 e.v. BW. Er zijn twee soorten schade:
vermogensschade en ander nadeel (o.a. immateriële schade, rechterlijk verbod of bevel en
rectificatie).
4. Causaal verband ( lid 1) – slechts die schade hoeft vergoed te worden die het gevolg is van de
onrechtmatige daad; wordt in het artikel aangegeven als “dientengevolge”. Het causaal verband
wordt verder uitgewerkt in art. 6:98 BW).
5. Relativiteitseis (art. 6:163 BW) – het verband tussen de overtreden norm en het belang dat door
deze norm wordt beschermd; had de overtreden wet mede de bedoeling de belangen van het
slachtoffer te behartigen?
Wanneer is voldaan aan de voorgaande vijf eisen, kan er geconcludeerd worden dat er op grond
daarvan aansprakelijkheid voor de dader ontstaat. Aansprakelijk voor onrechtmatige daden zijn:
▪ Natuurlijke personen
▪ Rechtspersonen
▪ Meerdere daders (alle daders hoofdelijk aansprakelijk)
Art. 6:170 BW
Werkgevers zijn risico-aansprakelijk voor hun ondergeschikten mits:
▪ In dienst & werkzaam in beroep of bedrijf (lid 1)
– Fout van een ondergeschikte
– Kans op fout vergroot door opgedragen taak
– Opdrachtgever moet zeggenschap over gedraging hebben gehad
▪ In dienst van natuurlijk persoon & niet werkzaam in beroep/bedrijf (lid 2)
– Fout van een ondergeschikte
– Ter vervulling van de aan hem opgedragen taak
= schade GEMAAKT door werknemer
Indien er sprake is van een OD dan zijn werkgever en werknemer beiden hoofdelijk aansprakelijk. (op
grond van lid 3 kan de werknemer de werkgever dan weer aanspreken, TENZIJ er sprake is van opzet
of bewuste roekeloosheid van de werknemer).
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 2
Week 2
Onrechtmatige daad (ROZE)
Verbintenissen
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer personen,
waarbij de ene persoon (schuldeiser of crediteur) het recht heeft op een bepaalde prestatie, die de
andere persoon (schuldenaar of debiteur) verplicht is te verrichten. Hierbij zijn de schuldeiser en de
schuldenaar verplicht zich tegenover elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te
gedragen.
Er kunnen geen verbintenissen buiten de wet om ontstaan. De bronnen van een verbintenis zijn:
 Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) – verbintenis tot betalen van schadevergoeding.
 Rechtmatige daden (art. 6:198, 6:203, 6:212 BW) – zaakwaarneming (pakketje aannemen) en
doorgeven aan gerechtigde eigenaar.
 Overeenkomst (art. 6:213 BW) – Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling waarbij
een of meerdere partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan.
De inhoud van een verbintenis, dus datgene waar het om gaat, wordt prestatie genoemd.
Pluraliteit van schuldenaren = als er bij één en dezelfde verbintenis één schuldeiser staat tegenover
meerdere schuldenaren. Hoofdregel in zo’n geval: elk van de schuldenaren is hoofdelijk aansprakelijk
voor een gelijk deel. Dat wil dus zeggen dat iedere schuldenaar op het complete bedrag
aangesproken mag worden. Echter, na betaling kan de ene schuldenaar de schuld wel terugvragen
aan medeschuldenaren = regresrecht. Hoofdelijkheid ontstaat uit:
1. De wet – voorbeelden: gecompliceerd ongeval, beherende vennoten of echtgenoten.
2. Een overeenkomst – als voorwaarde in een overeenkomst afgesproken.
3. Als de prestatie ondeelbaar is – meerdere mensen zijn bij overeenkomst of proces betrokken.
Verbintenissen kunnen dus ontstaan uit een overeenkomst. Twee soorten overeenkomsten:
 Wederkerige overeenkomst – verbintenisscheppende overeenkomst; tussen partijen vloeien
verplichtingen ofwel verbintenissen over en weer.
