Maatschappijwetenschappen

advertisement
“Niet voor de school, maar voor het leven leren wij”
Maatschappijwetenschappen
PRE-LAUNCH NIEUW LESMATERIAAL
E.L. Schra, M.C. Veldman en A.A.J. Olgers
Inleiding
VERNIEUWEND EN HERKENBAAR
Seneca kiest voor het ontwikkelen van een nieuwe methode voor maatschappijwetenschappen voor
een didactische lijn waarbij we spiraalsgewijs de kernconcepten en onderzoeksbegrippen opbouwen.
De ervaringen die opgedaan zijn bij de methoden voor maatschappijleer en de positieve reacties van
leerlingen, docenten en ouders geven Seneca het vertrouwen dat deze aanpak te verkiezen is boven
een thematische aanpak.
Eén van de overeenkomsten tussen maatschappijleer en maatschappijwetenschappen is het centraal
staan van maatschappelijke problemen. Maar de benadering ervan verschilt bij de vakken en Seneca
maakt gebruik van de dimensies die Hoogerwerf onderscheidt bij maatschappelijke problemen:
normativiteit, causaliteit en finaliteit. Waar bij maatschappijleer de nadruk meer ligt op de normatieve
dimensie, gaat het bij maatschappijwetenschappen om theorieën en daarmee om causaliteit (oorzaken
en gevolgen) en finaliteit (doelen en middelen).
Seneca beschouwt het als een uitdaging leerlingen te laten “spelen” en oefenen met causaliteit en
finaliteit en daarom kiest Seneca voor de volgende didactische lijnen:
•
leerlingen kennen de grote sociologische en politicologische theorieën;
•
leerlingen kunnen hedendaagse onderzoeken herleiden tot belangrijke theorieën;
•
leerlingen kunnen “spelen” met afhankelijke en onafhankelijke variabelen op micro- en
macro-niveau;
• leerlingen leren zelfstandig hypothesen op te stellen en kunnen deze relateren aan bestaande
theorieën;
•
leerlingen krijgen een basis aan onderzoeksmethoden en -technieken;
•
bij havo-leerlingen ligt de focus meer op beleids- en organisatievraagstukken;
• bij vwo-leerlingen ligt de nadruk meer op het bestuderen van contexten, concepten en theorieën
vanuit verschillende paradigma’s.
2 • Seneca
Inhoud
TOELICHTING
In dit boekje maakt u kennis met enkele teksten, lijnen en opdrachten die ontwikkeld en uitgetest zijn.
Ten geleide een toelichting op:
•
•
•
•
•
•
•
Een tekst met een opdracht over voornamen
Deze verfrissende opdracht wordt gebruikt als introductie van het vak en van het kernconcept
identiteit. Leerlingen analyseren eenvoudige statistische gegevens en ontdekken dat er
maatschappelijke oorzaken zijn bij het toekennen van voornamen. Bij havo zijn de eindtermen 1, 2,
3, 4 en 6 van toepassing en bij vwo de eindtermen 1, 2 en 3.
Een opdracht van een posterpresentatie
De opdracht past goed bij de afsluiting van het domein Vorming. Meer geschikt voor havo dan
voor vwo. Bij havo zijn de eindtermen 1 t/m 7 van toepassing en bij vwo de eindtermen 1 en 2 en
voor beide niveaus de kernconcepten van Vorming.
Een tekst met opdrachten over onderzoeksbegrippen
Leerlingen leren variabelen te herkennen in bronnen en eenvoudige conceptuele modellen te
maken. Ook wordt hier het opstellen van hypothesen geïntroduceerd. Voor havo blijft dit laatste
beperkt tot toepassingsgericht beleidsonderzoek. Dit is passend bij de eindtermen 1 t/m 3 (havo
en vwo).
Een opdracht over Zwarte Piet
Leerlingen geven een beredeneerd advies over het omgaan met de controverse rondom Zwarte
Piet. In deze opdracht nemen de kernconcepten socialisatie, sociale cohesie en cultuur een
belangrijk plaats in. Deze opdracht is een goed voorbeeld van een concept/context-opdracht
passend bij eindterm 2 (havo en vwo) waarmee leerlingen hogere denkvaardigheden oefenen.
Een opdracht over criminaliteit en veiligheid in de eigen wijk
Bij deze opdracht onderzoeken leerlingen de veiligheid in hun eigen wijk en geven een advies aan
de gemeenteraad. In combinatie met lokale politici biedt deze opdracht kansen voor de publiciteit
van maatschappijwetenschappen. De eindtermen van havo zijn vooral geschikt voor deze opdracht,
en dan gaat het om 1, 2, 3, 14, 16, 17, 22 en 23.
Een tekst en lesplan voor simulatiespelen over het hoofdconcept Verandering
Op het moment van publiceren wordt dit uitgetest bij enkele vwo5-clusters en later ook bij vwo4.