 Eenzijdige overeenkomst – verbintenisscheppende overeenkomst; slechts één verbintenis roept
één verplichting in het leven.
Bijzondere verbintenissen:
 Voorwaardelijke verbintenissen – ontstaan van verbintenissen is afhankelijk van het voldoen
aan een bepaalde voorwaarden. Een voorwaarde is een toekomstige gebeurtenis die niet alleen
voor partijen, maar objectief gezien voor iedereen onzeker is. Onderscheid in:
– Verbintenis onder opschortende voorwaarde – verbintenis ontstaat na plaatsvinden van
voorwaarde.
– Verbintenis onder ontbindende voorwaarde – verbintenis verloopt na plaatsvinden van
voorwaarden.
 Verbintenissen onder tijdsbepaling – ontstaan van verbintenissen is afhankelijk van het
aanbreken van een bepaald tijdstip. Onderscheid in:
– Verbintenis onder opschortende tijdsbepaling – verbintenis ontstaat na plaatsvinden van
voorwaarde.
– Verbintenis onder ontbindende tijdsbepaling – verbintenis verloopt na plaatsvinden van
voorwaarden.
 Natuurlijke verbintenis – een crediteur van een verbintenis kan de schuldenaar niet (meer) in
rechte aanspreken, want deze heeft al vrijwillig betaald. Daarentegen kan de schuldenaar het
betaalde bedrag niet meer terugvorderen! De natuurlijke verbintenis kan ontstaan uit:
– De wet – door middel van verjaring of vastleggen van akkoorden.
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 3
–
–
Een rechtshandeling – door overeenkomst.
Een dringende verplichting van moraal en fatsoen – zie arrest De Goudse Bouwmeester.
Een natuurlijke verbintenis kan worden omgezet in een gewone verbintenis en dus afdwingbaar
worden, als de schuldenaar en schuldeiser daarover een overeenkomst sluiten.
Vorderingsrechten zijn overdraagbaar, men spreekt in dat geval van contractoverneming. Wijzen
van overgang:
 Rechtsopvolging onder algemene titel – rechtsopvolger volgt in een geheel vermogen of een
evenredig deel daarvan op en zowel de rechten als de plichten gaan op hem over (bv.
erfopvolging , fusie of splitsing).
 Rechtsopvolging onder bijzondere titel – alleen de rechten gaan over (bv. overdracht).
 Subrogatie – overgang van vordering op een derde die de schuld van de schuldenaar voldoet (bv.
borgtocht).
Teniet gaan van verbintenissen kan op verschillende manieren:
 Nakoming
 Nietigheid, vernietiging, ontbinding of
 Verrekening
rechterlijke wijziging van overeenkomst
 Vervulling van ontbindende voorwaarde
waaruit verbintenis is ontstaan
 Afstand
 Vermenging
Onrechtmatige daad; kwalitatieve aansprakelijkheid
Onrechtmatige daad is in week 1 behandeld, maar naast aansprakelijkheid voor personen,
bestaat er ook aansprakelijkheid voor zaken. Het gaat daarbij om kwalitatieve aansprakelijkheid:
 Gebrekkige zaken – moeten worden onderscheiden van gebrekkige producten:
Gebrekkige zaken
Gebrekkige producten
Bezitter is aansprakelijk
Producent is aansprakelijk
Viertal vereisten voor gebrekkige zaken:
– Roerende zaken worden gebruikt en voldoen niet aan eisen die men er in de gegeven
omstandigheden aan mag stellen;
– Als gevolg daarvan leveren ze bijzonder gevaar op voor personen of zaken;
– In kringen waartoe de aangesprokene behoort, moet het bekend zijn dat de zaak een
bijzonder gevaar oplevert als deze niet voldoet aan de te stellen eisen;
– Het bijzonder gevaar bedreigt personen of zaken.
 Opstallen – gebouwen en werken, die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks,
hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Drietal vereisten voor opstallen:
– Opstallen voldoet niet aan eisen die men er in de gegeven omstandigheden aan mag stellen;
– Als gevolg daarvan leveren ze gevaar op voor personen of zaken;
– Het gevaar bedreigt personen of zaken.