De vwo eindtermen 1, 2, 4, 7, 8, 12 en 15 zijn van toepassing en dat betekent dat leerlingen
m.b.v. de concept/context-benadering kennis maken met de eerste eindtermen van de domeinen
C (Verhouding), D (Binding) en E (Verandering) en met de kernconcepten Rationalisering,
Staatsvorming, Sociale Cohesie, Cultuur en Sociale Ongelijkheid.
Een deel van een opdracht over het conflict in het Midden-Oosten
Leerlingen in vwo6 spelen een politieke actor binnen een actueel onderwerp, zoals het conflict in
Syrië. Een door Lars van der Bruggen ontwikkeld simulatiespel is door Seneca verder uitgewerkt
en vwo-leerlingen passen eindtermen 1, 2, 8, 9, 10, 11, 18 en 19 toe in de praktijk.
Seneca • 3
Wie ben je?
TEKST EN OPDRACHT OVER VOORNAAM (HAVO4 EN VWO4)
Als mensen elkaar voor het eerst tegenkomen, stellen ze zich vaak aan elkaar voor met hun voor- en
achternaam. Je achternaam is dezelfde als van één van je ouders, maar je voornaam is vaak zelf bedacht
door je ouders. Sommige ouders kiezen er voor om hun kinderen te vernoemen naar zichzelf of naar
hun eigen ouders (dus naar opa of oma), andere ouders geven hun kind de naam van een beroemdheid
en weer anderen kiezen voor een buitenlandse voornaam of zoeken naar een originele.
Als je als sociale wetenschapper naar die namen kijkt, zie je dat een voornaam niet op zichzelf
staat. Voornamen kennen een bepaalde populariteit. Als je in de jaren 70 van de vorige eeuw op
de basisschool zat, was de kans groot dat er een Marco in je klas zat, maar geen Emma. Terwijl die
kans nu is omgedraaid: de kans is nu groter dat je bij een Emma in de klas zit dan bij een Marco.
Sociale wetenschappers vinden dit soort gegevens interessant en proberen op basis van die verschillen
conclusies te trekken.
4 • Seneca
OPDRACHT - OPDRACHT - GA VOOR DE VOLGENDE OPDRACHT NAAR DE NEDERLANDSE
VOORNAMENBANK OP DE SITE VAN HET MEERTENS INSTITUUT
(WWW.MEERTENS.KNAW.NL/NVB/)
1. Hoeveel mensen van hetzelfde geslacht hebben jouw voornaam als eerste naam? Vul het
aantal in (niet het percentage). En in welk jaar was jouw voornaam het populairst? Om hoeveel
geboortes ging het dan in dat jaar (klik op de staaf)?
2. Is er een bepaalde trend te ontdekken in het histogram?
3. Klik nu op het woord ‘verspreiding’. Wat geeft de kaart weer?
4. Klik nu op de link [% verspreiding]. Kies wel de juiste natuurlijk. Waarom is deze kaart nuttiger
dan de vorige kaart?
5. Welke trend is nu zichtbaar? Kun je er een verklaring voor geven?
6. Doe nu hetzelfde met je familienaam (achternaam). Ga naar http://www.meertens.knaw.nl/nfb/.
Hier zie je alleen een kaart. Kies ook hier weer voor [%kaart]. Welke trend is zichtbaar? Kun je
dit verklaren?
7. Om de populariteit van pas gegeven voornamen van baby’s te onderzoeken, surf je naar
http://www.svb.nl/int/nl/kinderbijslag/kindernamen/top20/. Vergelijk de babynamen in de top20 van nu (actuele overzicht) met die van 2008. Welke overeenkomsten zijn er te zien?
OVER HET GEVEN VAN VOORNAMEN EN DE GEVOLGEN ERVAN
Ook voor het kiezen van een voornaam van je kind geldt dat dat ”gekleurd” is door de referentiekaders
van de ouders. In deze subparagraaf onderzoeken we de trends, de oorzaken (verklaringen) van het
voorkomen van bepaalde voornamen. Dat is wat we doen bij maatschappijwetenschappen: we zoeken
naar wetenschappelijke verklaringen voor het gedrag van groepen mensen. We gaan er nooit van uit
dat menselijk gedrag er ‘zo maar’ is of dat mensen ‘gek’ zijn, we zoeken altijd naar verklaringen.
Bij de opdracht over je eigen voornaam heb je gezien dat er trends te ontdekken zijn bij het toekennen
van voornamen. Voornamen van mensen zijn dus blijkbaar voorspelbaar. Krijg nu niet het gevoel dat je
niet meer uniek bent, want er zijn genoeg combinaties te bedenken van voornamen en achternamen.
Maar je naam is ook weer niet zo maar een willekeurige worp met een dobbelsteen geweest. Je ouders
hebben er over nagedacht en zijn beïnvloed door hun familie, hun streek, hun sociaal-economische
positie en door de mode. Niet alleen is je naam er ’niet zo maar’, maar ook kan je voornaam gevolgen
hebben voor de manier waarop mensen met jou omgaan.
Seneca • 5
Posterpresentatie
opdracht bij domein Vorming (havo4)
INLEIDING
In de afgelopen periode heb je bij maatschappijwetenschappen de kernconcepten geleerd die horen
bij het domein Vorming. Het is belangrijk om deze concepten ook goed te kunnen toepassen en
in deze opdracht ga je daarom uitleggen hoe ze in jouw leven of in je directe omgeving (ouders,
verzorgers, vrienden) zichtbaar zijn.
Je verwerkt dit in een posterpresentatie, waarin je op een creatieve manier laat zien dat je begrijpt wat
je geleerd hebt. In de poster leg je het aan een ander uit en daarmee laat je zien dat je het begrijpt.
Een posterpresentatie is dan ook een bekende manier om te leren en komt in het vervolgonderwijs
vaker voor.
DOEL
In deze opdracht ga je de kernconcepten identiteit, socialisatie, acculturatie, cultuur, politieke socialisatie
en ideologie “toepassen op jezelf” om op die manier te leren hoe deze concepten in jouw eigen leven
van toepassing zijn (geweest).
Daarnaast is het maken van een posterpresentatie (mogelijk) een mooie oefening voor dergelijke
presentaties in je vervolgopleiding.
OPDRACHT
Maak een posterpresentatie waarin je bewijst dat je de kernconcepten van Vorming begrijpt en toe
kunt passen. Doe dit als volgt:
• geef voorbeelden in de vorm van afbeeldingen, cartoons, fotootjes en een verhaaltje waarin je
jezelf presenteert aan de hand van de kernconcepten. Je kunt foto’s van je jeugd gebruiken waarin
duidelijk wordt gemaakt hoe jouw identiteit is gevormd (je geboortekaartje, de betekenis van je
naam, een biografie van je leven, …), of waaruit blijkt dat je gesocialiseerd wordt/bent (aan tafel,
school, …), welke cultuur je aanhangt (verjaardag, Sinterklaas, …).
• verwerk het digitaal (bijv. in Word of via een site waarbij je voorpagina’s van kranten kunt maken) of
op papier, maar in beide gevallen moet je ’t inleveren op A3-formaat;
• schrijf een reflectieverslag waarin je benoemt wat je bij maatschappijwetenschappen in het algemeen
hebt geleerd en in het bijzonder wat je geleerd hebt van het maken van deze posterpresentatie
(zowel praktisch als inhoudelijk).
BRONNEN
Maak gebruik van de kernconcepten van domein B.
6 • Seneca
Onderzoek
TEKST EN OPDRACHTEN VOOR ONDERZOEKSBEGRIPPEN (VWO4)
Bij maatschappijwetenschappen is wetenschap belangrijk en wordt er veel gebruik gemaakt van
wetenschappelijke theorieën en onderzoeken. Een wetenschappelijke theorie probeert verklaringen
te geven voor verschijnselen. Soms worden verschijnselen dan verklaard of soms juist aangegeven als
veroorzaker van een ander verschijnsel. Een theorie legt dus verbanden (relaties) tussen verschillende
verschijnselen.
Een verschijnsel is in dit vak een kenmerk van
•
samenlevingen, zoals rijke landen of
•
mensen in het algemeen, zoals ‘mensen zijn rationeel’ of ‘mensen streven naar eigenbelang’
•
van een specifieke groep mensen, zoals werklozen, mannen, criminelen
Een voorbeeld van een theorie die past bij dit hoofdstuk is dat jongens die Marco heten vaak geboren
zijn rond 1970. Of een andere theorie: ouders met een hoger inkomen geven hun dochters vaak een
voornaam die eindigt op een ’e’.
De relatie in zo’n theorie kunnen we grafisch weergeven. We noemen dat een conceptueel model:
een grafische weergave van een theorie.
OUDERS MET HOGER
INKOMEN
VOORNAAM DOCHTERS
EINDIGT OP ’E’
JONGENS MET
VOORNAAM MARCO
VAAK GEBOREN
ROND 1970
In bovenstaande modellen zijn de verschijnselen in aparte hokjes gezet. Zo’n verschijnsel noemen we
in de sociale wetenschappen een variabele. Een variabele is een kenmerk van een actor of samenleving
die kan variëren. In de voorbeelden zijn die kenmerken:
•inkomen
• laatste letter voornaam
•voornaam
•geboortejaar
Er is geen lijstje met alle variabelen op te noemen, omdat dat er heel veel zijn.
Seneca • 7
OPDRACHT - MAAK VAN DE VOLGENDE TITELS VAN ARTIKELEN EEN CONCEPTUEEL MODEL.
1.
2.
3.
4.
5.
Politieke wensen voorspellen filmkeuze (kennislink.nl, 5-6-2014).