 Dieren – de bezitter van een dier is aansprakelijk; de schade moet aangericht zijn door het dier,
behalve als het dier wordt ‘bestuurd’, dus als instrument wordt gebruikt, dan berust de
aansprakelijkheid namelijk op de dader.
Kwalitatieve aansprakelijkheid gaat voornamelijk over risicoaansprakelijkheid. De verantwoordelijke
voor de aansprakelijkheid is vaak de bezitter (veelal de eigenaar) van voorgaande zaken. Echter, daar
zijn een aantal uitzonderingen op van toepassing:
 Bij bedrijfsmatig gebruik is degene die het bedrijf uitoefent aansprakelijk.
 Bij een verkregen zaak onder eigendomsvoorbehoud, rust de zaak op de verkrijger; deze is dan
geen bezitter, maar een houder.
 Ouders en voogden van kinderen beneden de leeftijd van 14 jaar.
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 4
Productaansprakelijkheid
Bijzondere regeling met betrekking tot de onrechtmatige daad; bedoeling is het beschermen
van de consument; het komt er op neer dat de producent aansprakelijk gesteld kan worden voor de
schade die door een gebrek in zijn product is veroorzaakt. Vereisten:
1. Schade
2. Gebrek
3. Causaliteit – het oorzakelijke verband tussen de schade en het gebrek.
De producent is dus aansprakelijk voor het in het verkeer brengen van een gebrekkig product. Als
producent van een product wordt aangemerkt:
 De fabrikant en de importeur van een eindproduct
 Producent van onderdelen en grondstoffen
 Een ieder die zich als producent presenteert door zijn naam, merk of ander
onderscheidingsteken op het product aanbrengt.
Wanneer meerdere producenten aansprakelijk kunnen worden gesteld voor dezelfde schade, is elk
van de producenten hoofdelijk aansprakelijk. Medeschuld of eigen schuld van de benadeelde kunnen
leiden tot vermindering of opheffing van de aansprakelijkheid van de producent.
Onder het begrip product wordt elk roerend goed verstaan dat industrieel is vervaardigd (met een
aantal uitzonderingen dan), ook indien het een bestanddeel vormt van een ander roerend of
onroerend goed. een product is gebrekkig als het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag
verwachten. Vereisten:
 Presentatie van product
 Redelijkerwijs te verwachten gebruik ervan
 Tijdstip waarop product in verkeer is gebracht
De producent is aansprakelijk voor schade bij:
 Letselschade – dood of lichamelijk letsel.
 Zaakschade – beschadiging of verlies van een andere zaak dan het geleverde product.
Het is de producent niet toegestaan door middel van algemene voorwaarden of op enige andere
wijze zijn aansprakelijkheid te beperken of uit te sluiten; producenten onderling kunnen echter wel
afspraken maken ten aanzien van de mate van hun aansprakelijkheid.
Bijvoorbeeld in de algemene voorwaarden een exoneratieclausule (beding waar de aansprakelijkheid
wordt uitgesloten of beperkt) toevoegen.





Producent (art. 6:187 lid 2 t/m 4 BW)
Product (art. 6:187 lid 1 BW)
Gebrek (art. 6:186 BW)
Schade (art. 6:190 BW)
Consument (tenzij dood- of letselschade, zie art. 6:190 BW)
Werkgeversaansprakelijkheid
(Zie week 1 m.b.t. risicoaansprakelijkheid t.o.v. werknemer) Daarnaast volgens art. 7:658 BW:
-
-
Lid 1: De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee
hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor
het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als
redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn
werkzaamheden schade lijdt.
Lid 2: De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in
de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 5
-
verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of
bewuste roekeloosheid van de werknemer.
Lid 3: Van de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3 van Boek 6, bepaalt over de aansprakelijkheid
van de werkgever kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
Lid 4: Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon
met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3
aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.
De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de eerste zin van dit
lid
Jurisprudentie m.b.t. art. 7:658 BW:
 Psychiatrisch ziekenhuis
 Dienstongeval militair
 Dakbedekkers-arrest


Verankerde ladder
Hydraulische ketel
Vereisten voor werkgeversaansprakelijkheid:
1. Zorgverplichting van de werkgever – schending: zijn de publiekrechtelijke voorschriften niet of
onvoldoende in acht genomen.
2. Causaliteit – het oorzakelijke verband tussen de schade en het gebrek.
3. Opzet of bewuste roekeloosheid – is er sprake van schuldaansprakelijkheid (i.p.v. risicoaansprakelijkheid) met omkering van de bewijslast?
Waarbij de werknemer bewijst:
 schade
 causaal verband
tussen schade en ongeval (makkelijk te bewijzen)
tussen ongeval en schending zorgplicht (wordt snel aangenomen)
 Bedrijfsongeval
En de werkgever kan zich verweren, door te bewijzen dat:
 zorgverplichting is nagekomen
 er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer
= schade GELEDEN door werknemer
ARBO wetgeving
Werknemers moeten veilig en gezond kunnen werken tot het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd. Om daarvoor te zorgen is de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 6
Week 3
Arbeidsrecht (ROOD)
Beroepsbevolking
 Zelfstandigen
- Aanneming van werk (art. 7:750 e.v. BW) – aannemer verbindt zich voor aanbesteder tegen
een bepaalde prijs om een bepaald concreet werk tot stand te brengen; geen sprake van
arbeidsrelatie.
1. Geen arbeidsovereenkomst
2. Tot stand brengen werk van stoffelijke aard
3. Betalen bepaalde prijs
- Opdracht (art. 7:400 e.v. BW) – opdrachtnemer verbindt zich tot verrichten van diensten
voor opdrachtgever; geen sprake van arbeidsrelatie.
1. Verrichten werkzaamheden
2. Geen arbeidsovereenkomst
3. Werkzaamheden iets anders dan werk van stoffelijke aard
 Onzelfstandigen (arbeidsovereenkomst) – betreft bijna alle gevallen, die niet onder vorige
manieren vallen.
 Werklozen
De werknemer is in verschillende opzichten afhankelijk van de werkgever; in beginsel is hij verplicht
instructies van werkgever op te volgen, daarnaast is de uitgekeerde loon bijna altijd de enige
financiële bron voor de werknemer om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Arbeidsovereenkomst: overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst
van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er is pas
echt sprake van een arbeidsovereenkomst bij:
1. Gedurende zekere tijd zelf verrichten van arbeid
2. Aanwezigheid van gezagsverhouding en ondergeschiktheid
3. Betalen van loon
4. ‘Extra’ criteria uit jurisprudentie:
a. continuïteit
c. eindverantwoordelijkheid
b. bedoeling van de contracterenden
d. regelmatige loonbetaling




Dwingend: afwijking niet mogelijk (of niet ten nadele van de werknemer)
Driekwart-dwingend: afwijking alleen mogelijk bij CAO
Semi-dwingend: afwijking mogelijk ten nadele voor werknemer is schriftelijke overeenkomst
Aanvullend: afwijking is mogelijk
Verplichtingen van werkgever
 Het betalen van loon (art. 7:616 BW)
Afhankelijk van wat is afgesproken  op basis van CAO en minimumloon / minimum
vakantietoeslag. Loon kan op verschillende manieren worden uitgekeerd (geld, auto, woning)
 Het op verzoek verstrekken van een getuigschrift (art. 7:656 BW)
Aangeven welke werkzaamheden de werknemer heeft verricht en hoe lang de dienstbetrekking
heeft geduurd.
 Zich gedragen zoals een goede werkgever betaamt (art. 7:611 BW)
 Het geven van vakantie (art. 7:634 BW)
 Het waarborgen van veiligheid (art. 7:658 BW)
Zie werkgeversaansprakelijkheid week 2.