Nederlanders leven langer door te fietsen (kennislink.nl, 3-7-2015).
Wees niet bang voor smartphones in de klas (kennislink.nl, 7-7-2015).
Na iets aardigs, luisteren mensen beter naar gezondheidsadviezen (kennislink.nl, 2-5-2014).
Wie slecht over ex denkt, komt sneller over de scheiding heen (NRC, 27-03-2015)
OPDRACHT - LEES ONDERSTAANDE TEKST EN MAAK DE VRAGEN.
(1) Jongens worden in de klas vaker berispt dan meisjes, blijkt uit een grootschalig Vlaams onderzoek.
Voor het onderzoek volgden onderzoekers van de universiteiten van Leuven, Gent en Brussel
zesduizend Vlaamse leerlingen uit de onderbouw van het middelbaar onderwijs. Ze ontdekten
dat driekwart van de negatieve opmerkingen van leraren gericht zijn op jongens. “Leerkrachten
discrimineren jongens, maar doen dit niet bewust”, zei onderzoeker Els Consuegra in de Vlaamse
krant Het Nieuwsblad. “Net zoals alle mensen hebben ook leraren een stereotiep beeld van jongens
en meisjes. Jongens zijn luid. Meisjes zijn stille werkers. Dus wordt een jongen die babbelt in de klas
harder aangepakt dan een meisje dat konkelfoest.”
(2) Volgens de onderzoekers voelen jongens die ongelijkheid aan. Mogelijk is het zelfs een van de
redenen waarom jongens het slechter doen op school dan meisjes.
Bron: ‘Babbelende jongen vaker berispt’ in: Onderwijsblad, 19 april 2014.
1. Maak een conceptueel model van alinea 1.
2. Schrijf een hypothese op bij je conceptueel model (van alinea 1).
3. Maak een conceptueel model van alinea 1 en 2.
OPDRACHT - SCHRIJF DRIE HYPOTHESEN OP BIJ DIT CONCEPTUEEL MODEL.
STRESS
SLAAPSTOORNIS
MOEILIJKE JEUGD
8 • Seneca
DEPRESSIE
OPDRACHT - LEES ONDERSTAANDE TEKST EN MAAK DE VRAGEN.
(1) Wanneer crimineel gedrag en leeftijd tegen elkaar uit worden gezet, dan is het beeld dat kinderen
tot een jaar of twaalf nauwelijks antisociaal gedrag vertonen. Vanaf die leeftijd neemt het antisociaal
gedrag echter explosief toe, resulterend in een piek rond het zeventiende jaar. Vervolgens neemt
de mate van antisociaal gedrag af. Eerst geleidelijk, daarna snel. En vanaf een jaar of 25 gedragen
slechts weinigen zich nog antisociaal. Het is dit verband dat de voorkant van de dissertatie van Eric
Luijpers siert en dat centraal staat in de vraagstelling voor zijn onderzoek. Waarom neemt het aantal
jongeren dat zich delinquent gedraagt vanaf het twaalfde jaar toe? En waarom neemt dat aantal
weer af vanaf het zeventiende jaar? Is de toename van delinquent gedrag een gevolg van intentie
tot exploratie? En welke rol speelt een goede of slechte binding aan ouders, vrienden, school of
werk bij de verandering in de mate van delinquent gedrag?
(2) Hirschi (1969) veronderstelt dat individuen die sociaal sterk gebonden zijn zich niet snel delinquent
zullen gedragen, omdat zij dan het risico lopen om bindingen aan conventionele personen te
verliezen. Wanneer individuen weinig of geen van dergelijke banden hebben, dan hebben ze ook
weinig te verliezen en is de kans op delinquent gedrag groter. Hirschi onderscheidt vier elementen
van sociale binding:
A.attachment: affectieve bindingen met belangrijke anderen, zoals ouders, vrienden en
leerkrachten;
B. commitment: betrokkenheid bij conventionele activiteiten, gekoppeld aan een bereidheid om
beloftes na te komen;
C. involvement: de inzet bij conventionele activiteiten, zoals school en werk;
D. belief: het geloof in regels van de samenleving.
Bron: René Veenstra over het proefschrift van Eric Luijpers (Intentie tot exploratie… , 2000)
1. Schrijf de woorden op waarvan je de betekenis niet kent.
2. Maak een conceptueel model van de tweede alinea.
3. Schrijf drie hypothesen op bij je conceptueel model (uit de tweede alinea).
OPDRACHT - SCHRIJF VIJF HYPOTHESEN OP BIJ DIT CONCEPTUEEL MODEL.
REPRESENTATIEVE
FACTOREN:
jong gemeenteraadslid
ACHTERGRONDFACTOREN:
• sekte
• leeftijd
• opleidingsniveau
• bevolkingsgroep
• opleidingsniveau ouders
• schoolsignatuur
• maatschappijleer
• politieke kennis
• intresse
jeugdraad
SOCIAALPSYCHOLOGISCHE
HOUDING:
verwachte inkomsten
INTENTIE OM TE
PARTICIPEREN IN
LOKALE POLITIEK
houding van ouders en
vrienden
hoeveelheid controle die
ervaren wordt
Seneca • 9
Wetenschap en politiek
Socialisatie komt op veel verschillende manieren voor. Kinderen worden nu heel anders opgevoed
dan vroeger, maar ook worden kinderen in de 21ste eeuw op veel verschillende manieren opgevoed.
Onderzoek naar het opgroeien van kinderen is echter niet alleen interessant voor sociale wetenschappers.
Ook in de politiek wordt ernaar gekeken.
Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat er verschillen zijn in de manier van opvoeden tussen
ouders met verschillende opleidingsniveaus. Kinderen met laagopgeleide ouders hebben vaker een
leerachterstand dan kinderen met hoger opgeleide ouders. De overheid wil daarom dat sommige van
deze kinderen extra taallessen krijgen.
OPLEIDINGSNIVEAU
OUDERS
MATE VAN
LEERACHTERSTAND
Wetenschap en politiek hebben veel met elkaar te maken. Allebei zijn ze geïnteresseerd in problemen
die er zijn in de samenleving en allebei willen ze daar ook een oplossing voor, maar er zijn ook verschillen
tussen wetenschappers en politici. Die verschillen hebben vooral te maken met wat belangrijk is in die
beroepen.
BELANGRIJK IN POLITIEK
BELANGRIJK IN WETENSCHAP
verantwoordelijkheid en draagvlak feiten, transparantie en herhaalbaarheid en oplosbare problemen
Politici maken keuzes voor de oplossingen die zij wensen bij maatschappelijke problemen. Zo’n keuze
van een minister bijvoorbeeld kan leiden tot beleid, sommige zaken gebeuren wel, andere niet. De
minister is dan verantwoordelijk voor de keuzes die hij gemaakt heeft en hij moet ’verantwoording
afleggen’ aan de bevolking. Als een minister dan een foute keuze heeft gemaakt, kan dat gevolgen
hebben voor zijn baan als minister. Voor wetenschappers geldt dat niet. Zij hebben - net als politici wel ideeën over beleid, maar zij maken geen keuzes over dat beleid. De Amerikaanse wetenschapper
Huntington adviseerde de overheid om immigranten uit Latijns-Amerika niet toe te laten, omdat
zij een andere ’beschaving’ zouden hebben. Mensen die tot verschillende beschavingen behoren,
zouden conflicten met elkaar krijgen, zei hij. Maar Huntington was wetenschapper, en hij kon dus
geen keuzes maken over immigratie.
10 • Seneca
Naast verantwoordelijkheid is draagvlak voor politici een belangrijk begrip. Besluiten worden in de
politiek alleen aangenomen als de meerderheid daar voor is en politici hebben dus draagvlak nodig
voor de besluiten die zij willen nemen: hoe meer mensen (in de politiek en in de samenleving) achter
het besluit van een politicus staan, hoe beter hij / zij dat vindt. Voor wetenschappers is draagvlak
nauwelijks een issue, maar als een wetenschapper iets controversieels wil onderzoeken, kan het wel
gevolgen hebben. Denk maar aan de affaire-Buikhuisen (verdieping p. 44).
Voor wetenschappers daarentegen zijn feiten heel belangrijk. Zij moeten zich zoveel mogelijk
baseren op wat zij in hun onderzoek waarnemen en niet op vooroordelen. Voor politici zijn feiten ook
belangrijk, maar zij kunnen zich ook baseren op idealen (waarden).
Ook zijn transparantie en herhaalbaarheid belangrijke eisen in de wetenschap. Wetenschappers
moeten helder zijn over hun manier van onderzoek doen, hun verzamelde gegevens en hun analyse.
Zij moeten zoveel mogelijk van hun onderzoek openbaar maken. Het gevolg hiervan is dat het
onderzoek ook te herhalen is en op die manier kan onderzocht worden of het onderzoek wel de
juiste conclusies heeft getrokken. Voor politici is transparantie ook belangrijk, maar niet op de manier
waarop dat in de wetenschap geldt.
Politici en wetenschappers hebben overeenkomsten in hun interesse voor maatschappelijke
problemen, maar er zijn verschillen in zaken die belangrijk voor beide professies zijn. Ook is het
zo dat ze elkaar nodig hebben: wetenschappers doen onderzoek dat gebruikt wordt door politici
en politici hebben wetenschappers nodig om dat onderzoek te doen. En daarmee zijn we bij een
belangrijk punt gekomen: het is niet zo dat ”de wetenschap” een definitieve oplossing heeft voor
de problemen die er zijn in een samenleving. Wetenschappers doen hun onderzoek wel objectief en
transparant, maar zij hebben ook voorkeuren voor bepaalde oplossingen, net zoals politieke actoren.