 Verstrekken van gegevens (art. 7:655 BW)
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 7
Verplichtingen van werknemer
 Arbeid persoonlijk verrichten (art. 7:659 BW)
 Redelijke instructies van werkgever opvolgen (art. 7:660 BW)
 In het algemeen als goede werknemer gedragen (art. 7:611 BW)  geheimhoudingsplicht
Andere (bijzondere) arbeidsverhoudingen:
 Ambtenarenverhouding – vallen onder ambtenarenrecht.
 Uitzendovereenkomst – in- en uitlenen; de opdrachtgever houdt de leiding en toezicht, en niet
de formele werkgever. Verhoudingen:
Uitzendkracht
Uitzendbureau (uitlener)
Arbeidsovereenkomst
Opdrachtgever (inlener)
Uitzendkracht
Geen overeenkomst; puur feitelijk
Uitzendbureau (uitlener)
Opdrachtgever (inlener)
Opdracht
Rechtsvermoedens m.b.t. arbeid: art. 7:610 BW
Minimale garantie: art. 7:628a BW
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 8
Week 4
Omgevingsrecht (GROEN)
Omgevingsrecht gaat over bescherming fysieke leefomgeving. Het belang voor het bedrijfsleven:
gebonden aan regels, maar ook beschermd door regels


Belangrijkste aspecten omgevingsrecht sinds 1 oktober 2010 geregeld in Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (WABO), Uitwerking in Besluit omgevingsrecht (BOR) en
Ministeriële regeling omgevingsrecht (MOR)
Geen milieuvergunning, bouwvergunning etc, maar één omgevingsvergunning voor alle
deelactiviteiten
WABO betreft bestuursrecht:
 Bestuursrecht
 Vergunningstelsel (en handhaving)
 Aanvraag indienen bij bevoegd gezag
 Procedure afhankelijk van aanvraag



Bevoegd gezag neemt besluit op aanvraag
Rechtsmiddelen: bezwaar en beroep
Derde-belanghebbenden
Vergunningplichtige activiteiten:
Bijvoorbeeld omgevingsvergunning nodig voor plaatsgebonden projecten; een project wat bestaat
uit een of meer activiteiten.
- Artikel 2.1 en 2.2 Wabo beschrijven vergunningplichtige activiteiten
Artikel 2.1 Wabo regels vanuit centrale overheid, artikel 2.2 regels vanuit gemeente en provincie
 Vergunning voor activiteit ‘Milieu’
Vergunningplicht in artikel 2.1 lid 1 onder e WABO voor het oprichten, het veranderen of het in
werking hebben van een inrichting, indien inrichting nadelige gevolgen voor het milieu heeft.
Categorieën van inrichtingen met nadelige gevolgen staan opgenomen in het Besluit omgevingsrecht
Toetsingskader voor activiteit ‘Milieu’ – toetsingskader in artikel 2.14 WABO:
 Algemene weigeringsgrond is belang bescherming milieu
 Uitgangspunt is niet weigering, maar verbinden van voorschriften om nadelige gevolgen milieu te
voorkomen.
 Doel- of middelvoorschriften (bijv uitstoot)
 Vergunning voor activiteit ‘Bouwen’
Geeft het recht een bouwwerk op te richten uit te breiden of te verbouwen. ‘Kleine’ bouwwerken
uitgesloten van vergunningplicht in BOR. Vergunningplicht in artikel 2.1 lid 1 onder a WABO
Toetsingskader voor activiteit ‘Bouwen’ – toetsingskader in artikel 2.10 lid 1 WABO:
 Strijd met bouwbesluit – technische toets bouwplan op gebied:
- Veiligheid
- Bruikbaarheid
- Gezondheid
- Energiezuinigheid
 Strijd met bouwverordening
- bijv parkeergelegenheid
 Strijd met bestemmingsplan
- Bestemmingsplan bevat ‘goede ruimtelijke ordening’
- is het bouwplan op locatie toegestaan?
- Ontheffingsmogelijkheden
 Redelijke eisen van welstand
- Betreft uiterlijk bouwplan
- Welstandscommissie adviseert
© Lieke van Brussel, Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch 2012-2013
Pagina | 9
Download