Zo liet de PVV in 2011 een onderzoek doen naar de kosten van een terugkeer naar de gulden (in
plaats van de euro als betaalmiddel). Het onderzoeksbureau Lombard Street Research deed dat
onderzoek en gaf zelf ook aan ’eurosceptisch’ te zijn.
Seneca • 11
Zwarte piet, of niet?
opdracht passend bij socialisatie (vwo4)
INLEIDING
Al jaren vieren Nederlanders het Sinterklaasfeest en Zwarte Piet is daar onderdeel van. Sinds enkele
jaren is er een discussie ontstaan over het al dan niet racistische karakter van Zwarte Piet. Sommigen
vinden dat Zwarte Piet als knecht van een blanke man een teken van ongelijkheid is. Ook het feit dat
Zwarte Piet zich vaak dommig gedraagt, beschouwen zij als een racistisch element. Anderen zeggen
juist dat het Sinterklaasfeest geen racistische bedoelingen heeft en dat het hoort bij de Nederlandse
cultuur en identiteit.
DOEL
Jullie gaan nadenken over het al dan niet racistische karakter van Zwarte Piet en jullie bedenken hoe het
Sinterklaasfeest een feest kan worden van alle Nederlanders. Daarbij gaat het om verschillende zaken:
• Je begrijpt dat het Sinterklaasfeest hoort bij de Nederlandse cultuur en identiteit;
• Je begrijpt dat sommige mensen Zwarte Piet racistisch vinden;
• Je begrijpt dat het gaat om het toepassen van (een functie van) socialisatie.
OPDRACHT
Schrijf een brief (max. één A4, lettertype Arial 11, zonder plaatjes) aan je oude basisschool over hoe zij
volgend jaar Sinterklaas kunnen vieren;
• houd daarbij enerzijds rekening met mensen die Sinterklaas graag zo willen vieren;
• en anderzijds met mensen die het juist willen veranderen.
> kortom: hoe kun je aan beide partijen tegemoet komen… (dit is natuurlijk best moeilijk, maar begrijp
dat we als Nederlandse samenleving voor deze moeilijkheid staan)
BRONNEN
Op itslearning staan bronnen die verwijzen naar voorstanders van Zwarte Piet en die juist gaan over het
afschaffen ervan. Jullie mogen ook gebruik maken van andere bronnen, maar vermeld die er dan bij.
12 • Seneca
Veiligheidsmonitor in
jouw buurt
opdracht voor onderzoek naar criminaliteit (havo5)
INLEIDING
Over veiligheid wordt veel gezegd en gesproken in Nederland, en ook vindt er veel onderzoek naar plaats.
Jaarlijks wordt er in Nederland onderzoek gedaan naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap.
Dat heet de Veiligheidsmonitor en deze wordt landelijk uitgevoerd door het Ministerie van Veiligheid
en Justitie. Soms willen politiekorpsen inzoomen op hun eigen regio en gemeente en op die manier
komen er ook gegevens beschikbaar van wijken.
Jullie gaan onderzoek doen in jullie eigen buurt naar beleving van buurtoverlast of veiligheidsbeleving.
Jullie vergelijken de uitkomsten van jullie wijk met die van het vorige onderzoek (of met het landelijk
gemiddelde). Aan de hand daarvan geven jullie advies aan de gemeenteraad om te zorgen voor een
veiliger woonomgeving.
DOEL
Voor maatschappijwetenschappen is het zelfstandig opzetten en uitvoeren van een onderzoek één van
de examenonderdelen. In dit onderzoek hoeven jullie niet zelf de manier van onderzoek te bedenken en
de vragen die jullie gaan stellen, maar jullie nemen de vragen uit de enquête van de Veiligheidsmonitor
over.
Het leerdoel bij deze opdracht bestaat uit drie zaken:
• resultaten van de enquête verwerken in tabellen
• tabellen analyseren en interpreteren;
• analyse verwerken tot een advies aan de gemeenteraad.
Bij dit laatste (en moeilijkste!) onderdeel leer je ook hoe je iets abstracts als ‘zorgen voor veiligheid’ kunt
omzetten in concreet beleid. Er is namelijk een verschil tussen de gewenste situatie en de werkelijke
situatie en jullie gaan adviseren hoe de gewenste situatie bereikt kan worden.
OPDRACHT
Jullie leveren een verslag in, en daarvoor moeten jullie
• je inlezen over het onderwerp (beleving buurtoverlast of veiligheidsbeleving) en de eerdere resultaten
in jullie wijk (of stad) en dit verwerken in causale relaties;
• de vragen uit de enquête van de veiligheidsmonitor over jullie onderwerp gaan stellen aan minimaal
30 mensen in jullie wijk (let op: zorg wel voor een passende verdeling van leeftijd en geslacht);
• de enquêtes verwerken zodat ze vergeleken kunnen worden met voorgaande resultaten, en ze
vergelijken,
• een advies geven aan de gemeenteraad: ‘wat gaat goed en wat kan er beter gedaan worden in de
wijk / stad, zodat er minder overlast plaats vindt / het veiliger wordt’ en dit verwerken in finale relaties.
BRONNEN
Maak gebruik van de veiligheidsmonitor van de gemeente, en van de kernconcepten en eindtermen
die horen bij Binding (domein D).
Seneca • 13
Senegame
uitleg lessenserie over Verandering (vwo5)
INLEIDING
Verandering is een hoofdconcept bij maatschappijwetenschappen en verdient wat Seneca betreft dan
ook een belangrijke plaats in het vak. De andere hoofdconcepten als ook de 23 kernconcepten zijn aan
verandering onderhevig en daarom heeft Seneca besloten om SeneGame te ontwikkelen. SeneGame
is een lessenserie om leerlingen te leren en te laten ervaren hoe andere samenlevingen eruit zien en
hoe keuzes gevolgen kunnen hebben voor samenlevingen. De lessen zijn daarom ook een combinatie
van uitleg door de docent, het bestuderen van cases en activerende simulatiespelen.
Op deze pagina’s vindt u een beknopte beschrijving van de opbouw van deel 1 en een deel uit het
ontwikkelde materiaal.
OPBOUW
De start van SeneGame is het uitleggen van speltheorieën en collectieve actie, omdat dit bij het
simulatiespel aan bod komt. Vervolgens komt de eerste simulatie aan bod: een spel rondom
leeftijdscohorten, draagvermogen en voedseltekorten in een jager-verzamelaarssamenleving.
Leerlingen spelen het spel verschillende malen zodat ze leren hoe een samenleving om kan gaan met
een tekort aan voedsel. Tegelijkertijd biedt dit de mogelijkheid het kernconcept cultuur - in combinatie
met religie - te behandelen in een andere context.
De verandering die dan besproken wordt, gaat over de invloed van cultuur op de overlevingskansen
van een samenleving. Leerlingen leren dat vanaf de agrarische revolutie de sociale ongelijkheid in
samenleving toenam.
Aan het eind van deel 1 staat de theorie van Gerhard Lenski over veranderende samenlevingen centraal
(zie hierna) en worden staats- en natievorming behandeld.
Deel 2 van SeneGame is gericht op de modernisering en rationalisering vanaf 1500, waarbij de gevolgen
van de industriële revolutie en theorieën van internationale betrekkingen aan bod komen.
14 • Seneca
Senegame
tekst lessenserie over Verandering (vwo5)
VERANDERING
Over veranderingen in samenlevingen bestaan verschillende theorieën, waarbij het verschil tussen
endogene (interne) en exogene (externe) factoren een belangrijk onderscheid is. In het eerste geval
gaat het om veranderingen binnen de samenleving zelf, zoals een andere cultuur of machtsstructuur.
In het tweede geval gaat het om veranderingen die veroorzaakt worden door factoren van buiten de
samenleving zoals oorlog, handel, epidemieën en klimaatverandering.
Socioloog Lenski heeft een theorie ontwikkeld en empirisch getoetst over de veranderingen van
samenlevingen van jager-verzamelaars tot en met industriële samenlevingen. Lenski was van mening
dat veel sociologen vooral studie doen naar hun eigen samenleving en de sociologische studie dan
tekort doen. Daarom bestudeerde hij in de geschiedenis een hele reeks samenlevingen en stelde
vragen over veranderingen.
Zijn theorie komt er simpelweg op neer dat samenlevingen veranderen als gevolg van innovatie:
culturele of technologische vernieuwingen. Zo kon de uitvinding van de ploeg leiden tot een
hogere landbouwproductie en meer surplusproductie en/of een grotere bevolking. Maar ook sociale
uitvindingen leiden tot veranderingen. Denk aan instituties als religie of andere politieke instituties
(republiek, vorst, et cetera). Lenski wijst ook op exogene factoren zoals (de dreiging van) oorlog die kan
leiden tot veranderingen. Zo passen samenlevingen zich vaak aan om hetzelfde niveau van krijgskunde
(strategie, tactiek, wapens) te verkrijgen en zich daarmee te verweren tegen vijanden.
SOCIALE ONGELIJKHEID EN SOCIALE COHESIE
Naarmate samenlevingen meer geavanceerd worden, zal volgens Lenski de sociale ongelijkheid steeds
groter worden. De reden hiervoor is dat degenen met macht steeds meer bezittingen vergaren en
dat deze door hun nakomelingen geërfd worden. Deze sociale ongelijkheid uit zich onder andere
in de sociale stratificatie van een samenleving: de indeling in sociale lagen. Een sociale laag is een
groep mensen met (ongeveer) dezelfde sociaal-economische positie (macht, bezit, status). Denk in een
moderne samenleving aan ‘ongeschoolde arbeiders’, ‘de middenstand’ en ‘de elite’. Een samenleving
zal manieren moeten vinden om slim om te gaan met de toegenomen sociale ongelijkheid. De sociale
ongelijkheid ontstaat door een steeds toenemende arbeidsverdeling: mensen specialiseren zich in
verschillende (economische) taken.
Niet alleen mensen, maar ook instellingen en instituties specialiseren zich naarmate een samenleving
zich verder ontwikkelt. Zo zal er eerst een stamhoofd zijn die tegelijk wereldlijk leider (vorst) en geestelijk
leider (hogepriester, sjamaan) en geneesheer (medicijnman) is. Maar als een samenleving ontwikkelt en
groeit, neemt ook de arbeidsverdeling toe. Het instituut ‘leiderschap’ zal zich splitsen in verschillende
deelsystemen: politiek bestuur (koning), religieus bestuur (hogepriester) en zorginstellingen (artsen).
Vaak biedt een waardensysteem zoals een religie een basis voor sociale cohesie. Als mensen ongelijkheid
legitiem (rechtvaardig) vinden, kan de ongelijkheid blijven bestaan. Daarom streefden veel vorsten naar
een eenheid qua religie, omdat religie de sociale orde (stratificatie) als een goddelijk gegeven kan
legitimeren. Kortom: een gezamenlijke religie leidt tot sociale cohesie. De gelegitimeerde macht van
een vorst geeft hem dan gezag.
OPDRACHT
1. Welke benadering past goed bij het tekstgedeelte over sociale ongelijkheid? Licht je antwoord toe.
2. Welke benadering past goed bij het tekstgedeelte over sociale cohesie? Licht je antwoord toe.
Seneca • 15
Syrië-top
opdracht voor machtsverhoudingen in de wereld (vwo6)
INLEIDING
Het Midden-Oosten is een wespennest en in de berichten daarover worden we veel geïnformeerd door
de media. Het optreden van Assad, de strijd van IS, de steun die westerse landen aan rebellen geven
en de rol die Poetin wil spelen, om van de gevolgen voor de Syrische burgers nog maar te zwijgen.
Allemaal actoren die hun eigen waarden en belangen nastreven en die niet maar zo hun eigen positie
willen afstaan.
In deze PO gaan jullie het conflict analyseren, je inleven in één van de betrokken actoren en gaan jullie
met andere actoren in debat over hoe om te gaan met het conflict bij de “Syrië-top” (een speciale dag
voor alle leerlingen in vwo6 met maatschappijwetenschappen)
DOEL
Door deze PO leer je de complexiteit van het conflict in het Midden-Oosten in het bijzonder maar ook
internationale conflicten in het algemeen beter te begrijpen. Ook krijg je door het inleven in een actor
in een conflict en geconfronteerd te worden met andere actoren en hun acties zicht op ontwikkelingen
in internationale conflicten en de rol van actoren als de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad.
OPDRACHT - JULLIE KRIJGEN ALS GROEP ÉÉN VAN DE ACTOREN TOEBEDEELD EN MOETEN
DE VOLGENDE DEELOPDRACHTEN MAKEN1:
A.
B.
C.
D.
het conflict analyseren met behulp van begrippen uit domein C (40%);
een ingezonden brief in een krant schrijven (30%);
je inleven in de actor en hierbij doelen en middelen opschrijven (10%);
de rol uitvoeren op de “Syrië-top” (20%).
BRONNEN
Maak gebruik van de kernconcepten en eindtermen die horen bij Verhouding (domein C) en volg het
nieuws via kwaliteitsbronnen (alleen nu.nl of nos.nl is niet voldoende, jullie moeten ervoor zorgen dat
jullie meer achtergrondinformatie tot jullie nemen).
Per deelopdracht krijgen leerlingen een uitgebreidere tekst om te weten wat van hen verwacht wordt.
Deze zijn hier echter niet opgenomen. Dat geldt ook voor de beoordelingscriteria van de andere opdrachten.
1
16 • Seneca
Hoe verder?
Seneca gaat verder met het ontwikkelen en schrijven van de methode. Seneca heeft hiervoor contact
met docenten en (oud-)docentenopleiders en wil zo een breder netwerk opzetten om het geheel te
realiseren.
Bent u ook geïnteresseerd zijn om mee te denken en / of mee te schrijven? Zoek dan contact met één
van ons of via onze site www.seneca.nu
Of wilt u ons helpen door één van de opdrachten uit te testen in de praktijk? U kunt bij ons een
beoordelingsmatrix aanvragen en dan horen we graag uw ervaringen ermee.
Ton Olgers: [email protected]
Lennart Schra: [email protected]
Marco Veldman: [email protected]
Seneca • 17
Aantekeningen:
18 • Seneca
Seneca • 19
Download